Anastasia, de tsarendochter en het ballet

Voor zijn ballet Anastasia baseerde de Engelse starchoreograaf Kenneth MacMillan zich op het verhaal van Anna Anderson, een vrouw die er heilig in geloofde dat zij Anastasia was, de jongste dochter van Tsaar Nicholaas II, die de moord op de tsarenfamilie in 1918 wonder boven wonder overleefde.

Photo: Fred Boissonnas/ullstein bild/ Getty Images.
Of het verhaal op waarheid berustte liet MacMillan in het midden: hij liet de oude, verwarde Anna zien die opgenomen is in een gekkenhuis in Duitsland en daar bezocht wordt door de herinneringen aan haar vroegere leven. En de nachtmerries.

Anastasia Romanov on the left; Anna Anderson on the right
Het ballet is in première gegaan in Berlijn in 1967, aanvankelijk als een eenakter, met de muziek van Bohuslav Martinů (zijn zesde symfonie). In 1971 breidde MacMillan het werk tot een avondvullend ballet en voegde er beelden van Anastasia’s leven van vóór de revolutie aan toe. Hiervoor gebruikte hij fragmenten uit de eerste en derde symfonie van Tsjaikovski.
In 2016 werd het ballet – onder supervisie van Deborah MacMillan, weduwe van de choreograaf – bij het Royal Ballet in Londen hernomen en voor dvd opgenomen.
‘Every second is intense’ – Natalia Osipova on Anastasia:
De rol van Anna/Anastasia werd toen gedanst door de Russische ballerina Natalja Osipova en men kan alleen maar bewondering hebben voor de manier waarop zij de zware rol gestalte heeft gegeven. Een must voor de balletliefhebbers.
Trailer:
ANASTASIA
Ballet van KENNETH MACMILLAN (choreografie)
Muziek van Pyotr Ilyich TSCHAIKOVSKY en Bohuslav MARTINŮ
Natalia Osipova, Marianela Nunez, Frederico Bonelli, Edward Watson, Thiago Soares, Christina Arestis, Christopher Saunders
Orchestra of the Royal Opera House olv Simon Hewett
Opus Arte OA1243 D
Sellars en Currentzis completeren Mozarts ‘Titus’
Door Peter Franken

Russell Thomas als Tito Vespasiano, Paula Murrihy als Sesto © Ruth Walz
Achter op het vrijwel lege toneel van de Nationale Opera is een groepje zelfmoordterroristen bezig een aanslag voor te bereiden. Men is in de weer met bomgordels en rugzakjes gevuld met explosieven. Uit de orkestbak klinkt licht unheimische muziek, die de beklemmende sfeer verhoogt als ware het een film van Hitchcock. We kijken naar Mozarts La Clemenza di Tito, of op z’n Duits ‘Titus’.
Adagio und Fuge KV 546:
Genoemde muziek is Mozarts Adagio und Fuge KV 546, geschreven in 1788, 3 jaar voor de compositie van Tito. Het is een idee van regisseur Peter Sellars, zo zegt hij zelf. Maar er is meer muziek toegevoegd aan de Clemenza di Tito die op 7 mei bij DNO in première ging. Dirigent Teodor Currentzis putte rijkelijk uit Mozarts Mis KV 427 waardoor alles bijeen zo’n drie kwartier muziek aan de opera werd toegevoegd, allemaal van Mozart natuurlijk.
Currentzis en Sellars gaan uit van de gedachte dat Tito niet de opera is die Mozart had willen schrijven of liever, had moeten schrijven. De argumenten zijn duidelijk: het was een opdrachtwerk ter gelegenheid van de kroning van Leopold tot koning van Bohemen, het moest een opera seria zijn – een genre dat Mozart was ontgroeid – en het was een haastklus die werd uitgevoerd toen Mozart al zo ziek was dat hij kon vermoeden het niet lang meer te zullen maken.
Daar kunnen wel een paar kanttekeningen bij worden geplaatst. Mozart en zijn librettist Caterino Mazzolà namen voldoende tijd om het oorspronkelijke libretto van Metastasio uit 1734 grondig te bewerken en er een boodschap in te leggen die het koninklijk gezelschap op zijn minst ervan zou moeten overtuigen dat er sinds de Franse Revolutie een andere wind door Europa woei en dat restauratie van de absolute monarchie een gepasseerd station was.
Verder was Mozart natuurlijk op de hoogte van zijn eigen werk en het zou hem hoegenaamd geen moeite hebben gekost om de uitbreidingen die met name Currentzis heeft ingevoegd voor eigen rekening te nemen. Of om desnoods Süssmayer dat even voor hem te laten doen.

