
Romeo en Julia volgens Gounod, Bellini en Zandonai

Romeo and Juliet, painting by Frank Bernard Dicksee, 1884
Shakespeare’s Romeo en Julia is wellicht het beroemdste liefdesverhaal ooit. De tragedie werd door meerdere componisten op muziek gezet, waaronder door Charles Gounod. Zijn Roméo et Juliette is, volgens Leo Riemens (één van de belangrijkste Nederlandse operakenners en publicisten van weleer) ‘één groot liefdesduet met interrupties’.
Ik ben het met hem eens. De muziek is zo ontzettend mooi! En zo ontroerend! En toch was de opera lange tijd een beetje een stiefkind van de operahuizen. Een lot dat eigenlijk veel Franse opera’s heeft getroffen.
Gounod; Londen, 1994

Wat is er toch met Leontina Vaduva gebeurd? Deze prachtige Roemeense sopraan begon in de jaren negentig aan een duizelingwekkende carrière, zong in alle grote operahuizen en kreeg een exclusief contract bij EMI, waar ze onder meer La Bohème met Roberto Alagna heeft opgenomen.
Met de spectaculaire opkomst van haar landgenote en collega Angela Gheorghiu, die ook haar plaats naast Alagna heeft ingenomen, is ze – letterlijk en figuurlijk – langzaamaan van het toneel verdwenen. Wat een zonde!
In 1994 zong ze in het ROH in Londen een adembenemende Juliette – jeugdig, vol joie de vivre, levenslustig en nieuwsgierig. Met volledige overgave stortte ze zich in de liefde, het was menens en voor altijd. Haar Juliette was breekbaar maar vastberaden, en ze zong haar met een intensiteit en perfectie die amper te overtreffen valt..
Het Franse repertoire past Alagna als een handschoen, en Romeo is altijd zijn glansrol geweest. Hij klinkt jeugdig, helder en op een natuurlijke manier heroïsch, een perfecte match voor de lyriek van Vaduva. Een ontegenzeglijk volmaakt liefdespaar.
Het orkest en de (traditionele) enscenering zijn een lust voor oor en oog, en François Le Roux verdient een speciale vermelding als een fenomenale Mercutio. Daar kunt u niet zonder leven! (Opus Arte, OA R3106D)
Gounod; Salzburg, 2008

In 2008 is de opera in Salzburg in première gegaan, bedoeld als vehikel voor – wat toen nog een ‘droompaar van de opera’ heette – Rolando Villazon en Anna Netrebko. Maar Anna werd zwanger en werd vervangen door de toen totaal onbekende Nino Machaidze. De jonge (toen nog maar 26!) Georgische werd een terechte sensatie.
Machaidze is een echte belcanto-zangeres, met alle toeters en bellen, en ze zingt en acteert een droom van een Juliette. Beter dan ‘la Netrebko’ het ooit zou kunnen doen. Villazón is een kwestie van smaak. Ooit vond ik hem sensationeel, maar op den duur begon hij mij te irriteren. En toch: hij is een echt bühnebeest, die je aandacht weet vast te houden.
Cora Burggraaf is een prachtige Stéphano en het Salzburgse Mozarteum-orkest wordt met verve gedirigeerd door Yannick Nézet-Séguin. De regie is traditioneel en de enscenering en de kostuums oogverblindend. Een aanrader. (DG 0734518)
Gounod; Amsterdam, 8 november 2008
Tien jaar geleden werd het werk tijdens de onvolprezen ZaterdagMatinee opgevoerd, en HOE!
Het begon met afzeggingen, wat op zich allerminst een ramp hoeft te betekenen. Na afzeggingen van eerst Patrizia Ciofi en daarna Matthew Polenzano, lukte het casting directeur Mauricio Fernandez om op korte termijn twee fantastische vervangers te engageren: Nino Machaidze (ja, dezelfde die de rol een maand of twee eerder in Salzburg zong) en Sébastien Guéze.
Sébastien Guéze als Romeo in Miami:
Hun verliefdheid spatte van het podium af, en aangezien niet alleen de beide hoofdrolvertolkers maar ook de rest van de cast zeer jong (en zeer goed) was, was het realiteitsgehalte van het verhaal gewaarborgd. Een stelletje opgewonden teenagers op een rij!
De kleine rol van Tybalt werd gezongen door Joel Prieto, in 2008 winnaar van Operalia. Ook Cora Burggraaf was van de partij. Giuliano Carella zweepte het orkest tot ongekende hoogten.
De uitzending is nog terug te luisteren op Radio 4:
http://www.radio4.nl/ntrzaterdagmatinee/uitzending/201260
BELLINI: Renata Scotto & Giacomo Aragall
Ongelukkige liefdes zijn door de eeuwen heen zowat de inspiratiebron geweest van schrijvers, dichters, schilders en toondichters. Logisch: bestaat er iets in de wereld van de romantiek wat ons meer kan ontroeren dan het treurige lot van twee mensen die uit liefde voor elkaar de dood boven het leven verkiezen?
Het verhaal van Romeo en Julia is wellicht de mooiste van ze allemaal. Laat ik daarom, voor de (totaal incomplete) volledigheid, ook nog twee andere ‘Romeo en Julia’-opera’s vermelden, die zeer de moeite waard zijn.
Adembenemend mooi is I Capuletti e i Montecchi van Vincenzo Bellini. Mijn geliefde uitvoering is in 1968 live in La Scala opgenomen met een tenor (een pracht van een Giacomo Aragall!) als Romeo en Renata Scotto als Giulietta. Tebaldo wordt gezongen door (wat een weelde!) een jonge Luciano Pavarotti en Claudio Abbado dirigeert (Gala GL 100.517).
Aragall en Scotto in ‘Si, fuggire!… Vieni ah! vieni, e in me riposa’:
BELLINI: Patrizia Ciofi & Carlo Polito
In de Dynamic-box (CDS 552/1-25) met alle Bellini opera’s (mocht u hem nog niet bezitten – ga meteen er achteraan!) wordt Julia gezongen door Patricia Ciofi. Wat een zangeres! Niet alleen alle noten en kwinkslagen zijn er (en allemaal ‘a punto’), ook als stemactrice is zij bijzonder overtuigend. De opname is in 2005 gemaakt in Martina Franca.
Patrizia Ciofi in ‘Oh! quante volte’ uit de productie vana I Capuleti e i Montecchi in Barcelona 2016:
Anna Netrebko & Elina Garanča
In 2009 kwam er een nieuwe opname op de markt met niemand minder dan Anna Netrebko en Elina Garanča in de hoofdrollen. Als Tebaldo hoort u – toen een nieuwe tenorale hoop, nu een van de grootsten – een werkelijk schitterende Joseph Calleja (DG 4778031). Zonder meer de moeite waard.
ROMEO EN JULIA VAN ZANDONAI

En dan hebben we nog Giulietta e Romeo van Riccardo Zandonai, een componist die ooit beschouwd werd als de opvolger van Puccini. Zijn opera’s worden tegenwoordig nog maar zelden opgevoerd en de doorsnee operaliefhebber komt niet verder dan Francesca da Rimini. Jammer, want de werken van de leerling van Mascagni, en wellicht de laatste der veristen, zijn een puur genot om naar te luisteren.
De mij enige bekende complete opname van Giulietta e Romeo (GOP 66352) werd in 1955 in Milaan gemaakt. De hoofdrollen worden gezongen door Annamaria Rovere, een prima sopraan met een voor die tijd typisch stemgeluid, en de mij lichtelijk irriterende Angelo Lo Forese. Vanwege de opera zelf, maar ook vanwege de fenomenale Renato Capecchi als Tebaldo een absolute must voor een operaliefhebber.
Een aria uit de opera kunt u ook horen op de ‘Verismo’ cd van Jonas Kaufmann
Roméo et Juliette van BERLIOZ. Mini discografie.
Duo Walning speelt Richard Strauss
Toegegeven: cellosonate van Richard Strauss behoort niet tot zijn sterkste composities. Zelf vind ik het een zeurderig stuk verdriet dat eindeloos doorgaat zonder dat er daadwerkelijk iets gebeurt. Maar geef de partituur aan een cellist die weet hoe hij zijn instrument kan laten zingen, zet een pianist naast hem die in de melodische lijnen hem harmonieus weet te ondersteunen en je herkent het stuk niet meer.
Sébastien Walnier en Alexander Gurning die samen het Duo Walning vormen zijn zonder meer heel erg bekwaam en hun spel is zeer solide, maar zingen gaat ze niet zo best af. Jammer.
Als een soort ‘toegiften’ hebben de heren de bekendste en de meest geliefde Strauss-liedjes onder handen genomen en misschien was dat niet zo’n goed idee. Het is best mooi wat ze doen, echt, maar ik word er niet door ontroerd.
In ‘Morgen’ worden ze een handje geholpen door de violist Lorenzo Gatto, waardoor het lied tot een zeer sentimenteel aandoende pianotrio verwordt. Ik kan het maar niet mooi vinden.
Afijn: voor de cellosonate kunt u veel beter de opname van Anne Gastinel met Pierre-Loraint Aimard kiezen. Daar gebeurt tenminste wat.
En wat de liederen betreft: laat ze gewoon zingen!
RICHARD STRAUSS
Sonate op.6, Romanze TrV 118, Morgen, Befreit, Wiegenlied
Duo Walning: Sébastien Walnier (cello) en Alexander Gurning (piano), Lorenzo Gatto (viool)
Cypres CYP1676 • 49‘
L’ELISIR D’AMORE: vier opnamen uit de oude doos.

Tito Schipa, Margherita Carosio en Salvatore Baccaloni, getekend door de Italiaanse cartoonist Onorato in 1937
DVD’S
FERRUCIO TAGLIAVINI
Men kan niet om Ferrucio Tagliavini heen, een door God gekuste tenore-leggiero prima grazia. Zo zoet zoals zijn stem klinkt, daar kan geen Mona-toetje tegenop. En de tekstbegrip, ach!
Op VAI (4492) werd een complete L’elisir met hem en Alda Noni vastgelegd, opgenomen in Tokyo in 1959. Het zwart-witbeeld moet men voor lief nemen en het geluid is ook niet om naar huis te schrijven. Maar ja, Tagliavini! Als je zijn versie van ‘Una furtiva lagrima’ hoort, dan voel je je in de hemel. Niet minder dan dat:
CARLO BERGONZI
De dvd met Renata Scotto, Carlo Bergonzi en Giuseppe Taddei (Hardy Classic Video HCD 4014) wil ik speciaal de jongere generatie aanbevelen. Het zijn niet alleen de prachtige stemmen van weleer die imponeren (Scotto, Bergonzi, Taddei – wie zingt ze dit nog na?), het oog krijgt ook het een en ander om te genieten.
Denk maar niet dat ze het toneel opkomen, hun aria met het gezicht naar het publiek zingen en buigen, want dan komt u bedrogen uit. Het is theater pur sang en een beter acterende zangeres dan Scotto moet nog geboren worden.
Renata Scotto zingt ‘Prendi, per me sei libero’:
Het beeld is zwart-wit (de opname is gemaakt tijdens Maggio Musicale Fiorentino in 1967) en het decor is van bordkarton, maar wie maalt er om?
Carlo Bergonzi zingt ‘Una furtiva lagrima’:
CD’S
JOSÉ CARRERAS
Mijn geliefde cd-opname is live en verre van perfect (Legato Classics LCD 218-2). Yasuko Hayashi is zo-zo als Adina, zij haalt het allemaal maar net en zet te zwaar aan. Maar de mannen! José Carreras is een droom van een Nemorino – onnozel en hopeloos verliefd. Aan hem is de drank ook goed besteed, hij wordt er werkelijk vrolijk en uitgelaten van.
Geraint Evans zet Dulcamara lekker dik aan en chargeert, maar helemaal in de geest van het karakter. Thomas Allen is een zeer potente Belcore en het orkest en koor uit Covent Garden wordt zeer spiritueel en aanstekelijk gedirigeerd door John Pritchard.
De opname (Londen, 1976) klinkt prima. Als bonus krijgen wij een recital dat Carreras gaf in Carnegie Hall 30 november 1980, waarop hij ook wat minder bekende aria’s en liederen zingt, onder meer uit Lady Chatterton van Leoncavallo en Pietra del Paragone van Rossini.
LUIGI ALVA
De andere, door mij zeer gewaardeerde opname is de live-uitvoering uit Glyndebourne 1962 (GFOCD 005-62). Niet zo lang geleden werd het op het eigen label van het befaamde operafestival uitgebracht.
Adina betekende de internationale doorbraak van Mirella Freni. Begrijpelijk, als je hoort hoe prachtig zij gestalte aan die rol geeft: charmant en geestig laat zij haar prachtige lyrische, jonge meisjessopraan bloeien en haar hoogte is stralend.
Luigi Alva was door zijn fluwelen timbre en perfecte coloratuurtechniek een in de tijd zeer gevraagde Mozart- en Rossini-tenor en ook Donizetti past hem als een handschoen. Zijn ‘Una furtiva lagrima’ klinkt misschien iets minder zoetgevooisd dan die van Tagliavini of Schipa, maar zijn invulling van het karakter van Nemorino is formidabel.
Sesto Bruscantini is zonder meer één van de beste Dulcamara’s uit de geschiedenis en Enzo Sordello een zeer mannelijke Belcore.
TITO SCHIPA

