Van alle leerlingen van Leoš Janáček slaagde Pavel Haas (Brno 1899 – Auschwitz 1944) er het beste in de invloeden van zijn leraar met een eigen muzikale taal te combineren.
Haas was een grote jazz liefhebber en componeerde ook veel toneel- en filmmuziek. Het laatste mede onder de invloed van zijn broer, een bekende filmacteur. Zijn grootste liefde gold echter de Moravische volksmuziek.
Het tweede strijkkwartet, bijgenaamd ‘From the Monkey Mountains’, is een openlijke liefdesverklaring aan Moravië. De muziek is programmatisch, wat betekent dat er zonder gebruik van woorden iets (in dit geval de schoonheid van de natuur) op narratieve manier wordt omschreven.
De delen één en drie zijn uiterst melodieus en tergend mooi. In het tweede en vierde deel zijn enige dissonanten te bespeuren en doen mij sterk aan het, drie jaar later gecomponeerde, tweede strijkkwartet van Janáček denken.
Het vierde deel heeft Haas oorspronkelijk voor een jazzband gecomponeerd, maar de premièrekritieken deden hem besluiten om het toch te veranderen. Op deze opnamen werden er aan het strijkkwartet twee slagwerkers toegevoegd. Een meesterzet.
Het in 1938 gecomponeerde derde strijkkwartet werd pas in januari 1946 voor het eerst uitgevoerd, twee jaar na de dood van de componist.
Het derde strijkkwartet van Haas , hier uitgevoerd door het Pavel Haas Quartet:
De uitvoering door het Kocian Quartet is doorleefd, sprankelend en weemoedig waar nodig. Deze opname is al bijna twintig jaar oud, maar nog steeds onovertroffen. Niet, dat ze veel concurrentie hebben…….Kon ik maar alle kamermuziekliefhebbers overtuigen, dat ze deze prachtige cd moeten kopen!
In 2010 is het opera in Bonn aan een heuse Schreker revival begonnen. In 2010 werd er Irrelohe op de planken gezet en daar door MDG (9371687-6) live opgenomen.
Het verhaal lijkt nog het meest op een heuse horrorfilm. De heren van het kasteel Irrelohe zijn vervloekt. Op hun huwelijksdag worden ze gek en verkrachten een maagd – een vloek die ze aan hun eerstgeborene zoon doorgeven. Alleen de vlammen kunnen de vloek ontkrachten. En die vlammen komen er ook, aan het eind, als de mooie Eva (Ingeborg Greiner) de graaf Heinrich (onweerstaanbare Roman Sadnik) boven de bastaard Peter (Mark Morouse) verkiest. U snapt hem natuurlijk meteen: Peter is de eerstgeborene zoon van de verkrachter; Heinrich (die dus zijn halfbroer is) kwam 30 dagen later ter wereld. Eind goed al goed, maar eerst gaan we huiveren, sidderen en…. genieten..
Roman Sadnik in scènes uit Irrelohe:
Van de opera bestond al een opname op Sony, in 1989 live opgenomen in Wenen.
Wiener Symphoniker stond onder leiding van Peter Gülke en wellicht is het zijn schuld dat het niet heel erg opwindend klinkt. Aan de zangers (o.a. Luana de Vol en Monte Pederson) ligt het in ieder geval niet niet, al vind ik ze ook niet echt om naar huis te schrijven.
DER SCHMIED VON GENT
Van Schrekers’s laatste opera, Der Schmied von Gent had ik een piratenopname uit Berlijn 1981 in mijn bezit, maar daar was ik niet echt weg van: noch van de klank, noch van de uitvoering. Bovendien was de opera zonder synopsis amper te volgen.
Met smacht zat ik dus op de eerste commerciële uitgave van te wachten en zie: daar is hij dan! ‘De Smit’ werd in 2010 in Chemnitz live opgenomen en op CPO (777 647-2) uitgebracht, hulde!
