opera/operette/oratorium/koorwerken

Zelmira van Rossini: ontroerend mooi, totaal vergeten

Opera Rara Zelmira

Halverwege de opera, als de door iedereen valselijk voor de moord op haar vader beschuldigde Zelmira haar zoon aan Emma toevertrouwt, krijgen beide dames een duet te zingen die in zijn schoonheid alleen maar te vergelijken is met ‘Ovi Songe’ uit ‘Bianca e Fernando’ van Bellini. Begeleid door een harp en een Engelse hoorn, laten ze hun stemmen versmelten in de droevige melodieën, die ze in lange lijnen tot de mooiste borduursels laten spinnen.

Van het libretto moet de opera het niet hebben, maar de muziek is er niet minder mooi om. ‘Zelmira’ was de laatste opera die Rossini voor Napels componeerde en de muzikale taal valt te vergelijken met zijn andere ‘Napolitaanse opera’s’: Otello, bij voorbeeld. Of  Maometto Secondo.

Deze opname werd in 2003 live vastgelegd in Edinburgh. Het publiek was duidelijk overenthousiast, volkomen terecht. Zelmira werd gezongen door Elizabeth Futral, een pracht van een zangeres met schitterende dramatische coloraturen. Af en toe klinkt zij een tikje (te) scherp, maar dat past bij de rol van de gekwelde prinses.

Prachtig mooi is ook de Antenore van Bruce Ford, een solide zanger in het belcanto repertoire. De meeste bravo’s echter gingen naar Manuela Custer (Emma) en Antonino Siragusa (Ilo). Daar had ik graag bij willen zijn!  (ORC27)


Ermione van Rossini in herhaling

Opera rara ermione

Ermione van Rossini verkeerde bijna 150 jaar lang in de vergetelheid. Pas in 1987 werd het werk echt in ere hersteld. Een uitstekende ‘prooi’ voor Opera Rara dus, dat onbekende opera’s op cd vereeuwigt.

Stof tot nadenken: men zegt ‘Rossini’, men denkt ‘lachen’. Terwijl meer dan de helft van zijn opera’s zogenaamde opera seria’s zijn!

Zo ook Ermione. Het werk werd voor het eerst in maart 1819 in Napels uitgevoerd en het is nog steeds niet bekend waarom het al in april dat jaar van het programma verdween.

Zijn (concertante) comeback maakte Ermione bijna 150 jaar later. Maar pas in 1987, na de eerste scenische uitvoering in Pesaro (met in de cast onder andere Montserrat Caballe als Ermione en Marylin Horne als Andromaca) werd het werk voor het eerst op zijn waarde geschat.

De (complete) opname uit Pesaro:

Het op Andromaque van Racine gebaseerde libretto van Andrea Leone Tottola is nogal verwarrend. Het is, althans voor mij, volstrekt onduidelijk wie van wie houdt en wie op wie wraak wil nemen. Maar aan het eind is zowat iedereen dood.

Het dramatische verhaal wordt muzikaal ondersteund door spannende aria’s en wondervolle duetten en nonetten, waar het sextet uit Lucia di Lammermoor peanuts bij is. En toch is het onmiskenbaar Rossini, met adembenemend vocaal trapezewerk en salto’s mortales in noten.

Daarvoor heb je zangers van formaat nodig en dat zijn ze ook. Allemaal. Het valt niet mee om tussen de mannelijke Pirro (Paul Nilon) en de lieflijke Oreste (Colin Lee) te kiezen. Laat staan tussen de dames: Carmen Giannattasio (Ermione) is één en al furie en Patricia Bardon een meelijwekkende tragédienne. (ORC42)


Gounods Roméo et Juliette: Nicolas Joel in Memoriam (6 februari 1953 – 18 juni 2020)

Romeo Vaduva LOnden

Wat is er toch met Leontina Vaduva gebeurd? Deze prachtige Roemeense sopraan begon in de jaren negentig aan een duizelingwekkende carrière, zong in alle grote operahuizen en kreeg een exclusief contract bij EMI, waar ze onder meer La Bohème met Roberto Alagna heeft opgenomen.

