Het is een geliefd werk om het oude jaar mee te besluiten of het nieuwe jaar mee aan te vangen: Die Fledermaus. De officiële catalogus telt meer dan 28 opnamen, waarvan 10 op dvd.
DVD: THEODOR GUSCHLBAUER, WENEN 1980
Voor mij is de opname die op oudejaarsavond in 1980 in de Wiener Staatsoper werd opgenomen (Arthouse 107153) verreweg de beste. De productie was één jaar oud en de regie lag in handen van Otto Schenk, een beroemde Weense acteur, die zelf 29 keer de rol van Frosch had gespeeld.
In een rijk en gedetailleerd decor ontvouwt zich een intrige vol leugens, dat tegelijk spannend, komisch en droevig is.
De bezetting kan gewoon niet beter: Bernd Weikl zet de losbandige en oerdomme Eisenstein neer met de nodige knipoog en humor, Lucia Popp is kostelijk als de verveelde huisvrouw Rosalinde, en Brigitte Fassbaender onweerstaanbaar als prins Orlovsky.
Maar de allerbeste is de jonge Edita Gruberova (Adele): ze koketteert, doet ons lachen om haar bespottelijk accent, en ontroert in haar naïviteit. En dat alles met perfect gezongen coloraturen, brava!
Theodor Guschlbauer laat al in ouverture horen dat het een avond met de meesterlijk uitgevoerde mooiste melodieën gaat worden. Heerlijk.
Hieronder Edita Gruberova zingt ‘Mein Herr Marquis’
DVD: VLADIMIR JUROWSKI, GLYNDEBOURNE 2003
Het is allemaal de schuld van de champagne, zeggen ze. Zou best kunnen, want het bruist, bubbelt, schittert en spettert dat het een lieve lust is. De bubbels zijn ook letterlijk omnipresent in deze schitterende productie van Die Fledermaus, die in augustus 2003 in Glyndebourne werd opgenomen (Opus Arte OA 0889D).
Het geheel is zeer Art Deco en Jugendstil, met decors die lijken te zijn ontworpen door Otto Wagner en geschilderd door Gustav Klimt. Die laatste is alomtegenwoordig, ook in de kleding. Van de jurk van Rosalinde tot de ‘schlafrok’ van Von Eisenstein, waarin de arme Alfred de gevangenis ingaat.
Voor deze productie zijn nieuwe dialogen geschreven (de regisseur, Stephen Lawless, ziet het stuk als een toneelstuk met muziek), makkelijk te volgen dankzij de Nederlandse ondertitels.
Thomas Allen zet een kruidige von Eisenstein neer die duidelijk aan een midlifecrisis lijdt in een ietwat ingeslapen huwelijk, en Pamela Armstrong is een pittige Rosalinde.
Malena Erdmann is een fantastische Orlofsky en Lybov Petrova en kittige Adele. Eigenlijk zijn ze allemaal fantastisch, inclusief de dirigent – de sprankelende Vladimir Jurowski – die ook actief deelneemt aan de actie.
Zet de champagne maar vast koud, geniet en drink. Niet noodzakelijk met mate.
Een fragment uit de productie:
Interview met Sir Thomas Allen:
CD: HERBERT VON KARAJAN 1960
De opname van Herbert von Karajan uit 1960 (Decca 4758319), met o.a. Waldemar Kmennt, Hilde Gueden, Erika Köth en Eberhard Wächter is een absolute must. Alleen al vanwege de weergaloze ‘einlagen’, waarin de grootste operasterren uit die tijd (uiteraard uit de Decca-staal) een zeer verrassende acte de presence geven.
Heeft u ook zo’n last van de winterdip? Heeft het voor u ook lang genoeg geduurd en bent u de aanhoudende kou, mist, regen en wind zat? Dan heb ik voor u een fantastisch medicijn: Siciliaanse liedjes, gezongen door Roberto Alagna.
De cd is al een paar jaar oud, maar op zoek naar warmte heb ik hem weer uit te kast getrokken. Zo zie je maar: het is fijn om dingen te bewaren, op een goed moment komt het altijd van pas.