© Ruth Waltz
Ziek of niet, ontgroeid aan het genre, beklemmende randvoorwaarden, dit alles heeft de compositie van een werk op ‘Mozart niveau’ niet in de weg gestaan. In de productie van Sellars en Currentzis zijn de aanpassingen dan ook niet bedoeld als verbetering of completering maar als middel om bepaalde emoties wat sterker uit te lichten. En dat is goed gelukt, hoewel het ook wel wat minder had gekund allemaal.
De recitatieven zijn teruggebracht tot een absoluut minimum maar dat is nog steeds voldoende om de voortgang van de handeling te kunnen volgen. Wel komt hierdoor minder uit de verf hoe Vitellia zo’n enorme invloed op Sesto kan uitoefenen, maar die liefdesgeschiedenis is sowieso sterk naar de achtergrond gedrongen.
Sellars stelt dat de recitatieven weinig meer doen dan Tito ophemelen en dat zal bedoeld zijn om koning Leopold onder de kin te kietelen, dus inmiddels achterhaald. Echter als Tito zijn eerste goede daad verricht – hij schenkt het geld bestemd voor een aan hem gewijde tempel aan de slachtoffers van de recente uitbarsting van de Vesuvius – voegt Currentzis het Benedictus & Hosanna uit Mozarts Mis in. Servilia, Annio en het koor zingen ‘Gezegend hij die komt in de naam des Heren. Hosanna in den hoge’. Dus de lovende recitatieven worden vervangen door een prachtig stuk muziek waarvan het effect is dat Tito niet alleen wordt geprezen maar ook nog eens vergoddelijkt.

musicAeterna © Ruth Waltz
Hier heeft in mijn perceptie de keuze van het betreffende stuk meer te maken met de mogelijkheid om Currentzis’ koor op de voorgrond te laten treden dan met een kritische blik op de inhoud.
Iets dergelijks gebeurt als Servilia de keizer komt uitleggen dat ze liever niet zijn keizerin wil worden omdat ze al van Annio houdt. Hij maakt een ruim gebaar, geeft aan dat het fantastisch is dat tenminste iemand nog tegen hem durft te zeggen wat hij of zij denkt. En Servilia plus koor zingen vervolgens het Laudamus uit de Mis: ‘Wij prijzen U, wij zegenen U, wij aanbiddden U, wij verheerlijken U’. Zoiets vind ik over the top.
Sellars heeft duidelijk een punt bij de ‘matter of fact’ reactie waarmee in de opera de mislukte aanslag van Sesto op Tito wordt afgedaan. De keizer leeft nog, er is per ongeluk iemand anders neergestoken, niets aan de hand. Sellars benadrukt dat er wel degelijk een heleboel aan de hand is. Er is een poging gedaan Tito te vermoorden door het Capitool in brand te steken en in de bijkomende verwarring toe te slaan.

© Ruth Waltz
Sellars legt hier het verband met een hedendaagse terreuraanslag. Daarbij komen veel mensen om en het publiek reageert daarop met een wake en de inrichting van tijdelijke herdenkingsplekken waar lichtjes branden. Reflectie, verslagenheid, boosheid, onbegrip, het leven staat even stil. Dit wordt prachtig in beeld gebracht door het koor bij aanvang van de tweede akte onder het zingen van het Kyrie uit de Mis met een sublieme solo van Annio: ‘Heer, ontferm U’.
Een terreurdaad is iets vreselijks, maar heeft altijd een oorzaak, een beginpunt. Sellars maakt duidelijk dat kennis van de tegenstander kan leiden tot begrip en uiteindelijk vergeving. Eigenlijk had hij het liefst een opera over Nelson Mandela willen maken die erin slaagde zijn voormalige doodsvijanden zover te krijgen dat ze toetraden tot zijn regering en met hem samenwerkten. Zijn Tito is net als Mandela geen watje maar een krachtig leider die boven zichzelf uit kan stijgen en zodoende in staat is af te zien van wraak op degenen die hem naar het leven stonden.

© Ruth Waltz
Als Tito moet inzien dat hij niet alleen door Sesto is bedrogen maar ook door zijn nieuwe aanstaande keizerin Vitellia, heeft hij er genoeg van en maakt hij een einde aan zijn leven. Sellars doet zijn reputatie eer aan door Tito na de mislukte aanslag als zwaargewonde patiënt in een ziekenhuisbed op te voeren, intensive care met een woud aan slangen en monitors. Of hij deze stijlfiguur heeft uitgevonden weet ik niet, maar in Amsterdam kwam hij er al mee in zijn Pelléas et Mélisande uit 1993.
Inmiddels is het al weer een cliché natuurlijk, net als een rolstoel, maar hier kwam het wel te pas. Tito rukt alle slangetjes en draden los en sterft. Vervolgens klinkt de Mauerische Trauermusik KV 477 op tekst uit de klaagliederen van Jeremia: ‘Hij heeft mij met bittere kruiden verzadigd’. Het was een aangrijpend slot van een muzikale topavond, maar door een paar onnodige toevoegingen iets te lang om voortdurend te blijven boeien.
Waar ik kritiek heb op een deel van Currentzis’ ingrepen in de partituur, ben ik zeer te spreken over zijn wijze van musiceren. Hij laat zijn orkest bijna ‘vrij’ spelen, niet alles strak op de tel, hier en daar bijna ingehouden swingend. Ja, dat krijg je met een dirigent die gek is op Pop en Rock. Zijn orkest MusicAeterna is een instrument dat door Currentzis bespeeld wordt als een verlengstuk van zijn eigen persoon. Hij is ermee vergroeid en het resultaat is verbluffend.