Met de spectaculaire opkomst van haar landgenote en collega Angela Gheorghiu, die ook haar plaats naast Alagna innam, is ze letterlijk en figuurlijk langzaamaan van het toneel verdwenen. Wat een zonde!

In 1994 zong Vaduva bij het Royal Opera House in Londen een adembenemende Juliette. Jeugdig, vol joie de vivre, levenslustig en nieuwsgierig. Met volledige overgave stortte ze zich in de liefde, het was menens en voor altijd. Haar Juliette was breekbaar maar vastberaden, en ze zong haar met een intensiteit en perfectie die amper te overtreffen valt.

Het Franse repertoire past Alagna als een handschoen, en Romeo is altijd zijn glansrol geweest.  Hij klinkt jeugdig, helder en op een natuurlijke manier heroïsch, een perfecte match voor de lyriek van Vaduva. Een ontegenzeglijk volmaakt liefdespaar.

Het orkest onder leiding van Charles Mackerras en de werkelijk prachtige enscenering van Nicolas Joel zijn een lust voor oor en oog, en François Le Roux verdient een speciale vermelding als een fenomenale Mercutio. Daar kunt u niet zonder leven! (Opus Arte, OA R3106D)

Dido and Aeneas kent duizenden uitvoeringen en opnamen. Ik kies er drie

Dido and Aeneas

 

Er is geen barokopera die vaker werd vastgelegd dan Dido and Aeneas van Henri Purcell. Er is voor elk wat wils: met moderne instrumenten of met authentieke instrumenten, met meisjesachtige of met grote dramatische sopranen/mezzosopranen als Dido, met tenoren of baritons (en zelfs een enkele keer een countertenor) als Aeneas. Hoe moet je kiezen?

 

 

Dido Flagstadt

 

Zelf heb ik een enorme zwak voor de opname uit 1951 met Kirsten Flagstad, Geraint Jones en Elisabeth Schwarzkopf, gedirigeerd door Wilhelm Fürtwangler (verkrijgbaar bij EMI, Naxos of Nimbus), maar dat was de eerste opname van het werk die ik hoorde.

 

Kirsted Flagstad:

 

 

 

Dido Norman

Zeer dierbaar is me ook de uitvoering met Jessye Norman en Thomas Allen (Philips 4162992) uit 1985.

 

Jessye Norman:


 

 

 

 

Dido Connolly

 

In 2009 is er nog een opname van de opera op de markt verschenen en de eerste vraag die rees was: voegt deze nieuwe iets toe aan al die bestaande? Het antwoord is een volmondig ja.

Ik ga het hier niet over de verschillende versies van de opera zelf hebben, dat staat uitgebreid in het tekstboekje. De definitieve bestaat waarschijnlijk niet, daarvoor is er in de loop der jaren te veel verloren gegaan en te veel aan toegevoegd. Zelfs de juiste premièredatum staat niet echt vast.

Die opname is op speciaal verzoek van Sarah Connolly gemaakt, een begenadigde Engelse mezzo die zo met het karakter (zij zong ook de rol van Dido in Les Troyens van Berlioz) is vergroeid, dat ze zowat haar personificatie is geworden. Haar stem is groot, dramatisch, maar ook puur – een beetje in de lijn van Tatjana Troyanos. Zij zet een zeer getormenteerde Dido neer met wie men medelijden moet hebben.

Gerald Finley zingt Aeneas in de traditie van Thomas Allen: een in de war geraakte, vriendelijke, maar ook zeer verleidelijke macho. Ook de overige rollen (Connolly zelf heeft de cast samengesteld) zijn voortreffelijk. Maar het allermooiste is het orkest (Orchestra of the Age of Enlightenment): licht en transparant, daar kan je niet anders dan verliefd op worden (Chaconne CHAN 0757).

