
Der Rosenkavalier uit Amsterdam is ook op cd overtuigend

Deze productie van Der Rosenkavalier door de Nationale Opera in Amsterdam (regie: Jan Philippe Glogger) heb ik live in het huis gezien en ik was er zeer over te spreken. Ook visueel viel het best mee, al vond ik de laatste acte behoorlijk uit de toon vallen.
Hieronder trailer van de productie:
Ik was toen zeer onder de indruk van Paula Murrihy en Hanna-Elisabeth Müller (resp. Octavian en Sophie) maar zonder beeld vind ik ze iets minder fantastisch. Hun stemmen zijn fraai en zeer jeugdig maar ze kleuren niet echt mooi bij elkaar. Daar lijdt de overhandiging van de roos, ‘Mir ist die de Ehre’ een beetje onder. Het klinkt gewoon iets minder hemels dan ik gewend ben.
Camilla Nylund was toen een perfecte Marschallin: mooi en ogenschijnlijk afstandelijk en koel; en dat is zij zonder visie ook.
Het is een puur plezier om naar Peter Rose (Baron Ochs) te luisteren, nou eens geen afgezongen bas maar een man in de kracht van zijn leven. Wat eigenlijk ook best klopt: de baron is nog geen veertig! Zijn ‘walsjes’ zijn gewoon verrukkelijk en hoe hij met zijn stem acteert! Niks geen karikatuur, gewoon een lomperik en een boerenlul.
Maar het mooist vind ik het Nederlands Filharmonisch Orkest. Onder leiding van hun chef dirigent Marc Albrecht hebben ze hun Strauss goed ‘under the skin’!
De opname klinkt buitengewoon fraai.
RICHARD STRAUSS
Der Rosenkavalier
Camilla Nylund, Paula Murrihy, Peter Rose, Martin Gantner, Hanna-Elisabeth Müller
Netherlands Philharmonic Orchestra olv Marc Albrecht
Challenge Classics CC72741
Zie ook: DER ROSENKAVALIER: discografie
Ekaterina Levental ontroert in Russische liederen uit de ‘Zilveren tijd’

Ekaterina Levental is niet zo maar een zangeres. Zij is ook harpiste, actrice, theaterperformer en … wat eigenlijk niet? De mezzosopraan ontvluchtte haar geboorteplaats Tashkent (Oezbekistan) toen ze nog maar een tiener was en sindsdien heeft zij een carrière opgebouwd in haar nieuwe vaderland, Nederland.
De titel van haar nieuwste cd slaat op de zogenaamde ‘Russische Zilveren Tijd’ oftewel op de mooiste liederen uit de laat-romantische periode waarvan Tsjaikovski en Rachmaninoff zo niet de beste dan zeker de bekendste vertegenwoordigers waren.
Het juweeltje ‘Nye poy krassavitza pri mnye’ (Zing niet voor mij, mijn schoonheid) van Rachmaninoff behoort zonder twijfel tot één van zijn meest gezongen liederen, hier ontbreekt het dan ook niet. Maar Levental zingt het anders dan anderen. Minder verstild, minder ingehouden…
Daar waar de meeste vertolkers het lied als een timide fluisterverzoek inzetten, zet Levendal haar stembanden open in een soort pijnlijke schreeuw om aandacht. Daar voel je je ongemakkelijk bij en dat is denk ik ook de bedoeling. Mij laat het in ieder geval niet koud, ik krijg er dan ook tranen van in mijn ogen.
Dat ongemakkelijke gevoel blijf ik de hele recital houden: ik ken de liederen heel erg goed en toch is het alsof ik ze nu voor het eerst hoor. Dat noem ik werkelijk grote kunst.
Maurice Lammerts van Bueren weet dat gevoel niet alleen te ondersteunen maar ook te versterken, top. Het tekstboekje bevat alle liedteksten en een zeer goede toelichting, ook in het Nederlands. Niet te missen.
Trailer van de cd:
THE SILVER AGE
Sergei Rachmaninoff, Peter Tchaikovsky, Modest Moussorgsky
Liederen
Ekaterina Levental (mezzosopraan)
Maurice Lammerts van Bueren (piano)
Quintone Q1703
FALSTAFF in Amsterdam, juni 2014

