opera/operette/oratorium/koorwerken

Warlikowski brengt Henzes The Bassarids in Salzburg

Tekst: Peter Franken

Tijdens de

Salzburger Festspiele van 2018 stond een nieuwe productie van Henzes The Bassarids op het programma, een grootschalige productie geënsceneerd door Krzysztof Warlikowski.

The Bassarids van Hans Werner Henze ging in 1966 in Salzburg in première en was in 2018 voor het eerst weer tijdens de Festspiele te zien. Waar indertijd een Duitse vertaling werd gebruikt, ging het werk nu in het Engels, de taal waarin het libretto door W.H. Auden en Chester Kallman is geschreven, begin jaren 1960.

Het libretto volgt het toneelstuk De Bacchanten van Euripides vrijwel op de voet. Van contemporaine politiek maatschappelijke kritiek kan dus geen sprake zijn. Wel is mogelijk dat de auteurs en de componist zich tot het thema Dionysos aangetrokken voelden in de nasleep van de turbulente jaren ’30 en 40’. Dat vraagt om enige verduidelijking.

De figuur Dionysos is lastig te duiden. Enerzijds heeft hij, als de god van de wijn en een zekere ongeremdheid, een gemoedelijke carnavaleske uitstraling. Verder staat hij ook voor dramatische expressie en andere theatervormen. Maar zijn vaste entourage, een groep vrouwen die Maenaden worden genoemd (of ook wel Bacchanten), tonen in hun gedrag waartoe de mens in een Dionysische roes in staat kan zijn: moord en doodslag in zijn meest gruwelijke vormen. Dat maakt deze godenzoon, geboren uit de relatie van Zeus en Semele, tot een problematische godheid.

En daarom is het ook zo moeilijk een oordeel te vellen over het gedrag van de personages in Henzes opera. Enerzijds is er de versmade god die niet in eigen land wordt geëerd maar wel in het nabije oosten succes heeft. Thuis in Thebe heeft men zo zijn twijfels over Semele en haar relatie met de oppergod. Weliswaar staat er in de stad een heiligdom dat aan haar is gewijd, maar de nieuw aangetreden koning Penteus wil dat maar liever gelijk sluiten. En dan gaat het gerucht dat Dionysos met zijn Bacchanten zich in de nabijgelegen heuvels ophoudt.

Van de zoon van een belangrijke god gaat een zekere fascinatie uit. Denk aan de Egyptische Horus en de Perzische Mithras. Ook Jezus past volgens velen in dat rijtje aardse goden waaromheen zich gemakkelijk een cultus kan vormen. Zo komt Dionysos met zijn in het buitenland verworven reputatie naar zijn geboorteplaats om wraak te nemen op allen die zijn afstamming van Zeus ontkennen.

Dionysos kan zijn volgelingen in een roes brengen die het beste te vergelijken is met overmatig drugsgebruik. Elke remming verdwijnt, betrokkene slaat volledig los en kan zich eenmaal ‘terug op aarde’ niets herinneren van wat er is gebeurd. Zo ook bij Agave die met het hoofd van de door haar eigenhandig gedode zoon Penteus naar haar vader Cadmus toekomt om hem trots de ‘leeuwenkop’ te tonen die ze met blote handen van dat beest heeft gescheurd. Als een kat die met een vogel in zijn bek je huis binnenkomt om zijn prooi te tonen.

De lokroep van Dionysos is sterk, niemand kan er weerstand aan bieden behalve de oude Cadmos. Ook de zeer Apollinische koning Penteus niet, of misschien juist hij niet omdat in zijn bestaan geen ruimte is voor tenminste een beetje ongeremdheid. Hij laat zich door de profeet van Dionysos verleiden in vrouwenkleren naar de Bacchanten te gaan, opdat zij hem niet zullen herkennen. Op die manier kan hij alles gadeslaan wat daar gebeurt. Die profeet is uiteraard de god zelf, een personage gedreven door de wens zijn moeder te wreken door moord en verderf te zaaien in Thebe.

Wellicht dat hier in potlood een parallel is geschetst met het gemak waarmee in de jaren ’30 en ’40 grote mensenmassa’s ertoe gebracht konden worden elke ratio uit te bannen en klakkeloos gehoor te geven aan de lokroep van een charismatisch leider, een 20e -eeuwse godheid. Met alle gevolgen van dien.

Het toneel van de Felsenreitschule in Salzburg is vrij ondiep maar wel erg breed. Małgorzata Szczęśniak heeft daarom een decor ontworpen bestaande uit meerdere kleine vertrekken naast elkaar waarin zich delen van de handeling zonder tussentijdse wisselingen kunnen voltrekken. Verder wordt gebruik gemaakt van relevante videobeelden om een en ander aan te vullen. De kostumering is vooral eigentijds met hier en daar wat exotische trekjes. Koor en dansers maken integraal deel uit van de handeling zodat de toeschouwers in de zaal vermoedelijk ogen tekort kwamen. Op dit punt is een videokijker in het voordeel.

Het werk wordt ongecoupeerd gespeeld, zelfs het intermezzo in de derde akte, waarin Penteus door een magische spiegel te zien krijgt hoe zijn moeder en zijn tante Autonoe strijden om de Kapitein als sekspartner, ontbreekt niet. Enerzijds is dat een showstopper van een kwartier, anderzijds toont het de koning als voyeur, het eerste teken van afkalving van zijn Apollinische pantser. Toepasselijk is Henzes muziek hier heel anders – licht en speels zoals gebruikelijk in een stukje tussen de schuifdeuren – dan in de rest van de opera waarin hij het orkest soms oorverdovend te keer laat gaan.

In plaats van het tonen van een groep vrouwen die in een roes verkeren, wat in de regel niet verder komt dan wat onbeholpen pseudo erotiek, laat Warlikowski in de scène op de berg Cytheron een naakte danseres volledig door het lint gaan.

Rosalba Torres Guerrero heeft jaren gedanst bij Anne Teresa de Keersmaeker en beweegt zich als een waanzinnige in de stijl die we kennen uit deze troupe. Ongelooflijk hoeveel uithoudingsvermogen die vrouw aan de dag legt en wat ze allemaal met dat tengere lijf kan doen. Een uitstekende keuze, hier wordt getoond wat men zich kan voorstellen bij iemand in een Dionysische roes

De titelrol wordt vertolkt door de tenor Sean Pannikkar, goed gezongen en sterk geacteerd. Het is moeilijk enige empathie voor zijn Dionysos op te brengen en dat is een compliment. Zijn directe tegenstrever Penteus komt voor rekening van bariton Russell Braun, vocaal goed maar verder een tikje eendimensionaal.

