Walter Braunfels. De vraag waarom hij zo verschrikkelijk is vergeten ga ik niet eens stellen. Dat het iets met de nazi’s en de Joden te maken had, dat weet iedereen immers wel. Maar de oorlog is al zeventig jaar voorbij en Braunfels is al meer dan 60 jaar dood. En nog steeds is zijn naam niet daar, waar het hoort te zijn: op de belangrijkste concertpodia en operabühnes.
In de jaren negentig kon je nog van een kleine revival spreken: EMI bracht zijn mysteriespel Verkündigung uit en Decca nam zijn bekendste opera Die Vögel op. Die Vögel dook dan weer eens in Los Angeles op, waar James Conlon al jaren bezig is om ‘entartete componiste’ ruim podium te geven. In de letterlijk zin van het woord.
Super verrast en blij ben ik dus met de nieuwe uitgaven van Capriccio en Oehms Classics. Bij Oehms Classics is nu deel 1 van zijn orkestrale liederen uitgekomen, deel 2 is onderweg.
Het programma begint met het voorspel tot- en de Nachtegaal-aria uit Die Vögel. Valentina Farcas zingt het hondsmoeilijke stuk met een vanzelfsprekende zekerheid en een enorme dosis tederheid.
Michael Volle weet mij bijzonder te imponeren met de met zijn prachtige, diepe, warme bariton en indrukwekkende voordracht gezongen Hölderlin-Gesänge en Auf ein Soldatengrab op de tekst van Hermann Hesse. Daar word ik stil van.
Het is een beetje jammer dat voor Abschied vom Walde Klaus Florian Vogt is geëngageerd. Ik heb het een beetje gehad met zijn softe, blanke geluid. Gelukkig duurt zijn bijdrage maar vijf minuten.
Als uitsmijter krijgen we Don Juan, oftewel variaties op de “champagnearia” van Mozart. Het stuk voelt zó als een duizelingwekkend carrousel van bekende klanken dat het je naar adem doet happen.
Het werk klinkt zeer filmisch en zou zo uit de pen van Korngold kunnen zijn gekomen. Het Staatskapelle Weimar onder leiding van Hansjörg Albrecht weet er goed raad mee.
WALTER BRAUNFELS
Orchestral songs volume I
Valentina Farcas, Klaus Florian Vogt, Michael Volle; Staatskapelle Weimar olv Hansjörg Albrecht
Oehms Classic OC 1846 • 68‘
Aan opnamen van de Lyrische Suite van Berg geen gebrek. Zowel in de versie voor strijkkwartet als bewerkt voor een (kamer)orkest: de keuze is groot. Of het Bergs bedoeling was dat het laatste deel, Largo Desolato ook gezongen zou worden is zeer twijfelachtig, maar logisch is het wel.
Theodor Adorno, Bergs leerling en vertrouweling beschouwde het werk als een latente opera en daar zit wat in. Adorno was, als één van de weinigen, op de hoogte van diens affaire met de getrouwde Hanna Fuchs, voor wie hij het werk componeerde. Voor Berg was Fuchs niet alleen zijn geliefde en zijn muze, maar ook zijn Isolde en zijn Lulu.
Hanna Fuchs
Het is pas de laatste jaren dat er openlijk over de affaire wordt gesproken en de wetenswaardigheid is zonder meer van invloed is geweest op de interpretatie van de “Emerson’s”. Wat ze ook ruimschoots toegeven.
Het is niet de eerste keer trouwens, dat het gedicht van Baudelauire, dé inspiratiebron voor het laatste deel van het kwartet, ook daadwerkelijk wordt gezongen. Kronos Quartet en Dawn Upshaw hebben de versie al in 2003 opgenomen, er bestaat ook een opname van Quator Diotima met Sandrine Piau. De “Emerson’s” echter bieden ons beide versies aan: met en zonder zang.
De beslissing om Berg’s Lyrische Suite aan de liederen van Egon Wellesz te koppelen is niet minder dan geniaal. Beide componisten hadden hun opleiding bij Schönberg genoten, die ze, behalve het twaalftoonstechniek ook een grote dosis expressionisme had bijgebracht. Iets, wat je zeer duidelijk hoort in de cyclus Sonette der Elisabeth Barrett Browning.
Egon Wellesz door Oskar Kokoschka
Dat de liederen niet vaker worden opgevoerd is niet alleen vreemd maar ook een grote schande. Dat heeft natuurlijk alles te maken met het “ooit verboden en daarna vergeten”, wat ook Eric Zeisl noodlottig is geweest. Zijn korte lied Komm Süsser Tod smaakt naar meer: kon er niet wat meer Zeisl aan de cd toegevoegd worden? Het ligt niet aan onvoldoende ruimte: met krap 56 minuten is de cd aan een zeer korte kant.
De romige, gecultiveerde sopraan van Renée Fleming, én haar maniërisme passen de liederen als een handschoen. Met als resultaat een prachtige kruising van Gustav Klimmt met Max Beckmann. De zeer beeldende en uitdrukkingsvolle uitvoering van het Emerson String Quartet draagt bij aan de totale belevenis. Een must.
