cd/dvd recensies

Il Postino van Daniel Catán: prachtige opera, prachtige uitvoering, prachtige productie

Il Postino

Eerst was er een roman, Ardente Patience (Brandend geduld), geschreven door de Chileen Antonio Skármeta. Het boek werd algemeen bekend toen het in 1983, door de schrijver zelf, werd verfilmd. De film won een groot aantal nationale en internationale prijzen, onder andere Le Grand Prix du jury in Biarritz.

Een echte hit werd het echter pas in 1994, toen het door Michael Radford voor de tweede keer werd verfilmd, nu onder de titel Il Postino (De Postbode). De film kreeg een cultstatus – je telde niet mee als je de film niet had gezien.

Het is een (fictief) verhaal over een jonge postbode Mario die de wereld van poëzie ontdekt. Geïnspireerd en aangemoedigd door zijn enige ‘klant’, een in ballingschap levende wereldberoemde dichter en communistische activist (Pablo Neruda), schrijft Mario gedichten aan zijn geliefde Beatrice.

Jaren later, tijdens zijn terugkeer aan Cala di Scotto, ooit zijn verbanningsoord, maakt Neruda kennis met Pablito, het zoontje van Mario, die zijn vader nooit heeft gekend – hij werd gedood tijdens een communistische demonstratie.

De heerlijk nostalgische en ontroerende feelgoodmovie, waarin ook de tranen rijkelijk vloeien heeft ook de wereld van  klassieke muziek veroverd. In 2010 heeft de opera Il Postino zijn wereldpremière in Los Angeles gehad, met niemand minder dan Plácido Domingo in de rol van Neruda.

Het was de laatste opera van de Mexicaanse componist Daniel Catán, die in 2011 op zijn 61e overleed. Catán vervaardigde zelf het libretto voor zijn opera.

Il Postino Catan

Daniel Catán

Catáns muziek is met zijn vloeiende melodieën en herkenbare aria’s en duetten niet minder dan prachtig. Niet alleen voor ons, de toehoorders, maar ook voor de zangers. Ik citeer George Loomis, één van de muziekrecensenten van de New York Times: ,,His operas let singers do what they have been trained to do, and what they do in the theater when not performing operas by contemporary composers.”

En zo is het ook, al zou ik zelf, zeker bij Il Postino, het liefst het woord poëtisch willen gebruiken. Niet omdat één van de hoofdpersonen een beroemde dichter is, maar voornamelijk vanwege de in het libretto gebruikte taal, waar de muziek naar ‘gekneed’ is.

Luister maar naar het duet ‘Metaforas’, waarin Neruda de jonge postbode de kunst van het gebruik van metaforen uitlegt. ,,Is de hele wereld dan gewoon een metafoor?” vraagt Mario, die ontdekt dat ook hij kan dichten… ,,Het antwoord krijg je morgen”, zegt Neruda, maar wij kunnen het al op zijn gezicht lezen.

Het superromantische liefdesduet tussen Mario en Beatrice doet je hart smelten. Het zou zo uit La bohéme kunnen zijn uitgewandeld en dat vind ik mooi. Sterker nog, ik word er door geraakt.

In één van de eerste scènes van de opera maken wij kennis met Neruda en zijn vrouw Matilde. Vertederd bezingt hij hoe zij hun ‘asylum’ tot een thuis wist om te toveren (het duet ‘Los Manos’).

il-postino-domingo-gallardo-domas

credits: Lawrence K. Ho/Los Angeles Times

In een zeer erotische aria ‘Desnuda’ bezingt hij haar schoonheid en ontkleedt haar met zijn ogen. Wat volgt is een zeer poëtische liefdesscène, waarin wij net genoeg te zien krijgen om onze fantasie te prikkelen.

Domingo is een gedroomde Neruda. Zijn zeer warme stem is vol liefde en passie, hij vervoert, inspireert en vertedert. Hij heeft honderden gezichtsuitdrukkingen tot zijn beschikking en hij kan tango dansen!

Cristina Gallard-Domas (Matilde) klinkt af en toe een beetje schril in de hoogte, maar haar intensiteit en haar rolinvulling vergoeden alles. Zij is ook een prachtige vrouw, een prototype van een Zuid Amerikaanse met te grote ogen en te grote mond, waarachter je een en al passie kan vermoeden.

postino

Charles Castronovo (Mario)

In Mario heft Charles Castronovo de rol van zijn leven gevonden. Met zijn lyrische tenor – en zijn acteertalent! – zet hij een levensechte jongeman neer: schuw en romantisch maar dan wel een met veel ambities en doorzettingsvermogen om zijn doel te bereiken.

