On 20 April 2001 Giuseppe Sinopoli died of a heart attack while conducting Aida in Berlin. He had just started the third act when he lost consciousness…… Sinopoli was 54 years old.
ATTILA
There are those performances where everything is just in perfect harmony and you get the feeling that it could not be any better. People keep talking about them and they become legends.
Verdi’s Attila was such a performance, at the Vienna State Opera on 21 December 1980. It was Giuseppe Sinopoli’s debut in the house, his name was still virtually unknown, but the initial reluctance of the audience turned into frenzied enthusiasm from the very first bars. Verdi’s score – not the strongest – has never been heard before with such warmth, fervour and tenderness.
Nicolai Ghiaurov was a great Attila. With his sonorous bass, he gave the character not only the allure of a general but also the gentleness of a loving man.
In her role as Odabella, Mara Zampieri proved that she is not only a fantastic singer with a radiant height and a dramatic attack, but also a great actress.
The stretta ‘E gettata la mia sorte’ in the second act requires the baritone to sing the high b flat. Piero Cappuccilli hit it with ease and suppleness, and then was forced to encore by the frenzied audience, something one seldom experiences in opera. A rare occurrence.
TANNHÄUSER
I have never been a ‘Wagnerian’. I could never muster the patience to sit through hours of his operas. I found them bombastic. Pathetic. And even though I had to admit that there were some beautiful melodies, I felt that I really needed a pair of scissors and radically shorten them
That this feeling has totally changed, I owe to Domingo. In my collector’s mania (I had to have everything he had done), I bought the recently released Tannhäuser (DG 4276252) in 1989. And then it happened: I became addicted.
At first, it was mainly Domingo who was to ‘blame’, whose deeply human interpretation of the title role gave me the goose bumps. His words: “Wie sagst du, Wofram? Bist du denn nicht mein Feind?” (sung with emphasis on ‘mein’ and ‘Feind’ and with a childish question mark at the end of the phrase) caused me to burst into tears.
Later, I learned to appreciate the music for itself and to this day, Tannhäuser is not only a very beloved Wagner opera, but also one of my absolute favourites.
I still consider this recording, conducted very sensually by Giueseppe Sinopoli, to be one of the best ever. Also because all the roles (Cheryl Studer as Elisabeth and Agnes Baltsa as Venus, such wealth!) are excellently cast. At the time, in the eighties and early nineties, this was not necessarily a given.
DER FLIEGENDE HOLLÄNDER
This CD recording from 1998 (DG 4377782) is particularly dear to me. First of all because of Cheryl Studer, at the time probably the most beautiful Senta one could imagine. Her wonderfully lyrical soprano with its easy and sensual height seemed made for the role.
The Holländer is sung here by Bernd Weikl. Not really the youngest anymore and you can really tell, but still very suitable for the role. Peter Seiffert is a splendid Steuerman, and in the role of Erik we hear none other than Plácido Domingo, a luxury!
But best of all is the orchestra: under the truly inspired leadership of Giuseppe Sinopoli, the Orchester der Deutsche Oper Berlin performs in a really magnificent way.
SALOME
I realise that many of you will not agree with me, but for me Cheryl Studer is the very best Salome of the last fifty years. At least on CD, because she has never sung the complete role on stage (DG 4318102). Like few others, she knows how to portray the complex character of Salome’s psyche. Just listen to her question ‘Von wer spricht er?’ after which she realises that the prophet is talking about her mother and then she sings in a surprised, childishly naive way: ‘Er spricht von meiner Mutter’. Masterly.
Bryn Terfel is a very virile young Jochanaan (it was, I think, the first time he sang the role), but most beautiful of all is Giuseppe Sinopoli’s very sensual, wide- sounding conducting.
In 2010, The Opera in Bonn started a Schreker revival. Kudos! In 2010, Irrelohe was put on the stage there and recorded live by MDG (9371687-6).
The story most resembles a real horror movie. The lords of the Irrelohe castle are cursed. On their wedding day, they go mad and rape a virgin, a curse they pass on to their first-born son. Only a fire and its flames can lift the curse. And those flames do come, at the end, when the beautiful Eva (Ingeborg Greiner) prefers Count Heinrich (irresistible Roman Sadnik) to the bastard Peter (Mark Morouse). You get the idea: Peter is the first-born son of the rapist; Heinrich (who is his half-brother) was born 30 days later. All’s well that ends well, but first we shudder, shiver and enjoy…….
Roman Sadnik in scenes from Irrelohe:
Of the opera there already existed a recording on Sony, recorded live in Vienna in 1989. The Wiener Symphoniker was conducted by Peter Gülke and maybe it is his fault that it does not sound very exciting. The singers (including Luana de Vol and Monte Pederson) are certainly not to blame, although they are nothing to write home about.
Worth knowing: Schreker wrote the libretto in a very short time (it took him only a few days) in 1919. The work takes its name from a railway station called Irrenlohe which Schreker passed by on a trip to Nuremberg in March 1919.
Leo Smit, Henriette Bosmans, Rosie Wertheim, Marjo Tal, Dik Kattenburg, Pál Hermann, Paul Seelig en Theo Smit Sibinga zijn componisten en uitvoerenden uit Nederland en Nederlands Indië die aan bod kwamen tijdens de opening gisteren 14 april van de wonderschone aangrijpende tentoonstelling ‘Verboden muziek’ in de kelderverdieping van het Amsterdamse Stadsarchief.
De tentoonstelling staat verspreid over de kluizen van het gebouw van de voormalige Nederlandsche Handel-Maatschappij, een gebouw de jaren twintig van de vorige eeuw, toen de meeste van deze musici nog jong waren en een prachtige toekomst voor zich leken te hebben.
De onvolprezen mede-initiator van de Leo Smit Stichting, fluitist Eleonore Pameijer, speelde bij de opening een fluitsonate van Smit, uit februari 1943. Zij memoreerde dat werk dateert van twee maanden voordat Smit in Sobibor werd vermoord, op 30 april 1943.
Eleonore Pameijer en Frans van Ruth spelen de fluitsonate van Leo Smit:
De Leo Smit Stichting, die deze tentoonstelling heeft opgezet, documenteert ook componisten die werkzaam waren in de Indonesische koloniën. Eleonore Pameijer speelde een stuk van Theo Smit Sibinga (1899-1958), die op Java werd geboren en een Japans concentratiekamp overleefde. Hij was een leidende muziekpersoonlijkheid in de kolonie, maar verhuisde meteen na de Tweede Wereldoorlog naar Nederland. Eleonore Pameijer wees op de Javaanse invloeden die in het stuk zijn te horen. Een zoon van Smit Sibinga was aanwezig bij de opening.
Schrijver Jan Brokken gaf een inleiding waarin hij uitdrukte wat een schande hij het vindt dat zoveel van deze muziek en zoveel van deze componisten tot op de dag van vandaag verborgen zijn gebleven of worden genegeerd. Eerder liet hij in de concertlezingen muziek van Henriëtte Bosmans, Rosy Wertheim, Pál Hermann, Dick Kattenburg en Leo Smit horen.
Jan Brokken schreef ook het voorwoord bij het door Eleonore Pameijer en Carine Alders samengestelde standaardwerk ‘Vervolgde componisten in Nederland’ uit 2015.
Hij begon met een lofprijzing aan het adres van de Leo Smit Stichting, zonder wie de onder het Nazi-regime verboden en deels vermoorde componisten misschien nog steeds geheel vergeten zouden zijn. Hij memoreerde dat Smit één van de grootste componisten van zijn tijd was en nog groter zou zijn geworden, roemde ook het vernieuwende oeuvre van Kattenburg, die dankzij het werk van de stichting inmiddels al weer enigszins bekend zijn.