Alban Berg, Egon Wellesz, Eric Zeisl
Lyric Suite; Sonette der Ellisabeth Barrett Browning; Komm Süsser Tod
Renée Fleming, sopraan; Emerson String Quartet
Decca 4788399
Ende der 80er Jahre, des vorigen Jahrhunderts, kam die Musik liebende Welt (und damit meine ich nicht nur die Hörerschaft, sondern auch die Publizisten, Rezensenten und Musikfachleute) dahinter, dass da mehr ist zwischen Himmel und Erde; oder nun, wo wir über Musik sprechen: zwischen Strauss und Stockhausen. Man fing an zu realisieren, dass eine ganze Generation Komponisten aus den Geschichtsbüchern und von den Konzertbühnen entfernt wurde. Innerhalb kurzer Zeit. Dies war nicht alleine die Schuld der Nazis
1988 wurde die Ausstellung „Entartete Musik“ in Düsseldorf ausgerichtet, exakt 50 Jahre nach der ursprünglichen Nazi-Aufführung. Die Ausstellung hatte auch emotionale Auswirkungen auf andere Städte, worunter auch Amsterdam, und wurde der Auslöser um Fragen zu stellen.
Der Term „entartet“ wurde nicht von den Nazis erfunden. Schon im 19. Jh. wurde er in der Kriminologie benutzt, es bedeutete so etwas wie: „biologisch degeneriert“. Der Term wurde gerne durch die Machthaber des Dritten Reiches ausgeliehen, um die Kunstgattungen zu verbieten, die sie „unarisch“ fanden. Modernismus, Expressionismus, Jazz … und alles, was mit Juden in Verbindung gebracht wurde, denn sie waren im Voraus schon degeneriert, in dem Fall als Rasse.
Was als Verbot begann, entwickelte sich schon schnell als Ausschluss und resultierte in Mord. Diejenigen, denen es geglückt war nach Amerika oder England zu flüchten, haben den Krieg überlebt. Wer in Europa blieb, war verdammt. Viele, hauptsächlich tschechische Komponisten wurden über Terezín in die Vernichtungslager deportiert, viele landeten dort geradewegs. Nach dem Krieg wurden sie total vergessen, und so zum zweiten Mal ermordet. Wer es überlebte, wurde als hoffnungslos altmodisch bezeichnet und nicht gespielt.
Es begann erst Ende der 80er Jahre, dass man ein Bewusstsein dafür entwickelte, dass Korngold mehr war als nur ein Komponist von erfolgreicher Hollywood-Filmmusik; dass ohne Schreker und Zemlinski wahrscheinlich auch kein Strauss gewesen wäre, und Boulez und Stockhausen nicht die Ersten waren, die mit Serialismus spielten. Das Umdenken kam für die meisten der Überlebenden zu spät.
In Deutschland wurde eine Stiftung Musica Reanimata gegründet, aber auch die Niederlande blieben nicht dahinter zurück. Unter dem Namen Musica Ritrovata haben ein paar Enthusiasten einen Versuch gewagt, um die Musik zurück auf die Konzertbühnen zu bringen.
Dass dies glückte, war auch Channel Classics zu verdanken. Das niederländische CD-Label, gegründet durch Jared Sachs, war das Allererste, welche die Musik der „vergessenen“ Komponisten begann aufzunehmen.
Schon in den Jahren 1991 und 1992 veröffentlichten sie 4 Cds mit der Musik der „Theresienstadt-Komponisten“, von denen man beinahe niemals vorher etwas gehört hatte: Gideon Klein, Hans Krása, Pavel Haas, Viktor Ullman… Und das, wo die letzten drei doch vor dem Krieg wirklich ein Begriff waren. Gideon Klein hatte die Chance nicht – er wurde schon in seinem 24. Lebensjahr vergast.
Die ersten vier Cds von Channel Classics waren echte Pionierarbeit. Von Hans Krása wurde in Prag die Kinderoper Brundibar aufgenommen. Brundibar wurde noch vor dem Krieg komponiert, aber seine Premiere fand 1943 in Terezín statt.
Die CD (CCS 5198) wurde kombiniert mit Liedern von Domažlicky. Kein Überflieger, aber ohne Zweifel interessant.
Großartig hingegen ist die Aufnahme von Krásás Kammermusik durch das La Roche Quartett (CCS 3792), womöglich die beste Darbietung die davon existiert.
Von allen Schülern von Janácek gelang es Pavel Haas am besten, die Einflüsse seines Lehrers mit eigener musikalischer Sprache zu kombinieren. Auf Bitten von Karel Berman (Bass) schrieb er in 1944 Vier Lieder nach Worten chinesischer Poesie. Berman, der den Krieg überlebte, hat sie zusammen mit seinen eigenen Liedern (CCS 3191) aufgenommen
Aber am schönsten finde ich, neben dem dritten Streichquartett von Victor Ulmann, die Aufnahme mit vier Werken des 24-jährigen Gideon Klein. Lausche nach seinem Trio und erschaudere. (CCS1691)
Channel Classics macht weiter – nun in Zusammenarbeit mit dem unübertroffenen Werner Herbers und seiner Ebony Band. Durch ihn sind viele Komponisten mehr als eine Meldung in Wikipedia geworden. Denken Sie an Schulhoff: Sie kennen doch sicher seine CD mit Dada-inspirierten Werken, mit den Zeichnungen von Otto Griebel?
