opera/operette/oratorium/koorwerken

La Straniera: de hemelse cantilenen van Bellini

Straniera

Toegegeven, het libretto is zo warrig dat zelfs de hoofdpersonen waarschijnlijk niet weten wie ze zijn, wat ze aan het doen zijn, met wie, en waarom. Maar de muziek! Als er engelen bestonden dan zouden ze Bellini’s cantilenen uit La Straniera tot vervelens toe (kan men daar verveeld van raken?) herhalen.

Dat geldt nog meer omdat er in de opera, op één of drie keer na, niet echt aria’s voorkomen, niet in de ouderwetse manier althans. Het is meer een ‘conversatiestuk’ met veel dialogen en zeer theatrale, lange scènes, die elkaar toch in een rap tempo opvolgen.

Bellini componeerde La Straniera in 1829, drie jaar voor Norma en La Sonnambula, en je hoort er al de kleine voorbodes in van zijn bekendste muziek (‘Casta Diva!’). Wonderlijk genoeg hoor ik ook flarden uit La Traviata tussendoor…

Alle rollen zijn voortreffelijk bezet. Darío Schmunck is met zijn aangenaam klinkende tenor bijzonder geschikt voor een romantische lover en de lyrische bariton Mark Stone (onthoud die naam!) is een warmbloedige Valdeburgo.

Patrizia Ciofi:

De virtuoze mezzo Enkelejda Shkosa zingt een ontroerende Isoletta en over Patrizia Ciofi volstaat één woord: fenomenaal. Er is geen enkele zangeres die de rol van Alaide tegenwoordig beter, en met meer betrokkenheid, zou kunnen zingen (ORC 38)


Simone de Bonefont: ooit van gehoord?

Tekst: Neil van der Linden

Bonefont cover

Simone de Bonefont, nooit van gehoord. Paul van Nevel van het Huelgas Ensemble had ook nooit van hem gehoord, tot hij in een bibliotheek in Wenen in een koorboek een Missa pro Mortuis ontdekte, een Requiem-mis uit 1556. Dat is ook ongeveer het enige dat over Bonefont bekend is, behalve dat hij kanunnik was in Clermont-Ferrand, en dat er nog drie korte liederen van hem zijn overgeleverd.

Bonafonte

Uit het feit dat het commercieel uitgegeven koorboek rijkelijk geïllustreerd was kunnen we afleiden dat dit werk hogelijk werd gewaardeerd, en de maker ook. Van Nevel acht het gezien de kwaliteit vrijwel onmogelijk dat dit de enige werken van de componist zijn. De Bonefont is vermoedelijk rond 1500 geboren en is daarmee een generatiegenoot van de vierde Vlaamse school met grootheden als Gombert, De Rore, Willaert en Clemens non Papa en de Spanjaard Cristóbal de Morales. Een gouden tijd van de Renaissance. De muziek is dan echt helemaal losgekomen van een zekere laat-Middeleeuwse cerebraliteit, componisten experimenteren er lustig op los en de maniërismen die de Barok steeds meer zou opleggen hebben hun intree nog niet gedaan.

Dit requiem heeft de vloeiende motoriek van bijvoorbeeld het Requiem van De Richafort uit ongeveer dezelfde tijd, waaraan Van Nevel en het Huelgas eerder al een magnifieke CD wijdden. Het succes van De Richaforts Requiem door het Huelgas Ensemble, tot dan toe een onbekend werk, leidden binnen de kortste keren tot meer opnamen en maakten van een obscure componist een ster, die nu zelfs door de King’s Singers wordt gezongen.

Soms sluit De Bonefont af met een grillige akkoord-sequens vol onverwachte modulaties en dissonanten die bijna pijn aan de oren doen. Kan dat een restant van laat-Middeleeuwse polyfonie zijn? De Bonefont zat daar in de Auvergne een beetje geïsoleerd, terwijl de rauwere vormen van polyfonie zoals die heden ten dage nog Corsica en Sardinië leeft toen op veel meer plaatsen werd gepraktiseerd. Of was het juist een uiting van avant-gardistische experimenteerlust?