Het is een “Grosse Zauberoper” met een verhaal dat een beetje in de buurt komt van ‘Der Freischütz’, er komt ook een duivel in voor, maar ook de Heilige Petrus en … Alva (het speelt zich tijdens de 80-jarige oorlog). En ja, het komt allemaal goed.
De bezetting, met o.a. fantastische Oliver Zwarg in de hoofdrol van Smee is voortreffelijk.
LIEDEREN
De onvolprezen Reinild Mees heeft er het initiatief voor genomen en is (uiteraard) zelf achter de piano gekropen om twee cd’s vol met de liederen van Schreker te begeleiden en op te nemen. Er doen Jochen Kupfer, Ofelia Sala en Anne Buter aan mee en het resultaat is werkelijk voortreffelijk (Channel Classics CCS 12098 en CCS 14398)
Ook een echte aanrader is een uitgave van Koch Schwann (3-6454-2), hopelijk nog in de handel, met daarop naast het voorspel voor Irrelohe en ‘Vorspiel zu einer grossen Oper’ een werkelijk onweerstaanbare liedcyclus ‘Vom ewigen Leben’, naar de gedichten van Walt Whitman. Het is fenomenaal gezongen door Claudia Barainsky – alleen al voor haar, met haar stralende hoogte en een enorme tekstbegrip moet je de cd toch echt hebben.
En dan heb ik het nog niet eens over het fantastisch spelende Deutsche Symphonieorchester Berlin. De dirigent, Peter Ruzicka snapt precies waar het in de muziek van Schreker over gaat.
VORSPIEL ZU EINEM DRAMA
Als toetje één van de prachtigste instrumentale werken van één van mijn geliefde componisten: Vorspiel zu einem Drama uit 1913. Het BBC Symphony Orchestra
staat onder leiding van Jascha Horenstein:
Alviano: foto uit de première in Frankfurt 1918 via Green Integer Blog
Het idee kwam van Zemlinsky: hij wilde een opera maken over een lelijke man en het libretto bestelde hij bij Schreker. Eenmaal klaar met zijn werk viel het Schreker zwaar om afstand te doen van zijn tekst. Gelukkig zag Zemlinsky van de opera af en zo sloeg Schreker zelf aan het componeren.
Net als Der Ferne Klang, gaat ook De Gezeichneten over de zoektocht naar de onbereikbare idealen. Alviano, een mismaakte rijke edelman uit Genua droomt van schoonheid en volmaaktheid. Op een eiland laat hij “Elysium” bouwen, een plek waar hij zijn idealen hoopt te verwezenlijken. Wat hij niet weet, is dat de edelen zijn eiland misbruiken: zij houden zich er bezig met orgieën, verkrachtingen en zelfs met moorden.
De titel van de opera is dubbelzinnig. Niet alleen zijn de hoofdpersonen ‘getekend’ (Alviano door zijn monsterlijke uiterlijk en Carlotta door een dodelijke ziekte), ook maakt Carlotta een tekening van Alviano, waarin zij zijn ziel probeert te vangen
CD’S
EDO DE WAART 1990
Deze prachtige opera, rijk aan duizenden kleuren en zwoele klanken (luister alleen maar naar de ouverture, kippenvel!) wordt de laatste tijd steeds vaker op de planken gebracht. In 1990 werd het werk onder leiding van Edo de Waart in de Matinee uitgevoerd, met een lelijk zingende, maar zeer betrokken en daardoor zeer kwetsbare William Cochran als Alviano en een fenomenale Marilyn Schmiege als Carlotta (Marco Polo 8.223328-330).
LOTHAR ZAGROSEK 1994
In 1994 heeft Decca (4444422) De Gezeichneten in de serie ‘Entartete Musik’ opgenomen. Hier ben ik niet zo gecharmeerd van, noch van het orkest, noch van de solisten, maar het is in ieder geval helemaal compleet.