Ebony Band und Loes Luca in Sonata Erotica:
Denken Sie an Wolpe von dem er während des HF (Holland Festival) die Oper Zeus und Elida aufgeführt hat, und dessen Musik er noch stets aufnimmt – die neueste heißt Dancing. Außer Wolpe, Milhaud und Martinů sind dort auch Werke von Emil František Burian und Mátyás Seiber zu finden.
Und denken Sie an den polnischen Józef Koffler, während des Krieges ermordet. Sein Streichtrio und die prächtige Kantate Die Liebe (gesungen durch Barbara Hannigan), steht neben dem Quintett des anderen unbekannten Polen Konstanty Regamey (CCS31010).
James Conlon is al jarenlang een vurig pleitbezorger van de “Entartete” componisten. In zijn Keulse jaren (hij was tussen 1989 en 2002 chef dirigent van de Gürzenich-Orchester en artistiek leider van de opera) heeft hij vrijwel alle orkestrale en vocale werken (waaronder ook Der Zwerg) van Zemlinsky uitgevoerd en opgenomen. De opnamen op EMI koester ik als de grootste schat, wat het waarschijnlijk ook is.
James Colon
In 2006 werd Conlon aangesteld als de muzikale leider van de opera van Los Angeles en één van zijn eerste projecten was een serie ‘Recovered Voices: A Lost Generation’s Long-Fortgotten Masterpieces’.
In zijn eigen woorden:
“De muziek van Alexander Zemlinsky en Viktor Ullmann bleef decennia lang verborgen door de nasleep van de vernietiging, aangericht door het beleid van het nazi-regime […] Volledige erkenning van hun werken en talent ontbreekt nog steeds, meer dan 65 jaar na hun dood […] Hun leven en persoonlijke geschiedenissen waren tragisch, maar hun muziek overstijgt het allemaal. Het is aan ons om hun verhaal te waarderen in zijn volle historische en artistieke context.”
De serie is in 2008 gestart met een double-bill van Ullmann’s Der zerbrochene Krug en Zemlinsky’s Der Zwerg.
Twee totaal verschillende opera’s, twee totaal verschillende muziekstijlen, twee werelden, één lot: ooit op de gezamenlijke vuilnisbelt van de ‘ontaardde kunst’ beland. Geen van beide componisten heeft de oorlog overleefd.
DER ZERBROCHENE KRUG
Victor Ullmann
Der Zerbrochene Krug (1941/1942) was het laatste werk dat Ullmann componeerde voordat hij gedeporteerd werd naar Theresienstadt. In oktober 1944 werd hij afgevoerd naar Auschwitz en twee dagen na zijn aankomst vergast
Het libretto (geschreven door Ullmann zelf), een heerlijke Commedia dell’arte, is gebaseerd op een klassieker van von Kleist uit 1808.
Het was de eerste keer dat ik de opera zag en ben er onmiddellijk voor gevallen. De muziek is prachtig: jazzy, af en toe atonaal, maar met heerlijke walsjes. Eigenlijk van alles wat. Eclectisch? Jazeker, maar sinds wanneer is dat een vies woord?
De productie heeft mijn hart gestolen. Het begint al met de ouverture: terwijl maestro Conlon het orkest opzweept tot ongekende hoogten (kan je ook komisch spelen?), krijgen we een soort ballet- pantomime (choreografie: Peggy Hickey) opgevoerd, waarin het ons “verteld” wordt wat er vooraf is gebeurd.
De beelden, de schaduwen, het licht, de choreografie – alles maakt dat je niet anders kan dan glimlachen.
Het zeer erotisch geladen verhaal gaat over een man die bij een nachtelijk bezoek aan Eve een dierbare kan van haar moeder, Frau Marthe Rull, heeft gebroken. De vrouw zoekt daar gerechtigheid voor bij rechter Adam, maar uiteindelijk blijkt dat de rechter zelf de dader was.
Het speelt zich af in een klein dorpje (Heisum) in Holland en dat levert heerlijk herkenbare beelden op. Anton Pieck, Delfts Blauw, Frau Antje, windmolens, klompen – niets wordt ons bespaard! En mooi dat het is! De belichter (David Weiner) verdient er een Oscar-prijs voor.
Melody Moore (Eve) is een ware ontdekking. Met haar buigzame, lyrische, sprankelende sopraan weet zij de tegenstrijdige gevoelens van onschuld en ondeugd, flirt en oprechte liefde op een onnavolgbare manier te uiten. Af en toe deed zij mij aan de jonge Lucia Popp te denken.
Haar moeder wordt heerlijk gechargeerd gezongen door Elisabeth Bishop en Richard Cox is uitstekend as haar verloofde Ruppert.