Nee, van hem bestaat geen complete opname van de opera. Toch durf ik te beweren dat hij de mooiste Nemorino was. Ever.
De nachtegaal en andere fabels van Igor Stravinsky: een van de mooiste producties bij de Nationale Opera

© Monika Rittershaus
Igor Stravinsky mag dan componist van De nachtegaal en andere fabels zijn, het waren regisseur Robert Lepage en sopraan Olga Peretyatko die in de productie van De Nederlandse Opera in januari 2012 de show stalen. De één met visueel, de ander met vocaal spektakel.
Na de enorme successen in onder meer Toronto, Aix-en-Provence en Lyon mocht ook het Nederlandse publiek kennismaken met de betoverende sprookjes van Robert Lepage. Ja, Lepage, het is geen vergissing.
Natuurlijk zijn de composities van de hand van Igor Stravinsky, één van de grootste toondichters uit de eerste helft van de vorige eeuw en – zeker in zijn beginjaren – een grote vernieuwer. Maar ik moet heel eerlijk bekennen (al weet ik dat de meesten van u het mij kwalijk gaan nemen): ik houd niet van zijn muziek.
Ik houd niet van de spastische ritmen en ik houd niet van het pseudo-folklore. Ik houd niet van Boerenliederen, met of zonder een (licht) klassiek sausje, en de dierenfabels kunnen mij gestolen worden. Zo. Het is eruit.

Robert Lepage
De Canadese regisseur, schrijver en acteur Lepage richtte in 1994 het multidisciplinaire gezelschap Ex Machina op en behalve toneel, opera en film regisseerde hij ook de voorstellingen van Cirque du Soleil. Ziehier zijn fascinatie voor het sprookjesachtige en het zoeken in het ongewone.
Zijn regies onderscheiden zich door een dankbaar gebruik van alles wat mogelijk (en onmogelijk) is. Als u zijn Ring bij de Metropolitan Opera hebt gezien, weet u wat ik bedoel. Licht, schaduwen, gestileerde choreografie, dans, acrobatiek… al die ingrediënten weet hij tot een fascinerend geheel te kneden.
Voor het ‘Stravinsky-project’ is hij een samenwerking aangegaan met de beroemde poppenmaker/ontwerper Michael Curry en engageerde hij de specialist op het gebied van schimmenspelen en goochelshows Philippe Beau (in het programmaboekje wordt hij de ‘shadowgrapher’ en goochelaar genoemd).
Hij liet het orkest naar het toneel verhuizen, want hun vertrouwde ‘bak’ werd gevuld met water. 50 ton, om precies te zijn. Dat water moet een constante temperatuur van 24 graden hebben en het moet iedere dag ververst worden. Geen sinecure!
De ‘vijver’ is luminescerend verlicht (lichtontwerp Étienne Boucher) en er komen bootjes en passanten voorbij. Ook een visser en de kokkin van de Keizer varen er, in hun zoektocht naar de nachtegaal.
Maar we hoeven niet bang te zijn dat de zangers een natte broek krijgen – onder hun oogverblindende kostuums (ontwerp van Mara Gottler) dragen ze een wetsuit. Bovendien zijn ze het al gewend; bijna allemaal hebben ze ook aan de productie in Aix-en-Provence (en andere steden) meegedaan en ze weten zich te redden.
De zangers worden ‘bijgestaan’ door Vietnamese watermarionetten. Volgens de verhandeling in het boekje is het een categorie apart die totaal anders is dan andere ‘hoofdbespelers’ van poppentheaters. Geloof ik onmiddellijk, maar wat voor mij alleen telt, is dat het heel erg mooi is en dat de voorstelling erdoor verrijkt wordt.

De vos. Vlnr: Andreas Jaeggi (tenor 1), Edgaras Montvidas (tenor 2)
Maar voor wij aan De nachtegaal, zeg maar het hoofdgerecht van de avond beginnen, moeten wij ons voorgerecht opeten. Daar worden dus de Boerenliederen, Wiegenliedjes van de kat en de Onzinliederen (Pribaoetki) opgevoerd. Plus nog wat liederen, wat orkestrale stukken, waaronder drie voor klarinetsolo (bravo voor Hans Colbers!) en het korte operaatje De vos.

Vier Russische boerenliederen: Dameskoor van De Nederlandse Opera © Monika Rittershaus
Schitterend gezongen, dat zeker. Een pluimpje voor de dames van het koor van De Nederlandse Opera! Maar het geheel is, ondanks het werkelijk betoverende schimmenspel en de adembenemende kunstjes van de acrobaten (hoe doen ze dat?), niet meer dan een vermakelijk avondje uit. Althans voor mij.
Het Residentieorkest was goed op dreef, maar soms vraag je je af waar een dirigent nog voor nodig is. Ik heb zo mijn vermoeden dat het orkest ook zonder de dirigent (de zeer bekwame Chinees-Amerikaanse Xiang Zhang ) net zo goed of wellicht zelfs beter had gespeeld (zeker wat de eerste helft betreft). En omdat zij met haar rug naar de zangers stond en er geen camera’s waren, konden zij elkaar niet zien. En toch ging het prima!

Olga Peretyatko (De nachtegaal) © Monika Rittershaus
De zangers…. Ja, dat was een feestje apart. Om te beginnen was er DE nachtegaal: Olga Peretyatko. Van haar kon ik mijn ogen (en oren) niet afhouden. Ondanks alle poppen, vijvers en kleuren was zij het die de hele voorstelling beheerste, van haar eerste opkomst tot het einde. De momenten dat zij er niet was, zat ik verlangend te wachten tot ik haar zang weer kon horen. Wellicht was het net zoiets als een ‘Stockholm-syndroom’ (of in dit geval ‘Nachtegaal-syndroom’), maar het werkte wel.

Ilya Bannik (De keizer van China), op de achtergrond Olga Peretyatko (De nachtegaal) © Monika Rittershuis
Het was de eerste keer dat ik haar live hoorde en ik werd door haar betoverd. Haar hoogte, haar coloraturen en het kwinkeleren met haar stem zijn onnoembaar goed, maar wat haar van haar andere coloratuur-collega’s onderscheidt, is het gehele plaatje. Zij beschikt over een formidabele middenregister en haar stem is goed gefocust.

Edgaras Montvidas (De visser) © Monika Rittershaus
Edgaras Montvidas, die onder andere de Visser zong, heb ik al eerder gehoord, maar nu heeft hij mij voor het eerst echt overtuigd. Drievoudig bravo.

Yuri Vorobiov (De bonze), Nabil Suliman (De kamerheer), Elena Semenova (De kokkin) © Monika Rittershaus
Maryam Sokolova en Elena Semenova (verschillende rollen) waren zeer overtuigend en ook Ilya Bannik (de Keizer) deed het meer dan voortreffelijk.
Al met al een fascinerende voorstelling. Kon het niet tijdens de kerst geprogrammeerd worden? Een betere en mooiere familievoorstelling kan een mens zich niet voorstellen.
Trailer van de productie:
Igor Stravinsky
De nachtegaal en andere fabels
Olga Peretyatko, Edgaras Montvidas, Ilya Bannik, Maryam Sokolova, Elena Semenova, e.a.
Residentie Orkest en Koor van De Nederlandse Opera olv Xian Zhang.
Regie: Robert Lepage.
Bezocht op 12 januari 2012 in Het Muziektheater – Amsterdam.
Edo de Waart dirigeert het Requiem van Verdi

Het is één van de werken die je live moet hebben gehoord, al is het een keer in je leven, maar de kans daartoe ligt niet voor het oprapen. Althans, de kans om een echt goede uitvoering live mee te maken, want zowat alle oratoriaverenigingen en amateurkoren tot in Lutjesbroek zetten het wel eens op hun repertoire. En geef ze maar ongelijk!
De muziek is zo ongekend schitterend, zo overweldigend, zo complex in zijn eenvoud (of juist zo eenvoudig in zijn complexiteit), zo een enorm gamma aan emoties oproepend dat je willens en wetens er een onderdeel van wil zijn. Wat zeg ik: moet zijn, want als er een muziekstuk bestaat dat echt dwingend is dan is dit Requiem het wel.
Maar zelfs met het beste koor alleen red je het niet, want Verdi heeft in zijn werk ook vier kanonnen van stemmen bedacht, stemmen die – hoe kan het anders – ook in zijn heftigste en zwaarste opera’s niet zouden misstaan. Zangers op wiens schouders het leed van alle Aida’s, Azucena’s, Otello’s en Philipsen – maar ook die van Desdemona’s en Alfredo’s – zal kunnen rusten.
De uitvoering in het Concertgebouw tijdens de ZaterdagMatinee was zonder meer goed. Het was niet echt optimaal, maar denkend aan het ‘materiaal’ wat we heden ten dage ter beschikking hebben werd het ideaal dicht benaderd.

Edo de Waart © Jesse Willems
Ik had een beetje moeite met de door de Waart gekozen tempi, zeker aan het begin. Ik vond het een beetje sloom, voor mij kwam het ook iets te traag aan de gang. Maar waar ik werkelijk bang voor was, een oorverdovend lawaai werd ons bespaard. Voor de verandering (mildheid komt met de leeftijd?) heeft Edo de Waart alle ruimte aan de solisten en het koor gegeven.
O, jazeker, hij heeft het orkest (een werkelijk goddelijk spelend Radio Filharmonisch Orkest) opgezweept tot max waar nodig, maar zonder over de pijngrens van het gehoor te gaan. De Waart gaf voldoende ruimte aan elk afzonderlijk instrument, liet hij de tutti hun wiegende tonen laten horen en gaf hij de koren (Groot Omroepkoor voor de gelegenheid versterkt met hun Vlaams zusje, het Vlaams Radio Koor) én de solisten genoeg ondersteuning. Alles en iedereen was goed hoorbaar en zelfs in de meest forte passages hielden de zangers zich goed staande.

Veronica Simeoni © ANSA
Natuurlijk lag het ook aan hun kelen, maar er was meer. Uit ervaring weet ik dat de stem van de mezzosopraan Veronica Simeoni niet heel erg groot is. Simeoni was mij in Verdi’s La forza del destino bij DNO behoorlijk tegengevallen, ik vond haar Preziosilla gewoon ondermaats, maar gisteren klonk zij zeker mooi. Goed, haar borsttonen waren nog steeds niet om over naar huis te schrijven, maar haar voordracht en haar interpretatie mochten er zijn. Dat noem ik een revanche!

John Relyea © Shirley Suarez
John Relyea viel mij helaas tegen. Het kan zeer zeker aan mij liggen, wellicht waren mijn verwachtingen iets te groot? Ik kende de zanger alleen uit de live uitzendingen uit de Metropolitan Opera in New York en heb mij zijn stem anders voorgesteld dan het de facto is. Zijn geluid is romig, afgerond en buitengewoon aangenaam, voor mij het prototype van basso cantante. Zijn laagte is uitstekend maar zijn stem kleurde voor mij niet donker genoeg. Het klonk niet charismatisch genoeg, maar mooi was het wel.

