Polly_Leech

DNO opent seizoen met reprise van Carsens Carmen

Tekst: Peter Franken

Het lijkt eindeloos lang geleden, die Carmen productie uit 2009 die zaterdag opnieuw in première ging. Maar de reprise was al eerder gepland tot Covid alles in de war schopte. Of deze oude productie het wachten waard was, hangt af van de gekozen invalshoek. Meer dan een qualified success werd het in elk geval niet.

Zoals vrijwel elke regisseur heeft ook Carsen zijn gimmicks. In zijn beginjaren waren dat stoelen op het toneel, veel stoelen. In een of andere vorm is dat altijd blijven terugkomen. Verder een massale vrijpartij waarbij het koor zich het liefst geheel ontkleedt zodra ‘love is in the air’, denk aan de tweede akte van zijn Bohème in Antwerpen. Natuurlijk gebeurt dat ook in Carmen, nu met kleren aan, de tijden zijn veranderd.

Later is er iets nieuws bijgekomen: koorleden en figuranten die zich omkleden op het toneel. In zijn Carmen uit 2009 is dat het geval met de mannen die aanvankelijk in burger zijn maar zich haastig moeten veranderen in militairen, in hedendaagse outfit overigens. In zijn Cav Pal uit 2019 werd hier zo ongeveer de hele voorstelling aan opgehangen, compleet met make up tafels op het toneel. En ook het slot van zijn Idomeneo uit 2019 laat zo’n verkleedpartij zien. Hier gaan we van uniformen naar burgerkledij. Kortom, Carsen heeft er een nieuwe gimmick bij.

Als sinds zijn Turandot in Antwerpen zo’n 30 jaar geleden is duidelijk dat Carsen heel goed in staat is een koor te regisseren, later uitgebreid tot grote mensenmassa’s. Dat laat hij nadrukkelijk zien in deze Carmen waarin het koor is uitgebreid met vele figuranten. Er staan bij herhaling enorme groepen op het toneel, ook in scènes die daartoe geen enkele aanleiding bieden.

Een treffend voorbeeld is het begin van de tweede akte als de taverne van Llilas Pastia wordt overspoeld met een mensenmenigte en Carmens ‘Les tringles des sistres tintaient’ dat zij zingt met incidentele ondersteuning van Frasquita en Mercédès uitloopt op een spektakelstuk met het gehele koor. Hoezo taverne? Ander punt is dat die tent vergeven is van de animeermeisjes, uitdagend gekleed en direct in voor handel met de bezoekers. Het oogt nog net niet als een bordeel.

In de laatste akte hoort de toeschouwer wat zich op de tribune van de arena afspeelt. Carsen heeft dat zichtbaar gemaakt door een halfronde tribune op het toneel na te bouwen die geheel bezet wordt door koorleden en ‘participanten’. Het is een leuk gezicht en heeft zeker toegevoegde waarde. De ontmoeting van Carmen en José vindt nu plaats IN de arena en na afloop wordt ze net als een gedode stier door het personeel opgetild en weggedragen. Haar laten wegslepen door een paard zou ook te levensecht zijn geweest natuurlijk.

Waar ik moeite mee heb is dat die tribune er al van meet af aan staat. De eerste drie aktes zit je tegen een oplopende stoelenwand aan te kijken. Koor en solisten lopen op en af, iets dat het kinderkoor nog het meest natuurlijk afgaat, niet verrassend. En Carsen doet zijn reputatie eer aan door elke keer weer een zwerm deelnemers op en af te laten gaan, doet denken aan spreeuwen op een zomeravond.

De intimiteit van de handeling binnen de publieke ruimte komt hierdoor ernstig in het gedrang. Interactie wordt geforceerd. Carmen loopt zomaar ineens de tribune op om de vrijwel onzichtbare Don José een roos toe te werpen. De van haar kant wat sarcastische woordenwisseling blijft volledig op de achtergrond. ‘Ik ben met mijn insigne bezig’, zegt hij als excuus dat hij niet heeft opgelet. ‘Ton épinglette? Vraiment’. Met dat ‘is het heus’ zet ze hem weg als een kleine jongen en nu moet hij maar zien dat hij zijn mannelijkheid weer terugwint. Eigenlijk is het pleit hier volledig beslecht maar daar heb ik in deze regie niets van meegekregen.

Die tribune is niet meer dan een gimmick die al heel gauw verveelt en gewoon begint te irriteren. De enige keer dat er inventief gebruik van wordt gemaakt is het creëren van een donker berglandschap waarin een grote groep  van linksboven naar rechtsonder met kisten lopen te sjouwen, wapensmokkel.

Nogal verrassend is de manier waarop de drie zigeunerinnen vervolgens op pad worden gestuurd om zich over de douaniers te ontfermen. Na die seksuele toespelingen in de taverne draait Carsen het helemaal om. De drie dames worden gestoken in mantelpak met hoed en stola. Ze hebben veel bagage bij zich en daar is de douane wel eventjes mee bezig.

Van de ruim 20 Carsen producties die ik heb gezien is dit een van de minsten. Het is aan de solisten, koor en orkest om dat goed te maken. Dat lukte dirigent Jordan de Souza met het Nederlands Philharmonisch Orkest uiteindelijk het beste. Ik was zeer te spreken over hetgeen er uit de orkestbak kwam. Een minimum aan bombast ook al ontkom je daar bij sommige meezingers nooit helemaal aan natuurlijk. Ook al doordat het koor dan uit volle borst stond te zingen. Maar verder veel intieme momenten met subtiel spel, fijnzinnig zoals je van de Souza mag verwachten gelet op zijn reputatie. Het koor, ingestudeerd door Lionel Sow vond ik vooral erg enthousiast, evenals het kinderkoor overigens.

Bas bariton Lukasz Golinski was een fraaie Escamillo, overtuigend in zijn rol van de torero die niemand hoeft te overtuigen van zijn mannelijke superioriteit. Zijn beroep staat voor machismo. Toch waagt hij zich niet in zijn eentje in de bergen, op zoek naar Carmen. Net als in de arena waagt hij zijn leven nooit zonder zijn cuadrilla, ook hier zijn ze erbij, alle vijf. In de laatste akte zien we ze fraai uitgedost met hun collega’s van de twee andere torero’s. Drie banderilleros en twee picadores. 

Georgiy Derbas-Richter (Moralès) en Frederik Bergman (Zuniga) gaven in de eerste twee aktes gestalte aan de officieren die direct gecharmeerd zijn van Michaëla respectievelijk Carmen maar bij die dames niet erg ver komen. De twee kleinere vrouwenrollen van Frasquita en Mercédès kwamen voor rekening van respectievelijk Inna Demenkova en Polly Leech. Met verve gezongen en geacteerd. Adriana Gonzalez klonk als Michaëla stralend bij haar entrée maar moest tin de derde akte behoorlijk forceren. Redelijk gezongen maar niet bijzonder

Dat brengt me bij de twee hoofdrollen, het tragisch duo Carmen en Dos José. Stanislas de Barbeyrac als Don José leverde een behoorlijke prestatie maar wisselde intieme lyrische passages af met nogal schreeuwerige momenten. Meer dan een voldoende zat er niet.

De Carmen van N’jai Bridges is wat problematisch al is me niet echt duidelijk of dat aan de regie lag. Ze zet aanvankelijk een vrouw neer die vooral heel sterk is en de hele wereld denkt aan te kunnen. Bij de inzet van ‘L’amour est un oiseau rebelle’ schrok ik van de wijze waarop ze haar stem zo laag en donker mogelijk leek te maken. Het klonk ‘kelig’ en beslist niet uitdagend of verleidelijk.

Als ze haar visitekaartje heeft afgegeven – met mij valt niet te spotten, ik ben alle mannen de baas en de vrouwen ook natuurlijk – klinkt ze minder gemaakt maar we moeten wachten tot haar monologue intérieur ‘En vain pour éviter’ waarin ze bezingt dat de kaarten elke keer weer het zelfde zeggen: ’toujours: la mort’. Nu hoeft ze voor niemand de schijn op te houden en klink ze natuurlijk en aantrekkelijk. Toch is het opvallend dat de casting van deze prachtige gekleurde vrouw, geen zigeunerin maar gewoon anderszins exotisch, zo weinig oplevert in termen van verleidelijke femme fatale.

In tegenstelling tot de tekst lijkt ook Don José voor haar niet meer dan een man voor een half jaartje te zijn. En door haar als chic geklede dame te tonen in de laatste akte, de nieuwe vlam van de bemiddelde Escamillo, komt ze over als een golddigger. Nee, dit is niet mijn favoriete Carsen.

Trailer van de productie

Alle voorstellingen zijn uitverkocht, voor de prachtige opera Königskinder zijn nog voldoende kaarten beschikbaar.

Foto’s: © Bart Grietens

La Cenerentola in Amsterdam: het sprookje dat geen sprookje mocht worden.

lacenerentola--s__mb80701

© MATTHIAS_BAUS 

Sprookjes! Als kind kon ik er nooit genoeg van krijgen en nog steeds ben ik er dol op. Ook omdat elk sprookje zijn eigen regels respecteert. Veel is inwisselbaar, maar waar niet aan getornd mag worden is de happy end. Dus ja: het lelijke eendje wordt een pracht van een zwaan en Assepoester wordt een prinses. Alle kwade geesten worden gestraft en we kunnen rustig gaan slapen. In de wereld die dagelijks geregeerd wordt door het slechte nieuws biedt een sprookje je ontsnappingsmogelijkheid, al is het maar voor even.

lacenerentola--s_dsc_8359

© MATTHIAS_BAUS

Helaas moet tegenwoordig ook de sprookjeswereld er aan geloven want in het wereldbeeld van het regietheater moet alles zo natuurgetrouw en zo realistisch mogelijk. En de dromen? O…. dat mag wel, als je maar weet dat het maar een droom is. Dus: nee, als je als Assepoester bent geboren dan word je nooit een prinses. Dat is waar Angelina, het mooie keukensloofje uit de opera van Rossini mee werd geconfronteerd, tegen de wensen van de librettist en componist in.

Laurent Pelly ken ik als één van de beste en de meest geestige regisseurs van zijn generatie maar de laatste tijd stelt hij mij steeds vaker teleur. La Cenerentola, dat door hem als afsluiting van het jaar 2019 in Amsterdam werd gepresenteerd behoort dan ook niet tot zijn sterkste producties. De show is nog steeds spectaculair en geestig, en je komt ogen werkelijk te kort om dat alles wat je wordt voorgeschoteld te kunnen behappen, maar daar ligt ook een beetje het probleem. Het is gewoon te veel.

lacenerentola--us_mb80930

©MATTHIAS_BAUS

Het onophoudelijke schuiven met de decors werkt op den duur vermoeiend en het voortdurend nadrukkelijk bewegen op de muziek (moet dat nou echt? Hebben we inmiddels al zo vaak gezien, het haalt ook je aandacht van de muziek zelf af) is gewoon irritant. Althans voor mij. Wat ik ook niet begrijp is waarom het eerste deel bijna twee uur moest duren: niet alleen niet goed voor je concentratie maar ook allesbehalve logisch.

Muzikaal was het niet minder dan een feest. Toegegeven, het Nederlands Kamerorkest onder de baton van de jonge Italiaanse maestro Daniele Rustioni speelde af en toe een beetje te hard, maar het zij ze vergeven! Het sprankelde en het bruiste dat het een lieve lust is, de ouverture alleen – gespeeld met het doek dicht, bravo! – verdient een pluimpje. Heerlijk.

✨ Non tutte le ragazze sognano di essere Cenerentola, ma tutte le Cenerentole rossiniane sognano di condividere il palco con questi due! @brownleetenor @falstalaimoff 🎶•Sto già vivendo in una fiaba! 💛

Lawrence Brownlee, Cecillia Molinari, Nicola Alaimo © Instagram

Bij de door mij bezochte voorstelling werd de hoofdrol overgenomen door de jonge Italiaanse mezzosopraan Cecillia Molinari. In alle opzichten pracht van een zangeres: haar licht romige stem klonk zoetig en zalvend en haar acteertalent was meer dan evident. Met haar bühne-présence alleen maakte haar een prinses in spe, dat zag je zo… Best jammer dat zij het van de regisseur niet mocht worden.

Lawrence Brownlee (Don Ramiro) en Koor van De Nationale Opera

© MATTHIAS_BAUS 

Haar prins werd virtuoos gezongen door de Amerikaanse tenor Lawrence Brownlee. Brownlee lijkt de laatste tijd de ongekroonde prins van belcanto te zijn, zeker wat de Rossiniaanse coloraturen en de hoge noten betreft. Zelf zou ik mij een beetje meer uitstraling wensen, maar ach… Een mens kan niet alles hebben.

lacenerentola--s_dsc_8230

© MATTHIAS_BAUS 

Nicola Alaimo was een Don Magnifico uit duizenden. Die stem. Dat charisma. Die uitstraling…Ik kon mijn oren noch mijn ogen van hem afhouden. Hoe hij zich al de heerser over de wijnkelder waande en hoe hij met zijn eisenpakket bij de ‘prins’ (in feite de vermomde kamerdienaar Dandini, formidabel vertolkt door de Italiaanse bariton Alessio Arduini ) aanklopte…

Roberto Tagliavini was een fenomenale Alidoro, de ‘mannelijke goede fee’ (of de engel, zo je wilt), zijn warme bas klonk vaderlijk en beschermend.

JUlietta Aleksanyan (Clorinda), Alessio Arduini (Dandini), Polly Leech (Tisbe)

© MATTHIAS_BAUS

Bijzonder gecharmeerd werd ik door de vertolksters van de gemene stiefzusjes, de Armeense sopraan Julietta Aleksanyan (Clorinda) en de Britse mezzosopraan Polly Leech (Tisbe). Beide jonge zangeressen zijn leden van de Nationale Operastudio maar hun niveau is nu al hoger dan van veel gevestigde namen.

Ook voor het mannenkoor van de Nationale Opera niets dan lof. Al met al: ik heb genoten

Trailer van de productie:

Het maken van de pruiken

Gioacchino Rossini
La Cenerentola
Cecillia Molinari, Lawrence Brownlee, Nicola Alaimo, Alessio Arduini, Roberto Tagliavini, Julietta Aleksanyan, Polly Leech
Nederlands Kamerorkest en Koor van De Nationale Opera (instudering Ching-Lien Wu) olv Daniele Rustioni.
Regie: Laurent Pelly

Bezocht op 26 december 2019

Visser brengt Juditha Triumphans als propagandafilm

Door Peter Franken

juditha caravaggio

Caravaggio’s Judith onthoofdt Holofernes


In het gelijknamige hypocriefe bijbelboek onthoofdt Judith de Assyrische veldheer Holofernes. Een vreselijke daad maar zij is slechts de hand van God die zijn volk tegen de indringers beschermt. En dan is het goed

Een moord die op de goedkeuring van de lezer of kijker kan rekenen moet goed aansluiten bij reeds aanwezige gevoelens. Gaat het om een politiek conflict dan krijgt zo’n verhaal direct propagandistische waarde. Een van de fraaiste voorbeelden vind ik de scène aan het einde van Casablanca, waarin Rick onder de neus van politiecommissaris Louis Renault de gehate Gestapo officier Strasser doodschiet. Renault pakt de telefoon en belt het politiebureau met de opdracht: ‘major Strasser has been shot, round up the ususal suspects’. Er is een moord gepleegd maar dat is goed, het slachtoffer was een nazi.

Vivaldi heeft met zijn oratorium Juditha Triumphans een werk geschreven dat het moreel van de Venetiaanse bevolking een duwtje in de rug moest geven. De republiek was in oorlog met de Ottomanen en het waren moeilijke tijden. Voor wie het niet zelf had kunnen uitvogelen werd de link met Juditha aan het einde nog even uitgelegd. Juditha staat voor de stad Venetië en Holofernes voor de Ottomaanse Sultan. Het is een vroeg voorbeeld van propaganda in de vorm van een schouwspel, een theaterstuk.

Regisseur Floris Visser heeft deze lijn doorgetrokken naar een tijd waarin nieuwe beeldende vormen beschikbaar waren: hij heeft er een propagandafilm van gemaakt. Dat wringt hier en daar met het libretto maar zeker niet in ernstiger mate dan dat het libretto eerder al uit de pas liep met het bijbelboek. Er is sprake van een nieuw verhaal gebaseerd op dezelfde oorsprong: Judith en Holofernes.

Het toneelbeeld wordt bepaald door de ruïne van een kapotgeschoten kapel in een omgeving die bezaaid ligt met puin. Vluchtelingen onder begeleiding van gewapende partizanen banen zich voetje voor voetje een weg tussen de brokstukken en over de puinhopen. We bevinden ons in een dorp in Italië tijdens WOII, de perfect uitgevoerde kledingontwerpen van Dieuweke van Reij suggereren dat heel duidelijk.

Dan arriveert een kolonne Wehrmachtsoldaten en krijgen we de gebruikelijke taferelen te zien: de partizanen worden ontwapend en ter plekke geëxecuteerd, een vrouw wordt verkracht. Dan verschijnt een hoge officier te tonele, Holofernes, hier een Duitse generaal. Hij schiet zonder te aarzelen de verkrachter dood en helpt het slachtoffer overeind.