Het is niet makkelijk voor een operazanger om op een geloofwaardige manier volksliedjes te zingen, maar Alagna doet het voortreffelijk. Hij houd zijn stem licht en soepel, durft te chargeren en te schmieren. Ook de ruwe klanken zijn hem niet vreemd.
Je kan horen dat hij zich op bekend terrein begeeft: zijn voorouders komen tenslotte uit Sicilië. Al bij de eerste maten van de opzwepende ‘Abballati’ gaan uw voeten van de grond en gaat u vrolijk mee fluiten.
Op de prachtig ingetogen ‘Ninna Nanna’ (compositie van zijn broer, Frédérico) en een fraai opgeleukt thema uit de ‘Godfather’ na, zijn alle liedjes op de cd traditioneel.
Prachtig, ontroerend – wellicht het belangrijkst in deze tijd van het jaar – (hart)verwarmend. Ik zou zeggen: nodig een paar vrienden uit, open een fles Nero d’Avola en zet de cd op. Wedden dat zelfs de verwarming niet hoger hoeft?
Bestaat er ook zoiets als de ‘muziekwensenhemel’? Ooit heb ik, na het beluisteren van een recital-cd van Jonathan Lemalu met onder meer een drietal cabaretliedjes van William Bolcom, zowat gesmeekt om meer. En zie, op de debuut-cd Surprise van Measha Brueggergosman uit 2010 staan er maar liefst zeven. Het zijn ze nog niet allemaal, maar ze zijn wel georkestreerd, en dat ook nog door Bolcom zelf!
Bolcom componeerde de liedjes voor zijn vrouw, de Amerikaanse mezzo Joan Morris. De orkestversie maakte hij speciaal voor deze opname. Kleine juweeltjes zijn het, grenzend aan smartlappen. Af en toe doen ze aan Kurt Weill (met of zonder Brecht) denken, niet in de laatste plaats door de grote discrepantie tussen de (vaak surrealistische) tekst en de muziek.
Minder te spreken ben ik over de orkestratie die Patrick Davin maakte van de liederen van Schönberg. Het is alsof ze hun Berlijnse afkomst hiermee kwijt zijn geraakt, en voor Satie vind ik de stem van Measha Brueggergosman iets te groot.
Surprise is de titel van één van de liedjes van Bolcom, en het is inderdaad een (zeer aangename!) verrassing om met de jonge flamboyante Canadese sopraan Brueggergosman kennis te maken. Haar dijk van een stem werd ooit door Gramophone omschreven als ,,an instrument of endless fascination”. Iets wat ik alleen maar kan beamen.
Measha over haar cd op Youtube:
Surprise
William Bolcom, Arnold Schönberg, Erik Satie;
Measha Brueggergosman (sopraan); William Bolcom (piano); BBC Symphony Orchestra olv David Robertson
DG 4776589
Mij zult u nooit over het repertoire horen klagen: daar ben ik een groot liefhebber van. Niet alleen van operettes maar ook van sommige musicals en zeker van filmmuziek. Ook die van Disney, ja. Er is ook helemaal niets mis mee en goede filmmuziek verraadt veeleer de ware meesterschap van de schepper.
Er was een periode dat het als minderwaardig werd beschouwd, nu mag het weer. Maar soms lijkt het er op dat het ook moet. Met de nadruk op “moet”. Moet iedere operaster zich ook in dit repertoire bewijzen? Om te laten zien, dat … ja, wat precies? Dat zij/hij ook croonen kan?
Dat Diana Damrau het kan, staat buiten kijf. Ook het Royal Liverpool Philharmonic Orchestra onder leiding van David Charles Abell weet er raad mee. En toch. Er knaagt iets. Zelf zegt Damrau altijd een grote voorliefde voor het repertoire te hebben gehad. Sterker: daar is zij mee grootgebracht. Ik wil haar best geloven, al denk ik niet dat zij van de generatie meisjes is die ‘One day my prince will come’ of ‘Over the Rainbow’ onder de douche zong.