Bonnefond_Huelgas-Ensemble-PVDS-c-Alidoor-Dellafaille

Requiem-Simon-de-Bonnefond_Huelgas-Ensemble-PVDS- ©Alidoor-Dellafaille

Het Huelgas Ensemble lost het vocaal allemaal overtuigend op. Een van hun handelsmerken is stemkleuring. Door veel ruimte te geven aan individuele stemkarakteristieken is het mogelijk complexe polyfone weefsels helder uit te diepen, maar worden diepe onderliggende lagen grondig geëxploreerd. Desnoods past Van Nevel het tempo aan om een tekstuele of melodische frase extra duidelijk te laten uitkomen. En dat allemaal live, deze CD is live opgenomen.

De CD combineert De Bonefonts dodenmis met vier motetten uit dezelfde tijd op een andere veel gebruikte tekst over dood en sterfelijkheid, Media Vita in Morte Sumus. “Midden in het leven zijn wij door de dood omvangen’, aldus de oeroude antifoon, die ooit zo populair was dat het concilie van Keulen van 1316 het verbood: het lied zou magisch geladen zijn waardoor men er anderen mee kon vervloeken. Het lied bleef echter populair: zelfs de vermaledijde ketter Luther maakte een bewerking in het Duits.” (ik citeer hier muziekweb.nl)

Ja, het was een tijd van pestepidemieën, van sociale revoluties en godsdienstoorlogen. De versie van de Brugse componist Arnold von Bruck gebruikt die vertaling door Luther, ‘Mytten wir ym leben synd’. De andere drie versies zijn in het Latijn en van keurig katholiek gebleven Vlaamse grootheden, Jacobus de Kerle, Orlandus Lassus en Nicolas Gombert. De laatste twee kent iedereen natuurlijk.

Bonafonte HUELGAS-ENSEMBLE-8

Het Huelgas Ensemble © Huelgas Ensemble

Het Huelgas Ensemble had Gomberts motet al eens opgenomen en er is ook een mooi dramatische uitvoering van het Hilliard Ensemble. “Bij dit alles denk je onwillekeurig aan Gomberts eigen Media Vita-ervaring: volgens de arts Jerome Cardan werd Gombert naar de galeien verbannen omdat hij zich aan het hof van Karel V aan een knaap had vergrepen (Gombert was belast met het rekruteren van de indertijd alom gezochte Vlaamse koorknapen voor de hofkapel in Madrid van Karel V – NvdL). De componist kreeg echter gratie nadat hij de keizer wist te ontroeren met twee zogenaamde ‘zwanenzangen’. (Misschien onder meer dit In Media Vita? – NvdL)” Aldus muziekweb.nl.

Cappella Amsterdam heeft net ook Lassus’ versie op CD uitgebracht, schoolser vind ik; de stemkleuringstechniek van het Huelgas Ensemble maakt muziek telkens toch wel heel direct invoelbaar.

De Kerle uit Ieper is minder bekend. Maar naar verluidt heeft hij meer nog dan Palestrina de polyfone kerkmuziek gered door een motet te componeren voor de hereniging van de Christelijke Kerk het succesvolle verloop van het Concilie van Trente, terwijl Palestrina met de eer is gaan strijken (en het aldus ook tot protagonist van een laat-romantische opera heeft gebracht, Pfitzners Palestrina, die dus eigenlijk De Kerle had moeten heten).

Aan hem had het Huelgas Ensemble al eerder een CD gewijd, ook met dit adembenemende In Media Vita (en het intrigerende Cantio octo vocum de sacro foedere contra Turcas, ‘Achtstemmig zang over een heilig bondgenootschap tegen de Turken’, een tijd waarin hemel en aarde dicht bij elkaar kwamen).

Bonefort Bosch

Detail uit het rechter paneel, Op Weg naar de Hemel, uit Visioenen van het Hiernamaals – Jeroen Bosch

De voorkant van de CD is mooi geïllustreerd met een detail uit de Opstijging ten Hemel, met een naakte figuur die begeleid door een engel door een tunnel van licht beweegt, een andere mensfiguur in het gezelschap van een duivel die het misschien probeert, en aan het eind van de tunnel bijna verzwolgen door het licht nog twee figuren, uit Visioenen van het Hiernamaals van Jeroen Bosch.