WINFRIED ZILLIG 1966
Ik ben niet kapot van Helmut Krebs in de hoofdrol van Alviano: zijn timbre is weliswaar mooi, maar zijn hoogte is geknepen. De rollen van Carlotta en de sadistische verleider Tamare zijn door het echtpaar Evelyn Lear en Thomas Stewart perfect bezet.
De Amerikaanse bariton Stewart was in die tijd een zeer gevierde Wagnerzanger, beroemd om zijn Wotans en Amfortassen. Lear werd vaak vergeleken met Elisabeth Schwarzkopf, zelf vind ik haar manier van zingen natuurlijker en aangenamer. Haar prachtige verschijning maakte haar een ideale Carlotta, het is jammer dat wij er geen beelden van hebben. Het is echter de prachtige bas Franz Cras die de opname domineert in zijn rol van hertog Adorno.
Het geluid vind ik aanvankelijk aan de povere kant, maar het lijkt beter te worden naarmate de opera vordert. Het kan natuurlijk ook dat je eraan went. Het Noord-Duitse radio-orkest onder Winfried Zillig vind ik niet echt geweldig. Ik mis de zinnelijkheid, maar het kan ook aan de opname liggen.
De partituur is, zoals toen gebruikelijk was, behoorlijk ingekort. Jammer, maar het is niettemin een zonder meer bijzonder belangrijke uitgave! (Walhall WLCD 0376)
FRANZ SCHREKER 1928 (fragmenten)
Op een box met drie cd’s (Symposium 1271/1272/1273) waarop Schreker te bewonderen valt als dirigent van onder meer zijn eigen werk, staan ook een paar fragmenten uit Die Gezeichneten, opgenomen in 1928, met zijn vrouw Maria in de rol van Carlotta.
Franz en Maria Schreker
DVD:
LEHNHOFF/NAGANO 2005
In 2005 werd in Salzburg een alom bejubelde productie van Nikolaus Lehnhoff live opgenomen en op DVD (EuroArts 2055298) uitgebracht. Persoonlijk ben ik er niet onverdeeld enthousiast over, al moet ik toegeven dat het allemaal zeer spectaculair en zeer spannend is geënsceneerd.
Om te beginnen vind ik het decor (het liggende lichaam van een dode vrouw, het hoofd gescheiden van de romp, waarover volop gewandeld word) te nadrukkelijk aanwezig en beladen met goedkope en overbodige symboliek. Ook de eindscène vind ik getuigen van slechte smaak: tegenwoordig heb je heel wat meer nodig dan ontvoerde jonge maagden om te choqueren, dus Lehnhoff laat ze nadrukkelijkjong zijn. Deze maagden, inclusief Ginevra Scotti, zijn niet ouder dan 10 jaar oud, het antwoord van de regisseur heet dus pedofilie. Ja, dat komt inderdaad schokkend over, maar was het nodig? Daar ben ik niet zo zeker van.
Maar in vergelijking met de afschuwelijk platte enscenering van Kušej bij De Nederlandse Opera (gelukkig niet opgenomen, wat wel zonde is van de geweldig goede hoofdrol van Gabriel Sadè) is Lehnhoff natuurlijk een held.
Dus toch maar Lehnhoff aanschaffen, want er valt ontegenzeggelijk veel te genieten. Ten eerste is er de muziek zelf, prachtig en zeer erotisch gespeeld door het Berlijnse Deutsches Symphonie-Orchester onder leiding van Kent Nagano. De beelden zijn mooi, de kleuren (met overheersend diep blauw) zijn mooi en de zangers/acteurs, gestileerd naar hedendaagse sterren als Johnny Depp en Tom Cruise, zijn mooi – alles tenslotte draait hier om de uiterlijke schoonheid, en dat weet Lehnhoff met zijn team mooi te benadrukken.
Robert Brubakker is een aandoenlijke Alviano, en al snap ik niet helemaal waarom hij in het begin in vrouwelijke kleren wordt gestoken – indrukwekkend is het wel. Anne Schwanewilms is een mooie, koele Carlotta, en Michael Volle overtuigt als de viriele graaf Tamare.