De tentoonstelling bevat ook een sectie gewijd aan drie vrouwen: Henriette Bosmans, Rosie Wertheim en Marjo Tal. Brokken beschouwde deze aparte afdeling voor vrouwelijke componisten wel als een overgangssituatie. Ooit zal het niet meer uitmaken, hoopt hij; de cellosonate van Bosmans is immers één van de beste twintigste-eeuwse werken voor cello.
Sonate voor cello en piano van Henriette Bosmans:
Marjo Tal zingt haar chanson A Paris:
Jan Brokken ging ook uitgebreid in op Pál Hermann, van Hongaarse komaf, die zich achtereenvolgens in Berlijn, Brussel en Frankrijk vestigde, geregeld in Nederland optrad, onder meer ook samen met Geza Frid. Hij trouwde met Ada Weevers, een Nederlandse, vandaar de band met Nederland, en hij had ook Nederlands leren spreken. Na tijdens een zwempartij door een zeestroming meegesleept te zijn overleed Ada op 25 jarige leeftijd aan een longinfectie.
Vanaf 1937 vestigde hij zich definitief in Frankrijk, waar hij in 1938 een concert voor de Franse radio gaf met werk van Pijper, Andriessen, Van Lier, Julius Hijman en Max Vredenburg, Joodse componisten die na de oorlog zijn vergeten, en Badings, de NSB-sympathisant.
Paul Hermann – Grand Duo for Violin and Cello:
Hermann dook onder maar werd tijdens een razzia in Toulouse toch opgepakt en vermoedelijk op transport gesteld naar een werkkamp in Litouwen, waarna niets meer over hem bekend is. Zijn dochter Corrie was aanwezig bij de opening van de tentoonstelling.
Met veel empathie sprak Jan Brokken ook over de in Duitsland geboren Paul Seelig (1876- 13 juni 1945). Paul Seeligs vader vestigde zich in Bandoeng, waar hij een succesvolle muziekwinkel zou opzetten. Paul Seelig zou de zaak overnemen maar studeerde ook cello in Leipzig. Terug in Indonesië verdiepte hij zich ook in Javaanse muziek en begon hij met het vastleggen van gamelanthema’s in westers notenschrift.
Paul Seelig: Wireng:
Na het overlijden van zijn vader zette Paul de muziekhandel voort en maakte die tot een pleisterplaats voor internationaal bekende musici op tournee in de archipel. Hij schreef een pianoconcert voor de moeder van Hella Haasse, een in Nederlandse Indië gevierde concertpianiste.
Hij kwam in contact met de Russisch-Litouws-Joods-Amerikaanse klaviervirtuoos en componist Leopold Godowsky toen deze in de jaren twintig Java bezocht. De kennismaking via Seelig met authentieke Javaanse muziek inspireerde Godowsky tot één van zijn bekendste stukken, de Java Suite. Deze geschiedenis kom ook allemaal voor in Brokkens boek De Tuinen van Buitenzorg.
Leopold Godowsky speelt ‘The Gardens of Buitenzorg’ uit de Java Suite. Opname is gemaakt rond 1935.
Seelig kwam terecht in een Japans interneringskamp. Hij overleefde het maar was na de bevrijding zodanig zodanig verzwakt dat hij een paar weken later toch overleed, op 12 juni 1945. Veel van zijn manuscripten waaronder de uitgebreide Indische muziekgeschiedenis uniek foto- en documentatiemateriaal en composities gingen verloren, en ook de orkestpartijen van dat pianoconcert voor de Hella Haasses moeder.
De tentoonstelling is prachtig verzorgd. Unieke foto’s, partituren en documentatie, onder meer ook filmmateriaal, met een in warme kleuren uitgevoerde grafische vormgeving, wat allemaal geweldig tot uiting komen in het in art-deco kleuren uitgevoerde interieur van de zogeheten ‘kofferkluizen’ van het gebouw.
De tentoonstelling is opgebouwd volgens vier thema’s: vluchtelingen, met documentatie over Géza Frid, Pál Hermann, Zoltán Székely, Hans Krieg, Hans Lachman en James Simon, beroemde vrouwen met Henriëtte Bosmans, Marjo Tal en Rosy Wertheim, Indonesië, over Paul Seelig, Theo Smit Sibinga en Max Vredenburg en Jazz, Blues & Foxtrot over Dick Kattenburg en Leo Smit.
Ik zou niet alleen vinden zoals Jan Brokken dat het thema over vrouwen eigenlijk betrekkelijk is, maar dat de ook de categorie waarbij Kattenburg en Smit ook relatief is. Maar een andere indeling zou dan misschien geen recht doen aan het feit dat beiden de jazz serieus namen, en dat jazz de Nazi’s ook een gruwel was.
Extra indringend is dat je de tentoonstelling bereikt via een zaal vol draperieën met tientallen foto’s en familiegeschiedenis van Joodse inwoners van Amsterdam, waarbij je bij negen van de tien leest dat ze in een Nazi-kamp of op onbekende bestemming zijn opgekomen, en bij niet meer dan één op de tien dat ze de oorlog hebben overleefd.
Van Boesmans zag ik in 1999 de opera Reigen in de productie van de Reisopera. De opera is gebaseerd op een werk van Arthur Schnitzler uit 1897 dat echter pas in 1920 in première ging. Het is een controversieel toneelstuk met provocerende seksuele thema’s. Schnitzler onderzoekt daarin de seksuele moraal en klasse-ideologie van zijn tijd door opeenvolgende ontmoetingen tussen personages.
De handeling is gesitueerd in het Wenen uit de jaren 1890. De dramatische structuur wordt bepaald door tien in elkaar hakende scènes tussen liefdesparen. Elk personage treedt op in twee opeenvolgende scènes waarbij de hoer uit de eerste scène terugkeert in de laatste.
Luc Bondy werkte het toneelstuk om tot een libretto voor de gelijknamige opera van die in 1993 In de Brusselse de Munt in première ging. Het stuk biedt biedt een onthutsend beeld van de jacht op seksueel vertier en de kater die erop volgt. De kille, koude lust en de jacht naar lege seks worden genadeloos ontleed
In de productie van de Reisopera speelde de handelin zich af op een draaiplateau met schetsmatig aangeduide locaties: een lantaarnpaal voor een straat- en een parkscène tussen een hoer en een soldaat, en tussen die soldaat en een kamermeisje; daarna draait er een deur voor als scheiding tussen broeierige gedachten van dat kamermeisje en de jonge heer des huizes.
De graaf, een goed getypeerde voordracht van bariton Roger Smeets, ontmoet als laatste figuur in de estafette de hoer (Janny Zomer) uit het begin. Daartussenin kwamen we onder meer Ellen van Haaren tegen als de zangeres, Annelies Lamm als het kamermeisje en Kor Jan Dusseljee als de soldaat.
Ellen van Haaren, de ‘zangeres’ in de productie van de Nederlandse Reisopera:
Ellen van haaren als Amelia in Un Ballio in maschera
Ik was me aan het voorbereiden op een repetitie, toen Louwrens Langevoort op me af kwam met een boek/piano uittreksel van de nieuwe moderne opera Reigen van Philippe Boesmans, die ze bij de Reisopera wilden gaan uitvoeren. ” Hier ga daar maar eens naar kijken, dit is een partij voor jou. ! “
Ik was er de volgende dagen mee bezig en ik dacht dat dit niets voor mij was. En hoe vereerd ook, ik gaf het weer terug. Ik dacht echt dat het niets voor mij was! Er is wat tijd voorbij gegaan, ik was bezig in de repetitieweek van Die Lustige Witwe en daar was Louwrens weer, met het boek! ” Luister”, zei hij, “ik kan niemand vinden, die het beter zou kunnen doen deze partij! Jij kunt het, het is geknipt voor jou”. En ik dacht dit kan en mag ik niet weigeren. . Het was kort dag, ik denk vijf tot zes weken voor de première. Oké, zei ik, ik doe het, maar met wie mag ik het instuderen ? “Met Aldert Vermeulen. En de componist Boesmans komt ook om te kijken, hij wilt bij de repetities aanwezig zijn”.