© BAUS
“Het was de derde keer dat we een nieuwe productie van Falstaff in Amsterdam hebben gehad, maar vandaag hebben we de echte première van de opera beleefd.” Beter dan Pierre Audi het in zijn bedankspeech verwoordde, had ik de première van Verdi’s Falstaff bij De Nationale Opera niet kunnen omschrijven.
Robert Carsens productie van Falstaff ging in 2012 bij het Royal Opera House in Londen in première (met matige recensies – kunt u het zich voorstellen?) en trok daarna langs New York en Milaan. Op zaterdag 7 juni kon ook Amsterdam kennismaken met de enscenering en na afloop van de zeer succesvolle première leek iedereen het erover eens: eindelijk!
Eindelijk hebben wij een productie mee mogen maken die niet alleen eerlijk was tegenover de componist, de librettist en het publiek, maar ook het nieuwe niet schuwde en niet was blijven steken in conventionele beelden en overdadige decors.
Vernieuwend, verrassend en toch zeer vertrouwd.
Zelden maak je nog mee dat alles, maar dan ook alles klopt, tot in de kleinste details. En het publiek beloonde het decor met een open doekje, wanneer hebt u het voor het laatst meegemaakt?
Wie de productie al eerder heeft gezien tijdens de bioscoopvertoning van de Metropolitan Opera, kan in Amsterdam prettig verrast worden. Het maakt toch echt uit of het geluid je via speakers bereikt of rechtstreeks je oren in komt, zonder versterking, microfoons en andere vernuftige uitvindingen. En er gaat niets boven de levendigheid op de bühne, met echte mensen in plaats van projecties op een scherm, de close-ups ten spijt.

© BAUS
Wat je ook mist als je niet in de zaal zit, is de onbeschrijflijk mooie belichting (van Carsen en Peter van Praet). De schaduwen die op de muren opdoemen en de Van Goghiaanse sterrenhemel: het is ‘larger than life’ en driedimensionaal!
Carsen situeert het verhaal in de prille jaren vijftig. De oorlog is voorbij en de grote opbouw, inclusief sociale verschuivingen, is in volle gang. De oude adel is in verval geraakt en de nieuwe rijken hebben het voor het zeggen. Geld, daar draait het om, althans voor de nieuwe ‘upperclass’. Daar is Ford het beste voorbeeld van: geld opent toch immers alle deuren?
Maar: de oude Sir John Falstaff is nog niet dood en al is hij aan lager wal geraakt, zijn gevoel voor humor en zijn intelligentie is hij nog steeds niet kwijtgeraakt. Zelfspot, daar kan Ford veel van leren!

Ambrogio Maestri © BAUS
Als u het mij vraagt, dan is Ambrogio Maestri geboren om Falstaff te zingen. De Italiaanse bariton is nog maar 43 jaar, maar de rol zingt hij al vanaf zijn 29e. Het is niet alleen zijn stem die hem zo geschikt maakt. Wat een uitstraling! Hij is groot en imposant, met een milde glimlach om zijn mond; zelfs in zijn eentje kan hij een voorstelling dragen.
In zijn ‘vroegere leven’ werkte Maestri als kok en ober in het familierestaurant in Pavia. Zijn ontdekking heeft hij aan Plácido Domingo en Riccardo Muti te danken, maar koken is nog steeds zijn hobby gebleven (op zijn YouTube-pagina heeft hij zelfs nog een kookrubriek).

Massimo Cavaletti & Ambrogio Maestri © BAUS
Massimo Cavaletti is een fantastische Ford. Zijn volumineuze bariton kent immens veel kleuren, absoluut onontbeerlijk om hem zowel als Ford als in zijn Fontana vermomming geloofwaardig te laten klinken.
Fiorenza Cedolins (Alice) heeft mij prettig verrast. Na al de zware rollen die zij eigenlijk al vanaf het begin van haar carrière zingt, verwachtte ik een dramatische sopraan die haar stem klein moest houden, maar nee! Zij zong voluit en onverwacht lyrisch.

Maite Beaumont, Fiorenza Cedolins & Lisa Oropesa © BAUS
Maite Beaumont kan er niets aan doen dat de rol van Meg zo weinig inhoudt, maar zij deed precies wat er van een “grijze muis” verwacht werd: mooi zingen en de meerdere in Mistress Alice erkennen!

Daniela Barcellona & Ambrogio Maestri © BAUS
Daniela Barcellona (Mrs.Quickly) is niet een echte diepe alt, type Fiorenza Cossotto, maar haar ‘Reverenza’ miste niets van de guitigheid van haar grote voorgangster. En met haar bühne persoonlijkheid heeft zij heel wat publieksharten veroverd.