Amanda Squitieri is een spetterende Beatrice en de regie van Ron Daniels is zonder meer subliem – zijn personenregie is om te smullen! De productie is zeer filmisch en doet een beetje aan het Italiaanse neorealisme van de Sica met de kleuren van Almodovár denken.

Prachtige opera, prachtige uitvoering, prachtige productie.

Trailer:

Daniel Catán
Il Postino
Plácido Domingo, Charles Castronovo, Amanda Squitieri, Cristina Gallardo-Domás, Nancy Fabiola Herrera, Vladimit Chernov e.a.
Los Angeles Opera Orchestra & Chorus onder leiding van Grant Gershon
Solisten: Regie: Ron Daniels
Sony 88691919709

 

Franz Schreker door Lawrence Renes: waar blijft de sehnsucht?

schreker

Voor Franz Schreker kan je mij midden in de nacht wakker maken. In zijn muziek hoor ik de volmaakte klank die mij intens gelukkig maakt. Zijn opera’s vind ik, naast die van Puccini en Korngold, het mooiste wat er bestaat. De samensmelting van de onbeschaamde emoties met de onverholen erotiek en intense schoonheid maakt van mij een ‘Alice in wonderland’. Daar wil ik steeds meer en meer van. Noem mij maar een junkie.

Van al zijn opera’s houd ik het meest van Der Ferne Klang en Die Gezeichneten. Beiden ontbreken ook niet op de nieuwe opname met de orkestrale preludes, voorspelen en tussenspelen uit zijn opera’s. Deze cd voelt dan ook aan als een prachtig cadeau, maar dan wel één waarvan de verpakking mooier is dan de inhoud zelf.

Neem de ‘Nachtstück’, een interlude uit Der Ferne Klang: de muziek is zo zwoel dat je, als je een beetje een nuchtere Hollander bent, beter van af moet blijven. Want: of je geeft je eraan over of je gaat eraan onder.

De uitvoering van het Royal Swedish Orchestra onder leiding van de Nederlander Lawrence Renes is zonder meer goed, toch mis ik iets. Het is onbenoembaar, meer een gevoel dan een feit. Wellicht is de sehnsucht tussen de perfecte noten kwijt geraakt?

FRANZ SCHREKER
Orchestral music from the operas
Royal Swedish Orchestra olv Lawrence Renes
BIS 2212

De bedwelmende klank van Franz Schreker

Franz Schreker: Vom Ewigen Leben

‘Zij was toch de mijne, of was zij het niet’?

DIE GEZEICHNETEN. Discografie

SCHREKER: Irrelohe, Der Schmied von Gent en nog meer…

SCHREKER: DER SCHATZGRÄBER. Amsterdam september 2012

Satanella of hoe een duivelin in een engel veranderde

satanella

Na de wereldpremière in Londen in 1858 stond de opera Satanella van Michael William Balfe ruim zestig jaar lang op het repertoire. Daarna verdween het stuk uit beeld. Met dank aan de inspanningen van Richard Bonynge is Satanella nu echter terug in de aandacht. De vooraanstaande maestro leidt de allereerste opname van het werk

De in 1808 in Dublin geboren Michael William Balfe speelde viool in theaterorkesten toen hij nog maar een teenager was. Hij maakte ook een zeer succesvol carrière als operazanger. Zo zong hij Figaro in Barbiere di Sevilla in Théâtre des Italiens en trad op met niemand minder dan Maria Malibran. En al die tijd componeerde hij. Op zijn naam staan 29 opera’s en zowat 250 liederen.

Wat een carrière, zou je zeggen. Toch… echt bekend is hij niet. Van al zijn werken heeft er maar één repertoire gehouden: The Bohemian Girl. Waar het aan ligt? In ieder geval niet aan zijn muziek: die klinkt als een “Donizetti light” gepeperd met een vleugje Meyerbeer en gezouten met een druppeltje Rossini; maar dan wel in het Engels.

Satanella is een griezelverhaal die mij vaag aan Robert le Diable van Mayerbeer doet denken, alleen is het minder eng. Alle elementen van het griezelgenre zitten erin: macht, geld, jaloezie, een kaartspel, een verlies en – hoe kan het ook anders – een onschuldige liefde die zelfs de duistere krachten uit de hel verslaat. Satanella gaat zelfs een stapje verder: de titelheldin, door pure liefde bevangen, verandert van een duivelin in een engel. Zo kan het ook.