OMG ..het was zó eng.!!! De volgende dag begon het leren, leren, stampen, stampen, doorzingen.. En waar ik zo bang voor was, het niet kunnen voldoen aan de verwachtingen van iedereen schrompelde beetje voor beetje weg. Het ging meer en meer bij me horen, het werd een stukje van mezelf en maestro Patrick Davin kwam er al gauw bij. En dat klikte ook heel goed!
En opeens was daar Philippe Boesmans, het genie.!! De schepper van deze bijzondere opera. Zo rustig en bescheiden en vriendelijk, en bemoedigend. Door hem wist en voelde ik…ik kan dit. Hij gaf me het vertrouwen! En vanaf die dag was het alsof de zon doorbrak. Het avontuur dat ik was aangegaan werd heel fijn leuk en fantastisch.!! Veel gelachen ook bij de repetities om dingetjes die Andrea ( xxxx de regisseur BJ) en ik hadden bedacht… zó blij en tevreden was hij. Die lieve bescheiden man met z’n fijnzinnige humor.!!
Ellen van Haaren met Janny Zomer in Reigen door de Nederlandse Reisopera
En nu is deze fijne man en fantastische componist er niet meer. Heel, heel veel dank voor de prachtige, bijzondere, mooie pakkende muziek! En dank voor de heerlijke en fantastische herinneringen aan Reigen!! R.I.P.
JULIE
Lisa Mostin, Kristin in Julie in de productie van Opéra National de Lorraine:
Dean Murphy, Irene Roberts et Lisa Mostin, le trio de chanteurs qui interprète « Julie », sous la direction d’Emilio Pomarico, dans la mise en scène de Silvia Costa. Photo ER /Cédric JACQUOT
“Ik ontmoette hem voor de eerste keer in de wandelgangen van de opera van Nancy na de Orkesterhauptprobe (Orchestra stage rehearsal). Hij herkende me die dag niet als één van de zangers zonder mijn maquillage omdat die zo anders en luguber was.
Hij liet ons tijdens het productieproces helemaal doen. Nooit kwam hij zeggen hoe hij een bepaalde lijn wenste. Dat zei hij ook altijd in interviews dat eens de opera geschreven is, hij het stuk wil loslaten en accepteert hoe de wereld ermee zal omgaan. Dat zei hij niet alleen dat deed hij ook, vanuit een prachtig gevoel van acceptatie en loslaten maar ik denk persoonlijk ook omdat hij graag verrast wilde worden. Net alsof je je kind de wereld instuurt en dan mag aanschouwen wanneer die terugkomt van zijn/haar omzwervingen wat die zoon of dochter allemaal op dat pad van groeiende zelfstandigheid heeft geleerd.
Na de generale repetitie kwam hij op het podium en realiseerde hij zich dus voor de eerste keer dat ik Kristin zong en een Belgische zangeres was. Hij begon eerst in het Frans en toen hij hoorde dat ik een Vlaams accent had, schakelde hij gelijk een echte Brusselaar direct om naar het Nederlands. Het was typisch dat twee Belgen zich op die manier in Frankrijk ontmoet hebben. Hij zei dat hij niet wist dat er een Antwerpse coloratuursopraan rondliep die Kristin zong en zei dat hij graag nog een stuk voor me wilde schrijven. Ik zou zo graag gezongen hebben wat hij nog gecomponeerd zou hebben maar dat zal helaas niet meer voor deze wereld zijn.
Al de rest laat zich niet in woorden uitdrukken, hij had iets wat alle groten hadden. Een energie die je raakt en een onvoorwaardelijke liefde die van hem uitstraalde, ik denk dat dat me nog het meeste is bijgebleven. Een enorm aimabele person.”
Ontmoeting tussen Philippe Boesmans en Silvia Costa, die de productieverzorgde:
Philippe Boesmans is op zondag 10 april 2022 overleden. Zijn opera’s worden regelmatig uitgevoerd en zowel Julie als Reigen behoren tot een standaard repertoire in operahuizen overal ter wereld.
Scène uit Reigen uitgevoerd door operastudio Nederland (Daphne Ramakers & Pascal Pittie)
Hieronder Julie uit de Fondanzione teatro Comunale e Auditorium Bolzano in de regie van Manfred Schweigkofler:
Mario Castelnuovo–Tedesco (Florence, 3 april 1895 – Beverly Hills, 16 maart 1968) werd geboren in de Joodse familie van Sefardische afkomst (Joden die in 1492 werden verdreven uit Spanje). Hij was buitengewoon creatief, op zijn naam staat van alles: pianowerken, concerten, opera’s…. Zijn composities werden gespeeld door de grootsten: Walter Gieseking, Gregor Piatigorsky, Jascha Heifetz, Casella.
Heifetz spelt het tweede vioolconcert van Mario Castelnuovo-Tedesco: ‘I Propheti’. Opname uit 1954:
Tegenwoordig kennen we hem voornamelijk van zijn gitaarwerken, bijna honderd in totaal, veelal geschreven voor Andres Segovia.
Segovia speelt het Gitaarconcert No.1 in D majeur, Op. 99; live opname uit 1939:
Het was begin jaren dertig van de vorige eeuw dat de componist zijn ‘Joodse roots’ is gaan ontdekken, iets wat versterkt werd door het opkomend fascisme en de rassenwetten. Zijn muziek werd niet meer uitgevoerd. Geholpen door Arturo Toscanini heeft Castelnuovo-Tedesco, samen met zijn gezin vlak voor het uitbreken van de tweede wereldoorlog Italië weten te verlaten
Zoals de meeste Joodse componisten die Europa ontvluchtten belandde ook Castelnuovo-Tedesco in Hollywood. Waar hij dankzij Jascha Heifetz door Metro-Goldwyn-Mayer werd aangesteld als componist van filmmuziek.
Op speciale verzoek van Rita Hayworth componeerde hij muziek voor de film The Loves of Carmen met Hayworth en Glenn Ford. Hieronder de dansscène uit de film:
In die tijd componeerde Castelnuovo-Tedesco ook nieuwe opera’s en vocale werken geïnspireerd door Amerikaanse poëzie, Joodse liturgie en de Bijbel: Amerika bood hem mogelijkheden om zijn Italiaanse muzikale erfenis en zijn Joodse spiritualiteit te verdiepen en te ontwikkelen. Hij droomde ervan zijn Sacred Service “once in the synagogues of Florence” te horen. De première vond plaats in 1950, in de New Yorkse Park Avenue Synagogue.
Uit 1956 dateert de opera Il mercante di Venezia naar Shakespeare’s The Merchant of Venice (Castelnuovo-Tedesco was een grote Shakespeare liefhebber) werd in 1961 uitgevoerd tijdens Maggio Musicale in Florence. Franco Capuana dirigeerde en de hoofdrollen werden gezongen Renato Capecchi (Shylock) en Rosanna Carteri (Portia). De voorstelling werd opgedragen aan Arturo Toscanini
In 1966 componeerde hij The Divan of Moses Ibn Ezra. Het is een setting van negentien gedichten van Rabbi Moses ben Jacob Jacob ibn Ezra, ook bekend als Ha-Sallaḥ (‘schrijver van boetvaardige gebeden’).