Maar alles en iedereen verbleekt bij James Johnson, die de rechter Adam zingt. Wat een stem! Wat een dictie! En wat een optreden! Wat hij met de rol doet grenst aan het onmogelijke. Hier wordt een mens gelukkig van.
DER ZWERG
Zemlinsky was een lelijke man en daar leed hij behoorlijk onder. Daar heeft de twee jaar durende verhouding met zijn bloedmooie leerlinge – Alma, die hem een dwerg noemde – zeker toe bijgedragen.
Zemlinsky wilde hier een opera over maken. Hij bestelde bij Schreker een libretto, maar zag er uiteindelijk vanaf (waarop de librettist zelf de muziek componeerde, wat resulteerde in Die Gezeichneten). Het idee liet Zemlinsky echter niet los en hij kwam bij Oscar Wilde en zijn The Birthday of the Infanta terecht.
Op haar achttiende verjaardag ontvangt Donna Clara, behalve juwelen, kant en het duurste van het duurste, ook een merkwaardig geschenk: een dwerg, die bovendien afzichtelijk lelijk is. Een heerlijk speeltje voor de infante, zeker ook, omdat de dwerg het van zichzelf niet weet – hij heeft nog nooit zijn eigen spiegelbeeld gezien.
Donna Clara maakt hem verliefd en laat hem in de waan dat ze ook van hem houdt, waarna ze hem voor spiegels zet. Hij overleeft het niet, maar dat kan de verwende prinses niet boeien.
De (zeer traditionele en naturalistische) setting is buitengewoon mooi en de kostuums oogverblindend – je waant je daadwerkelijk aan het Spaanse hof.
Het geheel ziet er als een schilderij van Velazques uit, adembenemend.
Adembenemend is ook de uitvoering. James Johnson zingt en acteert een voortreffelijke Don Esteban.
Melody Moore (ik blijf nog steeds onder de indruk) zingt hier de eerste dienstmaagd en Susan B. Anthony is een zeer ontroerende Ghita, het enige wezen dat medelijden met de arme dwerg heeft. Mary Dunleavy heeft alles in huis om de verwaande infante te vertolken: zij is mooi en capricieus. Haar stem is zilverkleurig en kinderlijk licht. Ook als actrice weet ze te overtuigen.
De hoofdrol wordt hier op een onnavolgbare wijze gezongen door Rodrick Dixon. De enige die ik ooit beter vond, was Douglas Nasrawi, gehoord tijdens de ZaterdagMatinee. Dixon is zwart, wat natuurlijk al een plus is, zeker hier. Zelf zou ik het voldoende vinden – het maakt van hem meteen een outcast – maar hij werd ook behoorlijk toegetakeld door de grime-afdeling. Totaal overbodig, als u het mij vraagt, maar dat mag geen minpuntje zijn in de verder fantastische productie.
Mensen: ga het kopen! Ga genieten, lachen, huilen… En: ga even stilstaan bij wat vernietigd is en nog steeds niet teruggeplaatst is op de rails.
Viktor Ullmann & Alexander Zemlinsky
Der zerbrochene Krug & Der Zwerg
Rodrick Dixon, Mary Dunleavy, James Johnson, Melody Moore e.a.
Los Angeles Opera Orchestra and chorus olv James Conlon
Regie: Darko Tresnjak
Arthaus Music 101 528
Als je sterren zou kunnen geven voor het ‘belang’ van een cd, dan had deze cd met Lieder und Kammermusik van Leo Kok (1893-1992 ) van mij ************** gehad. De naam van de componist heb zelfs ik, een doorgewinterde ‘Entartete Music (of zo u liever wilt ‘Verboden’of ‘Vervolgde’ muziek) verzamelaar nog niet eerder gehoord.
Het is aan de onvolprezen Leo Smit Stichting te danken dat, nadat de ene na de andere schat uit het donkere verleden werd geopenbaard ook de naam van Leo Kok terug tot het leven werd gewekt.
Kok verloor zijn beide ouders toen hij nog maar een kind was en werd grootgebracht door zijn oma. Hij speelde piano, componeerde en … voetbalde, alle drie als een prof. Hij zat in het verzet en overleefde de hel van Buchenwald. Na de oorlog vestigde hij zich in Ascona, waar hij een klein antiquariaat dreef.
Leo Kok voor zijn antiquariaat Liberia della Rondine in Ascone
Wat kan ik u nog meer vertellen? Dat zijn stijl eigenlijk geen stijl is, want hij was van alle markten thuis? Dat de prachtige Mémoires uit 1935 onder de handen van Marcel Worms je aan een aquarel penseeltekening doen denken en dat de Trois Danses Exotiques het bloed in je aderen sneller doen stromen?
Marcel Worms Foto: Rivka Worms
Irene Maessen is een zeer overtuigende pleitbezorgster van zijn liederen, al had ik persoonlijk wat meer expressie willen horen.
Ursula Koch (viool) mist een beetje dat ‘smachtende’, maar is zeer ontroerend in de twee werkjes uit het Enfence -cyclus
Alleen al het prachtige boekwerk met veel foto’s, muziekfragmenten, facsimile’s van de partituren, affiches en de begeleidende tekst in vier talen verdient meer dan lof. Op naar de winkel, zou ik zeggen. Deze uitgave mag niemand missen
Een kort documentaire over Leo Kok:
Leo Kok Lieder und Kammermusik Marcel Worms (piano), Irene Maessen (sopraan), Ursula Schoch (viool) Deutschlandfunk gb 006 • 75’
Langzaam, veel te langzaam en eigenlijk veel te laat, maar de muziekwereld wordt wakker. De een na de andere leemte wordt eindelijk opgevuld en de (bewust of onbewust) ‘vergeten’ componisten komen ook onze cd-spelers in.
Wie van u heeft ooit van Paul Ben-Haim gehoord? En als niet: waarom niet eigenlijk?
De in 1897 in München als Paul Frankenburger geboren en bijna 90 jaar later in Tel Aviv gestorven componist heeft een zeer spectaculair oeuvre nagelaten. Veel vocale werken, orkeststukken, kamermuziek…. Wat niet, eigenlijk?
De meeste van zijn composities zijn beïnvloed en geïnspireerd door Joodse, Israëlische en Arabische melodieën, je kan zijn muziek dan ook ‘nationalistisch’ noemen. En: nee, daar is niets mis mee, met dat woord.
Neem alleen de opening van zijn klarinetkwintet uit 1941! De dansante klarinetpartij herinnert in de verte aan de swingende klezmer, maar dan wel in een Brahmsiaans jasje.
Nog sterker komt het tot uiting in zij Two Landscapes voor altviool en piano, waarin hij de schoonheid van zijn nieuwe vaderland bezingt.
De aan Zino Francescati opgedragen Improvisation and Dance verraden invloeden uit het Jemenitische folklore en alleen zijn oudste werk op de cd, het pianokwartet uit 1920 heeft nog geen eigen gezicht.
De zeer aanstekelijk spelende leden van het Canadese ARC Ensemble zijn in het dagelijks leven allen werkzaam op het Glenn Gould Conservatorium. Een cd om te koesteren
PAUL BEN-HAIM
Clarinet Quintet, Two Lanscapes, Canzonetta, Improvisation and Dance,
Piano Quartet
ARC Ensemble
Chandos CHAN 10769
Wordt de muziekwereld eindelijk wakker? Niet als het aan de grote platenfirma’s ligt, bij hen worden we nog altijd veroordeeld tot Bachs, Beethovens en Wagners; maar gelukkig bestaan de kleine labels nog. Chandos, bij voorbeeld. Een tijd geleden verrasten ze ons met de cd met kamermuziekwerken van Paul Ben–Haim, nu weten ze mij overgelukkig te maken met Jerzy Fitelberg.
Was Ben-Haims naam nog her en der een beetje bekend, Fitelberg is het niet.
Althans Jerzy, want van zijn vader Grzegorz, die een beroemde dirigent was, bestaan nog voldoende oude opnames.
Jerzy Fitelberg (1903 – 1951) werd geboren in Warschau en studeerde eerst met zijn vader die hem als percussionist in het orkest van het Nationale Theater liet spelen.
Om aldus ervaring op te kunnen doen. Vanaf 1922 studeerde hij compositie bij o.a. Franz Schreker in Berlijn. In 1927 maakte hij naam door Sullivan’s Mikado te re-orkestreren voor Erik Charell’s operette-revue in Grosses Schauspielhaus in Berlijn. In 1933 vluchtte hij eerst naar Parijs en daarvandaan naar New York.
Fitelberg behoorde tot de favoriete componisten van o.a. Copland en Artur Rubinstein. Zelf omschreef hij zijn compositiestijl als “vol energie en hoogspanning van een Stravinski gecombineerd met de harmonische complexiteit van Hindemith en kleuren van Franse muziek van Milhaud. Plus de hoognodige satire”.
Zijn werken werden tot aan zijn dood vaak uitgevoerd, daarna verdwenen ze van het toneel. Tot ruim zestig jaar later het ARC Ensemble (ja, dezelfde die ook de cd van Ben-Haim heeft ingespeeld) de draad heeft opgepakt.
Het eerste strijkkwartet uit 1926 begint met een kordate Presto, die mij veel aan Medelssohn doet denken, maar lang duurt het niet. Algauw komen er Slavische thema’s voorbij om plaats te maken voor de melancholieke Meno mosso. Mooi.
Het in 1928 met prijzen overladen tweede strijkkwartet lijkt in de verte een beetje op Janaček, maar dan met Poolse in plaats van Moravische dansen op de achtergrond. De sonatine voor twee violen vermengt alle tegenstrijdigheden uit de late jaren dertig: entertainment, jazz en een (voorzichtige) atonaliteit.
Fisches Nachtgesang, een nachtmuziek voor klarinet, cello en celesta is zo mooi dat het pijn doet. Het doet mij aan een nachtkaars denken, die voorzichtig uitgaat. Toegedekt met de sussende woorden ‘ga gerust maar slapen doe je je ogen toe’, maar echt gerustgesteld ben je niet.