Simone de Bonefont (ca. 1500): Missa pro mortuis cum quinque vocibus
Arnold von Bruck (1500-1554), Jacobus de Kerle (1531-1591), Orlandus Lassus (1532-1594), Nicolas Gombert (1495-1560).
Huelgas Ensemble onder leiding van Pal van Nevel.
Cypres Records-CYP168

https://klara.be/music-matters-op-30-april-met-paul-van-nevel

https://www.crescendo-magazine.be/paul-van-nevel-nous-fait-decouvrir-simone-de-bonefont/

 

 

Pleidooi voor Gian Carlo Menotti en zijn opera’s

Consul Gian_Carlo_Menotti_Paris-962x538

Gian Carlo Menotti. Voor de meeste Nederlandse opera-gangers is hij niet meer dan een vaag bekende naam. Zijn opera’s zijn hier nooit echt populair geweest en de uitvoeringen ervan zijn op de vingers van één hand te tellen.

Jammer eigenlijk, want niet alleen is zijn muziek buitengewoon mooi (men denke aan de combinatie van Mascagni met Britten), ook de onderwerpen die hij in zijn (zelfgeschreven) libretti aankaart zijn maatschappelijk betrokken en snijden actuele onderwerpen aan.

Consul

Een krantenartikel van 12 februari 1947 over de zelfmoord van een Poolse emigrante wier visum voor de VS was afgewezen, werd door Menotti, die zich het lot van zijn Joodse vrienden in Oostenrijk en Duitsland nog goed herinnerde (ook zijn eigen partner, de componist Samuel Barber was Joods), gebruikt voor zijn eerste avondvullende opera. Het onderwerp heeft – helaas – niets aan zijn actualiteit verloren en The Consul is en blijft een aangrijpende opera die je door je ziel snijdt.

In 1960 werd het geproduceerd voor de televisie, en die registratie is door VAI (4266) op DVD uitgebracht. In zwart-wit, zonder ondertitels (niet schrikken, er wordt zeer duidelijk gezongen) en buitengewoon dramatisch in beeld gebracht door Jean Dalrymple.

Patricia Neway zingt ‘To This We’ve Come’:

HILFE, HILFE DIE GLOBOLINKS!

Liebramann Globolinks

Speciaal voor Hamburg heeft de Italiaans-Amerikaanse componist en regisseur Gian CarloMenotti Globolinks!,  een opera ‘voor kinderen en voor hen die van kinderen houden’ gemaakt. De première vond plaats in 1968 en een jaar later werd het in de studio verfilmd.

Ik moet u bekennen dat ik niet zo’n liefhebber van kinderopera’s ben maar hier heb ik toch schaamteloos van zitten genieten. Het is een onweerstaanbaar sprookje over aliens (Globolinks) die allergisch zijn voor muziek en alleen door middel van muziek bestreden kunnen worden.

De beelden zijn voor die tijd zeer sensationeel, vol kleur en beweging en het bos waar de kleine Emily (onweerstaanbare Edith Mathis) met haar viooltje doorheen moet om hulp te gaan halen is werkelijk beangstigend. De aliens zijn volgens de hedendaagse begrippen een beetje knudde, maar het geeft niet,  het geeft het geheel een aaibare glans. Het werk zit barstensvol humor en ironie, er wordt naar de muziekbarbaren uitgehaald: de schooldirecteur die muziek niks vindt verandert zelf in een alien.

Er wordt ook rijkelijk met oneliners gestrooid (“muziek leidt je naar de juiste weg” of “als de muziek sterft is het eind van de wereld nabij”). Onbegrijpelijk dat zoiets niet standaard voor alle scholen (en ik bedoel hiermee niet alleen de kinderen) wordt opgevoerd, het onderwerp is (en blijft) zeer actueel.

De bezetting van alle rollen, inclusief de kinderen, kan gewoon niet beter, en bewijst nog eens de hoge standaard van het Hamburgse ensemble, want waar vind je nog zoveel geweldige zangers/acteurs bij elkaar, die zoveel verschillende rollen op zo’n hoog niveau kunnen brengen?

Grachtenfestival 2015: FAÇADE MEETS THE TELEPHONE

Linda di Chamounix is meer dan een aria!