Een illustratie van Ibn Ezra (midden) die gebruik maakt van een astrolabium
Ibn Ezra werd geboren in Granada rond 1055 – 1060, en overleed na 1138 en hij wordt beschouwd als één van de grootste dichters van Spanje. Die ook nog eens een enorme invloed op de Arabische literatuur heeft gehad. Castelnuovo-Tedesco componeerde de ‘divans’ (gedichten) op de moderne Engelse vertaling
Roberta Alexander zingt The Divan of Moses Ibn Ezra
Channa Malkin en Izhar Elias in ‘Fate has blocked the way’:
Zijn celloconcerto schreef de componist voor Gregor Piatigorsky, de première vond plaats in 1935, Arturo Toscanini dirigeerde het New York Philharmonic. En dat was het dan. Sindsdien werd het concerto totaal vergeten, tachtig jaar lang. Totdat Raphael Wallfisch zich daarover ontfermde
Raphael Wallfisch speelt het Allegro Moderato uit het celloconcert van Castelnuovo-Tedesco
Na de Tweede Wereldoorlog werd Castelnuovo-Tedesco, net als meerdere Joodse componisten die noodgedwongen moesten vluchten en hun heil haddenn gezocht in Hollywood beschuldigd van conservatisme en sentimentaliteit. Dat hij in veel van zijn werken geïnspireerd werd door De Spaanse folklore werd hem evenmin niet in dank afgenomen.
Castelnuovo-Tedesco:
“Ik heb in mijn leven veel melodieën voor zangstem geschreven en er 150 van uitgegeven (in mijn la bleef veel liggen) op teksten in alle talen die ik ken: Italiaans, Frans, Engels, Duits, Spaans en Latijn. Mijn ambitie en sterker nog, mijn diepe drijfveer is altijd geweest om mijn muziek te verenigen met poëtische teksten die mijn belangstelling en gevoel prikkelden, om de lyriek ervan tot uitdrukking te brengen”.
In 2019 werd zijn biografie verfilmd in de film Maestro. Hieronder de trailer:
“Die Zeit, die ist ein sonderbar Ding […] sie ist um uns herum, sie ist auch in uns drinnen. (Hugo van Hoffmanstal)
Ja, de tijd is echt iets bijzonders, het gaat voorbij of je het wilt of niet en je je erbij neerleggen is een kunst op zich. Maar soms komt de tijd terug, vaak te laat en meestal als een droom. Of als een herinnering..
Denk aan Erich Wolfgang Korngold, een wonderkind die op zijn twintigste al wereldberoemd en gevestigd als componist was. In 1934 vertrok hij naar Hollywood om muziek te componeren voor A Midsummer Night’s Dream. De film werd het een groot succes en de directie van Warner Bros. bood Korngold een fantastisch contract aan. Wie dacht er toen aan dat het zijn leven zou redden?
Gezin Korngold
Begin 1938 kreeg hij een telegram of hij binnen tien dagen in Hollywood terug kon zijn. Korngold beschouwde het als een omen: met het laatste schip verliet hij op 29 januari dat jaar zijn geliefde Wenen. En Europa.
(Original Caption) Erich Wolfgang Korngold, his son and his wife, pictured as they arrived in New York City, aboard the S.S. Normandie.
Hij had het goed in Amerika en was er zeer succesvol, maar hij voelde zich er niet thuis. Zijn hart en ziel waren in Wenen achtergebleven. In 1949 reisde hij terug naar de stad van zijn dromen, maar niemand kende hem er meer. Vergeten. In iets meer dan tien jaar tijd werd hij een nobody. Gedesillusioneerd keerde hij naar Hollywood terug, waar hij zeven jaar later letterlijk aan een gebroken hart overleed.
Tot en met de jaren tachtig van de vorige eeuw verwoordde hij van een gevierd componist van ettelijke opera’s, liederen, concerto’s, symfonieën, kwartetten, kwintetten en wat niet meer tot een verguisde ‘filmcomponist’ van kitschmuziek.
De tijd… En opeens kwam men erachter – of herinnerde men het zich weer – wat een geweldige componist hij toch was. Korngold werd herontdekt. Zijn vioolconcert behoort tegenwoordig tot de meest gespeelde (en opgenomen) vioolconcerten en zijn opera’s staan in alle operahuizen ter wereld op de rol. Terecht, maar voor hem te laat.
De tijd… Neem alleen maar zijn strijkkwartetten. Zijn tweede strijkkwartet componeerde Korngold in 1933, toen er zogenaamd nog niets aan de hand was, al hoorde je al (niet eens in de verte) onweren en donderen en er waren al tekenen aan de wand.
Zijn derde strijkkwartet schreef Korngold twaalf jaar later. Er is niet alleen veel tijd verlopen tussen het tweede en derde strijkkwartet maar er is ook het een en ander gebeurd. Nou ja, het een en ander…… Fascisme, antisemitisme, Kristallnacht, Anschluss, pogroms, tweede wereldoorlog en de Shoah.
De tijd…. Het tweede strijkkwartet bezit nog de schwung in de oude Weense traditie. Een beetje een ‘Mozart-kugel’, of een ‘Sachertarte’. Heerlijk en onweerstaanbaar. Wat een verschil met het derde! Korngold componeerde het in 1945 en je voelt nostalgie en verbittering. En berusting.
het Alma Quartet
Dat het Alma Quartet grote affiniteit heeft met de ‘Entartete componisten’ dat weten we al lang. Hun opname van de kwartetten van Schulhoff is gewoon de beste wat ik ooit heb gehoord.
En nu dus Korngold. Net zoals ik verwachtte: fascinerend, adembenemend en tot je hart en ziel sprekend. Virtuoos, perfect en emotioneel. Fenomenaal, aldus. Zo hoor ik mijn Korngold het lief
Maar er is meer aan de hand. De tijd… De Alma’s hebben de strijkkwartetten ‘direct-to-disc’ opgenomen. Live en zonder edits. Geen montage: rechtstreeks op de plaat (cd)
In de aankondiging: “Omdat in deze oude opnametechniek geen digitaal spoor zit tussen de microfoon en de plaat, kan er niet gemonteerd worden. Wat je krijgt is studiokwaliteit, maar de sensatie van een live-uitvoering. Om dat gevoel kracht bij te zetten, besloot het kwartet twee stukken van Erich Wolfgang Korngold in te spelen in concertkleding “
Live optreden bij NPO Radio 4 ‘Podium’ in november 2021
Het eerste kwartet hebben we nog te goed: kan niet wachten!
Erich Wolfgang Korngold Strijkkwartet nr. 2 in Es, op. 26 – nr. 3 in D, op. 34 Alma Quartet: Marc Daniël van Biemen, Benjamin Peled, Jeroen Woudstra, Clément Peigné Challenge Classics CC72869
I cannot imagine opera life without Nelly Miricioiu. With her spicy soprano, her very characteristic timbre and her perfectly controlled vibrato, from the 1980s she belonged to the dying class of real divas, like Callas, Scotto or Olivero.
Nelly Miricioiu and John Bröcheler in the last scene of Thaïs (live recording from The Concertgebouw in Amsterdam, 1985)
My earliest opera memories bring me back to Thais by Massenet. With Nelly Miricioiu. After that, I have admired her for 25 years in the Great Hall of the Concertgebouw, during the unforgettable Saturday Matinees, where she sang 17 different roles. By Rossini, Bellini, Donizetti and Verdi. But also by Puccini, Zandonai and Mascagni.
I have also admired her on the stage in Brussels as Anna Bolena and in Antwerp as Magda (La Rondine) and Anna (Le Villi).
But between her and the DNO, things did not really work out. Luisa Miller, with Neil Shicoff at her side, succumbed to a stupid direction and with Norma she fell ill and suffered from vocal problems. A great pity, because Miricioiu is not only a very gifted singer, but also a phenomenal actress.
Below: Nelly Miricioiu as Anna Bolena in Amsterdam 1989:
In March 2016, Miricioiu was in Amsterdam for a few days to give masterclasses to young, promising singers. I was allowed to attend one of her lessons and watched breathlessly as she tried to prepare the young South Korean Jihae Shin for the bel canto profession.