Over de cd zelf is best goed nagedacht. Het begint met de (helaas lelijk gezongen) vocalise uit The Ninth Gate van de in december 2013overleden Wojciech Kilar en eindigt met de vocalise uit de opera Wuthering Heights van Frédéric Chaslin (een cd première!).
Maar de overgang van Kilar via Johann Strauss (Damrau als Adele? Nou…. nee…) naar Gershwin is, voor mij althans, te groot. En et duet ‘Lippen schweigen’, gezongen met de zeer ongeïnteresseerd klinkende Rolando Villazon is niet minder dan een misser. Let op: de trackinglist is niet correct!
FOREVER
Unforgettable Songs from Vienna, Broadway and Hollywood
Kilar, Künneke, Kálman, Léhar, Strauss, Loewe, Stephan, Gershwin e.a.
Diana Damrau (sopraan), Royal Liverpool Philharmonic Orchestra olv David Charles Abell
Erato 5099960266620 • 77’
Mijn lieve lezers: u zou eens moeten weten hoe belangrijk u allemaal bent. Wij muziekrecensenten, ook wij zijn egotrippers, net zo goed als romanschrijvers of psychologen. Ook wij doen wat wij doen, omdat het ons van onze problemen af helpt. Of juist niet.
Omdat u allemaal zo trouw bent en de moeite neemt om mij te lezen (hoop ik), ga ik u wat over mezelf vertellen. Ook omdat ik naar aanleiding van een interview ‘doodsbedreigingen’ heb gekregen (ben ik nu een BN’er?) en er een beetje ‘unheimlisch’ van werd.
Muziek is geen wetenschap, zeker niet in de strikte zin. Er bestaan geen wiskundige regeltjes voor, al waren (en zijn er nog steeds) genoeg ‘pioniers’ die dat beweerden. Het resultaat van hun wiskundige berekeningen was kakofonie of juist het tegenovergestelde: de zich eindeloos herhalende reeks van drie noten. Ik weet dat er genoeg liefhebbers voor zijn en ik gun ze hun plezier. Maar nu wil ik het met u over iets hebben wat nog steeds een taboe is: het sentiment.
Toen ik een meisje van 4 was werd ik door mijn ouders ‘gescheiden’. Mijn viool spelende vader nam mij mee naar Sviatoslav Richter, wat uiteraard in pianolessen resulteerde. Mijn moeder hield van operette en aangezien er niemand anders was om haar te begeleiden, werd ik meegenomen. Ik ging mee en ik genoot. Nog steeds, meer dan 60 jaar later, ken ik de meeste operettes uit mijn hoofd. In het Pools, dat wel, want alles was toen vertaald.
Jan Kiepura en Martha Eggerth in het duet uit de Lustige Witwe van Lehár. In het Pools:
Waarom ik het aan u vertel? Omdat ik u deelgenoot wil maken van wat ik noem ‘my little sentimental journey’. Op oudejaarsdag – gezeten op de bank in mijn verwarmde huis, met mijn kat naast mij en het glaasje bubbles in de hand – luisterde en keek ik naar de operetteavond uit Dresden en ik werd bevangen door weemoed en, nou ja, verlangen naar vroeger. Ik voelde mij weer het vierjarige meisje en het enige wat ik wilde, was dat mijn moeder naast mij kon zitten en het ook mee kon maken. Jammer genoeg bestaat er geen telefoonverbinding met het hiernamaals, anders kon ik haar bellen: ‘Mam, je moet het horen!’
Afijn. Nu zullen we de sentimenten sentimenten laten en ons beperken tot het ‘product’. De jaarlijkse ‘Kerst Operette-Gala’s’ in Dresden zijn inmiddels beroemd en halen hoge kijkcijfers. De Staatskapelle Dresden wordt door niemand minder dan Christian Thielemann gedirigeerd en behalve Piotr Beczała doet er ook een sopraan (of twee) aan mee.
In 2011 waren Angela Denoke en Ana Maria Labin van de partij, in 2012 moest de geplande Diana Damrau wegens ziekte op het laatste moment afzeggen en werd vervangen door Ingeborg Schlöpff.
Beide Gala’s zijn in 2013 bij DG op de markt uitgebracht: Kalmán (2012) op cd met als bonus Lehár uit 2011 op dvd.
Hieronder zingt Beczala ‘Freunde, das Leben ist lebenswert’ uit Giuditta.
Live opname uit 20007:
Dat ik de cd (waarom niet op dvd?) iets hoger schat dan de dvd heeft alles met mijn eigen voorkeuren te maken: ik houd waanzinnig veel van Lehár, maar Kalmán heeft mijn hart al lang geleden meer dan gestolen. ‘Weisst du es noch’ uit de Csárdásfürstin is dagenlang (en nachtenlang!) niet van mijn speler (en mijn hoofd) weggeweest.
Vindt u het een rare recensie? Ik ook. Maar als u van operette houdt, nee, als u van muziek houdt en het sentiment niet schuwt, dan gaat u het doosje aanschaffen. Ik verzeker u dat uw hart er warm van wordt.
Happy New Year
Kalmán en Lehár
Staatskapelle Dresden olv Christian Thielemann.
Solisten: Piotr Beczala en Ingeborg Schöpf (cd) en Angela Denoke en Ana Maria Labin (dvd).
DG 4790929
Op 24 december 2011 werd het Israel Philharmonic Orchestra vijfenzeventig jaar oud. Het verjaardagsfeest werd uitbundig gevierd met een concert waar je alleen maar van kan watertanden. De feestelijkheden vonden plaats in het Hangar 11 in Tel Aviv, een meer dan een prachtige locatie gesitueerd in de oude haven van de stad
Allereerst was er Zubin Mehta. De van oorsprong Indiase dirigent heeft zijn hart en ziel aan het orkest heeft verpand en als dank werd hij in 1981 door het orkest met “levenslang” beloond als hun artistiek directeur. Zijn uitvoering van de achtste symfonie van Beethoven stond als een huis, maar de bijdragen van de solisten hebben het puur orkestrale overschaduwd.
Evgeny Kissin schitterde in het eerste piano concert van Chopin. De klank was onmiskenbaar Pools, de romantiek volop aanwezig en de toeschouwers hadden tranen in hun ogen. En ik, gezeten op mijn gemakkelijke bank ik Amsterdam vond het beeld verdacht wazig worden.
De beide violisten, Julian Rachlin en Vadim Repin waren op hun eigen manier geniaal en aan elkaar gewaagd. Tegenover Rachlins een beetje dik aangezette, volbloed romantische klank stond een slanke toon van Repin. Nu is de door Repin gespeelde Poème van Chausson van een iets ander kaliber dan Introduction et Rondo Capriccioso van Saint-Saëns, maar de Sarabande uit de tweede Partita van Bach was in Rachlins handen als was zo kneedbaar.
Bronislaw Huberman
En dan is er de documentaire, over de beginjaren van het orkest. Wat je te zien krijgt is van een onschatbare waarde. Bronisław Huberman en zijn idealistisch plan, waarmee hij niet alleen één van de beste orkestra’s ter wereld heeft gecreëerd maar ook honderden levens heeft gered. Arturo Toscanini in actie. Jonge Bernstein spelend voor het jonge leger. Ontroerende familieverhalen…..
Trailer:
Ik denk niet dat de documentaire ooit op onze TV komt. Ga naar de winkel en koop de dvd. Ga er rustig voor zitten, neem er de tijd voor, geniet er van en laat je ontroeren.
Israel Philharmonic at 75
Solisten: Julian Rachlin, Vadim Repin (viool), Evgeny Kissin (piano)
Werken van Bach, Beethoven, Chopin, Chausson en Saint-Saëns
Euroarts 2059094 • 95’(concert) + 52’(documentaire)
Eén van de mooiste opnamen van het Sinfonia Concertante van Mozart, met Itzhak Perlman en Pinchas Zukerma werd opgenomen tijdens het Huberman Festival in 1982. Het Israel Philharmonic staat onder leiding van Zubin Mehta.
ENGLISH
The Israel Philharmonic Orchestra turned 75 years old on december 24, 2011. The anniversary was celebrated abundantly with a concert that was enough to make anyone’s mouth water. The festivities took place in Hangar 11 in Tel Aviv, an exceptionally beautiful location situated in the old port of the city.
First of all, there was Zubin Mehta. The conductor of Indian origin has devoted heart and soul to the orchestra, for which he was rewarded by being named Music Director for Life in 1981. His performance of Beethoven’s Eighth was rock solid, but the contributions of the soloists surpassed the orchestral virtuosity.
Evgeny Kissin was brilliant in Chopin’s First Piano Concerto. The sound, unmistakably Polish and highly romantic brought the audience to tears. As for me, on my comfortable couch in Amsterdam, my TV screen got suspiciously hazy.
Both violinists, Julian Rachlin and Vadim Repin were genial in their own way, and a match for each other. In contrast to Rachlin’s slightly emphatic, full-blooded, romantic sound, Repin’s tone was more transparent. I need to add that Chausson’s Poème played by Repin is in a different league than Saint-Saëns‘ Introduction et Rondo Capriccioso, but the Sarabande from Bach’s second Partita was as wax in Rachlin’s hands.
In addition there is a documentary on the early years of the orchestra. What we get to see here is invaluable. Bronisław Huberman and his idealistic plan, with which he not only created one of the greatest orchestras in the world but saved hundreds of lives as well. Arturo Toscanini in action. A young Bernstein performing for the young army. Moving family histories….
I doubt this documentary will ever be shown on Dutch TV. So go to the store and buy the dvd. Put your feet up, take the time for it, enjoy, and be moved.
Heinrich Marschner … Voor veel Nederlandse operagangers niet meer dan een naam. Geen wonder: wanneer werd hij hier voor het laatst uitgevoerd?
Zelf heb ik een enorm zwak voor zijn romantische griezelsprookjes Der Vampyr en Hans Heilings maar Der Templer und die Jüdin? Nee, daar heb ik nog nooit van gehoord.
Toch was de opera ooit een succesvol werk. Sterker nog: na de première op 22 december 1829 werd het Marschners populairste en vaakst opgevoerde opera (200 keer in 70 jaar tijd). En het is niet zomaar een opera, DerTempler und die Jüdin is een grote romantische opera zoals ze allang niet meer gemaakt worden.
Het libretto is gebaseerd op Ivanhoe van Sir Walter Scott (1819), de eerste grote historische roman in de literatuurgeschiedenis. Het verhaal is heel simpel en ingewikkeld tegelijk. Je hebt de slechteriken (de Normandiërs = Fransen) en de goeden (De Saksen = Engelsen).
Er is een koning (Richard Leeuwenhart), die na het ‘bezoekje’ met kruisvaarders aan het Heilige Land zijn troon opnieuw moet bevechten, het liefst incognito. En er is een tempelier die verliefd wordt op een schone Joodse. Hij ontvoert haar om haar hart (en meer) te veroveren, maar zij moet niets van hem hebben. Tegen beter weten in is ze verliefd geworden op een gewonde ridder (Ivanhoe, maar dat weet niemand). Helaas voor haar is Ivanhoe al jaren stapel op zijn nicht, met wie hij niet mag trouwen omdat ze voor een ander is bestemd.
Er volgen een hoop toestanden. De arme Rebecca wordt veroordeeld tot de brandstapel, maar een anonieme paladijn redt haar leven. Het blijkt Ivanhoe te zijn. Hij trouwt met zijn geliefde en iedereen (op de tempelier na, die is inmiddels dood) leeft nog lang en gelukkig..
Een draak van een verhaal? Misschien, maar mij doet het denken aan de goede oude tijden, toen het goede altijd zegevierde. Aan de tijden toen je, met het geluid van het knisperende hout in de open haard op de achtergrond en met een kop chocolademelk in je hand, je op de bank nestelde om naar een heerlijk hoorspel op de radio te luisteren.
De vergelijking met een hoorspel komt niet zomaar uit de lucht vallen. In de door de firma Myto uitgebrachte opera zit geen libretto. Er is niet eens een synopsis! Het hele verhaal wordt aan elkaar gepraat door een soort ‘ZDF-juffrouw’. Haar warme stem en betrokken voordracht doen mij dus sterk aan de ouderwetse hoorspelen denken (en soms naar terugverlangen!). Het heeft iets. Zeker in de combinatie met de doffe monoklank – de opera is in 1961 in Wenen (live?) opgenomen. Ik kan me voorstellen dat een Hi-Fi-freak hier niets aan vindt, maar voor mij is het een puur, kinderlijk genot.
De muziek is, zoals het een grote romantische opera betaamt – groots, wijds, met grommende violen en onheilspellende celli. Er zijn (kerk)klokken en natuurgetrouwe geluiden. Men denke Weber, Schubert (Fierrabras!) en de vroege Wagner. En natuurlijk Marschner zelf.
De uitvoering? Voor zover de klank het toelaat om het goed te beoordelen: de bariton Georg Oeggl is een fantastische Brian de Bois Gilbert (de tempelier uit de titel) en Liana Synek is een zeer bewogen Rebecca. Haar mooie, hoge sopraan verdient het om gehoord te worden. Maar eigenlijk zingen ze allemaal goed, al die (voor mij) onbekende grootheden.
Het Grosses Orchester der RAVAG (de voorloper van ORF) staat onder leiding van Kurt Tenner en als bonus krijgt u de, in het Italiaans (!) gezongen, hoogtepunten uit Der Vampyr, opgenomen in Milaan in 1953. Leuk!
Heinrich Marschner
Der Tempelier und die Jüdin
Fritz Sperlbauer, Georg Oegll, Kurt Dickl, Leopold Vobruba, Liane Synek e.a.
Tonkünstlerchor en het Grosses Orchester der RAVAG olv Kurt Tenner
MYTO 00249
Met de voortschrijdende leeftijd en dito ervaring kun je blasé worden en met een ongepast soort cynisme denken alles te hebben gezien en gehoord. Niet doen, want je kan altijd voor verassingen komen te staan. Zo werd ik geconfronteerd met La Nonne Sanglante, een mij totaal onbekende opera van Charles Gounod.
De opera is nooit een succes geweest en na de première (Parijs, 1854) nooit ergens anders opgevoerd. Tot het operahuis van Osnabrück zich liefdevol over de score ontfermde en het in 2008 op de planken bracht, waarvan het schitterende resultaat nu op twee cd’s is uitgekomen.
Gounod en een thriller, daar denk je in eerste instantie niet aan en toch is ‘De bloederige Non’ een echt griezelverhaal, waarin het spook van de non de plaats inneemt van de bruid. Het komt allemaal goed, maar eerst mogen we lekker huiveren, want Gounod schreef een zeer spannende muziek, vol stormen, donders en rukwinden; maar ook met elegante dansjes.
Natalia Atmanchuk (Agnes) beschikt over een volle, ronde sopraan met een mooie hoogte. Yoonki Baek (Rodolphe) begint aanvankelijk een beetje onvast, maar gaandeweg de opera herstelt hij zich en laat ons een mooie tenor horen. En hoe hoger de noten hoe mooier zijn stem opbloeit.
Charles Gounod
La Nonne Sanglante
Marco Vassalli, Genadius Bergorulka, Yoonki Baek, Natalia Atmanchuk; Osnabrücker Symphonieorchester olv Hermann Bäumer
CPO 777 388-2
Op papier zag het er schitterend uit. Een van de grootste bas-baritons van onze tijd, beroemd niet alleen maar vanwege zijn stemschoonheid, maar ook vanwege zijn acteurskwaliteiten, tekstbegrip en humor, ging zich over de slechteriken in de opera ontfermen. Helaas….