 

 

 

Sarah Connolly live, Concertgebouw, Amsterdam 2018:


Cavalleria Rusticana waar niemand op zat te wachten

Cavalleria Janowski

Laat ik maar met een (retorische) vraag beginnen: hebben we deze opname nodig? Aan ‘Cavalleria’s’ geen gebrek, het is zowat één van de meest opgenomen opera’s allertijden. Dat we hem de laatste tijd minder hoorden ligt aan de tijdgeest, men houdt niet zo van verisme. Maar zelfs de Nationale Opera in Amsterdam die aan het genre een hekel schijnt te hebben heeft de opera samen (met zijn zuster tweeluik, Pagliacci) op het programma gezet.

Die productie (Carsen op zijn slechtst) ben ik gauw vergeten. Wat wel in mijn geheugen was gebleven was de bijdrage van Brian Jagde die als Turiddu een buitengewoon sterke indruk op mij maakte. Hier stelt hij mij teleur. In tegenstelling tot Amsterdam klinkt hij éénkleurig en hij haalt te veel uit. Ik mis de lyriek. De verliefdheid. En het spijtgevoel.

Maar het kan ook aan de dirigent liggen: ik denk niet dat Marek Janowski hier affiniteit mee heeft. Het orkest klinkt ook te netjes, te braafjes, nergens is de zinderende Siciliaanse zon te bespeuren.

Melody Moore is een mooie Santuzza maar waar is haar alles verterende jaloezie en de wanhoop? Elisabetta Fioorillo is een goede Mamma Lucia en Roxana Constantinescu een prima Lola. Helaas kan Lester Lynch mij geen seconde overtuigen dat hij een jaloerse boer is.


PIETRO MASCAGNI
Cavalleria rusticana
Melody Moore, Brian Jagde, Elisabetta Fiorillo, Lester Lynch, Roxana Constantinescu
MDR Radiokoor Leipzig, Dresdner Philharmonie olv Marek Janowski
Pentatone PTC 5186 772

IS VERISMO DOOD? Deel 1: Cavalleria Rusticana

Honeggers Koning David in het Duits: zaten we hier op te wachten?

Honegger David

Het belang van deze uitgave ontgaat mij volledig. Het is inderdaad zo dat Honegger zijn oratorium oorspronkelijk gecomponeerd had voor een klein ensemble van koperblazers, harmonium, percussie en celesta, maar al gauw bewerkte hij het voor een groot orkest. Waarom dan teruggaan naar de schetsen als de volledige uitwerking zo prachtig is?

Nog vreemder is de keuze voor het Duits. De verklaring die gegeven wordt: Le roi David werd al in 1923 in het Duits uitgevoerd. En dus? Zo’n verklaring “koop” ik niet. Bovendien bestaan er al genoeg opnamen in het Duits, dus zo’n rariteit is het niet.

Maar goed: dat alles zou ik met de mantel der liefde kunnen bedekken als de uitvoering briljant was. Maar dat is hij niet. De spreker (mij zeer irriterende Devid Striesow) is nadrukkelijk Duits, wat een ontzettende afbreuk doet aan de zeer Franse muziek.

Ook over de solisten ben ik niet echt te spreken. Verder dan ‘aardig’ kom ik niet. Erger eigenlijk: ik herken het prachtige oratorium amper meer, de hele sfeer is weg! Maar eerlijk is eerlijk: het jonge Junges Ensemble Berlin musiceert zeer gedreven en met veel elan.

Wilt u Le Roi David horen in een uitvoering die het werk alle recht doet, kies dan voor Ernest Ansermet (Decca) met Susanne Danco. Of voor Maurice Abravanel op Vanguard, met Madeleine Milhaud als de spreker en met de engelachtige sopraan Netania Devrath.

Een mooi portret van het Junges Ensemble Berlin:


Arthur Honegger
König David
Devid Striesow, Irm Hermann, Narine Yeghiyan, Rowan Hellier, Jan Remmers
Junges Ensemble Berlin; Chor Prometheus Ensemble Berlin olv Frank Markowitsch
Rondeau Productions  ROP 6088

Zemlinsky versus Zemlinsky

Zemlinsky Malkki

Niet schrikken! Het is geen vreemde uitvoering van – of een variatie op – de vijfde symfonie van Beethoven maar het begin van de uit 1934 stammende Sinfonietta van Zemlinsky, een werk waarin je de componist amper kunt herkennen. Ergens las ik dat hij met dat werk zijn grootste critici wilde bewijzen dat hij het in het symfonische genre niet onderdoet voor de drie grote B’s: Beethoven, Brahms en Bruckner.