Tussendoor wordt het onschuldige meisje Lelia, mede door toedoen van de jaloerse Stella, door piraten ontvoerd, op de slavenmarkt verkocht en dan weer bevrijd. Daarbij zijn alle vrouwen, Satanella incluis, verliefd op de arme graaf Rupert, die zijn vermogen in een kaartspel verliest, en vallen alle mannen op Lelia. Iets wat het verhaal lekker ingewikkeld maakt. Maar om u meteen gerust te stellen: alles loopt goed af.

De partituur is heerlijk eenvoudig en aangenaam, met veel ballade-achtige aria’s, maar ook met veel duistere tonen en paukengetrommel die het verschijnen van de duivel Arimanes begeleiden.

De bezetting is werkelijk voortreffelijk. Kang Wang is een heerlijk lyrische Rupert. Zijn Rossiniaans timbre kan zich met de besten in het vak meten.

Catherina Carby overtuigt als de onschuldige Lelia en Sally Silver (Satanella) is een echte ontdekking. Luister naar haar zeer emotioneel gezongen ‘There’s a power (power of love)’ aan het einde van de eerste acte: wedden dat u hopeloos verliefd op haar word?

Richard Bonynge dirigeert zoals we van hem gewend zijn: gepassioneerd. Een echte aanrader.


MICHAEL WILLIAM BALFE
Satanella
Kang Wang, Quentin Hayes, Anthony Gregory, Trevor Bowes, Sally Silver, Christine Tocci, Catherine Carby e.a.
Victorian Opera Orchestra & John Powell Singers olv Richard Bonynge
Naxos 8660378/79

Ciboulette, of hoe het Rodolfo verging

Ciboulette

Heeft iemand zich ooit afgevraagd hoe het verder met Rodolfo ging, na de dood van Mimi? Ik eerlijk gezegd niet. Tótdat ik hem plotseling tegenkwam in de operette Ciboulette van Reynaldo Hahn.

Rodolfo heeft de liefde en de dichtkunst afgezworen, is in dienst gegaan bij de gemeente en werkt onder de naam Duparquet als marktopzichter van Les Halles in Parijs. Als een goede fee helpt hij een groenteverkoopster om de liefde van haar leven te vinden: een beetje saaie, maar jonge en steenrijke Antonin de Mourmelon die zelf met liefdesverdriet kampt omdat zijn minnares hem heeft omgeruild tegen een potente huzaar.

De eerste akte van Ciboulette is in deze regie van Michel Fau gehuld in zwart-grijs-witte tinten en straalt een sfeer uit van de beginjaren van de cinema. Pas met de komst van Ciboulette komt ook de kleur in het verhaal. Het effect is groots: het is alsof het onzichtbare, grauwe gordijn waarachter de feeërieke kleuren zich hebben verscholen opzij wordt geschoven.

Jean-François Lapointe is onweerstaanbaar als Duparquet. Moeiteloos schakelt hij van de hilarische dialogen en een vrolijke duet met Ciboulette (zeer aanstekelijke ‘Nous avons fait un beau voyage’) naar de zeer ontroerend gezongen ‘C’est tout ce qui me reste d’elle’, waarin hij herinneringen aan Mimi ophaalt. En, vergis ik mij of hoor ik daar, zachtjes en ver weg op de achtergrond, flarden van de muziek van Puccini?

Julien Behr’s tenor (Antonin de Mourmelon) is niet echt mooi, hij is ook een beetje stijfjes, maar het past wel bij de rol. Eva Ganizate is een heerlijke grisette Zénobie en Bernadette Lafont zorgt voor extra humor in haar rol van Madame Pingret.

Ciboulette wordt gezongen door de jonge Franse sopraan Julie Fuchs. Haar mooie, lenteachtige voorkomen en haar lichte, wendbare stem maken van haar een voorbeeldige “spring in het veld” meisje die nog niet zo goed weet wat zij wil, totdat zij de ware tegenkomt.

Aan het eind krijgen we nog een heuse meezinger die zich in je oren nestelt, ook al ken je de operette niet en zelfs de taal niet machtig bent!

Last van winterblues? Opgejaagd, gestrest, door een minnaar verlaten? Koop de dvd en laat je opbeuren! Wat een feest!

Finale:

REYNALDO HAHN
Ciboulette
Julie Fuchs, Jean-François Lapointe, Julien Behr, Eva Ganizate, Ronan Debois, Bernadette Lafont e.a.
Orchestre symphonique de l’Opera de Toulon olv Laurence Equilbey
Regie: Michel Fou
Solisten: FRAMusica FRA 009

Pumeza Matshikiza in twee opnamen

pumeza-1

Wie zegt dat sprookjes niet meer bestaan? Zo lang er mensen zijn die in hun dromen blijven geloven, zo lang is er een kans dat ze ooit uitkomen. Wel of niet geholpen door een goede fee. Ook, als je zwart en arm bent en van een carrière van operadiva droomt

Dat dromen geen bedrog hoeven te zijn, daar weet Pumeza Matshikiza, 35 jaar geleden geboren in Lady Fere (Eastern Cape, Zuid Afrika), alles van. Haar jonge ouders waren arm en niet op haar komst voorbereid, zij scheidden dan ook toen Pumeza nog maar een klein kind was.

Samen met haar moeder, een niet onverdienstelijke amateurzangeres verhuisde zij naar Kaapstad, waar de armoede wellicht niet minder was, maar waar meer mogelijkheden waren. Zij studeerde aan de universiteit van Kaapstad, maar haar studie kon haar niet bekoren – haar geluk haalde zij uit het luisteren naar muziek.

Haar volgende stap was het South African College of Music, waar zij ontdekt werd door de Zuid-Afrikaanse componist Kevin Volans. Hij vroeg haar om in zijn nieuwe opera The Confessions of Zeno te zingen. Het was ook Kevin Volans die haar, nadat ze met haar opleiding in Kaapstad klaar was, een vliegticket naar Londen bezorgde, waarna ze werd aangenomen op het Royal College of Music. Daar hoorde een andere goede fee, de filantroop Peter Moores, haar zingen en besloot in haar onderhoud te voorzien.

In 2007 werd Pumeza gekozen voor het Jette Parker Young Artist programma, wat haar mogelijkheden gaf om ook masterclasses bij de grootste zangers zoals Renata Scotto en Kiri te Kanawa te volgen. In 2010 nam zij deel aan de Veronica Dunne zangcompetitie in Dublin, waar zij de eerste prijs won.

Een driejarig contract met het operahuis in Stuttgart volgde, het operahuis dat het heilige idee van regie theater tot de hoogste kunst heeft gepromoveerd. Op de vraag van een journalist hoe het haar beviel antwoordde zij zeer diplomatiek: “it is sometimes hard to get inside and ‘live’ a character who is being asked to behave in a way quite at odds with the music and words she is singing”. Wijze woorden.

Haar eerste klassieke muziek liefde was Mozart. Het gebeurde toen ze Edith Mathis Susanna hoorde zingen. Op de radio. In 2010 vertolkte zij de titelrol in Zaide in de Londense Sadler’s Wells, iets wat niet onopgemerkt is gebleven. Rupert Christiansen in de Telegraph: “Pumeza Matshikiza is one of opera’s most exciting new voices”.

Sindsdien is de sopraan een lieveling van het Engelse ‘recensentdom’ geworden. De koppen van de krantenartikelen liegen er niet om. Zo schreef Anna Picard in The Guardian van 27 juli 2014: “Pumeza Matshikiza: the township soprano who wooed the world.” En Michael Tanner ging in The Spectator van 2 augustus dat jaar nog een stapje verder: “I think I’ve found the new Maria Callas.”

In 2013 tekende zij een exclusief contract met Decca. Voor haar debuut-cd, Pumeza. Voice of Hope, heeft zij gekozen voor een mix van klassieke aria’s en Zuid Afrikaanse liedjes, inclusief de door Miriam Makeba wereldberoemd geworden ‘Pata Pata’.

Na twee mooie maar een beetje vlak gezongen Puccini-aria’s (‘O mio babbino caro’ en ‘Signore Ascolta’) gaat ze verder met liedjes in verschillende Zuid-Afrikaanse talen, even onderbroken door het kittige ‘Vedrai Carino’ (aria van Zerlina uit Don Giovanni) en een ontroerend ‘Donde lieta usci’ uit La bohème van Puccini.

Zeer onder indruk ben ik van “Thula Baba”, een oud slaapliedje die Pumeza zingt in het Xhosa en het Zulu. Dat het al generaties lang kinderen in slaap wiegt, dat geloof ik graag.

Ook het in het Swahili gezongen ‘Malaika’ (Mijn engel), over een stel jonge geliefden die geen geld hebben om met elkaar te trouwen behoort meteen tot mijn favorieten.

‘The Click Song’ is een traditioneel huwelijksliedje, die, zo wordt geloofd, veel geluk brengt aan de jonggehuwden. Pumeza zong het liedje op het huwelijk van prins Albert van Monaco en zijn Zuid Afrikaanse bruid in 2011.

Voice of Hope laat ons kennismaken met een mooie vrouw en haar – zonder meer – mooie stem. Zacht, vloeiend en met een donkere kern. Zelf had ik wat meer emoties willen horen, maar dat kan natuurlijk nog komen.

Het mooist vind ik haar in de ‘Umzi Watsha’ die haar ontdekker Kevin Volans speciaal voor haar componeerde. En in de Afrikaanse liedjes, waarin zij begeleid wordt door het Aurora Orchestra, een jong kamerorkest die geen vreemde uitstapjes schuwt en voor alles in is.

Trailer:

Nieuwe Maria Callas? Dat niet, maar: wie weet, een nieuwe Pumeza Matshikiza? De tijd zal het leren.

VOICE OF HOPE
Pumeza Matshikiza
Aurora Orchestra olv Iain Farrington
Staatsorchester Stuttgart olv Simon Hewett
Decca 4787605

 pumeza-2

En toen was er de langverwachte deel twee en ik heb er maar moeilijk mee, want hoe prachtig ik Pumeza Matshikiza’s stem ook vind, op een ratjetoe als dit zit niemand te wachten. Haar nieuwe cd bevat aria’s van (onder anderen!) Puccini, Catalani, Dvořak en Mozart en liederen van Hahn, Fauré en Montsalvatge. En dat dan ook nog eens allemaal door elkaar gehusseld. Het getuigt van slechte smaak.

Niet alleen aan de repertoirekeuze, ook aan de uitvoering van de cd Arias schort het één en ander. Fraai gezongen is het wel (al verontrust me Matshikiza’s ruime vibrato), maar waar blijven de accenten? Alles klinkt even mooi en daarmee even karakterloos. Bij geen enkele frase staat ze stil. Af en toe vraag ik me zelfs af of ze weet wat ze zingt.

Weet zij dat Angelica in ‘Senza mamma’ (Suor Angelica) haar gestorven zoontje beweent en afscheid neemt van haar leven? Of dat Wally in ‘Eben, no andró lontana’ van Catalani vaarwel zegt aan haar huis, vader en vrienden? In haar interpretatie mist zij drama, waardoor de aria’s aan zeggingskracht inboeten.

Haar Mimì uit La bohéme klinkt wel erg mooi, maar ze zingt Puccini’s personage te afstandelijk. In ‘Sí, mi chiamano Mimì’ ontbreekt de poëzie.

Valt er dan niets goeds op deze cd te ontdekken? Toch wel. In ‘Lungi dal caro bene’ uit Le gelosie villane, een onbekend pareltje van Giuseppe Sarti, weet Matshikiza me oprecht te ontroeren. En ook haar Susanna uit Le nozze di Figaro mag er zijn. Het is alleen jammer dat het Aarhus Symfoniorkester nogal bloedeloos begeleidt.

Met een cd als deze geeft een beginnende zanger zijn visitekaartje af. Om te laten zien dat hij van alle markten thuis is. Maar Matshikiza heeft haar visitekaartje twee jaar geleden al gegeven! Wordt het geen tijd voor het echte werk? Een lyrische sopraan is op haar 37e allesbehalve een beginner – als ze het nu nog niet goed doet, wanneer dan?

Ik zou tegen het label Decca willen zeggen: geef Pumeza Matshikiza een echte kans en neem bijvoorbeeld een complete opera met haar op, zodat we echt kunnen oordelen of ze een exclusief contract waard is. In de opera gaat het immers om meer dan een mooie vrouw op de cover


Arias
Puccini, Catalani, Dvořak, Ravel, Montsalvatge, Fauré, Hahn, Mozart, Gluck, Purcell e.a.
Pumeza Matshikiza, Aarhus Symfonieorkester onder leiding van Tobias Ringborg
Decca 47889640

Die Kathrin, de laatste opera van Korngold wacht nog steeds op de herontdekking

kathrin

In de jaren 1934 – 1938 pendelde Korngold tussen Hollywood en Wenen. ‘s  Winters werkte hij aan de filmmuziek en de zomers besteedde hij aan zijn ‘serieuzere’ werken. In die tijd ontstond ook Die Kathrin – een opera waaraan hij al in 1932 was begonnen en die zijn laatste zou blijven. Het verhaal speelt zich af tijdens de Eerste Wereldoorlog en gaat over de liefde tussen een Franse soldaat en een Duits dienstmeisje.

De première was gepland voor januari 1938, maar Jan Kiepura die de rol van François zou zingen moest wegens zijn verplichtingen aan de MET helaas afzeggen. De première werd uitgesteld. En toen was er de Anschluss.

Net op tijd werd Korngold teruggeroepen naar Hollywood, waar hij zijn score voor Robin Hood binnen een paar dagen moest afmaken. Op 29 januari reisde hij af met de ‘Normandie’, toevallig samen (o ironie!) met Kiepura en zijn vrouw.

De componist was veilig, maar zijn bezittingen, inclusief de manuscripten en partituren, werden in beslag genomen. Op een sluwe wijze (pagina voor pagina ingenaaid tussen de veilige Beethovens en Straussen) werd het naar Amerika verstuurd.

Die Kathrin werd in oktober 1939 in Stockholm uitgevoerd, met een enorm fiasco. Deels was het aan het zwakke libretto te wijten, maar het lag vooral aan het antisemitisme dat zelfs in de Zweedse kranten overheerste.

Zestig jaar later werd de opera door CPO opgenomen. Gelukkig, want er valt bijzonder veel te genieten. Het zit barstensvol schitterende muziek, die het midden houdt tussen opera, operette, musical en film. Een gebruikelijke mix in die tijd – een Zeitoper derhalve. Er valt ontzettend veel moois te beluisteren en de vele aria’s lenen zich voor het meezingen.

De ‘briefaria’ van Kathrin lijkt sprekend op Mariettas lied uit Die Tote Stadt en haar gebed bezorgd de gevoelige luisteraar tranen in zijn ogen.

Uiteraard heeft ook de tenor wat te doen.
Hieronder Anton Dermota zingt ‘Wo ist mein Heim’ in een opname uit 1949 onder leiding van Korngold zelf :

en het liefdesduet is wellicht het mooiste uit alle Korngold opera’s. Zelfs de schurk Mallignac krijgt prachtige noten te zingen, wat hem meteen wat menselijker maakt.

YouTube heeft bijna alle fragmenten weggehaald, gelukkig staat de hele cd op Spotify:

Het laatste woord over Die Kathrin is nog niet gezegd, maar of ik ooit een live uitvoering zou mogen meemaken? De muziek verdient het. Stond dat Puccini wellicht voor ogen toen hij een operette wou schrijven?

Hieronder Renee Fleming zingt ‘Ich soll ihn niemals mehr sehen’:

Erich Wolfgang Korngold
Die Kathrin
Melanie Diener , David Rendall, Robert Hayward, Linda Watson, Della Jones;
BBC Singers & BBC Concert Orchestra olv Martyn Brabbins
CPO 9996022 • 162’

KORNGOLD: complete songs

DIE STUMME SERENADE

TUSSEN TWEE WERELDEN

Die Tote Stadt discografie. Deel 1

Aanbeden, genegeerd, vergeten: over Erich Wolfgang Korngold en ‘Die Tote Stadt’

Das Wunder der Annemarie Kremers ‘Heliane’

Wonderlijke productie van Das wunder der Heliane uit Berlijn

Orkestliederen van Walter Braunfels: zo mooi!

 Braunfels 1

Walter Braunfels. De vraag waarom hij zo verschrikkelijk is vergeten ga ik niet eens stellen. Dat het iets met de nazi’s en de Joden te maken had, dat weet iedereen immers wel. Maar de oorlog is al zeventig jaar voorbij en Braunfels is al meer dan 60 jaar dood. En nog steeds is zijn naam niet daar, waar het hoort te zijn: op de belangrijkste concertpodia en operabühnes.

In de jaren negentig kon je nog van een kleine revival spreken: EMI bracht zijn mysteriespel Verkündigung uit en Decca nam zijn bekendste opera  Die Vögel op.
Die Vögel dook dan weer eens in Los Angeles op, waar James Conlon al jaren bezig is om ‘entartete componiste’ ruim podium te geven. In de letterlijk zin van het woord.

Super verrast en blij ben ik dus met de nieuwe uitgaven van Capriccio en Oehms Classics. Bij Oehms Classics is nu deel 1 van zijn orkestrale liederen uitgekomen, deel 2 is onderweg.

Het programma begint met het voorspel tot- en de Nachtegaal-aria uit Die Vögel. Valentina Farcas zingt het hondsmoeilijke stuk met een vanzelfsprekende zekerheid en een enorme dosis tederheid.

Michael Volle weet mij bijzonder te imponeren met de met zijn prachtige, diepe, warme bariton en indrukwekkende voordracht gezongen Hölderlin-Gesänge en Auf ein Soldatengrab op de tekst van Hermann Hesse. Daar word ik stil van.

Het is een beetje jammer dat voor Abschied vom Walde Klaus Florian Vogt is geëngageerd. Ik heb het een beetje gehad met zijn softe, blanke geluid. Gelukkig duurt zijn bijdrage maar vijf minuten.

Als uitsmijter krijgen we Don Juan, oftewel variaties op de “champagnearia” van Mozart. Het stuk voelt zó als een duizelingwekkend carrousel van bekende klanken dat het je naar adem doet happen.

Het werk klinkt zeer filmisch en zou zo uit de pen van Korngold kunnen zijn gekomen. Het Staatskapelle Weimar onder leiding van Hansjörg Albrecht weet er goed raad mee.


 

WALTER BRAUNFELS
Orchestral songs volume I
Valentina Farcas, Klaus Florian Vogt, Michael Volle; Staatskapelle Weimar olv Hansjörg Albrecht
Oehms Classic OC 1846 •  68‘

TUSSEN TWEE WERELDEN

Een beetje (meer) over Walter Braunfels

VERKÜNDIGUNG

DAS RHEINGOLD. Rattle? Van Zweden?

Aan de opnamen van de complete Ring – laat staan afzonderlijke delen – geen gebrek, maar blijkbaar is de behoefte (bij de consument of de dirigent?) onuitputtelijk. Want: je hebt de ene nog niet goed beluisterd of er dient zich alweer een nieuwe aan.

rheingold-rattle

Simon Rattle is geen beginneling wat Wagner betreft. Tussen 2006 en 2010 dirigeerde hij de complete Ring-cyclus in zowel Aix-en-Provence als Bayreuth. Maar “everything the conductor Sir Simon Rattle touches turns to gold”, en dus werd Das Rheingold weer op de lessenaars gezet, deze keer bij het Symphonieorchester des Bayerischen Rundfunks. Daar dirigeerde Rattle in april 2015 een concertante uitvoering van het eerste Ring-deel en die is op het eigen label van het orkest uitgebracht.

 

Rheingold van Zweden

Net als Rattle heeft Jaap van Zweden Wagner in zijn vingers. Zijn interpretaties van diens opera’s bij het Radio Filharmonisch Orkest werden door zowel critici als het publiek zeer enthousiast ontvangen. De Ring was een logische vervolgstap. Ook de keuze van het orkest – Van Zweden bracht de muziek naar zijn eigen Hong Kong Philharmonic – lag voor de hand. Nu is zijn Das Rheingold inmiddels uit: een kleine vergelijking met Rattle dan maar?

Rheingold konieczny alberich

Tomasz Konieczny als Alberich  © Wiener Staatsoper/Michael Poehn

De uitvoering onder Rattle wordt gedragen door de twee bas-baritons: Michael Volle (Wotan) en Tomasz Konieczny (Alberich). Vooral de laatste weet mij bijzonder te imponeren. Zijn stem is zo groot dat ik er bijna door omvergeblazen word en de manier waarop hij de slinkse sluwheid in zijn stem weet te leggen, is meer dan subliem. Met hem vergeleken is Peter Sidhom bij Van Zweden niet meer dan een ‘karakter’. Voortreffelijk gezongen, dat wel, maar het ontbreekt hem aan finesse.

Michael Volles stem heeft, ondanks een flinke portie aangename lyriek, ook iets dwingends. Echt een oppergod naar wie geluisterd moet worden. Daar kan Matthias Goerne zich niet aan meten. Hoewel ik zijn stem op zichzelf heel erg mooi vind, klinkt hij alsof hij net uit een oratorium uitvoering is weggelopen.

De reuzen bij Rattle – Peter Rose (Fasolt) en Eric Halfvarson (Fafner) – zijn zo waanzinnig goed dat de bassen bij Van Zweden – de toch echt niet kleine jongens Kwangchul Youn en Stephen Milling – het tegen hen moeten afleggen.

Ik houd niet van Annette Dasch (Freia). Er is iets in haar timbre wat ik niet mooi vind, maar dat is persoonlijk en subjectief, en ligt dus aan mij. Anna Samuil bij Van Zweden vind ik qua klank mooier, maar geen van beiden is een Freia van mijn dromen.

Alleen Loge is bij Van Zweden veel beter bezet. Waar Burkhard Ulrich op de Rattle-opname niet echt aangenaam in mijn oren klinkt – een beetje schel, al past dat wellicht bij het karakter van Loge – daar laat Kim Begley horen dat een slinks karakter en goed zingen toch echt wel samen kunnen gaan.

Rattle laat het orkest licht en sprankelend spelen. Bovendien houdt hij de vaart erin. Van Zweden is veel langzamer en ‘breedsprakiger’, waardoor de uitvoering drama mist. De opname is daarbij veel te zacht. Dus al heb ik bij Rattle ook enkele bedenkingen: ik kies toch voor zijn versie.