Dan laat hij zich fotograferen met een paar kinderen en met de rest van de bevolking. Een cameraman is ter plekke om het vast te leggen. Wat we zien is propaganda binnen een propagandafilm. Kennelijk vindt een en ander plaats in 1944 ergens in de Republiek van Salo, Mussolini’s vazalstaat waarin de Duitsers vochten tegen de partizanen maar tegelijkertijd de bevolking nog de indruk wilden geven dat men aan dezelfde kant stond. Mooie vondst, goed uitgewerkt

Een zelfbewuste mooie vrouw, type contessa, presenteert zich aan Holofernes als bemiddelaar, Judith in Italië.

Het verhaal ontrolt zich en Holofernes wordt onthoofd met zijn eigen zwaard.

Het probleem hoe dat te rijmen met de Italiaanse oorlogssetting heeft Visser briljant opgelost. Hij voegt het fenomeen roofkunst aan zijn propagandafilm toe en laat kisten met schilderijen ten tonele voeren. Een ervan is Caravaggio’s Judith en Holofernes. Verder kleedt hij zich voor zijn gezellige avond met die mooie dame in het galauniform van een generaal van de Waffen SS, compleet met ceremonieel zwaard. Zo komen de idee van een onthoofding en het benodigde zwaard als vanzelf samen, op het toneel en in het hoofd van de ‘contessa’.

Als de daad eenmaal is verricht en haar achterban de dappere vrouw bij wijze van spreken op de schouders wil nemen, schrikt ze terug. Ze beseft iets gruwelijks te hebben gedaan, onthoofden is veel confronterender dan simpelweg neerschieten, daar is geen direct contact en inspanning voor nodig. Visser laat hier Judith zien als het personage dat figureert in het 19e eeuwse toneelstuk van Friedrich Hebbel. Met haar komt het niet meer goed. Anders dan haar bijbelse voorbeeld kan zij zich niet troosten met het waanidee dat ze slechts de wil van een hogere macht ten uitvoer bracht.

Dankzij de vreemde ontstaansgeschiedenis van Vivaldi’s oratorium Juditha Triumphans bestaat de cast louter uit vrouwen. Het werk werd geschreven voor een meisjesschool en daar waren geen mannen stemmen voorradig. Het verklaart ook de opzet als oratorium, geen stuk voor een toneel, zeker niet met al die meiden. Doordat de tekst in het Latijn is gesteld zal deze aan veel toehoorders voorbij zijn gegaan. De propagandistische waarde zit hem louter in de titel, de bekendheid van de bijbelse Judith en de verklarende tekst aan het einde.

Voor deze nieuwe productie van DNO werd een beroep gedaan op het La Cetra Barockorchester Basel onder leiding van Andrea Marcon. Spelend op periode instrumenten leverde dit orkest een verbluffend goede begeleiding van het tot theaterstuk omgevormde oratorium. Speciale vermelding voor concertmeester Eva Saladin en voor Francesco Spendolini voor zijn uitgebreide solo op chalumeau.

De zangers leverden elk een bijzonder goede prestatie. De Franse mezzo Gaëlle Arquez was op en top het eerder genoemde type ‘contessa’ en wist vocaal haar rol uitstekend in te vullen. Haar directe tegenspeler was de Italiaanse mezzo Teresa Iervolino, prima optreden.

Vuurwerk kwam er vooral van Holofernes’ adjudant Vagaus, gezongen door de wel zeer wendbare Russische mezzo Vasilisa Berzhanskaya. Vagaus heeft in mijn beleving de meest onsympathieke rol maar de spectaculairste muziek. Vasilisa wist met beide aspecten goed raad.

De Britse mezzo Polly Leech vertolkte heel overtuigende de rol van Juditha’s bediende Abra. Verdere rollen waren er voor Gloria Giurgola (Puella Judaica) en Francesca Asciotti (Ozias). Verder zong het koor de stem van het volk, niet ongebruikelijk natuurlijk.

Muzikaal een zeer goede voorstelling van een stuk in een genre waar ik persoonlijk niet veel mee op heb. Des te groter het compliment voor de uitvoerenden dat ik er tot het laatste moment door werd geboeid. Deze Juditha Triumphans is een opmerkelijke productie die de aandacht verdient van een breed operapubliek.

Hieronder trailer van de productie:

Bezocht op 26 januari 2019