Dé klank. Daar was Schreker door geobsedeerd en gefascineerd. Een klank die vanzelf afstierf, maar dan niet heus, want die moest nog na blijven klinken – al was het alleen maar in je gedachten. Het moest een pure klank zijn, maar dan één met orgastisch verlangen en vervlochten met visioenen.
Natuurlijk had het ook met de tijdgeest te maken, ook andere kunstenaars waren er mee bezig, misschien niet zo fanatiek.
Dé klank, die heeft Schreker nooit losgelaten, zelfs toen hij, aan het einde van zijn korte leven een andere kant op leek te gaan
Deze klank, die volgens onze chef-dirigent Marc Albrecht ‘narcotiserend werkt’, is in Der Schatzgräber volop aanwezig. Het was Albrechts diepste wens om de opera ooit te dirigeren, een droom die in september 2012 is uitgekomen.
En daar is hij goed in, in het maken van de volmaakte klanken. Ze moeten nog wel geperfectioneerd worden, want het geluid bij de première was, zeker in het begin, veel te hard. Gelukkig werd het na pauze lyrischer en zachter, waardoor je door de muziek gewiegd werd, net als in het bloedmooie slaapliedje van Els, aan het begin van de derde akte.
The making of:
Over de aankleding kan ik kort zijn: knudde. In de eerste twee akte kon ik mij nog iets bij de verwaarloosde, agressieve sekteleden (?) voorstellen. De mooie Els had iets weg van Catherine Deneuve in Belle de Jour, met haar blonde pruik en de zeer hoge hakken onder haar korte, sexy jurkjes. Iets wat ook een beetje doorgetrokken werd naar de Koningin (goede stomme rol van Basja Chanowski).
Maar het geriatrische ziekenhuis/verpleeghuis, met de strompelende oudjes met rollators? Sorry, dat heeft mij niet eens tot nadenken gezet; ik vond het lelijk en overbodig. En als we het dan toch over films hebben: ik moest een beetje aan Breaking the Waves van Lars von Trier denken. Het ultieme offer
De videoprojecties waren voor mij te veel van het goede. Veel voegde het ook helemaal niet toe of lag juist te voor de hand (witte paard, kinderen die geboren worden of een flonkerende sterrenhemel tijdens de liefdesnacht – ‘2001 Odyssee’ van Kubrick?). Ik werd er onrustig van. Schreker’s muziek moet je ondergaan, dan komen er vanzelf genoeg beelden.
Ik moet wel toegeven dat van Hove zich redelijk aan het libretto heeft gehouden, er waren zeer weinig discrepanties tussen wat je zag en wat je las. Wat hij wel heeft gedaan is het Middeleeuws sprookje naar ons hedendaags (hyper)realisme vertalen en dat mag. In zijn inleiding zei hij niet van een concept uit te willen gaan, wat hij wilde was het creëren van een universeel drama.
Het was een première voor iedereen. Voor de regisseur, voor de dirigent en voor het orkest. En voor alle, meer dan voortreffelijke zangers. Daar neem ik mijn petje voor af.
Allereerst de vertolker van de titelrol, Raymond Very. Zijn tenor is lyrisch en wendbaar, zijn hoge noten gooit hij de lucht in alsof het niets kost en hij wist zich met de bij vlagen zeer heftige muziek niet te overschreeuwen. Wat een verademing om van de lange Schrekeriaanse bogen zo volkomen in stijl te kunnen genieten. Je merkte wel dat hij het tegen het eind moeilijker kreeg, maar sta daar eens in zijn schoenen! Drieverf BRAVO!
Ook Manuela Uhl (Els) was tegen het einde een beetje op. Maar wat ze daarvoor heeft gepresteerd grenst aan het onmogelijke. Mooie vrouw met meer dan gemiddelde acteerkwaliteiten en met een stem die van fluisterzacht tot loeihard en van zeer laag tot zeer hoog ging, chapeau.