De twee zussen van Semele, Agave en Autonoe, zijn in handen van respectievelijk Tanja Ariane Baumgartner en Vera Lotte Böcker. Goed verzorgd optreden, met name van Baumgartner die sowieso meer de aandacht trekt als moeder van Penteus.

Willard White is te zien in de belangrijke bijrol van koning Cadmus, natuurlijk in een rolstoel. Zijn raadgever Tiresias wordt adequaat vertolkt door Nikolai Schukoff.

De Wiener Philharmoniker en het Staatsopernchor staan onder leiding van maestro Kent Nagano die er een prachtige voorstelling van weet te maken. Een aanrader deze opname, ook al betreft het een werk met problematische inhoud.

Trailer:

Warlikowski over de opera:


I

Foto’s: © Bernd Uhlig

Meer over de Bassariden:

Hans Werner Henze: Die Bassariden

Meer Henze:

Hans Werner Henze: esthetisch -theatrale wereldverbeteraar in drie opera’s en een biografie

Queen Elisabeth, Leicester and Mary Stuart: history rewritten by Rossini

This opera is perhaps not one of Rossini’s most interesting works, but it is so very beautiful! The story? Leicester, Elisabetta’s lover, makes war in Scotland, secretly marries Matilde (a daughter of Mary Stuart) and takes her and her brother Enrico with him to England. He confides his secret to Norfolk, whom he considers his friend, but the latter betrays him. But it will all work out in the end, and – more importantly – it assures us of more than three hours of vocal pleasure.

It was the first of nine operas Rossini had written for the Teatro San Carlo in Naples. It was also his first opera for Isabella Colbran as well as his first opera in which all recitatives were accompanied by the strings.

For the recording by Opera Rara in 2002, a special edition was made from the manuscript. This was the first time that the work was recorded completely.

The scoring is phenomenal. Jennifer Larmore (Elisabetta) and Majella Cullagh (Matilde) are both irresistible. Bruce Ford is a beautiful, lyrical Leicester and Antonino Siragusa a truly sparkling Norfolk. Giuseppe Carella conducts the whole with great inspiration and verve.

And if the overture sounds familiar to you, then you are right: Rossini reused it for Il Barbiere di Sevilla (ORC22).


Warlikowski brengt mooie Wozzeck bij DNO

Tekst Peter Franken

Het libretto van Bergs opera is gebaseerd op het onvoltooide toneelstuk Woyzeck van Georg Büchner (1813-1837), die zich op zijn beurt liet inspireren door een historische gebeurtenis. In 1824 werd de soldaat Johann Christian Woyzeck schuldig bevonden aan de moord op zijn vriendin Johanna Christiane Woost en ter dood veroordeeld. Op de markt van Leipzig werd het vonnis voltrokken.

Over de veroordeling was nogal wat te doen geweest. De rechtbank zag het als een eenvoudige moord, zonder mitsen of maren, maar onder het publiek waren er die zich afvroegen of deze crime passionel niet was begaan door iemand met grote psychische problemen. Tegenwoordig zouden we waarschijnlijk van een TBS-geval hebben gesproken.

In Bergs opera is Wozzeck een individu zonder een verleden van enige betekenis en al helemaal zonder toekomst. Na zijn moord uit jaloezie loopt hij het water in en verdrinkt.

Alban and Helene Berg na de première in Berlijn

Wozzeck werd in 1924 voltooid en ging op 14 december 1925 in première in de Staatsoper Unter den Linden in Berlijn. Ondanks de atonale, voor velen minder toegankelijke muziek en het rauwe thema werd het werk positief ontvangen en heeft sindsdien altijd repertoire gehouden. Opvallend detail is de première in 1942 in de opera van Rome, dit tot ongenoegen van Goebbels die er nadrukkelijk protest tegen aantekende, zonder succes.

In 2017 was bij DNO een nieuwe productie van dit werk te zien in de regie van Krzysztof Warlikowski. Willy Decker en Peter Konwitschny gingen hem voor. Waar bij Decker het accent lag op vereenzaming en Konwitschny zich concentreerde op de irrelevantie van rijk of arm voor Wozzecks psychische problemen – het regende letterlijk bankbiljetten tijdens de voorstelling – legt Warlikowski de nadruk op het lot van het zoontje van Wozzeck en Mari

Het kind is voortdurend aanwezig bij de vernederingen die Wozzeck ondergaat en wordt als het ware ten tonele gevoerd als getuige van zijn vaders leven in de korte periode die voorafgaat aan het moment dat hij wees wordt. Hoe is Wozzeck de man geworden die hij is en wat moet er straks van dat joch terechtkomen? Het eerste laat Warlikowski voor wat het is, het tweede fascineert hem.

Hier wordt een gebeurtenis uit het leven van Berg naar de oppervlakte gebracht. Als jongen van 15 maakte hij een ouder dienstmeisje in het ouderlijk huis, Marie Scheuchl, zwanger. Zijn dochter Albine werd geboren op 4 december 1902. Kort daarvoor was Albans vader overleden. Deze gebeurtenissen grepen hem zo aan dat hij in het najaar van 1903 een zelfmoordpoging deed.

Warlikowski ziet duidelijk een poging van Berg om zijn schuldcomplex ten aanzien van zijn dochter, een ‘halve wees’, te verwerken door in zijn opera’s vergelijkbare situaties te tonen. Kind Wozzeck eindigt als wees, Lulu begint ermee. Hoe het ook zij, het houdt Berg duidelijk bezig en dat is nauwelijks verwonderlijk.

Kind Wozzeck krijgt in deze productie een kleine spreekrol, heel mooi gedaan door de jonge Jacob Jutte. Het wringt wat met het libretto – Wozzeck en Marie kennen elkaar nog geen drie jaar – maar heeft duidelijk toegevoegde waarde. Dat kan ik niet zeggen van de ballroomdansende kinderen aan het begin en in het derde bedrijf. En evenmin van het complete kinderkoor dat plotseling ten tonele verschijnt tegen het einde. Om te tonen dat kind Wozzeck geïsoleerd is, hoeft er geen complete dansschool aan de handeling toegevoegd te worden, hoe goed de kinderen ook spelen. En het gegeven dat schoolkinderen mochten toekijken bij de executie van de historische Woyzeck – op zich een apocrief verhaal, dunkt me – is een flinterdun excuus om een groep kinderen te gaan laten kijken naar het lijk van Marie.

Voor mij hadden deze ‘extra’s’ een averechts effect. Het leidde af van de tragedie die zich voltrok tussen Wozzeck en Marie, waardoor van enige betrokkenheid, bij mij althans, vrijwel geen sprake meer was. Bij Wozzeck verwacht je een mentale dreun. Als die uitblijft, is er iets mis. Ik hoop maar dat het andere toeschouwers niet zo is vergaan.

Afgezien van een overdaad aan kinderen volgt de enscenering vrij getrouw het libretto. Het toneelbeeld met decors en kostuums van Małgorzata Szczęśniak is sober, met slechts een paar rekwisieten, zoals een anatomische pop en een groot aquarium. Als het nieuws van Maries dood bekend wordt, gooit haar zoontje één voor één de organen van het model in het aquarium.

Orkestraal was de premièrevoorstelling absoluut top. Groot compliment voor het Nederlands Philharmonisch Orkest en dirigent Marc Albrecht. De twee hoofdpersonen Wozzeck en Marie waren zeer overtuigend in hun spel. Christopher Maltman deed mij in zijn uitmonstering denken aan één van de hoofdrolspelers uit Little Britain (‘computer says no’) en dat versterkte het effect van een persoon die vervreemd raakt van zijn omgeving. Mooi gezongen, goed geacteerd.

Eva-Maria Westbroek was een plaatje van een Marie. Heel ontroerend zoals ze reageerde toen duidelijk werd dat ze Wozzeck dreigde te verliezen en troost zocht in de Bijbel. Het stond in duidelijk contrast met de vrouw die ze daarvoor speelde: iemand die liever de aanval zocht dan zich te verdedigen. Een complete vertolking van haar personage.

Eva-Maria Westbroek als Marie:

Marcel Beekman deed als Hauptmann zijn reputatie van karaktertenor alle eer aan. En hij kwam zowaar ook nog eens kort op het toneel geschminkt als Der Narr.

Frank van Aken vond ik onopvallend als Tambourmajor, niet de rol waarin ik hem graag had gezien.

Operamastodont Willard White liet als Doktor horen nog steeds goed mee te kunnen komen in karakterrollen. Zo mooi om deze oudgediende weer eens op het toneel te zien.

Ursula Hesse von den Steinen was een mooie kijvende Margret (‘Loeder’), wel erg chique gekleed overigens. Dat was trouwens bij Marie ook het geval. En Wozzeck liep een groot deel van de tijd rond in een wit smokingjasje. Of was dat toch een kappersjas?

Een prachtige voorstelling, met als kanttekening het gebrek aan meerwaarde van de ‘extra’s’. Deze productie kan mij die van Willy Decker niet doen vergeten, maar dat is voor een groot deel van het huidige publiek van geen enkel belang, het werd bediend met een uitstekende mogelijkheid om dit twintigste-eeuwse operamonument te leren kennen.

Trailer van de productie:

Foto’s van de productie: © Ruth Walz

Discografie: Wozzeck van Alban Berg: discografie.

Almost all about Les Dialogues des Carmélites: part 3

There are those operas that you just can’t spoil and Les Dialogues des Carmélites is one of them. For Poulenc, melody is the centre of the universe. His music is so poignantly beautiful and his composition so expressive that you don’t really need a director.

The opera’s themes are sacrifice, martyrdom, revolutions and ideologies, but those are just the side lines, because the main theme is an all-devouring fear that makes it impossible to live or die: “Fear is a terrible disease. I was born of fear, in fear I live and in fear I shall die. Everyone despises fear, so I am condemned to be despised.

Hamburg, 2008



The opera came to Hamburg in 2008, it was directed by Nikolaus Lehnhoff. His Blanche, Alexia Voulgaridou, is very much like Liu: sweet, scared but steadfast and very impressive.

Kathryn Harries as Madame de Croissy is even more impressive than Anja Silja. She acts not only with her whole body but also with her perfectly used voice. Her fear is physically palpable and her death scene cannot leave anyone unmoved.

Unfortunately, Gabrielle Schnaut’s Mère Marie is not of the same calibre. With the remnants of the once so imposing voice, she only causes irritation: not one note is pure and her terrible wobble feels like torture to your ears. How different then is warm and sweet Madame Lidoine, here sung incredibly lovely by Anne Schwanewilms!

The staging is very simple and there are hardly any sets, which is not at all disturbing. And the final scene is almost better than Carsen. (Arthouse Musik 101494)


https://my.mail.ru/video/embed/9182112244547191280



Munich, 2010



Munich would not be Munich without its ‘high-profile’ new productions that will cause scandals over and over again. Dmitri Tcherniakov’s Dialogues des Carmélites from 2010 was therefore not well received by everyone. I myself find the production very exciting, although his vision sometimes goes a little too far for me.

First of all: forget about the nuns, there are none. There is a community of women, locked up in a glass house. They have left the outside world, but that world can still see them and interfere with them. Claustrophobic.

Blanche, phenomenally sung and acted by Susan Gritton, clearly has mental problems. Her heroic act at the end stems from the same emotions as her fear. Two extremes of the same problem.

The contrast between a resolute, here caricatured a bit as a butch kapo, Mère Marie (a fantastic Susanne Resmark) and the sweet, clearly striving for a different course, Madame Lidoine (Soile Isokoski at her best) could not be greater.

And oh yes: also forget about the guillotine, because it’s not there either. Tcherniakov also changed the ending.

By the way: the chance that the DVD is still for sale is small. The Poulenc heirs thought that Tcherniakov had allowed himself too much freedom and they went to court (BelAir BAC061).


Below the trailer:





Almost all about Les Dialogues des Carmélites. Part one

Almost all about Les Dialogues des Carmélites: part 2

Almost all about Les Dialogues des Carmélites: part 4

Krzysztof Warlikowski in De Munt: Lulu

Tekst: Peter Franken

In 2012 stond er een nieuwe productie van Lulu op het programma in De Munt, regie Krzysztof Walikowski en decors en kostuums van Małgorzata Szczęśniak, het koppel dat hier eerder veel succes had geoogst met Cherubini’s Médée. Het was een groot succes, vooral door het fenomenale optreden van Barbara Hannigan in de titelrol. Van de voorstelling is een opname op dvd uitgebracht.