De zeer aanstekelijk spelende leden van het Canadese ARC Ensemble zijn in het dagelijks leven allen werkzaam op het Glenn Gould Conservatorium. Wat een cd! Tien met een griffel!
Jerzy Fitelberg
Chamber Works
String Quartets Nos 1 and 2
Serenade; Sonatine; Nachtmusik ‘Fisches Nachtgesang’
ARC Ensemble
Chandos CHAN 10877
Stel je voor: je bent jong, mooi en heimelijk verliefd op een revolutionair, die op zijn sterfbed ligt. Jullie verhouding is ‘not done’ en een huwelijk uitgesloten. Je woont in een kleine stad, waar geen toekomst voor je is.
Op een dag dient zich een prins aan. Het is waar: hij is oud en versleten. Zijn baard en snor zijn vals, hij draagt een pruik en is een beetje kinds. Maar hij is rijk en eigenlijk best aardig. Van zijn geld kun je je geliefde naar de Spaanse zon sturen, waar hij beslist beter zal worden. En als de prins sterft staat niets je meer in de weg om te huwen wie je wilt. Hiervoor wil je je toch best opofferen, nietwaar?
Marja Alexandrowna is een sluwe vrouw. Zij weet hoe zij haar dochter Sina zo ver kan krijgen, dat zij instemt met haar plannetje om de prins aan de haak te slaan (al is het met tegenzin). De prins krijgt een forse maaltijd voorgeschoteld, rijkelijk besprenkeld met wijn. Sina zingt een aria, de prins krijgt nog een likeurtje toe, en ja hoor: hij vraagt om Sina’s hand. Helaas, alles loopt in de soep.
Paul, een ver familielid van de prins en verliefd op Sina, en Nastassja, een arme verwante van Marja Alexandrowna en zelf in de prins geïnteresseerd, gooien roet in het eten.
Als de prins van zijn dutje ontwaakt neemt hij gaarne van Paul aan dat zijn aanzoek slechts in een droom plaats vond. Intussen zorgt Nastassja er voor dat alle dames van het stadje van het voorval op de hoogte worden gebracht. Moeder en dochter worden uitgelachen, Sina biecht het vooropgezette plan toe, de prins vergeeft het haar en vertrekt. En intussen sterft Sina’s geliefde.
De Verlobung im Traum is een bijzondere opera. De handeling is gevat in een raamvertelling. Het verhaal wordt ons verteld door een archivaris van Mordasov. In de proloog stelt hij de hoofdpersonen aan ons voor, in de epiloog horen wij hoe het met Sina en haar moeder verder afloopt. Het verhaal, letterlijk naar Dostojewski’s Ooms droom werd tot een libretto verwerkt door Rudolf Fuchs en Rudolf Thomas.
Trailer van de uitvoering in Karlsruhe in 2014:
Verlobung im Traum werd in 1933 onderscheiden met de Staatsprijs voor de Compositie en in hetzelfde jaar werd het ook uitgevoerd: eerst voor de Praagse Radio en een paar maanden later in het Duitse Theater in Praag. Georg Szell dirigeerde en Hilde Konetzny zong Sina. Het succes was groot, maar verdere uitvoeringen waren uitgesloten. Het was immers al 1933.
De muziek is nergens atonaal, men bespeurt sterke invloeden van Poulenc, maar ook Mahler komt om de hoek kijken. Krása strooit rijkelijk met jazz invloeden en de saxofoon neemt een prominente plaats in het orkest. Het meest opmerkelijk is wellicht het ‘wraak-duet’ aan het eind van de eerste akte: een ironische vervanging van het gebruikelijke ‘liefdesduet’?
Anda-Luise Bogsa zingt Sina:
En dan hebben wij nog ‘Casta Diva’: Sina, in haar poging om de prins te verleiden zingt de prachtige aria uit Bellini’s Norma. In plaats van het oorspronkelijke koor, krijgen wij een kwintet: de moeder, de prins en de achter het scherm afluisterende Nastassja en Paul leveren elk hun commentaar op Sina’s gezang.
Hans Krása in Teresienstadt tijdens een concert gedirigeerd door Karel Ancerl
De in 1899 geboren Krása was een echte bon-vivant. Zijn dagen bracht hij door in het koffiehuis, in de opera of schakend met zijn vriend Thomas. Voor het componeren bleef weinig tijd over.
Op uitnodiging van zijn geestverwanten van Les Six verbleef Krása korte tijd in Parijs, maar de heimwee naar Praag was sterker. Hij keerde terug naar zijn vaderland, net op tijd om naar Teresienstadt gestuurd te worden. Op 17 oktober 1944 werd hij in Auschwitz vergast, samen met o.a. Pavel Haas en Gideon Klein.
“Das schönste sind im Leben diese Träume, die erfüllen, was unerfüllbar ist”
Hans Krása
Verlobung im Traum
Christianne Berggold, Charlotte Hellekant, Juanita Lascarro, Jane Henschel, Albert Dohmen e.a.
