Een vrouw verscheurd tussen de liefde voor haar moeder en haar minnaar: het is geen alledaags thema voor een opera. Dat zij uiteindelijk voor haar moeder kiest wordt haar fataal, maar heeft ons met ‘Suicidio!’, één van de mooiste aria’s uit de operageschiedenis verrijkt. Ondertussen krijgen we passie, bedrog, moord en zelfmoord, voor elk wat wils. Melodrama? Me dunkt, van het beste kaliber!
Hieronder: Violetta Urmana zingt ‘Suicidio’
Violetta Urmana zet een uitstekende straatzangeres neer, betrokken en doorleefd, al is zij minder dramatisch dan haar illustere voorgangsters: Callas, Cerquetti, Milanov, Tebaldi of Scotto… Om maar een paar te noemen.
Hieronder: ‘Suicidio’ gezongen door Renata Scotto
Luciana D’Intino is een mooie, lyrische Laura en Lado Ataneli een goede Barnaba, al mist hij de vileine trekjes (kwestie van goed acteren?) van een Sherrill Milnes of Norman Mittelmann.
Dat Plácido Domingo de rol van Enzo altijd al wilde opnemen is evident. Hij zong hem voor het eerst in 1970 in Madrid, met Angeles Gulin als Gioconda, en vertolkte hem later ook in Berlijn, London, New York en Wenen.
Hieronder: Plácido Domingo zingt ‘Cielo e mar’ in Madrid 1970:
En nu dus – voor het eerst! – ook op de cd en het resultaat is werkelijk verbluffend. Zijn vocale kracht is niet verminderd en zijn warme tenor, wonderlijk genoeg minder baritonal van timbre klinkt nog steeds als een klok.
Amilcare Ponchielli
La Gioconda
Violeta Urmana, Placido Domingo, Luciana D’Intino, Elisabetta Fiorillo, Lado Ataneli, Roberto Scandiuzzi
Chor des Bayerischen Rundfunk, Münchner Rundfunkorchester olv Marcello Viotti
Warner Classics 7359652
Regelmatig hoor ik de heren en dames cellisten klagen dat het repertoire voor hun instrument niet zo groot is, vandaar dat ze min of meer steeds dezelfde stukken (moeten) spelen en/of opnemen. Maar is het waar?
Wel, als je je alleen tot de min of meer bekende componisten beperkt. En zeker als je nog steeds ‘vergeet’ terug te kijken naar de zwarte periode in de geschiedenis, toen boeken in de vlammen op gingen en kunst, inclusief hun scheppers ‘entartet’ werd verklaard. Gelukkig hebben we nog voldoende musici die er alles aan doen om de ooit verboden werken aan de vergetelheid te onttrekken.
In 2016 heeft Raphael Wallfisch, één van de grootste pleiters van het ‘vergeten repertoire’, twee tot dan toe onbekende celloconcerten opgenomen: die van de van oorsprong Oostenrijk-Hongaarse Hans Gál en de Italiaanse Mario Castelnuovo–Tedesco. Beide componisten hebben de oorlog overleefd: Castelnuovo-Tedesco in Hollywood en Gál in Schotland. Beiden worden amper nog gespeeld, al kan een beetje gitarist niet om het oeuvre van de Italiaan heen.
Hans Gál
Met de composities van Hans Gál is het droeviger gesteld, nog steeds kom je ze zelden tegen op de concertpodia. Zijn in 1944 gecomponeerde celloconcert laat zich niet makkelijk ontleden. Of, anders gezegd: je krijgt hem niet vanzelfsprekend ‘under your skin’. Ik moest er een paar keer naar luisteren voordat ik mij aan over gaf. Gáls taal lijkt stug en al is het werk nergens atonaal, je moet er werkelijk moeite voor doen. Maar misschien hoort het ook zo? Want gauw vergeten doe je het niet meer!
Mario Castemnuocvo-Tedesco
Geen groter contrast dan met de voornamelijk virtuoze compositie van Castelnuovo-Tedesco! Zijn celloconcerto schreef de componist voor de grote cellist Gregor Piatigorsky, de première vond plaats in 1935, Arturo Toscanini dirigeerde het New York Philharmonic. En dat was het dan. Sindsdien werd het concerto totaal vergeten, tachtig jaar lang. Totdat Raphael Wallfisch zich daarover ontfermde.