Miricioiu is a very physically present teacher. She sings a lot herself and lets her student feel how the muscles react to certain sounds. How to produce those sounds better, make them more impressive or just more true. She puts her hand on Shin’s belly and shakes her head: no, that’s not how it works.
“Just feel,” she says and puts Shin’s hand on her own belly. The whole face is also involved in the lesson: from the temples, eyes and cheekbones to the chin. The lips must be pulled further apart, the mouth must be wider, much wider! Does she hear now what a difference it makes?
Jihae Shin is a good and complient student, she remembers everything well and obediently imitates what she is told.
“Brava”, the teacher cries, “but that coloratura (they are rehearsing ‘Caro nome’ from Rigoletto), it has to be different! You shouldn’t accentuate that “haha haha haha”, that’s what Reinild (the pianist Reinild Mees, who not only accompanies but also physically takes part in all the lessons) is doing. That has to come from the piano, but you have to glide over it smoothly, you have to show off your technique. And don’t forget your smile, your lips, your lips…”.
She demonstrates and everything falls back into place. Just like a little later with ‘Ah! non credea mirarti’ from La Sonnambula. The pupil does a fantastic job, but it is only when the teacher is talking that emotion strikes hard.
How do you find it, teaching? And: isn’t it terribly tiring?
“I love it. Not every good singer is a good teacher, but I think I am doing well. It is a fact that many of my pupils go really far and I am proud of that.
“You cannot compare a master class with real teaching, of course, but even then you hope that you can convey something essential. Something that sticks. And, above all, helps. I often attend master classes given by my colleagues, that way I also learn something myself. I am still eager to learn.”
Look: it’s not just about the voice. Or the talent, hard work and/or charisma. It’s about the whole picture. Good looks are a bonus of course, but for me you have to convince me with your voice and not with your looks. On the other hand… Yesterday I saw Il Matrimonio Secreto by Cimarosa, with really fantastic young singers who also looked their roles. An ideal situation.
There are few really good teachers and singers have sadly become disposable. The only thing that matters is the competition, but there is also a lot of fear. Because if you don’t want to do something or don’t do it as expressely wished for, there are dozens if not hundreds of others who are already lining up to take your place. I’ve experienced auditions where the singer was told: you’re really great, but there are many more who are just as great as you are, next!”
How do you feel about the many competitions out there?
“I think they are very important. Without a doubt. You really can’t do without them. If you want to profile yourself as a young singer, if you want to show yourself, you have to. And sometimes you hop from one competition to another in the hope of winning and being discovered.
What doesn’t help is that many of the competitions can’t decide who they are actually meant for. Do they want to be a career stepping stone for young and starting singers or do they want to provide the already establishedsingers with a bit more fame and better roles?
This is where the IVC stands out in a very positive sense. You get all the attention you need and it is ensured that you come away ‘richer’, even if you don’t win anything. You get masterclasses and good advice. And the atmosphere is very friendly, convivial.”
What do you think of super-realistic scenes on stage, increasingly common these days? Scenes with violence and explicit sex? “There is nothing against realistic images, but does it have to be there in every detail? Shocking for the sake of shocking, showing everything because it can be seen on TV? I know rape exists, but do I have to see it happen on stage?”
“Vulgarity on the stage, I have never understood it. And there is no need for it. I remember the production of La Fiamma by Respighi with the fantastic Romanian tenor and my very dear colleague Gabriel Sadé. The director wanted to portray the night of love as realistically as possible: naked, in other words. That didn’t feel right; that way I would never be able to concentrate on the role and certainly not on the singing. I didn’t want that. It was then decided to give us a sort of ‘second skin’. It looked very realistic, but for me I had something on, I wasn’t naked.”
Below is the third act from La Fiamma, it begins with the love duet:
Let’s talk about verismo. A movement that is so terribly neglected these days. There are also few singers who can sing in the verismo style. Why would that be? Is it not performed a lot because there are no singers for it? Or are there no verist singers because it is not being performed?
“Both, of course. Verismo is considered not ‘intellectual’ enough, it is looked down upon nowadays. We live in a time that is poor in real emotions, real feelings: love, empathy, faith. Showing emotions is considered old-fashioned, you can’t use that when you work conceptually. There are no nuances any more, we have discarded them.
But there are also few singers who can sing it, that is true. During training, too much emphasis is placed on technical perfection and too little on individuality.
Fashion and hype also play a not inconsiderable role. In the past, you couldn’t sing a Rossini opera properly; nowadays, there are plenty of Rossini and bel canto specialists.
Sometimes it seems as if there are only two possibilities: old music and early bel canto and Wagner. Somewhere along the way, we have lost not only verismo but also Verdi. It is easier to sing Tristan than Macbeth. That is food for thought. But – and this should not be underestimated – the choice also lies with conductors and their priorities. The orchestras are large and with a Wagner piece, the conductor can ‘score’ more easily. “
I have a verist nature, it’s in me, my body is screaming for emotions. Of all my roles I love Iris the most, I think. She is, together with Silvana in La Fiamma and Francesca da Rimini, one of my favourite roles”.
Speaking of emotions, below Miricioiu sings ‘Io son l’umile ancella’ from Adriana Lecouvreur by Cilea:
I owe everything I have achieved to Jan Zekveld, Mauricio Fernandez (the former boss and casting director of Zaterdag/Matinee) and Patrick Schmid (co-founder and director of Opera Rara). They understood my character and discovered what I could do, everything that was possible. They both saw my potential and made me the way I am. They were my godfathers.”
In seizoen 2022-2023 brengt De Nationale Opera 15 producties, waaronder vier wereldpremières. Maar laten we ons overzicht beginnen met het bestaande en beproefde repertoire.
Twee producties stonden al eerder op het programma maar moesten vanwege Covid worden geschrapt. Het betreft de herneming van Carsens productie van Carmen, waarmee het nieuwe seizoen wordt geopend, en Philipp Stölzls Rusalka, een nieuwe productie die onderdeel is van het Holland Festival. Het KCO staat onder leiding van Joana Mallwitz. Op zondag 25 juni 2023 zal het operaseizoen hiermee worden afgesloten. In de titelrollen J’Nai Bridges als Carmen en Johanni van Oostrum als Rusalka.
Trailer van Carmen uit de oorspronkelijke productie uit 2009
Na Carmen volgt een nieuwe productie van Humperdincks minder bekende opera Königskinder in een enscenering van Christof Loy. Dit werk was in 1912 al eens te zien in de Stadsschouwburg, een productie van de Wagnervereeniging en het Residentie Orkest onder leiding van Henri Viotta. Nu speelt het NedPho onder leiding van Marc Albrecht, terug op zijn oude stek in het repertoire dat hem past als een handschoen. De immer populaire Doris Soffel zal te zien zijn als De Heks. Wie er alvast eens kennis van wil nemen kan de opname uit Zürich met Jonas Kaufmann bekijken.
Na zijn Tosca in het huidige seizoen keert Barrie Kosky terug met een nieuwe productie van Turandot, naar het zich laat aanzien de tweede aflevering in een Puccini cyclus. Chef dirigent Lorenzo Viotti heeft de muzikale leiding. Desgevraagd gaf hij aan dat er een ‘surprise ending’ zal worden gespeeld, dus niet Alfano of Berio.
Viotti’s tweede grote bijdrage is zijn dirigaat van Der Rosenkavalier, een herneming van Philipp Glogers productie uit 2015. Daarmee staat dit werk voor de vijfde keer op het programma sinds Het Muziektheater werd geopend. Dat is rijkelijk veel, ook binnen Strauss’ oeuvre is er een grote keuze aan titels die DNO nog niet hebben bereikt of tenminste minder prominent op het programma hebben gestaan. Viotti benadrukt dat hij eerst het NedPho goed moet leren kennen voor hij zich aan ‘avonturen’ kan wagen maar deze keuze heeft toch wel veel weg van ‘op safe’ spelen. Ariadne auf Naxos is in 1989 voor het laatst bij DNO te zien geweest, Die Liebe der Danae nog nooit, om van Strauss’ minder bekende werken nog te zwijgen.