Totale onzin natuurlijk want zijn grootste aantrekkingskracht ligt in zijn eigen idioom: de broeierige, nauwelijks te betamen erotische spanning. En laat de Sinfonietta nou juist die wezenlijke elementen te ontberen. Ik heb het werk niet eerder gehoord en ik denk niet dat ik er vaker naar ga luisteren, wat niet aan de uitstekende uitvoering ligt: de Finse dirigente Susanna Mälkki heeft er duidelijk affiniteit mee.

Jammer genoeg is de uitvoering van de Sechs Maeterlinck Gesänge niet van hetzelfde niveau. Het ligt voornamelijk aan Petra Lang. Ik ben nooit een groot fan van haar geweest, maar nu klinkt zij, hoe zal ik het zeggen… alles behalve erotisch? Jammer.

Als een soort ‘toetje’ krijgen we het voorspel en de monoloog uit de derde acte van König Kandaules, een opera die Zemlinsky heeft nooit afgemaakt. De monoloog wordt zeer indrukwekkend gezongen door Siegfried Lorenz en het orkest onder leiding van de in 2014 gestorven Gerd Albrecht klinkt gewoon hemels. De opname dateert uit 1992.


Alexander Zemlinsky
Sinfonietta, op. 23, Six Maeterlinck-Songs Op. 13
Petra Lang (sopraan)
ORF Vienna Radio Symphony Orchestra olv Susanna Mälkki

Der König Kandaules (twee fragmenten)
Siegfried Lorenz (bariton),
ORF Vienna Radio Symphony Orchestra olv Gerd Albrecht
Capriccio C5377

EINE (AUTO)BIOGRAFISCHE TRAGÖDIE: ALEXANDER ZEMLINSKY. Deel 1: de man

EINE (AUTO)BIOGRAFISCHE TRAGÖDIE: ALEXANDER ZEMLINSKY. Deel 2: ‘Du bist mein Eigen’

EINE (AUTO)BIOGRAFISCHE TRAGÖDIE: ALEXANDER ZEMLINSKY. Deel 3: dromen en het geluk dat verborgen dient te worden

EINE (AUTO)BIOGRAFISCHE TRAGÖDIE : ALEXANDER ZEMLINSKY. Deel 4: ‘Warum hast du mir nicht gesagt..’

Ivanhoé van Rossini: een heerlijke pasticcio

Ivanhoe

In 1826 was pasticcio al over zijn hoogtepunt heen. Deze operavorm, zeer geliefd in de achttiende eeuw was eigenlijk niet meer dan een samenraapsel van verschillende aria’s, duetten en ensembles uit diverse opera’s; niet noodzakelijk beperkt tot één componist

Gioacchino Rossini behoorde tot de grote liefhebbers – en gebruikers – van dit genre. Niet zelden hergebruikte hij dezelfde (orkestrale)stukken en soms zelfs de complete aria’s in zijn ‘gewone’ opera’s. Deze bekwaamheid kwam hem goed van pas toen hij, eenmaal succesvol in Parijs in tijdnood kwam. Geholpen door Pacini, zijn Parijse uitgever ‘componeerde’ hij Ivanhoé een opera die samengesteld werd uit fragmenten uit zijn verschillende werken, waaronder Semiramide en La Cenerentola.

Het libretto was losjes gebaseerd op een in die tijd zeer succesvolle roman van Walter Scott. Dat het verhaal mager en in feite niet na te vertellen is, is eigenlijk onbelangrijk want de muziek doet wonderen. Het is ook een bijzonder aanstekelijk samenraapsel geworden, vol schitterende aria’s en duetten. De première op 15 september 1826 was zeer succesvol en het Parijse publiek stroomde toe.