Raphael Wallfisch geeft beide concerten een uitstekende vertolking, met voldoende aandacht voor de diverse schrijfstijlen van de componisten. Het concerto van Gál klinkt onder zijn handen bijna classicistisch nuchter, voor Castelnuoco-Tedesco heeft hij voldoende virtuositeit en romantiek in huis om de luisteraar te enthousiasmeren.
Hans Gál: Celloconcert in b, op. 67
Mario Castelnuovo-Tedesco: Celloconcert in F
Raphael Wallfisch (cello), Konzerthausorchester Berlin o.l.v. Nicholas Milton
CPO 555 074-2
Wat weten we van de Armeense klassieke muziek? Hoeveel Armeense componisten kent een doorsnee liefhebber? Weinig, vrees ik. Op Aram Khachatourian en zijn Gayaneh na, dan. Maar ook deze componist dankt zijn betrekkelijke bekendheid aan de ‘sabeldans’ en de openingstune van de ooit zo populaire TV-serie Onedinline. Droevig. Des te meer als je bedenkt dat de Armeense cultuur met haar eigen alfabet en haar eigen muzieknotatie tot de oudste in Europa behoort.
Tigran Mansurian
Gelukkig wordt er de laatste tijd wat meer aandacht aan besteed, wat voornamelijk te danken is aan de (van oorsprong) Armeense musici. Zo heeft de altvioliste Kim Kashkashian al in 2003 een cd opgenomen met de muziek van Komitas en Tigran Mansurian.
Hieronder: Kim Kashkashian, Jan Garbarek en Ivan Avaizovsky spelen het Lachrymae van Mansurian
De laatste treffen we ook op de cd met Armeense pianotrio’s, door Et’Cetera in 2004 opgenomen, met behalve Mansurians ‘Vijf Bagatellen’ ook composities van Arno Babadjanian, Gayaneh Tchebodarian en Krikor Hakhinian.
Hieronder het piano trio van Arno Babadjanian:
Alle stukken op deze cd werden tussen 1945 en 1985 gecomponeerd en zijn alle bijzonder ritmisch en buitengewoon prettig om naar te luisteren. Persoonlijk heb ik wat moeite met het trio van Hakhinian, wellicht door zijn ‘barokke’ karakter, maar daar kwam ik gauw overeen.
Levon Chillingirian, de als zoon van Armeense ouders op Cyprus geboren violist kennen we als aanvoerder van het Chillingirian Quartet. Hier wordt hij bijgestaan door Viviane Spanoghe (cello) en André De Groote (piano).
Ik kan die cd aan een ieder van harte aanbevelen. De hier gespeelde stukken zijn niet alleen interessant, ze zijn ook buitengewoon mooi en de uitvoeringen zijn meer dan voortreffelijk.
Hieronder ‘Moderato’ uit de Five Bagatelles van Mansurian:
Arno Babadjanian, Tigran Mansurian, Gayaneh Tchebodarian, Krikor Hakhinian
Armenian Piano Trios
Levon Chilingirian (viool), Viviane Spanoghe (cello), André De Groote (piano)
ET’CETERA KTC 1262
Het jaar 2000 (en de nieuwe eeuw) was net begonnen toen de Franse documentairemaker Bruno Monsaignon uitgenodigd werd door Mistislav Rostropovitsj om bij hem thuis te komen: de beroemde cellist wilde hem al het materiaal aan films en opnamen dat hij bezat, containers vol, overhandigen. En al ontbrak er veel aan data’s en informatie, het was Monsaignon onmiddellijk duidelijk wat een waardevolle schat hij in zijn handen kreeg. Na ettelijke wodka’s later durfde Monsaignon het aan om de grote maestro toestemming te vragen om een film over zijn leven te maken.
Het is een fascinerend document vol historische beelden en muziekfragmenten geworden: Rostropovitsj was niet alleen één van allergrootste cellisten van de zijn tijd die onnoembare aantal componisten inspireerde om werken voor hem te schrijven, hij was ook een uitstekende pianist en dirigent. Én politiek activist én voorvechter van mensenrechten. In 1972 werd hij verbannen en van zijn nationaliteit gestript omdat hij zijn vriend, de schrijver Aleksander Sozjenitsyn verdedigde. Na de val van het communisme werd hij gerehabiliteerd en als held welkom geheten in het ‘nieuwe’ Rusland.