Trailer uit 2015:
Viotti deelt de muzikale leiding van de pastiche Operetta Land met Aldert Vermeulen. Het is een nieuwe productie van Steef de Jong in samenwerking met de Wiener Volksoper. Samen met Turandot is dit de ‘holiday production’ aan het einde van het jaar.
Calixto Bieito keert in januari 2023 na zijn geslaagde productie van Die erste Menschen terug met Giulio Cesare, een coproductie met Liceu. Emmanuelle Haïm dirigeert. Afstemming met de Reisopera blijft kennelijk van ondergeschikt belang. Na een tournee met dit werk langs de Nederlandse theaters in februari 2022 had een andere titel voor DNO wellicht toch meer voor de hand gelegen, zo kort nadien.
De Tudor trilogie die in het lopende seizoen wordt aangevangen met Anna Bolena krijgt zijn logische vervolg met een nieuwe productie van Maria Stuarda. Jetske Mijnssen is verantwoordelijk voor de regie, Enrique Mazzola staat voor het Nederlands Kamerorkest.
Alexander Raskatov
Voor 3 maart 2023 staat de wereldpremière gepland van Damiano Michielettos’ productie van Animal Farm, een compositie van Alexander Raskatov, vrij naar George Orwell. Het Nederlands Kamerorkest staat onder leiding van Bassem Akiki.
Daarmee zijn we door de lange termijn planning heen. Om beter in te kunnen spelen op onverwachte ontwikkelingen, geen overbodige luxe, staat ook nog een aantal producties op het programma waartoe pas kort geleden is besloten. Het betreft de familie opera’s The girl, the hunter and the wolf,Het lijflied en Be Opera XL. Verder de Europese première van Blue, een nieuw werk van Jeanine Tesori en Tazedwell Thompson. Opvallend is een geënsceneerde uitvoering van Verdi’s Requiem in februari, een oorspronkelijke productie uit Zürich.
Het Opera Forward Festival heeft in 2023 als centrale thema’s ‘Vrijheid en Bevrijding’. Behalve het eerder genoemde Animal Farm dat in deze context geen commentaar behoeft is er de wereldpremière van Ändere die Welt van Leonard Evers en Mart van Berckel. Hierin wordt onderzocht wat men met een revolutie verwacht te winnen en wat er gebeurt als de rook is opgetrokken. Begeleiding door Barbara Hannigans Ludwig Orchestra. Aan bevrijding op een meer persoonlijk niveau is de voorstelling Perle Noir: meditations for Joséphine gewijd. Peter Sellars regisseert en Julia Bullock zingt songs uit het repertoire van Joséphine Baker, een artiest die zonder enige schroom of angst de dubbele moraal van de toenmalige maatschappij trotseerde.
Even terug naar het bestaande en beproefde repertoire. Dit is tamelijk omvangrijk en biedt aanmerkelijk meer keuzemogelijkheden om tot een verrassend seizoen te komen dan hetgeen nu wordt gepresenteerd. Turandot en Maria Stuarda vormen de logische voortzetting van aangevangen cycli. Carmen en Rusalka zijn overgenomen uit eerdere seizoenen. Maar dat laat nog drie plekken over waarvan slechts eentje op bijzondere wijze is ingevuld: Königskinder. De keuze voor Giulio Cesare maar vooral de herneming van Der Rosenkavalier heeft toch iets van een gemiste kans.
Natuurlijk speelt elk operahuis voorlopig even op safe, na de vele onverwachte problemen en gedwongen cancellations van de laatste twee jaar. Ook dit programma is ongetwijfeld tot stand gekomen met vele mitsen en maren in het achterhoofd. Maar voor het navolgende seizoen zal er hopelijk weer wat meer risico genomen kunnen worden. Wellicht wordt ook Mephistofele dan ingehaald en verder kijk ik nog steeds uit naar Oorlog en Vrede, een actueel thema.
Daar staat tegenover dat DNO werkelijk alles uit de kast lijkt te trekken waar het de eigentijdse programmering betreft. Alles overwegend dus toch een evenwichtig seizoen.
Königskinder: Daniel Behle (Der Königssohn), Olga Kulchinska (Die Gänsemagd), Josef Wagner (Der Spielmann), Doris Soffel (Die Hexe), Sam Carl (Der Holzhacker), Michael Pflum (Der Besenbinder)
Turandot: Tamara Wilson (Turandot), Najmiddin Mavlyanov (Calaf), Kristina Mkhitaryan (liù), Germán Olvera (Ping), Ya-Chung Huang (Pang), Lucas van Lierop (Pong)
Verdi Requiem: Frederica Lombardi/Guanqun Yu (sopraan), Yulia Matochkina/Agnieszka Rehlis (mezzo), Freddie de Tommaso (tenor), Alexander Vinogradov (bas)
Der Rosenkavalier: Maria Bengtsson (Die Marschallin), Christoph Fischesser (Ochs), Angela Brower (Octavian), Martin Gantner (Faninal), Iris van Wijnen (Marianne Leitmetzerin), NN (Sophie)
Rusalka: Pavel Cernoch (De Prins), Annette Dasch (De Vreemde Prinses), Johanni van Oostrum (Rusalka), Maxim Kuzmin-Karavaev (De Watergeest), Karin Strobos (Koksmaat)
De benaming ‘tweede operatheater van het land is natuurlijk vergezocht, maar er zit zeker iets in. Het ligt niet alleen aan het aanbod – er zijn veel meer bioscopen in Nederland die de operavoorstellingen uit de Met rechtstreeks uitzenden. Het is de entourage en de sfeer die maken dat je je inderdaad in een echt operahuis van allure waant.
Ik twijfel er niet aan dat u allemaal weet wie Abraham Tuschinski (Brzeziny, Polen, 14 mei 1886 – Auschwitz, 17 september 1942) was. De, door hem opgerichte en naar hem genoemde bioscoop is één van de mooiste bioscopen ter wereld. Zo niet de mooiste.
Het geheel in Art Deco (maar de Amsterdamse School en de Jugendstil doen er ook aan mee) gebouwde bioscoop is een lust voor het oog en ik ken mensen die er alleen gaan om zich in de schoonheid te kunnen laven.
I
In oktober 2009 is Tuschinski met de opera uitzendingen begonnen en ze doen het geheel in stijl. Er wordt een rode loper uitgerold, je kaartjes worden door twee in een rode livrei gestoken mannen gecontroleerd en de champagne staat klaar.
Ze hebben ook hun eigen ‘Uitzending gemist’. Op zondagochtenden kan je terecht bij Encore, waar je de door jou gemiste opera alsnog kan zien. Of terugzien, wat ook vaak gebeurt.
Tijdens de uitzending van Francesca da Rimini zaterdag 16 maart 2013 heb ik met enkele betrokkenen gesproken
Leon Spee, service manager van Tuschinski: “Nee, ik ben geen ‘opera-avondenspecialist’, ik doe meer dan opera alleen. Of ik ooit een opera heb gezien? Nou… nee… eigenlijk nooit. Tijdens de uitzendingen ben ik aan het werk, ik moet er echt voor zorgen dat alles soepel en goed verloopt en dat iedereen tevreden is. Maar ik hoop wel dat het er ooit van komt.
De opera-avonden lopen waanzinnig goed. Zodra de ticketverkoop van start gaat, staan er al om vijf, zes uur ’s ochtends rijen voor de bioscoop. Gewapend met matrassen, stoelen, koffiekannen wachten ze de opening van de kassa’s geduldig af.