© BAUS
Het jonge koppel (Lisette Oropesa en Paolo Fanale) deed precies, wat van ze verwacht werd: verliefd zijn, en de kleine rollen van Cajus, Bardolfo en Pistola werden meer dan luxueus bezet door resp. Carlo Bosi, Patrizzio Saudelli en Giovanni Battista Parodi.

© BAUS
Het was de eerste – en ik hoop niet de laatste! – keer dat wij Daniele Gatti bij de Nationale opera mee mochten maken. Dat hij een bijzondere affiniteit met het Koninklijk Concertgebouworkest heeft is niets nieuws, maar dat zij samen ook een opera tot onverwachte hoogten konden tillen was zeer verrassend en meer dan blijmakend. Bravissimi a TUTTI!
Trailer van de productie:
Giuseppe Verdi
Falstaff
Ambrogio Maestri, Massimo Cavaletti, Fiorenza Cedolins, Daniela Barcellona, Maite Beaumont, Lisette Oropesa, Paolo Fanale, Carlo Bosi, Giovanni Battista Parodi, Patrizio Saudelli
Koor van de Nationale Opera (instudering: Bruno Casoni en Thomas Eitlesr), het Koninklijk Concertgebouw Orkest onder leiding van Daniele Gatti;
Regie: Robert Carsen
Bezocht op 7 juni 2014
Falstaff van Verdi in zes opnamen: twee op cd en vier op dvd
Falstaff van Verdi in zes opnamen
“Tutto nel mondo è burla… tutti gabbati!” Oftewel: “Alles in de wereld is een grap… we zijn allemaal bedrogen.” Het is een beetje een tegelspreuk, maar de oude Verdi en zijn librettist Boito wisten heel goed wat ze deden.
In Falstaff laten ze een wereld zien waarin iedereen iedereen bedriegt. Maar zo is het nu eenmaal; we hebben het maar te accepteren. Laten we er daarom maar om lachen… Zo eindigt één van de beste opera’s ooit: met een glimlach en een vette knipoog.
HERBERT VON KARAJAN

De opnamen van Falstaff zijn legio, zowel op cd als op dvd.
Waar u absoluut niet zonder kunt is de lezing van Herbert von Karajan uit 1956 (Warner 0190295935092). De onder de supervisie van Walter Legge gemaakte opname was meteen al een legende en legende is het gebleven. Karajan had de beschikking niet alleen over de allerbeste zangers die er toen waren, maar ook over een fantastische studio en een opnameleider zoals ze niet meer gemaakt worden. Titto Gobbi werd geboren om Falstaff te zingen en een mooiere Fenton dan Luigi Alva bestaat gewoon niet. Ik vind de maniertjes van Elisabeth Schwarzkopf niet altijd leuk, maar zij is een overtuigende Alice en als Ford is Rolando Panerai helemaal op zijn plaats. En dan nog Fedora Barbieri als Quickly…. Heerlijk.
COLIN DAVIS

De opname die Colin Davis in 1991 voor RCA heeft gemaakt (tegenwoordig Sony 8869745801-2) kwam best dichtbij, al heeft hij de Karajan niet kunnen evenaren. Het ligt deels aan het orkest van Bayerischen Rundfunks, maar ook aan de opnamekwaliteit.
Davis’ zangersensemble is bijzonder sterk, zeker naar de huidige maatstaven, maar op Marylin Horne na, die zich zonder meer met Barbieri kan meten, is de cast toch een maatje kleiner. Rolando Panerai, bij Karajan een Ford uit duizenden, doet het als de ‘gezellige dikkerd’ minder goed, zeker als je hem vergelijkt met Gobbi
Fantastisch daarentegen zijn de bijrollen: met Piero de Palma (dr.Cajus) haalde Davis één van de beste comprimari ooit in huis. In de kleine rol van Pistola horen we niemand minder dan Francesco Ellero d’Artegna.
JAMES LEVINE

Frank Lopardo, Marylin Horne en Piero de Palma zijn niet alleen van de partij bij Colin Davis, maar ook in de Zeffirelli-productie die in 1992 werd opgenomen bij de Metropolitan Opera in New York (DG 0734532). Een spetterend voorstelling!
Jonge Levine stuurt de muziek alle kanten uit, het is alsof er niet één, maar vier dirigenten voor het orkest staan. Zoveel energie doet je naar adem happen.
Paul Plishka is een kostelijke Falstaff en de rest van de bezetting doet je gewoon kraaien van plezier: Mirella Freni is Alice, als Meg horen wij de piepjonge Susan Graham en Marylin Horne is een Quickly uit duizenden. Tel daar de werkelijk heerlijk zingende jonge geliefden (Barbara Bonney en Frank Lopardo) bij op en vergeet de twee comprimari niet: de onnavolgbare Di Palma (Dr. Cajus) wordt hier bijgestaan door een andere grootheid, Anthony Laciurra (Bardolfo). En wat je ook van Zefirelli vindt: het is altijd een feest om naar zijn producties te kijken!
Hieronder finale van de opera:
TULIO SERAFIN