Ernst Senff Chor Deutsches Symphonie-Orchester Berlin olv Lothar Zagrosek
Decca 4555872
Het is een verademing om niet meer te hoeven uitleggen wie die Erich Wolfgang Korngold toch was. Nog niet zo lang geleden was hij uitsluitend bekend bij diehards, romantici en liefhebbers van zijn (overigens schitterende!) filmmuziek. Nu krijgt hij eindelijk de erkenning die hem toekomt.
Zijn vioolconcert behoort tot de meest gespeelde en opgenomen vioolcomposities en zijn werken zijn niet meer weg te denken uit onze concertzalen.Er valt echter nog altijd genoeg te ontdekken. Neem alleen maar zijn liederen. Nog steeds behoren ze niet tot het standaardrepertoire, ondanks de vertolkingen van grootheden als Anne Sophie von Otter, Bo Skovhus, Renée Fleming en Dietrich Henschel.
Op initiatief van onder meer Deutschlandradio Kultur werden alle liederen van Korngold opgenomen voor het Weense label Capriccio, met als vertolkers sopraan Adrianne Pieczonka, bariton Konrad Jarnot en de onvolprezen pianiste Reinild Mees.
De cd-box werd op woensdag 28 oktober 2015 officieel gepresenteerd in de Glazen Zaal van de Oostenrijkse ambassade. Met de medewerking van de drie solisten.
De ambassadeur, dr. Werner Druml, nam het eerste exemplaar in ontvangst, waarna hij een kort toespraakje hield over Korngold en zijn belang voor de Oostenrijkse cultuur. Ik voelde me er een beetje ongemakkelijk bij. Korngold, een ‘Wener’ in hart en nieren, hield zielsveel van zijn land, maar moest het als Jood ontvluchten. En na de oorlog werd hij ook daar, in zijn geliefde stad, totaal vergeten. Zijn laatste lied, ‘Sonett für Wien’, was niet minder dan liefdesverklaring aan de stad die hem uitspuugde. Kort erna stierf hij, nog maar 60 jaar oud, aan een gebroken hart.
Zijn allereerste lied schreef Korngold toen hij zeven jaar oud was. Op zijn veertiende had hij al een liederencyclus gecomponeerd. Het waren twaalf liederen met teksten van Von Einem, bedoeld als een verjaardagscadeau voor zijn vader. Het geheel kreeg de titel So Gott und Papa will.
Op de cd worden ze werkelijk subliem vertolkt door Konrad Jarnot.
Dat Jarnot een echte liedzanger is, hoor je al bij de eerste noten van ‘Abendlandschaft’, het eerste lied van de cyclus. Zijn interpretatie is zo beeldend dat je de tekst niet nodig hebt.
In ‘Nachtwanderen’ (uit Sechs einfache Lieder) weet Jarnot zelfs mijn geliefde Bo Skovhus te overtreffen. Zijn stem klinkt net zo erotisch, maar dan nog mannelijker. Chapeau!
Zelf ben ik hopeloos verliefd geworden op ‘Desdemona’s Song’ (uit Four Shakespeare Songs), een lied dat Adrianne Pieczonka ook tijdens de presentatie in Den Haag zong. Het lied klinkt bijna volksachtig Engels. Het is eenvoudig en diep ontroerend. Pieczonka zingt het op de cd met een stem die diep tot het hart van de toeschouwer doordringt. Eenvoudig, ja, maar met veel weemoed en ‘Sehnsucht’.
De box bevat maar liefst zeven wereldpremières, waaronder het heerlijke ‘Wienerische’ lied ‘Der Innere Scharm’, waar Korngold zelf de tekst voor schreef. De begeleiding van Reinild Mees is, zoals altijd, waanzinnig goed.
Tijdens de presentatie vertelde Reinild Mees: “De meeste liederen van Korngold hebben mooie, nostalgische melodieën, die doordrenkt zijn van een subtiele, ingehouden romantiek. Typische Weense Jugendstilmuziek. Daarnaast kun je in zijn liedoeuvre ook impressionistische en expressionistische invloeden ontdekken. Bariton Konrad Jarnot en sopraan Adrianne Pieczonka hebben al deze aspecten prachtig vertolkt. Het was voor mij een fantastische ervaring om met hen deze liederen op te nemen en de klankwereld van Korngold samen te beleven.”
Eind jaren tachtig van de vorige eeuw kwam muziekminnend wereld (en hier bedoel ik niet alleen de luisteraars, maar ook de publicisten, recensenten en muziekdeskundigen mee) er achter dat er meer was tussen hemel en aarde, of, nu wij het over muziek hebben: tussen Strauss en Stockhausen. Men begon zich te realiseren dat er een hele generatie componisten uit de geschiedenisboeken en concertpodia was gewist. Zo maar. En het was niet alleen de schuld van de nazi’s.
In 1988 werd de tentoonstelling ‘Entartete Muziek’ in Düsseldorf opgezet, precies 50 jaar na de oorspronkelijke Nazi-vertoning. De tentoonstelling heeft ook andere steden, waaronder ook Amsterdam, aangedaan en werd de aanzet tot het stellen van vragen.