Het aantal operabezoekers per avond is enorm. Normaal hebben we ongeveer 770 toeschouwers in de grote zaal. Vanavond verwachten wij tussen de 400 en 450 gasten. De aankleding vinden we heel erg belangrijk, vandaar ook dat we er veel aandacht aan besteden. Iedereen wordt verwelkomd met een glas prosecco en in de pauzes serveren we wijn en frisdranken.
De Encore wordt nog beter bezocht dan de rechtstreekse uitzendingen. Het is natuurlijk veel goedkoper, maar je krijgt niet de allure, wat er toch een beetje bij hoort, denk ik.
Of we ook voorstellingen uit andere operahuizen gaan uitzenden? Daar is best veel vraag naar, dus we zijn in onderhandeling, maar het antwoord moet ik u nog schuldig blijven. In ieder geval nog niet het volgende seizoen.”
Bo van der Meulen, een operakenner en producent, verzorgt al jaren de inleidingen: “Een inleiding op het toneel duurt een klein half uurtje en ik probeer het zo toegankelijk mogelijk te doen. Ik bereid mij best lang voor. In de meeste gevallen ken ik de opera’s goed, dus naar de gewone achtergronden hoef ik geen onderzoek te doen. Ik probeer in rare archieven te duiken om met verrassende weetjes te komen.
De eerste jaren vertelde ik ook nog de hele inhoud van de opera, maar ik beperk me nu meestal tot de ontstaansgeschiedenis en de achtergronden. Meestal vermeld ik ook wel Nederlandse zangers die rollen in de betreffende opera’s gezongen hebben en welke cd- of dvd-opnames aan te bevelen zijn. Ik probeer ook altijd wat anekdotes en oude artikelen of recensies op te sporen.
Soms bekijk ik de opera’s eerder al in New York, zeker als het om een nieuw werk gaat, zoals The Enchanted Island. Verder plaats ik informatie op de Facebook-pagina van Opera Tuschinski en is mijn rol ook een beetje die van gastheer namens Tuschinski geworden. Dus ik sta na afloop ook iedereen een goede avond te wensen.”
Facebook:
Opera Tuschinski is inmiddels ook op Facebook een begrip geworden.
De oprichtsters zijn Lieneke Effern en Monique ten Boske. De groep telt momenteel 85 leden.Je mag je zelf aanmelden, maar één van de beheerders moet wel goedkeuring verlenen. Dit is met het oog op spammers.
Lieneke Effern: “Eerlijk gezegd weet ik niet precies hoe lang de FB pagina Tuschinski bestaat, een jaar of twee, denk ik. De oprichting heeft veel te maken met de unieke locatie waar wij de opera´s zien. Het idee van de pagina komt van Monique en ik probeer de info te verzorgen
Het leek ons leuk om mensen via de pagina met elkaar in contact te brengen, maar vooral om informatie te delen over de uitvoeringen. Mensen kunnen er ook kaartjes proberen te verkopen of ruilen.”
Monique ten Boske: “Ik ga graag naar de opera, live bij voorkeur, maar de uitzendingen in Tuschinski zijn wel het op één na de beste, het is een bijna live ervaring! Geweldige zangers en dito uitvoeringen, interviews en natuurlijk de close ups. En dat in een zaal met een super sfeer en gezellige mensen.
Als ik op vakantie ben, ga ik daar ook naar de uitzending, wetende dat mijn moeder in Groningen en mijn operavrienden in Amsterdam op dat moment naar dezelfde voorstelling zitten te kijken. Het komt regelmatig voor dat we om één uur s’ nachts nog even bellen, want het gevoel bij een bioscoopuitzending is soms net zo heftig als die bij een live-opera.”
Francesca da Rimini
Die zaterdag werd één van mijn geliefde opera’s, Francesca da Rimini van Zandonai uitgezonden. Het einde van de eerste akte is een lange, uitgesponnen liefdesduet zonder woorden. Op het moment dat de cello’s aanzetten weet je al dat het niet goed komt. En het komt niet goed.
In de prachtige enscenering van Piero Faggioni ontvouwde zich een renaissance drama van jewelste. De uitvoering was zonder meer uitstekend, maar deed mij de legendarische productie met Renata Scotto en Plácido Domingo niet vergeten.
Het platenlabel Motown begon in 1959 in Detroit toen een tante van Berry Gordy haar neef een bedrag van 800 dollar leende. Berry’s toekomstige platenlabel zou songs voortbrengen die een belangrijk deel van de muziek van de jaren zestig en de eerste helft van de jaren zeventig zou definiëren.
Mooi dat zijn tante zoveel vertrouwen had in hem, want talent voor marketing had Gordy als kind al getoond toen hij op het idee kwam kranten bedoeld voor een zwarte lezersgroep in witte wijken te gaan verkopen; hij zou een pionier worden in het aantrekkelijk maken van zwarte cultuur voor een wit publiek. Wel was hij al eens failliet gegaan met een eigen jazzplaten-winkeltje toen hij weigerde de veel commerciëlere blues-muziek te verkopen, waarop hij een tijd noodgedwongen lopende band-werk deed bij de Detroitse Ford-autofabrieken.
Naar eigen zeggen kreeg hij daar het idee voor een lopende band-manier voor het produceren van muziek. En zijn eerste schreden in de muziekindustrie als componist, producent en zanger waren meteen succesvol. De volgende stap was het beginnen van een eigen label. Dat label doopte hij Motown, genoemd naar Detroit, want de naam staat voor Motor Town. En misschien wel meer dan bij welk andere label ooit het geval is geweest is Motown-muziek als zodanig nog steeds een begrip.
Al snel hield hij op met zelf zingen en produceren en legde zich toe op het aantrekken van talent. Eén van zijn leidende principes zou worden dat een song in de eerste tien maten moest pakken, eigenlijk in de eerste tien seconden, zo wordt in de documentaire gezegd. Waarschijnlijk is daardoor dat je veel Motown songs meteen zelfs al aan een openingsakkoord of een enkele drumklap herkent.
Marvin Gaye
Neem Marvin Gaye’s I heard it through the grapevine, gecomponeerd en geproduceerd door Norman Whitfield heeft zo’n drumklap als opening die je meteen herkent, een dreun op een tom-tom drum die klinkt als een dichtslaande deur, of misschien is het wel het geluid van een dichtslaande deur (het nummer gaat trouwens over een geliefde die is verlaten).
Marvin Gaye I heard it through the grapevine; de opname is de originele maar de video die eroverheen is geplakt is van een latere datum, in 1968 had Gaye nog geen baard:
De vocale track van de song; de foto’s bij deze clip geven beter weer hoe hij er in 1968 uit zag:
Luister ook naar de openingen van de serie zomerhits van 1966 van de Supremes zoals You keep me hanging on met de gitaar die het SOS morse-signaal imiteert en de fluitjes van de Four Tops’ I’ll be there,je herkent de nummers al in de eerste maat. Elk van deze nummers, geschreven en geproduceerd door het legendarische trio Lamont Dozier en de broers Brian en Eddie Holland, is herkenbaar, en terwijl ze tegelijkertije onmiskenbaar Motown zijn, herken je elk nummer ook afzonderlijk.
Dat lopende band-principe betekende wel dat de uitvoerenden, producenten en componisten zich naar Gordy’s stramien moesten schikken. Waarin de artiesten zelf niet veel controle over hun werk hadden. Dat ging op gegeven moment wrikken toen sommige Motown-sterren, waarvan sommigen piepjong bij het label waren begonnen, ouder en zelfbewuster werden. Artiesten als Stevie Wonder en Marvin Gaye eisten eind jaren zestig de volledige zeggenschap over hun eigen productie op. Sowieso was het de jaren van de jongerenrevoluties, en de geest daarvan waarde ook in Detroit rond, ook in de muziek.