Linda

Linda di Chamounix is één van de laatste opera’s van Donizetti. Een doorsnee operaganger kent er waarschijnlijk maar één aria uit: ‘O luce di quest’anima’, een zeer virtuoos trapezewerk, waarmee menig coloratuursopraan stemmencompetities onveilig maakt.

Merkwaardig genoeg werd de aria pas na de première aan de opera toegevoegd, speciaal voor Eugenia Tadolini, de tweede vertolkster van de titelrol. Van haar wordt verteld dat haar lyrische coloratuursopraan zeer expressief was en over veel kleuren beschikte.

Daar moest ik, luisterend naar Eglise Gutiérrez, aan denken, want zo moest Tadolini waarschijnlijk geklonken hebben. Zeer virtuoos, maar ook met zeer veel gevoel voor drama zingt Gutiérrez de gekwelde titelheldin die zeer spectaculair haar verstand verliest en het niet minder spectaculair hervindt.

Stephen Costello (onthoud de naam!) is een nieuwkomer op het ‘lyrische tenoren horizon’. Zijn timbre is zeer prettig en zijn hoogte soepel en aangenaam. In zijn rol van de schilder Carlo, die eigenlijk de Sirval heet en een burggraaf is (daar word je inderdaad gek van) is hij bijzonder overtuigend.

Marianna Pizzolato beschikt over een mooi, rond, licht en een zeer wendbaar mezzo. Meer een sopraan eigenlijk, maar dan iets donkerder getimbreerd. Het is ook buitengewoon aangenaam naar haar te luisteren waardoor ze zowat een perfecte cast is voor Pierotto, Linda’s vriend en vertrouweling.

Zowel Ludovic Tézier (vader van Linda) als Bálint Szabó (de prefect) zijn aan elkaar gewaagd en de oudgediende Alessandro Corbelli weet perfect raad met de buffo-rol van markies di Boisfleury. Zeer, zeer aanbevolen!


Gaetano Donizetti
Linda di Chamounix
Eglise Gutiérrez, Ludovic Tézier, Elizabeth Sikora, Alessandro Corbello, Stephen Costello,  Bálint Szabó, Marianna Pizzolato e.a.
Orchestra of the Royal opera House, Covent Garden olv Sir Mark Elder
Opera Rara ORC 43 (3cd’s)

 

Onevenwichtiche Il Corsaro uit Parma

Il Corsaro Parma

 

Eerlijk gezegd weet ik niet, wat ik ervan moet denken. De opera zelf is zwak, maar er zitten zo veel wonderschone aria’s in: de romance van Medora bijvoorbeeld. Goed uitgevoerd kan het voor een groot plezier zorgen, maar de productie uit Parma (opname 2005) is jammer genoeg onevenwichtig.

Renato Bruson had toen zijn dag niet en zijn bijdrage is bijzonder pijnlijk voor het oor.

 

Michela Sburlati is niet echt slecht, maar dat is onvoldoende voor de mooie noten die Medora te zingen heeft.

Over Zvetan Michailov (Corrado) ben ik er ook niet uit: de stem op zich is oké, maar hij brult te veel en drukt op de hoge noten. Van de andere kant heeft hij een prachtig mezzavoce tot zijn beschikking en weet zijn stem tot fluisterzachte tonen te moduleren.

Adriana Damato daarentegen is een werkelijk fenomenale Gulnara: haar portrettering van het geliefde haremmeisje van Seid is temperamentvol en haar stem vol met gloed. Men hoort als het ware de toekomstige Abigaille, maar daarvoor moet ze nog een hele poos van de zware rollen afblijven.

De regie is traditioneel en de kostuums kleurrijk, maar de blote buik jurk van Gulnara is ronduit belachelijk. Hoe kun je het een diva (in spe, maar toch) aan doen?

 

 

Giuseppe Verdi
Il Corsaro
Zvetan Michailov, Renato Bruson, Michela Sburlati, Adriana Damato
Orchestra e Coro del Teatro Regia di Parma olv Renato Palumbo
Regie Lamberto Puggelli
Dynamic DVD 33468

De Ring: the making of. En af.

ring-1334756958-article-1

 

In 2014 hadden we een Wagner-jaar. En toen het 2015 werd dacht ik in mijn onnozelheid dat we nu aan andere componisten mochten beginnen. Letterlijk schreef ik: “het is voorbij, de Ring ligt veilig opgeborgen in de Rijn en hopelijk wordt hij nu beter bewaakt. Het Walhalla bleek niets anders dan de zoveelste utopie en alle goden bleken gewone mensen te zijn, en zijn inmiddels allemaal dood. Samen met de helden met wie we eigenlijk medelijden moeten hebben. Eén ding hebben we geleerd: de strijd om macht, geld en wereldheerschappij gaat gewoon door.” Met de laatste zin had ik gelijk.