De term ‘entartet’ (ontaard) werd niet door de nazi’s uitgevonden. Al in de negentiende eeuw werd het gebruikt in de criminologie, het betekende zoiets als “biologisch gedegenereerd”. De term werd gretig door de machthebbers van de Derde Rijk geleend om de kunstuitingen te verbieden die zij ‘onarisch’ vonden. Modernisme, expressionisme, jazz En alles wat met Joden te maken had, want die waren bij voorbaat al gedegenereerd, als ras dan.
Wat als verbod was begonnen ontwikkelde zich al gauw tot uitsluiting en resulteerde in moord. Degenen die het gelukt was om naar Amerika of Engeland te vluchten hebben de oorlog overleefd. Wie in Europa was gebleven was gedoemd.
Vele, voornamelijk Tsjechische componisten werden via Terezín naar de vernietigingskampen gedeporteerd, velen belandden daar rechtstreeks. Na de oorlog werden ze totaal vergeten, en zo voor de tweede keer vermoord. Wie het overleefde werd voor hopeloos ouderwets uitgemaakt en niet gespeeld.
Het was pas eind jaren tachtig, dat er besef kwam dat Korngold meer was dan een componist van Hollywod-scores; dat zonder Schreker en Zemlinski er waarschijnlijk ook geen Strauss was geweest en dat Boulez en Stockhausen niet de eersten waren die met serialisme speelden. De kentering kwam voor de meeste van de overlevenden te laat …
In Duitsland werd een stichting Musica Reanimata opgericht, maar ook Nederland bleef niet achter. Onder de naam Musica Ritrovata hebben een paar enthousiastelingen een poging gewaagd om de muziek terug naar de concertpodia te brengen.
Dat het lukte, was mede aan Channel Classics te danken. De Nederlandse cd-label, opgericht door Jared Sachs was de allereerste die de muziek van “vergeten” componisten begon op te nemen.
Al in al 1991 en 1992 hebben ze vier cd’s uitgebracht met de muziek van de “Theresienstadt – componisten” van wie men bijna nooit eerder had gehoord: Gideon Klein, Hans Krása, Pavel Haas, Viktor Ullman… En dat, terwijl de laatste drie toch echt een begrip waren, vóór de oorlog. Gideon Klein had de kans niet gehad– hij werd al op zijn 24-ste vergast.
HANS KRÁSA
De eerste vier cd’s van Channel Classics waren echt pionierswerk.
Van Hans Krása werd in Praag de kinderopera Brundibar opgenomen. De opera werd nog al voor de oorlog gecomponeerd, maar zijn première vond plaats in Terezín, in 1943.
De cd (CCS 5198) werd gecombineerd met liederen van Domažlicky. Geen hoogvlieger, maar zonder meer interessant.
Geweldig daarentegen is de opname van Krása’s kamermuziek door het La Roche Quartet (CCS 3792), wellicht de beste uitvoering die er van bestaat:
PAVEL HAAS
Van alle leerlingen van Janácek, slaagde Pavel Haas er het beste in de invloeden van zijn leraar met een eigen muzikale taal te combineren. Op verzoek van de bas Karel Berman schreef hij in 1944 Vier liederen bij de Chineze gedichten. Berman, die de oorlog overleefde, heeft ze samen met zijn eigen liederen (CCS 3191) opgenomen.
Hieronder zingt Berman ‘Far Away Is The Moon Of Home’:
GIDEON KLEIN
Maar het mooiste vind ik de opname met, naast het derde strijkkwartet van Victor Ulmann, vier werken van de 24-jarige Gideon Klein. Luister naar zijn Trio en huiver (CCS 1691)
SCHULHOFF, WOLPE AND KOFFLER. EN MEER
Channel Classics gaat door – nu in samenwerking met de onvolprezen Werner Herbers en zijn Ebony Band. Door hem zijn er veel componisten meer dan een vermelding in de Wikipedia geworden. Denk aan Schulhoff: u kent toch wel zijn cd met door Dada geïnspireerde werken , met de tekeningen van Otto Griebel?)
Hieronder: Ebony Band speelt H.M.S.Royal Oak, jazzoratorium van Schulhoff
Denk aan Joseph Wolpe van wie hij tijdens het HF de opera Zeus und Elida heeft uitgevoerd en wiens muziek hij nog steeds opneemt – de nieuwste heet Dancing.
Hieronder speelt Ebony Band Tanz (Charleston) van Wolpe:
Behalve Wolpe, Milhaud en Martinů staan er werken van Emil František Burian en Mátyás Seiber op.
En denk aan Poolse Józef Koffler, de eerste Poolse componist die de dodecafonie heeft gebruikt. Koffler werd samen met zijn familie door de Nazi’s vermoord, waarschijnlijk in de stad Krosno. Zijn strijktrio en de prachtige cantate Die Liebe (gezongen door Barbara Hannigan) staat naast het Quintet van de andere onbekende Pool, Konstanty Regamey (CCS 31010)