Een bijzonder sterke indruk maakte op mij Kay Stieferman. Zijn bariton is van een immense omvang en gezegend met duizenden kleurnuances. Dat had hij als Der Vogt ook zeker nodig, want er gingen mij toch emoties schuil achter zijn personage. Hij wist ze allemaal duidelijk te overbrengen, waardoor je zelfs enigszins sympathie voor zijn handelen kon opbrengen. Zeer indrukwekkend.
Over Graham Clark (Der Narr) hoef ik u niets te vertellen. Hij was precies wat van hem verwacht werd – niet minder dan geweldig!
Trailer van de productie:
De voorstelling is live opgenomen en op cd’s uitgebracht op Challenge Records:
Franz Schreker
Der Schatzgräber
Raymond Very, Manuela Uhl, Graham Clark, Kay Stiefermann, Tijl Faveyts, André Morsch, Andrew Greenan e.a.
Nederlands Philharmonisch Orkest en het Koor van de Nederlandse Opera olv Marc Albrecht
Regie: Ivo van Hove
Bezocht op 1 september 2012 in het Muziektheater Amsterdam
Religie, daar is niets mis mee. Mits goed gedoseerd kan zij ook voor veel geluk (en zaligheid) zorgen. Mensen kunnen er hoop uit putten en het pure geloof in wonderen kan zelf ook wonderen veroorzaken. Al is het niet tastbaar.
Paul Claudel
De Franse dichter en toneelschrijver Paul Claudel (1868 – 1955) was een diepgelovige man en vrijwel al zijn werken werden door zijn katholieke geloof geïnspireerd. Zo ook ‘De boodschap aan Maria’, waar de Verkündigung van Braunfels op is gebaseerd.
Violaine is verloofd met Jakobäus maar wijst hem af: door haar liefdadigheidsdaad (zij heeft een leproze man gekust) is zij zelf besmet geraakt. Jakobäus trouwt met Violaine’s zuster Mara en als hun kind na de geboorte sterft laat Violaine het herleven. Of eigenlijk: opnieuw geboren worden. Het mystieke verhaal vol liefde, tragiek en opoffering ruikt sterk naar wierook en is niet wars van primaire sentimenten.
Zo is het partituur van Walter Braunfels ook. Narratief en donker, want zelfs de wonderen laten weinig hoop achter. Een onvervalst mysteriespel, met veel aandacht voor het martelaarschap, maar dan wel gelardeerd met de mooiste noten die regelrecht uit de hemel lijken te zijn neergedaald.
Walter Braunfels
Verkundigung betekende mijn eerste kennismaking met de componist Braunfels. In 1994 werd het werk door EMI (nu Warner) uitgebracht. Een uitgave die mijn wereldbeeld aan het wankelen heeft gebracht. Want snappen deed ik het niet: hoe kon zo’n onvervalst meesterwerk zo lang onbekend blijven? Waarom werd het nooit uitgevoerd? Sindsdien stond Braunfels (samen met Korngold, Zemlinsky en Schreker) bovenaan mijn lijstje van mijn geliefde componisten.
Die EMI opname, met onder anderen John Bröcheler als Jakobäus was zonder meer fantastisch, maar dat het nóg beter kan bewijst de nieuwe uitgave van BR Klassiek.
De door Ulf Schirmer gedirigeerde uitvoering werd in 2014 in München live opgenomen. Juliane Banse (Violaine) gaat totaal in haar rol op. Zij zingt zacht, wiegend en liefhebbend. Volmaakte goedheid. Janina Baechle is een goede Mara en Hanna Schwarz en Robert Holl schitteren als hun ouders.
Adrian Eröd is een veel betere Jakobäus dan Bröcheler: zijn stem is lichter en hoger, liefdevoller ook, waardoor zijn karakter aan duidelijkheid wint.
Walter Braufels
Verkündigung
Robert Holl, Hanna Schwarz, Juliane Banse, Janina Baechle, Adrian Eröd, Matthias Klink, Mauro Peter e.a.