De film begint met een feest in de Barbican Centre in Londen. Op de bühne verzamelen zich de grootsten van de grootsten en daar staan ze, allemaal op een rij: Kremer, Argerich, Vengerov, Jansons, Kissin, Penderecki, Ozawa.. Wie eigenlijk niet? Zelfs Margareth Thatcher ontbreekt niet! Het ‘feestvarken’ snijdt de taart (in de vorm van een cello) aan, waarna hij gebaart dat het nu tijd is om aan de drank te gaan. Kostelijk.
Er is ook een bonus. Of twee eigenlijk. Na de Rococo Variaties van Tsjaikovski uit 1986 krijgen we een unieke beeldopname van de in 1977 geregistreerde ‘Archduke – trio’ van Beethoven, met naast Rostropovitsj Wilhelm Kempff en Yehudi Menuhin; gevolgd door de in 1969 opgenomen ‘Sarabande’ uit Bachs tweede cellosolosuite. Wow.
Bonus twee trakteert ons op tafelgesprekken met de kinderen Rostropovitsj en Solzjenitsyn. Hoe waardevoller wilt u het nog hebben?
MSTISLAV ROSTROPOVICH: L’ARCHET INDOMPTABLE A film by Bruno Monsaignon Naxos 2.110583
De Israëlische, in Oekraïne geboren componiste Anna Segal is niet echt een naam die je vaak ergens tegenkomt. Best jammer want haar composities zijn het aanhoren meer dan waard.
Anna Segal en Rachel Talitman
Speciaal voor haar landgenote Rachel Talitman componeerde ze werken voor harp en kamermuziekensemble, waarbij de harpiste samenwerking aangaat met verschillende instrumenten. Het resultaat is niet minder dan verbluffend, al realiseer ik mij dat het niet ieders cup of tea zal zijn.
Alle composities op deze cd doen zeer impressionistisch aan, maar dan met een stevigere body; aardser en toch dromerig. Waarbij ook de oude jazz niet ver weg is en de sfeer mij doet denken aan jamsessions van weleer, in de “wee small hours in de morning”. Zeer visueel en sfeervol. Ik vind het prachtig.
Van alle hier opgenomen werken vind ik het Concertino voor harp, klarinet en strijkkwintet het beste. De muziek, die de harp in een soort dialoog laat gaan met de klarinet en de strijkers klinkt zeer spannend. Niks geen softie ‘gepingel’, maar een zeer evenwichtige verdeling van de hoofdrollen, zoals het hoort. Dat het daarbij zeer aangenaam is om er naar te luisteren – Segalls muziek is zeer melodieus, met rijke harmonieën – is zeker meegenomen.
In de Suite heeft de klarinet plaats gemaakt voor de hobo. Zelf vind ik de compositie zwakker en onevenwichtiger. Het klinkt mij iets te luchtig, waarbij Segal zich helaas te veel herhaalt. Best jammer want de warmte en de sensualiteit van de hobo vormt een geweldige match met de zoete klanken van de harp. Wat ik wel mooi vind is het dansante karakter van het stuk, iets wat eigenlijk alle Segals werken domineert. Het beste hoor je het in de met zijn overheersend donkere tonen zeer melancholisch andoende Sonate voor harp en cello.
Rachel Talitman (harp) en haar partners: Jean-Marc Fessard (klarinet), Adrien Able (hobo) en het Ensemble Mendelssohn spelen op een allerhoogst niveau. Een waarlijk prachtige cd.
Anna Segal
Chamber music for harp
Rachel Talitman (harp), Jean-Marc Fessard (klarinet), Adrien Able (hobo); Ensemble Mendelssohn
Harp&Company CD5050-41
Sinds kort vormen de Poolse meesterpianist Rafał Blechacz en de Koreaanse stervioliste Bomsori Kim een duo, althans op de bühne. Hun samenwerking bracht ze naar de studio van de Deutsche Grammophon, waar ze cd opnamen met Poolse en Franse werken voor viool en piano.
Blechacz en Kim over hun samenwerking:
De keuze voor juist die twee landen wordt verklaard middels muziek van Frédëric Chopin, van wie ze de door Nathan Milstein bewerkte Nocturne nr.20 in c mineur spelen. Chopin, die de helft van zijn korte leven in Frankrijk woonde staat namelijk symbool – volgens de samenstellers althans – voor de perfecte symbiose van de Poolse melancholie en de Franse elegantie. Maar of het ook voor de andere componisten op de cd opgaat?
Ach, onbelangrijk eigenlijk als er zo prachtig wordt gemusiceerd. Niet dat ik geen kanttekeningen heb. Zo vind ik de piano te dominant en veel te hard klinken, althans in Fauré. Nu is Blechacz een meer dan voortreffelijke pianist die bekend staat om zijn poëtische aanslag en laat dat nou precies zijn wat ik daar mis!
Maar het kan ook aan de opname liggen want in Debussy wordt de balans hersteld waardoor je eindelijk hoort hoe prachtig het spel van Kim is. Haar strijkvoering is delicaat en haar voordracht mysterieus mystiek, zo klinkt ook de pianist. Precies zoals het hoort.
Music can save your life. Literally. Anita Lasker-Wallfisch has survived Auschwitz. And also Bergen Belsen. She knows for sure that music was the cause of this. She was 16 when she was arrested. Her parents were already dead, but she didn’t know that yet.
Young Anita played the cello and once in Auschwitz she was deployed in the Women’s Orchestra, which was conducted by Alma Rosé, Gustav Mahler’s niece. After the war she came to London, married pianist Peter Wallfisch and was a co-founder of the English Chamber Orchestra.
Her son, Raphael, is also a cellist. A famous one too, with many recordings to his name. And his son, Benjamin, is a conductor. Father and son Wallfisch made a recording together, which they dedicated to their relatives who were killed in the camps. The CD was released just before Holocaust Memorial Day on 27 January 2014.
It has become a surprising CD, because besides Bloch’s almost inevitable Schelomo also his rarely played Voice in the Wilderness is included and Ravel’s Kaddish follows André Caplet’s Epiphanie (d’après une légende éthiopienne). The latter escapes me a bit, it feels like the odd one out. I have to admit that I have no affinity with the work whatsoever. It just ripples on.
Instead I would have preferred to hear Baal-Shem by Bloch. Or something from Joseph Achron. Or Alexander Krein. Or the other two Mélodies hébraiques by Ravel. And even if I prefer the sung version of ‘Kaddish’ (can I make a recommendation? Gerard Souzay!) I have to admit that Raphael Wallfisch with his cello stole my heart. But the most beautiful thing is the orchestra. Soft. Dear. Loving.
Raphael Wallfisch discusses his Jewish music release:
ERNEST BLOCH
I am often asked if there is such a thing as Jewish music ….. Well, there certainly is! Just take Ernest Bloch. He was born in 1880 in Geneva in an assimilated family. Around the age of twentyfive he became interested in everything to do with Judaism and translated it into his language – music. “I’m interested in the Jewish soul” he wrote to Edmund Fleg, cantor and librettist of his opera Macbeth. “I want to translate all this into music.”
He developed a very personal style: his compositions reflect the atmosphere of Hebrew chant, without actually being a literal imitation of it. His intention was not to reconstruct old Hebrew music, but to write his own, good music, because, as he said, he was not an archaeologist. He succeeded.
Ernest Bloch – Voice in the Wilderness; Schelomo. Rhapsody hébraïque
André Caplet – Epiphany (d’après une légende éthiopienne)
Maurice Ravel – Mélodie hébraïque, Kaddish
Raphael Wallfisch, cello
BBC National Orchestra of Wales conducted by Benjamin Wallfisch
Nimbus NI 5913
De liederen die Anne Sofie von Otter, bijgestaan door de bariton Christian Gerhaher zingt op de in 2008 op Deutsche Gramophon (DG 4776546) uitgekomen cd Terezín – Theresienstadt behoren tot verschillende muziekgenres. Één ding hebben ze echter gemeen: alle werden ze gecomponeerd in het concentratiekamp Terezín en hun daar naartoe gedeporteerde scheppers werden later in Auschwitz vermoord.
Het initiatief kwam van von Otter zelf: voor de Holocaustherdenking in Stockholm heeft ze een ruime selectie van de ‘Terezín-liederen’ verzameld en daar een recital van samengesteld. Dit programma werd vervolgens op cd vastgelegd, “opdat we het nooit vergeten”.
Ilse Weber
Het is geen cd om tussendoor te draaien, al zijn veel van de liederen afkomstig van het lichtere genre. Het meest ontroerend vind ik de liederen van Ilse Weber.
Probeer het maar droog te houden bij ‘Wiegala’, het slaapliedje dat Weber de kinderen toezong tot in de gaskamers. Of bij de huiveringwekkende woorden “ ik wil zo graag naar huis”, afkomstig uit Webers ‘Ich wandre durch Theresienstadt”.
Hieronder ‘Wiegala’ van Ilse Weber, gezongen door Anne Sofie von Otter:
Erwin Schulhoff
De prachtige vioolsolosonate van Erwin Schulhoff hoort hier eigenlijk niet thuis, Schulhoff is nooit in Terezín geweest. Hij werd op 23 juni 1941 in Praag opgepakt en naar het concentratiekamp Würzburg gedeporteerd, waar hij in 1942 overleed aan tuberculose. Dat Daniel Hope al jarenlang aan muziek van Schulhoff is verknocht dat hoor je, hij vertolkt het werk op een onnavolgbare manier.
Hieronder speelt Daniel Hope ‘Andante Cantabile’, tweede deel van de sonate van Schulhoff. Het is een opname van de cd ‘Forbidden Music’, uitgebracht door Nimbus:
Ilse Weber, Hans Krása, Viktor Ullmann, Pavel Haas, Karel Svenk, Erwin Schulhoff
Terezín – Theresienstadt
Anne Sofie von Otter (mezzosopraan), Christian Gerhaher (bariton), Daniel Hope (viool), Bengt Forsberg (piano), Bebe Risengf (accordeon, gitaar en contrabas) e.a.
Ik ben nooit een ‘Wagneriaan’ geweest. Nooit kon ik het geduld opbrengen om zijn urenlange opera’s uit te zitten. Bombastisch vond ik ze. Aanstellerig. En al moest ik toegeven dat er best mooie melodieën in zaten, toch vond ik dat er op zijn minst een schaar aan te pas moest komen, wilde ik ze enigszins kunnen verdragen.
Dat daar toch nog een verandering in is gekomen, heb ik aan Domingo te danken. In mijn verzamelwoede (ik moest en ik zou alles van hem hebben) schafte ik in 1989 de net uitgebrachte Tannhäuser (DG 4276252) aan. En toen gebeurde het: ik raakte verslaafd.
In het begin was het voornamelijk de ‘schuld’ van Domingo, wiens diepmenselijke invulling van de titelrol me kippenvel bezorgde. Bij zijn woorden ‘Wie sagst du, Wofram? Bist du denn nicht mein Feind?’ (gezongen met de nadruk op ‘mein’ en ‘Feind’ en met een kinderlijk vraagteken aan het eind van de frase) barstte ik in snikken uit.
Later leerde ik ook de muziek zelf te waarderen en tot op de dag van vandaag is Tannhäuser niet alleen mijn geliefde Wagner-opera, maar ook één van mijn absolute favorieten.
Deze door Sinopoli zeer sensueel gedirigeerde opname beschouw ik nog steeds als één van de beste ooit. Ook omdat alle rollen (Cheryl Studer als Elisabeth en Agnes Baltsa als Venus, wat een weelde!) voortreffelijk zijn bezet. Dat was toen, in de jaren tachtig en begin negentig, beslist niet vanzelfsprekend.
ERIK
Voor de in 1998 opgenomen Der Fliegende Holländer (DG 4377782) heeft Domingo de rol van Erik aan zijn repertoire toegevoegd. Zijn Erik is aantrekkelijk en charmant, hij zingt die rol niet alleen zeer betrokken maar ook zeer idiomatisch.
Die opname is mij bijzonder dierbaar en dat niet alleen vanwege Domingo, maar ook vanwege Cheryl Studer, toen wellicht de mooiste Senta die men zich kon voorstellen. Haar heerlijk lyrische sopraan met makkelijke en sensuele hoogte leek geschapen voor die rol.
De Holländer wordt hier gezongen door Bernd Weikl. Niet echt de jongste meer en dat hoor je, maar voor die rol zeer passend en Peter Seiffert is een pracht van Der Steuerman.
Maar het allermooist is het orkest: onder de werkelijk bezielde leiding van Giuseppe Sinopoli speelt het Orchester der Deutsche Oper Berlin sterren van de hemel.
LOHENGRIN
Alle zwanen ten spijt, de Lohengrins vallen niet uit de hemel. Vóór hij de rol in 1985 officieel ging opnemen (Decca 4210532), had Domingo zich er al bijna twintig jaar op voorbereid. En het resultaat was er ook naar.
De puriteinen riepen er toen schande van. Want een Germaanse held vertolkt door een Spaanse belcanto-zanger, en dat ook nog met een accent, nee, dat kon niet. Ik kan me nog levendig de recensies van toen herinneren, geschreven door de vermaarde muziekbesprekers (nee, ik ga geen namen noemen) die er niet alleen een schande van riepen, maar ook zeker wisten dat zijn carrière zowat afgelopen was, want hier zong hij zijn stem aan kapot. Nou…
Tegenwoordig, 33 jaar later weten we beter. Niet alleen is zijn stem niet kapot, maar men geeft grif toe dat het een formidabele lezing was, door één van de beste tenoren uit de vorige eeuw. Deze Lohengrin is niet alleen heldhaftig, maar voornamelijk liefhebbend en warmbloedig, minder god, meer mens.
Jessye Norman was in die tijd de volmaakte Elsa: jong en onschuldig. En als je weet dat de dirigent Solti heet…. Gewoonweg prachtig!
Domingo’s vuurdoop in de rol van Lohengrin was in Hamburg in 1968. Hij was toen 27 (!) jaar oud. Het was niet alleen zijn eerste Wagner, het was ook de allereerste keer dat hij een opera in het Duits zong, een taal dat hij toen nog niet beheerste.
Van de uitvoering zijn fragmenten bewaard gebleven (onder meer Melodram MEL 26510). Zijn stem klinkt als een klok, met veel brons en een gouden glans. De hoge noten zijn hoog en worden voluit gezongen. Wanneer kan je nog zo’n Lohengrin heden ten dage horen? Om te huilen zo mooi.
Zijn Elsa was Arlene Saunders, in die tijd een op handen gedragen prima donna in Hamburg, tegenwoordig totaal vergeten. Hoe onterecht! Saunders was niet alleen een waanzinnig goede zangeres, zij was ook een mooie vrouw en een voorbeeldige actrice.
Hieronder Plácido Domingo en Arlene Saunders in ‚Das süße Lied…Wie hehr erkenn’ ich‘:
PARSIFAL
In 2006 zong Domingo zijn laatste Parsifal (officieel althans). Het werd live in Wenen door Deutsche Grammophon opgenomen (DG 4776006). Hoewel hij hoorbaar niet zo piep is, weet hij nog steeds volkomen te overtuigen, wat eigenlijk ook voor Waltraud Meiers Kundry geldt.
Franz-Josef Selig is een fantastische Gurnemanz. Zijn warme bas met prachtig legato lijkt geschapen voor de lange monologen. Falk Struckmann zet verder een pracht van een Amfortas neer.
Van de dirigent Christian Thielemann wordt gezegd dat hij een waardige opvolger is van Furtwängler en daar zit wat in. Zijn voorliefde voor de grote Duitse componisten steekt hij niet onder stoelen of banken en zijn interpretaties daarvan worden dan ook zeer terecht geroemd.
Ook zijn grilligheid en eigengereidheid heeft hij met zijn illustere voorganger gemeen. Zijn interpretaties zijn dan ook vaak omstreden. Ik mag dat wel, want daardoor dwingt hij zijn luisteraar tot een aandachtig luisteren. In Parsifal legt hij de nadruk niet zozeer op de mystiek, als wel op het menselijke aspect van het werk. Het werkelijk briljant spelende orkest volgt hem op de voet.
In 1998 heeft Tony Palmer een zeer boeiende film gemaakt, getiteld Parsifal – The Search for the Grail (Arthaus 100610). Domingo is de gastheer en vertelt niet alleen over het werk, maar ook over de geschiedenis van de heilige graal.
Het is een zeer boeiende en leuke zoektocht, geïllustreerd door onder meer fragmenten uit Indiana Jones en Monty Python en uit een opvoering in het Mariinski Theater, met naast Domingo Violeta Urmana als Kundry en Matti Salminen als Gurnemanz. Gergiev dirigeert.
TRISTAN UND ISOLDE
In de winter 2004/2005 was het dan zover: de kroon op Domingo’s lange carrière. Tristan stond al lang op zijn verlanglijstje en tweemaal was het al bijna zover geweest (Bayreuth en Wenen), maar uiteindelijk durfde hij het niet aan. De kans om het dan maar op te nemen, greep hij met beide handen aan.
EMI (tegenwoordig Warner Classics 5099996686423) maakte er meteen een feest van en pakte groots uit – het schijnt dat het project bijna een miljoen euro heeft gekost!
Het resultaat is dan ook overweldigend. Nina Stemme zingt een jonge en kwetsbare Isolde en René Pape is één van de beste Marke’s die ik ooit heb gehoord. Zijn monoloog ‘Tatest du’s wirklich’ behoort tot de mooiste en ontroerendste momenten uit de opera.
Domingo is een Tristan om verliefd op te worden. Hij is een man, een mens van vlees en bloed, zo nodig heroïsch en sterk, maar ook zwak en breekbaar. Hij is trouw, maar voornamelijk verliefd, tot de dood erop volgt.
Zijn interpretatie lijkt weinig op die van andere grote Tristans uit de geschiedenis. Dat kan ook niet anders: hij is geen heldentenor. Maar zingen is wat voor mij het meeste telt en zingen doet hij! Peter Alward (de scheidende A&R-producer van EMI en het brein achter de opname) zei ooit in een interview dat het hem niet zou verbazen als een hele toekomstige generatie van Wagner-tenoren een massale harakiri gaat plegen na het beluisteren van Domingo in die rol.
DIE WALKÜRE
Domingo als Siegmund in Washington in 2007.
Met Siegmund (Die Walküre) is Domingo inmiddels zowat getrouwd, het was dan ook zijn vaakst gespeelde Wagner-rol. Ik heb het hem horen zingen in Londen, op de Proms, een ervaring om nooit meer te vergeten.
Er zijn meer dan genoeg opnamen in omloop, officieel en minder officieel dus ik neem aan dat u er zeker één hebt. Althans….. als u er in geïnteresseerd bent.
Dan maar twee video-clips: een fragment van zijn debuut in die rol (Wenen 1992) met Waltraud Meier als Sieglinde:
SIEGFRIED
Nee. Aan Siegfried heeft hij zich nog nooit gewaagd, niet op de bühne althans en het is zeer onwaarschijnlijk dat hij het nog gaat doen, maar met Domingo weet je het nooit. Tenslotte verrast hij ons ieder jaar met minstens één nieuwe rol, geen kleinigheidje als je 78 bent geworden!
Op een cd getiteld Scenes from the Ring (ooit EMI 5572422, nu waarschijnlijk uit de handel) zingt hij alle grote muziek van Siegfried uit zowel Siegfried als Götterdämmerung en dat doet hij fantastisch. Luister alleen maar naar ‘Nothung’ of ‘Dass mein Vater nicht ist’, om van ‘Brünhilde! Heilige Braut!’ maar te zwijgen. Kan het nog indrukwekkender? Wat een genoegen om hem in die rol te horen.
LOVE DUETS
Al eerder had hij de duetten uit Siegfried opgenomen (ooit EMI 5570042), samen met de even fantastisch zingende Deborah Voight. Behalve muziek uit Siegfried staat op de cd de concertversie van het liefdesduet uit de tweede akte van Tristan und Isolde. Het werd door Wagner zelf bewerkt voor de concertzaal en deze versie bevalt me zeer.
Een liefdesnacht vol passie mag nooit als een nachtkaars uitgaan. In de opera Tristan und Isolde worden de geliefden door de bedrogen echtgenoot gesnapt waardoor hun liefdesduet abrupt eindigt. Een acte verder sterven zij, hij door een wond en zij uit verdriet. In de concertstuk Tristan und Isolde wordt ons het eind van de opera voorspeld, de muziek sterft uit op de akkoorden die we als ‘Isoldes Liebestot’ herkennen.
De uitvoering is wederom ongekend geweldig, wat we hier te horen krijgen, is belcanto (ja, ja, belcanto! Het is geen vies woord hoor, ook niet bij Wagner) in al zijn facetten: twee schitterende stemmen die samensmelten in liefde niet alleen voor elkaar, maar ook voor de muziek.
In de jaren negentig van de vorige eeuw heeft de (ooit zeer gerenommeerde) klassieke muziek label Decca een onvolprezen serie ‘Entartete Musik’ opgestart. Onder supervisie van de producer Michael Haas werden er werken opgenomen van de door nazi’s vervolgde componisten van wie velen in de concentratiekampen werden vermoord en daarna decennialang werden genegeerd en zelfs vergeten.
Lang heeft het niet geduurd. De verkoopcijfers vielen tegen, Haas werd ontslagen, en de meeste van die cd’s zijn inmiddels uit de catalogus.
Franz Waxman
Franz Waxman
Elke oprechte liefhebber van filmklassiekers kent de muziek van Franz Waxman. Zijn composities voor o.a. Rebecca, Sunset Boulevard en A Place in the Sun hebben hem ettelijke Oscar nominaties bezorgd en twee keer mocht hij het beeldje ook daadwerkelijk in ontvangst nemen.
Voor Humoresque van Jean Negulesco, met in de hoofdrollen Joan Crawford en John Garfield componeerde hij een regelrechte kraker: ‘Carmen Fantasie’ (in de film gespeeld door Isaac Stern), een niet uit de concertzalen en opnamen weg te krijgen virtuoze stuk voor viool en orkest.
Weinig mensen weten echter dat hij ook ‘serieuze’ muziek heeft gecomponeerd. Het wordt gewoon genegeerd.
Eric Zeisl
Eric Zeisl
Zeisls naam is tegenwoordig vrijwel helemaal vergeten. Ooit heeft Harmonia Mundi een paar van zijn kamermuziekwerken opgenomen, maar ook die opnamen is inmiddels uit de catalogus verdwenen. Beide componisten waren generatie- en lotgenoten, die op de vlucht voor de nazi’s in Hollywood belandden. Mochten hun beider lotgevallen op elkaar lijken, hun muziek doet het allerminst.
De liederencyclus Das Lied von Terezín bestaat uit acht gedichten, geschreven door Tsjechische kinderen in de leeftijd van 12 tot 16 jaar tijdens hun verblijf in de concentratiekamp Theresienstadt.
Hevig aangedaan door het lot van deze kinderen componeerde Waxman in 1965 een zeer aangrijpende muziekstuk dat qua uitdrukkingskracht valt te vergelijken met Schönbergs Overlevende uit Warschau. Het gros is geschreven in twaalftoonstechniek, maar er valt ook een duidelijke invloed van Zemlinsky te bespeuren (‘Der Garten’) en in ‘Dachbodenkoncert in einer alten Schule’ wordt een motief uit de Mondscheinsonate van Beethoven geciteerd. Het geheel wordt zeer ontroerend vertolkt door de beide koren en de mezzosopraan Della Jones.
Het Requiem Ebraico van Eric Zeisl heeft als basis Psalm 92 en is opgedragen aan de vader van de componist en ‘alle slachtoffers van de Joodse tragedie in Europa’. Zeisls muziek is zeer melodieus en sterk beïnvloed door de Joodse en Hebreeuwse thema’s. Onvoorstelbaar, dat het niet vaker wordt uitgevoerd!
Franz Waxman: The Song of Terezín
Eric Zeisl: Requiem Ebraico
Deborah Riedel, Della Jones, Michael Kraus Rundfunk-kinderchor Berlin, Rundfunkchor Berlin, Rundfunk-Sinfonieorchester Berlin olv Lawrence Foster (Decca 4602112)