© Ruth Waltz
Verder zijn Currentzis en Sellars erin geslaagd ook samen tot een eenheid te komen. Orkest en zangers acteren mee door goed gekozen tempowisselingen, inhouden, pauzeren, waardoor bepaalde sleutelscènes het karakter krijgen van muzikaal totaaltheater. Met name was dit het geval bij de twee aria’s met klarinet, feitelijk duetten voor zanger en klarinettist. Florian Schüle blonk uit in zijn solo op Basset Klarinet in de aria ‘Parto, ma tu ben mio’ waarin hij als een klimopplant om Sesto heen draaide. En hij deed dat nog eens dunnetjes over op Basset Hoorn in Vitellia’s aria ‘Non più di fiori’. Absolute perfectie en volledige benutten van alle mogelijkheden die deze samenspraak biedt.
Bij de première in 1791 speelde Anton Stadler deze partij al zal hij wel gewoon in de orkestbak hebben gezeten. Met name deze twee aria’s hebben ertoe bijgedragen dat Mozarts Tito na zijn aanvankelijk succes niet volledig in vergetelheid is geraakt. Voor Stadler componeerde Mozart hierna ook nog het Klarinetconcert, ook een topstuk uit zijn laatste levensjaar.
Het toneelbeeld was sober met een stel doorzichtige zuilen die af en toe uit de vloer omhoog kwamen. Dankzij de goede belichting door James F. Ingalls leek het meer dan het was. Hier werd de natuurlijke achtergrond van de Felsenreitschule in Salzburg wel een beetje gemist, de Bühne waarvoor George Tsypin zijn decor oorspronkelijk had ontworpen. De kleding ontworpen door Robby Duiveman was mooi in overeenstemming met de sfeer die Sellars probeerde te creëren.
Een hoofdrol was weggelegd voor het koor van musicAeterna, subliem gezongen met dank aan koordirigent Vitaly Polonsky. En dan de solisten. Een uitblinkende Sesto in de persoon van Paula Murrihy die royaal het niveau haalde dat ze eerder dit seizoen liet horen in de serie voorstellingen met het Orkest van de Achttiende eeuw. Servilia en Annio, normaal gesproken twee bijrollen, kwamen hier op de voorgrond door hun partijen in de toegevoegde Mis. Beide van uitstekend niveau, Janai Brugger als een aandoenlijke Servilia en Annio als vriendelijke man met een hemelse vrouwenstem.

Jeanine De Bique als Annio, Janai Brugger als Servilia, Paula Murrihy als Sesto ©: Ruth Walz
De Vitellia van Ekaterina Scherbachenko bleef hier weliswaar iets bij achter maar haar optreden was toch zonder meer bevredigend.
Russell Thomas in de titelrol zette een goede Tito neer maar leek vocaal wel wat problemen met zijn rol te hebben. Zeker in de eerste akte zong hij in de dialogen dicht tegen zijn falsetstem aan en in zijn aria’s leek hij wat te forceren. Niettemin een mooie Tito en, wat Sellars natuurlijk ook graag zag, een zwarte man in de rol van zijn para-Mandela.
Tenslotte een speciale vermelding voor Willard White in de kleine rol van Publio. Prachtig toch om deze mastodont daar te zien waar hij al meer dan een halve eeuw thuishoort in Amsterdam, op het toneel van de opera. Bravo.
Een wat lange avond met bij wijlen overweldigend mooie muziek, een bijna nieuwe Mozart opera, een goed doordacht concept wat nergens teveel op de voorgrond treedt. Het was een groot succes in Salzburg afgelopen zomer, het verdient dat ook in Amsterdam te worden.
Trailer van de productie:
Wolfgang Amadeus Mozart
La Clemenza di Tito
Russell Thomas, Ekaterina Scherbachenko, Janai Brugger, Paula Murrihy, Jeanine De Bique, Sir Willard White e.a.
Orkest en koor musicAeterna olv Teodor Currentzis
Regie: Peter Sellars
Bezocht op 7 mei 2018 in het Muziektheater in Amsterdam
Jan Klaassen was trompetter: DE CORNET van Sjaron Minailo

© Bas Czerwinski
De Cornet, één van de openingsproducties van Operadagen Rotterdam in 2010, was een indringende voorstelling op locatie, die je gewoonweg niet onberoerd kon laten. De cast was voortreffelijk, het regieconcept zowat volmaakt.
Als u in de jaren zeventig jong was in Nederland dan kent u ongetwijfeld ‘Jan Klaassen was trompetter’, een door Rob de Nijs gezongen hit van Boudewijn de Groot en Lennaert Nijgh. Het was een luchtig gehouden en toch een bittere aanklacht tegen de oorlog en een zinloze dood.
Het liedje was de inspiratiebron voor de jonge Israëlische theatermaker, Sjaron Minailo, om een voorstelling op locatie te maken: De Cornet. Samen met Willem Bruls (dramaturgie), Winfried Maczewski (muzikaal concept en muzikale leiding) en de componist Thomas Myrmel, die voor live electronics zorgde, creëerde hij een zowat volmaakte voorstelling, die je niet onberoerd kon laten.

