Zemlinsky was geen aantrekkelijke man. Daar leed hij zo onder dat de uiterlijke schoonheid voor hem een soort obsessie werd, die tot gespletenheid in zijn eigen karakter en die van zijn fictieve personages leidde.
Die gespletenheid ontwaar je ook in zijn Eine Florentinische Tragödie, een opera gebaseerd op een toneelstuk van Oscar Wilde. De mooie vrouw van Simone, Bianca heeft een affaire met de aantrekkelijke en rijke prins Guido. Simone betrapt ze en – na een potje kat en muis spel– vermoordt hij de minnaar van zijn vrouw met zijn blote handen. Waardoor hij de bewondering van zijn vrouw terugwint, ze wist immers niet dat hij zo sterk (lees: aantrekkelijk) was.
Eine Florentinische Tragödie wordt de laatste tijd steeds vaker op de programma’s van de operahuizen gezet, maar de opnamen ervan zijn nog steeds schaars. De nieuwe uitgave die nu op Capriccio is verschenen, is in mei 2010 in het Weense Konzerthaus opgenomen. Waarom nu pas is eigenlijk niet zo relevant aangezien het één van de allerbeste uitvoeringen van het werk betreft.
Bertrand de Billy zweept het Weense ORF orkest tot ongekende hoogten en de spanning is om te snijden. Wolfgang Koch is fantastische Simone en Charles Reid een softe, verwijfde Guido. Heidi Brunner is een mooie, maar helaas weinig erotische Bianca.
ALEXANDER ZEMLINSKY
Eine Florentinische Tragödie
Wolfgang Koch (bariton), Heidi Brunner (sopraan), Charles Reid (tenor)
ORF Vienna Radio Syphony Orchestra olv Bertrand de Billy
Capriccio C5325
In de jaren twintig van de vorige eeuw raakte Martinů in de ban van de Engelse madrigalen. Het gebeurde nadat hij een concert in Praag had bijgewoond van de English Singers, die de werken uitvoerden van o.a. Byrd, Gibbons en Thomas Morley. Voornamelijk de laatste is hem altijd bijgebleven.
Hieronder ‘Aprill is in my Mistris face’ van Thomas Morley, uitgevoerd door het Hilliard Ensemble:
In een interview dat de componist begin jaren veertig in USA had gegeven vertelde hij dat in zijn composities hij het meest werd beïnvloed door de Tsjecho-Slovaakse folklore, Debussy en … Morley:
Die folklore en die ‘Debussy’anisme’ zijn inderdaad in veel van zijn werken – meer of minder – voelbaar, maar dat van de Engelse renaissance viel mij niet eerder op.
Het is de eerste keer dat ik de Madrigalen hoor en hoe mooi (en sereen) ik ze ook vind, echt boeien doen ze niet. Ik heb de cd een paar keer gedraaid en keer op keer betrapte ik mij er op dat mijn gedachten ergens ver weg waren en de muziek verworden was tot een ordinaire muzak. Ligt het aan de muziek of de uitvoering?
Het ensemble Martinů Voices is nieuw voor mij, ik heb ze nooit eerder gehoord, vandaar dat ik mij afvraag hoe de wrken geklonken zouden hebben in de uitvoering door de Hilliards….. Of het Nederlands Kamerkoor..
Bohuslav Martinů
Madrigals
Martinů Voices olv Lukáš Vasilek
Jakub Fišer (viool), Karel Košárek (piano)
Supraphon SU 4237-2
The Epic of Gilgamesh behoort tot Martinů’s beste, maar ook de meest gecompliceerde werken. Hij componeerde het in 1955, kort na zijn absolute meesterwerk, de drie ‘Fresco’s of Piero della Francesca’.
Het oeroude epos, ontstaan circa 2100 v.Ch. behoort tot de oudste literaire werken en wordt door de kenners vaak vergeleken met de Bijbel en het scheppingsverhaal. Het verhaalt van koning van Uruk, Gilgamesh die – even kort door de bocht – op zoek is naar de onsterfelijkheid.
