cd/dvd recensies
Le Rossignol et la Rose

De Israëlische sopraan (haar naam spreek je op zijn Nederlands uit: Chen dus en niet Tsjen) Chen Reiss behoort tot ’s wereld mooiste en meest geliefde sopranen.
Haar discografie vermeldt vijf solo albums, waarvan La Rossignol et la Rose een voorbeeld is van een perfect samengesteld recital.
Inderdaad: zoals een nachtegaal en een roos, de match made in heaven.
Het motto van het recital: “De nachtegaal zong de hele nacht door en met zijn zoete geluid liet hij de rozen bloeien” leidt een verhaal in vijf delen in; een verhaal van liefde, verlangen, eenzaamheid en pijn. En humor, want ook in het leven van de mistige romantiek valt wel eens wat te lachen.
De titel van de cd is ontleend aan de vocalise van Saint Saëns, waarin Reiss ons al haar kunnen op een schotel presenteert en dat is niet niets.
Bijzonder geroerd werd ik door Die Nachtigall van Krenek, een lied dat ik niet kende en niet gauw met de componist zou associëren. De prachtige tekst is van Karl Kraus, een dichter die volgens de componist een grote invloed op hem heeft gehad. Reiss doet je naar adem happen van bewondering: haar hoge noten zijn loepzuiver en zoet.
Bellini’s Vanne o rosa fortunata is een heerlijk niemendalletje, maar La Rosa y el sauce van Guastavino kan je niet onberoerd laten. Het verhaalt over een roos die in de schaduw van een wilg opbloeide, maar geplukt werd door een jong meisje, de wilg treurend achterlatend. Samen met Reiss. En met ons.
In Shnei shoshanim van Mordechai Zeira laat Reiss ook de donkere kant van haar stem horen. Hierin doet zij mij een beetje aan Nethania Devrath denken, een van de beroemdste Israëlische sopranen uit de jaren zestig. Maar ook Victoria de los Angeles is niet ver weg.
Haar Mahler vind ik iets minder en in Heidenröslein van Schubert doet zij mij haar voorgangsters (Lucia Popp!) niet vergeten. Maar dan komt de “reddende engel” in de gedaante van de pianist. Charles Spencer is meer dan een begeleider alleen. Luister maar naar de intro tot Krenek of de parelende noten in Rosenblätter van Meyerbeer. BRAVI!
Le Rossignol et la Rose
Purcell, Hahn, Mahler, Meyerbeer, Strauss, Bellini, Guastavino, Berg e.a.
Chen Reiss (sopraan), Charles Spencer (piano)
Onyx 4104 • 72’
Prachtige Chopin door Maurizio Pollini
74 is hij inmiddels, één van de grootste pianisten van de tweede helft van de twintigste eeuw. De leeftijd is ook aan zijn spel te horen. Nee, het is niet minder geworden, integendeel. Zijn virtuositeit is nog steeds fabelachtig en zijn beheersing van het instrument totaal en onvoorwaardelijk.
Wat wel minder is geworden is zijn nuchterheid, waardoor hij aan mildheid heeft gewonnen. Ook zijn rubato lijkt sterker, ook het verschil tussen alle gradaties in piano en forte en wat er ook tussenin ligt.
Zijn tempi liggen doorgaans aan de lage(re) kant, maar daar doe je Chopin alleen maar een gunst mee – zijn muziek wint daar aan lyriek door en je snapt beter waarom hij zo’n liefhebber van Bellini en belcanto was. Ik mag het.
In de Preludes laat Pollini af en toe een stevige taal horen en dan komen zijn ‘strengheid’ en ‘hoekigheid’ weer eens te voorschijn; maar zijn nocturnes zijn ongemaniëreerd, rechttoe rechtaan ogenschijnlijk. Dat heeft hij met Rubinstein, mijn geliefde Chopin vertolker gemeen, al weet hij zijn pianissimo niet te evenaren.
De cd beslaat maar één uur, maar voor mijn gevoel duurt het veel langer. Ik sluit niet uit dat het aan de repeatknop van mijn speler ligt….