Leah Crocetto © Leah Crocetto
De Amerikaanse sopraan Leah Crocetto deed mij aan Alessandra Marc denken. Haar stem klonk onverwoestbaar, bovendien leek het daadwerkelijk uit haar ‘onderregionen’ te komen, waardoor haar geluid erotiserend werkte. In de hoogte werd zij, gelijk een stiletto genadeloos scherp. Ze torende boven alles en iedereen uit en zelfs in de meest heftige passages wist zij haar medesolisten, het koor en het fortissimo spelend orkest te overtroeven. Haar stralende hoge C in ‘Libera me, Domine’ was de perfectie nabij. Mijn God, wat een geluid! En wat een mogelijkheden voor de toekomst!

Brian Jagde © Simon Pauly
Mijn hart werd echter gestolen door de tenor Brian Jagde. Niet alleen wist hij zich naast het sopraan-geweld uitstekend staande te houden maar liet zich ook nergens door haar uit het veld slaan. Wellicht kwam het doordat het niet de eerste keer was dat ze samen zongen, het was nogal wiedes dat ze op elkaar waren ingespeeld. Twee echte partners, echt bij elkaar horend. Ook zijn geluid is aan de grote kant, zij het dat het (nog steeds?) overwegend lyrisch is. Zijn ‘Ingemisco’ was het toonbeeld van het ingehouden schoonheid.
Ergens las ik dat het niet de laatste keer was dat we Jagde in Amsterdam zullen horen: mijn vingers zijn gekruist!
Het concert is nog terug te beluisteren op Radio 4:
http://www.radio4.nl/ntrzaterdagmatinee/uitzendingen
Giuseppe Verdi
Requiem
Leah Crocetto (sopraan), Veronica Simeoni (mezzosopraan), Brian Jagde (tenor), John Relyea (bas)
Groot Omroepkoor en Vlaams Radio Koor olv Klaas Stok
Radio Filharmonisch Orkest olv Edo de Waart
Gehoord op 2 februari 2018 in het Concertgebouw in Amsterdam
Wonderlijke productie van Das wunder der Heliane uit Berlijn
Verisme aan de Amstel mist Sicilië, maar de zangers maken alles meer dan goed
The Rake’s Progress als theater van het lach

Foto: Copyright (c) DNO/Monika Rittershaus
Stravinsky’s The Rake’s Progress behoort tot de meest opgevoerde opera’s die gecomponeerd werden in de twintigste eeuw. Deels ligt het aan de aanstekelijke, toegankelijke muziek, deels aan het grote publiek aansprekend moralistisch verhaal. Met een goede regisseur – en een nog betere vormgever – kun je zeker zijn van een daverend succes.
Ook in het Amsterdamse Muziektheater kon men van een daverend succes spreken. Het publiek was uitzinnig, men kwam niet meer bij van het lachen, men vrat het rauw. John Lanting zou tevreden zijn geweest.
Ik vond het maar niets en daarin ben ik, vrees ik, één van de zeer weinigen. Ik behoor – denk ik – tot de één van de drie, vooruit vier, mensen (meer gelijkgestemden kwam ik niet tegen) die er niet van hebben genoten…
Waarom niet? Omdat het verhaal – en de muziek van Stravinsky – onrecht werd aangedaan.
De zangers waren goed (al kon het beter), maar het orkest speelde middelmatig (de dirigent gaf niet goed aan, volgens mij) en de productie was verschrikkelijk over de top, waarbij de regisseur totaal voorbij was gegaan aan de clou van het verhaal. Alle angels waren er uit en van het woord ‘tragikomisch’, want dat is het werk in het echt, werd het eerste deel van het woord weggepoetst.
Het begon al door de rol van Baba de Turk aan een countertenor in travestie te vertrouwen. Dat klopt niet. Stravinsky heeft het niet zo bedoeld. In zijn opera hoort Baba gezongen te worden door een mezzosopraan en ik denk dat Stravinsky toch echt wist wat hij wilde!

Andrew Watts (Baba the Turk), Paul Appelby (Tom) Foto: Copyright (c) DNO/Monika Rittershaus
Het eerste wat ik dacht toen hij/zij opkwam was: was Conchita Wurst niet beschikbaar? Het effect zou hetzelfde zijn geweest.. het zingen wellicht ook. Nu: het publiek vrat het! De lachsalvo’s volgden elkaar in rap tempo op en toen de diva met haar tieten ging zwaaien (dat doen queers immers altijd, toch?) kwamen de mensen niet meer bij. Lachuh! Dat is heel erg verkeerd, want Baba is niet om te lachen. In feite is zij een tragische figuur die nu door de regisseur om zeep werd geholpen. Ik noem het karaktermoord.
Geen cliché werd ons bespaard, dus maakte de diva haar entree met een hondje. Een Pekinees! Hoe verzin je dat! En wat deed het kind daar? Wie was zij überhaupt? Was zij het kind van Baba? Was zij haar jonge alter ego? Best mogelijk, best mogelijk ……
Over andere ‘vondsten’ doe ik er het zwijgend toe, maar het veilen van het meisje (nog steeds op de bühne aanwezig) kon ik echt niet grappig vinden

Foto: Copyright (c) DNO/Monika Rittershaus
Muzikaal viel er veel meer te genieten, maar ook daar kan ik maar niet echt enthousiast over worden.

Paul Appelby en Kyle Ketelson Copyright (c) DNO/Monika Rittershaus
Paul Appelby (Tom Rakewell) kon mij goed overtuigen. In zijn interpretatie was Tom een naïeve, suffige domkop die maar niet zo goed snapte wat hem overkwam. Het is alleen jammer dat hij de sulligheid tot het eind heeft gehanteerd, want in de laatste scène wilde ik meer emoties in zijn stem kunnen horen, meer ‘madness’. Maar ik denk dat de akoestiek van het Muziektheater hier (ook) parten heeft gespeeld. Het was alles behalve optimaal.

Julia Bullock (Anne) Foto: Copyright (c) DNO/Monika Rittershaus
Julia Bullock (Anne Truelove) is een verrukkelijke sopraan met een mooie, lieve stem, zeer ontroerend in zijn lyriek. Haar smeekbedes waren hartbrekend. Helaas is haar instrument aan de kleine kant waardoor niet alle nuances goed hoorbaar waren.