Martinů’s oratorium is een groots werk, dat vanwege de zeer tot de verbeelding sprekende sfeertekening en het gebruik van – behalve het koor en de solisten – gesproken tekst vergeleken kan worden met ‘Le Roi David’ van Honegger.
In het tekstboekje staat dat het werk nu voor het eerst opgenomen werd in de originele taal waarin het werd gecomponeerd, het Engels, maar dat is niet helemaal waar. In 1995 al heeft het BBC Symphony Orchestra olv Jiří Bělohlávek een schitterende opname van ‘Gilgamesh’ gemaakt waarin de zangers weliswaar in het Tsjechisch zongen, maar de gesproken tekst werd door Jack Shepherd in het Engels voorgedragen.
De nieuwe opname haalt het orkestraal niveau van de BBC-opname niet helemaal, maar het verschil is eigenlijk minimaal. Alle vier de solisten zijn in ieder geval weergaloos en de voordracht van Simon Callow onweerstaanbaar.
BOHUSLAV MARTINŮ
The Epic of Gilgamesh
Lucy Crowe (sopraan), Andrew Staples (tenor), Derek Welton (bariton), Jan Martiník (bas), Simon Callow (spreker)
Prague Philharmonic Choir, Czech Philharmonic olv Manfred Honeck
Supraphon SU 4225-2 • 51‘
Hoe schitterend ik Sonya Yontcheva doorgaans ook vind: deze cd had niet uitgebracht mogen worden. De wonderlijk mooie sopraan uit Bulgarije heeft veel meer in haar mars dan een in elkaar geflanste verzameling Verdi-hits.
In ’Tacea la notte’ (Il Trovatore) gaat zij meteen de mist in: haar coloraturen zijn niet helemaal zuiver en doen zeer plichtmatig aan. ‘Liberamente or piangi’ (Attila) klinkt voornamelijk onbeholpen, maar lang niet zo erg als ‘Pace! Pace, mio Dio’ (La Forza del Destino). Haar vertolking van die aria ontbeert aan alles wat het zo schrijnend maakt en de furieuze wanhoopskreet klinkt nu meer als een avondgebed.
Hoe verkeerd! Leonora is immers Desdemona niet. Het verwondert mij dan ook niet dat de ‘Ave Maria’ uit Otello zowat het mooiste en best gelukte nummer op deze cd is. Ook ‘Come in quest’ora bruna’(Simon Bocanegra) klinkt best aardig en je hoort wat een waanzinnig mooie stem die Yoncheva toch heeft.
Over de aria’s uit Don Carlo en Nabucco zwijg ik liever. Dat het haar repertoire (nog) niet is, is het ergste niet, het betreft tenslotte een studio-opname, maar af en toe klinkt zij gewoon vals. En vlak. Daar komt nog bij dat zij door de dirigent totaal aan haar lot wordt overgelaten en het orkest haar niet goed weet te ondersteunen. Jammer.
GIUSEPPE VERDI
Aria’s uit Il Trovatore, Luisa Miller, Attila, Stiffelio, La Forza del Destino, Otello, Simon Boccanegra, Don Carlo en Nabucco
Sonya Yoncheva (sopraan)
Münchner Rundfunkorchester olv Massimo Zanetti
Sony 8898541798
Een persoonlijke noot van Andrea Bocelli bij wijze van een introductie? Serieus? En moet ik het als een aanbeveling beschouwen? Gelukkig is het zangniveau van Joseph Calleja ver boven zijn ‘Decca-ambassadeur’. Iets wat een beetje operaliefhebber al lang weet.
Calleja’s stem is van een ongekende schoonheid en ongeacht of je van zijn timbre houdt of niet moet je toegeven dat hij één van de beste tenoren van nu is. Op zijn nieuwste cd waagt hij zich aan een veel zwaarder repertoire dan hij doorgaans zingt en dat lukt hem maar half.