Impressie van de repetitie door Rattle:

Trailer van de opname van van Zweden:

Richard Wagner
Das Rheingold

Michael Volle, Christian Van Horn, Benjamin Bruns, Burkhard Ulrich, Elisabeth Kulman, Annette Dasch, Janina Baechle, Tomasz Konieczny, Peter Rose, Eric Halfvarson e.a.
Symphonieorchester des Bayerichen Rundfuks olv Simon Rattle
BR Klassik 900133 • 143’

Matthias Goerne, Michelle de Young, Kim Begley, Peter Sidhom, Anna Samuil, Deborah Humble, Kwangchul Youn, Stepen Milling e.a.
Hong Kong Philharmonic Orchestra olv Jaap van Zweden
Naxos 8660374-75 • 153’

The bells of dawn: een must voor liefhebbers van Russische geestelijke liederen en Slavische koren

Hvorostovsky the bells

Deze cd stelt mij enigszins teleur. Het ligt niet aan de uitvoering, want noch op de stem, noch de zang of de interpretatie van Dmitri Hvorostovsky valt er iets om aan te merken. Die zijn gewoon perfect! Het is werkelijk onvoorstelbaar hoe mooi het geluid is dat uit zijn keel komt. Het is niet minder dan de belichaming van een volmaakte schoonheid.

Hieronder één van de mooiste nummers van de cd, ‘Vyhozhu odin ya na dorogu’ van Elizaveta Shashina:

 

Wat mij het meest imponeert bij Hvorostovsky is, naast zijn heerlijke bronzen geluid, zijn prachtige pianissimo. Bij vlagen klinkt hij bijna breekbaar, wat een fraai contrast oplevert met de zwaarder aangezette passages.

Dat hoor je goed in de solo ‘Prostchay, radost’ (Farewell, My Joy). De stemmingen wisselen elkaar af, maar wat blijft, is een allesomvattend gevoel van totale eenzaamheid. Hierna kun je niet anders dan de muziek even stopzetten voor een moment stilte.

Maar de cd is nog niet afgelopen. Het gevoel wordt nog wel even vastgehouden, maar langzaam ebt de ontroering weg. De liederen op de cd zijn moeilijk van elkaar te onderscheiden, waardoor het op den duur gewoon saai en eentonig wordt. Voor mij althans; een ‘hardcore’ liefhebber van Russische geestelijke liederen en Slavische koren zal hier wellicht wel zijn hart aan ophalen.

The Grand Choir ‘Masters of Choral Singing’ is zeer op de achtergrond opgesteld en is onder dirigent Lev Kontorovich vooral dienstbaar aan de solist.

The Bells of Down
Geestelijke liederen van Khristov, Arkhangelsky, Varlamov, Shashina, Sviridov en Russische folksliedjes
Dmitri Hvorostovsky (bariton) en The Grand Choir ‘Masters of Choral Singing’ onder leiding van Lev Kontorovich
Ondine ODE 1238-2 • 64’

Maria Fiselier: To go into the unknown

fiselier

Maria Fiselier is één van de grootste jonge talenten die ons land rijk is.
Met haar mooie, lichte mezzosopraan kan zij nog alle kanten uit, zelf voorspel ik haar een grote carrière op de recitalpodia. Als geen ander weet zij hoe je met je stem alleen al kan acteren. En hoe je verschillende stemmingen op je publiek kan overbrengen.

Het programma op haar eerste cd heeft zij zeer zorgvuldig uitgezocht, waarbij zij voor niet voor de hand liggende componisten heeft gekozen. Iets wat zich wel enigszins wreekt in het uiteindelijke resultaat.

Liederen van Ivor Gurney zijn geen dagelijkse kost, al is er in 2014, met het oog op de herdenking van de Eerste Wereldoorlog wat meer belangstelling voor gekomen. Ik denk niet dat de ze geschikt zijn voor Fiselier. De liederen zijn zeer specifiek (zeg maar gerust bijna net zo neurotisch als hun schepper) en het meest komen ze tot hun recht als ze gezongen worden met een soort sluier op de stem. Met een nuchtere rechttoe rechtaan benadering verliezen ze één van hun belangrijkste dimensies, die van de ongrijpbaarheid.

Bij Herbert Howells is Fiselier meer in haar element, maar pas bij Britten leeft zij helemaal op. Hier laat zij horen wat zij allemaal in haar mars heeft en dat is niet niets! In zijn Cabaret Songs is zij helemaal in haar element: het is het repertoire dat haar ligt en haar past als een handschoen. Alleen al voor de ‘Funeral Blues’ verdient zij een enorme pluim.

Fiselier en Nilsson in There was a Maiden van Herbert Howells:

Peter Nilsson toont zich een “schaduw begeleider”: geheel dienstbaar aan de liederen en de zangeres.


IVOR GURNEY, HERBERT HOWELLS, BENJAMIN BRITTEN
To go into the unknown
Maria Fiselier (mezzosopraan), Peter Nilsson (piano)
7 Mountain Records 7MNTN-002