Sjaron Minailo ©Eliza Menses
De naam De Cornet was ontleend aan de bloedmooie liederencyclus van de Zwitsers-Nederlanse componist Frank Martin, maar er klonken ook liederen van Britten, Berg, Weill, Eisler, Martinu en de mij onbekende Tsjechische componist Andrew Svoboda.
Het was een perfect gesmeed geheel, waar geen begin en geen eind aan was, want bij de aanvang van de voorstelling was Jan al dood, al leeft hij voort in de gedachten van de personen die hem liefhadden.
Denk overigens niet dat het allemaal ellende en treurnis is! De regisseur heeft, net als in het bewuste liedje, ook voor de nodige komische noten gezorgd. Commedia dell’arte was nooit ver weg.
Maar het hoofdthema was bloedserieus. Laten we ons naar het slagveld opsturen door onze vaders? Wie bepaalt dat er oorlog gevoerd moet worden en waarom? Waarom offeren vaders hun zonen?
De locatie was inderdaad bijzonder: we gingen varen. Er waren ruim 300 bezoekers op het schip en men werd verspreid tussen boven- en benedendeks. Bovendeks was het leuk, er klonken leuke liedjes en er werd tango gedanst bij de ondergaande zon. Benedendeks was het een en al ellende – we bevonden ons in het gevang. En zo voelde het ook.
Op de weg terug moesten wij van plaats veranderen, maar eerst was er een tussenstop: op het slagveld. De avond was kil en de zon ging bloedrood onder en wij werden geconfronteerd met het meest zinloze wat er bestaat: een vader offert zijn zoon op.
De elektronica versterkte het gevoel van de totale radeloosheid, en er was geen ontkomen aan: net als (de dode) Jan werden wij gevangenen van een plek waar we misschien niet bij wilden zijn en waar we niet zomaar weg konden.
De zangers waren uiteraard versterkt, het kon ook niet anders. Zingen met microfoon vereist natuurlijk een totaal andere techniek en toch wisten ze er allemaal raad mee. Wat een enorm vakmanschap!
Goed waren ze stuk voor stuk. Een klein beetje moeite had ik met de Belgische countertenor Gunther Vandeven, zijn stem klonk een beetje kaal en ik had de indruk dat hij intonatiemoeilijkheden had, maar misschien was het gewoon premièrekoorts?

An de Ridder © Bas Czerwinski
An de Ridder was een uitdagende, sexy Katrijn, die na het vertrek van Jan haar brood gaat verdienen met zingen in nachtlokalen en cabarets. Met een beetje hese stem maar niet zonder de broodnodige melancholieke ondertoon, bracht ze de Franse chansons van Weill sprankelend tot leven. Fantastisch!

De mezzosopraan Ellen van Beek was zeer ontroerend als de door pijn en verdriet verscheurde moeder van Jan. Hoe ze de liederen van Frank Martin vertolkte, nou… Daar in stak zij de beste vertolkster van het cyclus, Marjana Lipovšek naar de kroon!
Marjana Lipovsek zingt Martins Die Weise von Liebe und Tod des Cornets Christoph Rilke (Der Cornet):
In Britten’s ‘Canticle II Abraham en Isaac’ bezorgde André Post mij niet alleen kippenvel, maar ook een enorme brok in mijn keel. De strenge vader die zijn zoon offert, voor wat? Voor God? Voor een idee? En het allerergste was: God kwam er niet tussen, dus de zoon ging echt dood. Pijnlijk. En mooi.

© Bas Czerwinski
De jonge Canadese bariton Karel Ludvik was voortreffelijk in zijn rol van Martin, de gevangengenomen vriend van Jan. Zijn stem was warm en lyrisch en ook als acteur was hij volkomen overtuigend.

© Bas Czerwinsky
Ook de twee jonge acteurs, Manuel Broekman als Mustafa Duyguly, die samen of om de beurt de rol van Jan speelden mogen niet onvermeld blijven. In het concept van Minailo was Jan namelijk voortdurend aanwezig. En het klopte.
Al met al een belevenis. Ik vraag mij af of er ooit een opname van is gemaakt…
Zou wel niet ..
De Cornet
An de Ridder, Ellen van Beek, Gunther Vandeven, André Post en Karel Ludvik
De Bezetting Speelt en Coolsingers onder leiding van Winfried Maczewski.
Regie: Sjaron Minailo
Bezocht op 28 mei 2010
TUSSEN TWEE WERELDEN
WALTER BRAUNFELS

In 1933 werd Walter Braunfels ontslagen van zijn post als directeur van de Muziekacademie in Keulen. Tot die tijd behoorde hij, samen met Richard Strauss én Franz Schreker, tot de meest uitgevoerde hedendaagse componisten. Hij trok zich terug in de omgeving van de Bodensee (in zijn biografie wordt het mooi omschreven als ‘innerlijke emigratie’). Na de oorlog ging hij – op speciaal verzoek van de toenmalige kanselier Adenauer – naar Keulen terug. De aandacht die hij kreeg bleef bij een paar uitvoeringen van zijn werken. Gedesillusioneerd keerde hij terug naar de Bodensee.
BERTHOLD GOLDSCHMIDT
In 1936 verliet Berthold Goldschmidt Duitsland. Zijn weg voerde hem naar Londen. Tegen beter weten in bleef hij componeren – zijn werken werden niet uitgevoerd. In 1951 won hij een compositiewedstrijd voor de opera met Beatrice Cenci. De premiére vond plaats in 1987.
In de jaren tachtig van de vorige eeuw, gesteund door de plotselinge belangstelling, ging Goldschmidt weer componeren. Zijn ‘Rondeau’ uit ’95, geschreven voor en uitgevoerd door Chantal Juilliet werd door Decca opgenomen, samen met zijn prachtige Ciaccona sinfonica uit 1936. De cd is al lang uit de handel en de componist (in 1996 overleden) is uit de concertprogramma’s verdwenen
Korngold, Braunfels, Goldschmidt, Zemlinsky, Ullmann, Schreker, Schoenberg, Toch, Weill, Krenek, Spoliansky, Hollaender, Grosz, Waxman, Haas, Krasa, Schulhoff, Klein… een litanie van namen. Door de Nazi’s bestempeld als Entartet en verboden, verguisd, verdreven, vermoord. Diegenen, die het overleefden, werden net zo goed vergeten als de vermoorden. Is dat allemaal de schuld van de Nazi’s?