Zij ‘Celeste Aida’ klinkt uitstekend, maar met ‘Di quella pira’ (Il Trovatore) komt hij al in de problemen. Gelukkig is zijn Don Carlo alweer mooi, maar dan komt Otello en…. Nee. Natuurlijk klinken de twee aria’s en de twee duetten met de niet helemaal overtuigenden Angela Gheorghiu (Desdemona) en Vittorio Vitelli (Jago) goed, aan kracht ontbreekt het Calleja immers niet.
In ‘Niun mi tema’ laat hij zich van zijn kwetsbare kant horen en dat doet hij ontroerend, maar zijn laagte is niet helemaal toereikend. Bovendien: waarom eigenlijk?
Trailer van de album:
Persoonlijk hoop ik dat Calleja nog lang van Otello afblijft, maar tegen een complete ‘Don Carlo’ zeg ik geen nee. Maar dan graag met een andere dirigent.
Giuseppe Verdi
Aria’s uit Aida, Il Trovatore, Don Carlo en Otello
Joseph Calleja (tenor)
Angela Gheorghiu (sopraan), Vittorio Vitelli (bariton)
Orquestra de la comunitat Valenciana olv Ramón Tebar
Decca 4831539
Toegegeven: cellosonate van Richard Strauss behoort niet tot zijn sterkste composities. Zelf vind ik het een zeurderig stuk verdriet dat eindeloos doorgaat zonder dat er daadwerkelijk iets gebeurt. Maar geef de partituur aan een cellist die weet hoe hij zijn instrument kan laten zingen, zet een pianist naast hem die in de melodische lijnen hem harmonieus weet te ondersteunen en je herkent het stuk niet meer.
Sébastien Walnier en Alexander Gurning die samen het Duo Walning vormen zijn zonder meer heel erg bekwaam en hun spel is zeer solide, maar zingen gaat ze niet zo best af. Jammer.
Als een soort ‘toegiften’ hebben de heren de bekendste en de meest geliefde Strauss-liedjes onder handen genomen en misschien was dat niet zo’n goed idee. Het is best mooi wat ze doen, echt, maar ik word er niet door ontroerd.
In ‘Morgen’ worden ze een handje geholpen door de violist Lorenzo Gatto, waardoor het lied tot een zeer sentimenteel aandoende pianotrio verwordt. Ik kan het maar niet mooi vinden.
Afijn: voor de cellosonate kunt u veel beter de opname van Anne Gastinel met Pierre-Loraint Aimard kiezen. Daar gebeurt tenminste wat.
En wat de liederen betreft: laat ze gewoon zingen!
RICHARD STRAUSS
Sonate op.6, Romanze TrV 118, Morgen, Befreit, Wiegenlied
Duo Walning: Sébastien Walnier (cello) en Alexander Gurning (piano), Lorenzo Gatto (viool)
Cypres CYP1676 • 49‘
Van Richard Strauss en zijn medelibrettist Clemens Kraus kreeg Capriccio de ondertitel ’Konversationsstück für Musik’, en dat is precies, wat het is: een langgerekte conversatie. Het onderwerp van de eindeloze gesprekken en discussies die de hoofdpersonen voeren is net zo oud als de wereld: wat is belangrijker, muziek of woorden. En het kabbelt maar door, en het kabbelt maar door ..
Nooit heb ik het geduld kunnen opbrengen om het helemaal uit te luisteren, daarvoor was er voor mij veel te veel geklets en te weinig actie. Zelfs het lieflijke sextet aan het begin van de opera ervoer ik als langdradig.
Afijn: u hebt allang door dat Capriccio niet tot mijn favoriete opera’s behoort. En toch moest ook ik er aan geloven! Al moet ik toegeven, dat het niet zozeer aan de – om de erepalm met het libretto strijdende – muziek lag als aan de meer dan voortreffelijke zangers. En aan de regie. Laat het maar aan Carsen over en dan komt het vanzelf goed want die Canadese tovenaar kan zelfs een telefoonboek in een spannende thriller omtoveren.
Carsen verplaatste de handeling naar het door de nazi’s bezette Parijs in 1942, het tijdstip van het ontstaan van de opera. Als decor dient het gehele Palais Garnier, inclusief het majestueuze trapportaal, de lange gangen en de loges in de zaal. Ik neem aan dat er videotechniek aan te pas is gekomen, maar echt snappen doe ik het niet.
Met ingehouden adem kijk ik dus naar de Gravin, die vanuit haar loge bewonderend kijkt naar haar op de bühne zingende alter ego. Een werkelijk ingenieuze ingeving voor de slotscène, waarin zij oorspronkelijk haar lange laatste monoloog voor de spiegel moest zingen.
Aan het begin van de opera wordt er gewag van gemaakt dat de tekst en muziek zijn als broer en zus, en zo eindigen ook de twee rivalen, de componist Flamand en de dichter Olivier, broederlijk in de logebank van de opera gezeten, vertederd kijkend naar hun gezamenlijk kind, een symbiose van woorden en noten. Een opera.
Een betere Madeleine dan Renée Fleming is amper te bedenken. Met haar eindeloze legato, haar ronde, romige sopraan en (niet in de laatste plaats) haar scenische présence zet ze een gravin met narcistische trekjes neer: beeldschoon, zelfbewust, afstandelijk en zeer bewonderenswaardig.
Haar broer, vertolkt door Dietrich Henschel is aan haar gewaagd en al lijkt hij fysiek niet op haar, zijn trekjes verraden familiebanden.
Het is moeilijk, zo niet onmogelijk tussen de beide verliefde heren te kiezen, want zowel Gerald Finley (Olivier) als Rainer Trost (Flamand) zien er zeer aantrekkelijk uit in hun verzorgde pakken, en noch op hun stemmen, noch op hun acteren valt iets op aan te merken.
Anne Sofie von Otter is onherkenbaar als de diva Clairon: haar entree, waarbij zij, begeleid door een Nazi officier met veel stampei binnenkomt, roept herinneringen op aan de grote actrices uit de jaren veertig. Franz Hawlata is een fenomenale La Roche, en de kostelijke Robert Tear zet een vermakelijke Monsieur Taupe neer.
De personen regie is zo geniaal, dat je gewoonweg vergeet dat dit een opera en niet de echte wereld is. Iedereen beweegt en acteert zeer natuurlijk en de kostuums zijn verblindend mooi. Waren er niet de af en toe zeer prominent in beeld gebrachte nazi’s, dan kon men zich in een utopische wereld van serene rust wanen.
Zag de wereld van Richard Strauss er toen zo uit? Wellicht was dat de boodschap? De conclusie laat ik aan u over.
De slotscène van de opera:
Richard Strauss
Capriccio
Renée Fleming, Anne Sofie von Otter, Rainer Trost, Dietrich Henschel, Gerald Finley, Franz Hawlata, Robert Tear e.a.
Orchestre et Choeur de l’Opéra national de Paris olv Ulf Schirmer
Regie: Robert Carsen
Arthaus Musik 107529
Aan goede Salome’s geen gebrek. Denk alleen aan Solti, Karajan of Sinopoli.
Andrés Orozco-Estrada haalt dat niveau nergens, zijn lezing is niet meer dan middelmatig.
Zijn directie mist veel, maar het ergste is een totaal gebrek aan spanning. Zet de ‘Salomes Tanz’ even op: hier wordt je toch echt niet opgewonden van! Het ligt beslist niet aan de musici van het Frankfurt Radio Symphony – orkest, want wat die – overigens schitterende! – opname laat horen is een orkestspel van een zeer hoog niveau.
Maar ook van de zangers word ik niet echt warm. Salome moet het voornamelijk van haar Lolita-achtige klank hebben en dat lukt Emily Magee nergens, voor die rol klinkt zij gewoon te volwassen. Haar stem is ook niet bijster groot en af en toe valt zij gewoon weg. Goed: de opname is live gemaakt, maar zelfs dan…
Wolfgang Kochs – prachtige, dat wel – stem vind ik niet erotisch genoeg voor zijn rol als Jochanaan. Hij klinkt voor mij te bassig, te ouwelijk ook, ik kan mij echt niet voorstellen dat daar een aantrekkelijk jong meisje voor zal vallen.
