Alle liederen van Korngold ten doop gehouden in de Oostenrijkse ambassade

korngold-lieder

Het is een verademing om niet meer te hoeven uitleggen wie die Erich Wolfgang Korngold toch was. Nog niet zo lang geleden was hij uitsluitend bekend bij diehards, romantici en liefhebbers van zijn (overigens schitterende!) filmmuziek. Nu krijgt hij eindelijk de erkenning die hem toekomt.

Zijn vioolconcert behoort tot de meest gespeelde en opgenomen vioolcomposities en zijn werken zijn niet meer weg te denken uit onze concertzalen.Er valt echter nog altijd genoeg te ontdekken. Neem alleen maar zijn liederen. Nog steeds behoren ze niet tot het standaardrepertoire, ondanks de vertolkingen van grootheden als Anne Sophie von Otter, Bo Skovhus, Renée Fleming en Dietrich Henschel.

Op initiatief van onder meer Deutschlandradio Kultur werden alle liederen van Korngold opgenomen voor het Weense label Capriccio, met als vertolkers sopraan Adrianne Pieczonka, bariton Konrad Jarnot en de onvolprezen pianiste Reinild Mees.

De cd-box werd op woensdag 28 oktober 2015 officieel gepresenteerd in de Glazen Zaal van de Oostenrijkse ambassade. Met de medewerking van de drie solisten.

Korngold-presentatie-presentatie

Reinild Mees, Adrianne Pieczonka en Konrad Jarnot © Yota Morimoto

De ambassadeur, dr. Werner Druml, nam het eerste exemplaar in ontvangst, waarna hij een kort toespraakje hield over Korngold en zijn belang voor de Oostenrijkse cultuur. Ik voelde me er een beetje ongemakkelijk bij. Korngold, een ‘Wener’ in hart en nieren, hield zielsveel van zijn land, maar moest het als Jood ontvluchten. En na de oorlog werd hij ook daar, in zijn geliefde stad, totaal vergeten. Zijn laatste lied, ‘Sonett für Wien’, was niet minder dan liefdesverklaring aan de stad die hem uitspuugde. Kort erna stierf hij, nog maar 60 jaar oud, aan een gebroken hart.

Zijn allereerste lied schreef Korngold toen hij zeven jaar oud was. Op zijn veertiende had hij al een liederencyclus gecomponeerd. Het waren twaalf liederen met teksten van Von Einem, bedoeld als een verjaardagscadeau voor zijn vader. Het geheel kreeg de titel So Gott und Papa will.

Op de cd worden ze werkelijk subliem vertolkt door Konrad Jarnot.
Dat Jarnot een echte liedzanger is, hoor je al bij de eerste noten van ‘Abendlandschaft’, het eerste lied van de cyclus. Zijn interpretatie is zo beeldend dat je de tekst niet nodig hebt.

In ‘Nachtwanderen’ (uit Sechs einfache Lieder) weet Jarnot zelfs mijn geliefde Bo Skovhus te overtreffen. Zijn stem klinkt net zo erotisch, maar dan nog mannelijker. Chapeau!

Zelf ben ik hopeloos verliefd geworden op ‘Desdemona’s Song’ (uit Four Shakespeare Songs), een lied dat Adrianne Pieczonka ook tijdens de presentatie in Den Haag zong. Het lied klinkt bijna volksachtig Engels. Het is eenvoudig en diep ontroerend. Pieczonka zingt het op de cd met een stem die diep tot het hart van de toeschouwer doordringt. Eenvoudig, ja, maar met veel weemoed en ‘Sehnsucht’.

Korngold Adrianne-Pieczonka-Bo-Huang

Adrianne Pieczonka © Bo Huang

De box bevat maar liefst zeven wereldpremières, waaronder het heerlijke ‘Wienerische’ lied ‘Der Innere Scharm’, waar Korngold zelf de tekst voor schreef. De begeleiding van Reinild Mees is, zoals altijd, waanzinnig goed.

Tijdens de presentatie vertelde Reinild Mees: “De meeste liederen van Korngold hebben mooie, nostalgische melodieën, die doordrenkt zijn van een subtiele, ingehouden romantiek. Typische Weense Jugendstilmuziek. Daarnaast kun je in zijn liedoeuvre ook impressionistische en expressionistische invloeden ontdekken. Bariton Konrad Jarnot en sopraan Adrianne Pieczonka hebben al deze aspecten prachtig vertolkt. Het was voor mij een fantastische ervaring om met hen deze liederen op te nemen en de klankwereld van Korngold samen te beleven.”


Aanbeden, genegeerd, vergeten: over Erich Wolfgang Korngold en ‘Die Tote Stadt’

Die Tote Stadt discografie. Deel 1

Das Wunder der Annemarie Kremers ‘Heliane’

TUSSEN TWEE WERELDEN

Reisopera boekt groot succes met ‘Die tote Stadt’

DON GIOVANNI – discografie

don_giovanni_playbill_vienna_premiere_1788

                                     The Original Poster/Bill For The Premier In Prague, 1787.

 

Kan denken door verleiden worden vervangen? Kunnen we ‘ik (word) verleid dus ik ben’ als een soort variatie op ‘cogito ergo sum’ gebruiken? Is ons leven minder waard zonder verleiding? En zou dat een verklaring kunnen zijn voor het onmetelijke aantal uitvoeringen en opnamen van de ultieme verleidingsopera? Geen dag zonder Don Giovanni?
Toegegeven: de opera is volmaakt. Wat niet alleen de verdienste is van de muziek van Mozart, maar ook van het geniale libretto van Da Ponte. Daar staat alles in wat je hoort te weten. En voor de rest gebruik je je eigen fantasie, want alleen zo komt de mythische verleider je verlangens tegemoet.