Het begint zoals gebruikelijk met een introductie door de Tierbändiger alleen laat deze er een monoloog in slecht verstaanbaar Engels aan vooraf gaan waarin wordt gesproken over Lilith. Lulu vertoont veel gelijkenissen met dit mythische personage dat wordt beschouwd als de eerste vrouw van Adam, die werd verstoten wegens gebrek aan volgzaamheid en uit wraak in de gedaante van een slang Adam en zijn nieuwe vrouw Eva verleidde tot het eten van ‘de boom der kennis’.

Dietrich Henschel (Dr.Schön) en Barbara Hannigan (Lulu)

Dr. Schön heeft Lulu als meisje van twaalf letterlijk van de straat geplukt en haar tot zijn minnares gemaakt. Daarmee heeft hij haar voor een akelig lot als prostituee of nog erger behoed, maar tegelijkertijd Lulu haar jeugd ontnomen. Gevolg is dat ze zich bijna letterlijk aan hem heeft gehecht; weg van Schön is voor Lulu een situatie waarin ze niet compleet is. Haar missie is om met hem trouwen, maar zijn missie is om haar bij een geschikte man onder te brengen zodat hij van haar af kan raken. Beiden beseffen dat dit niet gaat lukken. Vandaar Lulu’s uitspraak als haar tweede echtgenoot, de portretschilder, zelfmoord heeft gepleegd: ‘Sie heiraten mich ja doch.’

Het toneelbeeld wordt bepaald door een grote ruimte met links een enorme trap waarlangs bezoekers hun opwachting maken. Rechts is een cabine met glazen wanden waarin de schilder aan het werk is. Al portretteert hij Lulu hier door haar te filmen. In de derde akte doet de ruimte dienst als vitrine voor jonge meisjes die op hun bestemming wachten in de vrouwenhandel, echo’s van Lulu’s beginjaren als kind hoertje.

Lulu’s droom om ooit een gevierd balletdanseres te worden maakt Warlikowski aanschouwelijk door Hannigan een groot deel van de tijd in balletschoenen te laten lopen waarbij ze regelmatig op de spitzen loopt te trippelen. Echt erop dansen kan ze niet maar gelukkig heeft ze Rosalba Torres Guerrero als dubbel voor een ingevoegde dansscène aan het einde van de eerste akte. Diezelfde danseres is nadien op de achtergrond actief om een indruk van de Lulu uit de eerste akte te wekken.

Wat Hannigan wel goed kan is werken met haar benen, haar hele lenige slanke lijf wordt als het ware teruggebracht tot die twee verleidingsobjecten. Het lijkt wel alsof ze gewoon automatisch op seksueel uitdagende wijze loopt, zit, hangt of staat, het gaat vanzelf en dat ze ook nog eens schaars gekleed is zet het effect extra aan. Als ze Dr. Schön het briefje aan zijn verloofde dicteert zien we hem een sms tikken met zijn hoofd in een intieme pose tussen haar dijen geklemd. Hier biedt de tekst overigens wel degelijk aanleiding toe. Zo vergelijkt Alwa later haar benen met een stuk muziek waarbij de bekroning het ‘andante van de wellust’ wordt genoemd. En daar verbergt hij lange tijd zijn gezicht in terwijl haar mimiek niets aan de verbeelding overlaat. Seks speelt een enorme rol in Lulu’s leven maar dit is de enige scène waarin dat nadrukkelijk wordt getoond.

Maar haar zeer fysieke wijze van acteren is slechts deel van het succes. Hannigan beheert haar partij tot in de puntjes en zingt, gilt, roept en schreeuwt al naar gelang de situatie daarom vraagt op een zodanige wijze dat je al gauw niet meer het idee hebt naar een theaterproductie te kijken, fenomenaal.  De overige spelers komen niet in de buurt van haar prestatieniveau.

Dietrich Henschel is een redelijke dr. Schön maar oogt veel te jong voor zijn rol. De Alwa van Charles Workman is heel behoorlijk maar het is moeilijk voorstelbaar dat die twee vader en zoon zijn.

Pavlo Hunka ziet er als Schigolch wel aardig uit als oudere man, doet het redelijk. Tom Randle is qua zang een prima Maler maar stelt acterend wat teleur. Ivan Ludlow geeft gestalte aan de Tierbändiger en de Athlet, zonder meer uitstekend. Frances Bourne treedt op in drie rollen met als voornaamste de Gymnasiast die door Schigolch en de Athlet wordt meegetroond op de wekelijkse ‘Beursmiddag’ voor een ontmoeting met Lulu, waar al velen hun seksuele initiatie hebben mogen beleven. Ze is gekleed en geschminkt als punkmeisje en wordt ook neergezet als vrouw. De seks gaat niet door en haar grootste zorg is nu dat ze van school gestuurd zal worden. Met de moord op Schön wordt dat uiteindelijk nog erger, een tuchtschool is haar lot.

Natascha Petrinsky is een opvallende Gräfin Geschwitz, de verliefde lesbienne die uiteindelijk door Lulu naar Londen wordt meegesleept. Schigolch ziet er niets in: die vrouw is niet geschikt om aan de liefde te verdienen, ze leeft in de liefde. Petrinsky brengt waardigheid en rust in het voortdurende pandemonium om haar heen, ze oogt voornaam en aandoenlijk mooi in haar berusting.

Ik herinner me mijn eerste Lulu in Keulen lang geleden met de ‘Vriendenbus’. In combinatie met de lange reisdag bleek dit een theaterervaring die me uitgeput in de bus naar huis van alle emoties liet bijkomen. Autorijden had er niet ingezeten. Een dergelijke ervaring zal Hannigans Lulu ook vele toeschouwers in de zaal hebben bezorgd, een emotionele rollercoaster die geen mens onberoerd kan laten. In 2021 werd de voorstelling hernomen, opnieuw met Hannigan, en ze stond er alweer. Wat een prachtvrouw.

Paul Daniël heeft de muzikale leiding.

Trailer van de productie:



Gevloerd door Lulu van Krzysztof Warlikowski in Brussel 2012


LULU: discogr
afie

Almost all about Les Dialogues des Carmélites. Part one

There are those operas that you just can’t spoil and Les Dialogues des Carmélites is one of them. For Poulenc, melody is the centre of the universe. His music is so poignantly beautiful and his composition so expressive that you don’t really need a director.