Paul Appelby (Tom) & Kyle Ketelosn (Nick) Foto: Copyright (c) DNO/Monika Rittershaus
Kyle Ketelsen (Nick Shadow) kon mij niet helemaal overtuigen. Voor een echte duivel miste hij eenmaal de gevaarlijke aantrekkelijkheid, dat – niet zo kleine – ‘iets’ wat maakt dat je je aan zo’n iemand totaal kunt overgeven en daar ook nog eens blij om wordt. Wat overigens ook in het libretto staat. Zijn bariton is rond en warm maar ik wil in die rol wat meer kruid horen, meer peper. Dat McBurney hem als een ambtenaar heeft uitgedost wilde ook niet helpen.

Julia Bullock, David Piitsinger, Kyle Ketelson & Paul Appelby Foto: Copyright (c) DNO/Monika Rittershaus
David Pittsinger (Truelove) was voor mij de echte ster van de avond. Zijn stem is groot en resonerend waardoor hij niet alleen goed hoorbaar was maar ook al de nuances in zijn zang fantastisch wist over te brengen.

Alan Oke (veilingmeester) en Koor van de Nationale Opera Copyright (c) DNO/Monika Rittershaus
Allen Oke zette een fenomenale veilingmeester neer, waarbij hij en passant ook les in acteren ten beste gaf.
Hilary Summers was een aardige maar niet echt overtuigende Mother the Goose. Haar interpretatie paste beter bij een moeder dan bij een bordeelmamma.
Evan Hughes (Keeper of the Madhouse/Nick Shadow II) wist mij met zijn grootse en een kruidige bariton zeer te imponeren wat mij een verzuchting heeft ontlokt: zong hij maar de duivel!
Over Andrew Watts (Baba The Turk) kan ik kort zijn: het was een gruwelijke vergissing. Ik reken het de arme countertenor niet aan, tenslotte deed hij wat de regisseur van hem verlangde. Dat de rol niet voor zijn stemtype was geschreven waardoor zijn tessitura niet toereikend was? Peanuts, toch? Moet kunnen…..
Ook over het koor kan ik kort zijn: geweldig! Alleen voor hun prestaties is het beslist de moeite waard om de opera te bezoeken!
Het orkest speelde goed, maar de echte bezieling ontbrak. Het was allemaal een beetje braaf, een beetje gewoontjes. Zeker vóór de pauze, want daarna, toen er wat minder te lachen viel, werd ook de orkestklank beter. Overigens: ik denk niet dat het aan de musici van het Nederlands Kamerorkest lag, (denk alleen al aan de schitterende trompetsolo van Ad Welleman!), de schuldige was ongetwijfeld Ivor Bolton. Er kwam zo ontzettend weinig inspiratie van hem af! Stravinsky – of je er van houdt of niet – is ‘all about ritme’ en laat dat nou hetgene te zijn wat ik het meest miste.

Andrew Watts, Kyle Ketelson, Julia Bullock, Paul Appelby & David Pittsinger Copyright (c) DNO/Monika Rittershaus
De moraal van het verhaal (denk aan Don Giovanni! Stravinsky kende heus zijn klassiekers!) werd door de protagonisten vóór de bühne gezongen en dus voor de bezitters van slechte(re) kaartjes waarschijnlijk niet te zien. Net als minstens een derde van de hele opera. Was er werkelijk niemand die de regisseur op de verschillen – ook in de akoestiek, maar niet alleen – tussen Aix-en-Provence en de Stopera kon attenderen?
Trailer van de productie:
Igor Stravinsky
The Rake’s Progress
Paul Appelby, Julia Bullock, Kyle Ketelsen, David Pittsinger, Hilary Summers, Andrew Watts, Allan Oke, Evan Hughes
Koor van De Nationale Opera en het Nederlands Kamerorkest het olv Ivor Bolton
Regie: Simon McBurney
Discografie: IGOR STRAVINSKY: THE RAKE’S PROGRESS. Discografie
SPELEN MET DE NESHOME: Martha Argerich, Janine Jansen en Mischa Maisky in het Concertgebouw in Amsterdam

© Eduardus Lee
Bestaan er concerten die bij voorbaat al prachtig worden bevonden zonder dan men nog maar een noot gehoord had? Ja. Die bestaan echt en dit was er één van. Het programma werd kort van tevoren gewijzigd, maar ik denk niet dat het iemand iets kon schelen: men kwam niet voor de muziek, niet voornamelijk althans. Men kwam voor de uitvoerenden.

Mischa Maisky © Hideki Shiozawa
Het concert was een cadeau voor de zeventigste verjaardag van de cellist Mischa Maisky, maar de ontvanger was niet zozeer de jarige als wel het publiek.
Mischa Maisky en Martha Argerich zijn geen echt duo maar ze spelen al zo lang samen dat je kunt stellen dat ze zelfs hun adem op elkaar hebben afgestemd. Een soort ‘zielstweeling’, maar dan één die ruimte open houdt voor gelijkgestemden. Zie alleen al hun optredens op kamermuziekfestivals zoals in Lockenhaus of Verbier.
Vroeger hadden ze vaak de violist Gideon Kremer als de derde ‘partner in crime’. Met zijn felheid paste hij wel bij de temperamenten van de cellist en de pianiste maar wat hij vaak miste was de romantische kant, ik noem het de ‘neshome’.

Janine Jansen © Simon van Boxtel
Laat dat nou wel ruimschoots aanwezig te zijn bij de jonge Nederlandse violiste Janine Jansen! Jansens spel is milder, minder uitgesproken, frisser van opvattingen en barstensvol nieuwe ideeën, wat het trio een extra dimensie geeft die ze met Kremer niet hadden. Je kunt stellen dat hun gezamenlijk spel nu veel evenwichtiger is geworden.
Het best hoorde je het in het tweede pianotrio van Sjostakovitsj, een werk dat het voornamelijk moet hebben van zijn emoties en woede-uitbarstingen. Vaak wordt het dan ook te ‘krasserig’ gespeeld, te ruw – iets waar best veel voor te zeggen valt. Maar met ingetogenheid kun je ook veel bereiken, mildheid hoeft geen berusting te betekenen. Wellicht kan het zelfs je nog beter tot nadenken stimuleren en er valt in het stuk genoeg om over na te denken! En herdenken….
Sjostakovitsj componeerde zijn trio aanvankelijk als een aandenken aan zijn overleden vriend, de musicoloog Ivan Sollertinski, maar gaandeweg verwerkte hij er ook de gruwelen van de Holocaust in die her en der al bekend waren geworden.
“Joodse muziek lijkt vaak opgewekt, maar is in feite tragisch: het is bijna altijd lachen door je tranen heen”, zei hij eens. Het was zijn manier om de eerste berichten over de Shoah wereldkundig te maken, door de Joodse thema’s in zijn trio te verwerken. De uitvoerenden hebben de boodschap perfect overgebracht en de zaal werd er stil van. Om daarna in een euforisch applaus uit te barsten.
Maar eerst hoorden we de cellosonate Op. 5 No. 2 van Beethoven uit 1796. Men kan het zich nog amper voorstellen, maar die sonate werd ooit als revolutionair beschouwd. Tot die tijd was het altijd de piano die de hoofdrol vertolkte en had de cello meestal niet meer dan een begeleidende rol, nu werd de hoofdrol aan beide instrumenten toebedeeld.