Van de enorme stapel recent uitgebrachte opnamen van de opera op dvd heb ik er drie uitgekozen. Twee uit Salzburg en één uit de Scala. En ik noem kort de drie beste Dons die ik ken: Cesare Siepi, George London en Thomas Allen.

Salzburg, 2008

Giovanni Guth Eerlijk is eerlijk: de productie van Claus Guth uit Salzburg (2008) – binnenkort in Amsterdam te zien – is best spannend. Maar verder vind ik het één van de domste en slechtste Don Giovanni’s ooit. Zo erg als het Amsterdamse beddenpaleis wordt het niet, maar wat we krijgen, is een totaal andere opera. Het speelt zich af in een weelderig en donker bos, waar alle logica ontbreekt. Hebt u ooit een bus (en bushokje) midden in een bos gezien?
Dacht u dat Giovanni continu achter de vrouwtjes aan zit? U hebt het mis. Het is juist andersom. De arme Anna moet hem zelfs verkrachten als hij aan haar probeert te ontsnappen. Giovanni zelf denkt voornamelijk aan zijn volgende shot heroïne en aan zijn dodelijke schotwond, opgelopen tijdens het gevecht met de Commendatore, die overigens helemaal niet dood is (waarom weet Anna dat niet?).
Vanwege het hoge flowerpowergehalte doet de productie mij sterk aan Easy Rider denken. Het verbaast me dan ook niet dat de Don gezellig met Zerlina en Masetto een stickie zit te roken.
Erwin Schrott (Leporello) lijkt sprekend op Sylvester Stallone en verrek: hij kan ook in de bomen klimmen! Maar op Schrott en de werkelijk prachtig zingende en acterende Christopher Maltman (Giovanni) na kan geen van de zangers me echt overtuigen. Iets wat grotendeels de regisseur te verwijten valt. Want hoe kunnen ze overtuigen als alles wat ze doen zo belachelijk is? En zo tegen de muziek ingaat?
Voor de productie werd de Weense versie van de partituur gebruikt, wat onder meer inhoudt dat ‘Il mio tesoro’ is geschrapt. En dat we het onbenullige en totaal onlogische duet van Zerlina en Masetto erbij krijgen.
Voor de muzikale directie van Bertrand de Billy kan ik niet warm lopen. De ouverture begint behoorlijk hakkelend, met vreemde accenten. Er wordt zelfs vals geïntoneerd, iets wat je je bij Weners niet echt kunt voorstellen. (EuroArts 2072548)

 
Salzburg, 2014

Giovanni Bechtolff In 2014 mocht Salzburg weer een nieuwe productie van ’s werelds meest geliefde opera bewonderen. Nu ja, bewonderen… Was de rare Guth tenminste nog spannend, de voor het oog best aantrekkelijke enscenering van Eric Bechtolf is gewoon dodelijk saai. Daar kan zelfs de perfect gecaste latin lover Giovanni (een zeer aantrekkelijke Ildebrando D’Arcangelo) niets aan doen.
De actie speelt zich in de lobby van een hotel (nieuwe trend?) af en er is een komen en gaan van gasten, bruiloften, crime passionels en wat ook niet. Gedoe.
Luca Pisaroni (Leporello) stelt me een beetje teleur, zijn stem klinkt vaak vlak. Bovendien doet hij aan overacting. Donna Anna wordt gezongen door onze eigen Lenneke Ruiten, wat de opname meteen aantrekkelijker maakt. Anett Fritsch is een mooie, licht getimbreerde Elvira.
Helaas: ook in deze opname kan het orkest uit Wenen me niet echt bekoren. Eschenbach dirigeert nogal nogal sloom. (Unitel Classica 2072738)

Milaan, 2011

Giovanni Carsen Gelukkig hebben we Robert Carsen nog. Eén van de weinige hedendaagse regisseurs die het verhaal intact weet te laten. Natuurlijk heeft ook hij zijn eigen ‘handtekening’: bij hem is het zijn liefde voor de (geschiedenis van) cinema en de grote sterren van weleer. Vaak past hij ook het concept ‘theater in het theater’ toe. Zo ook in deze Don Giovanni uit de Scala (2011).
De voorstelling ziet er prachtig, kleurig en weelderig uit en de kostuums zijn oogstrelend. Middels eindeloze doeken, die naar believen opzij schuiven en open- en dichtgaan, creëert hij een wereld die tussen verbeelding en werkelijkheid balanceert.
Anna Netrebko overtreft zichzelf als Donna Anna, die zich de liefdeskunsten van Giovanni laat welgevallen. Met haar looks à la Claudia Cardinale past ze zo in een maffiadrama uit de jaren vijftig. Haar ‘Chi mi dice mai’ is gewoonweg perfect.
Peter Mattei is een heerlijke Don: een echte dandy, die af en toe meer geeft om zijn garderobe (ach, die verkleedpartijen!) dan om de dames. Barbara Frittoli is – voornamelijk scenisch – een zeer overtuigende Elvira en Bryn Terfel een kostelijke Leporello. Het bruidspaar Zerlina en Massetto wordt zeer geloofwaardig gezongen en gespeeld door Anna Prohaska en Štefan Kocán: voor mij het beste ‘boerenkoppel’ sinds jaren.
Daniel Barenboim dirigeert bedeesd. Zijn trage tempi vallen het meest op bij ‘La ci darem la mano’. Geen nood: zo kun je er nog meer van genieten. Zeer aanbevolen! (DG 0735218)