Chor des Bayerischen Rindfunks; Münchner Rundfunkorchester olv Ulf Schirmer
BR Klassik 900311
Op de drempel van de twintigste eeuw lieten veel kunstenaars zich in hun werk leiden door het verlangen naar een volmaakte wereld. Bij geen ander was dat zo prominent aanwezig als bij Franz Schreker (1878-1934).
De première van Der ferne Klang, in 1912 in Frankfurt, werd zeer enthousiast ontvangen. In de Frankfurter Zeitung schreef criticus Paul Bekker dat “het publiek zich kon herkennen in de centrale metafoor van Schrekers werk. Iedereen hoort op zeker ogenblik die raadselachtige klank”.
De hoofdpersoon is een componist met maar één verlangen: het ontdekken van de volmaakte klank. Op zijn zoektocht ernaar verstoot hij zijn geliefde Grete en laat alles wat hij liefheeft achter zich. Pas aan het eind, als het al te laat is, beseft hij dat hij de betoverende ‘verre klank’, samen met het geluk, alleen in de liefde voor Grete kon vinden.
Er zijn niet veel officiële opnamen van de opera op de markt. Zelf ken ik er maar één: live opname uit Berlijn 1991, op Capriccio (60024-2). Daar ben ik nooit kapot van geweest en stilletjes hoopte ik dat de NTR hun uitvoering uit september 2004, met onder anderen Anne Schwanewilms op de markt zal brengen. Helaas.
Gelukkig komt nu Walhall met een live radio-opname uit Frankfurt 1948 en daar ben ik zeer blij mee.Het is een fantastische opname, met een voor die tijd buitengewoon goede geluidskwaliteit.
Ik kende geen van de zangers, des te groter was voor mij de verrassing. Der Ferne Klang is een opera die niet makkelijk valt te bezetten. Beide hoofdrollen vereisen grote stemmen die ook uitgesproken lyrisch zijn en dat zijn Ilse Zeyen (Grete) en Heinrich Bensing (Fritz) zeer zeker.
Het radio-orkest uit Frankfurt wordt op sublieme manier gedirigeerd door Winfried Zillig, een in die tijd zeer bekende Duitse componist muziektheoreticus en dirigent.
Franz Schreker
Der ferne Klang
Ilse Zeyen, Heinrich Bensing, Rudolf Gonszar e.a.
Radio-Sinfonie-Orchester Frankfurt olv Winfried Zillig Walhall WLCD 0374
Vanwaar zo veel agressie? Oké, Schulhoff is Dvořak niet en ook geen Janaček, maar met beide componisten had hij meer gemeen dan veel mensen beseffen. Erwin Schulhoff was een man van uitersten. Van Janaček had hij de voorliefde voor de Tsjechische taal met zijn typische accenten geërfd en in zijn strijksextet verstopt.
In de uitvoering door de leden van Spectrum Concerts Berlin kloppen de accenten, inclusief de ferme en felle uithalen dan wel – maar moet het zó krasserig? – helaas zijn de heren het lyrische aspect (Dvořaks erfenis) ergens onderweg kwijtgeraakt. Er is ook iets mis met de balans van de opname waardoor ik niet van de volumeknoppen af kan blijven, want of ik hoor niets of word ik opgeschrikt door een boem.
Gaat het strijksextet een beetje ten onder aan gebrek van echte visie, in de vioolsonate wordt er ruimschoots revanche genomen. Hier is de toon van de violist Boris Brovtsyn ‘mild und leise’, met waar nodig wat ruwere accenten en daar wordt hij voortreffelijk mee geholpen door de formidabele pianist Eldar Nebolsin .
Maar pas bij de door Nebolsin meesterlijk gespeelde Cinq Études de jazz herken ik ‘mijn’ Schulhoff terug en kan ik de ietwat saai uitgevallen Duo for Violin and Cello vergeten. Wat een artiest!
