Das Liebesverbot van Opera Zuid tot nader order uitgesteld

Tekst: Peter Franken

Dit seizoen stond Wagners tweede opera Das Liebesverbot op het programma van Opera Zuid. Zoals zoveel producties moest ook deze worden geschrapt. Wout Koeken vond het niet verantwoord aan de voorbereidingen te beginnen zolang de theaterdirecteuren nog geen voorstellingen konden boeken. Gelukkig hebben Wagnerliefhebbers en zij die domweg nieuwsgierig zijn naar dit jeugdwerk van Der Meister een alternatief. Kasper Holten regisseerde de opera namelijk voor Teatro Real.

Van de voorstelling in Madrid is een opname op BluRay uitgebracht en die geeft een uitstekende indruk van deze minst Wagneriaanse van alle Wagners. Aanleiding voor de coproductie met de Royal Opera en het Teatro Colon was het 400e sterfjaar van Shakespeare. Het accent ligt zodoende op diens Measure for measure en minder op een streven om Wagners tweede opera wat meer bekendheid te geven. Een echt serieuze poging in die richting is het dan ook niet geworden.

Wagner componeerde Das Liebesverbot toen hij begin 20 was. Het werk ging in 1836 in première in Maagdenburg onder leiding van de jonge componist zelf. Het werd een compleet fiasco en een tweede voorstelling is er tijdens Wagners leven nooit meer van gekomen. De complete titel van dit jeugdwerk luidt: Das Liebesverbot oder die Novize von Palermo. Het libretto is een bewerking door de componist van Leer om leer.

Das Liebesverbot doet denken aan het werk van Lortzing en von Flotow, maar dan met uitgesproken belcanto invloeden. Net als Martha is het een Spieloper zonder gesproken teksten. In zijn productie voor Teatro Real heeft regisseur Kasper Holten echter gekozen voor een andere insteek. Hij brengt het werk als een Gilbert and Sullivan operetta, met veel zwaar aangezette ‘humor’ en overdreven maniertjes.

Wagner verplaatste de handeling van Wenen naar Palermo maar volgt verder de grote lijn van Shakespeare’s stuk vrij getrouw. De Duitse stadhouder Friedrich, die bij afwezigheid van de Siciliaanse vorst tijdelijk het gezag uitoefent, wil de losbandigheid van zijn onderdanen aan banden leggen. Daarbij concentreert hij zich op seksuele ‘onregelmatigheden’ al dan niet het gevolg van alcoholgebruik. Door het aanstaande carnaval te verbieden hoopt hij aldus twee vliegen in één klap te slaan. In zijn ijver om het burgerlijk fatsoen in ere te herstellen gaat hij echter zo ver dat alle seksuele contacten buiten het huwelijk worden verboden met de ultieme sanctie: de doodstraf. De politie krijgt opdracht om maar direct de gehele rosse buurt van Palermo te ontruimen. Deze inbreuk op het vrije handelsverkeer valt niet in goede aarde en de bevolking protesteert dan ook luid.

Luzio ziet zijn vriend Claudio weggevoerd worden door de politie. Die gaat naar het gevang omdat hij een kind heeft verwekt bij een vrouw met wie hij niet is getrouwd. Overigens niet geheel zijn schuld aangezien haar ouders hebben geweigerd in te stemmen met een huwelijk. Hij vraagt Luzio om zijn zuster Isabella, als novice tot een klooster toegetreden, op de hoogte te brengen en te vragen of deze voor hem wil pleiten bij Friedrich. In het klooster praat Isabella met een andere novice, Mariana. Deze vertrouwt haar toe dat ze daar terecht is gekomen nadat haar minnaar en aanstaand echtgenoot, een hooggeplaatste figuur, haar heeft laten zitten. Uiteraard is dat niemand minder dan Friedrich zelf. Isabella is diep verontwaardigd, zowel over het gedrag van Friedrich als over het lot van haar broer, en onderneemt een reddingspoging. Daarbij maakt ze zoveel indruk op Friedrich dat deze voor haar charmes bezwijkt en belooft Claudio van de galg te redden. Ten prooi aan hormonale opwinding eist hij echter als tegenprestatie dat Isabella zich aan hem geeft, al is het maar voor een uurtje.

Wat volgt is een serie klassieke verwikkelingen met geheime rendez vous’, gemaskerde personen, verwisselingen en uiteindelijk een apotheose in de vorm van de terugkeer van de heersende vorst. En dat alles op muziek die hoegenaamd niet aan de latere Wagner doet denken. Luisterend krijg je bepaald niet het gevoel dat hier de toekomstige smid van de Ring aan het werk is.

Het decor van Steffen Aarfing is inventief en maakt snelle wisselingen mogelijk waarbij een rosse buurt in een oogwenk verandert in een klooster, rechtszaal of gevangenis. Hij was ook verantwoordelijk voor de kostumering en daar gaat het een beetje mis: carnaval speelt weliswaar een grote rol in het verhaal maar dat zou geen reden moeten zijn bijna de gehele cast er voortdurend bij te laten lopen alsof men naar een gekostumeerd bal gaat. Het acteren is al steeds ‘over the top’ en de kostumering versterkt die indruk waardoor het geheel dreigt af te glijden naar ‘leuk doen’.

De Duitse Wagnersopraan Manuela Uhl neemt de titelrol (Isabella, die Novize) voor haar rekening. Wat Holten haar aan gebaren heeft meegegeven is een tikje kinderachtig maar gelukkig weet ze de partij uitstekend te zingen.

Ook de twee overige vrouwenrollen zijn met María Miró (Mariana) en María Hinojosa (Dorella) goed bezet. Hinojosa excelleert in de scène waarin ze als animeermeisje Dorella de politiechef Brighella om haar vinger weet te winden. Een opmaat voor Isabella die dit vervolgens nog eens dunnetjes overdoet met Friedrich.

Cristopher Maltman speelt een aardige Friedrich maar zijn zang valt wat tegen. Alle mannen hebben overigens meer dan verwacht moeite met hun partij. Geforceerde uithalen zijn niet van de lucht, zowel bij Maltman als bij Ilker Argayürek (Claudio) en Peter Lodahl (Luzio). Een uitzondering is Ante Jerkunica die zonder hoorbare moeite gestalte geeft aan zijn bufforol van Brighella.

Koor en orkest van Teatro Real staan onder leiding van Ivor Bolton. Het orkest klink redelijk, het koor is goed. Al met al een aardig curiosum deze opname, maar nu vooral aanbevolen als pleister op de wonde van diegenen die hebben uitgekeken naar een nieuwe productie van Opera Zuid.

Trailer van de productie:

Alle foto’s (c) Teatro Real / Javier del Real

Kim and Blechacz,  a mix of Polish melancholy and French elegance

blechacz kim

Polish master pianist Rafał Blechacz and Korean star violinist Bomsori Kim have recently formed a duo, at least on the stage. Their collaboration brought them to the Deutsche Grammophon studio, where they recorded a CD with Polish and French works for violin and piano.

The choice of these two countries is explained by the music of Frédéric Chopin, whose Nocturne No.20 in C minor, arranged by Nathan Milstein, is on the CD. Chopin, who lived half of his short life in France, symbolises – at least according to the compilers – the perfect symbiosis of Polish melancholy and French elegance. But whether this also applies to the other composers on the CD?

Oh well, it’s not really important since the music is so beautiful. Not that I have no comments. I find the piano too dominant and too loud, at least in Fauré. Blechacz is a more than excellent pianist, who is known for his poetic touch and that is precisely what is missing here!

But that could be due to the recording, because in Debussy the balance is restored and you can finally hear how really wonderful Kim’s performance is. Her bowing techniques are delicate and her delivery mysterious and mystical, and so is the sound of the pianist. Exactly as it should be.



FAURÉ, DEBUSSY, SZYMANOWSKI, CHOPIN
Rafał Blechacz (piano), Bomsori Kim (violin)
DG 48364671

A fascinating introduction to Yitzhak Yedid

YItzhak Yedid cd

A word of warning: it starts with a ‘bang’. If you are not prepared for that, you may get quite a shock. It almost knocked me out of my chair, but the landing afterwards was fortunately on the soft side. Let me put it this way: the ‘bang’ – I assume it is the ‘killul’ (the ‘curse”’) of the title – was a prelude to an interesting story. So you have been warned.

Chad Gadia (the little goat) for clarinet, violin, cello and piano is different. Let me put it this way: the title is an ept one. Delightful. It put a smile on my face.

The piano concerto is different again. I don’t know if I like it, but it is certainly worthwhile, mainly because of the excellent performance. The pianist Michael Kieran Harvey deserves a big compliment for his insanely good execution of the piece. You can hear it best in the very classicist- sounding third movement.

Yitzhak Yedid
Israeli composer Yitzhak Yedid was born in Jerusalem in 1971; his parents were Jewish refugees from Syria. In his music, you can hear the influences of Arab and Jewish rhythms, all combined with free jazz. This is especially evident in the (for me the best and also the most interesting) title composition, Angels Revolt, a chaconne for piano.

But if I may be very honest: I found the introduction absolutely fascinating, but will I ever play the CD again, just for my own pleasure? My advice is: take your time, listen and … who knows?



YITZHAK YEDID
Angels Revolt
Kiddushim ve´killulim, Chad Gadya, Concerto for piano and strings, Angel´s Revolt
Rachael Shipard, Michael Kieran Harvey (piano)
Christian Lindberg, Graeme Jenkins (conductor)
Betweenthelines BTLCHR71246

Strijkkwartetten van Weinberg door het Arcadia Quartet: de perfectie nabij

Zeventien heeft hij er gecomponeerd. Zeventien strijkkwartetten die zowat zijn hele muzikale leven markeren. Mieczysław Weinberg, de componist die eindelijk uit de vergetelheid wordt gehaald, al is het (te) laat. En postuum.

Het bekendste van al zijn kwartetten is, denk ik, nummer acht. Daar verbaas ik mij niet over want het is zo waanzinnig emotioneel maar tegelijk ook ingehouden. Het begint met een Adagio waar je niet aan kunt ontsnappen. Heel erg mooi maar ook best pijnlijk. De daaropvolgende Alegretto biedt ook geen soelaas: het zou vrolijk moeten zijn maar is het niet. Deel drie, Doppo più lento is alleen maar schrijnend. Geen muziek waar je vrolijk van wordt maar het kruipt onder je huid en laat je nooit meer los. Weinberg componeerde het in 1959 en heeft het aan het Borodin Quartet opgedragen.

Nummer twee is een jeugdwerk, hij schreef het in 1939 toen hij nog conservatoriumstudent was in Warschau en droeg het op aan zijn moeder en zuster (geen van beiden hebben ze de oorlog overleefd). In 1987 heeft hij het gereviseerd. Ik zou graag beide versies naast elkaar kunnen leggen… wellicht lukt het ooit?

Het Arcadia Quartet en Chandos zijn nu aan een nieuw project begonnen: ze gaan alle strijkkwartetten van Weinberg opnemen, lovenswaardig. Het is niet de eerste keer dat alle strijkkwartetten van Weinberg worden opgenomen, het Danel Quartet ging ze voor. Iets wat aan de pers is ontsnapt.

Ook ik ken die uitvoering niet, maar ik denk niet dat het beter kon. Kan. Het is gewoon perfect. De leden van het mij tot nu toe onbekende strijkkwartet spelen levendig en hun betrokkenheid is voelbaar. Simpel gezegd: ze spelen de sterren naar beneden.

Arcadia Quartet over Weinberg: “zijn muziek is als een gloed van licht omgeven door de duisternis van het onbekende […]. Met elke opname en elke live-uitvoering van zijn muziek willen we wat licht laten schijnen op dit veelomvattende, diepgaande fenomeen, dat zo lang over het hoofd is gezien, en we hopen dat Mieczysław Weinberg mettertijd zijn rechtmatige plaats in de muziekgeschiedenis zal innemen”

Daar kan ik alleen maar ‘Amen’ op zeggen en kan gewoon niet wachten op het vervolg. Bravo Arcadiërs! En Chapeau alweer Chandos!


MIECZYSLAW WEINBERG
Strijkkwartetten 2, 5 en 8
Arcadia Quartet
Chandos Chan 20158

Strehlers Entführung uit La Scala uitgebracht op BluRay

 Tekst: Peter Franken

In 1965 stond Mozarts Singspiel Die Entführung aus dem Serail op het programma van de Salzburger Festspiele.Het betrof een productie van Giorgio Strehler en de 29-jarige Zubin Mehta had de muzikale leiding.

Strehler (Mitte) mit seinem Ausstatter Luciano Damiani (links) und Dirigent Zubin Mehta (foto archief Salzburger Festspiele)

Strehler overleed in 1997 en om hem te herdenken liet La Scala 20 jaar later zijn inmiddels legendarische Entführung herleven in een regie van Mattia Testi. Het geval wilde dat Luciano Damiani, van wiens hand het oorspronkelijke decor en de kostuums waren, in 2007 overleed zodat met deze revival tegelijkertijd diens tiende sterfjaar kon worden herdacht. De productie is nauwgezet gereconstrueerd en was zoals al vermeld in 2017 te zien in La Scala. Op CMajor is een opname op BluRay van een van de voorstellingen verschenen.

Strehler bracht het werk als theater binnen het theater. Op het toneel van La Scala is een kleiner toneel gebouwd, compleet met gekostumeerde toneelknecht die handmatig het doek open en dicht laat gaan. Het zodoende kleine toneel wordt verder geminimaliseerd door twee grote decorstukken links en rechts die het paleis van Selim moeten suggereren. De uitgespaarde opening biedt uitzicht op een wit met blauwe achtergrond, lucht en zee, waar zo nu en dan het silhouet van een langskomend schip te zien is.

 

Silhouet, dat is het toverwoord van Strehlers benadering. Hij laat het speelvlak niet geheel belichten maar houdt een strook geheel donker. Zodra een van de spelers een paar passen richting publiek doet komt deze in de onbelichte zone te staan. Met zorgvuldig ingestudeerde gebaren wordt vooral tijdens de aria’s op deze manier een fraai schimmenspel opgevoerd. Het idee is natuurlijk afkomstig van het theater met Wajangpoppen. Hoewel hiermee mooie beelden worden gecreëerd wordt de methodiek na verloop van tijd nogal voorspelbaar. Gecombineerd met de smalle toneelopening kreeg ik het gevoel naar een silhouetspel tussen de schuifdeuren te kijken.

De regie houdt de handeling zo luchtig mogelijk. Zo trippelt Osmin, fraai uitgedost in Turks folkloristisch kostuum, in de rondte terwijl hij tegelijkertijd de boeman probeert uit te hangen. Het levert aardige contrasten op. Ook de Janitsaren zorgen voor enig comic relief. Bassa Selim daarentegen is bloedserieus en tamelijk dreigend, het enige personage dat de toeschouwer bij de les houdt. Immers, we kijken naar een viertal mensen in gevangenschap dat in geval van een mislukte ontsnapping op onmiddellijke executie kan rekening.

Lenneke Ruiten geeft een fraaie zeer verzorgde uitvoering van de rol van Konstanze. Haar coloraturen zijn puntgaaf en het traject van zeer laag tot stratosferisch hoog doorloopt ze zonder dat er een hoorbare wisseling van register waarneembaar is. Acterend wordt er weinig van haar gevraagd, zelfs niet in ‘Martern aller Arten’ dat ze bijna als een concertaria naar het publiek moet zingen.

Sabine Devieilhe als Blonde is vooral acterend de moeite waard. Aardig om te zien hoe ze Osmin duidelijk maakt dat ze zijn ogen zal uitkrabben als hij haar te na komt, haar Blonde staat dan met uitgestoken ‘klauwhanden’ voor zijn gezicht. Vocaal weet ze op mij minder indruk te maken. De noten zijn er, keurig netjes geleverd allemaal, maar haar stem is nogal dun waardoor wat ze zingt te weinig indruk maakt.

Tobias Kehrer speelt zijn Osmin als een buffo en dat is aardig om te zien. Zijn zang is uitstekend. Dat geldt ook die van Maximilian Schmitt als zijn directe tegenstrever Pedrillo. De interactie tussen die twee houdt tijdens de wat trage momenten de aandacht vast.

Mauro Peter geeft een prima vertolking van Belmonte, overigens in mijn beleving de minst interessante figuur in het stuk. Hij is duidelijk geen partij voor de aartsvijand van zijn vader, Selim. De rol van Bassa is in handen gegeven van Cornelius Obonya die een wat schor stemgeluid paart aan duidelijk herkenbare onderhuidse dreiging in zijn uitspraken. Let niet op wat hij zegt, maar hoe hij het zegt, geen man om op zijn woord te vertrouwen. Dat maakt zijn plotselinge ommekeer aan het einde nogal geforceerd. Wat minder woede en dreiging en iets meer ironie in zijn monoloog ‘Ist es möglich?’ was hier op zijn plaats geweest.

De muzikale leiding is in handen van opnieuw Zubin Mehta, inmiddels 80 jaar oud, waarmee de cirkel gesloten wordt. Een prima uitvoering van een toch wel enigszins gedateerde productie.

De complete Entfurung uit Salzburg :

Trailer uit La Scala:

foto’s uit La Scala: © Brescia/Amisano – Teatro alla Scala)

Kurt Weills Dreigroschenoper door Robert Wilson. Fenomenaal

Eind april 2009 bezocht het vermaarde Berliner Ensemble Amsterdam. Ze brachten Die Dreigroschenoper mee, in de prachtige enscenering die Robert Wilson twee jaar eerder het gezelschap maakte. Wetenswaardigheid: Berliner Ensemble is gevestigd in het Theater am Schiffbauerdam waar het werk in 1928 in première werd gebracht.

Alle vier de voorstellingen in het Muziektheater waren uitverkocht en het publiek reageerde uitzinnig enthousiast. Volkomen terecht want alles was gewoon geweldig. De productie, de regie, de belichting, de kostuums, de bewegingen… En de uitvoering, uiteraard, want daarvoor gaan we naar het muziektheater?

 

De voorstelling was zeer cabaretesk, in de goede zin van het woord. Het was grotesk en vaudevilleachtig met veel slapstick, (film)citaten en wat niet meer zonder dat het ‘theater van de lach’ werd. Af en toe moest ik aan Otto Dix denken. In één woord: adembenemend. En het was natuurlijk een feest om al die bekende en nog steeds o zo actuele nummers weer eens te kunnen horen, maar nu als onderdeel van een geheel.

De voorstelling duurde wel lang (ja mensen, het was niet alleen Wagner die er tijd voor nam), ruim drie uur, maar dan kreeg je ook wat. Om te beginnen de complete dialogen.

Stefan Kurt was een formidabele, androgyne dandy Macheath en Angela Winkler een zeer ontroerende Jenny. Ook Jürgen Holtz als J.J. Peachum en Axel Werner als Tiger Brown waren niet te versmaden en Christina Drechsler was een geweldige Polly.

fotomateriaal © Lesley Leslie-Spinks

 

Knock-out geslagen door het eerste solo album van Nuala McKenna

De in 1993 geboren Duits-Ierse celliste Nuala McKenna groeide op in een muzikale familie. Op haar vierde begon ze met pianolessen. Cello kwam toen zij acht was. Zij was twaalf toen ze toegelaten werd aan het conservatorium van Lübeck, waarna zij (o.a.) bij Jean-Guilhen Queyras en Ivan Monighetti studeerde, wat haar liefde voor modern (en solo) kan verklaren.


                                                                     © Hans van der Woerd

In haar eigen woorden: “Wanneer ik de vraag krijg bij aankomst van een concert wat ik nodig heb op het podium, zijn de mensen altijd verrast als ik zeg: ‘alleen een stoel graag’.
Door de jaren heen heb ik een grote liefde ontwikkeld voor het solorepertoire voor cello waarmee ik ook veel over mezelf heb geleerd. Deze opname is het resultaat van alle processen die ik doorlopen heb om me met deze muziek te verbinden “ (bron: voordekunst).

Haar techniek is onberispelijk, maar techniek alleen is te weinig om te (blijven) boeien, zeker als je, als enige partner je cello hebt. Nou: zelden zat ik zo aan mijn stoel gekluisterd als nu, bij het beluisteren van deze cd. Ongelooflijk spannend vanaf het eerste moment. En de spanning vervaagde niet en was tot de laatste noot ijzingwekkend, bijna thrillerachtig voelbaar.

Ik weet niet of ik de sonate van Kodály ooit beter gespeeld heb gehoord en ik heb er toch best veel gehoord. Ook in Ligeti toont zij zich een meester van het instrument. In Britten heeft zij wat meer concurrentie (Rostropovitsj, bij voorbeeld, voor wie Britten zijn stukken heeft geschreven), maar ook in Britten is haar lezing gewoon ongeëvenaard.

Nuala McKenna heeft mij met haar spel knock-out geslagen en als ik eerlijk mag zijn, deze knock-out voelt meer dan lekker. Ook de opname is subliem. Zeer aanbevolen!


Cellosolowerken van Zoltá Kodály, György Ligeti en Banjamin Britten
Nuala McKenna (cello)
Cobra Records 0078

The Divine Emma /Božská Ema …

emmy-destinn-the-greatest-czech-soprano-dv

Emílie Pavlína Věnceslava Kittlová (February 26, 1878 – January 28, 1930) or, as the world knows her: Emmy Destinn. She is considered to be one of the greatest sopranos of the first twenty years of the twentieth century. She celebrated triumphs in Berlin, Paris, London and New York, she performed with Enrico Caruso, who had once proposed to her, and together they sang the world premiere of La Fanciulla del West, an opera that Puccini had composed with her voice in mind.

Emmmy Fanciulla

In her homeland, Bohemia, she was mainly loved for her patriotism, which even earned her a three-year house arrest during the First World War. The Czech documentary about her life is both interesting and irritating.

Emmy Dinh

Interesting because it recounts many unknown facts about her life and it provides us with beautiful images, photos and film clips and special acoustic recordings (including a real rarity: the Czech national anthem, sung in Czech together with her, then, lover, the Algerian baritone, Dinh Gilly):

Irritating, because it is put together as a very old-fashioned, extremely sentimental filmic portrait, full of seagulls flying overhead, windblown cornfields, a recurring hourglass and larded with staged fictional images. And all that to the sounds of Chopin’s Nocturne.

But the worst thing is that they had Destinn’s voice replaced with that of Gabriela Beňačková! So a great singer is not even allowed on- screen, because the leading part is – of course – intended for a beautiful young lady.

And here the _real_ Emmy:

The Greatest Czech Soprano
Supraphon, SU7006-9

Schönberg’s  ‘Gurre – Lieder’

Gurre

For me Gurre-Lieder is one of the most beautiful works ever composed. From the moment the music gently begins to swell, I am in heaven. The music, like a Dybbuk, takes hold of me completely and there is no escape possible.

Not that I mind. Feeling completely immersed in something, identifying with something, will give you a surreal feeling of being set afloat. A bit scary, yes, but also a bit like an initiation. Love, murder, an immense sadness that drives you mad, the fight against God, the power of nature: everything is there and it is fully integrated into the music.

The famous Viennese critic Julius Korngold called the work “a flowering cactus”. A beautiful metaphor.

In ‘Sehnt die Sonne’, the last piece of the cantata, Schönberg achieves something truly unprecedented, although he does not (yet) know it himself: he is building a bridge between past and present. Think of the finale of Iris by Mascagni. And think of Schönberg’s own masterpiece, A Survivor from Warsaw, composed after the war.

Below, ‘Sehnt die Sonne’ in the performance of the (not discussed here) Berliner Philharmoniker olv Simon Rattle:

The premiere, on February 23, 1913, in Vienna, was conducted by Franz Schreker, with 757 musicians participating. The Dutch premiere, conducted by Schönberg himself, took place in March 1921. The idea of performing the work scenically did come up; apparently there were plans for it as early as 1927, but Schönberg has always resisted the idea.

It’s a cliché, I know, but you must hear the Gurre-Lieder live at least once in your life. No recording, no matter how great, can match the overwhelming power of a live concert.

LEOPOLD STOKOWSKI 1952

Gurre Stokowski

The very first commercial recording, as far as I know, is from 1932. None other than Leopold Stokowski conducted the American premiere of the work on April 8 that year. It was recorded by RCA and with a bit of a search you may be able to find it (though I did not succeed).

In 1961, Stokowski took the Gurre-Lieder to Edinburgh, where it caused a sensation. The performance was recorded by radio and later released on Guild (GHCD 2388/89). His affinity with the work is clearly audible, it is as if it were his love child: his approach is caressing, stroking, cuddling, but with justified outbursts of anger when the child wants to be unruly. I think that is wonderful, really wonderful.

Gré Brouwenstein is a good Tove. Nice voice, although I find her a bit distant at times. James McCracken is a bit of a heavy Waldemar, but he never degenerates into roaring, something that later marred many of his recordings. Personally, I prefer a voice that is more agile, but Stokowski’s lyrical approach also transfers to his soloists, including McCracken.

The concert begins with the announcement of the BBC presenter, after which ‘God save the Queen’ is given. Quite nice and adding to the atmosphere.
Below the Prelude, followed by Waldemar’s first song (James McCracken):

SEIJI OZAWA 1979

Gurre Ozawa

 

In 1979, Mc Cracken was long past his prime. A pity, because it is the only blemish on an otherwise splendid performance by Seiji Ozawa (Philips 4125112).

The young Jessye Norman could do anything she wanted with her voice, and her dark soprano with its enormous width is very sensual. A little dominant, it is true, not really an innocent lady, but I like it.

Jessye Norman sings ‘Du sendest mir einen Liebesblick’ :

Tatjana Troyanos is a very heartfelt Waldtaube. The whole was recorded live at the Boston Symphony Hall.

RICCARDO CHAILLY 1985

Gurre Chailly
I find the rendition by Riccardo Chailly (Decca 4737282) somewhat disappointing. It is a ‘studio’ recording (recorded in 1985 in Jesus-Christus-Kirche in Berlin), but the sound does not really come across. I also find Chailly a bit noisy, with few nuances.

Siegfried Jerusalem just sounds Wagnerian, and that is, in this case, not a compliment. Also Susan Dunn (Tove), at the time a Chailly protégé, is not really adequate, sometimes it seems as if she does not know what she is singing. But then Brigitte Fassbaender (Waldtaube) comes along and any doubts are gone!

ESA-PEKKA SALONEN 2009

gurre-salonen
In 2009, Esa-Pekka Salonen (SIGCD173) caused a sensation with his performance at the Royal Festival Hall in London. And rightly so. The performance is really sizzling and the soloists, with foremost Soile Isokoski as the most beautiful Tove ever, are fantastic.

Stig Andersen is certainly a good Waldemar and Monica Groop a heartbreaking Waldtaube. Unfortunately, the recording is abominable. There is no sound balance whatsoever, you have to adjust your volume buttons all the time. I do not have a SACD player, but my speakers could not cope with it. A pity.

MARKUS STENZ 2014

gurre stenz

 

The performance recorded in June 2014 under Markus Steinz for Hyperion (CDA68081/2), is in my opinion among the best available. The Gürzenich-Orchester Köln evidently feels like a fish in water in the late Romantic idiom and – reinforced by the six different choirs – they do not shy away from any means of getting through to the listener and his heart. The “Zemlinsky years” of James Conlon are apparently in their genes forever…..

The, in itself, warm mezzo of Claudia Mahnke (Waldtaube) unfortunately has some sharp edges. For me, I would have liked it to be a bit more lyrical – less Wagner and more Zemlinsky, so to speak – but her performance is more than impressive. A real voice actress.

The Dutch soprano Barbara Haveman is a very sensual Tove, but best of all is Brandon Jovanovich. As Waldemar, he is pushing his limits, but he never oversteps them. Very masculine and at the same time very fragile. For me, his performance is more than sensational.

The baritone Johannes Martin Kränzle is a fantastic speaker. His presentation is devoid of any mannerisms, something many performers of this role are guilty of (Sunnyi Melles in Amsterdam!).

 

REINBERT DE LEEUW 2011

Gurre de leeuw

Before I reveal my absolute favourite (we all like a bit of suspence, don’t we?), a word about Reinbert de Leeuw’s performance, recorded by KRO on March, 26, 2011 in a sold-out Dr Anton Philipszaal in The Hague. The orchestra was “halved”, there were “only” 356 musicians. I did not really like the soloists , but it is still a homegrown document. The Internet offers enough (pirate) recordings. Otherwise, just search for it on youtube.

Reinbert de Leeuw speaks about the Gurre-lieder:

 

AND THE WINNER IS: RENÉ LEIBOWITZ 1953

Gurre-Leibowitz

René Leibowitz. Have you ever heard of him? In the 1950s, he was one of the best conductors, the ones who put their own stamp on everything they undertook. In 1953, he conducted “Gurre-lieder” in Paris. When I received the CD (Preiser 90575), I thought: interesting, let it come… Well… a few hours later I knew: better, more beautiful, more moving than this does not exist, at least not for me. With Leibowitz you can even hear the flapping of the dove’s wings!

Richard Lewis sings a Waldemar as I have always wanted to hear him: sensitive and delicate. Ethel Semser (Tove) was well acquainted with Schoenberg’s oeuvre; she had already recorded his Pierrot Lunaire.

Nell Tangemann (Waldtaube) remains a great unknown, despite the roles she has created: Mother Goose, for example. Or Dinah, in the world premiere of Bernstein’s “Trouble in Tahiti”. Ned Rorem has also composed a few things for her. Unfortunately, no recordings of this exist, so you can consider the Gurre-lieder as a document and a tribute to the unknown mezzo-soprano who honestly deserved better.
An absolute must.

 

BONUS

A curiosity: Schoenberg conducting his ‘Lied der Waldtaube’, here sung by Rose Bampton. The recording dates from 1934:

 

 

In Dutch:

SCHÖNBERG: GURRE-LIEDER. Discografie

Gurrelieder bij DNO:
Pierre Audi regisseert Gurre-Lieder van Schönberg

En in het Concertgebouw:
 Dramatisch heftige Gurrelieder door fenomenale uitvoerenden, in het Concertgebouw

Wilhelm Tell van Rossini: herinneringen aan één van de beste Zateerda/Matinees ooit

Het Nederlandse operajaar 2009 sloot op 12 december met een ongeëvenaard concert waar, volgens mij niets aan kon tippen. Tijdens de ZaterdagMatinee werd Guillaume Tell van Rossini uitgevoerd. Concertante, uiteraard, maar dan wel zonder coupures. Een zit van bijna vijf uur, maar wát een onvergetelijke én spannende uren! Het publiek werd gewoon uitzinnig en brak zowat het Concertgebouw af. De kracht van de uitvoering zat hem voornamelijk in de voortreffelijke bezetting van alle rollen. Allemaal. Ook de kleinste.

                                          Marina Poplavskaya © Wiki

Marina Poplavskaya was een onweerstaanbare Mathilde. Vanaf haar eerste aria wist zij het publiek te betoveren en die betovering verbrak zij geen moment. Overtuigend tot en met en dat werd zij voor beloond met een daverend applaus. Die middag groeide zij uit tot een publiekslieveling.

Hieronder: Marina Poplavskaya zingt ‘Ils s’éloignent enfin… Sombre forêt, désert triste et sauvage’. De opname is uit 2012

                AP Photo/Keystone, Walter Bieri

De titelrol werd voortreffelijk gezongen door Michele Pertusi, een zowat uitstervend ras van echte bas-chantanten die het niet moeilijk hebben met hoge noten. In zij interpretatie klonk hij als een echte vrijheidsstrijder. Een die weet wat echte strijd inhoudt en daarbij zijn menselijkheid behoudt. Ik werd er stil van.

Pertusi als Tell tijdens de Rossini Opera Festival 1993:

John Osborn was een Arnold uit duizenden. Hij liet het verbijsterd publiek versteld staan vanwege de spetterende hoge noten en het ontroerende legato.

Hieronder: John Osborn zingt ‘Asile héréditaire’ (A Tribute to Gilbert Duprez, Delos)

 

Ilse Eerens ontroerde met haar lichte, heldere en toch krachtige vertolking van Jemmy en Manuela Custer (Hedwige) zowat een lesje in ‘hoe zingt een echte mezzo’ gaf.   Onvoorstelbaar en indrukwekkend hoeveel kleuren haar lage register heeft!

Het Groot Omroepkoor was, zoals altijd eigenlijk ongeëvenaard. Eigenlijk zongen zij de hoofdrol in de opera. Van ingetogen zacht tot triomfantelijk hard, van smartelijk klagend tot vrolijk juichend, dat alles hadden ze paraat.

De uitvoering stond onder de zowat ‘fanatieke’ leiding van Paolo Olmi die het Radio Filharmonisch Orkest soms tot bloedstollende hoogte opzweepte.