Het zijn er heel wat! Je hebt ze ook in allerlei gradaties: verleiders (Giovanni), oplichters (Duncamara), pooiers en drugsdealers (Sportin’Life), spionnen (Barnaba), sadisten (Scarpia) en moordenaars … En natuurlijk de duivel zelf. Heerlijk!
Ook het idee om de opera-aria’s af te wisselen met musicals is zeer verfrissend, maar … Maar het werkt niet. Om te beginnen is de opbouw te onevenwichtig, waardoor je je niet op de muziek kan concentreren. Voordat je het goed in de gaten hebt, zit je in een volkomen andere sfeer.
Terfel zet best zwaar aan en wat mij betreft chargeert hij te veel. Soms pakt het goed uit. Zijn Dulcamara is verrukkelijk en Sweeney Todd (met een niet herkenbare Anne Sophie von Otter in prachtig cockney Engels) is niet te versmaden, maar Barnaba (La Gioconda) lijkt nergens op en Mefistofele van Boito mist elegantie. Jammer.
De tempi zijn aan de (soms tergend) lage kant en het Zweeds Radio Symfonie Orkest (dirigent: Paul Daniel) wil nergens sprankelen.
Dat hij een geweldig acteur is demonstreert Terfel in het terzet uit Don Giovanni, waarin hij alle drie de rollen (Don Giovanni, Leporello en Commendatore) voor zijn rekening neemt.
De meeste recensies waren zeer enthousiast, maar ik ben maar matig overtuigd. Het kan ook aan mij liggen.
Bryn Terfel
Bad Boys
Zweeds Radio Symfonie Orkest olv Paul Daniel.
DG 4778091
Op de drempel van de twintigste eeuw lieten veel kunstenaars zich in hun werk leiden door het verlangen naar een volmaakte wereld. Bij geen ander was dat zo prominent aanwezig als bij Franz Schreker (1878-1934).
De première van Der ferne Klang, in 1912 in Frankfurt, werd zeer enthousiast ontvangen. In de Frankfurter Zeitung schreef criticus Paul Bekker dat “het publiek zich kon herkennen in de centrale metafoor van Schrekers werk. Iedereen hoort op zeker ogenblik die raadselachtige klank”.
De hoofdpersoon is een componist met maar één verlangen: het ontdekken van de volmaakte klank. Op zijn zoektocht ernaar verstoot hij zijn geliefde Grete en laat alles wat hij liefheeft achter zich. Pas aan het eind, als het al te laat is, beseft hij dat hij de betoverende ‘verre klank’, samen met het geluk, alleen in de liefde voor Grete kon vinden.
Er zijn niet veel officiële opnamen van de opera op de markt. Zelf ken ik er maar één: live opname uit Berlijn 1991, op Capriccio (60024-2). Daar ben ik nooit kapot van geweest en stilletjes hoopte ik dat de NTR hun uitvoering uit september 2004, met onder anderen Anne Schwanewilms op de markt zal brengen. Helaas.
Gelukkig komt nu Walhall met een live radio-opname uit Frankfurt 1948 en daar ben ik zeer blij mee.Het is een fantastische opname, met een voor die tijd buitengewoon goede geluidskwaliteit.
Ik kende geen van de zangers, des te groter was voor mij de verrassing. Der Ferne Klang is een opera die niet makkelijk valt te bezetten. Beide hoofdrollen vereisen grote stemmen die ook uitgesproken lyrisch zijn en dat zijn Ilse Zeyen (Grete) en Heinrich Bensing (Fritz) zeer zeker.
Het radio-orkest uit Frankfurt wordt op sublieme manier gedirigeerd door Winfried Zillig, een in die tijd zeer bekende Duitse componist muziektheoreticus en dirigent.
Franz Schreker
Der ferne Klang
Ilse Zeyen, Heinrich Bensing, Rudolf Gonszar e.a.
Radio-Sinfonie-Orchester Frankfurt olv Winfried Zillig Walhall WLCD 0374