Eén blik op de bezetting is al voldoende om een opera liefhebber te doen watertanden. De cast is vrijwel identiek aan die van von Karajan, maar nu, met beeld erbij is het gewoon niet te versmaden.
Falstaff was Giuseppe Taddei’s glansrol, waarmee hij overal ter wereld de grootste successen boekte. Zijn krachtige, donkere bariton, zijn enorme inlevingsvermogen, een buitengewoon acteertalent en een geweldig gevoel voor humor maakten van hem een fantastische Falstaff, nog steeds onnavolgbaar en inmiddels legendarisch.
In de RAI productie uit 1956 (VAI 4333) werd hij omringd door de allerbeste collega’s uit het Italiaanse operavak. Rosanna Carteri was een mooie, warmbloedige Alice, Scipio Colombo een viriele Ford en Fedora Barbieri een imponerende Mrs. Quickly. Anna Moffo en Luigi Alva zorgden voor de mooiste lyrische momenten, en dat alles werd gedirigeerd door niemand minder dan Tulio Serafin.
Anna Moffo zingt ‘Sul fil d’un soffio etesio’:
BERNARD HAITINK

De productie van Graham Vick (Opus Arte OA 0812 D) luidde in 1999 de vernieuwde Covent Garden in en er werd noch geld noch moeite gespaard om het zo leuk mogelijk te maken. De kostuums zijn werkelijk oogverblindend, het decor geestig, en al lijkt het geheel een beetje op het theater van de lach (zo “draagt” Falstaff een geelgroen gestreepte penis onder zijn buik), je vergeet de hele wereld om je heen.
Barbara Frittoli schittert in de rol van Alice Ford en ook de rest van de cast is zonder meer goed. De hoofdrol wordt gezongen door de toen 34-jarige (!) Bryn Terfel, die werkelijk alles doet om ons te overtuigen dat hij de perfecte Falstaff kan neer zetten. Is het hem gelukt? Ja en nee. Terfel is (en was toen al) zonder meer één van de beste zangers en acteurs van onze tijd. Zijn mimiek, zijn bewegingen, alles is tot in het uiterste geperfectioneerd. En met de hulp van de grime- en kostuumafdeling lukt het hem aardig om op een oude, dikke bok te lijken. Maar zijn jeugdige overmoed en oogopslag verraden zijn leeftijd en dat is jammer
Haitink is misschien niet mijn eerste keuze, voor mij dirigeert hij iets te statig, maar het klinkt allemaal toch echt fantastisch.
VLADIMIR JUROWSKI

Oude adel versus nouveau riche, daar gaat Falstaff ook een beetje over. Nog voordat de eerste maten van de in Glyndebourne in 2009 opgenomen ‘Falstaff’ (Opus Arte OA 1021 D) hebben geklonken, weet je al welke richting de regisseur je gaat sturen. Er hangt een gigantisch wandtapijt, waar de nodige kruissteken nog op geborduurd moeten worden.
Richard Jones plaatst de handeling in de jaren veertig, direct na de oorlog. Er lopen nog soldaten rond (Fenton is een Amerikaanse GI), er zijn scouts en zich vervelende huisvrouwen. De Fords en hun buren zijn de nieuwe rijken. Hun huizen zijn keurig en in hun tuintjes groeien reusachtige groenten – netjes op een rij.
Falstaff wordt fantastisch gezongen door Christopher Purves. Hij imponeert niet alleen met zijn stem, zijn hele optreden is meer dan geweldig. Ook Marie-Nicole Lemieux (Mistress Quickly) is een feest. In haar gedaante als een plompe scoutleidster krijgt ze de lachers op haar hand.
De rest van de cast is wissellend. Adriana Kučerova is een mooie Nannetta en Bülent Bezdüz een lieve Fenton, maar Tassis Christoyannis is niet macho genoeg voor Ford. Als u van de Engelse humor (denk aan de series zoals ‘ Dad’s Army’ of ‘Keeping up the appearance’) houdt, dan is deze Falstaff zeker iets voor u.
Hieronder Christopher Purves en Marie-Nicole Lemieux:
En als uitsmijter ‘Quando ero paggio’ gezongen door zeven verschillende baritons:
Rolando Villazon & Ildar Abdrazakov. Omdat het moest?
Er is iets mis met de opname. Het ‘Parelvissers-duet’ begint heel erg zacht, zo zacht dat ik de volumeknop helemaal open moet gooien om dan ergens halverwege, van de schrik zowat van mijn stoel te vallen, zo hard wordt het. Daarna is er niets meer aan de hand. Merkwaardig.
Het duet zelf klinkt ook minder vertrouwd in mijn oren: gewoonlijk zijn het een tenor en een bariton die elkaar een eeuwige vriendschap bezweren, nu is de bariton door een diepe bas vervangen waardoor het duet een totaal andere sfeer ademt.
Dat het best mooi is ligt voornamelijk aan Abdrazakov, Villazons bijdrage kan mij iets minder bekoren. Het is best pijnlijk maar ik kan er echt niet omheen: Villazon zingt niet goed meer en dan druk ik mij voorzichtig uit.
Maar eerlijk is eerlijk: ik heb best van de beide Donizetti-fragmenten genoten. Gounod klinkt ook prima en beide toegiften (‘Granada’ en ‘Ochi Chernyje’) zijn heerlijk om naar te luisteren.
Het orkest uit Montréal onder leiding van Yannick Nézet-Séguin speelt de sterren van de hemel en de door Abdrazakov gezongen aria’s zijn niet te versmaden. Al met al: het is een leuke cd met veel niet voor de hand liggende duetten, wat het tot een echt ‘hebbeding’ maakt..
BIZET, BOITO, DONIZETTI, VERDI, GOUNOD, LARA, HERMANN
Duets
Rolando Villazón (tenor), Ildar Abdrazakov (bas)
Orchestre Métropolitain de Montréal olv Yannick Nézet-Séguin
DG 002894796901 • 61’
Juan Diego Flórez geeft Mozart-mannen een fris kleurtje

Na zijn – half mislukte – uitstapjes richting het iets zwaardere repertoire keerde Juan Diego Flórez terug naar lichte, wendbare en virtuoze Rossini’s en Donizetti’s. Zijn vertrouwd terrein waar hij zich als een vis in het water voelt en waarin hij zijn gelijke niet heeft. Toch. Een roep en drang om toch maar weer nieuwe wegen te verkennen en misschien zelfs inslaan is menselijk en aldus begrijpelijk.
Nu Flórez zich over Mozart heeft ontfermd en zich daarbij niet alleen tot de meer voor de hand liggende Ottavio en Tamino heeft beperkt maar ook Tito, Idomeneo en Ferrando onder handen heeft genomen, kan ik alleen maar juichen want het resultaat is werkelijk verbluffend. Niet alleen is hij er met glans in geslaagd om Mozart-mannen een fris kleurtje te geven, maar hij voorzag ze ook van die extra virtuositeit dat zo ontzettend Flórez-eigen is.
In de versieringen veroorlooft hij zich enige vrijheden waarmee hij mij kinderlijk blij maakt. Hij kan dat en doet het met zo’n vanzelfsprekend gemak dat je niet eens merkt dat hier een trapeze-virtuoos aan het woord is. Waarbij hij laat blijken dat hij niet alleen over een perfecte techniek maar ook een uitstekende smaak beschikt.
Het Orchestra La Scintilla onder leiding van Riccardo Minasi begeleidt licht en lichtvoetig. Deze cd ‘ist bezaubert schön’…..
WOLFGANG AMADEUS MOZART
Aria’s uit Idomeneo, Die Zauberflöte, Il re pastore, Don Giovanni, La Clemenza di Tito, Così fan tutte en Die Entführung aus dem Serail
Juan Diego Flórez (tenor)
Orchestra La Scintilla olv Riccardo Minasi
Sony 88985430862 • 52’
DIALOGUES DES CARMÉLITES bij Deutsche Oper am Rhein in Düsseldorf, oktober 2010
Deutsche Oper am Rhein heeft voor een operaliefhebber altijd veel te bieden. Ieder jaar weten ze daar een heel erg interessant seizoen samen te stellen, waar zowat alle genres aan bod komen, voor elk wat wils. Ze werken met een min of meer vast ensemble, waardoor ze vrijwel alle rollen moeiteloos uit eigen stal kunnen bezetten. Bovendien vormen ze een hechte eenheid. Dat merk je. In oktober 2010 zag ik daar een formidabele productie van Dialogues des Carmélites van Poulenc.

© Hans Jörg Michel.
De opera gaat over angst. Angst voor alles, maar voornamelijk voor de dood. Kan je jezelf en je angsten ontvluchten? Hoe bevrijd je je van dat allesomvattende en allesvernietigende gevoel? Zijdelings gaat het ook over opoffering, martelaarschap, revoluties en ideologieën.
Dialogues des Carmélites is een werk waar je je als luisteraar moeilijk een buil aan kan vallen: de muziek is zo schrijnend mooi, dat je desnoods je ogen dicht doet en je verbeelding doet de rest. Bij Poulenc staat de melodie in het centrum van zijn universum en hij componeert zeer beeldend, waardoor je eigenlijk geen regisseur nodig hebt. En toch… als de regisseur goed is, gaat er een extra dimensie voor je open.
Guy Joosten heeft een zeer intieme voorstelling gecreëerd, met bijzonder veel aandacht voor details. Het begint al met een wit doek waarop de silhouetten van heen en weer marcherend gepeupel geprojecteerd worden. Vanaf het begin voel je je bedreigd. En als het doek even wordt opgetild en je ze daadwerkelijk ziet verschijnen, word je, net als de arme Blanche, doodsbang.
Zonder belerend te willen zijn en zonder een moralist te willen spelen, verwijst Joosten lichtjes naar de angstmomenten in de moderne geschiedenis. Zo krijgt Blanche van haar broer een rode jas aangereikt waarin zij kan ontsnappen (citaat uit Schindler’s List?) en wordt de nonnen voor de executie hun haar afgeknipt. Als er een habijt over hun hoofden wordt gegooid, lijken ze net vrouwen in boerka’s. En de vrouwen van het ‘volk’ dragen grijze mohair baretten. Vergis ik mij of zie ik daarin verwijzing naar de ultrakatholieke Poolse nationalisten?

John Wegner (Marquis de la Force) en Annett Fritsch (Blanche) © Hans Jörg Michel.
In de eerste scène van de eerste akte bevinden we ons in de ‘oude wereld’: de bibliotheek van de Markies. Er is kleur, en al is de angst voor wat komen gaat al voelbaar, de nabijheid van boeken straalt een bepaalde rust uit. In de tweede scène van de laatste akte bestaat de wereld niet meer. De omgevallen en in brand gestoken bibliotheek smeult nog na en alles is grijs geworden.

Annett Ftitsch (Blanche) en Jeanne Piland (Mère Marie) © Hans Jörg Michel.
De dood van de nonnen is mogelijk nog indrukwekkender dan het in Amsterdam was: iedere keer als de bijl valt, valt ook een zwart lint naar beneden. Tot alles zwart is en dan is het over.
De uitvoering was meer dan formidabel. Om te beginnen was er Anja Silja als Madame de Croissy. Alleen al voor haar sterfscène verdiende zij een Oscar.

Anja Silja (Madame de Croissy) © Hans Jörg Michel
John Wegner overtuigde als Marquis de la Force met zijn grote, zeer imponerende stem. Hij begon met een beetje te veel vibrato, maar heel gauw herstelde hij zich en Corby Welch was een aardige Chevalier.
Sabine Hogrefe was een prachtige Madame Lidoine. Haar stem klonk precies, zoals het moet: geruststellend en warm. En dat terwijl zij al Brünhilde op haar repertoire heeft staan!

© Hans Jörg Michel
De jonge Israëlische sopraan Alma Sadé (ja, familie van Gabriel) debuteert in de rol van Constance. Wat een heerlijke, lichte, meisjesachtige stem heeft zij toch! Alle tegenstrijdige gevoelens wist zij goed over te brengen. Vol levensvreugde, volop genietend en toch dromend van de dood. Was het wellicht omdat zij voor het eerst een echte vriendin meende tegen te komen, die zij niet kwijt wilde? Van haar gaan wij nog meer horen.

© Hans Jörg Michel
Anett Fritsch was een droom Blanche. Haar sopraan is licht, wellicht een tikkeltje te, maar haar rolinvulling was zo formidabel! Zij wist haar angsten daadwerkelijk in haar stem te laten doorklinken en dat is een echte prestatie.

© Hans Jörg Michel
Maar de show werd, althans voor mij, gestolen door Jeanne Piland is haar rol van Mère Marie. Hier stond een zangeres/actrice van formaat, met uitstraling en charisma. Van haar kon ik ook mijn ogen niet afwenden. Een legende al, maar haar stem staat nog steeds als een huis en heeft nog niets aan zeggingskracht ingeboet.
Alle kleine rollen waren meer dan adequaat bezet en het koor was meer dan goed. Het orkest (Düsseldordorfer Symphoniker) onder leiding van Axel Kober klonk als een wereldorkest, maar misschien zijn ze dat inmiddels wel?
Trailer van de productie:
Francis Poulenc
Dialogues des Carmélites
Anett Fritsch, Anja Silja, Jeanne Piland, Sabine Hogrefe, Alma Sadé, John Wegner, Corby Welch, Bruce Rankin e.a.
Düsseldorfer Symphoniker en het koor van de Deutsche Oper am Rhein olv Axel Kober (koordirigent: Christoph Kurig)
Regie: Guy Joosten
Bezocht op 22 oktober 2010 in het Opernhaus Düsseldorf
Discografie: DIALOGUES DES CARMÉLITES
Hendrickje van Kerckhoven zingt liederen van Edvard Grieg
‘Jeg elsker Dig!’ (Ik houd van jou) met de tekst van Hans Christian Andersen is misschien het bekendste van alle 180 liederen die Grieg ooit heeft gecomponeerd en vroeger ontbrak het ook nooit op de liedrecitals.
Hendrickje van Kerckhoven zingt ‘Jeg elsker dig!’:
Vroeger, want tegenwoordig wordt zelfs dit pareltje nog maar zelden uitgevoerd: Grieg is, samen met zijn liederen, een beetje uit de gratie geraakt.
Hendrickje van Kerckhove zingt de wonderschone liefdesverklaring anders dan ik gewend ben: lichter dan licht en zeer teder. Dat vederlichte houdt zij de hele cd aan waardoor de recital zeer poëtisch en melancholisch aanvoelt. Luister meteen ook naar ‘En Svane’, naar de tekst van Ibsen… Zo mooi!
In die liederen past Nicolas Callot gelukkig zijn begeleiding aan de zangeres aan en speelt terughoudend mooi, iets wat hij helaas niet volhoudt. In veel andere liederen – maar ook in de pianosolostukken vind ik hem namelijk te nadrukkelijk aanwezig.
Dat hoor je goed in ‘Melankoli’, een betoverend miniatuurtje van drie minuten dat gebaat zou zijn bij meer ingetogenheid. De daarop volgende ‘Vals’ klinkt dan weer licht en speels maar in het Scherzo op. 54 pakt hij weer behoorlijk uit en dat vind ik storend. Het doet afbreuk aan de onbeschrijfelijk mooie, nachtegaal-achtige stem van Van Kerckhoven.
EDVARD GRIEG
Moderen Synger ‘A Mother Sings’
Liederen en pianosolostukken
Hendrickje Van Kerckhove (sopraan), Nicolas Callot (piano)
Phaedra PH 292038 • 52′
Zowat perfecte La Bohème uit Amsterdam

Rodolfo (Sergei Romanovsky), Mimì (Eleonora Buratto)
Heel erg zachtjes klinkt nog: ‘Le mani.. al caldo…e…dormire’ (mijn handen…warm…en…slapen) … en dan is het stil. Mimi is dood. Haar vrienden hebben het nog niet in de gaten, maar wij, de toeschouwers, wij weten het wel want samen met de stem van Mimi is ook de muziek gestorven. Het is zo oorverdovend stil dat je je eigen tranen uit je ogen hoort vloeien. Het duurt niet langer dan een seconde, maar in die ene seconde is de hele essentie van Puccini’s muziek besloten. Een enkele noot, twee misschien, een klein akkoordje, een tweetakt…Stilte. Meer is er ook niet nodig.
Waarom is de laatste scène van La bohème zo ontroerend?
Het schijnt dat je je tegenwoordig er voor moet schamen dat die muziek iets met je doet, vandaar – denk ik – dat de ene na de andere regisseur de gekste fratsen verzint om maar niet voor sentimenteel te worden uitgescholden.
Zo niet de Australiër Benedict Andrews. In 2014 regisseerde hij bij De Nationale Opera in Amsterdam een La Bohème die niet meer (maar ook niet minder) deed dan het verhaal rechttoe-rechtaan te vertellen.