ERWIN SCHULHOFF
String Sextett op.45, Sonata No.2 for Violin and Piano, Duo for Violin and Cello, Cinq Études de jazz
Spectrum Concerts Berlin: Boris Brovtsyn, Valery Sokolov (viool); Philip Dukes, Maxim Rysanov (altviool); Jens Peter Maintz, Torleif Thedéen (cello), Eldar Nebolsin (piano)
Naxos 8573525 • 68’
Tot mijn grote ergernis is Zemlinsky nog steeds een grote ontbrekende op de concertpodia en in opnamestudio’s. Na een kortstondige renaissance in de jaren negentig, voornamelijk te danken aan James Conlon en Riccardo Chailly, is het weer stil geworden rond Zemlinsky, één van de allergrootste Jugendstil-componisten van het fin de siècle. Vraag het maar aan een doorsnee muziekliefhebber: verder dan de Lyrische Symfonie komt hij niet. Mocht hij überhaupt de naam Zemlinsky kennen.
De liederen die op deze cd onder de verzamelnaam Zeven liederen van nacht en droom zijn opgenomen, dragen verschillende opusnummers in Zemlinsky’s oeuvre. De Duitse componist Richard Dünser heeft ze op thema bij elkaar gezocht en ze van een orkestarrangement voorzien – omdat ze volgens hem “om een orkest schreeuwen”. Nu vind ik orkestbegeleiding veelal aantrekkelijker dan enkel piano, maar of het hier zo goed heeft uitgepakt?
De liederen klinken beslist mooi, zeker omdat Jenny Carlstedt over een zeer prettige mezzostem met een warm timbre beschikt en haar voordracht bijzonder aangenaam is. Toch mis ik iets.
Wat het is, kan ik pas benoemen bij het beluisteren van Dünsers arrangement van het tweede strijkkwartet, waar hij een ‘chamber symphony’ van heeft gemaakt. Het is té mooi, waardoor het op den duur een beetje monochroom wordt. Wat ontbreekt, is de voor het oeuvre van de componist onontbeerlijke erotiek. Zonder dat is Zemlinsky Zemlinsky niet meer.
ALEXANDER ZEMLINSKY
Seven songs; Chamber Symphony (based on stringquartet no.2) arranged by Richard Dünser
Jenny Carlstedt (mezzosopraan), Lapland Chamber Orchestra olv John Storgärds
Ondine ODE 1272-2
Van alle componisten die onder de term ‘Entartete muziek’ vallen is Erwin Schulhoff de meest complexe.
Anders dan diverse anthologieën ons vertellen is Schulhoff nooit in Theresienstadt geweest. Hij werd ook niet in Auschwitz vermoord. De hybride Tsjechische componist die in geen hokje past had gewoon pech gehad. De door hem aangevraagde Russische staatsburgerschap kwam twee dagen te laat, waardoor hij in plaats van in de Sovjet Unie in het concentratiekamp Wülzburg belandde, waar hij in 1942 aan tuberculose overleed.
Vanaf zijn prille jeugd werd Schulhoff gefascineerd door alles wat nieuw was. Hartelijk omarmde hij dada en jazz, had ook een bijzondere voorkeur voor het groteske. Zijn muziek was grenzen en genres – soms zelfs die van een ‘goed fatsoen’ – overschrijdend.mGeen wonder dat zijn muziek zich niet laat etiketteren: alleen al binnen het oeuvre voor het strijkkwartet ontwaar je een enorme variëteit aan stijlen.
Op zijn Divertimento op.14 en strijkkwartet op.25 na, werden alle door het Alma Quartet gespeelde werken gecomponeerd tussen 1923 en 1925. Beide, zeer ritmische strijkkwartetten verraden Schulhoffs affiniteit met jazz – de tweede iets meer dan de eerste – en met de Tsjechische folklore.
De aan Darius Milhaud opgedragen ‘5 Pieces for String’ uit 1923 klinken behoorlijk neoclassicistisch. Elk refereert aan een dans of een land. In ‘Alla Valse Viennese’ schemeren de ‘walsjes van Ochs’ door en bij ‘Alla Tango Milonga’ kan je alleen maar aan Argentinië denken.
Van alle tot nu toe bestaande opnamen van kwartetten van Schulhoff was die van het Petersen Quartet (Cappricio) mij het dierbaarst. Hun uitvoering vind ik nog steeds fantastisch, maar nu moeten ze in hun Amsterdamse collega’s hun meerdere erkennen. Grandioos.
Enorme pluim ook voor de Vruchtvlees.com voor het ontwerp van de cover en de omslag van het doosje. Niet alleen zeer fleurig en vrolijk, maar ook perfect bij de muziek van Schulhoff passend.
ERWIN SCHULHOFF
Complete string quartets
Alma Quartet
Gutman Records 161 (2 cd’s) • 1.51′
In de jaren 1934 – 1938 pendelde Korngold tussen Hollywood en Wenen. ‘s Winters werkte hij aan de filmmuziek en de zomers besteedde hij aan zijn ‘serieuzere’ werken. In die tijd ontstond ook Die Kathrin – een opera waaraan hij al in 1932 was begonnen en die zijn laatste zou blijven. Het verhaal speelt zich af tijdens de Eerste Wereldoorlog en gaat over de liefde tussen een Franse soldaat en een Duits dienstmeisje.
De première was gepland voor januari 1938, maar Jan Kiepura die de rol van François zou zingen moest wegens zijn verplichtingen aan de MET helaas afzeggen. De première werd uitgesteld. En toen was er de Anschluss.
Net op tijd werd Korngold teruggeroepen naar Hollywood, waar hij zijn score voor Robin Hood binnen een paar dagen moest afmaken. Op 29 januari reisde hij af met de ‘Normandie’, toevallig samen (o ironie!) met Kiepura en zijn vrouw.
De componist was veilig, maar zijn bezittingen, inclusief de manuscripten en partituren, werden in beslag genomen. Op een sluwe wijze (pagina voor pagina ingenaaid tussen de veilige Beethovens en Straussen) werd het naar Amerika verstuurd.
Die Kathrin werd in oktober 1939 in Stockholm uitgevoerd, met een enorm fiasco. Deels was het aan het zwakke libretto te wijten, maar het lag vooral aan het antisemitisme dat zelfs in de Zweedse kranten overheerste.
Zestig jaar later werd de opera door CPO opgenomen. Gelukkig, want er valt bijzonder veel te genieten. Het zit barstensvol schitterende muziek, die het midden houdt tussen opera, operette, musical en film. Een gebruikelijke mix in die tijd – een Zeitoper derhalve. Er valt ontzettend veel moois te beluisteren en de vele aria’s lenen zich voor het meezingen.
De ‘briefaria’ van Kathrin lijkt sprekend op Mariettas lied uit Die Tote Stadt en haar gebed bezorgd de gevoelige luisteraar tranen in zijn ogen.
Uiteraard heeft ook de tenor wat te doen.
Hieronder Anton Dermota zingt ‘Wo ist mein Heim’ in een opname uit 1949 onder leiding van Korngold zelf :
en het liefdesduet is wellicht het mooiste uit alle Korngold opera’s. Zelfs de schurk Mallignac krijgt prachtige noten te zingen, wat hem meteen wat menselijker maakt.
YouTube heeft bijna alle fragmenten weggehaald, gelukkig staat de hele cd op Spotify:
Het laatste woord over Die Kathrin is nog niet gezegd, maar of ik ooit een live uitvoering zou mogen meemaken? De muziek verdient het. Stond dat Puccini wellicht voor ogen toen hij een operette wou schrijven?
Hieronder Renee Fleming zingt ‘Ich soll ihn niemals mehr sehen’:
Erich Wolfgang Korngold
Die Kathrin
Melanie Diener , David Rendall, Robert Hayward, Linda Watson, Della Jones;
BBC Singers & BBC Concert Orchestra olv Martyn Brabbins
CPO 9996022 • 162’