Cesare Siepi

giovanni-furtwangler

In 1954 werd in Salzburg een één jaar oude productie van Don Giovanni verfilmd. De tempi van Furtwängler zijn tergend langzaam en van een regie is amper sprake, wat het resultaat statisch en hopeloos ouderwets maakt. Maar Cesare Siepi (Giovanni) en Lisa Della Casa (Elvira) maken alles goed. (DG 0730199)

Thomas Allen

giovanni-allen-hempe
Sir Thomas Allen is beslist één van de beste Dons van de laatste 25 jaar van de vorige eeuw. Zijn interpretatie is tweemaal op dvd vastgelegd: in 1987 in Milaan (Opus Arte OA LS3001) en in 1991 in Köln (Arthaus Musik 100020). Persoonlijk prefereer ik de Keulse versie, niet in de laatste plaats vanwege de intelligente regie van Hampe en de werkelijk onweerstaanbare Leporello van Feruccio Furlanetto.

Er zijn ook twee cd-uitgaven met Allen als Don: een mooie, maar niet echt sprankelende onder Sir Neville Marriner uit 1990 (Philips 4321292), met de onvergetelijke Francisco Araiza als Ottavio. En een in alle opzichten fatsoenlijke, nuchtere visie van Bernard Haitink (ooit EMI 7470378), met de onweerstaanbare donna’s van Maria Ewing (Elvira) en Carol Vaness (Anna).

Hieronder de trailer van de Keulse productie:

George London

giovanni-londen

Bij mijn weten bestaat er geen complete beeldopname van Don Giovanni met George London, één van de grootste bas-baritons uit de twintigste eeuw. Des te meer kan ik iedereen het portret van de zanger aanbevelen dat een paar jaar geleden bij Arthaus Musik (101473) verscheen. De documentaire draagt de alleszeggende titel Between Gods and Demons.

Behalve van zijn Don Giovanni was London voornamelijk beroemd van zijn Scarpia en zijn Boris Godoenov. Maar hij was ook een echte entertainer, die de populaire muziek serieus nam: voor hem waren het allemaal ‘artificial art songs’. Over zijn Giovanni was iedereen het eens: als je zo veel seks uitstraalt, dan kan het demonisch worden. Iets om over na te denken.

Muziek als redding. Voice in the Wilderness

Wallfisch BBC

Anita Lasker-Wallfisch ©BBC

Muziek kan je leven redden. Letterlijk. Anita Lasker-Wallfisch heeft Auschwitz overleefd. En ook Bergen Belsen. Dat het door de muziek komt, dat weet zij zeker. Zij was 16 toen zij opgepakt werd. Haar ouders waren toen al dood, maar dat wist zij nog niet.

wallfisch100_v-panorama

Jonge Anita speelde cello en eenmaal in Auschwitz werd zij ingezet in het Vrouwenorkest, dat geleid werd door Alma Mahler, het nichtje van Gustav. Na de oorlog kwam ze naar Londen, trouwde met de pianist Peter Wallfisch en was een medeoprichtster van het English Chamber Orchestra.

Haar zoon, Raphael is ook een cellist. Een beroemde ook nog, met veel opnamen op zijn naam. En zijn zoon, Benjamin, is een dirigent. Vader en zoon Wallfisch hebben samen een opname gemaakt, die zij aan hun in de kampen gedode familieleden hebben opgedragen. De cd is vlak voor de Holocaust Memorial Day op 27 januari 2014 uitgebracht.

Walfisc

Het is een verrassende cd geworden, want naast – bijna vanzelfsprekende – Bloch’s Schlemo staat er ook diens  zelden gespeelde Voice in the Wilderness bij en Ravel’s  Kaddish  volgt op André Caplet’s Epiphanie (d’apre une légende éthiopienne).

Dat laatste ontgaat mij een beetje, het voelt als een vreemde eend in de bijt. Ik moet ook eerlijk bekennen dat ik geen affiniteit met het werk heb. Het kabbelt maar voort. Daarvoor in de plaats had ik liever Baal-Shem van Bloch gehoord.
Of iets van Joseph Achron. Of van Alexander Krein.

Of de andere twee van Ravel’s Mélodies hébraique. En al prefereer ik de gezongen versie van ‘Kaddish’ (mag ik een aanbeveling doen? Gerard Souzay!) dan moet ik bekennen dat Raphael Wallfisch met zijn cello mijn hart heeft gestolen. Maar het allermooiste vind ik het orkest. Zacht. Lief. Liefdevol.

 

ERNEST BLOCH

Wallfisch Bloch

Ernest Bloch

Vaak wordt mij gevraagd of er zoiets bestaat als Joodse muziek …. Nou en of!
Neem alleen maar Ernest Bloch. Hij werd geboren in 1880 in Genève in een geassimileerd gezin. Rond zijn vijfentwintigste raakte hij geïnteresseerd in alles wat met het Jodendom te maken had en vertaalde het in zijn taal – muziek.