Na jaren van in totale vergetelheid te zijn geraakt, werd Ivanhoe gepresenteerd tijdens het festival in Martina Franca, in juli 2001. Dat de uitvoering niet helemaal optimaal was doet er eigenlijk niet toe en ik ben Dynamic zeer erkentelijk voor de opname die ze er live van hebben gemaakt.


Gioacchino Rossini
Ivanhoé
Simon Edwards, Inga Balabanova, Soon-Won Kang, Filippo Morace
Orchestra Internazionale d’Italia olv Paolo Arrivabeni
Dynamic CDS 397/1-2

Ginevra di Scozia oftewel Ariodante van Giovanni Simone (Johann Simon) Mayr

https://basiaconfuoco.com/wp-content/uploads/2018/07/opera-rara-mayr-ginevra.jpg?w=620

Wij kunnen het ons niet meer voorstellen maar Giovanni Mayr behoorde ooit tot de meest succesvolle operacomponisten. Zijn Ginevra di Scozia ging in 1801 in Teatro Nuovo in Triest in première waar ze dertig jaar repertoire heeft gehouden, zelfs nadat Mayrs’ roem door de ‘nieuwkomers’ Rossini en Donizetti werd overschaduwd. Exact tweehonderd jaar later keerde Ginevra met veel succes terug naar Triest, alwaar zij live werd opgenomen.

Als basis voor het libretto diende een episode uit Orlando Furioso van Ariosto: Ariodante en Ginevra houden van elkaar en de jaloerse gemenerik Polinesso doet alles om ze uit elkaar te drijven. Drie cd’s lang zijn wij getuige van alle verwikkelingen, gelukkig loopt het allemaal goed af.

De bezetting is bijzonder sterk. Allereerst is er de titelrol van Elizabeth Vidal: een schitterende coloratuursopraan die met gemak en soepelheid al haar vereiste hoge E’s (en dat zijn er wat!) haalt en daarbij nog tot tranen toe weet te ontroeren. Luister maar naar ‘Di mia morte’ ( een driedelige aria begeleid door cello obligato) aan het eind van de eerste acte.

Met haar warme en beweeglijke alt zet Daniela Barcellona een ontroerende Ariodante neer en Antonino Siragusa trekt alle registers open in zijn rol van de schurk Polinesso. (ORC23)


Carlo di Borgogna van Pacini: een ‘belcanto opname van het millennium’?

Carlo di Borgogna

Vierenzeventig opera’s heeft hij geschreven, maar voor een doorsnee operaliefhebber is hij niet meer dan een naam. Een enkele verzamelaar van Leyla Gencer kende zijn Sappho, een doorgewinterde belcanto bewonderaar heeft Margherita, Regina d’Inghilterra op zijn plank staan. Maar van Carlo di Borgogna heeft bijna niemand gehoord.

Geen wonder. De première in 1835 was een fiasco en de opera werd nooit meer uitgevoerd. Sterker: ook de partituur werd niet eerder uitgegeven. Is het terecht? Laat ik maar eerlijk zijn: een hoogvlieger is het niet.

De opbouw is heel traditioneel: cavattina, cabaletta, stretta en van enige psychologische ontwikkeling van de personages is absoluut geen sprake. Wat dat betreft blijft Paccini ver achter bij zijn tijdgenoten Donizetti en – voornamelijk – Bellini.

Maar de muziek is machtig mooi en er valt wanzinnig veel te genieten. Het is tenslotte niet voor niets dat Pacini ‘Il maestro di cabaletta’ werd genoemd!

Jennifer Larmore en Elizabeth Futral zingen het duet ‘Qual d’un angelo nel core, espulsa schernita’:

De uitvoering is van een onvoorstelbaar hoog niveau. Alle zangers, met Bruce Ford, Jennifer Larmore en Elizabeth Futral voorop beschikken over een formidabele techniek en een ongekende souplesse en David Parry dirigeert met verve en overgave.

Toen de opname in 2001 op de markt werd gebracht werd er in de connaisseurkringen gesproken over een ‘belcanto opname van het millennium’ en daar zat iets in (ORC21)