 

 

Ring Solti

 

In 1958 begon het Decca-team, aangevoerd door de producent John Culshaw, aan het meest prestigieuze project ooit: de complete Ring van Wagner, met als dirigent Georg Solti. De opnamen vonden plaats in Wenen en het hele project nam zes jaar in beslag. In 1964 maakten de televisieteams van BBC en ORF een documentaire over het geheel, waarbij ze tijdens de opnamesessie van Götterdammerung opnamen maakten.

 

 

Het is een buitengewoon boeiend document geworden, in stemmig zwart-wit en in stijl herinnerend aan de oude Polygoon-journaals. Wij zien de aankomst van de zangers en zijn getuige van het treffen van alle voorbereidingen. Zo zien wij hoe nauwkeurig wordt opgemeten waar de twintig microfoons opgehangen moeten worden en hoe de plaatsen van de zangers exact bepaald worden.

Omdat de opnamen plaatsvonden in de Sofiensäle, een geliefde danszaal midden in de drukke stad, moest het verkeer omgeleid worden, wat met een paar flessen cognac wonderwel lukte.

Tijdens de zogenaamde ‘Zigarettenpausen’ (zou het tegenwoordig nog kunnen?) werden de meeste betrokkenen geïnterviewd, wat een extra persoonlijke touch heeft opgeleverd.

Als bonus krijgt u van Decca ruim een uur hoogtepunten uit de Ring, in een surround geluid.

The making of (the Ring). Of zoals de titel voluit luidt: ‘The Golden Ring. Hinter den kulissen der Götterdämmerung’ (Decca 071153-09)

 

Ring Jordan

De in 2013 bij Erato (93414227) uitgebrachte korte versie van de Ring, in ongeveer 85 minuten, kunt u rustig als een licht voorgerecht (en zo u wilt een toetje – wie zei dat mosterd na de maaltijd niet lekker kan zijn?) beschouwen.

De twee cd’s, opgenomen onder Philippe Jordan, laten zich best smaken, zeker ook omdat het Orchestre de l’Opéra National de Paris door de maestro goed strak wordt gehouden en hij de meer lyrische passages laat domineren. Brünnhilde (Nina Stemme) mag even afscheid komen nemen en dat vind ik een passend slot.

Over drie vrij nieuwe ‘Ringen’ en een Walküre uit de archieven

Alzira van Verdi: een mislukking of een vergeten meesterwerkje?

Alzira

Verdi zelf vond het een mislukking. Waarom? Het verhaal is niet gekker dan Il Trovatore of La Forza del destino en de muziek beslist niet minder mooi. Toch wordt Alzira nog maar zelden uitgevoerd. Ooit hoopte ik dat deze opname er iets aan zou kunnen veranderen, want niet vaak hoor je een uitvoering op een zo hoog niveau. Helaas. We zijn al bijna 20 jaar verder en … en wanneer zijn we Alzira tegengekomen? Triest.

Terug naar de (ooit Philips) opname. De bas Slobodan Stankovic geeft schitterend gestalte aan Alvaro, de Spaanse gouverneur in Peru. Als Gusmano, zijn zoon en opvolger, horen wij Paulo Gavanelli: een pracht van een bariton en toen (de opname is uit 2001) nog een belofte voor later. Hun duet in de eerste acte, waarin de vader smeekt om genade voor de Inca leider Zamoro, laat hun stemmen samensmelten tot een ontroerende eenheid.

Marina Mescheriakova schitterde al in de eerder dat jaar uitgebrachte Jérusalem, en ook hier stelt zij niet teleur: haar romige sopraan heeft zij volledig onder controle en haar hoogte is voorbeeldig. Haar stem klinkt meisjesachtig en onschuldig, wat haar geschikt maakt voor de meeste Verdi heldinnen.

Ramon Vargas ontpopt zich steeds meer als de tenor van onze tijd. Het is een genoegen om zijn smeuïge stem zo moeiteloos en zuiver door de noten heen te horen glijden.  Zijn Zamoro is temperamentvol en gepassioneerd, en het is volkomen duidelijk: Vargas is een ster. Ook het orkest en de dirigent zijn grandioos.


Verdi
Alzira
Marina Mescheriakova, Ramon Vargas, Paulo Gavanelli, Slobodan Stankovic
L’Orchestre de la Suisse Romande olv Fabio Luisi
Philips 4646282

Is Verdi’s Jérusalem alweer vergeten?

Jerusalem

In de tweede helft van de negentiende eeuw was Parijs één van de belangrijkste operacentra. Hier hadden (o.a.) Gioacchino Rossini en Giacomo Meyerbeer hun grootste triomfen gehad en daar wilde de jonge Verdi ook erbij horen.

Het was voor Parijs dat hij zijn I Lombardi alla prima crociata uit 1843 in Jérusalem ‘veranderde’. Het verhaal: liefde, verraad en wraak tijdens de kruistochten bleef hetzelfde, de karakters echter hebben wat meer dimensies gekregen. Uiteraard kwam er een ballet in (we waren immers in Parijs), wat in een schitterend begin van de derde acte resulteerde.

Echt innoverend is de partituur niet: men hoort er flarden van Rigoletto en Macbeth in, en zelfs het Slavenkoor (hier het Pelgrimskoor) ontbreekt er niet. Maar man, man, man: wat is het allemaal mooi!

De uitvoering is van een buitengewoon hoog niveau. Fabio Luisi zweept het orkest tot ongekende hoogten, het zingt en het zindert dat het een lieve lust is. Kijk: zo ga je met Verdi om. Vind ik, althans.

Marina Menscheriakova heeft een stem uit duizenden, een formidabele techniek en wat een inlevingsvermogen! Luister maar naar haar gebed in de eerste akte, hoe zij haar stem terugneemt…. Ongeëvenaard.

Marcello Giordani is als haar geliefde Gaston aan haar gewaagd, en ook de rest van de zangers doet voor hen niet onder. Heerlijk!


Giuseppe Verdi
Jérusalem
Marina Mescheriakova, Marcello Giordani, Roberto Scandiuzzi, Philippe Rouillon
L’Orchestre de la Suisse Romande olv Fabio Luisi
Philips 4626132 (3cd’s)

Tussen traditie en vooruitgang: I due Foscari uit Napels

I due Foscari

Het kan dus wel: moderne ‘regietheater’ dat noch het verhaal noch de muziek geweld aandoet en de gulden middenweg bewandelt tussen traditie en vooruitgang.

De Zwitserse toneelregisseur Werner Düggelin die Verdi’s I Due Foscari in 2000 voor Teatro di San Carlo in Napels heeft geregisseerd werkte vanuit de muziek. Vandaar dat het hem lukte om duidelijk te maken waar die opera over gaat: de machteloosheid van de machtige, een thema dat bij Verdi vaker voorkomt. Met Raimund Bauer (decor), Jorge Jara (kostuums) en Jürgen Hoffman (belichting) vormde hij een volmaakt team dat je deed vergeten dat het eigenlijk een draak van een opera is.

Niet dat het slecht is, want dat is bij Verdi nooit het geval. Bovendien experimenteerde hij toen al met persoonsgebonden thema’s. Let op de klagelijke klarinetsolo die Jacopo vanaf ‘Qui ti rimani alquanto’ in de eerste akte tot ‘All’infelice veglio’ in het derde bedrijf begeleidt, en al vooruitwijst naar La Traviata

De uitvoering zelf is uitstekend. Nello Santi dirigeert met veel weemoed en elan, Vincenzo La Scola zet een technisch en dramatisch trefzekere Jacopo neer en Leo Nucci overtuigt als zijn vader.

Van de stem van Alexandrina Pendatschanska moet je houden, maar alle noten zijn er en zij is een voortreffelijke actrice die haar publiek weet te boeien.

Giuseppe Verdi
I due Foscari
Leo Nucci, Vincenzo La Scola, Alexandrina Pendatschanska, Danilo Rigosa e.a.
Orkest, koor en ballet van Teatro di San Carlo olv Nello Santi
Regie:
Werner Düggelin
Arthaus Musik
700190

Pijnlijk mooie Tenebrae van Gesualdo door Graindelavoix

Tekst: Neil van der Linden

Gesualdo

De Tenebrae, ‘duisternis’, is een Rooms-Katholiek kerkelijk ritueel voor de laatste dagen van de Lijdensweek: Witte Donderdag, Goede Vrijdag en Stille Zaterdag. Gedurende die drie dagen worden één voor één kaarsen van een kandelaar gedoofd, totdat de kerk aan het eind van de derde nacht in totaal verduisterd is. De teksten voor de drie nachtelijke rituelen omvatten natuurlijk het lijdensverhaal uit de Evangeliën. Verder vonden de kerkvaderen die de teksten samenstelden de Klaagzangen van Jeremia passend, over de vernietiging van Jeruzalem door de Babyloniërs.

Psalm 51, het Miserere, kreeg een prominente plek, een zogeheten Boetepsalm van David, over een wat profaan onderwerp, Koning David’s buitenechtelijke verhouding met Bathseba, echtgenote van één van zijn commandanten, maar de tekst wordt blijkbaar opgevat als een algemeen gebed om vergeving van zonden. En er is een optimistischer gestemde tekst uit de Lofzangen van Zacharia, ‘Benedictus’, over de besnijdenis van Johannes de Doper, vooruitlopend op de geboorte van Christus, in zekere zin dus terug naar AF.

Vele componisten hebben zich ook op deze passages uit de liturgie gestort, waaronder Lassus, Byrd, Palestrina, Couperin en Haydn tot en met Poulenc, Strawinksy en Boulez, waarbij met name de Klaagzangen, als Lamentationes, populair waren. Gesualdo heeft die Klaagzangen niet gebruikt, maar Graindelavoix heeft zettingen in het Gregoriaans toegevoegd.

Gesualdo Christus

Christus in het Hof van Ghetsemaneh, Gerard Honthorst

In het Festival Oude Muziek in Utrecht waar de Tenebrae werden uitgevoerd, moest het wat optimistischer Benedictus, dat de driedubbel-CD-opname besluit, het veld ruimen en werd het Miserere, dat nu aan het eind van CD-1 komt, tot slotstuk gepromoveerd.  Het is het enige stuk waarin Gesualdo het ‘responsoria’ idee intact heeft gelaten, solozang afgewisseld met ensemblezang, en de harmonieën zijn minder grillig, waardoor het een fraai berustende finale werd. En ook al is het Miserere somber gestemd, de boetedoening in de tekst kreeg daarmee een algemenere betekenis.

Gesualdo Honthorst

Zoals bekend schiep de edelman Carlo Gesualdo, prins van Venosa (1566 –1613), een eigen muzikaal universum, waarin hij, zo’n beetje met wat Bach aan het eind van de barok deed, strikt en aartsconservatief vasthield aan de muzikale beginselen van de tijd waarin hij was opgegroeid, de Renaissance, maar tegelijkertijd dat zo radicaal deed, met harmonieën vol dissonanten en steeds grilliger modulaties, dat zijn muziek ook ver vooruitkeek.

Gesualdo was muzikaal overigens van niemands waardering afhankelijk, hij schiep zijn muziek voor eigen gebruik. Dat kon hij zich permitteren. Zijn moeder was een Borromeo, van één van de invloedrijkste families van Italië, en een nicht van de Paus. Zijn eerste echtgenote was een prinses en een volle nicht. En terwijl we van enige mevrouw Monteverdi of mevrouw Palestrina zelden iets horen, zijn het de lotgevallen van die eerste echtgenote die het beeld van Carlo Gesualdo hebben bepaald.

Ik weet niet of Wagner bekend was met Gesualdo. Maar de plot van de opening van de tweede acte van Tristan und Isolde lijkt op het verhaal van de ontdekking van een buitenechtelijke relatie van zijn echtgenote. Op zekere avond deed Gesualdo alsof hij op jacht ging. Hij keerde vroegtijdig terug en trof echtgenote en haar minnaar in bed aan. Beiden reeg hij aan de degen. Het hooggerechtshof concludeerde echter: geen misdaad. Had die conclusie misschien iets te maken met zijn hoge positie? Neef van de Paus?

Hij hertrouwde, in een huwelijk dat ook weinig geluk zou brengen. Dat was met iemand uit de d’Este familie, van de Villa d’Este waaraan Liszt later een stuk zou opdragen in de Années de Pélerinage. Misschien is de plot voor de tweede acte van Tristan, waarin iets vergelijkbaars gebeurt, via Liszt bij Wagner terecht gekomen? Al met al genoeg reden voor latere boete en devotie. En die spreken uit deze muziek, de componist dan bovendien privé in een duistere kapel liet opvoeren.

Gesualdo graindelavoix-1084

Graindelavoix, een vroege voorjaarsdag © Koen Broos

Toen ik Graindelavoix voor het eerst hoorde, op hun CD met de Missa Caput van Ockeghem, kreeg ik visioenen van zingende Vlaamse boeren, met zand aan hun schoenen in een kathedraal. Lange slepende noten, en de boeren maar tegen elkaar opzingen. En ze dachten tijdens het zingen niet alleen aan de Goddelijke devotie, maar ook het bier die klaar zou staan na de mis, en het feest dat plaats zou vinden als op een schilderij van Brueghel.

Vandaar dat de lange slepende noten, die uit volle borst gezongen gezamenlijke crescendos en glijdende uithalen. Let wel, er waren kathedraalscholen, en de regio was welvarend, dus men kon zich riante zangopleidingen permitteren. Maar het is zeker dat men daar geen zangtechnieken onderwees zoals we die kennen sinds de opkomst van het belcanto.

Dat slepen en glijden in de intonaties klinkt als de traditionele zangtechnieken die heden ten dage nog steeds worden toegepast in de Oosters-Orthodoxe kerken, de zang van Corsica en Sardinië, en ook in de Arabische en Turkse muziek. Maar was het niet de kerkvader Sint-Augustinus, zelf Berbers, die de muziek in de Roomse kerk maar saai vond, en elementen van de muziek van thuis in de eredienst introduceerde?

Om te horen hoe dat zou hebben kunnen klinken, hadden Marcel Pérès en zijn ensemble Organum al met zangers uit Mediterrane tradities geëxperimenteerd, in vroege kerkmuziek van Rome tot aan Vlaamse polyfonie van Josquin de Prez. Graindelavoix bouwt hier min of meer op voort, stortte zich naast Vlaamse polyfonie zelfs op Engelse Renaissance, muziek waarvan je dacht dat die voorbehouden was aan Engelse ensembles met strakgetrokken intonaties. En nu is Graindelavoix aangeland bij min of meer het sluitstuk van de Renaissancemuziek, Gesualdo’s Tenebrae.

De passages uit de Klaagzangen van Jeremia worden afwisselend gezongen door de Est Marius Peterson, in de Rooms-Katholieke Gregoriaanse traditie van zijn land, en de Roemeen Adrian Sirbu, doorkneed in de Balkan-Orthodoxe zangstijl. Voor de madrigalen omvat het ensemble daarnaast ook de mannelijke alt Razek-François Bitar, met een Syrisch-Orthodoxe achtergrond, en een Italiaan, een Spanjaard en een Schots/Maltese, verder een Amerikaans/Zweedse, en tenslotte twee Vlamingen, waaronder oprichter en dirigent Björn Schmelzer zelf.

Al die Mediterrane intonaties toegepast op Gesualdo’s chromatiek, dissonanten en toonsoortveranderingen grijpen je bij de maag. Is dit een aanbeveling? Ja……. Pijn kan een gevoel van welbehagen achterlaten. Het is verslavend.

Dit is de eerste complete opname sinds jaren, andere relevante ensembles hebben afzonderlijk delen op CD gezet, zoals de Tallis Scholars, sereen, maar afstandelijk, en het Hilliard Ensemble, intiem en menselijk, maar ook wat monotoon. Bij Graindelavoix wordt het drama, het passieverhaal is drama.


Carlo Gesualdo
Tenebrae
Graindelavoix olv Björn Schmelzer
Glossa GCD P32116 3CDs