Michael Haas en Berthold Goldschmidt
Michael Haas, de producent van de ‘Entartete Musik’-serie van Decca, had hiervoor een duidelijke verklaring: “De jonge generatie componisten bleef na de oorlog met schuldgevoelens zitten. Het mocht nooit meer gebeuren, dus hebben zij daar een remedie voor gevonden. Er moest samengewerkt worden aan het bouwen van objectieve muziek, gespeend van ieder sentiment en onderworpen aan strenge regels. Muziek moest universeel worden. Het serialisme werd geboren. In Darmstadt werd afgerekend met het verleden, dus ook met componisten uit de jaren ’30. Zij waren of te romantisch en sentimenteel of flirtten te veel met jazz en populaire muziek. De Darmstadters kregen het voor het zeggen. Daardoor ging een hele belangrijke schakel verloren. De muziek tussen Mahler en Berio, de brug tussen de jaren twintig en vijftig, de generatie van na Schoenberg.”
“Mijn zoektocht begon met een ‘Weill-project’, dat helaas niet door is gegaan. In de archieven ben ik toen op het spoor gekomen van opera’s, geschreven en met enorm veel succes uitgevoerd in de jaren twintig en dertig. Ik ging op zoek naar de partituren en het bleek, dat mijn voorgevoel mij niet had misleid. Het waren stuk voor stuk geweldige composities die het meer dan waard waren om uitgevoerd en opgenomen te worden. En de muziekgeschiedenis kreeg zijn logisch gevolg.
WILHELM GROSZ
In de jaren twintig van de vorige eeuw werden alle waarden aan het wankelen gebracht. De Grote Oorlog was afgelopen, landen werden onafhankelijk of verloren juist hun zelfstandigheid. Nieuwe invloeden deden van zich spreken: jazz, blues, exotische folklore. De grens tussen de klassieke en populaire muziek vervaagde.
Van alle componisten uit die tijd, was Wilhelm Grosz misschien de meest veelzijdige. Hij werd geboren in Wenen in 1894 in een welgestelde Joodse familie. In 1919 studeerde hij af aan de Weense muziekacademie, waar hij onder andere les had van Franz Schreker en in 1920 rondde hij zijn studie musicologie aan de Weense Universiteit af.
Grosz componeerde liederen, opera’s, operette’s, ballet, kamermuziek en was zeer beroemd als pianist. In.1928 werd hij in Berlijn aangesteld als artistiek directeur van de platenmaatschappij Ultraphon.
In 1929 componeerde hij (in opdracht van de toen prestigieuze radio Breslau) de liederencyclus Afrika Songs. De teksten die hij daarvoor gebruikte waren afkomstig van zwarte Amerikaanse dichters. De première op 4 februari 1930 werd zeer enthousiast ontvangen. ‘Jugendstil Spirituals’, werd de cyclus genoemd en wellicht is dat de beste omschrijving, want behalve jazz en blues zijn de liederen zwaar beïnvloed door de muziek van Zemlinsky, Mahler en …. Puccini (vergelijk ‘Tante Sues Geschichten’ met ‘Ho una casa nell’ Honan’ uit de tweede acte van ‘Turandot’!).
Toen de nazi’s aan de macht kwamen, keerde Grosz naar Wenen terug om in 1934 ook daarvandaan te moeten vluchten. Hij vestigde zich in London. Daar werd voor het eerst een onderscheid gemaakt tussen zijn serieuze en populaire composities. Zijn naam werd onlosmakelijk verbonden aan een paar wereldhits, zo was ‘The Isle of Capri’ dé grootste hit van 1934.
ALONG THE SANTA FE TRAIL
In 1938 vertrok Grosz naar Hollywood. Daar componeerde hij muziek voor ‘Along the Santa Fé Trail’, een film met in de hoofdrollen Errol Flynn, Olivia de Havilland en Ronald Reagan. In 1939 werd hij getroffen door een hartinfarct en stierf, nog maar 45 jaar oud.
AFRIKA SONGS EN MEER

Na bijna zestig jaar werd Grosz herontdekt, al duurde het maar heel even. Het is haast niet te geloven maar de ‘Afrika Songs’ beleefden in 1996 hun plaat première! Het Matrix Ensemble heeft ze voor het eerst uitgevoerd op de Proms in 1993. Op de cd verder de liederencycli ‘Rondels’ en ‘Bänkel und Balladen’ en de hits ‘Isle of Capri’, ‘When Budapest was young’ en ‘Red sails in the sunset’- liedjes die we allemaal kennen en waarvan we nooit wisten wie de componist was.
Vera Lynn zingt ‘Red Sails in the Sunset’ in 193
Mezzo Cynthia Clarey en bariton Jake Gardner zijn subliem in de ‘Afrika Songs’ en Andrew Shore maakt een feest van ‘Bänkel und Balladen’. Ook over het Matrix Ensemble niets dan lof.
UTE LEMPER
Hetzelfde Matrix Ensemble treffen wij aan als begeleiders van Ute Lemper bij haar opname van Berlijnse cabaretliedjes. Cabaret in Berlijn in de jaren ’20-’30, boeken zijn erover geschreven, films over gemaakt. Het was een wereld apart. De oudgediende Rudolf Nelson was er de onbetwiste koning, maar de jonge generatie deed algauw van zich spreken: Mischa Spoliansky en Friedrich Holländer. De teksten (voornamelijk Marcellus Schiffer, maar ook Tucholsky) namen de tijdgeest onder een vergrootglas. Er werd met alles gespot, maar ook de serieuze onderwerpen werden niet geschuwd.
Ute Lemper zingt ‘Der Verflossene’ van Berthold Goldschmidt
De keuze van de liedjes laat niets te wensen over. Op een paar overbekende schlagers na (‘Peter’, ‘Wenn die beste Freundin’, ‘Raus mit den Männern’) zingt zij wat minder bekende nummers) waaronder ook een compositie van Berthold Goldschmidt ,‘Der Verflossene’. Goldschmidt zelf was aanwezig bij de opnamen, evenals de dochters van Spoliansky en Holländer.
Korngold, Braunfels, Goldschmidt, Zemlinsky, Ullmann, Schreker, Schoenberg, Toch, Weill, Krenek, Spoliansky, Hollaender, Grosz, Waxman, Haas, Krasa, Schulhoff, Klein… een litanie van namen. Met het noemen van de namen begon de in de jaren negentig gemaakte documentaire over de ‘Entartete Musik’. Of de dvd nog ergens te koop betwijfel ik…
Waarschijnlijk is het, samen met de hele prestigieuze Decca-project op de vuilnisbelt beland. Daar viel niets aan te verdienen. Zoals Michael Haas toe al opmerkte: “De serie is zeer succesvol, wij krijgen prijzen, wij worden geroemd. Maar verkopen doen wij niet”.
BETWEEN TWO WORLDS

In 1944 schreef Korngold muziek voor de film Between two worlds. Het zou een van zijn laatste filmmuziekcomposities worden. De hoofdpersoon, een concertpianist, doet tevergeefs zijn best om uit het door oorlog geteisterde Engeland naar Amerika te vluchten. Een visum wordt hem geweigerd en hij pleegt zelfmoord. Zijn vrouw volgt hem in de dood.
Aangezien de zelfmoordenaars de toegang tot de hemel wordt geweigerd zijn de pianist en zijn vrouw gedoemd om eindeloos tussen twee werelden te pendelen.
Na bijna dertig jaar sinds het herontdekken van de ooit verboden en zelden uitgevoerde componisten bevinden wij ons nog steeds tussen twee werelden. Die van de grote roem en die van vergetelheid.
Toen vroeg ik mij oprecht af of we het nog konden meemaken dat die muziek ooit weer gewaardeerd ging worden puur om de kwaliteit ervan. Toen was ik nog optimistisch. Nu eigenlijk niet meer.
Meer over Entertete Musik en de verboden componisten (selectie):
Entartete Musik, Teresienstadt en Channel Classics
Braunfels:
VERKÜNDIGUNG
Zemlinsky:
EINE (AUTO)BIOGRAFISCHE TRAGÖDIE: ALEXANDER ZEMLINSKY. Deel 1: de man
Korngold:
KORNGOLD: complete songs
Schreker:
DER FERNE KLANG
Leonard Bernstein: Mass. A Theatre piece for singers, players and dancers

Wist u dat de FBI Leonard Bernstein tientallen jaren heeft geschaduwd? Hij werd verdacht van communistische sympathieën. Eén van de redenen daartoe was – dat beweerde althans The New Yorker – de in 1971 geplande première van zijn Mass, een op de Latijnse mis en Engelse teksten van Stephen Schwartz (en Bernstein zelf) gebaseerde elfdelige ‘Theaterstuk voor zangers, toneelspelers en dansers’, opgedragen aan de vermoorde president J.F. Kennedy. Volgens de FBI zou Bernstein “een links complot hebben bedacht om de toenmalige president Nixon voor schut te zetten met een ’anti-oorlogscompositie’.”

(L) L-R Gordon Davidson, Leonard Bernstein, Stephen Schwartz (R) Leonard Bernstein, Stephen Schwartz; Opening Night; Kennedy Center for the Performing Arts – 1971
©2018 Stephen Schwartz.
Het is een verhaal – even kort door de bocht – over een jongen die door zijn vrienden gedwongen wordt om priester te worden terwijl hij God het liefst met zijn gitaar en zijn liedjes eert: ‘Sing God a simple song…. for God is the simplest of all’. Aan het eind ontheiligt hij het altaar en krijgt zijn vertrouwen in God terug.
Voor mij is het werk met zijn sterke reminiscenties aan ‘Hair’ en ‘The Age of Aquarius’ behoorlijk gedateerd en daar kan de ijzersterke uitvoering onder Yannick Nézet-Séguin niets aan doen.
Yannick Nézet-Séguin over Bernstein en zijn Mass:
Dat de Mis niet op dvd is uitgebracht, dat verbaast mij zeer. Want hoe sterk de compositie op zich ook is en hoe grandioos het puur vocaal/instrumentale gedeelte: je mist een wezenlijk deel van wat Bernstein voor ogen stond.
LEONARD BERNSTEIN
Mass
A Theatre piece for singers, players and dancers
Diverse solisten en koren
The Philadelphia Orchestra olv Yannick Nézet-Séguin
DG 4835009 (2cd’s)
Johnny & Jones

Artiestenfoto Johnny and Jones. Foto: PR © Achterhoek Nieuws b.v
In het echt heetten zij Nol van Wesel en Max Kannewasser. Max had een gitaar en Nol een goede stem en allebei hielden zij van jazz. Vóór ze ontdekt werden – tijdens een personeelsfeestje in 1934 – werkten ze voor de Bijenkorf. Twee jaar later traden zij voor het eerst professioneel op en gaven ze definitief hun banen op. Nol (Johnny) was toen 18 en Max (Jones) 20 jaar oud.
Johnny & Jones waren de eerste echte Nederlandse tieneridolen, ze werden dan ook door hun achterban op handen gedragen. Zij traden in de beste clubs op, ook in het buitenland.

Johnny and Jones in de Dierentuin Antwerpen, fotograaf onbekend, 1932
Hun laatste optreden dateert van 24 augustus 1941. Op 9 oktober 1943 werden ze naar Westerbork gedeporteerd, waar zij bleven optreden. In augustus 1944, tijdens een kort uitstapje naar Amsterdam hebben ze een zestal nummers – allen geschreven in kamp Westerbork – voor de plaat opgenomen. Toen werd hen een onderduikadres aangeboden, maar zij weigerden. In het kamp waren hun families achtergebleven bovendien waren zij immers Johnny &Jones?!

Van Wesel en Kannewasser tijdens sloopwerkzaamheden in Westerbork,tekening van Leo Kok uit 1944
Op 4 september 1944 werden ze naar Theresienstadt gedeporteerd, vanwaar ze via Auschwitz uiteindelijk in Bergen Belsen terecht kwamen. Max stierf er op 20 maart 1945, Nol op de dag van de bevrijding van de kamp op 18 april 1945.
In 2001 werd hun grootste hit ‘Meneer Dinges weet niet wat swing is’ samen met nog een paar van hun populairste nummers op cd gezet (Two kids and a guitar Panachord DH 2051)
Enkele maanden later kwam een tweede cd uit met nooit eerder uitgebrachte materiaal, waaronder ook liedjes, die zij op een huwelijksfeest in maart 1942 zongen alsook de verloren gewaande opnamen van die bewuste dag in 1944 (Maak het donker in het donker NJA 0101)
Daar zit ook de Westerbork Serenade bij, een loflied op het kamp. Werden zij ertoe gedwongen? Niemand zal het ooit weten.
Minidiscografie van Il Viaggio a Reims

Coronation of Charles X of France by François Gérard, circa 1827
Of het ooit de bedoeling van Rossini was? Opvoeren en dan wegmikken?
Rossini beschouwde zijn opera Il viaggio a Reims als een gelegenheidsstuk, gemaakt voor de kroning van Charles de X in 1825. De opera werd voor het eerst uitgevoerd in Parijs, met Giuditta Pasta als Corinna. Het was een groot succes, maar al na drie voorstellingen trok de componist de stekker eruit
Veel van de muziek hergebruikte hij in Le Comte Ory, de rest verdween in verschillende laden in verschillende landen (hoe toepasselijk, vindt u niet?) en werd pas eind jaren zeventig van de vorige eeuw teruggevonden.
CLAUDIO ABBADO:
Pesaro 1984
De eerste ‘moderne’ uitvoering van Il viaggio vond plaats in Pesaro, in 1984. Claudio Abbado dirigeerde een absolute sterrencast. Wie er voor deze gelegenheid bij elkaar werden gebracht… In alfabetische volgorde: Francisco Araiza, Lella Cuberli, Enzo Dara, Cecilia Gasdia, Eduardo Gimenez, William Matteuzzi, Leo Nucci, Ruggero Raimondi, Samuel Ramey, Katia Ricciarelli en Lucia Valentini Terrani.
Youtube biedt de hele opname uit Pesaro – met beeld! – aan:
En Berlijn 1992

Acht jaar later dirigeerde Abbado de opera in Berlijn met grotendeels dezelfde zangers. Beide voorstellingen werden live opgenomen en beide zijn heel erg goed. Zelf prefereer ik Cheryl Studer (Madama Cortese) op Sony (53336) boven Katia Ricciarelli (DG 4777435), maar dat is volstrekt persoonlijk.
Encore uit Berlijn 1992:
BARCELONA 2003
In 2003 werd in het Gran Teatre del Liceu in Barcelona een visueel zeer aantrekkelijke voorstelling van Il viaggio opgenomen (Arthouse Musik 107 135). De actie speelt zich af in een kuuroord aan het begin van de twintigste eeuw en de in badkleding gestoken gasten worden verwend door allerlei masseurs, verplegers en schoonheidsspecialisten. Iedereen draagt kleren met zijn of haar landskleuren en Corinna mag van de regisseur alle onderlinge problemen oplossen, gekleed in een EU-vlag. Voor de hand liggend? Zeker, maar ook zeer vermakelijk.
Het is alleen jammer dat er niet zo geweldig wordt gezongen. Op de oudgediende Enzo Dara (Il Barone di Trombonok) en Josep Bros (Belfiore) na is de cast matig, met als dieptepunt een totaal miscaste Maria Bayo (Madama Cortese) en Simón Orfila (Lord Sydney). De laatste ziet er zeer aantrekkelijk uit in zijn badpak, maar presteert het om amper een noot zuiver te zingen.
Hele opera:
https://www.operaonvideo.com/il-viaggio-a-reims-barcelona-2003-bayo-cantarero-bros-orfila-dara/
PARIJS 2005
Valery Gergiev associeert men niet gauw met de muziek van Rossini. Toch was hij het die in 2005 een zeer spectaculaire Il viaggio in het Théâtre du Châtelet dirigeerde, waarmee hij jonge Russische zangers aan het internationale publiek presenteerde.
Het orkest zit achter op de bühne en vormt zo samen met de dirigent een onderdeel van de wervelende show, die zich werkelijk overal afspeelt, zelfs tussen (en met) het publiek. Ook de rekwisieten en kleurrijke kostuums spelen een belangrijke rol en er is zelfs een echt paard.
De zangers zijn voornamelijk jong en op Daniil Shtoda (Count Libenskof) na onbekend. Het is duidelijk dat ze nog veel moeten leren, inclusief de juiste uitspraak, maar ze doen het heel erg leuk (Opus Arte OA 0967 D).
Hieronder een fragment:
Les Pêcheurs de perles van Bizet maar dan net even anders
Ooit behoorden de ‘Parelvissers’ tot de grootste opera hits en het lijkt er sterk op dat ze na jaren van afwezigheid bezig zijn met hun voorzichtige comeback. De nieuwe opname op Pentatone is zonder meer goed, wel met de nodige kanttekeningen.
Julie Fuchs steelt de show als een zeer idiomatische, virtuoze, meisjesachtig klinkende Leïla.: voor mij is zij de beste Leïla sinds tijden!
Julie Fuchs zingt ‘Me voilà seule dans la nuit’:
Florian Sempey is een zeer masculiene Zurga. Niet alleen klinkt zijn bariton buitengewoon warm en aantrekkelijk maar bovendien geeft hij zijn rol dat extra mee waardoor we ook zonder visie precies ervaren waar het over gaat. Zeer overtuigend.
Florian Sempey zingt ‘L’orage s’est calmé’:
Helaas haalt Cyrille Dubois (Nadir) dat niveau niet: ik blijf moeite houden met zijn scherpe stem, bovendien klinken zijn hoge noten nogal geknepen. ‘Je crois entendre encore’ zingt hij dan wel heel gevoelig, maar bij Nadir verwacht ik meer smeuïge lyriek, meer room.
Cyrille Dubois:
Het orkest is uitstekend, al had ik het orkestgeluid toch wel iets kleiner gehad, intiemer. Of de schuld bij de dirigent of de opnametechnici ligt kan ik moeilijk beoordelen.
Wat de liveopname uit Lille bijzonder maakt is de gebruikte editie: het is voor het eerst in de geschiedenis dat we de premièreversie uit 1863 kunnen horen. Het werd gereconstrueerd en gepubliceerd door Bärenreiter in 2015.
Georges Bizet
Les Pêcheurs de perles
Julie Fuchs, Cyrille Dubois, Florian Sempey, Luc Bertin-Hugoult
Les Cris de Paris (Geoffroy Jourdain), Orchestre National de Lille olv Alexandre Bloch
Pentatone PTC 5186 685
Meer Julie Fuchs: CIBOULETTE. Hoe het Rodolfo verging
Meer ‘Les Pêcheurs de perles’: 2 x LES PÊCHEURS DE PERLES
Der tigernde Holländer am Opernhaus Zürich
Text: Mordechai Aranowicz
Mit gemischten Gefühlen verliess man den fliegenden Holländer am Opernhaus Zürich. Die Inszenierung des Intendanten Andreas Homoki und der Ausstattung von Wolfgang Gussmann aus dem Dezember 2012 war dabei eine grosse Enttäuschung. Es handelt sich um ein völlig austauschbares beliebiges Arrangement, das fast den ganzen Abend über mit Wagners selbst verfasstem Libretto frontal kollidiert, Libretto und Partitur einerseits und die Inszenierung andererseits waren völlig zweierlei Sachen, die kaum etwas miteinander zu tun haben.
Statt der geforderten Schauplätze befinden wir uns in einem Seemanns-Kontor zu Beginn des 20. Jahrhunderts in dem es eben spukt. Dass im Libretto von Schiffen, Stürmen, Häfen, Spinnrädern die Rede ist schien dem Regisseur völlig egal, auch wer die Oper nicht kennt, dürfte beim Mitlesen der Übertitel das flaue Gefühl im Magen bekommen haben, dass hier inszenatorisch etwas völlig schiefläuft.
Die unfreiwillige Komik mit einem afrikanischen Krieger in der Spukszene während des Fests der Matrosen im dritten Aufzug, war trauriger Höhepunkt, dieser völlig verfehlten Regie-Arbeit! Das war umso bedauerlicher, da mit Bryn Terfel einer der gefragtesten Holländer-Interpreten unserer Zeit zur Verfügung stand. Sein herber, robuster Bariton sprach am besagten Abend in allen Lagen bestens an, fand im Verlauf des Abends zu Leidenschaft und Ausdruck.
Camilla Nylund war dabei eine ebenbürtige Partnerin, der man ihr leichtes Tremolo in der berühmten Ballade leicht nachsehen konnte, ihr wunderbarer dramatischer Sopran verlieh der Senta zahlreiche Farben und blühte im zentralen Duett des zweiten Aktes wunderbar in der Höhe auf.

Steven Humes war ein Stimmlich etwas zu leichtgewichtiger Daland, man vermisste das Volumen und die Tiefe, die diese Rolle braucht. Marco Jentsch gab einen geschmeidig Stimmigen Erik, während die respaktable Leistung von Omer Kabiljak als Steuermann durch die Abstrusitäten der Regie völlig zunichtegemacht wurde.