Voor Gordy zat er niets anders op dan controle uit handen te geven. Ook al zal Gordy dat met waarschijnlijk met lede ogen hebben aangezien, ook deze cultuuromslag heeft Motown geen windeieren gelegd. Wonder en Gaye zouden met albums als Talking Book en Songs in the Key of Life (Wonder) en What’s Going On (Gaye) succesvoller zijn dan ooit. Ze worden bovendien nog altijd tot de grootste uit de geschiedenis van de popmuziek gerekend.
Stevie Wonder met Superstition van Talking Book live in Sesam Street
Rick Beato: what makes Superstition great?
Hoe Marvin Gaye eigenlijk zijn carrier riskeerde met het album What’s Going On
Kennedy Center Education met Questlove, audioanalyse van de song What’s Going On
Dat hij ook niet meer de meester-manager van voorheen was moge blijken uit het feit dat hij zelf eerst het meeste heil zag in de solocarrière van Diana Ross, de voormalige solo-zangeres van de Supremes, Diana Ross. Ze kreeg wel een aantal hits, maar haar artistieke loopbaan was niet consistent. Wat jammer was dat Gordy dacht haar acceptabeler te maken bij een wit publiek door haar jazz en Broadway-standards te laten zingen. Hij had dat al eerder gedaan, toen ze nog bij de Supremes zong, iets dat ze ook toen al zelf eigenlijk niet graag deed.
Prachtig maar ook tragisch is een scene in de film waarin zij tijdens een concert met de Supremes, tegenover Gordy eerst weigert een bepaalde musical-standard te zingen. Ze zegt hem zelfs dat hij vergeleken bij zijn zanger-sterren eigenlijk een nobody is. Gordy vertelt dat hij dacht dat dit voor hem het moment zou worden met zijn muzikale carrière te stoppen. Maar dan hoort hij vanuit de kleedkamer dat Ross het nummer toch zingt, en kon hij zijn geluk niet op, naar eigen zeggen. Had Ross maar voet bij stuk gehouden, denk je als kijker.
Rond die tijd had Gordy ook de Jackson 5 geëngageerd en ook die werden een geldmachine, maar het was nou juist Michael Jackson die hem ontglipte en vervolgens bij Epic/Sony een paar van de bestverkopende en artistiek succesvolste LPs ooit zou opnemen, Thriller voorop (al vond ik het daaraan voorafgaande Off the Wall nog beter).
Holland-Dozier-Holand
Ook Holland-Dozier-Holland waren bij Motown vertrokken, om geschillen over wat zij aan al hun hits hadden verdiend. Hoewel ze in de film heel amicaal terugkijken op de tijden van weleer, is er ook iets van bitterheid in hun commentaar te horen. Deze componisten hadden in hun hoogtijdagen meer Amerikaanse top-10 hits hadden dan de Beatles, de Rolling Stones en Elton John bij elkaar ooit hadden. Ze begonnen een eigen label, maar na één heel grote hit, Freeda Payne’s Band of Gold, ebde het succes snel weg. Nou ja, Holland Dozier Holland waren eigenlijk vooral single-hit schrijvers en producers geweest, en e tijd van de single was deels voorbij.
En er was nog een reden waarom de jaren zestig Motown-stijl niet meer bij de tijd was: de typische Motown sound met zijn hoge schelle tonen geproduceerd op snaredrum, rinkelende gitaar, scheurende saxofoons en hoog volume zang was (hoewel altijd mooi opgenomen zoals in het digitale tijdperk zou blijken, met onder meer de geniale studio-basgitaar- van James Jamerson, die geregeld te zien is in de film), maakte de muziek ideaal voor middengolf-radio’s en goedkope pickups om boven zenderruis en vervorming uit te komen.
James Jamerson
De opkomst van de FM-radio en de stereo-installatie bij mensen thuis, ook zo rond 1970, veranderden het muziekleven voorgoed.
Norman Whitfield
De Motown producer van de oude garde die dit alles wél haarfijn voelde was Norman Whitfield, die in de jaren zestig al vele hits had geschreven. Naast Marvin Gayes’ I heard it through the Grapevine, dat ook een hit werd door Gladys Knight and the Pips had hij magistrale hits van de Tempations op zijn naam staan, zoals Aint too Proud to Beg en I wish it would Rain. Als hij alleen maar die songs had gecomponeerd en geproduceerd zou hij geschiedenis ingaan als genie.
Maar de jaren zeventig braken aan, de tijd dat de funk hoogtij vierde, en Whitfield zag dat als een uitdaging. Ook met de Temptations had Gordy een crossover-carriere geambieerd, bijvoorbeeld door ze samen met The Supremes Burt Bacharach enzovoort te laten zingen. Maar gelukkig wist Whitfield ze net op tijd aan Gordy’s greep te ontrukken, en weer was er binnen Motown maar buiten de directe greep van Gordy om een succesvolle post-1970 artistiek tweede leven geboren, met een rauw seventies-resistent funky geluid dat overigens tot in de puntjes was geproduceerd.
Ook had Gordy er aanvankelijk moeite mee dat het nieuwe repertoire van de Temptations en andere muziek die Whitfield produceerde zoals Edwin Starrs anti-oorlogssong War het witte en brede publiek dat hij had weten aan te trekken weer zou afschrikken, aangezien titels als Cloud Nine, Ball of Confusion en Papa was a Rolling Stone doordesemd leken van referenties aan sociale misstanden en drugsmisbruik (en misschien ook aan recreatief gebruik). Maar een nieuw zelfbewust jong zwart en wit publiek pakte de draad op. De titels pasten helemaal bij de post-hippie tijd, en werden een doorslaand succes. De messcherpe close-harmony, ontleend aan de jaren vijftig doo-wop stijl én aan de gospelmuziek, was gebleven, maar er zaten nu wel grommende funkbassen en synthesisers onder.
The Temptations in Papa was a Rolling Stone
Maar ook Whitfield hield het bij Motown op gegeven moment voor gezien en ging elders bijvoorbeeld Rose Royce produceren, met grensverleggende songs als Car Wash en Love don’t live here anymore.
Naast archiefopnamen van optredens, interviews en studiosessies bestaat de documentaire uit tweegesprekken tussen Berry Gordy en Smokey Robinson en interviews met overige nog levende medewerkers.
Een hoogtepunt is een fragment waarin via notendiagrammen stap voor stap wordt uitgelegd hoe Marvin Gaye laag over laag, in multitrack, alle vocale en instrumentale partijen van het nummer Inner City Blues van zijn album What’s Going On opneemt.
Ook prachtig is filmmateriaal van de opnamesessies voor My Girl de Temptations, gecomponeerd door Smokey Robinson; we zien bijvoorbeeld hoe de strijkers van het Detroit Symphony Orchestra de orkestpartijen inspelen. En we zien ook opnamesessies voor Marvin Gayes’ I heard it through the grapevine ook weer deels met klassieke strijkers en ook hoornisten.
En ja, er valt ook wel wat af te dingen op Gordy’s werkwijze, maar hij bracht die talenten wel telkens bij elkaar!
The Temptations in My Girl, geschreven door Smokey Robinson
Ook Aretha Franklin komt aan het woord met een lofprijzing aan het adres van Motown. Wel vind ik het jammer dat de in de documentaire geen aandacht wordt besteed aan de andere grootheden in de soul, zoals onder meer inderdaad Aretha Franklin, de hele Stax en Atlantic/Memphis-school en Curtis Mayfield. In een biografie over Beethoven doe je ook niet alsof Haydn en Mozart niet hebben bestaan.
Analyses van het Motown geluid: Can We Recreate The Motown Sound?
Andere documentaire over de betekenis van Motown, met onder meer Lamont Dozier en Randy Jackson van de Jackson Five: