The Scarlett Letter zonder de kleren van de keizer
Tekst: Neil van der Linden
Ik moet bekennen dat ik nog niets van Angélica Liddell had gezien, maar ze is één van de belangrijkste theaterpersoonlijkheden van het moment. Na jarenlang ploeteren in Spanje, kwam haar internationale doorbraak in het befaamde theaterfestival van Avignon. Ze is nu ook al verschillende keren in Nederland geweest, ook in het Holland Festival.

Angélica Liddell © EFE
Volgens Angélica Liddell is het de taak van de kunstenaar om een paria te zijn. Ze wil haar publiek deelgenoot maken van de ondeugden van de mensheid en de onverwachte schoonheid die ze daarin vindt. In The Scarlet Letter richt ze zich op de huidige seksuele moraal.
Goed, theorie, die je ook in een pamflet kan neerschrijven. En de voorstelling is pamflettistisch. De voorstelling is gebaseerd op de roman van de 19e-eeuwse Amerikaanse auteur Nathaniel Hawthorne – een werk over zonde, straf en verzoening, en de verstikkende sociale omgeving in het nieuwe land, Amerika. In Hawthornes roman wordt de protagonist Hester zwanger terwijl haar echtgenoot langdurig in het buitenland verblijft. De dorpsdominee leidt een gericht tegen Hester, en het oordeel is dat ze een geborduurde A op haar kleren moet dragen, de A van Adultery, overspel. Hester weigert te zeggen wie de vader van het kind is. Uiteindelijk blijkt het de dominee te zijn, als hij van wroeging sterft en er een letter A op zijn borst verschijnt. De hoogste morele gezagdrager blijkt verantwoordelijk voor wat de gemeenschap wreed heeft afgestraft.

© Bruno Simao
Er zijn twee sprekende rollen, Angélica Liddell, zelf in een zwarte ongemakkelijke hoepelrok in 19e eeuwse stijl, en een priester en biechtvader in een scharlaken- (scarlet) rood pij. Dat is de dominee uit Nathaniel Hawthorne’s roman, maar er is nu een katholieke geestelijke van gemaakt, conform het katholieke land waar Liddell vandaan komt.
Naast Foucault en Barthes, twintigste eeuwse-filosofen die hebben geschreven over de seksuele moraal van de twintigste eeuw, noemt de maker theaterpionier Antonin Artaud’s Theater van de Wreedheid als inspiratiebron. In 1932 richtte Artaud ‘het theater van de wreedheid’ op. Artaud liet door middel van fysieke trainingen zijn acteurs tot op de grens van de uitputting gaan en liet de acteurs met elkaar vechten, vreemde geluiden maken. Dat zien we allemaal in deze voorstelling. Hij gebruikt de pest als metafoor; theater moet dezelfde ontregelend effect hebben als wanneer het leven in een stad wordt aangetast door de pest. Artaud zei dat het afstotelijke tegenstellingen van het leven aan het licht brengt
In een eerdere voorstelling plaatste Liddell Artaud’s pest tegenover Lewis Carroll’ onschuldige Alice, inclusief het aspect van de genegenheid van Carrol voor een jong meisje, wat in de toenmalige context zeker als onschuldig moet worden gezien. Maar eigenlijk moet ik steeds aan Pina Bausch denken, die deze vorm van persoonlijk bekentenissentheater uitvond sinds ze haar dansers liet praten in voorstellingen als Café Müller en Kontakthof. En dan moet ik zeggen dat ik die stukken evenwichtiger vond, theatraler ook. Natuurlijk, het onderwerp dat Liddell aanroert is confronterend, maar waren de bekentenissen van de dansers van Bausch dat verhoudingsgewijs niet evenzeer?
Het uitputtingstheater doet me ook aan Jan Fabre denken, en hoewel we onderhand onze bekomst hebben van Fabres sadisme tegenover dansers (en ik indertijd vond dat zijn behandeling van dieren op het toneel, kikkers en vissen, absoluut abject was en verboden had moeten worden) is zijn esthetiek ook evenwichtiger.
Verschil, en dat neemt mij dan wel weer absoluut in voor Liddell, is dat zij zo liefdevol omgaat met de acteurs omgaat. Allemaal mannen die het grootste deel van de avond naakt op het podium staan. Mooi gespierde mannen, macho, maar Liddell behandelt ze teder, zij het dat zij het voor het zeggen. Dat culmineert in een scene waarin zij één van de mannen opdraagt een vinger in haar geslachtsdeel te steken en een volgende scene waarin zij de geslachtsdelen van een rij wachtende mannen één voor één bijna in haar mond steekt en van de laatste echt. Alles duurt heel kort, waardoor het confronterend effect waarvoor vóór de voorstelling wordt gewaarschuwd eigenlijk reuze meevalt, temeer omdat het heel teder gebeurt en iedereen een zekere hulpeloosheid uitstraalt.

© Bruno Simao
Alleen in de eerste tien minuten dragen de mannen kleding, als ze pijen met puntmutsen dragen zoals die van de Spaanse Inquisitie, uit het land waar Liddell vandaan komt, en die werden gekopieerd door de Klu Klux Klan, wat ons naar Amerika brengt. De pijen en puntmutsen doen denken aan de beklemmende schilderijen van Francisco de Zurbarán uit de Spaanse barok, die religieuze congregaties uit de tijd van de Inquisitie afbeeldde. Het eerste teken van naakt, van de fysieke mens die onder de mannelijke kleding zit, is als de geestelijken hun pijen oplichten.
Er zijn twee andere verwijzingen naar de schilderkunst, één tijdens de openingsscenes, als een vergrote Madonna met Kind van Raphael naar beneden komt zakken, even later gevolgd door een afbeelding van hetzelfde schilderij maar dan een waarin het Kindeke Jezus bedekt is met pestbuilen, wat tevens een verwijzing naar Artaud zou kunnen zijn, die de pest als metafoor gebruikte. Tijdens deze scenes klinkt Orientaals-microtonale polyfone Middeleeuwse religieuze muziek, als ik het goed heb iets uit de reconstructie van de oudst bekende muziek van de kerk van Rome of van Milaan zoals opgenomen voor CD door het pionierende ensemble Organum onder Marcel Peres. Hoewel de muziek uit een heel andere tijd stamt dan Raphael of Zurbarán, onderstreept de sonoriteit de beklemmende sfeer
In de openingsscenes spelen nog andere verhaallijnen mee. Een jong meisje dat in haar eentje opkomt, vermoedelijk een verwijzing naar kinderlijke onschuld, maar ze is net wel zo oud dat er al een zekere ontluikende erotiek in het spel is. En een naakte iets net jong-volwassen jongen en meisje bij een door struiken omgeven graf; Adam en Eva die uit het paradijs zijn verdreven, een thema dat Liddell in haar vorige grote Holland Festival voorstelling liet zien door middel van een verwijzing naar de beroemde Adam en Eva van Lucas Cranach.

© Bruno Simao
Dan ontvouwen zich de lange scenes met de acht naakte mannen, die allemaal zo eind twintig zijn, dus echt volwassen, en voor bij het stadium van de onschuld. Maar Liddell bezingt juist deze mannen, en in haar tekst beklaagt zij zich erover dat vrouwen na hun twintigste steeds sneller hun schoonheid en aantrekkelijkheid voor mannen verliezen, terwijl mannen tot in het einde van hun dagen mooi en aantrekkelijk blijven; aldus de tekst die Liddell voordraagt. En er verschijnt geen A op hun borst, ze blijven onschuldig.
Er speelt nog een verhaallijn mee, die van een atletisch Afrikaans personage; de tekst vertelt dat de oudere vrouw niets anders rest dan haar heil te zoeken bij de man van een ander ras en een andere cultuur. De zwarte acteur heeft het grootste deel van de tijd kleding aan, maar gaat aan het eind ook naakt. Liddell deinst er niet voor terug om alle mannen zich zodanig te laten bewegen dat we hen van alle kanten bezien. Shockeren doet het niet, en ik denk trouwens dat dat helemaal niet de bedoeling is, want alles wordt zo liefdevol gedaan. Het bezingen van de zwarte man als lustobject zou als racisme kunnen worden opgevat, maar de tekst is ook op te vatten als kritiek op de identificatie van ‘andere rassen’ als lustobject. Ik moest ook denken aan het toneelstuk van Jean Genet, Les Nègres, uit 1958, waarin de auteur met raciale stereotyperingen speelt om ze aan de kaak te stellen.
Er kwam nog een kopie van een schilderij naar beneden, een toneelopening-grote Amor Vincit Omnia van Caravaggio, het beroemde naakte onschuldige en tegelijk ondeugende Cupidootje van de schilder die een scabreus wild leven leidde. Foucault, Barthes, Caravaggio, en op zeker moment komt ook Pasolini opdagen: Angélica Liddell heeft veel homoseksuele helden.
De letter A speelt een grote rol in de monologen die Liddell houdt. Zoals gezegd komt die uit Hawthornes roman: A is de eerste letter van adultery, overspel, de letter die Hester op haar kleding borduurt. Maar Liddell verwijst ook naar andere begrippen die haar hebben geleid, de A van angel, engel, de A van haar eigen voornaam, en de A van artist.
Er wordt ook de naam Arthur genoemd. Is dat koning Arthur? Ik heb de muziek van Purcell niet allemaal paraat maar een deel van de gebruikte barokmuziek, naast die van Monteverdi en Lully, kan afkomstig zijn uit Purcell’s King Arthur. Maar op zeker moment denk je ook: ja, en wat dan nog? Al die over elkaar heen buitelende citaten gaan op leentjebuur spelen lijken. Maar tegelijk draagt die stortvloed van referenties ook bij aan het effect van de paranoia die de voorstelling wil uitdrukken.
Buiten mogelijk King Arthur en de vroeg-Europese kerkelijke polyfonie horen we Lully’s Marche pour la Cérémonie des Turcs, een populaire Italiaanse schlager, I Put a Spell on You door Screamin Jay Hawkins en opbouwend naar het eind toe een oude, in interpretatie vergeleken bij de huidige oude muziek-praktijk sterk gedateerde opname van een deel uit het ‘Magnificat’ van de Maria Vespers van Monteverdi.
Allemaal mooi, maar Die Pina deed dit allemaal ook al heel mooi, en al met al moest ik af en toen ook denken aan een uitspraak van dertig jaar geleden van regisseur en toneelvernieuwer Karst Woudstra: in de toekomst bestaat theater uit een regisseur die met zijn of haar favoriete muziek op het podium gaat zitten en over zichzelf vertelt. Maar deze voorstelling slaagt erin om dat toch mooi te doen.
trailer van de productie:
Atra Bilis Teatro/Angélica Liddell, The Scarlet Letter, naar de 19e eeuwse zedenroman van Nathaniel Hawthorne.
Holland Festival 8 juni Internationaal Theater Amsterdam.
Turan Dokht toch, of toch Turandot?
Tekst: Neil van der Linden

De Iraanse componiste Aftab Darvishi en de Nederlandse regisseuse en in dit geval ook librettiste Miranda Lakerveld hebben een muziektheaterstuk geschreven, op kameroperaformaat, gebaseerd op het oerverhaal achter Turandot, in de operawereld vooral bekend van Puccini, maar ook van een opera en een suite van Busoni, en een ouverture van Von Weber.
Als toneelstuk is Turandot bekend van de 18e-eeuwse Italiaanse theatervernieuwer Gozzi, van Schiller en van Brecht. Gozzi liet het verhaal spelen in Perzië, conform vertalingen van Nizami’s teksten uit het Perzisch. Schiller transformeerde het verhaal naar China, en zo kwam het bij Puccini, Busoni en Brecht terecht, hoewel zelfs in Schillers tijd iemand Schiller’s chinoiserie weer terug transponeerde naar Perzië.
De eerste opgeschreven vorm van het verhaal komt uit Haft Pekar, ‘Zeven Kleuren’, van Nizami 1141–1209, die werd geboren in wat nu Azerbeidzjan heet. Die geboorteplaats leidde er toe dat ook Azerbeidzjan de auteur als nationale dichter opeist, ook al spreekt men er een andere taal, en dat Azerbeidzjan een eigen traditie heeft van muziek gebaseerd of Nizami’s Haft Pekar. Uzeyir Hajibeyov schiep een nationale opera-stijl, gebaseerd op een mengvorm van symfonische en lokale traditionele muziek, met onder meer werken gebaseerd op Nizami. Die opera’s worden nog voortdurend uitgevoerd. Een andere Azerbeidzjaanse componit, Gara Garayev, protégé van Shostakovitsj, schreef een geregeld uitgevoerd ballet op Haft Pekar.
Regisseuse Miranda Lakerveld heeft eerder Iraans ritueel theater onderzocht. Ze werkte ook eerder met componiste Aftab Darvishi samen, in de ‘Afro-Arabische barokopera’ Het Offer, een bewerking van het oratorium Jephte van Carissimi, met toevoegingen uit muziek uit gemeenschappen met verschillende migratieachtergronden in Amsterdam, die werd uitgevoerd in theaters in De Baarsjes en Bos en Lommer in Amsterdam.

© Nichon Glerun
Turan Dokht betekent dochter van Turan, een algemene benaming in het Perzisch voor een prinses; Turan is een half-mythische Centraal-Aziatische rijk direct noordelijk van Iran, wat nu Kazachstan, Oezbekistan, Turkmenistan en Tadzjikistan is. Ik vraag me af of je kunt zeggen dat dat dit werk een ‘interculturele herschrijving’ van Puccini’s Turandot is, zoals het programmaboek vermeldt. Of als de makers dat inderdaad wilden, of dat nodig is. Deze Perzische of eigenlijk deels Centraal-Aziatische Turan Dokht heeft een eigen bestaansrecht, zij het met een knipoog naar Puccini’s opera, waarvan fragmenten worden gebruikt in de muziek, vooral tijdens de hoogtepunten van de amoureuze verwikkelingen.
Aftab Darvishi heeft aan het Haags conservatorium gestudeerd, onder meer bij Yannis Kyriakides, en in Amsterdam is ze afgestudeerd op filmmuziek. De muziek werkt vaak filmisch. Darvishi brengt ook elementen van de Iraanse eigentijdse klassieke muziek, die we in de buurt van eigentijdse Kaukasische en Russische muziek kunnen plaatsen. Dat is allemaal te horen en de muziek zou ook geschikt zijn voor een film. Naast de strijkers, blazers en piano worden voor een soort recitatieven een kemenche (Iraanse staande viool) en slagwerk gebruikt, en de kemenche speler zingt een deel van het verhaal, een rol die tussen die van een epische dichter-zanger uit de Perzische traditie en die van een recitatiefzanger uit een barok-oratorium inligt.

© Nichon Glerun
De handeling wordt begeleid en vaak geleid door een drietal zingende actrices, Sarah Akbari, Niloofar Nedaei en Tahere Hezave (dezelfde die twee weken geleden in de Operadagen Rotterdam het fraaie Promethe/The Plague uitvoerden met muziek van de dirigent van deze voorstelling Navid Gohardi). Ze leiden de verhaallijn en zingen poëtische teksten over de zeven kleuren en de zeven planeten, in complexe polyfonieën die soms zijn ontleend aan Westerse klassieke harmonieën, soms aan Iraanse folklore.
Dit meerstemmig zingen is in Iran overigens soms een bittere noodzaak. Vrouwen mogen officieel niet solo zingen voor gemengd publiek. (Al wordt daar vaak de hand mee gelicht; Puccini’s Gianni Schicchi tot en met My Fair Lady zijn er onlangs uitgevoerd en ook Humperdincks Hänsel und Gretel. Truc was om in elk geval bij de première af en toe iemand mee te laten neuriën, dan kon zelfs de censuurcommissie, zelf bestaande uit bevriende musici, zeggen dat er niet solo werd gezongen; wel kostte dit op zeker moment toch de Minister van Cultuur – en ‘Islamic Guidance’ – zijn baan. Ook deze Turan Dokht is in Teheran opgevoerd.)

©Nichon Glerun
De drie actrices fungeren als een koor uit een Griekse tragedie, maar ze hebben ook iets van schikgodinnen, of misschien wat dichter bij huis djinns. En ze zijn hofdames, vrouwelijke evenknieën van Ping, Pang en Pong, de drie ceremoniemeesters uit de opera van Puccini.

© Nichon Glerun
Deze Turan Dokht is niet de ijsprinses van Puccini. Wel stelt ze ook hoge eisen aan wie haar benadert, en er wordt gerept van wat voor bloedigs kan gebeuren als huwelijkskandidaten een fout maken. De prinses werd in de Nederlandse première vertolkt door Ekaterina Leventhal, een imposante verschijning, in een soort Oezbeeks gewaad; wel, ze is van Oezbeekse afkomst is, en dus eigenlijk ‘Turaans’.

© Nichon Glerun
De prins is Arash Roozbehi, een jonge Iraanse bariton die aan de Artez hogeschool heeft gestudeerd, en die er overtuigend uitziet als prins. Een beetje een onhandige prins, maar dat wekt juist de vertedering van de drie ‘schikgodinnen’ annex ‘hofdames’, die hem onmiddellijk onder hun hoede nemen en hem zelfs nog voordat hij Turan Dokht heeft gezien de antwoorden op de vragen die zij altijd stelt verklappen.

©Nichon Glerun
Als de ontmoeting met de prinses dan plaats vindt dreunt hij meteen alle antwoorden op voordat zij nog maar iets heeft kunnen vragen. Hij moet echter nog één raadsel oplossen, haar naam, en wel nadat ze de nacht samen hebben doorgebracht op twee meter van elkaar. Tijdens die nacht besluit zij dat zij hem zelf haar naam zal vertellen door middel van een kus die zij hem bij het krieken van de dag zal geven. Een interessante feministische interpretatie dus. De schikgodinnen/hofdames helpen de prins, en Turan Dokht besluit zelf het heft in handen te nemen en een eind te maken aan al het geheimzinnige gedoe. Goed en wel ontwaakt zingen ze samen nog een stukje Puccini. In het hele land is het feest, de musici op de Iraanse instrumenten spelen folkloristische dansmuziek en dan eindigt de opera.
Er mag nog apart iets worden gezegd over de bijzondere video-animaties, gemaakt door Siavash Naghshbandi, gebaseerd op zeven kleuren, waarin ook de zeven planeten worden verbeeld door middel van fraaie lichtprojecties, op de vloer en tegen de achterwand. Ook fragmenten van Perzische miniaturen worden gebruikt, vermoedelijk afkomstig uit geïllustreerde uitgaven van Nizami’s werk, en geometrische patronen zoals we die van de Perzische tapijtkunst kennen.
Compositie: Aftab Darvishi
libretto, regie: Miranda Lakerveld
zang:
Ekaterina Levental (Turan Dokht),
Arash Roozbehi (De onbekende prins),
Sarah Akbari, Niloofar Nedaei,Tahere Hezave
dirigent: Navid Gohari
video: Siavash Naghshbandi
Gezien 5 juni Muziekgebouw aan t IJ.
Michael Fabiano triumphs with his first CD recital
For me, the fact that Michael Fabiano was going to make it was indisputable. From the very first time I saw and heard him, in the highly recommended documentary The Audition, I knew for sure, the winner had arrived. That year (2007) the competition was extremely strong, with Jamie Barton, Angela Meade and Alek Shrader among the finalists. To stand out in that company you had to be really special and Fabiano certainly was.
THE AUDITION Documentary Met 2007 Fabiano Meade Barton
The young tenor, then only 22, who so fiercely contended all his opponents, not only showed himself to be extremely talented, but in his self-confident attitude and urge to win also a fighter a stayer. I wasn’t mistaken and now, twelve years later, Fabiano is one of the biggest tenors in the world. He has now released his first solo CD, for the Dutch record label Pentatone.
It is a dream of a recital, not only for the gorgeous voice of Fabiano (and the beautiful accompaniment of the London Philharmonic Orchestra conducted by Enrique Mazzola), but also for his choice of repertoire.
Fabiano chose arias that link Donizetti’s gradually maturing and developing belcanto (from Lucia, via Poliuto to Maria di Rohan) directly to Verdi’s early operas. In doing so (hurrah, hurrah!) he has often opted for the original versions of the arias. For instance, he sings ‘Qual sangue sparsi,’ the tenor aria from the original Saint-Petersburg version of La Forza del Destino.
Already in the first aria from Luisa Miller he totally has me in his power: his diminuendo! My God! Enough to stop the heart of any opera lover. There is a single mishap: ‘La donna é mobile’ (Rigoletto). Not that he sings it badly, although I think he has outgrown the Duke already. It’s just that it’ s superfluous.
GIUSEPPE VERDI, GAETANO DONIZETTI
Opera Arias
Michael Fabiano
London Voices, London Philharmonic Orchestra conducted by Enrique Mazzola
Pentatone PTC5186750
Translated with http://www.DeepL.com/Translator
In Dutch: Michael Fabiano overrompelt met zijn eerste cd-recital
Interview with Fabiano: MICHAEL FABIANO: interview (English)
Paul Ben-Haim’s Evocation: what a discovery
Paul Ben -Haim, who was born in Munich in 1897 as Paul Frankenburger and died almost 90 years later in Tel Aviv, remains a great unknown to many music lovers. This is a great pity, because the oeuvre of this sadly forgotten composer is very diverse and most exciting. At one time he was totally immersed in the German Romantic tradition before he almost radically broke with it when he left his native country in 1933.

He began his new life composers life in what was then known as the British Mandate of Palestine by changing his name, after which he also adapted his compositions to his new homeland. Starting in 1933, most of his works were influenced and inspired by Jewish, Israeli and Arabic melodies.
Between 1939 and 1949 Ben-Haim accompanied the at that time extremely famous folk singer Bracha Zefira. Zefira, who was of Yemeni origin, had a great influence on the musical life in what was then Palestine. It was for her that he composed the Berceuse Sfaradite, a song which had become one of her greatest successes.
Bracha Zefira:
The Violin Concerto, which dates from 1950, is probably Ben-Haim’s best-known composition, in no small part as a result of the great recording by Itzhak Perlman. The CD is still on the market, I believe, but as far as I know the Concerto is only rarely performed. Why?
Three Studies for Solo Violin is Ben-Haim’s last violin composition, dedicated to Yehudi Menuhin in 1981. Splendid. But I was most struck by the completely unknown Evocation from 1942, a work which has its premiere here and which really gave me goose bumps. Wow.
Evocation live:
Itamar Zorman, the young Israeli violinist who won the 2011 prize in the Tchaikovsky competition, has immersed himself in the composer and his work. Thanks to him, this album was compiled and released. He plays these works as if his life depends on them. He believes in them and he communicates that belief more than convincingly.
Zorman about Ben-Haim:
The accompaniment by Amy Yang (piano) and the BBC National Orchestra of Wales conducted by Philippe Bach is first-rate as well
Paul Ben-Haim
Evocation. Poem for violin and orchestra, op. 32, Three Songs without Words, Violin Concerto, Three studies, Berceuse sfaradite, Toccata from Five Pieces for Piano.
Itamar Zorman (violin), Amy Yang (piano), BBC National Orchestra of Wales conducted by Philippe Bach.
BIS-239
Translated with http://www.DeepL.com/Translator
In Dutch: Evocation van Paul Ben-Haim is een ware ontdekking
More Ben-Haim: PAUL BEN-HAIM
Rolando Villazon: herinneringen aan een grote belofte

© dpa/DPA/Martin Schutt
Niemand was zo gek op hem zoals ik, toen ik hem voor het eerst hoorde. Zijn Don Carlo bij De Nationale Opera in Amsterdam in 2004 was van een ‘WOW!’ gehalte. Niet minder. Ik heb hem twee keer geïnterviewd en beide keren was ik onder de indruk van zijn intelligentie en gezond verstand. Helaas. Lang heeft het niet geduurd.
De oorzaak? Te veel, te zwaar, te snel? Er werd gefluisterd over problemen in de ‘privésfeer’. Hij moest onder het mes, had een bobbel op zijn stembanden. Een paar keer had hij keer carrièrestop. Hij zingt nog steeds, hoor, maar ik kan het maar niet (meer) mooi vinden.
Dit interview is gemaakt tijdens de Don Carlo- repetities in juni 2004

©foto Hans van den Bogaard
Dat Rolando Villazon een echte ontdekking was wist ik al uit de juichende persberichten. In de operatijdschriften was zelfs sprake van een ‘tweede Domingo’ wat een zeer kritische vriend uit Londen die hem in Les Contes d’Hoffmann had gehoord bevestigde.

Ikzelf was zeer enthousiast over zijn eerste cd met Italiaanse opera-aria’s (Erato 5456262), vandaar dat ik het een eer vond om hem te kunnen ontmoeten, nog voor zijn Amsterdams debuut als Don Carlo.
Ik mocht de tenor spreken als eerste van een ware stoet aan interviewers, een weelde. Ook, omdat ik nog een staartje van de repetitie mocht meemaken. Nu moet u weten dat ik al heel wat gewend ben en het een en ander op operagebied heb meegemaakt, maar dit was een ware sensatie. Ik werd er sprakeloos van, gelukkig bleek Villazon een begenadigd verteller.
Rolando Villazón (Don Carlo) Dwayne Croft (Rodrigo) in Amsterdam:
Het is heet die avond, maar daar heeft hij geen last van en nog voordat het bestelde water is gearriveerd, vertelt hij dat hij in Parijs woont, met zijn vrouw Lucia die psychoanalytica is (“nee, ze oefent niet op mij, ha, ha, ha”), en zijn twee zoontjes: Dario en Matteo.
Hoe voelt het om een ster te zijn? Verwachtte jij het succes dat je ten deel viel?
“Verwachten.. nou nee, je verwacht het niet, al hoop je dat het gaat gebeuren. Mijn vrouw vroeg me onlangs nog hoe ik me voel met al die aandacht die ik opeens krijg. En ik zei: het voelt als vliegen. Het is van ‘o wow’ maar tegelijk ook duizelingwekkend. En ik ben bang om tijdens de vlucht te vallen en mijn missie als een operazanger, een kunstenaar niet te kunnen volmaken. En toen zei ze: wees niet bang, ik ben hier en als je valt, ga ik je vangen”.
Zijn stem werd ontdekt toen hij 18 jaar oud was, maar hij twijfelde, hij wou nog zoveel doen in zijn leven. Psychologie studeren, bijvoorbeeld. Of een priester worden. Hij was nog jong en het leven was zo verwarrend. Hij voelde zich net als Stephen Dedalus uit ‘Een portret van een kunstenaar als jongeman’, die dacht dat hij een jezuïet wilde worden, terwijl hij alleen maar wilde schrijven. En Villazon wilde zingen, daar hield hij het meeste van.
Op zijn twaalfde al sloot hij zich in zijn kamer op en zong: Mexicaanse liedjes, musicals. En toen hij Perhaps love kocht, een LP met duetten die Domingo met John Denver had ingezongen, was het raak. Hij kocht alle platen van Domingo, met cross-overs, dat wel, want toen wist hij nog niets van de opera af. Domingo was zijn idool en leermeester. Inmiddels zijn ze goede vrienden geworden en het is voor hem een grote eer dat Domingo zijn carrière nauwlettend volgt.
“Toen ik in Berlijn was voor L’elisir d’amore stond Domingo in Pique Dame. Ik ging naar elke repetitie van hem, een betere leerschool bestaat niet. Zijn intensiteit en zijn betrokkenheid, zijn alles eigenlijk: daar leer ik van. Ik ben ook speciaal naar Washington gevlogen om zijn repetities van Le Cid bij te wonen”.
Denkt je dat je carrière zich in dezelfde richting als die van Domingo zal ontwikkelen?
“Vooralsnog niet. Domingo is een legende en ik ben ik. Ik hou ervan om risico’s te nemen, vandaar die Hoffmann, Carlos, en binnenkort mijn eerste Don José. Maar daarna zing ik alleen maar lyrische rollen. Het is voor mij te vroeg om in dramatische rollen te stappen”.
In 2007 had Villazon zijn eerste solorecital voor DG opgenomen. Hij heeft het zichzelf niet makkelijk gemaakt. Voor zijn cd-debuut koos hij aria’s van opera’s die hij nog nooit had gezongen en die hij vrij zeker ook nooit gaat zingen. Niet alleen omdat ze te zwaar zijn voor hem maar ook omdat ze zelden nog opgevoerd worden, de meeste althans. En daar schuilt ook de grootste waarde van deze cd, want zeg maar zelf: heeft u ooit van Maristella van Pietri gehoord?
Cielo e mar
Aria’s van Ponchielli, Cilea, Mercadante, Boito, Pietri, Gomes, Verdi en Donizetti
Orchestra Sinfonica di Milano Giuseppe Verdi olv Daniele Callegari
DG 4777593
Michael Fabiano overrompelt met zijn eerste cd-recital
Dat Michael Fabiano het ging maken stond voor mij onomstotelijk vast. Al vanaf de allereerste keer dat ik hem zag en hoorde, in de zeer aan te bevelen documentaire The Audition, wist ik het zeker, daar stond de winnaar. De concurrentie was dat jaar (2007) buitengewoon sterk, met onder de finalisten (o.a.) Jamie Burton, Angela Meade en Alek Shrader. Om daar tussen op te vallen moest je echt bijzonder zijn en dat was Fabiano zeer zeker.
De, met een hemelse stem begenadigde jonge tenor, toen nog maar 22 die zo verbeten de strijd met al zijn concurrenten aanging, toonde zich niet alleen buitengewoon getalenteerd, maar in zijn zelfverzekerde houding en drang om te winnen ook een strijder een doorzetter. Ik heb mij niet vergist en nu, twaalf jaar later behoort Fabiano tot de grootste tenoren ter wereld. En nu heeft hij zijn eerste solo-cd uitgebracht, bij de Nederlandse platenlabel Pentatone.
Het is een droom van een recital geworden, wat niet alleen aan die prachtige stem van Fabiano (en de schitterende begeleiding van het London Philharmonic Orchestra onder leiding van Enrique Mazzola) ligt. Het is ook de keuze voor het repertoire.
Fabiano koos voor de aria’s die de parallelle lijn – en de ontwikkeling – van de Donizetti’s steeds ‘volwassenen’ worden belcanto (van Lucia, via Poliuto naar Maria di Rohan) rechtstreeks linkt aan de vroege Verdi’s. Waarbij (hulde, hulde!) hij vaak voor de originele versies van de door hem gezongen aria’s heeft gekozen. Zo zingt hij ook ‘Qual snague sparsi’, de tenoraria uit de oorspronkelijke, Sint-Petersburgs versie uit La Forza di Destino .
Al in de eerste aria uit Luisa Miller heeft hij mij totaal in zijn macht: zijn diminuendo! Mijn God! Daar gaat een hart van een operaliefhebber zowat dood aan. Er is ook een minpuntje: ‘La donna é mobile’ (Rigoletto). Niet dat hij het slecht zingt, al denk ik dat hij de Hertog al ontgroeid is. Het is gewoon overbodig.
GIUSEPPE VERDI, GAETANO DONIZETTI
Opera Arias
Michael Fabiano
London Voices, London Philharmonic Orchestra olv Enrique Mazzola
Pentatone PTC5186750
‘Zij was toch de mijne, of was zij het niet’?
Aan het woord is de mismaakte rijke edelman Alviano Salvago. Liefde heeft hij afgezworen, want er is geen vrouw ter wereld die haar leven met hem zou willen delen. En toch: daar komt hij Carlotta tegen, een bloedmooie vrouw die hem haar liefde verklaart. Tegen beter weten in trapt hij er in. Wat hij niet weet is dat de fascinatie van Carlotta, die zelf ook als ‘getekend’ door het leven gaat (zij heeft een hartkwaal waardoor zij alle emoties, zeker de erotische moet vermijden) alles te maken heeft met haar streven om een ‘ziel’, in dit geval zijn ziel in haar schilderij te vangen. Dat lukt haar wonderwel, waarna ze alle belangstelling voor hem verliest.
Maar ook Carlotta is niet tegen het verlangen bestand, in haar geval het verlangen naar de erotiek en de extase, iets wat zij met de buitengewoon aantrekkelijke graaf Tamare wil beleven. Dat zij het juist op het eiland ‘Elysium’ doet, de plek waar Alviano zijn idealen van schoonheid en volmaaktheid dacht te verwezenlijken en waar hij dacht met haar verbonden te kunnen worden maakt het verhaal extra wrang. Afijn: Carlotta overleeft de extase niet, waarna de tot de waanzin gedreven Alviano zijn rivaal vermoordt.
Het libretto van de hand van Franz Schreker zelf is niet op een bestaand verhaal, boek of zelfs een gedicht gebaseerd. Mocht je toch op zoek willen gaan naar invloeden – niets staat immers op zichzelf – denk dan aan Oscar Wilde meets André Gide.
Op zaterdag 1 juni 2019 werd de bedwelmende opera van Schreker op een onnavolgbare wijze tijdens de NTR ZaterdagMatinee uitgevoerd en als u er niet bij was dan mag u er oprecht spijt van hebben. Zo onvoorstelbaar goed heb ik de partituur nog niet eerder uitgevoerd horen worden. Markus Stenz had er niet alleen affiniteit mee, hij leek er midden in te wonen. Alsof hij het zelf had gecomponeerd.

Markus Stenz © Lieneke Effern
Stenz leek de muziek te aaien, nee, dat is het woord niet.. te omhelzen? Liefhebben? Liefde mee bedrijven? De volmaakte klank waar Schreker altijd op zoek naar was, die klank, die heb ik voor het eerst in het echt gehoord. Toen de muziek aan het einde van de eerste acte zachtjes vervaagde, leek het het meest op een stervensproces. Daarin hoorde je al wat er komen gaat. Wat ook gebeurde. En omdat er geen regisseur tussen de muziek en het libretto zat kon het publiek zich aan de pure schoonheid van de opera laven.
Ook de zangers waren allemaal voortreffelijk. Allemaal. Aanvankelijk had ik een beetje (let op: een beetje!) moeite met Marco Jentzsch (Alviano): hij klonk te mooi en te krachtig, waardoor dat lelijke en kreupele enigszins verloren ging. Gelukkig is de zware rol zijn tol gaan eisen waardoor zij stem vermoeid werd. Aan het eind was hij oprecht gebroken.
Markus Eiche was een meer dan uitstekende Vitelozzo Tamare. Zijn zeer aantrekkelijke bariton klonk buitengewoon erotisch. Geen wonder dat Carlotta zich aan hem wilde geven.

Markus Eiche © Konstantin Unger Artists. Michael Poeh
Carlotta werd gezongen door de Engelse sopraan Allison Oakes. Zij gaf de rol alles wat het nodig had: schoonheid, breekbaarheid en het ongekende verlangen, zelfs als het haar dood zou betekenen.

Allison Oakes © Lieneke Effern
Steven Humes (Lodovico Nardi, de vader van Carlotta) was voor mij een ware ontdekking en Michael Kupfer-Radecky was een perfecte Hertog Adorno. Ook alle kleine rollen waren tot in de puntjes verzorgd. Het is onmogelijk om ze allemaal te noemen, maar voor één wil ik wel een uitzondering maken, de Egyptische mezzosopraan Gala El Hadidi (Martuccia) die mijn hart wist te stelen. Van haar gaan we veel meer horen, wat een zangeres!

Gala El Hadidi © Lieneke Effern
De partituur werd helemaal compleet uitgevoerd, er waren geen coupures. Dat alleen, plus de fenomenale uitvoering maakte de Matinee tot ‘once in the lifetime” ervaring. Vandaar dat ik meer dan verbaasd was dat ik, op één of twee na mijn schrijfcollega’s heb gemist, hun gebruikelijke persplaatsen waren leeg. Ik neem aan dat ze allemaal voor een spektakel hadden gekozen en in de helikopters zaten. Ze hebben heel erg veel gemist.
Allison Oakes, Michael Kupfer-Radecky, Markus Eiche, Steven Humes, Marco Jentzsch, Lucas van Lierop, Emilio Pons, Gurgen Baveyan, Miljenko Turk, Nikki Treurniet, Gala El Hadidi, Wiebe-Pier Cnossen, Jeannette van Schaik, Henk Neven, Martijn Sanders, Ruben Budding e.a.
Groot Omroepkoor (koordirigent Peter Dijkstra)
Radio Filharmonisch Orkest olv Markus Stenz
Gehoord op 1 juni 2019 in het Concertgebouw in Amsterdam
De uitzending is terug te beluisteren op:
https://www.nporadio4.nl/gids-gemist/2019-06-1
Foto’s van het slotapplaus © Lieneke Effern
Glyndebourne, Carmen en Tania Kross. Herinneringen
Glyndebourne is dichterbij dan je denkt. Je kan zelfs – als je je best doet – erheen gaan, de voorstelling bezoeken en daarna naar huis terugvliegen, alles in één dag. Je neemt het vliegtuig naar Gatwick (nog geen uur), daarna de trein naar Lewes (een half uur), en daar staat de pendelbus al klaar om je naar de opera te rijden (10 minuten).
De bus kost 6 pond (voor een pond meer heb je al een taxi) maar voor dat geld mag je er ook mee terug. Je moet dan wel een beetje opschieten, want de bus vertrekt meteen na afloop van de voorstelling.
Niets voor mij. Ik houd niet van haasten, bovendien is dit mijn eerste bezoek aan het fameuze Festival, dus ik vlieg een dag eerder naar Londen en kom een dag later terug.
Lewes is een klein (16 duizend inwoners), heuvelachtig stadje in het graafschap East Sussex, je kunt er prachtig wandelen en de pittoreske huisjes en wijde uitzichten bewonderen, en daar neem ik ook uitgebreid de tijd voor.

Glyndebourne zelf is niets meer dan een enorm landhuis (het operahuis), weelderige tuinen en velden met schapen. Ik loop wat rond en denk aan de ontstaansgeschiedenis van wat er in de loop der jaren uitgegroeid is tot één van de meest prestigieuze Operafestivals in de hele wereld.
GESCHIEDENIS

Het landgoed Glyndebourne behoorde toe aan de steenrijke John Christie, die het in 1920 erfde en samen met zijn vrouw, de zangeres Audrey Mildman, tot een prachtig operahuis omtoverde. Het idee vatten ze op tijdens hun huwelijksreis, die ze onder meer langs Salzburg en Bayreuth voerde.

Aanvankelijk werden er alleen maar opera’s van Mozart opgevoerd, maar tegenwoordig komt zelfs Wagner voorbij. Het theater werd verschillende keren verbouwd en aangepast, totdat het uit zijn voegen barstte. In 1992 werd het gesloten en gesloopt, en op 28 mei 1994, exact 60 jaar na de allereerste voorstelling, mocht het publiek een geheel nieuw operahuis bewonderen: moderner en groter, maar nog steeds met de geweldige akoestiek.
VOORSTELLINGEN
De voorstellingen duren in Glyndebourne altijd heel erg lang. Er zijn veel pauzes, waarvan er één van ruim anderhalf uur – men gaat picknicken. Nu moet u zich al die deftige mensen, dames in het lang en mannen in smoking, voorstellen die niet alleen aan tafels plaatsnemen, maar ook rustig een kleedje midden op het gras uitkloppen en zich aan de lekkerste hapjes, volledige maaltijden en flessen champagne laven.

De manden (met inhoud) bestel je van tevoren en als de pauze begint haal je ze op. Maar je kan ook zelf je eigen mand meenemen, wel een stuk goedkoper, al denk ik niet dat het publiek (dat toch al honderden euro’s heeft uitgegeven) het veel kan schelen. Mijn oog wordt getrokken door een prachtig geklede bejaarde dame, met een rollator aan haar ene hand, en een roze champagne in de andere.
CARMEN EN TANIA KROS

Tania Kross (Carmen) en Brendan Jovanovich (Don José) © Glyndebourne festival
Dat ik er kwam heb ik Tania Kross te danken: zij nodigde mij uit om haar debuut als Carmen in Glyndebourne bij te wonen. Nou – daar zeg je toch geen ‘nee’ tegen?
De productie van David McVicar vond ik heel erg mooi. Ik kende hem al, het werd in 2003 live op TV uitgezonden en daarna op DVD uitgebracht. Ik vond hem toen al mooi, maar in het echt onderga je hem. Het toneel in Glyndebourne is best klein, dus het is er behoorlijk druk, zeker in de eerste en de tweede acte. De derde acte begon mistig, zeer filmisch, en zeer ontroerend en in de vierde acte kreeg je alles wat nodig is om Sevilla te bevolken: de torero’s, de matadors, de prachtig geklede Spaanse Doña’s en Donnen met alles daarop en daaraan … adembenemend. En de dood van Carmen was is thrillerachtig spannend.

Stéphane Denéve en Tania Kross
Stéphane Denéve dirigeerde meer dan fantastisch, zeer Frans, met veel gevoel voor ritmes, maar ook met het oog voor de lyriek. Tania Kross was een uitstekende Carmen: beweeglijk, sexy en uitdagend. Zowel de dirigent als de regisseur vonden haar een ideale Carmen.

David McVicar en Tania Kross
Na afloop was iedereen in de kroeg beland. De bus was inmiddels allang vertrokken, maar mij was een lift terug naar Londen beloofd. Het was een ervaring om nooit te vergeten.
http://www.glyndebourne.com/
Evocation van Paul Ben-Haim is een ware ontdekking
Paul Ben -Haim, de in 1897 in München als Paul Frankenburger geboren en bijna 90 jaar later in Tel Aviv gestorven componist is nog steeds een grote onbekende voor veel muziekliefhebbers. Zo ontzettend jammer, want het oeuvre van de jammerlijk vergeten componist is zeer divers en meer dan spannend. Ooit totaal ondergedompeld in de Duitse romantische traditie brak hij er vrijwel radicaal mee toen hij in 1933 zijn geboorteland verliet.
Zijn nieuwe componistenleven in wat toen het Britsmandaat Palestina heette begon hij met het veranderen van zijn naam, waarna hij ook zijn composities aan zijn nieuwe vaderland aanpaste. Vanaf 1933 werden de meeste van zijn werken beïnvloed en geïnspireerd door Joodse, Israëlische en Arabische melodieën.
Tussen 1939 en 1949 begeleidde Ben-Haim de toen zeer beroemde volkszangeres Bracha Zefira. Zefira, die van Jemenitische oorsprong was had een grote invloed op het muziekleven in het toenmalige Palestina. Het was voor haar dat hij de Berceuse Sfaradite componeerde, een lid dat één van haar grootste successen was geworden.
Bracha Zefira:
Het uit 1950 stammende vioolconcert is wellicht Ben-Haims bekendste compositie, niet in de laatste plaats door de geweldige opname van Itzhak Perlman. De cd is nog steeds in de handel, denk ik, maar het concerto wordt bij mijn weten maar amper uitgevoerd. Waarom?
De Three Studies for Solo Violin is Ben-Haims laatste vioolcompositie, in 1981 opgedragen aan Yehudi Menuhin. Schitterend. Maar het meest getroffen werd ik door de totaal onbekende Evocation uit 1942, een werk dat hier zijn primeur beleeft en mij echt kippenvel bezorgde. Wow.
Evocation live:
Itamar Zorman, de jonge Israëlische violist die in 2011 de prijswinnaar was van de Tsjaikovski-competitie heeft zich in de componist en zijn werk ‘ingegraven’. Het is aan hem te danken dat dit album werd samengesteld en uitgebracht. Hij speelt de werken alsof zijn leven ervan afhangt. Hij gelooft er in en dat geloof geeft hij meer dan geloofwaardig door.