“Ik ben geïnteresseerd in de Joodse ziel” schreef hij aan Edmund Fleg, voorzanger en librettist van zijn opera Macbeth. “Dat alles wil ik in muziek vertalen”.

Hij ontwikkelde een zeer eigen stijl: zijn composities geven de sfeer weer van Hebreeuwse gezangen, zonder het in feite te zijn. Het was namelijk zijn bedoeling niet om oude Hebreeuwse muziek te reconstrueren, maar om zijn eigen, goede muziek te schrijven, want, zoals hij zei, hij was geen archeoloog. Het is hem gelukt.

Hieronder vertelt Raphael Wallfish over zijn opname:

Ernest Bloch – Voice in the Wilderness; Schelomo. Rapsodie hébraïque
André Caplet – Epiphanie (dápres une légende éthiopienne)
Maurice Ravel – Mélodie hébraïque, Kaddish
Raphael Wallfisch, cello
BBC National Orchestra of Wales olv Benjamin Wallfisch
Nimbus NI 5913

 

ZIJN LIED ZAL NIET VERSTOMMEN *

JOSEPH ACHRON. Muziek om verliefd op te worden

JASCHA NEMTSOV en de Joodse muziek

SZYMON LAKS. Muziek uit een andere wereld

Hans Gál en Mario Castelnuovo-Tedesco: hoe konden we ze vergeten?

 

Entartete Musik, Teresienstadt en Channel Classics

entart

Eind jaren tachtig van de vorige eeuw kwam muziekminnend wereld (en hier bedoel ik niet alleen de luisteraars, maar ook de publicisten, recensenten en muziekdeskundigen mee) er achter dat er meer was tussen hemel en aarde, of, nu wij het over muziek hebben: tussen Strauss en Stockhausen. Men begon zich te realiseren dat er een hele generatie componisten uit de geschiedenisboeken en concertpodia was gewist. Zo maar. En het was niet alleen de schuld van de nazi’s.

In 1988 werd de tentoonstelling ‘Entartete Muziek’ in Düsseldorf opgezet, precies 50 jaar na de oorspronkelijke Nazi-vertoning. De tentoonstelling heeft ook andere steden, waaronder ook Amsterdam, aangedaan en werd de aanzet tot het stellen van vragen.

entart-du

De term ‘entartet’ (ontaard) werd niet door de nazi’s uitgevonden. Al in de negentiende eeuw werd het gebruikt in de criminologie, het betekende zoiets als “biologisch gedegenereerd”. De term werd gretig door de machthebbers van de Derde Rijk geleend om de kunstuitingen te verbieden die zij ‘onarisch’ vonden. Modernisme, expressionisme, jazz  En alles wat met Joden te maken had, want die waren bij voorbaat al gedegenereerd, als ras dan.

entertet zwe vielschreiber

Wat als verbod was begonnen ontwikkelde zich al gauw tot uitsluiting en resulteerde in moord. Degenen die het gelukt was om naar Amerika of Engeland te vluchten hebben de oorlog overleefd. Wie in Europa was gebleven was gedoemd.

Vele, voornamelijk Tsjechische componisten werden via Terezín naar de vernietigingskampen gedeporteerd, velen belandden daar rechtstreeks. Na de oorlog werden ze totaal vergeten, en zo voor de tweede keer vermoord. Wie het overleefde werd voor hopeloos ouderwets uitgemaakt en niet gespeeld.

Het was pas eind jaren tachtig, dat er besef kwam dat Korngold meer was dan een componist van Hollywod-scores; dat zonder Schreker en Zemlinski er waarschijnlijk ook geen Strauss was geweest en dat Boulez en Stockhausen niet de eersten waren die met serialisme speelden. De kentering kwam voor de meeste van de overlevenden te laat …

 In Duitsland werd een stichting Musica Reanimata opgericht, maar ook Nederland bleef niet achter. Onder de naam Musica Ritrovata hebben een paar enthousiastelingen een poging gewaagd om de muziek terug naar de concertpodia te brengen.

Dat het lukte, was mede aan Channel Classics te danken. De Nederlandse cd-label, opgericht door Jared Sachs was de allereerste die de muziek van “vergeten” componisten begon op te nemen.

Al in al 1991 en 1992  hebben ze vier cd’s uitgebracht met de muziek van de “Theresienstadt – componisten” van wie men bijna nooit eerder had gehoord: Gideon Klein, Hans Krása, Pavel Haas, Viktor Ullman… En dat, terwijl de laatste drie toch echt een begrip waren, vóór de oorlog. Gideon Klein had de kans niet gehad– hij werd al op zijn 24-ste vergast.

HANS KRÁSA

entartete brundibar

 

De eerste vier cd’s van Channel Classics waren echt pionierswerk.

Van Hans Krása werd in Praag de kinderopera Brundibar opgenomen. De opera werd nog al voor de oorlog gecomponeerd, maar zijn première vond plaats in Terezín, in 1943.

 

De cd (CCS 5198) werd gecombineerd met liederen van Domažlicky. Geen hoogvlieger, maar zonder meer interessant.

 

krasa

Geweldig daarentegen is de opname van Krása’s kamermuziek door het La Roche Quartet (CCS 3792), wellicht de beste uitvoering die er van bestaat:

PAVEL HAAS

haas

Van alle leerlingen van Janácek, slaagde Pavel Haas er het beste in de invloeden van zijn leraar met een eigen muzikale taal te combineren. Op verzoek van de bas Karel Berman schreef hij in 1944 Vier liederen bij de  Chineze gedichten. Berman, die de oorlog overleefde, heeft ze samen met zijn eigen liederen (CCS 3191) opgenomen.