Martha Argerich © Adriano Heitman
Schumanns vioolsonate is een verhaal apart. Het is, zoals bijna alles wat de vaak ‘verwarde’ componist aanraakte over-emotioneel en niet echt evenwichtig. Somberheid troef…. Niet voor niets staat er de aanduiding ‘Mit leidenschaftlichem Ausdruck’!

Janine Jansen & Martha Argerich © Eduardus Lee
Daar wist Janine Jansen goed raad mee. Onder haar handen werd het ‘lijden’ dragelijker en kreeg het Allegro zelfs iets van een sprankje vrolijkheid mee. Overbodig te vertellen dat zij en Argerich op dezelfde lijn zaten. Het klonk als een klein wonder. Schitterend!
Met de eerste pianotrio van Mendelssohn werd de balans – en de innerlijke rust – hersteld. Het voelde alsof je na een duizelingwekkende reis door de verwoestende gevoelens een oase van evenwicht had bereikt. Opeens heerste er de sereniteit en de – bijna – sprookjesachtige sfeer (zij het een met melancholieke ondertoon) voelde zeer ontspannen,.
En net als bij een kinderverjaardag kregen de gasten nog een cadeautje toe, er was nog een toegift: het derde deel van het Fantasiestücke op. 88 van Schumann. Iets om mee naar huis te nemen, al was het alleen in onze hoofden. En harten.

Het slotapplaus © Ron Jacobi
Ludwig van Beethoven: cello sonate No. 2 in G minor, Op. 5 No. 2
Dmitri Sjostakovitsj: Tweede pianotrio in e kl.t., op. 67 (1944)
Robert Schumann: Eerste sonate in a kl.t., op. 105
Felix Mendelssohn: Eerste pianotrio in d kl.t., op. 49
Martha Argerich piano
Janine Jansen viool
Mischa Maisky cello
Gehoord op 29 januari 2018 in de Grote Zaal van het Koninklijkconcertgebouw in Amsterdam
Martha Argerich en haar vrienden in Lugano 2014
Capriccio van Richard Strauss: laat het maar aan Carsen over en dan komt het vanzelf goed
Van Richard Strauss en zijn medelibrettist Clemens Kraus kreeg Capriccio de ondertitel ’Konversationsstück für Musik’, en dat is precies, wat het is: een langgerekte conversatie. Het onderwerp van de eindeloze gesprekken en discussies die de hoofdpersonen voeren is net zo oud als de wereld: wat is belangrijker, muziek of woorden. En het kabbelt maar door, en het kabbelt maar door ..
Nooit heb ik het geduld kunnen opbrengen om het helemaal uit te luisteren, daarvoor was er voor mij veel te veel geklets en te weinig actie. Zelfs het lieflijke sextet aan het begin van de opera ervoer ik als langdradig.
Afijn: u hebt allang door dat Capriccio niet tot mijn favoriete opera’s behoort. En toch moest ook ik er aan geloven! Al moet ik toegeven, dat het niet zozeer aan de – om de erepalm met het libretto strijdende – muziek lag als aan de meer dan voortreffelijke zangers. En aan de regie. Laat het maar aan Carsen over en dan komt het vanzelf goed want die Canadese tovenaar kan zelfs een telefoonboek in een spannende thriller omtoveren.
Carsen verplaatste de handeling naar het door de nazi’s bezette Parijs in 1942, het tijdstip van het ontstaan van de opera. Als decor dient het gehele Palais Garnier, inclusief het majestueuze trapportaal, de lange gangen en de loges in de zaal. Ik neem aan dat er videotechniek aan te pas is gekomen, maar echt snappen doe ik het niet.
Met ingehouden adem kijk ik dus naar de Gravin, die vanuit haar loge bewonderend kijkt naar haar op de bühne zingende alter ego. Een werkelijk ingenieuze ingeving voor de slotscène, waarin zij oorspronkelijk haar lange laatste monoloog voor de spiegel moest zingen.
Aan het begin van de opera wordt er gewag van gemaakt dat de tekst en muziek zijn als broer en zus, en zo eindigen ook de twee rivalen, de componist Flamand en de dichter Olivier, broederlijk in de logebank van de opera gezeten, vertederd kijkend naar hun gezamenlijk kind, een symbiose van woorden en noten. Een opera.
Een betere Madeleine dan Renée Fleming is amper te bedenken. Met haar eindeloze legato, haar ronde, romige sopraan en (niet in de laatste plaats) haar scenische présence zet ze een gravin met narcistische trekjes neer: beeldschoon, zelfbewust, afstandelijk en zeer bewonderenswaardig.
Haar broer, vertolkt door Dietrich Henschel is aan haar gewaagd en al lijkt hij fysiek niet op haar, zijn trekjes verraden familiebanden.
Het is moeilijk, zo niet onmogelijk tussen de beide verliefde heren te kiezen, want zowel Gerald Finley (Olivier) als Rainer Trost (Flamand) zien er zeer aantrekkelijk uit in hun verzorgde pakken, en noch op hun stemmen, noch op hun acteren valt iets op aan te merken.
Anne Sofie von Otter is onherkenbaar als de diva Clairon: haar entree, waarbij zij, begeleid door een Nazi officier met veel stampei binnenkomt, roept herinneringen op aan de grote actrices uit de jaren veertig. Franz Hawlata is een fenomenale La Roche, en de kostelijke Robert Tear zet een vermakelijke Monsieur Taupe neer.
De personen regie is zo geniaal, dat je gewoonweg vergeet dat dit een opera en niet de echte wereld is. Iedereen beweegt en acteert zeer natuurlijk en de kostuums zijn verblindend mooi. Waren er niet de af en toe zeer prominent in beeld gebrachte nazi’s, dan kon men zich in een utopische wereld van serene rust wanen.
Zag de wereld van Richard Strauss er toen zo uit? Wellicht was dat de boodschap? De conclusie laat ik aan u over.
De slotscène van de opera:
Richard Strauss
Capriccio
Renée Fleming, Anne Sofie von Otter, Rainer Trost, Dietrich Henschel, Gerald Finley, Franz Hawlata, Robert Tear e.a.
Orchestre et Choeur de l’Opéra national de Paris olv Ulf Schirmer
Regie: Robert Carsen
Arthaus Musik 107529
Igor Stravinsky: The Rake’s Progress. Discografie

Schilderijen van William Hogarth in het Sir John Soane’s Museum in Londen
Kent u de gravures van William Hogarth? De zeer tot de verbeelding sprekende prenten van de Engelse kunstenaar (1697-1764) kun je beschouwen als stripverhalen avant la lettre.
In 1735 werd zijn A Rake’s Progress uitgegeven, een verhaal in acht tekeningen over een jonge man die zich in Londen overgeeft aan alles wat God verboden heeft om uiteindelijk in een gekkenhuis te eindigen.
Op dit ‘stripverhaal’, op verzoek van de componist door W.H. Auden en Chester Kallmann bewerkt, is de opera van Stravinsky gebaseerd. De librettisten hebben het verhaal lichtelijk veranderd en een nieuw, zeer belangrijke personage aan toegevoegd, Nick Shadow. Hij is de ‘schaduw’ – of het alter ego van – Tom Rakewell, maar tevens ook de personificatie van de duivel.

Stravinsky en La Fenice
De première onder leiding van de componist vond plaats op 11 september 1951 in La Fenice (Venetië). Dat het geen denderend succes werd lag aan de onevenwichtige directie van Stravinsky en een niet helemaal adequate cast, met o.a. Elisabeth Schwarzkopf als Anne.

Het publiek in La Fenice tijdens de première van The Rake’s Progress
De New Yorkse Met volgde in 1953, Fritz Reiner dirigeerde en zie: een succes!
Wist u trouwens dat The Rakes Progress meer producties heeft gehad dan welke opera ook, sinds die van Puccini?
CD’S
FRITZ REINER 1953
De première-uitvoering onder Reiner is bewaard gebleven, er bestaat een redelijk klinkende opname van op een piratenlabel Datum (90003).
Eugene Conley is niet de subtielste onder de zangers maar zijn portrettering is zeer zeker overtuigend. Bovendien: wat een strot!

Stravinsky en Hilde Gueden tijdens de repetities in New York
Hilde Gueden is een prachtig zingende maar helaas moeilijk verstaanbare Anne en Blanche Thebom een magnifieke Baba the Turk.
Ook Nick Shadow van Mack Harell kan mij bekoren, het is zo verschrikkelijk jammer dat er zo weinig opnamen van de prachtige bariton (vader van de cellist Lynn) zijn bewaard. Reiner dirigeert groots en meeslepend.
IGOR STRAVINSKY 1964
Stravinsky zelf heeft de opera drie keer opgenomen en de versie met het Londense Royal Philharmonic Orchest vind ik zelf het meest geslaagd. Het ligt voornamelijk aan de prachtige Anne van Judith Raskin en een fenomenale John Reardon als Nick.
De opname is in 1991 op de markt gebracht als onderdeel van de ‘Igor Stravinsky Edition’ (Sony SM2K 46299)
RICCARDO CHAILLY 1983

Deze opname koester ik voornamelijk vanwege – misschien de mooiste en ontroerendste ooit – Tom Rakewell van Philip Langridge.
Maar ook Samuel Ramey (Nick Shadow) is werkelijk niet te weerstaan: geef de man de rol van een duivel en daar weet hij de raad mee! (Decca 4757005)
JOHN ELIOT GARDINER 1997

Gardiner zou Gardiner niet zijn als hij de tempi niet flink zou opvoeren. Het resultaat is, voor mij althans, iets te haastig, maar het sprankelt wel. En het heeft iets verfrissends.
Jonge Ian Bostridge had iets zeer sympathieks, iets wat hij in de loop der jaren helaas kwijt is geraakt. In 1997 was hij in ieder geval een zeer overtuigende Tom.
Bryn Terfel weet zich geen raad met de rol van Nick: in jeugdig overmoed (?) slaat hij behoorlijk aan het chargeren. Anne Sofie von Otter is een zeer goede Baba the Turk (DG 4596482)
DVD’S
ROBERT LEPAGE/KAZUSHI ONO/De Munt 2007

De productie van Lepage is ontegenzeggelijk leuk om te zien, spannend ook, maar het heeft zo verschrikkelijk weinig te maken met het oorspronkelijk verhaal en nog minder met de gravures! Als je dat idee loslaat dan kun je zeer zeker van de ‘Yankee-zetting’ van de regisseur genieten; mij maakt dat nagemaakte ‘amerikanisme’ met al zijn clichés niet blij.
Maar de rol van Nick Shadow is bezet door één van de schitterendste zanger-acteurs ooit, de Britse bariton William Shimell en dat maakt veel goed. Hij was één van de allerbeste en aantrekkelijkste don Giovanni’s en de meest cynische don Alfonso’s ooit (kent u niet? Echt de moeite waard om het op You Tube op te zoeken,) wat geen wonder mag heten als je ziet hoe ontzettend manipulerend zijn stijl van zingen en acteren is! Alleen voor hem zou je de dvd willen, wat zeg ik, moeten hebben.
Laura Claycomb (Anne) en Andrew Kennedy zingen mooi en Dagmar Pecková is een prima Baba the Turk (Opus Arte OA 0991D.)
VLADIMIR JUROWSKI/ JOHN COX, DAVID HOCKNEY /Glyndebourne 2011