The opera’s themes are sacrifice, martyrdom, revolutions and ideologies, but those are just the side lines, because the main theme is an all-devouring fear that makes it impossible to live or die: “Fear is a terrible disease. I was born of fear, in fear I live and in fear I shall die. Everyone despises fear, so I am condemned to be despised.




Milan, 1957


The world premiere of Dialogues des Carmélites took place on 26 January 1957 at La Scala in Milan, in an Italian translation. The cast reads like a ‘who’s who’ in the opera world, because, ask yourself: were there any bigger names in those days?

Blanche was sung by Virginia Zeani, a singer with a full, large and dramatic voice, that was suitable for both Violetta and Tosca. Marie was played by Gigliola Frazzoni, one of the best Minnies (La fanciulla del West) in history. And Madame Lidoine was given to Leyla Gencer.

With Fiorenza Cossotto, Gianna Pederzini, Eugenia Ratti and Scipio Colombo in the smaller roles, the opera sounded less lyrical than we are used to nowadays, almost veristic even. But that made the dramatic effect even more poignant.

Virginia Zeani and Francis Poulenc, Milano 1957



In The Operatic PastCast, Virginia Zeani talks about Poulenc, the influence the opera has had on her life, her colleagues and the production in Milan.
The entire performance from Milan, fantastically conducted by Nino Sanzogno, is on YouTube. Do not miss it!



Paris, 1957



The Paris premiere of Dialogues des Carmélites followed six months later. On 21 June 1957, the opera, now in French, was presented at the Théâtre National de l’Opéra.
Blanche was sung by Poulenc’s beloved soprano Denise Duval. Duval’s voice (girlishly naive, light, almost ethereal) fitted Blanche like a glove.
The rest of the cast, including Régine Crespin as Madame Lidoine and Rita Gorr as probably the best Mère Marie ever, was also chosen by Poulenc himself


Régine Crespin (Madame Lidoine) in “Mes chères filles”:




The orchestra was conducted by Pierre Dervaux and I can be very brief about him: there is no better. Full stop. (Warner 08256483211)


Almost all about Les Dialogues des Carmélites: part 2

Almost all about Les Dialogues des Carmélites: part 3

Almost all about Les Dialogues des Carmélites: part 4










Krzysztof Warlikowski in De Munt: Médée

Tekst: Peter Franken

In 2011 zag ik de reprise van de prachtige productie van Krzysztof Warlikowski voor De Munt met een fenomenale Médée van Nadja Michael. Tien jaar later bekeek ik een opname van de voorstelling die op dvd is uitgebracht.

Muzikaal is deze de minste van de vijf Medea’s die ik in het theater heb gezien en vooral gehoord. Maar theatraal staat hij bovenaan. Het is mogelijk dat de kwaliteit van de opname hier ook meespeelt. Op de opname is het orkest, Les Talens Lyriques onder leiding van Christophe Rousset, aanvankelijk nauwelijks hoorbaar, niet meer dan wat zacht amorf geluid. Pas in de derde akte komt het goed tot zijn recht en is ook duidelijk het gebruik van periode instrumenten waarneembaar.

De zangers zijn allemaal uitgerust met een microfoontje om de gesproken teksten duidelijk hoorbaar te maken. Die dialogen zijn overigens heel kort gehouden en nieuw geschreven in eigentijdse taal, heel effectief.

Het toneelbeeld komt zoals gebruikelijk bij Warlikowski voor rekening van Malgorzata Szczesniak. Over de gehele breedte wordt gespeeld, links en rechts zijn ‘muren’ terwijl de achterwand bestaat uit afhangende spiegelende kunststof panelen.

Erachter is echter ook nog een flink stuk van het toneel wat zichtbaar wordt zodra men het verlicht. De wand blijkt half lichtdoorlatend te zijn. De huwelijksscène van Iason en Dircé speelt zich daar af, treffend genoeg met een katholieke priester die de ceremonie voltrekt.

Links op het toneel staat het enige echte rekwisiet, een ladenkastje dat zowel door Dircé als Médée wordt gebruikt als persoonlijk territorium. Verder alleen een paar klapstoelen.

Médée komt onopvallend via een zijdeurtje het podium op en gaat op zo’n stoeltje zitten. We hebben dan al geruime tijd meebeleefd hoezeer Dircé aan twijfels ten prooi is. Wie zegt dat Iason niet ook haar zal verlaten na enige tijd, wat is er precies met Médée gebeurd, ze voelt haar aanwezigheid in haar lijf en dat maakt haar bang.

De twee bruidsmeisjes, uitgemonsterd als look alikes van de zus van Kate Middleton tijden haar huwelijk met William, hebben hun handen er vol aan om Dircé zover te krijgen dat ze zich tenminste laat kleden voor de ceremonie. En dan zit Médée daar plotseling, Dircé’s vleesgeworden nachtmerrie.

Médée verschijnt als Amy Winehouse look alike, in een glimmend zwarte plastic jas en enorm hoog opgetast en lang afhangend zwart haar, uiteraard een pruik.  Ze neemt onmiddellijk het gehele toneel in bezit, zonder van haar plaats te komen. Creon bijt zijn aanstaande schoonzoon toe dat hij dit probleem snel moet ‘oplossen’ en het gehele Corinthische hof trekt zich terug achter de spiegelwand.

Médée begint haar strijd om Iason voor zich terug te winnen. Als eerste trekt ze die jas uit waaronder ze een vergelijkbare nauwsluitende mouwloze jurk draagt die duidelijk een aantal tatoeages op de armen laat zien. Als vrouw is Dircé geen partij voor dit oermens dat door roeien en ruiten gaat om haar doel te bereiken.

Iason is dan ook niet lang tegen haar opgewassen en hoewel de tekst na Iasons afwijzing vooral bestaat uit dreigementen over en weer ligt het voormalige koppel aan het einde van de scène rollebollend op het toneel. Voor het daadwerkelijk tot seks komt herpakt Iason zich echter en loopt weg, maar ‘opgelost’ is er niets.

Médée ontdoet zich van haar ‘oorlogskostuum’: pruik af, jurk uit. Nu is ze donkerblond en gekleed in een zwart onderjurkje, nerveus rondlopend op het toneel ten prooi aan vertwijfeling. Deze afloop was vermoedelijk iets waar ze helemaal geen rekening mee had gehouden. De toeschouwer kiest als vanzelf haar kant, temeer daar dat huwelijk met Dircé niet meer is dan een manier voor Iason om een nieuw thuis en veilige omgeving voor zichzelf en zijn zonen te regelen. Liefde, laat staan hartstocht en begeerte, komt er niet aan te pas.

Warlikowski heeft dit nog eens extra aangezet door die twee zoontjes, jongens van een jaar of tien, als figuranten op te voeren. Ze lopen voortdurend rond en gedragen zich afwisselend gezeglijk en balorig. Van Dircé moeten ze niets hebben en als hun moeder plotseling opduikt omhelzen ze haar, om direct weggetrokken te worden door Creon die problemen voorziet.

Verder bewerkt Warlikowski het publiek met amateur filmbeelden van trouwerijen, gelukkige familietafereeltjes en blije kinderen in schooluniform. En ter completering zijn er op dode momenten tussen scènes flarden populaire muziek te horen met een romantische inslag zoals ‘Oh Carol’ van de Neil Sedaka en in de pauze ‘Eloise’ van Barry Ryan.

Médée weet Creon zover te krijgen dat ze nog heel even mag blijven en Iason laat toe dat ze haar zonen te zien krijgt. Maar inmiddels draait haar brein op volle toeren om Iason zijn verraad betaald te zetten. Oprecht smeken en bidden heeft geen effect gehad, hij verstoot haar opnieuw. Dan de beuk erin, wraak is het enige dat Médée nog rest.

Eerst stuurt ze die jongens met een vergiftigde jurk naar Dircé, die vrouw moet dood. Op het toneel zien we haar met twee poppen, bruid en bruidegom aan het werk in een soort voodoo ritueel. Maar haar geest slaat op hol, Iason is zo nog niet genoeg getroffen, zijn bloed moet vloeien, niet van hemzelf perse maar dat van zijn zonen.

In de derde akte voltrekt zich het ultieme drama. Circé sterft doordat haar jurk in vlammen opgaat en Médée doodt haar twee zonen buiten beeld terwijl Iason zich vertwijfeld afvraagt waar ze zijn. Ze komt het toneel weer op met een grote bobbel onder haar kleren. Tot op het laatst blijf je hopen dat het maar schijn is totdat ze de bebloede pyjama’s van die jongens onder haar jurk vandaan begint te halen, ze netjes opvouwt en in een la van dat kastje legt. De ultieme wraak is geschied, haar reputatie als moordenaar en psychopaat bevestigd.

Hoewel ik Nadja Michael in de eerste twee aktes niet bijzonder goed vind zingen, pas in de derde komt ze volledig los, is haar totale presentatie zo overweldigend dat dit nauwelijks een rol speelt. Zij is Médée, van de eerste tot de laatste minuut en beheerst de voorstelling.

De goed zingende Hendrickje van Kerckhove (Dircé), Kurt Streit (Iason) en Vincent le Texier (Creon) zijn feitelijk slechts figuranten. En daarmee heeft Michael voor zichzelf een memento gecreëerd.

Trailer

Foto’s van de productie: © Maarten Vanden Abeele

Wraak maakt meer kapot dan je lief is. In deel zes van de cyclus Amerikaanse opera’s: Moby-Dick

Tekst Peter Franken

Deze opera van Jake Heggie ging in 2010 in première in Dallas. Het libretto van Gene Scheer is gebaseerd op de gelijknamige roman van Herman Melville uit 1851. Het is het verhaal van walvisvaarder kapitein Ahab die helemaal bezeten is van een White Whale, een overmaatse witte potvis die hem ooit zijn linkerbeen heeft afgebeten. Het beest heeft zelfs een naam: Moby Dick.

Jack Heggie over zijn compositie :

Ahab is al sinds zijn achttiende op zee en van de 40 jaar erna is hij hooguit 3 jaar aan wal geweest, in Nantucket. Zijn enige nog resterende doel in het leven is wraak te nemen op Moby Dick en daaraan wordt alles ondergeschikt gemaakt, met inbegrip van het behoud van zijn schip en het leven van de bemanning.

De opera begint als Ahab net opnieuw is uitgevaren maar zich al een week lang niet aan dek heeft vertoond. Plotseling komt hij echter tevoorschijn en de mannen krijgen zijn credo te horen: Moby Dick moet worden gevonden en gedood, op andere walvissen jagen is op deze tocht niet aan de orde.

Merkwaardig genoeg krijgt hij iedereen zover dat ze plechtige beloven hem daarin te volgen, wat er ook gebeurt. Alleen de stuurman Starbuck vindt het maar niks en probeert Ahab van zijn dwangneurose af te helpen. Die walvis is een dier dat agressief wordt als hij wordt belaagd, dat is zijn instinct. Hij is een wezen zonder rede, vergelijkbaar met een natuurverschijnsel zoals storm of droogte. Daar kan een mens toch niet tegen vechten alsof het een persoonlijke vijand is. Ahab denkt daar anders over: ‘zelfs als de zon mij zou beledigen zou ik die proberen een klap te verkopen’. Verder stelt hij dat er maar één god is en dus ook maar één kapitein op de walvisvaarder Pequod.

Dat iedereen aan boord hierin meegaat is opmerkelijk, het duidt op overdracht van het vermogen zelf te kunnen denken ook al kost het je het leven. Vandaag de dag zou Ahab al na een paar weken aan de mast zijn vastgebonden maar hier blijft hij maar liefst 15 maanden heer en meester. Alleen Starbuck probeert hem een keer op indringende wijze van gedachte te doen veranderen. We moeten walvissen vangen, dat is ons beroep en genereert ons inkomen. We zijn niet uitgevaren om een oude man zijn waanidee te laten uitleven. Hij krijgt een geweer op zich gericht en wordt ternauwernood gered door plotselinge commotie bovendeks.

Als het schip uiteindelijk weer de thuishaven begint te naderen komt het tot een confrontatie met Moby Dick waarbij de Pequod vergaat en alle opvarenden de dood vinden op de nieuwkomer Greenhorn na die aanspoelt op de doodskist die alvast voor zijn stervende vriend Queequeg was gemaakt. De strijd van de mens tegen de elementen is in het nadeel van eerstgenoemde beslecht.

Stephen Costello over zij rol als Greenhorn:


Er gebeurt niet erg veel aan boord. Slechts eenmaal laat Ahab zich overhalen op een gewone walvis te jagen waarbij zijn cabinboy Pip te water raakt maar uiteindelijk door Queequeg kan worden gered. Verder is er de confrontatie van Ahab met Starbuck. Die komt later terug en vindt zijn meerdere in slaap, het geweer staat er nog. Hij bedenkt dat Ahab op het punt stond hem in koelen bloede dood te schieten omdat hij zijn obsessie niet wenste te delen.

Moreel heeft hij misschien bijna wel het recht Ahab te doden en daarmee zijn leven en dat van de rest van de bemanning te redden. Want Starbuck voorvoelt dat deze reis nooit goed kan aflopen. Als overtuigd christen kan hij zich er uiteindelijk niet toe brengen die moord te plegen. De kapitein is god aan boord, in meer algemene termen: Ahab is de absolute leider, om geen ander woord te gebruiken.

Een groot deel van de tijd spreken bepaalde koppels met elkaar, een aaneenschakeling van lichte en zwaardere religieus filosofische beschouwingen. Vrij simpel zijn de gesprekken van Greenhorn en de kosmopolitische Queequeg die beweert een prins te zijn afkomstig van een eiland heel ver weg. Hij is overdekt met tatoeages om zijn status als buitenstaander te benadrukken.

Jonathan Lemalu over zijn rol als Queequeg

Pip is een Hosenrolle en zodoende de enige vrouw in de cast. Comic relief komt er vooral van de mannen Stubb en Flask die overal de humor van blijven inzien. De zwaardere teksten komen voor rekening van de dialogen tussen Ahab en Starbuck en van hun lange monologen. Starbuck is the voice of reason die het moet afleggen tegen de manie van Ahab die geen ander doel meer in zijn leven heeft dan zich te wreken op een dier.

Muzikaal is dit werk uitermate toegankelijk, te vergelijken met vroeg werk van Britten en een vleugje Bernstein. Als Ahab aan het woord is klinkt de muziek nogal zwaar en dreigend, veel strijkersgeweld in de contrabassen. Koper speelt nauwelijks en rol. Bepaalde lyrische momenten hebben wat Schmaltz zoals in filmmuziek en de monoloog van Starbuck bij de slapende Ahab doet in de verte denken aan Puccini.

Van een voorstelling in 2011 van de productie die Leonard Foglia maakte voor San Francisco Opera is een dvd uitgebracht. De cast is uitstekend, aangevoerd door Jay Hunter Morris in de titelrol. Morris werd op slag wereldberoemd door zijn optreden als Siegfried in de Lepage Ring uit de Met in 2011 en 2012. Zijn directe tegenspeler Starbuck komt voor rekening van Morgan Smith. Deze twee zangers bepalen samen het succes van de voorstelling, fantastisch gedaan.

In de overige rollen zien we Stephen Costello als Greenhorn, de enige die de reis zal overleven. Verder Talise Trevigne als een mooi jongensachtige Pip en Jonathan Lemalu als de ondoorgrondelijke Queequeg.

Talise Trevigne over haar rol als Pip:

De decors zijn fenomenaal vormgegeven, zodanig dat er een compleet schip voor de ogen van de toeschouwer getoond lijkt te worden terwijl het in werkelijkheid vooral masten, kabels en zeilen zijn. Verder wordt gebruik gemaakt van computeranimaties om de sloepen in beeld te brengen waarin de mannen op walvisjacht gaan. Projecties van storm op zee of een passerend schip dat om hulp roept completeren het geheel.

Het orkest van de San Francisco Opera staat onder leiding van Patrick Summers

Trailer uit San Francisco:


Amerikaanse opera’s, deel 5: A Streetcar named Desire

Tekst: Peter Franken

Blanche staat onaangekondigd bij haar jongere zus Stella voor de deur, komt een tijdje bij haar logeren nu ze door haar werkgever met ziekteverlof is gestuurd. Blanche en Stella zijn zogeheten ‘southern belles’, jongedames die zijn grootgebracht in betrekkelijke welstand en met de goede manieren van vroeger. Het ouderlijk huis is een voormalige plantagewoning ergens in Mississippi.

Het succesvolle toneelstuk van Tennessee Williams uit 1948 werd al lange tijd gezien als een ‘American classic’ voor het een halve eeuw na de première concurrentie kreeg van een opera versie. De compositie van André Previn beleefde zijn première in 1998 in de San Francisco Opera onder de muzikale leiding van de componist. De rol van Blanche Dubois werd gecreëerd door Renée Fleming. Van de wereldpremière is een opname op dvd uitgebracht door Arthaus.

Elisabeth Futral (Stella) en Rodney Gilfrey (Stanley) © Larry Merkle

Stella is er vandoor gegaan naar New Orleans en is daar getrouwd met een ruig type, Stanley Kowalski, die het in de oorlog tot sergeant heeft gebracht en nu als fabrieksarbeider de kost verdient. Stella heeft zich zodoende van haar sociale achtergrond bevrijd, een omgeving waarin iemand als Stanley wordt gezien als een eigentijdse ‘caveman’. Maar hun relatie functioneert en ze hebben het eigenlijk wel prima zo.

Elisabeth Futral (Stella), Rodney Gilfrey (Stanley) en Renée Fleming (Blanche) © Larry Merkle

De komst van Blanche die nauwelijks kan geloven in wat voor hol haar zusje leeft en dan ook nog eens met zo’n aap van een kerel, zorgt al direct voor de nodige wrijving. Des te meer daar Blanche zich nog immer gedraagt als de southern belle die ieders aandacht opeist en bijna met eerbied behandeld wil worden. Maar we zien direct al dat ze drink, zoveel dat er duidelijk sprake is van een verslaving.

Gaandeweg komen we meer over Blanche aan de weet en tegen het einde is het plaatje compleet. Ze is als 16 jarige verliefd geworden op een jonge man en daar mee vandoor gegaan. Eenmaal getrouwd bleek hij een homo te zijn. Toen ze dat ontdekte en hem daarmee confronteerde, had hij zich door zijn hoofd geschoten. Sindsdien is ze ernstig getraumatiseerd.

Door het zedeloze gedrag van haar voorgeslacht is het familievermogen verdampt, alles is opgegaan aan de ‘liefde’ vertel ze. Begrafenissen van moeder, vader en tantes hebben ook veel geld gekost. Zodoende was het grote huis verbeurd verklaard, alles was weg. Ze had haar intrek genomen in een hotel met slechte reputatie en was daar uitgezet nadat ze niet alleen volwassen mannen met grote regelmaat had ontvangen maar tevens een minderjarige leerling. Daarop was ze ontslagen en min of meer het stadje uitgejaagd. Nu is ze in New Orleans met een hutkoffer vol oude chique kleren en wat resterende juwelen.

In het broeierig warme New Orleans werken Stanley en Blanche elkaar behoorlijk op de zenuwen in dat appartementje met twee kamers die slechts gescheiden zijn door een gordijntje. Komt bij dat Stella zwanger is en er binnenkort nog een tweede ‘onruststoker’ op komst is. Als na de zoveelste ruzie Stella naar het ziekenhuis moet vanwege de op handen zijnde bevalling en Stanley naar huis wordt gestuurd ‘om uit te rusten’, komt alles bij hem tot uitbarsting. Hij is dronken en Blanche is dat sowieso altijd al een beetje en de ergernis over Blanches manier van doen, frustratie vanwege zijn verstoorde seksleven, wederzijdse minachting, vinden een niet geheel onverwacht einde in een verkrachting, de ultieme uitlaatklep voor gevoelens van machteloosheid.

Als Blanche dit aan Stella vertelt gelooft ze haar niet, wil het niet geloven. Blanche leeft al zo compleet in een fantasiewereld dat elke informatie die ze geeft volledig onbetrouwbaar is. Dat geeft Blanche het laatste zetje, haar zus valt haar af, nu is er niemand meer in haar leven waar ze terecht kan. Behalve natuurlijk een fantasieminnaar die aanstonds voor de deur zal staan.

Een tijdlang heeft ze geprobeerd aan te pappen met Mitch, een van Stanley’s pokervrienden maar nadat door navraag in Blanches hometown de ware reden van haar vertrek aan het licht is gekomen, is dat op niks uitgelopen. Nu kijkt ze uit naar een nieuwe reddingsboei. Het slot van het verhaal is dat Stella haar laat opnemen in een inrichting. Gelukkig ziet de dokter die haar ophaalt eruit als een vriendelijke oudere man waarover ze kort daarvoor had gefantaseerd.

Het toneelbeeld is vermoedelijk een kopie van dat in de oorspronkelijke Broadway voorstelling. Er is geen moeite gedaan het ‘echt’ te laten lijken. Gewoon links een trappenhuis en daarnaast twee sjofel ingerichte kamers.

Bariton Rodney Gilfry is een prima keuze voor de rol van Stanley Kowalski. Hij oogt een beetje als de jonge Arnold Schwarzenegger. Qua zang is dit geen zware rol, vooral Sprechgesang.

De tenor Anthony Dean Griffey heeft als Mitch meer te zingen, zelfs een grote aria, maar hij is dan ook verliefd. Elisabeth Futral is aandoenlijk mooi als het jongere zusje Stella dat probeert de lieve vrede te bewaren. Ze heeft vrij veel te zingen en klinkt net zo prachtig als dat ze eruit ziet.

De hoofdrol wordt op werkelijk fenomenale wijze vertolkt door Renée Fleming. Ze heeft haar leeftijd mee, oogt gewoon ouder dan Futral waardoor ze er als het ware zo uitziet als dat ze zich voelt. Haar partij is erg lang en zwaar maar ze geeft geen krimp, schitterend verzorgd van begin tot einde. Ze acteert ingehouden, conform Blanches opvoeding en zingt haar lange lijnen zonder ergens het volume onnodig aan te zetten waardoor alles heel natuurlijk overkomt als een op muziek gezet menselijk drama. Blanche krijgt van Previn drie grote aria’s te zingen waarvan de laatste ‘I can smell the sea air’ overduidelijk een eerbetoon aan Richard Strauss is.

Previns muziek is tonaal en ligt gemakkelijk in het gehoor, symfonische filmmuziek, afgewisseld met flarden big band en als de emoties oplopen wat snerpende klanken van een saxofoon. En daarmee heeft hij de sfeer van William’s toneelstuk perfect weten te verklanken.

A streetcar named desire is een prachtige opera en met de vertolking door Renée Fleming van de gedoemde Blanche Dubois had de componist zich geen betere wereldpremière kunnen wensen.

de hele opera is hier te bekijken:
https://www.bilibili.com/video/BV15v41177RJ/

André Previns ‘A Streetcar named desire’ twintig jaar na de première

La Dolores  

La Dolores

I know Tomas Bretón as one of the best zarzuela composers and his La Verbena de la Paloma regularly ends up in my CD player. From La Dolores, I knew – until not so long ago – only one aria and a single duet, as those belong to my Domingo collection.

Plácido Domingo sings ‘Jota’ from La Dolores:



This CD was a very exciting and very pleasant first encounter with the complete work and I sat up straight at the very first notes. The beautiful colours that the orchestra here displayed could only be the work of an important maestro.

TjomasBr;eton



The prelude strongly reminded me of Cavalleria Rusticana, which was only reinforced by the choral part that followed. But just when I thought I had heard it all before (besides the already mentioned ‘Cavalleria’, I also thought I recognised ‘Carmen’), it took a totally different turn.

Yes, it is unmistakably Spanish and often I was also reminded of El Gato Montés by Manuel Penella Moreno, especially in the brilliant scenes preceding the bullfight. But what most surprised me: why was La Dolores not recorded earlier? The first performance in 1895 was a huge success and the opera was even filmed.

Manuel Lanza (no relation) has a beautiful baritone voice that reminded me strongly of Carlos Álvarez.

Tito Beltrán has recorded a few solo CDs since 1993, when he won the Cardiff Competition, and it felt good to hear him in a complete opera recording.

And Plácido Domingo is, as (almost) always, superior.



The main interest, however, lies in the music itself and it is to be hoped that the Decca recording from 1999 is still for sale, because I gave up hope of ever hearing it live a long time ago




Tomas Bretón
La Dolores
Elisabete Matos, Raquel Pierotti, Plácido Domingo, Tito Beltrán, Manuel Lanza, Stefano Palatchi
Cor del Gran Teatre del Liceu, Orquestra Simfònica de Barcelona i National de Catalunya olv Antoni Ros Marbà
Decca 4660612