Hieronder zingt Berman ‘Far Away Is The Moon Of Home’:

 

GIDEON KLEIN

entartete klein

Maar het mooiste vind ik de opname met, naast het derde strijkkwartet van Victor Ulmann, vier werken van de 24-jarige Gideon Klein. Luister naar zijn Trio en huiver (CCS 1691)

 

SCHULHOFF, WOLPE AND KOFFLER. EN MEER

entartete griebel schulhoff

Channel Classics gaat door – nu in samenwerking met de onvolprezen Werner Herbers en zijn Ebony Band. Door hem zijn er veel componisten meer dan een vermelding in de Wikipedia geworden. Denk aan Schulhoff: u kent toch wel zijn cd met door Dada geïnspireerde werken , met de tekeningen van Otto Griebel?)

Hieronder: Ebony Band speelt H.M.S.Royal Oak, jazzoratorium van Schulhoff

 

entart-ebon

Denk aan Joseph Wolpe van wie hij tijdens  het HF de opera Zeus und Elida heeft uitgevoerd en wiens muziek hij nog steeds opneemt – de nieuwste  heet Dancing.

Hieronder speelt Ebony Band Tanz (Charleston) van Wolpe:

Behalve Wolpe, Milhaud en Martinů staan er werken van Emil František Burian en Mátyás Seiber op.

 

entartkof

En denk aan Poolse Józef Koffler, de eerste Poolse componist die de dodecafonie heeft gebruikt. Koffler werd samen met zijn familie door de Nazi’s vermoord, waarschijnlijk in de stad Krosno. Zijn strijktrio en de prachtige cantate Die Liebe (gezongen door Barbara Hannigan) staat naast het Quintet van de andere onbekende Pool, Konstanty Regamey (CCS 31010)

Hieronder ‘Die Liebe’ (Miłość):

 

DROMEN ZIJN BEDROG

PAVEL HAAS door het Kocian Quartet

“Ich möcht so gern nach Haus!”: Anne Sofie von Otter zingt liederen van ‘Theresienstadt componisten’

Das Lied von Terezín & Requiem Ebraico

TUSSEN TWEE WERELDEN

DIE PASSAGERIN (Пассажирка)

61bf1t6tdfl-_sl1000_

We schrijven begin jaren zestig. De oorlog is misschien nog niet vergeten, maar toch wel echt voorbij, men mag weer vrolijk zijn en van het leven genieten.

Onder de passagiers op de oceaanstomer bevindt zich een Duitse diplomaat, die met zijn vrouw Lisa op weg is naar Brazilië, waar hij een belangrijke diplomatieke post gaat bekleden. Opeens doemt er een onbekende vrouw op, die Lisa met haar verleden confronteert. Totaal ontredderd voelt Lisa zich gedwongen om haar man haar verleden op te biechten.

Als actief lid van de SS is Lisa in Auschwitz geweest, waar zij als “aufseherin” heeft gewerkt. De onbekende vrouw doet haar aan Martha denken, een Poolse gevangene wier dood zij op haar geweten denkt te hebben. Of de onbekende vrouw daadwerkelijk Martha is, of dat Lisa, geplaagd door haar schuldgevoel het zich gewoon inbeeldt wordt in het midden gelaten. In haar gedachten gaat Lisa terug in de tijd naar de “hölle” en herbeleeft de gebeurtenissen van toen.

“Die Passagierin” (Пассажирка) was de eerste opera van Mieczysław Weinberg, een Poolse Jood die in 1939 naar de Sovjet Unie is gevlucht. Het in het Russisch geschreven libretto (auteur: Alexander Medvedev) is gebaseerd op een autobiografische novelle van de Poolse schrijfster Zofia Posmysz. Posmysz heeft haar – deels denkbeeldige – ontmoeting met haar vroegere aufseherin in de “ik” vorm geschreven, maar dan vanuit het standpunt van de ‘Aufseherin’ gezien.

Weinberg componeerde de opera in 1968, toen het antisemitisme in Polen en Rusland alweer op zijn hoogst was. Wat wellicht de belangrijkste reden was dat de opera pas in 2006 voor het eerst uitgevoerd werd en dan ook nog concertante.

De echte première vond plaats in Bregenz in 2010 in de meer dan voortreffelijke productie van David Pountney. Samen met Johan Engels (decor) ontwierp hij een enorm schip en liet de actie zich op twee niveaus afspelen. Het heden speelt zich af op de, voornamelijk in de kleuren wit en blauw (de hemel?) gehouden bovendek. En het donkere verleden is, gelijk je onderbewustzijn verplaatst naar de laagste regionen.

De opera werd voornamelijk in het Duits en het Russisch gezongen, maar haar twee grote aria’s zingt Martha in het Pools. Ook het Tsjechisch, Frans en het Grieks komen even voorbij.

De hele opera laat je niet koud, maar het absolute hoogtepunt voor mij is de uitvoering van de, in plaats van de door de kampcommandant bestelde wals, Chaconne in D van Bach. Waarmee Tadeusz (Martha’s verloofde) zijn lot bezegelt.

Teodor Currentzis is nooit mijn geliefde dirigent geweest, maar hier weet hij zichzelf te overtreffen. Nog nooit eerder heb ik hem zo voortreffelijk en betrokken horen dirigeren.

Alle rollen (en dat zijn er veel!) worden voortreffelijk gezongen.Elena Kelessidi is een zeer ontroerende Martha en als Tadeusz laat Artur Rucinski horen (en zien!) waarom hij het inmiddels tot één van de ’s werelds meest gevraagde baritons heeft gebracht. Ook Svetlana Doneva (Katja) en Roberto Saccà (Walter) weten mij te imponeren.

Maar allemaal verbleken ze bij Michelle Breedt. In haar perfect gevoerde stem heeft zij alle menselijke gevoelens opgeborgen. Om het even of het om liefde, angst, superioriteit of gekrenkte ego gaat: alles weet zij voorbeeldig over te brengen. Alleen al voor haar rol als Lisa verdient zij een Oscar!

De productie is op YouTube te vinden:

Mieczysław Weinberg
The Passenger

Michelle Breedt, Roberto Saccà, Elena Kelessidi, Artur Rucinski, Svetlana Doneva e.a.
Wiener Symphoniker onder leiding van Teodor Currentzis
Regie: David Poutney
Arthaus 109080

English translation:
MIECZYSŁAW WEINBERG: ‘THE PASSENGER’. English traslation

zie ook:
MICHELLE BREEDT interview in English

“Ich möcht so gern nach Haus!”: Anne Sofie von Otter zingt liederen van ‘Theresienstadt componisten’

SZYMON LAKS. Muziek uit een andere wereld

In gesprek met Svetlana Aksenova

Svetlana-Ignatovich-T-T-Fotografie-Toni-Suter-Tanja-Dorendorf

foto: Toni Suter/Tanja Dorendorf

Haar volledige naam luidt Svetlana Aksenova-Ignatovich, maar haar impresario vond enkel Ignatovich beter. Het is korter en makkelijker te onthouden.

Drie jaar geleden debuteerde zij bij DNO als het meisje Fevronija in De legende van de onzichtbare stad Kitesj van Rimski-Korsakov. De realisatie van Dmitri Tsjernjakov won in 2013 de International Opera Award voor beste nieuwe productie van het jaar en het optreden van Ignatovich werd als sensationeel bestempeld. De critici roemden haar fluwelen tonen en haar uithoudingsvermogen: in de ruim vier uur durende opera was zij vrijwel onafgebroken op de bühne aanwezig.

Drie jaar geleden was zij nog de “rising star”, maar inmiddels kan je de “rising” voor haar naam rustig weglaten

Marc Albrecht (conductor), Dmitri Tcherniakov (director/sets), Dmitri Tcherniakov/Elena Zaytseva (costumes), Gleb Filshtinsky (lighting design)

Svetlana Aksenova (Fevronja) Foto: Monika Rittershaus

Hoe kijkt zij terug op haar Amsterdamse debuut en op de productie zelf?
En wat vindt zij van Fevronija? Voor mij is zij (maar ook Emma en Liza) een belichaming van de Russische Ziel: melancholisch en vaak gedeprimeerd en treurend.

“Zij is behoorlijk wereldvreemd, dat wel, maar het is een sprookje. Of ik in haar iets van de spreekwoordelijke ‘Russische ziel’ terugvind? Dat weet ik eigenlijk niet. De melancholie, de weemoed, die vind je wel in haar muziek. Maar zij is ook een soort lichtpunt in de treurigheid.

Ik vond de rol zeer uitdagend. Niet alleen wat de noten sec betreft: de productie zelf was het ook. Het was zeer zwaar, voornamelijk fysiek. Ik was toen zwanger van mijn zoon en moest mij dus tot het uiterste spannen.

Of ik het ooit in de ouderwetse setting zou willen zingen? Daar heb ik eigenlijk nooit aan gedacht. Ik vond de Amsterdamse productie buitengewoon boeiend.”

En Emma?

“Emma is zo moeilijk! Eerlijk gezegd ben ik een beetje bang voor Emma: zij is zo expressief!  En haar optreden is maar zo kort, niet langer dan vijftien minuten, maar de vijftien minuten zijn zo verschrikkelijk intensief!”

Wat denk je: houdt Andrej (Chovanski) van Emma? Hij is tenslotte aldoor op zoek naar haar? En: zou Emma wellicht ook iets voor hem voelen? “Ben je mal? Andrej heeft net haar ouders gedood en was bezig haar te verkrachten! Zij verfoeit hem! Andrej is inderdaad door haar gefascineerd, maar hij is obsessief bezig. Dat kan je toch geen liefde noemen? Emma is ook anders, zij is ook niet Russisch, zij is Duits. Én lutherans”

En Marfa? Hoe zie je haar? Wil zij Emma daadwerkelijk beschermen? Zij is immers de minnares van Andrej geweest en is nog steeds op hem verliefd? “Interessante vraag. Daar heb ik niet eens over nagedacht. De repetities zijn nog niet begonnen……”

Maar wat denk je zelf? “Marfa is radicaal. Zij zit in de sekte…”

Maar zit zij er in omdat zij er in gelooft? Aksenova is even stil. “Interessante vraag”, herhaalt zij. “Ik denk dat ik maar afwacht wat de regisseur mee
doet, wat hij er van gaat maken”

“Maar: schrijf het even op: ik ben gek op Moessorgski en ik leef naar de productie toe. Het biedt mij ook de mogelijkheid om een tijd samen met mijn man (de tenor Maksim Aksenov die de rol van Andrej zingt, red.) door te brengen. We hebben elkaar negen jaar geleden ontmoet en zijn inmiddels vijf jaar getrouwd, maar het gebeurt niet vaak dat wij wat langer bij elkaar kunnen zijn”

”En ik kijk uit naar het weerzien met het koor van DNO. Ze zijn werkelijk zo, zo, zo fantastisch!”

Chovansjtsjina: trailer – De Nationale Opera | Dutch National Opera:


De rol van Liza (Pique Dame) heb je al eerder gezongen. Kun je haar met Tatyana
(Onjegin) vergelijken?

“Liza vind ik een beetje raar. Zij heeft een aantrekkelijke en rijke verloofde en toch voelt zij zich tot de wereldvreemde man aangetrokken. Wat moet zij er mee?”

Op mijn vraag of zij haar als een gotiek meisje ziet moet zij even nadenken. “Gotiek? Wat bedoel je hiermee? Nee, dat niet, maar zij is zonder meer vreemd. Ik denk niet dat zij zo puur en onschuldig is. Echt niet. Hoe anders zou zij kunnen zingen: alleen jou kan ik toevertrouwen wat in mijn ziel is gegriefd, wat ik voel……”

“Liza is zo anders dan Tatyana! Tatyana is sterk! Zij leeft dan in haar eigen fantasiewereld, maar zij durft wel! Ik bewonder haar zeer, ook omdat ik het niet weet of ik het had kunnen doen. Zeker toen, in die tijd”

“Ik verheug mij enorm op Pique Dame. Om juist die rol met het Concertgebouworkest en onder Maris Jansons te mogen zingen… Het is meer dan een privilege!”

Aksenova als Liza in 2011:

Svetlana Aksenova werd geboren in St. Petersburg. Zij studeerde er aan het Rimski-Korsakov conservatorium, waarna zij haar studie in Italië vervolgde. Bij Renata Scotto.

“Drie jaar ben ik bij haar in de leer geweest. Ik was één van haar “hofleerlingen” in
haar operastudio. Zij heeft mij veel geleerd. Het allerbelangrijkste was hoe je met de
score moet omgaan. Hoe je moet bewegen. Ze vertelde ook altijd: perfectie bestaat niet”

“Als kind had ik altijd twee verschillende dromen: iets voor nu (ijs!) en iets voor later. Voor als ik groot en beroemd ben. Het was meestal niet reëel, maar ik droomde toch. Ik ben gek op coloratuursopranen, ik droomde dan ook van rollen zoals Lucia. Of Violetta. Soms ben ik nog steeds jaloers op mijn collega’s: het lijkt mij echt leuk om de rollen te zingen, maar ik realiseer mij dat zij niet echt iets voor mij zijn.”

“Ik ben als mezzo begonnen en nu ben ik een echte spinto. Niet echt dramatisch, maar zeker niet echt lyrisch en al helemaal geen coloratuur.”

Aksenova als Butterfly in Oslo:

“De enige echt lyrische rol die ik zong was Micaela in Carmen. Het was een productie van Calixto Bieito. Ik was er een beetje bang voor, maar het is mij honderd procent meegevallen. De samenwerking was goed.

Daarna deden wij het War Requiem van Britten in Bazel samen en dat vond ik fantastisch. Maar daarna kwam Otello en dat was een echte ramp. Ik kon de samenhang tussen de eerste, de tweede en de derde acte niet begrijpen. Het waren drie verschillende personages… Nu werd ik in Oslo voor Tosca in zijn regie gevraagd, maar ik heb het contract nog niet ondertekend. Ik vind het een beetje eng

Aksenova als Desdemona:

“Mijn droomrollen? Iets komisch, graag! Ik wil gek doen op de bühne! Ik heb komisch talent, echt! Maar het is zo moeilijk in mijn stemtype. De enige waar ik nog op kan hopen is Alice in Falstaff en die komt wel. Verder? Ik zou heel erg graag Herodiade van Massenet willen zingen, de aria alleen al is zo ontzettend mooi! Ook Adriana Lecouvreur en Lady Macbeth of Mtsensk staan hoog op mijn verlanglijstje.
Maar mijn allergrootste droomrol is Maria in Mazeppa van Tsjaikovski.”

“Tegenwoordig voorbereid ik mijn rollen met de grote Bulgarse mezzo Alexandrina Milcheva (o.a. Marfa in de Sony opname onder Tchakarov). Zij is inmiddels 80 jaar oud.”

Trailer van Pique Dame in Amsterdam:

Zie ook: RIMSKI-KORSAKOV: De legende van de onzichtbare stad Kitesj en het meisje Fevronja. DVD

Tannhäuser in Amsterdam: Wolfram wint

Kristine Opolais stelt teleur maar Koninklijk Concertgebouworkest maakt alles goed

opolais

foto: Lieneke Effern

Soms is het zo gek nog niet om iets, waar je vreselijk van houdt, even los te laten.
Of,om iemand die je dierbaar is een tijdje niet zien. De gevoelens bij het weerzien zouden zo maar tot een (onvoorziene) hoogtepunt in je leven kunnen leiden.

Het is al een tijd geleden, dat ik het Concertgebouworkest voor het laatst live hoorde: het waarom laat ik in het midden. Gisteren hebben we elkaar weer eens ontmoet en de oude liefde bloeide weer op, met een intensiteit, groot genoeg om de vlam in de pan te veroorzaken. Hoe kon ik vergeten hoe prachtig het orkest is?

Opnieuw laafde ik mij aan de warme en liefde klanken van de strijkers en de gouden gloed van het koper. Waar ter wereld vind je de tutti die zo één voor één een eigen solistische carrière zouden kunnen beginnen, maar er voor kiezen om samen een één klank te toveren?

Op woensdag 12 mei speelde het orkest onder leiding van Semyon Bychkov een Russisch romantisch repertoire van Tsjaikovski en Rachmaninoff.

Ook aan de liefhebber van de vocale muziek werd gedacht: niemand minder dan Kristine Opolais maakte haar lang verwachte Amsterdamse debuut bij het Koninklijk Concertgebouworkest. Ook voor mij was het de eerste keer dat ik de Letse stersopraan live hoorde.
Mijn verwachtingen waren groot en ik werd behoorlijk teleurgesteld.

Het is, denk ik, haar schuld niet dat haar optreden heel erg ongelukkig werd geprogrammeerd tussen Romeo en Julia van Tsjaikovski en Symfonische dansen van Rachmaninoff.

Dat het – qua componistennamen dan – op papier klopte (Tsjaikovski- Rachmaninof – Tsjaikovski – Rachmaninoff) betekent nog niet dat het logisch was.

Ingeklemd tussen de passionele ouverture van Tsjaikovski en Tatyana’s briefscène uit diens opera Evgeni Onjegin, had Rachmaninoffs verstilde romance Zdes’ khorosho (het is hier mooi) geen kans van overleven.

Het, oorspronkelijk voor enkel pianobegeleiding gecomponeerd liedje werd in 2005 door Michael Rot bewerkt voor orkest. Niet slim, want daardoor deed hij het werkje geweld aan. In Zdes’ khorosho zijn er namelijk geen grote emoties, geen liefde en al zeker geen verzengende passie. Vergelijk het met een penseeltekening van de eerste rozenknopjes, die ga je ook niet met olieverf overschilderen.

Ik had het gevoel dat Opolais geen balans kon vinden tussen de intimiteit van de woorden en de volle klank van de orkestratie. Haar stem zwom ergens in de ruimte zonder indruk te maken en voor je het in de gaten kreeg, was het al voorbij. Zonde. Het had een perfecte toegift kunnen zijn.

Ook Tatyana’s aria pakte zij te groot aan. Hevig gesticulerend nam ze poses aan die nergens toe sloegen. Het voelde alsof zij boos was. Of geïrriteerd. En dat, terwijl zij alleen opgewonden moest zijn van verliefdheid. Een gevoel dat haar voor het eerst overkwam.

Ik vond haar stem bij vlagen scherp klinken. Heel erg bestudeerd ook. Zij is een zangeres van het grote gebaar, dus misschien moet je haar op de bühne zien? In actie? Maar dat zij iets aan haar dictie moet doen is evident: ik kon haar noch in Rachmaninoff noch in Tsjaikovski verstaan

Het concert begon spetterend met de fantasie-ouverture Romeo en Julia van Tsjaikovski. Voor mij behoort het werk tot de mooiste symfonische gedichten die er zijn. Hij componeerde het in 1869, maar pas na 11 jaar sleutelen en twee andere versies verder vond hij dat het werk definitief voltooid was.

Het Koninklijk Concertgebouworkest speelde de versie uit 1880, wat op zich niet meer vanzelfsprekend is: wensen van een componist worden tegenwoordig niet altijd gerespecteerd.

Onder leiding van Semyon Bychkov ontvouwde zich een lyrisch drama vol passie en jeugdig elan, waarbij de hoboïst in zijn solo mijn hart stal.

Na de pauze werden Rachmaninoff’s Symfonische dansen uit 1940 uitgevoerd.
Vaak wordt de compositie als een soort “dagboek” aangeduid, iets wat hij nooit bijhield.
Een soort testament als het ware, die al zijn herinneringen en angsten zou omvatten, inclusief die voor de door hem voorvoelde dood.

Ik houd niet van speculaties, maar het valt niet te ontkennen dat het werk behoorlijk nostalgisch is en boordevol zit met reminiscenties aan zijn vroegere composities.

In het laatste deel citeert hij een fragment uit zijn All Night Vigil uit 1915 en gebruikt het Dies irae-motief uit de Gregoriaanse dodenmis. Alsof hij hiermee wou zeggen “Ik dank u, heer, het is mooi geweest”.

Al die gevoelens en sentimenten zitten gewoon in de muziek en met een goede dirigent heeft men geen tekstboekje nodig om ze te begrijpen.
Het is Bychkov gelukt om ze in de klank te vertalen en zo tot leven te wekken. Sensationeel, bloedmooi en huiveringwekkend tegelijk.

Er was ook een toegift.

Toen de helft van het publiek de zaal al had verlaten, heeft Bychkov zijn stokje weer ter hand genomen en heeft het orkest geleid in wat ik als één van de mooiste uitvoeringen van Nimrod uit Enigma Variatiesvan Elgar zal onthouden.
Onder zijn handen kreeg Elgar een vleugje Massenets “Werther – parfum” mee, maar dan wel beluisterd door de filter van een Puccini. Onvergetelijk.

Tsjaikovski en Rachmaninoff.
Kristine Opolais, Koninklijk Concertgebouworkest,  Semyon Bychkov

Bezocht op 12 mei 2016 in Het Concertgebouw – Amsterdam.