Goed: hij permitteerde zich een paar vrijheden. Zo verplaatste hij de handeling naar de – zo schat ik – jaren vijftig van de vorige eeuw en liet hij de Bohemiens in een ruime studio gelijkvloers wonen in plaats van de voorgeschreven mansarde. Het leverde een paar contradicties (hoezo is Mimi buiten adem van het traplopen als er geen trap is?) en een enkel raar detail (met je pyjama op de koude kerstavond uit gaan eten? Really?) op, maar het zij hem vergeven want voor de rest heeft hij zich netjes aan het libretto gehouden. Er is zelfs een spiritusbrander waarop het versterkend drankje voor Mimi wordt voorbereid!
De cast was, op Thomas Oliemans (Schaunard), Gianluca Buratto (Colline) en de vertolkers van de kleine rollen na, geheel nieuw.

Sergey Romanovsky (Rodolfo) en Eleonora Buratto (Mimi)
Eleonora Buratto (Mimi) heeft een mooie en ronde sopraan, zeer aangenaam om naar te luisteren. Ze begon een beetje aarzelend en haar eerste aria, ‘Sì. Mi chiamano Mimì’ klonk niet helemaal overtuigend, maar daar revancheerde zij zich later meer dan ruimschots voor. In ‘Donde lieta uscì’ bloeide haar stem op tot bijna Tebaldi-achtige proporties, maar bij haar opkomst in de derde acte (ach! De mist! En de sneeuwvlokjes!) al wist zij bij mij alle twijfels weg te nemen.

Sergey Romanovsky (Rodolfo) en Mattia Oliveri (Marcello)
Sergey Romanovsky heeft misschien een iets te kleine stem voor Rodolfo, maar zijn timbre is zeer fraai en wendbaar. Dat hij af en toe een klein beetje geknepen klonk in de hoogte schrijf ik toe aan première-zenuwen en ik ben er zeker van dat we met de Russische tenor een uitstekende Rodolfo in huis hebben.

Olga Kulchynska (Musetta) wachtend op haar opkomst in de gang van de DNO © Olga Kulchynska
Aan Olga Kulchynska (Musetta) viel een zeer zware – zo niet de onmogelijke – taak om ons Joyce El-Khoury van drie jaar geleden te doen vergeten. Iets waar zij uitstekend in slaagde, brava! Haar Musetta was aantrekkelijk, sexy, verleidend flirterig, maar ook meelevend en warm. Precies waar zij voor moest staan. Zie hier een perfecte casting.

Mattia Oliveri (Marcello) en Olga Kulchynska (Musetta)
Marcello werd gezongen door een jonge bariton Mattia Oliveri: ook een naam om te onthouden. Massimo Cavaletti, de Marcello van drie jaar geleden had een uitstraling van een zelfverzekerde kunstenaar; Mattia Oliveri heeft aan de rol ook de twijfel aan zichzelf en zijn eigen kunst toegevoegd. Iets wat hem meteen niet alleen jonger maar ook sympathieker maakte.

Gianluca Buratto (Colline) en Thomas Oliemans (Schaunard)
Gianluca Buratto wist op een zeer ontroerende manier afscheid van zijn mantel te nemen en Thomas Oliemans was een zeer koddige Schaunard.

Matteo Peirone (in het midden) als Benoit
Matteo Peirone was misschien niet helemaal overtuigend als de huisbaas Benoit, als Alcindoro deed hij het des te beter.
Morschi Franz herhaalde zijn uitstekende Parpignol en Peter Arink, Harry Teeuwen en Richard Prada leverden uitstekende prestaties in hun kleine rolletjes.

de cast van La Bohème met de dirigent Andrea Battistoni (derde van links) © FB
Het grootste verschil met de vorige editie lag aan het zangers-ensemble als een geheel. Hoe het ze gelukt was dat weet ik niet, maar hun innige vriendschap spatte van de bühne af, alsof zij daadwerkelijk ook ‘vrienden voor het leven’ waren. Maar misschien is het inderdaad ook zo?

Andrea Battistoni © Andrea Battistoni
Maar de allergrootste ster van de avond stond in de bak. Mamma mia, wat een dirigent! De jonge Andrea Battistoni wist mij niet alleen te verrassen maar ook te overrompelen. Niet alleen was hij buitengewoon vakbekwaam maar in zijn directie straalde hij een groot respect en een immense liefde voor de muziek van Puccini uit. Hij respecteerde alle noten, ook die er niet waren. Zie hier (ook) de reden voor de immense ontroering na Mimi’s dood. Het Residentieorkest klonk onder zijn leiding buitengewoon warmbloedig en zeer liefdevol.

Het Nieuw Amsterdams Kinderkoor met in het midden Eleonora Buratto (Mimi) en Sergey Romanovsky (Rodolfo)