Maar Peter Bronder is een fantastische Herodes, hij zingt zeer visueel, iets wat een enorme pré is als je geen beeld tot je beschikking hebt.
Michaela Schuster is een goede Herodias en Benjamin Bruns een werkelijk schitterende Narraboth: jong, onschuldig en tot over zijn oren verliefd.
RICHARD STRAUSS
Salome
Emily Magee, Wolfgang Koch, Peter Bronder, Michaela Schuster, Benjamin Bruns
Frankfurt Radio Symphony olv Andrés Orozco-Estrada
Pentatone PTC 5186 602
Louis Lortie behoort tot de kleine schare meesterpianisten die ik het meest bewonder. Zijn spel is voornamelijk elegant en zijn techniek vanzelfsprekend. Hij moet het niet hebben van een louter uiterlijke vertoon waardoor zijn kunnen zowat grenzeloos lijkt. Helaas: met de vijfde deel van zijn Chopin-cyclus laat hij horen dat er ook grenzen zijn aan zijn grenzeloosheid.
Eerlijk gezegd verbaast het mij zeer: juist Lortie lijkt de pianist bij uitstek om de schijnbaar eenvoudige taal van Chopin goed te kunnen vertolken. De meeste pianisten vertillen zich er aan door te veel rubato, te veel pedaal te gebruiken en dat doet Lortie nu ook.
Mazurka is een zwierige dans. Je moet je voeten wel stevig op de grond zetten, maar de rest van je lichaam hoort sierlijk in beweging te blijven. Hier gaat Lortie de mist in: het staat te stevig vast, het mist de lichtheid, het beweegt niet.
Ook de Polonaises gaan er aan ten onder: in op.26 no. 2 slaat Lortie zo wild om zich heen dat het niet leuk meer is. Waarom? Zou hij hiermee willen bewijzen dat Chopin geen muziek is voor ‘mietjes”? Dat er meer in zit dat een slappe salongepingel?
Met dat laatste heeft hij ongetwijfeld gelijk, maar ik denk dat je Chopin het grootste eer bewijst om hem te spelen come scritto: zoals het staat. Eenvoudig, zonder schmuck. Zoals Rubinstein het deed.
FRYDERYK CHOPIN
Mazurkas, Polonaises, Allegro de concert
Louis Lortie
Chandos 10943 • 71′
De titel van het album,‘Evocación’, daar is goed over nagedacht. Het woord ‘evocatie’ betekent het oproepen van beelden. Of gevoelens, en dat is precies wat deze cd met je doet. Het is tevens ook de titel van één van de stukken uit de pianosuite ‘Iberia‘ van Isaac Albéniz. De anderhalf uur durende cyclus is ontstaan als een hommage aan het geboorteland van de componist.
De – zeer impressionistische – compositie combineert Spaanse volksmuziek met het transcendentale idioom van Liszt. Koren op de molen van Mengjie Han, de jonge Nederlandse pianist die in 2014 één van de winnaars was van het Liszt-concours.
Hieronder het optreden van Mengjie Han tijdens het Finale-Gala van de Liszt Competitie op 8 november 2014:
Maar ook achter Ravels ‘Le tombeau de Couperin‘ staat een verhaal. Of eigenlijk: zes verhalen, want elk deel van dit werk is opgedragen aan een van de zes vrienden van de componist die tijdens de Eerste Wereldoorlog waren gesneuveld.
Han is een zeer tot de verbeelding sprekende pianist, iets wat zonder meer door zijn kleurrijke, fantasievolle spel komt. Doordat hij het technisch volkomen beheerst kan hij zich op de verhalen achter de noten concentreren en ze – ogenschijnlijk moeiteloos – naar de luisteraar overbrengen.
Zijn spel is zo uitermate boeiend dat ik er eindeloos naar zou kunnen luisteren. Iets, wat ik ook doe: de ‘reapeat-knop’ staat aan.
EVOCACIÓN
ISAAC ALBÉNIZ: Selection from Iberia
MAURICE RAVEL: Le Tombeau de Couperin
Mengjie Han
Cobra Records 0058 • 63′