FRÉDÉRIC CHOPIN
24 préludes op.28, 2 Nocturnes op.27, 4 Mazurkas op.30, Scherzo no.2 op.31
Maurizio Pollini
DG 4779530 • 60’
Nocturnes: imponerende eerste solo-recital van Rupert Charlesworth

Tot voor kort kende ik Rupert Charlesworth alleen maar van naam. Drie jaar geleden was hij van de partij bij de opvoering van Acis en Galathea van Händel in de Amsterdamse ZaterdagMatinee en in februari 2015 deed hij mee aan Katie Mitchell’s Trauernacht, maar geen van beide voorstellingen heb ik opgezocht.
Charlesworth is jong, nog maar 28, maar met zijn eerste solo-recital weet hij mij toch te bijzonder te imponeren. Zijn stem klinkt net als zijn naam: gedistingeerd en zeer Engels, iets waar ik een bijzonder zwak voor heb. Zijn timbre is buitengewoon aangenaam en zijn pianissimo onweerstaanbaar en zowat volmaakt. Hij toont ook ontzettend veel begrip voor wat hij zingt.
Dat hij nog veel heeft te leren is evident, zo is zijn voordracht soms een beetje te oudemuziek-achtig, waardoor zijn Jungling und der Tod mij meer aan Bach dan aan Schubert doet denken. Het is ook jammer dat hij in de 53 minuten dat de cd duurt (53 minuten? Hallo?) veel te veel er doorheen jast: Fauré, Schubert, Gourney, Bax…. noem maar op!
Het is te veel van het goede, zeker omdat hij soms nog te weinig verschillen tussen de componisten weet aan te brengen. Toch: voor zijn Eyes look into the well van Berkeley of Kling Leise, mein Lied II van Liszt kun je mij midden in de nacht wakker maken.
Edwige Herchenroder is een goede, maar niet een echt bevlogen begeleidster.
Der Mund van Schubert klinkt bijna schools en zij loopt niet echt in de maat met de zanger, maar in Night covers up the rigid land van Benjamin Britten kan zij mij zonder meer overtuigen
Nocturnes
Liederen van Fauré, Duparc, Schubert, Brahms, Liszt, Britten, Bax, Berkeley, Gurney e.a.
Rupert Charlesworth (tenor), Edwige Herchenroder (piano)
Zig-Zag Territories ZZT 335
Cecilia: muziek die door de ziel snijdt
Er zijn van die opera’s waar je niet zo goed raad mee weet. Je vindt het mooi, goddelijk mooi zelfs en je raakt tot in het diepst van je ziel door ontroerd, zonder ook maar één woord van te hebben verstaan. Blijkbaar weet de componist een gevoelige snaar bij je te raken, want luisterend hoop je alleen maar dat de hemelse muziek nooit meer gaat ophouden.
Hemels is wellicht ook de beste woord waarmee je Cecilia van Licinio Refice (1883 – 1954), een opera die het meeste weg heeft van een mysteriespel, kan beschrijven.
Daar ben ik niet ongevoelig voor. Opgegroeid als Joods meisje in het sterk katholieke Polen was ik mij als kind al bewust dat al die wonderen voor mij onbereikbaar en daardoor buitengewoon spannend en aantrekkelijk waren.

De heilige Cecilia kennen wij als de patrones van de (kerk)muziek, wat, volgens veel hagiografiekenners op een misverstand berust. Wat we van haar weten, komt voornamelijk uit de Legenda aurea van Jacopo da Voragine, een in de dertiende eeuw geschreven naslagwerk over het leven der heiligen. Dat boek vormde het uitgangspunt voor de opera van Refice, die in het gewone leven behalve componist en dirigent ook priester was.
De legende (en het libretto) in het kort: de bloedmooie Cecilia ging als maagd de martelaarsdood tegemoet, maar niet voordat zij haar echtgenoot Vergilio (die zij nooit de facto tot man heeft gemaakt) en zijn broer Tiburzio tot het ware geloof heeft overgehaald. Beide heren valt hetzelfde lot ten deel als Cecilia (onthoofding), waarbij Cecilia eerst nog gemarteld wordt, iets wat ze wonderlijk weet te doorstaan.
De première in 1934 in Rome was een ongekend succes en de opera werd meer dan duizend keer opgevoerd tot het nuchtere het van de mysterieuze overnam.
Cecilia is in haar muzikale taal onbeschaamd veristisch, met tot in het maximum opgevoerd sentiment. Men hoort er flarden Butterfly in, maar de opzwepende akkoorden en de in noten gevangen geuren van rozen en lelies doen mij het meest aan Zandonai denken en zijn Francesca da Rimini. Men proeft ook de sfeer van Byzantium, die uit La Fiamma van Respighi. Ik vind het heel erg mooi en ik kan me er totaal in verliezen.
Tot voor kort kende ik de opera alleen maar uit twee verkorte opnamen, één met Renata Scotto en één met Renata Tebaldi, en van twee aria’s, gezongen door Claudia Muzzio.
Hieronder Renata Scotto zingt ‘Per amore di Gesù’:
De, in 2013 in het kathedraal van Monte Carlo live opgenomen uitvoering is, voor zo ver ik weet de eerste complete commerciële opname van het werk en het spijt mij om te zeggen dat de uitvoering niet meer dan bevredigend is.

Denia Mazzolla Gavazzeni
Denia Mazzolla Gavazzeni is sinds jaren de grootste pleitbezorgster van de obscure en weinig bekende veristische opera’s en alleen al daarvoor verdient zij de grootste lof. Zij is nooit de beste operazangeres ter wereld geweest, er zat altijd een rafeltje aan haar stem en haar hoogte kon wel eens onaangenaam metalig klinken. Maar dat alles kon (en kan!) ik haar vergeven. Ze wist zich altijd met haar rollen te identificeren en haar vertolkingen konden bij vlagen verschroeiend zijn.
Dat is nog steeds het geval, maar nu haar stem aan frisheid heeft ingeboet weet haar Cecilia mij niet zo goed van haar onaardse schoonheid te overtuigen. Voor de hemelse klanken die Refice voor Cecilia heeft gecomponeerd wilde hij iemand met `God in zijn keel` hebben. Dat mis ik.
Giuseppe Veneziano is een fatsoenlijke Valeriano, Corrado Cappitta overtuigd in zijn dubbelrol van Tiburzio en Amachio en Serena Pasquini klinkt engelachtig genoeg voor de door God’s Engel gezongen ‘L’annunzio’.
Iedereen doet werkelijk zijn best, het is alleen niet voldoende voor de topuitvoering, wat ook aan de zeer prozaïsche en down to earth directie van Marco Fracassi kan liggen.
Hieronder Claudia Muzio in twee scènes uit Cecilia: de proloog ‘Per amor di Gesu’, opgenomen in 1934:
en de sterfscène van Cecilia, ‘Grazie, sorelle’, uit 1935
Dat Refice nog niet helemaal vergeten is, ligt aan ‘Ombra di Nube’ (Schaduw van de wolken) een liedje dat nog steeds gezongen en opgenomen wordt, o.a. door Jonas Kaufmann:
En hier nogmaals Claudia Muzzio, voor wie Refice het lied heeft gecomponeerd.
Hier hoor je wat Refice met zangeres met `God in haar keel`, bedoelde, een zangeres die zijn diepe geloof gestalte kon geven en je kon doen geloven dat de “donkere wolken vanzelf verdwijnen, waardoor het leven weer mooi wordt”
Licinio Refice
Cecilia
Denia Mazzola Gavazzeni, Giuseppe Veneziano, Corrado Cappitta, Serena Pasquini e.a.
Orchestra Filharmonica Italiana; Coro La Camerata di Cremona onder leiding van Marco Fracassi
Bongiovanni GB 2472/73-2
Let niet op de titel: Prayer door Sol Gabetta is alles behalve soft
Ik ben allergisch voor alles wat een beetje ‘softie’ titel draagt zoals ‘Het gebed’. Of ‘Meditatie’. Of zoiets vergelijkbaars. Onmiddellijk moet ik dan denken aan gedimde lichten, penetrante wierookgeur en ‘gedeelde leed’. En toch kan ik niet anders dan heel erg blij zijn met de prachtige cd van Sol Gabetta, al geef ik toe dat ik liever een andere titel had gezien.
Nigun (melodie), bij voorbeeld. Het is, net als Prayer gecomponeerd door Ernest Bloch en maakt deel uit van een grotere cyclus. Wat de werken gemeen hebben is hun oorsprong, stevig geankerd in- en beïnvloed door de Joodse tradities.
Ook de vier liedjes uit Sjostakovitsj’ cyclus Uit de Joodse Volkspoëzie – voor cello bewerkt door Mikhail Bronner – ademen dezelfde sfeer uit. Het is niet alleen melancholisch maar ook ruw en rauw en zeer aangrijpend.
Gabetta’s cello heeft een totaal andere klank dan ik gewend ben. Dieper, bronzer, met een schittering van goud en een glans van de volle zon. Haar spel is fel en gespeend van valse sentimenten. Ik kan niet anders dan het prachtig vinden. Maar het allermooist vind ik eigenlijk de begeleiding (of moet ik liever zeggen ‘partnerschap’?). Het Amsterdam Sinfonietta weet de kleur en klank van Gabetta’s cello zo dicht te benaderen, dat het klinkt alsof één man aan het spelen is. Wonderschoon.
Bij Schelomo, het celloconcert van Bloch wordt Gabetta bijgestaan door het National Orkest uit Lyon. Hier is de klank aanzienlijk zwaarder wat uiteraard door het grote symfonieorkest komt, maar ook Gabetta verliest hier veel van haar lichtvoetigheid. Maar filmisch is het wel: dikwijls bekruipt mij het gevoel naar een ouderwetse Hollywood-film te kijken.
El Cant dels Ocells van Casals, waarin Gabetta begeleid wordt door een Cello Ensemble, klinkt precies zoals het klinken moet, als een (zonnige) toegift. Het voelt als de eerste voorzichtige zonnestralen na een lange nacht. Tergend langzaam gespeeld, maar mij bevalt het wel.
ERNEST BLOCH, DMITRI SHOSTAKOVITCH, PABLO CASALS
Prayer
Sol Gabetta (cello), Amsterdam Sinfonietta olv Candida Thompson; Orchestre National de Lyon olv Leonard Slatkin; Cello Ensemble Amsterdam Sinfonietta
SONY 62172 • 60’
War – there is no word more cruel
Mieczysław Weinberg, of althans zijn muziek, is bezig aan een versnelde inhaal manoeuvre. Na jaren van het complete negeren worden zijn werken steeds vaker geprogrammeerd en de ene na de andere compositie van de grote meester (want dat was hij, zonder meer) wordt opgenomen en op cd uitgebracht.
Veel van zijn composities staan sterk onder invloed van zijn leraar en intieme vriend, Dmitri Sjostakovitsj, maar nooit eerder heb ik de invloed zo sterk waargenomen als in zijn in 1966 gecomponeerde trompetconcert. Het ligt uiteraard ook aan de keuze van het instrument. Als geen ander is de trompet zeer geschikt om ironie, de geliefde uitdrukkingsvorm van beide componisten te kunnen verwoorden.
Geen wonder ook dat ik aan het concert voor piano, trompet en strijkers van Sjostakovitsj moet denken. Ook de orkestratie is ‘des Sjostakovitjs’: denk aan zijn ‘Lady Macbeth of Mstsensk’. Het wezenlijke verschil ligt in de verfijning en de afwikkeling van het hoofdthema. Daar waar de leraar zijn eigen grens nog instelde, stapt de leerling er overheen, de wijde wereld in.
Deel twee, Episodes doet mij sterk aan Ives denken en in het derde deel, de Fanfares zoekt Weinberg de atonaliteit op. Daarbij bedient hij zich vrijelijk van improvisaties en free jazz.
Andrew Balio behoort, denk ik (ik ken hem verder niet) tot de grootste virtuozen onder de trompettisten. Zijn melancholieke geluid in de tweede deel contrasteert sterk met zijn fantastische improvisaties in deel drie.
De 18de symfonie is, zoals de titel al aangeeft, niets minder dan een grote aanklacht tegen de oorlog. Gecomponeerd in de voor de Sovjet Unie roerige jaren tachtig maakt indruk met de niet conventionele verdeling van de delen. Het begint met een adagio en het eindigt met een adagio, maar deze keer met het pianissimo door het koor gezongen gedicht van Aleksandr Tvardovsky:
“War – there is no word more cruel.
War – there is no word more sad.
War – there is no word more holy
In the sorrow and the glory of these years.
There is and there could not be
Any other word on our lips.”
Zeer indrukwekkend.
MIECZYSŁAW WEINBERG
Symphony No.18 “War – there is no word more cruel”; Trumpet Concert
St Petersburg Chamber Choir; St Petersburg Symphony Orchestra onder leiding van Vladimir Land
Andrew Balio (trompet); Tatyana Perevyazkina (sopraan), Ekaterina Shikunova (alt), Vladimir Dobrovolsky (tenor), Zahar Shikunov (bariton)
Naxos 8573190
Mirga Gražinytė -Tyla tilt Weinbergs autobiografie tot de ongekende hoogten
MIECZYSŁAW WEINBERG: Complete Sonatas for Violin and Piano
Kremerata Baltica laat de luisteraar met open mond en naar adem happend achter
MIECZYSŁAW WEINBERG. Suite for Orchestra; Symphony No.17 ‘Memory’
Fenomenale vioolconcert van Weinberg meesterlijk gespeeld
Karine Deshayes zingt Rossini: leuke cd van sympathieke zangeres
Ik heb niet eerder van Karine Deshayes gehoord. Op de cover prijkt een foto van een leuke jonge vrouw met pretogen, en zo klinkt haar stem ook. Jeugdig, vol elan en met veel brille.
Haar timbre is zeer aangenaam en warm van klank. De vraag is alleen of het voldoende is om je aandacht niet alleen op te eisen maar ook 73 minuten vast te houden… Mij was zij in ieder geval ergens halverwege de cd al kwijt, nog vóór “Una voce poco fa”, een aria die ik niet meer kan hóren, maar daar kan zij niets aan doen.
In het tekstboekje staat dat zij bij de rollen wilde blijven die zij al op de bühne had gezongen, maar soms is een uitdaging een pré, al gebeurt het alleen in de studio.
Dat hoor je in de cantate “Giovanna d’Arco”, die dan meteen het hoogtepunt van de cd is, al is het alles behalve volmaakt.
Er staan ook liedjes op, gearrangeerd door de dirigent en die vind ik heel erg leuk. Ik denk dat het veel beter was geweest als zij meer van die ‘dingetjes’ had opgenomen en wat minder ‘bravoura’.
Het ensemble Les Forces Majeurs onder leiding van Raphael Merlin dirigeert licht en in hun ongekunsteldheid passen ze precies bij de stem van Deshayes. Het is een leuke cd van een sympathieke zangeres.
Gioachino Rossi
Aria’s en liederen
Karine Deshayes (mezzosopraan); Les Forces Majeures olv Raphael Merlin
Apartemusic AP121 • 73’
Une amoureuse flamme: Karine Deshayes betovert in Franse opera aria’s
Henryk Górecki en zijn vierde symfonie ‘Tansman Episodes’: 35 minuten gebakken lucht
Henryk Górecki behoort tot de cultcomponisten. Zijn derde symfonie uit 1977 belandde in 1991 op de eerste plaats van een hitparade en maakte de componist wereldberoemd. De vierde werd bij hem door o.a. het ZaterdagMatinee besteld, die zou uitgevoerd worden tijdens het Holland Festival in 2010.
Het mocht niet zo zijn: vanwege gezondheidsproblemen had de componist het werk niet op tijd af. Kort erna stierf hij en de symfonie werd door zijn zoon, Mikołaj, voltooid.

Alexandre Tansman
Het werk draagt als bijnaam Tansman Episodes, als een soort huldebetoon aan de componist Alexandre Tansman, Górecki’s nog steeds een zeer ondergewaardeerde landgenoot. Het ligt ongetwijfeld aan mij, maar nergens kan ik een link tussen de twee ontdekken.
Alexandre Tansman: Quatre Mouvements pour orchestre (1967/1968):
Tansman was zeer down to earth en soms verbitterd nuchter; in zijn vierde symfonie dobbert Górecki op een minimalistische zee, met af en toe een uitbarsting van pauken en trombonnen. Opgebakken lucht die dankzij veel knip en plakwerk meer lijkt dan dat het is.
Als filmmuziek zou het nog kunnen: met ogen dicht zie je al een soort Ben Hur voor je voorbijflitsen. Ook Preisner, Rota en Bernstein komen voorbij galopperen. En Carmina Burana, altijd leuk voor een ‘aha” moment en de verkoopcijfers. Maar de zich steeds herhalende akkoordenreeksen en reeksen van losse klanken werken op mijn zenuwen. Ik vind het niets. Zonde van de werkelijk voortreffelijk spelende London Philharmonic Orchestra.
HENRYK GÓRECKI
Symphony No.4 (Tansman Episodes) op.85
London Philharmonic Orchestra olv Andrey Boreyko|
Nonesuch 7559-79503-4 • 35’
Bridges: Laurent Naouri ‘verjazzt’ Eissler en Prokofjeff

Het is niet de eerste keer dat de vermaarde basbariton Laurent Naouri een uitstapje maakt buiten het geijkte klassieke repertoire. Net als zijn vrouw, de sopraan Natalie Dessay zingt ook hij het ‘lichtere genre’, veelal samen met jazzmusici. Iets, wat vaak uitmondt in jamsessions en improvisaties.
Ik ken maar één uitvoering van de (complete, dat wel) Hollywood Songbook van Hanns Eisler: met Matthias Görne en Eric Schneider in Decca’s onvolprezen Entartete Musik serie, helaas is de cd inmiddels vervallen. Bovendien: er valt niets te vergelijken. Beide cd’s zijn grandioos in hun eigen soort.
Görne is eigenlijk een must, dus mocht u hem tegenkomen: meteen kopen. ‘Naouri and friends’ kunt u bewaren voor de nachtelijke uurtjes, met een glas whisky erbij.
Grappig eigenlijk hoe ontzettend Weill-achtig verjazzde Eisler klinkt, voornamelijk de ‘Kalifornischer Herbst’. Die zou zo uit één van Weill’s Amerikaanse shows kunnen komen.
Behalve Eisler hebben de musici ook Prokofjeff verjazzd. Pianist Guillaume De Chassy arrangeerde delen van diens piano- en vioolconcerten voor stem. Daarvoor gebruikte hij teksten van vier Russsiche dichters: Tsvetajeva, Poesjkin, Lermontov en Jesenin. Naouri zingt ze in een perfect Russisch, ieder woord is makkelijk te verstaan.
Maar het is niet alleen Naouri’s stem die de stemming bepaalt, de eigenlijke hoofdrollen zijn weggelegd voor het trio Guillaume de Chassy (piano), Thomas Savy (klarinetten) en Arnault Cuisinier (contrabas). Denk alleen niet dat je Prokofjeff nog ergens in herkent, mij is het in ieder geval niet gelukt.
Onbelangrijk, eigenlijk. Het draait tenslotte om de improvisaties en daar zijn de heren werkelijke meesters in.
Minpunt: het tekstboekje is helaas nogal slordig en een cd met tijdsduur van 45 minuten is gewoon een gotspe
En mocht u de smaak te pakken hebben, hieronder hoort u Laurent Naouri en de Chassy in ‘My Romance’:





