De in 1988 op drieëndertigjarige leeftijd aan Aids overleden Egorov was bij leven al legendarisch. Dat had hij te danken aan zijn geschiedenis (gevlucht uit USSR, asiel aangevraagd en gekregen), zijn stoere manier van leven, zijn openlijke homoseksualiteit, zijn knappe verschijning en zijn zeer hoge aaibaarheidsfactor. En, last but not least aan zijn poëtische manier van pianospelen. Soms had je het gevoel dat hij de toetsen niet eens aanraakte, dat hij ze alleen lichtjes aaide.
Piet Tullenaar, gepensioneerd geluidsrechercheur bij de NOS en groot Egorov-fan, wist na een intensieve speurtocht live-opnamen van zijn idool te ontdekken die nog niet eerder werden uitgebracht. Ze bevonden zich in de archieven van verschillende omroepen, o.a. de VARA
Die opnamen zijn nu op twee cd’s bij Etcetera uitgebracht met als titel Autumn Song, naar een compositie van Tsjaikovski, die op de cd’s twee keer voorkomt, geregistreerd resp. in 1974 en 1987
Zelden gebeurt het dat een titel de lading zo perfect dekt zoals nu het geval is. Bijna alle hier verzamelde pianostukken ademen een melancholische, herfstige sfeer uit, ongeacht of het Tsjaikovski, Bartók of Scarlatti betreft.
Egorov speelt Scarlatti (niet op deze cd):
Bij de acht sonaten van Scarlatti (mijn favorieten op deze uitgave) werkt het wonderwel, maar bij andere stukken mis ik het aardse. Alles klinkt mooier dan mooi, maar ook de prachtigste poëzie moet gedoseerd geconsumeerd worden.
Ik beschouw Grażyna Bacewicz (1909-1969) als één van de grootste hedendaagse componisten. Onvoorstelbaar eigenlijk dat zij nog steeds zo weinig wordt uitgevoerd.
Joanna Kurkowicz speelt het derde deel, Vivace uit het eerste vioolconcert van Bacewicz:
Haar vioolconcerten ken ik in de uitvoering van Joanna Kurkowicz, en daar kan de mij onbekende Piotr Plawner niet aan tippen. Onder zijn handen klinkt het concert uit 1937, niet haar sterkste overigens, gewoon krasserig. Voornamelijk het laatste deel, Vivace moet het ontgelden.
Cinq pièces pour violon et petit orchestre uit 1930 van Alexandre Tansman gaat ten onder aan de te langzame tempi. Het klinkt best snel, weet ik, maar Plawner doet er echt minuten langer over dan alle andere violisten die ik ken.
De eerste twee delen van het concerto van Andrzej Panufnik uit 1971 klinken al veel beter, helaas wordt ook hier Vivace ontsierd door het krasserige. Ik kan er niet zo goed tegen.
Vioolconcerto van Panufnik, hier gespeeld doro Alexander Sikovetsky:
Maar wat de opname niettegenstaande meer dan aantrekkelijk maakt is het maar 9 minuten durende concert van Michał Spisak uit 1954. Die hoor ik hier voor het eerst en het smaakt naar meer! Of het aan het romantische idioom ligt weet ik niet, maar hier is de toon van Plawner veel warmer. Toch bekruipt mij het gevoel dat er meer uit te halen valt.
Dat ik er maar niet echt enthousiast over wil worden ligt in ieder geval noch aan de dirigent noch aan het orkest: Kammersymphonie Berlin onder leiding van Jürgen Bruns begeleidt uitstekend.
POLISH VIOLIN CONCERTOS
BACEWICZ, TANSMAN, SPISAK, PANUFNIK
Piotr Plawner (viool). Kammersymphonie Berlin olv Jürgen Bruns
Naxos 8573496 • 55’
Ik heb helemaal niets met ‘Una voce poco fa’ (Il Barbiere di Sevilla). Dat je het op concoursen zingt snap ik wel: je moet jury te laten horen dat je alle coloraturen en trillers paraat hebt, al weet ik uit ervaring dat ook de juryleden het vaak niet meer kunnen hóren. Pretty Yende zingt de aria virtuoos, aanstekelijk en levendig, maar vlekkeloos is het niet.
Dat het met Kate Aldrich gezongen duet uit Lakmé niet helemaal overtuigt, ligt voornamelijk aan het bloedeloos spelende orkest, want het Franse repertoire is iets waarin Yende mijns inziens uitblinkt. Ik had dan ook graag iets uit Thaïs of Manon gehoord, zeker in plaats van Lucia, die zo te horen nog niet haar sterkste rol is.
Album preview:
Maar verder niets dan lof over de debuut-cd van deze prachtige zangeres. Haar hoogte is prima en haar kristalheldere stem is mooier dan mooi. Haar meisjesachtig timbre maakt haar geknipt voor Juliette (Romeo et Juliette van Gounod) en ook Bellini past haar als een handschoen: Beatrice di Tenda zet zij helemaal naar haar hand.
Ook I Puritani, waarin zij wordt bijgestaan door de Gianluca Burato en Nicola Alaimo ligt haar perfect. Maar echt schitteren doet zij met Le Comte Ory van Rossini. Met die rol heeft zij in 2013 haar Met-debuut gemaakt, die zit blijkbaar dan ook helemaal in haar systeem. Ongeëvenaard.
A Journay
Rossini, Bellini, Donizetti, Bizet, Gounod
Pretty Yende sopraan
Kate Aldrich (mezzosopraan), Gianluca Burato (bas), Nicola Alaimo (bariton)
Coro del Teatro Muncipale di Piacenza; Orchestra Sinfonica Nazionale della RAI olv Marco Armiliato
Sony 88985321695
Nee, niet alweer een cd met liederen van Mahler, hoor ik u denken. Gelukkig toch wel, zeg ik. Want Sara Mingardo en Musici Aurei geven ons, door een bijzondere interpretatie een nieuwe kijk op de componist
Op het album staan Mahlers Kindertotenlieder en Lieder eines fahrenden Gesellen. Het orkest heeft echter plaatsgemaakt voor een klein kamerensemble, de zangeres beschikt over een echte ouderwetse alt en we krijgen een tussengerecht (het veel te weinig gespeelde Quartettsatz) en een toetje (Berceuse élégiaque van Busoni).
Het geluid is een beetje ouderwets, een tikje dof – het doet mij denken aan de oude Italiaanse zwart/wit films. Ik mag het wel, het brengt een bepaalde sfeer met zich mee, een sfeer van weemoed, nostalgie, melancholie en ‘tristesse’.
Gedeeltelijk komt het door de kamerensemble begeleiding (harmonium!), maar ook de stem van Mingardo klinkt ouderwets mooi. Denk: Kathleen Ferrier maar dan met veel meer dramatiek.
Het Quartettsatz klinkt – voor zo ver mogelijk – nog mooier. De tempi zijn een beetje aan de hoge kant en af en toe is het een beetje vals, maar dat deert niet. De emoties spetteren er van af, en daar gaat het in muziek om, althans voor mij.
Het idee om met de Berceuse élégiaque het programma af te sluiten is niet minder dan briljant. We blijven in dezelfde sferen.
Een cd om te koesteren!
GUSTAV MAHLER
Kindertotenlieder, Lieder eines fahrenden Gesellen, Quartettsatz
FERUCCIO BUSONI
Berceuse élégiaque
Sara Mingardo (contralto), Grazia Raimondi (viool), Silvio Di Rocco (altviool), Olaf Laneri (piano), Luigi Piovano (cello)
Musici Aurei olv Luigi Piovano
Eloquentia EL 1233
Luigi Dallapiccola heeft het ooit mooi geformuleerd: “Ik geloof sterk in de eeuwige vernieuwing van de kunst. Maar ik ben er ook van overtuigd dat het krankzinnig is om de traditie de rug toe te keren”. Dat hij zijn uitspraak daadwerkelijk meende, heeft hij met zijn (nog steeds veel te weinig gespeelde!) composities ruimschoots bewezen.
Luigi Dallapiccola
Zijn intens lyrische Piccola musica notturna (zeg maar gerust Eine Kleine Nachtmusik), gecomponeerd tussen 1954 en 1961 en opgedragen aan Herman Scherchen is dan ook sterk in de traditie verankert. Mooi stuk, dat zijn naam volledig dekt en waarbij je gerust kan wegdromen.
Hieronder Piccola musica notturna in de uitvoering van Cameristi del Maggio Musicale Fiorentino olv Mario Ruffini
De uitvoering onder Pablo Heras-Casadowas buitengewoon spannend met vloeiende en (soms iets te) breed uitgesponnen lijnen. Soms had ik indruk dat hij het publiek aftastte, er was namelijk iets in zijn houding van “hoe ver kan ik gaan” ..
Ver blijkbaar, want al in het tweede stuk, het opdrachtwerk Un minimum de monde visible van Yves Chauris, volgens eigen zeggen van de componist geïnspireerd op het Kammersymphonie van Schönberg, daagde hij het publiek behoorlijk uit. Het werk begon met een muisstille aanloop tot een ‘boem’, dan kwam er weer een stilte en dan weer een boem. Om het oneerbiedig samen te vatten: een compositie met veel stiltes, aftellen, tempoversnellingen (denk aan een locomotief), Japans aandoende klanken, wat kattengemauw en een paar mooie klanken er tussenin. Ik kon er geen structuur in ontdekken en het einde kwam voor mij veel te abrupt.
Yves Chauris. Foto: twitter
Publiek gedroeg zich voorbeeldig en zelfs tijdens de meest stille passages was er geen kuchje te horen. De in de zaal aanwezige componist was zichtbaar gelukkig met de uitvoering en terecht: daar mankeerde helemaal niets aan.
Mijn geduld werd meteen erna beloond met een prachtige lezing van de kamermuziekversie van ‘Lied der Waldtaube’, een hartverscheurend mooi fragment uit Schoenberg’s Gurrelieder. Susan Graham kwam hier op mij een beetje afstandelijk over, alsof ook zij het publiek (dat, overigens, vanaf het begin uit haar hand at) aftastte. Zij zong zonder meer fantastisch, maar hield de emoties in bedwang waardoor haar lezing een beetje onderkoeld voelde.
Susan Graham, foto: Dario Acosta
Na de pauze revancheerde zij zich met een immens doorleefde vertolking van Lieder eines fahrenden Gesellen van Mahler, hier bloeide haar stem op en trakteerde zij ons op warme lage noten en een sensueel midden en hoog register.
De bewerking, van de hand van de mij totaal onbekende grootheid Eberhard Kloke (het blijft een raadsel waarom voor Kloke werd gekozen in plaats van de aangekondigde Schönberg) voegde er eigenlijk niets toe. Meer af, aangezien hij het instrumentarium behoorlijk reduceerde. Laten we zeggen dat het niet stoorde en dat het – mede door de prachtige voordracht van Graham en de zeer gedisciplineerd spelende ensemble nog even indrukwekkend bleef. Ook hier bewees Heras-Casado zijn onbegrensde vakmanschap.
Bruno Maderna. Foto: The Guardian
Maar voor het zover was, meteen na de pauze en tussen Chauris en Mahler in, hoorden wij een wonderschone Serenata nr.2 voor elf instrumenten van Bruno Maderna, ontstaan tussen 1954 en 1957. Het stuk sloot mooi aan bij Schönberg en was een passende aanloop tot Mahler, dus de wisseling in het programma (Chauris was in het programmaboekje aangekondigd voor na de pauze en voor Mahler) was niet meer dan logisch. Jammer alleen van de pauze tussen Schönberg en Maderna, ik had ze liever achter elkaar gehoord. Ook hier niet meer dan lof voor de musici en de dirigent, die – het moet gezegd – mijn hart volledig heeft gestolen.
NTR ZaterdagMatinee Dallapiccola, Chauris, Schönberg, Maderna en Mahler Ensemble Intercontemporain onder leiding van Pablo Heras-Casado. Solisten: Susan Graham (mezzosopraan). Bezocht op 11 januari 2014 in Het Concertgebouw – Amsterdam
Voor sommige mensen gelden andere normen dan voor gewone stervelingen en alles wat ze aanraken verandert in goud, zonder dat ze zich er in verslikken.
Pablo Heras–Casado is zo’n homo universalis. De jonge Spanjaard (Granada 1977) werd door het prestigieuze ‘Musical America’s’ in december 2013 verkozen tot de “2014 Conductor of the Year”. Terecht? Voorbarig? Gegeven op de groei?
Heras–Casado beheerst alle genres van de klassieke muziek: van barok tot modern en van kamermuziek tot opera. Hij dirigeert de grootste symfonieorkesten ter wereld, maar net zo lief staat hij voor het Freiburger Barochokester en het Ensemble Intercontemporain.
De dirigent is dan ook druk. Heel erg druk. Vandaag is hij bij wijze van spreken nog in New York, morgen in Amsterdam en overmorgen in Freiburg. Of Madrid, Wenen, Barcelona, Brussel… Als je zijn agenda bekijkt, begint het je te duizelen.
Hij doet niet aan Skype, heeft een hekel aan e-mails en de telefoonverbinding laat het twee keer afweten. Maar drie keer is scheepsrecht en daar zitten we nu: ik in Amsterdam en hij in Neumarkt, waar hij op dat moment met zijn “Fabulous Freiburger BarockOrchester” en zijn “dreamteam” met Isabelle Faust, Alexander Melnikov en Jean-Guihen Queyras op Schumann-tour is. Daarna komt Carmen in Sint-Petersburg, een concert met allemaal modernen in New York en Die Zauberflöte (de succesvolle Amsterdamse productie van Simon McBurney) tijdens het Festival d’Aix-en-Provence.
Zijn loopbaan is hij begonnen als zanger en zijn roots liggen in de oude muziek. Wat deed hem besluiten om te gaan dirigeren? En, aangezien hij van alle markten thuis is: heeft hij een voorkeur voor een bepaalde stijl? Periode? Genre?
“Zingen is altijd prominent in mijn leven is geweest, zo is het ook begonnen. Het was (en is nog steeds) de allerbelangrijkste factor in mijn leven en in mijn loopbaan.
Waarom ik begonnen ben met het dirigeren? Omdat ik mijn ideeën, mijn energie naar buiten wilde brengen. Behalve zingen speel ik ook piano en viool, maar dirigeren gaf mij de mogelijkheid om echt naar buiten toe te treden en mijn stempel op een werk te kunnen zetten. Zo kon ik ook mijn stem beter laten horen, dat was ook wat ik perse wilde. Het besluit nam ik toen ik 14, 15 was, ik was dan ook een zeer nieuwsgierig knaapje.”
“Ik heb geen voorkeuren. Ik ben een musicus, zo voel ik mij en ik wil – en ik hoop, dat ik het kan – alle muziek omarmen. Ik kan niet zeggen dat Schumann, een componist die nu dagelijks op mijn menu staat en die ik aanbid, een grotere componist is dan bij voorbeeld de Victoria. Of Praetorius.
“Ik houd van alles, ik ben echt een alleseter en ik wil aan alles ruiken. Ik vertel je geen nieuwe dingen als ik zeg dat ik het meeste houd van wat ik nu aan het doen ben. Op dit moment is het Sjostakowitsj, ik ben oprecht van hem gaan houden en vooralsnog kan ik niet genoeg van hem krijgen.”
foto: ZaterdagMatinee
Je debuteerde in de Met met “Rigoletto”, het was een herneming en het orkest en het koor hebben het werk al met iemand anders ingestudeerd, wellicht met een totaal ander tempo. Mij lijkt het heel erg moeilijk…
“Ik heb heel weinig repetities, ja. Eigenlijk alleen maar één orkestrepetitie en dan de twee generales. En een speciale repetitie met de zangers. Maar het was geenszins moeilijk. We hebben het hier over een wereldorkest en Rigoletto behoort tot het standaardrepertoire: dat moet kunnen. En vergeet niet dat elke voorstelling eigenlijk anders verloopt! Zelfs al hebben we de première al gehad, dan nog steeds kun je de boel naar je hand zetten, wat best fijn is.”
Tegenwoordig hoor je veel zangers klagen dat, doordat de orkesten zo hard spelen, ze in de problemen komen als ze zacht willen zingen. In een interview haalde Samir Pirgu, een jonge Albanese tenor, een uitspraak van Harnoncourt aan, waarin de laatste zei dat het voor orkesten eigenlijk moeilijk is om piano te spelen. Forte en fortessimo zij veel makkelijker.
”Het is inderdaad een probleem, de orkesten spelen vaak te hard. En veel dirigenten hebben totaal geen benul van zangers en hun mogelijkheden. Ik denk dat het voor mij anders is, onder andere ook omdat ik zelf als zanger ben begonnen.”
“Je ontkomt niet aan een conflict dat opgelost moet worden, zeker als je aan een groot project werkt en dat is opera altijd. Ook de samenwerking met een regisseur heeft diplomatie nodig. Toch denk ik dat je alle problemen en geschillen middels dialoog kan oplossen, er moet altijd een manier zijn om nader tot elkaar te komen. Maar je moet wel openminded zijn en dat ben ik wel, ik sta voor alles open.”
In het kader van het Verdi-jaar nam je samen met Plácido Domingo een cd met diens baritonaria’s op. Hoe ben je bij dat project betrokken geraakt?
“Het was de maestro zelf die mij voor het project heeft gevraagd. Het was werkelijk waanzinnig om op die manier de prachtige muziek van Verdi te kunnen ontdekken. Wij hadden er veel tijd voor en die tijd hadden wij ook ruimschoots genomen. Het was de kans van mijn leven om Verdi aan de hand van Domingo te leren kennen.”
Trailer van Making of:
“Voor Archiv, de label waar ik nu de “ambassadeur” voor ben geworden ga ik veel oude muziek opnemen, veel onbekende werken, ook veel premières. Onder andere muziek van alle Praetoriussen.”
“Ik vind het heel erg spannend, het is ook een enorme uitdaging. Zoals ik al zei, ik houd er van om uitgedaagd te worden en om alles proeven. Zo voelde ook het allereerste project dat ik voor Archiv deed, El Maestro Farinelli
Ik vind de titel eigenlijk misleidend. De cd heet Il Maestro Farinelli en er staan maar twee gezongen nummers op en dat, terwijl Farinelli toch echt een zanger was? Je zou toch wat meer vocaal vuurwerk verwachten?
“Het is een beetje ingewikkeld. Natuurlijk was Farinelli de grootste zanger van zijn tijd! Maar het gaat om het verbinden. Farinelli heeft overal gezongen: in verschillende Italiaanse steden (Milaan, Florence, Venetie), maar ook in München, Wenen, Londen. Hij had een contract getekent met de Londense groep van Nicola Porpora, in de tijd de meest beduchte rivaal van Händel, maar zijn verbintenis met Spanje was van een andere, ook zeer emotionele aard.
In 1737 heeft hij zijn Londense contract verbroken om – persoonlijk gevraagd door de koningin Elisabeth Farnese – voor haar manisch-depressieve echtgenoot, Filips V te komen zingen. Iedere avond bracht hij de koning een serenade (hij zong voor hem “Alto Giovane” van Porpora) en een wonder geschiedde: de koning genas. Farinelli bleef in Spanje en tot diens dood in 1745 bleef hij de koning toezingen.”
“Maar zijn verdienste was natuurlijk veel groter. Niet alleen heeft hij de koning van zijn melancholie genezen, maar hij heeft een verbinding tot stand gebracht tussen de Italiaanse en de Spaanse – en de Duitse – muziek. Het enorme repertoire, de diversiteit aan werken en componisten, de enorme muzikale boost, dat hebben we allemaal aan hem te danken. Je kan zeggen dat Farinelli een factotum was tussen de Italiaanse en Spaanse muziek.”
“Ik wilde graag vergeten componisten op de kaart zetten, vandaar ook José de Nebra, hij was tenslotte de vader van de Spaanse opera en van de zarzuela. Onvoorstelbaar dat de prachtige muziek bijna nooit meer wordt uitgevoerd! Of neem ‘Armida ouverture van Tommaso Traetta: de muziek is aanstekelijk mooi! Natuurlijk zijn dat niet allemaal louter meesterwerken, maar: moet dat?”
trailer van zijn Farinelli-cd
In de NTR documentaire die de Nederlandse TV over jou heeft gemaakt, kom je zeer energiek over. Dank je het aan al de ontelbare dubbele espresso’s, die je achter elkaar achterover slaat? Zijn ze bedoeld om je wakker te houden?
Lachend: “Ik houd echt van espresso, ik houd van de smaak en de geur. En – ja, ik heb het ook nodig, het houdt mij alert. Het is ook een soort routine geworden, zonder ga ik niet op, ik heb mijn espresso nodig. Ik drink het inderdaad veel, maar ik drink het niet de hele dag, hoor! En zeker ’s avonds niet meer, dan geef ik de voorkeur aan iets anders”.
De NTR-documentaire over Pablo Heras-Casado is terug te kijken op de website van NTR Podium.
In 2015 bestond het Sinfonia Varsovia 40 jaar, reden voor een feestje. Het orkest dat sinds de oprichting onder leiding staat van Jerzy Maksymiuk is van alle markten thuis. Van Bach tot Baird en alles tussendoor. Het is dan niet meer dan logisch dat er op de jubileum box met 2 cd’s ook van alles is te vinden.
Zonde alleen, dat het – in mijn ogen – onzorgvuldig is geprogrammeerd want een Brandenburgse concert, tussen Bacewicz en Rossini ingeklemd, luistert gewoon niet fijn. De uitvoering van Bach (opname 1979) is aardig, maar niet meer dan dat, daarentegen vind ik de Divertimento van Mozart uit 1976 best wel lekker. Licht en speels, daar mag je mij wakker voor maken.
De eerste cd, met de opnamen uit 2015 vind ik interessanter. Skip Debussy en Prokofjeff, die zijn een beetje aan de saaie kant en luister naar de Elegeia van Baird. De opname is van onschatbare waarde. Onvoorstelbaar eigenlijk hoe Maksymiuk het acht minuten durende juweeltje een bijna Hitchcockiaanse spanning bezorgt.
Hieronder Elegeia olv Andrzej Markowski. Opname is van 1974:
Als laatste dirigeert Maksymiuk zijn eigen werk, Vers per Archi uit 2014. Het is een makkelijk (misschien een beetje té) in het gehoor liggend werkje met minimalistische trekjes. Ook hier is de uitvoering meer dan voortreffelijk.
Ik blijf het jammer vinden dat er niet meer hedendaagse werken op de cd’s staan. Niet voor niets behoort Maksymiuk, één de oprichters van ‘Warszawska Jesień’ tot de grootste pleitbezorgers van de moderne muziek
Maksymiuk tijdens repetitie in Warschau:
MAKSYMIUK
DEBUSSY, BACH, ROSSINI, MOZART, BACEWICZ, BAIRD e.a.
Diverse werken voor orkest
Sinfonia Varsovia olv Jerzy Maksymiuk
Warner Classics 08256 4603935 • 135’(2cd’s)
Mijn eerste ontmoeting met Joyce El-Khoury was alles behalve gepland: wij kwamen elkaar tegen bij de première vanFaust van Gounod bij de Nationale Opera. Zeer toevallig zaten wij naast elkaar en kwamen in een geanimeerd gesprek, dat in de pauze en tijdens de nazit doorging. Er was duidelijk een klik, dus een vervolgafspraak was zo gemaakt.
El-Khoury met Michael Fabiano in Amsterdam
Een paar dagen later ontmoeten wij elkaar op een zo goed als verlaten terrasje op het Rembrandtplein. Het weer is prachtig en de zon weerspiegelt zich in onze wijnglazen.
El-Khoury houdt van Amsterdam en kan er maar niet genoeg van krijgen. In november 2014 komt El-Khoury terug naar Amsterdam voor Musetta (La Bohème) en het vooruitzicht om binnenkort maar liefst zes weken in de stad te kunnen blijven maakt haar blij. Mijn opmerkingen over het weer in november en december wuift zij dan meteen weg.
“Ik vind de stad gewoon prachtig, ongeacht wat voor weer het is. De sfeer is onnavolgbaar en de mensen aardig! Ik houd van Amsterdam. Iedereen is hier vrij, of althans lijkt het zo. De stad is zeer inspirerend. Alleen de fietsers, daar ben ik een beetje bang voor!”
De Canadese, in Beiroet geboren sopraan is een echte ster in wording. Opera News schreef over haar: “Canadian Soprano Joyce El-Khoury’s sound is enormously satisfying — a full lirico-spinto soprano with a genuine radiance about it”.
Het Nederlandse publiek kan het beamen. In mei 2013 maakte El-Khoury haar onverwachte en overweldigende debuut als Violetta in La traviata bij De Nationale Opera en in mei 2014 stal ze ook de harten van het NTR ZaterdagMatinee-publiek met een zeer ontroerende vertolking van Rusalka in Dvoraks gelijknamige opera
“Matinee is meer dan een warme bad. Het publiek is zo ontzettend hartelijk, je voelt de liefde, het doet je werkelijk goed, je voelt je geliefd, je voelt je… nee, dit gevoel is niet te beschrijven. Ook de organisatoren, de repetitoren…. Het mooiste moment beleefde ik toen het orkest begon te spelen en onze stemmen zich met het orkestklank konden mengen.”
“En dan dirigent James Gaffigan… daar heb ik geen woorden voor. Hij ademde met ons mee. Hij was één van ons en toch stond hij boven ons. Maar ook naast ons. Deze Rusalka was tot zover het hoogtepunt in mijn leven. Zingen is al een privilege, maar zingen tijdens de Matinee in Amsterdam. It was time of my life.”
Beiroet en Canada
Joyce El-Khoury werd geboren in Beiroet, maar vertrok op haar zesde naar Canada. “Ik ben een Canadese en in Canada voel ik mij thuis, maar mijn ziel, mijn hart, mijn alles eigenlijk is in Libanon gebleven. Net als het gros van mijn familie. Het is dat mijn grootouders half daar half hier wonen, anders moest ik ze vreselijk missen. Mijn hart is Libanees en ik hoop er ooit wat langer te kunnen blijven.”
“Mijn vader had een mooie stem, maar het was mijn opa George die een beroemde zanger was. Nou ja, beroemd … in het kerkkoor dan. Als hij op de straat liep, werd er Kyrie Eleison naar hem geroepen. Ik zong ook in het koor, het hielp mij bijzonder toen wij in Ottawa belandden. Alles was hier vreemd en ik miste Beiroet verschrikkelijk, maar het zingen gaf mij troost.”
“Ik heb nooit gedacht om van het zingen mijn beroep te maken, ik wilde een arts worden. Of een verpleegster. Ik heb ook daadwerkelijk een tijd in een kinderziekenhuis gewerkt. Maar mijn ouders vonden het geen goed idee. ‘Je hebt zo’n gave en zo’n prachtige stem, daar moet je echt iets mee doen’, zeiden ze. Ze hebben mij niet alleen gestimuleerd, maar er ook alles aan gedaan om mij mijn weg te laten vinden in wat zij het beste voor mij achtten. Onvoorwaardelijke liefde, ja.”
“Ik werk het beste onder stress, ik moet uitgedaagd worden. Ik ben ook een soort workaholic: zelfs als ik met vakantie ben heb ik mijn partituur altijd bij mij.”
Het repertoire van El-Khoury telt inmiddels vele klassieke en minder fameuze rollen van componisten als Donizetti, Verdi en Puccini. Taal speelt daarbij geen rol voor haar.
“Ik heb enorm geluk gehad: talen zijn voor mij iets heel natuurlijks. Een taal leren gaat voor mij vanzelfsprekend, alsof het komt aanwaaien. Misschien komt dat omdat ik tweetalig ben opgegroeid (Arabisch en Frans), waarbij Engels er later nog bij kwam.
Ik heb dan ook iets met talen en ik vind het heerlijk om in het Tsjechisch of het Russisch te zingen!”
Rusalka
Rusalka in Amsterdam, foto: Lieneke Effern
“Rusalka is verliefd zoals ieder ander die voor het eerst verliefd is. Ze droomt en denkt dat de dromen de waarheid zijn. Voor de prins is zij onzichtbaar, niet meer dan een golf, zij kan alleen maar als schuim met hem verstrengeld worden. Maar ze wil gezien worden!”
“Of de prins van haar houdt…. Ik denk dat hij door haar gefascineerd wordt, zij is een grote onbekende. Een schoonheid, een mysterie. Maar zij spreekt niet, dus hij weet het op bepaalde moment niet meer. Je kan het wel vreselijk vinden, maar je kan het hem niet kwalijk nemen. Zij is vreemd, hij is ook een beetje bang voor haar.”
“Rusalka wordt echt menselijk op het moment dat zij vergeeft. Door het vergeven wordt zij humaan. Ik denk dat de opera ons de kans geeft om onze menselijke emoties te onderzoeken”.
Finale derde akte Rusalka uit Amsterdam:
La Boheme
Musetta in Amsterdam. Foto: Lieneke Effern
“Voor mij is er weinig verschil tussen Musetta en Mimi. Ik heb ze beide gezongen en ik houd van beide evenveel. Musetta lijkt oppervlakkiger, maar dat is zij niet. Zij kan alleen de emoties, de gevoelens wat beter te verbergen. Naar buiten toe is zij vrolijk en stoer, zij flirt er ook op los, maar van binnen is zij een klein vogeltje. Zij houdt oprecht van Marcello en is bang om gekwetst te worden. Dat komt allemaal tot uiting in de laatste scène.
“De meest emotionele moment in de opera ligt voor mij in de tweede akte, als Mimi zegt: ”Io támo tanto. Dan breekt ook mijn stem even.
“Ik moet iets voelen. Ik moet iets met een rol hebben en het karakter begrijpen. Het moet me emotioneel uitdagen. Als ik niets voel, wordt het te mechanisch en afstandelijk. Toch denk ik dat je je emoties, hoe moeilijk het ook is, onder bedwang moet houden. Anders knijpt je keel dicht en kun je niet zingen.”
Met Michael Fabiano tijdens de repetities voor La Boheme in Ottawa, El-Khoury zingt Mimi:
Trailer uit de productie in Amsterdam, El-Khoury zingt Musetta:
Suor Angelica
“Als ik naar de maan verbannen word en maar één opera mee mag nemen is dat Suor Angelica! Vanwege het drama, meer ook vanwege de muziek. De muziek biedt mij troost, het geeft mij een warm en goed gevoel. En dan het prachtige einde, de wonder, dat het toch nog goed komt!”
“Deze rol heeft mij ook gebracht waar ik nu ben. Ik werd aangenomen om Loretta in Gianni Schicchi te zingen tijdens het Castleton Festival in 2010, maar ik was ook een understudy voor de zangeres die Angelica zou doen. Tijdens de première werd zij ziek en ik heb met enorm veel plezier ingesprongen. Ze hadden toen maar de volgorde omgedraaid: eerst Schicchi en dan Angelica. Maestro Lorin Maazel was zeer behulpzaam”.
“Later nam Maazel me mee naar München en zelfs naar China! Ik ga hem verschrikkelijk missen: hij was mijn mentor, leraar, supporter en vriend.”
Laatste scène uit Angelica uit Castleton:
La Traviata
“Ik heb veel van Renata Scotto geleerd, voornamelijk over lichaamstaal: wat doe je als je niet zingt. We hebben samengewerkt in Palm Beach voor een Traviata die zij regisseerde en waarin ik de hoofdrol zong.”
“Mijn allereerste Violetta zong ik in 2012 in Wales, daarna kwam Amsterdam. Ik vond de productie bijzonder mooi. Ik had het eerst uitgebreid op dvd bekeken. Dat van de klok snapte ik meteen wel, maar dat van de bank moest mij uitgelegd worden. Ik vond het een fantastische ervaring.”
La Traviata uit Palm Beach:
Wat haar droomrol is?
“Thaïs! En dan graag met de prachtige kostuums die ze in Los Angeles hadden. Ik houd ook van Butterfly. Het ligt iets hoger dan andere Puccini-rollen, maar ik denk dat het bij mij past. Ik wil ook alle drie de ‘Tudor-koninginnen’ zingen”
“Ik weet niet of het ooit zo ver komt, maar ik zou ook heel graag Salome willen zingen”, vervolgt ze aarzelend, om toe te voegen: “Éigenlijk zou ik dirigent willen zijn. Ik houd ervan om de touwtjes in handen te hebben!”
Waar de meeste melomanen naar hebben uitgekeken is de nieuwste opname onder Yannick Nézet-Séguin. De charismatische Canadees is voor DG bezig om negen Mozart-opera’s live vast te leggen en Nozze is de vierde in de reeks. Onder zijn baton staat Chamber Orchestra of Europe, één van de beste (zo niet het beste) kamerorkesten ter wereld en zijn cast leest als een “who is who” van de operawereld. Het kan niet anders dan een top worden, zou je denken.
Helaas, het resultaat valt mij behoorlijk tegen. Nézet-Séguin schuwt de vaart niet en zijn tempi zijn aan de hoge kant. Op zich is dat niet erg – hij houdt het orkest licht en sprankelend – maar af en toe vertraagt hij zijn tempi drastisch, waardoor er een kunstmatig dramatisch effect ontstaat dat de zangers soms in de problemen brengt.
Figaro van Pisaroni is, zeker in de eerste acte een beetje onevenwichtig. Hampson is voor mij geen echte Graaf, daarvoor mist hij de vileine air van superioriteit.
Sonya Yontcheva (de Gravin) stelt mij behoorlijk teleur. Zij zingt prachtig, dat wel, maar echt stilistisch is het niet. Hetzelfde probleem heb ik met Christine Karg: mooi, maar Susanna wordt zij nergens. Anne Sophie von Otter is niet echt een Marcellina waar ik warm van word, maar Villazon vind ik een heerlijke Basilio. O ja, hij chargeert dat het een lieve lust is, maar Basilio kan het hebben. En zijn grote aria in IV is ronduit heerlijk.
Regula Mühlemann is een schitterende Barbarina, maar laten we eerlijk zijn: wie koopt Le Nozze vanwege Basilio en Barbarina? (DG 4795945)
Salzburg 2015 Sven-Eric Bechtolf
De voortvarende opkomst van dirigent Dan Ettinger voorspelt een enorme vaart, maar dat valt mee. Of tegen. Zijn tempi zijn bedeesd en de accenten die hij legt vind ik op zijn minst vreemd. Het doet mij denken aan de “goede” beginjaren van de authentieke uitvoeringspraktijk. Duwen en trekken, en duwen en trekken…
Ettinger is zijn carrière als bariton begonnen, het is dan onbegrijpelijk dat hij zo weinig oog heeft voor de zangers, ze niet ondersteunt en ze zelfs aan hun lot overlaat. Zo raakt hij zijn Figaro (Adam Plachetka niet op zijn best) al in de eerste aria kwijt. Zo slepend heb ik het niet eerder gehoord! Maar ook ‘Porgi Amor’ en ‘Voi che sapete’ gaan aan de langzame tempi ten onder.
Van de regisseur moeten we het ook niet hebben. Sven-Eric Bechtolff heeft het een en ander bij David McVicar afgekeken, alleen de logica ontbreekt. McVicar situeerde zijn productie in een kasteel in het postrevolutionaire Frankrijk, waardoor hij de veranderende sociale verhoudingen op scherp kon zetten. Bechtolf neemt ons mee naar een Engels landhuis in de jaren twintig van de vorige eeuw. Denk aan Upstairs, downstairs.
Decors en kostuums zijn weelderig en heel erg mooi, maar waarom moeten we het hele huis, waar alles tegelijk gebeurt in split screen (een nieuwe hype?) aanschouwen? Gedoe. Dat Bechtolf van gedoe houdt liet hij al in zijn Don Giovanni van een jaar eerder zien. Ik kan er niet zo goed tegen: het ging mij zo duizelen dat ik het beeld heb uitgezet.
Maar ook zonder visie valt er niet veel om van te genieten. Luca Pisaroni werd van Figaro naar de Graaf bevorderd en dat is zijn rol zeer zeker niet. Annett Fritsch is een koele Gravin en Martina Janková (wel een pracht van een stem!) is als Susanna misbezet. Zij oogt te ouwelijk en nergens wordt zij het “raak-mij-niet-zonder-handschoenen-aan-katje”, voor Susanna onontbeerlijk. (Euroarts 2072958)
Parijs 2010 Giorgio Strehler
Al bij de eerste maten van de ouverture (Orkest van de Parijse Opera onder leiding van Philippe Jordan op zijn best) weet ik het zeker. Deze, in 2010 opgenomen 37 jaar oude productie wordt de Nozze van mijn dromen. En dan heb ik alleen nog maar het orkest van de Opéra national de Paris onder Philippe Jordan gehoord.
Een beetje geschiedenis: het was pas in 1973 dat De Opéra National de Paris Figaro’s Bruiloft in het Italiaans presenteerde. De Parijse opera kwam toen onder de leiding van Rolf Liebermann te staan, de man die al eerder Hamburg op de wereldkaart zette als één van de beste operahuizen ter wereld. De zeer stijlvolle productie werd toen gemaakt door de in 1997 overleden Italiaan Giorgio Strehler.
Ludovic Tézier is een voorbeeldige graaf, wellicht de beste sinds Thomas Allen. Koppig, irritant, betuttelend en belachelijk in zijn jaloezie, maar ook zo verdomd sexy!
Luca Pisaroni laat weer eens zien waarom Figaro een van zijn paraderollen is en Ann Murray en Robert Lloyd zijn niet te versmaden als Marcellina en Bartolo.
Zijn er dan geen minpuntjes? Ja. Drie. Susanna (Ekaterina Siurina) heeft een dik Russisch accent, de Gravin (een verder onweerstaanbare Barbara Frittoli) een beetje veel tremolo en als Cherubino, hier mooi gezongen door Karine Deshayes, prefereer ik een lichtere stem. Peanuts, eigenlijk. (BelAir BAC071)
Hamburg 1967 Rolf Liebermann
In 1967 was Liebermann nog de baas van het Hamburgse operahuis. Hij zorgde voor een goed, gedegen en gevarieerd repertoire met extra veel aandacht voor het hedendaags repertoire, bouwde er een fantastisch zangersensemble op en trok buitenlandse sterren en would-be sterren (in Hamburg begon de wereldcarrière van Plácido Domingo) aan.
Liebermann wordt tegenwoordig gezien als de vader van het regietheater, alleen bedoelde hij er iets anders mee dan het huidige conceptualisme waarin de grens tussen het toelaatbare en belachelijke opgezocht en vaak overschreden wordt
De zo goed mogelijk gereconstrueerde productie van Die Hochzeit des Figaro (ja, er wordt in het Duits gezongen) is van een grote historische waarde, maar dat niet alleen.
De productie is prachtig, het orkest van de Hamburgse Opera is onder dirigent Hans Schmidt-Isserstedt voortreffelijk en de zangers stuk voor stuk idiomatisch.
De Amerikaanse bariton Heinz Blankeburg is een koddige Figaro en als Susanna is Edith Mathis gewoon niet te versmaden. Eigenlijk zou ik het van daken willen roepen: zo is Susanna bedoeld! Zo en niet anders! De jonge Tom Krause is een meer dan heerlijke Graaf en Arlene Saunders een Gravin die perfect bij hem (en zijn timbre) past.
We krijgen als onderdeel van de opname zelfs een stukje historische ‘maestro to the pit’ voorgeschoteld. Goed: de band is niet helemaal gereconstrueerd, er zitten hiaten in en de kleuren zijn echt jaren zestig. Geeft niets, dat alles neem ik graag voor lief. Aanbevolen! (Arthahaus Musik 101263)
Glyndebourne 1962 Silvio Varviso
Vanaf 1960 werden alle in Glyndebourne opgevoerde opera’s live opgenomen. Het maar dan waardevolle archief is men in 2008 begonnen af te poetsen en op cd’s over te zetten.
Het was geen toeval dat juist Figaro’s Bruiloft de nieuwe serie inaugureerde: die opera gaf namelijk in 1934 het startsein voor het nieuwe festival, dat inmiddels tot de meest prestigieuze in de hele wereld behoort.
Gabriel Bacquier associeer je niet direct met Almaviva, en Contessa is niet de rol waar je aan denkt in verband met Leyla Gencer, maar ze zingen prachtig, met veel gevoel voor nuancen. Ook de rest van de cast is fantastisch, met voorop Mirella Freni (Susanna), toen nog aan het begin van haar carrière, en de piepjonge Edith Mathis als de ideale sopraan-Cherubino. (GFOCD 001-62)
Natalie Dessay is niet zomaar een zangeres. Het beste zou je haar nog kunnen omschrijven als een zingende actrice, maar eigenlijk doe je haar zangkwaliteiten dan tekort. Haar stem is hoog, hoger en hoogst en haar coloraturen zijn duizelingwekkend.
Heeft u haar ooit ‘Ombre légère’ (Dinora van Meyerbeer) horen zingen? Zelfs Mado Robin kon het niet beter! Of neem haar Ophelie uit Hamlet van Thomas! Nee, beter kan ik het mij niet voorstellen.
Inmiddels heeft Dessay een sabbatical van de operabühne genomen om zich wat meer op haar acteerwerk te kunnen concentreren. Tussendoor heeft ze een cd opgenomen met liedjes van – en met – Michel Legrand, simpel getiteld Entre elle et lui (tussen haar en hem).
De samenwerking tussen de twee heeft een onwaarschijnlijk prachtig resultaat opgeleverd. In ‘Pappa do you hear me’ uit Yentl doet Dessay niet onder voor Barbra Streisand, zonder haar een seconde te kopiëren. Haar versie is meer jazzy, maar het onderbuikgevoel blijft behouden.
Hieronder trailer van de opname:
‘Les Moulins de Mon Coer’ uit The Tomas Crown Affaire zingt ze samen met de componist zelf, die, gezeten aan de piano, haar met zijn onnavolgbare toetsentechniek en zijn rokerige stem bijstaat.
Samen met Patricia Petibon jazzt zij dat het een lieve lust is in ‘Chanson des jumelles’ uit Les Demoiselles de Rochefort. Daar gaan je beentjes vanzelf van de grond!
Of neem de meer dan zeer ingetogen gezongen ‘Valse des lilas’, waarbij je je terug waant in de tijd dat Montmartre nog Montmartre was en de goedkope rode wijn niet alleen in de nachtelijke uurtjes rijkelijk vloeide.
Het duet uit Les parapluies de Cherbourg – gezongen met haar man, de bariton Laurent Naouri – is van een onwerkelijke schoonheid. Voor het eerst in mijn lange leven hoorde ik een versie die mij het origineel bijna liet vergeten.
Entre elle et lui
Natalie Dessay sings Michel Legrand
Warner Classics 0825646219179