Auteur: Basia Jawoski

muziek journalist

Bejubelde Tsaar Saltan hernomen door de Munt

Tekst: Peter Franken

IThe Tsar’s departure and farewell, by the Russian artist Ivan Bilibin (1905), corresponds to the Introduction to Act 1, and the first movement of Rimsky-Korsakov’s suite from the opera (1903)

In 2019 ging Tsaar Saltan in De Munt in een productie van Dmitri Tcherniakov. Zijn lezing van deze opera van Rimsky Korsakov was een groot succes en werd deze maand hernomen met grotendeels dezelfde cast.

Russische opera’s hebben al gauw de neiging mij wat te irriteren door de veelheid aan repeterende declamatorische zang waarvan wordt beweerd dat het variaties zijn op volksliedjes. Dat mag zo zijn, ik hoor liever wat vloeiender zanglijnen en op dit punt komt de partituur van Tsaar Saltan geheel tegemoet aan mijn wensen. Maar wat mij vooral weet te winnen voor dit werk, dat ik zondag 17 december voor het eerst hoorde, is de rol van het orkest.

In de begeleiding houdt de componist het wat in toom maar in de vele orkestrale passages is het alom goud dat er blinkt. Vooral de bijdragen van de strijkers zijn stuk voor stuk hoogstandjes al wordt ook een groot beroep gedaan op de technische kwaliteiten van de blazers en dan met name de fluiten. De ‘vlucht van de hommel’ is natuurlijk het bekendste voorbeeld maar de partituur biedt de luisteraar nog tal van andere passages om in verrukking te raken. Het orkest van de Munt onder leiding van Timur Zangiev deed het werk van Rimsky Korsakov, de Russische geweldenaar op het gebied van orkestratie, alle eer aan.

Tsaar Saltan is een sprookje waarin verschillende standaardsituaties zijn versmolten tot een nieuw geheel. Het begint met Assepoester en later maken we kennis met een koene held (‘Siegfried’) die zijn macht ontleent aan de hulp van een betoverde zwaan die zich later manifesteert als een ideale echtgenote waar elke held van droomt.

Er tussendoor fietst een verhaal over twee steden. Het rijk van Tsaar Saltan heeft als hoofdstad Tmoetarakan wat in het Nederlands de connotatie ‘rotgat’ heeft. Niet erg vleiend voor een metropool. De held Gvidon sticht een nieuwe stad die als een droombeeld verschijnt aan zeelieden die er over komen opscheppen aan Saltans hof. Binnen de kortste keren wil iedereen naar dat fantastische oord met al zijn wonderen waaronder een eekhoorn die goud spuwt. In de finale vindt een algehele verzoening plaats maar het feitelijke einde is onbestemd.

Gvidon is de zoon van de Tsaar die met zijn moeder als baby in een ton is gestopt en in zee gegooid. Ze spoelen aan op een eiland waar hij opgroeit. Als hij een zwaan redt komt die betoverde vrouw in beeld, je kan het als geoefend sprookjeslezer wel uittekenen allemaal.

Tcherniakov heeft gekozen voor een opzet waarin het sprookje wordt bedacht en verteld door Gvidon. Hij leeft feitelijk in een fantasiewereld en daarin is alles mogelijk, ook een huwelijk met die voormalige zwaan. Therniakov is echter een stap verder gegaan door van Gvidon een zwaar autistische jongeman te maken die alleen met zijn moeder kan communiceren. Ze komen bij aanvang samen het toneel op en moeder vertelt het publiek hoe moeilijk het is om als alleenstaande vrouw te leven met een autistisch kind dat zijn vader nooit heeft gekend.

Zodra het verhaal zijn aanvang neemt zien we die twee, eenvoudig en zelfs een beetje sjofel gekleed, tussen de sprookjespersonages in de meest uitzinnige kostuums, als stripfiguren.

Tenor Bogdan Volkov weet zijn partij vocaal zeer goed te vertolken maar is tevens erg overtuigend als autist, met kenmerkende gebaren, manier van spreken en lopen en op het oog ongecoördineerde lichaamsbuigingen. Wat mij betreft had de regie hem wel iets minder clichématig autistisch mogen neerzetten. Het is per slot van rekening een breed spectrum en het personage dat in een droomwereld leeft en bij het minste of geringste overprikkeld raakt hoeft niet perse ook met alle andere eigenaardigheden behept te zijn.

Naast hem was Svetlana Aksenova een prima zingende en zeer kwetsbare verstoten Tsaritsa. Als haar wereld instort nadat ze te horen heeft gekregen dat de Tsaar haar en haar kind ter dood heeft veroordeeld, louter op basis van een vals bericht, krijgt de muziek plotseling een geheel ander karakter waardoor haar klaagzang je door merg en been gaat. Prachtig gedaan.

Coloratuur sopraan Olga Kulchynska was uitstekend op dreef in haar aria’s als zwaan en prinses, zeer zuiver in de hoogte en met een stem die klonk als een klok. Ze moet er vast wel een glas mee kunnen laten springen.

Ante Jerkunica is de bas die men zich wenst in de rol van Tsaar Saltan. Hij gaat als zachtaardige echtgenoot naar barse heerser, van Gremin naar Hunding zogezegd, en dat ging hem zeer goed af. Ook de overige rollen waren goed tot zeer goed bezet.

Het koor van De Munt speelt in dit werk een belangrijke rol maar doordat Tcherniakov heeft gekozen voor een zeer ondiep toneel, vermoedelijk om de indruk te wekken van een sprookjesboek waarin de personages tot leven komen, zong men vooral vanuit onverwachte plekken: balkons, loges etc. Het klonk er allemaal niet minder om.

Trailer:

Foto’s: ©Monika Forster

Meer sprookjes van Rimsky-Korsakov

In gesprek met Svetlana Aksenova

Il Postino: wonderful opera, wonderful performance, wonderful production….

What started with a Chilean novel in 1983 turned into an opera in Los Angeles in 2010. Composer Daniel Catán followed the success of the book and two film adaptations with a wonderfully lyrical and poetic opera: Il Postino. Highly recommended.

First there was a novel, Ardente Patience (Burning Patience), written by Chilean Antonio Skármeta. The book became widely known when it was filmed in 1983, by the author himself. The film won a large number of national and international awards, including Le Grand Prix du Jury in Biarritz.

However, it did not become a real hit until 1994, when it was filmed for the second time by Michael Radford, this time under the title Il Postino (The Postman). The film gained cult status – you didn’t count if you hadn’t seen it.

It is a (fictional) story about a young postman Mario who discovers the world of poetry. Inspired and encouraged by his only “customer”, an exiled world-famous poet and communist activist (Pablo Neruda), Mario writes poems to his beloved Beatrice.

Years later, during his return to Cala di Scotto, once his place of exile, Neruda meets Pablito, Mario’s little son, who never knew his father – he was killed during a communist demonstration.

The delightfully nostalgic and moving “feel-good movie”, in which tears also flow profusely, has also conquered the world of classical music. In 2010, the opera Il Postino had its world premiere in Los Angeles, with none other than Plácido Domingo in the role of Neruda.

Daniel Catán

It was the last opera by Mexican composer Daniel Catán, who died in 2011 at 61. Catán himself produced the libretto for his opera.

With its flowing melodies and recognisable arias and duets, Catán’s music is nothing short of beautiful. Not only for us, the audience, but also for the singers. I quote George Loomis, one of the New York Times’ music critics: “His operas let singers do what they have been trained to do, and what they do in the theatre when not performing operas by contemporary composers.

And so it is, although, especially with Il Postino, I myself would prefer to use the word “poetic”. Not because one of the main characters is a famous poet, but mainly because of the language used in the libretto, to which the music is “moulded”.

Just listen to the duet “Metaforas”, in which Neruda explains to the young postman the art of using metaphors. “Is the whole world just a metaphor then?” asks Mario, who discovers that he too can write poetry… “You’ll get the answer tomorrow,” says Neruda, but we can already read it on his face.

The super-romantic love duet between Mario and Beatrice melts your heart. It could have walked right out of La bohéme and I love that. Indeed, I am touched by it.

In one of the opera’s first scenes, we are introduced to Neruda and his wife Matilde. Endearingly, he sings of how she managed to turn their “asylum” into a home (the duet ‘Los Manos’).

In a very erotic aria ‘Desnuda’, he sings of her beauty and undresses her with his eyes. What follows is a very poetic love scene, in which we are shown just enough to tickle our fancy.

Domingo is a dreamy Neruda. His very warm voice is full of love and passion, he transports, inspires and endears. He has hundreds of facial expressions at his disposal… and he can tango!

Cristina Gallardo-Domas (Matilde) occasionally sounds a little shrill in the upper registers, but her intensity and her role interpretation make up for everything. She is also a beautiful woman, a prototype of a South American with too big eyes and too big a mouth, behind which you can suspect one and all passion.

In Mario, Charles Castronovo has found the role of a lifetime. With his lyrical tenor – and his acting talent! – he portrays a real-life young man: shy and romantic but one with many ambitions and perseverance to achieve his goal.

Amanda Squitieri is a sparkling Beatrice and Ron Daniels’ direction is definitely sublime – his character direction is to die for! The production is very cinematic and a little reminiscent of de Sica’s Italian neorealism with Almodovár’s colours.

Wonderful opera, wonderful performance, wonderful production….

Trailer:

MARSCHNER’S “IVANHOE” OR THE TEMPLAR AND THE JEWESS



Heinrich Marschner … For many Dutch opera goers, no more than a name. No wonder: when was he last performed here?

I myself have a huge soft spot for his romantic horror fairy tales Der Vampyr and Hans Heilings but Der Templer und die Jüdin? No, I have never heard of it.

Yet the opera was once a successful work. Indeed, after its premiere on 22 December 1829, it became Marschner’s most popular and frequently performed opera (200 times in 70 years). And it is not just any opera, Der Templer und die Jüdin is a great romantic opera like they have long since ceased to be made.

The libretto is based on Sir Walter Scott’s Ivanhoe (1819), the first great historical novel in literary history. The story is very simple and complicated at the same time. You have the bad guys (the Normans = French) and the good guys (The Saxons = English).

There is a king (Richard Lionheart), who, after ‘visiting’ the Holy Land with crusaders, has to re-fight his throne, preferably incognito. And there is a Templar who falls in love with a beautiful Jew. He kidnaps her to win her heart (and more), but she wants nothing to do with him. Against her better judgment, she has fallen in love with a wounded knight (Ivanhoe, but no one knows that). Unfortunately for her, Ivanhoe has been piling on his cousin for years, whom he is not allowed to marry because she is destined for another.

A lot of turmoil ensues. Poor Rebecca is condemned to be burned at the stake, but an anonymous paladin saves her life. It turns out to be Ivanhoe. He marries his beloved and everyone (except the templar, who is now dead) lives happily ever after….

A dragon of a story? Perhaps, but to me it reminds me of the good old days, when good always triumphed. Of the times when, with the sound of the crackling wood in the fireplace in the background and a cup of chocolate milk in your hand, you nestled on the sofa to listen to a delightful radio play on the radio.

The comparison with a radio play does not come out of the blue. There is no libretto in the opera released by the Myto company. There is not even a synopsis! The whole story is narrated by a kind of ‘ZDF lady’. So her warm voice and involved recitation remind me strongly of (and sometimes long for!) the old-fashioned radio plays. It has something. Especially when combined with the dull mono sound – the opera was recorded (live?) in Vienna in 1961. I can imagine a Hi-Fi freak not liking this, but for me it’s a pure, childlike delight.

The music is, as befits a great romantic opera – grand, sweeping, with growling violins and ominous cellos. There are (church) bells and natural sounds. One thinks Weber, Schubert (Fierrabras!) and early Wagner. And, of course, Marschner himself.

The performance? As far as the sound allows to judge it properly: the baritone Georg Uggl is a fantastic Brian de Bois Gilbert (the Templar from the title) and Liana Synek is a very moving Rebecca. Her beautiful, high soprano deserves to be heard. But actually they all sing well, all these (to me) unknown greats.

The Grosses Orchester der RAVAG (the predecessor of ORF) is conducted by Kurt Tenner and as a bonus you get the highlights, sung in Italian (!), from Der Vampyr, recorded in Milan in 1953. Nice!

Le Grand Macabre door La Fura dels Baus is briljant

Tekst: Peter : Peter Franken

György Ligeti schreef Le Grand Macabre in de periode 1974–1977 als opdrachtwerk voor de Koninklijke Opera Stockholm waar het werk in 1978 zijn première beleefde. Het libretto schreef de componist zelf waarbij hij zich baseerde het toneelstuk La Balade du Grand Macabre van Michel de Ghelderode uit 1934. In 1996 werd het werk in een herziene Engelstalige versie heruitgebracht. Deze wordt hieronder besproken.

Het stuk absurdistisch noemen is bijna een eufemisme, de meest ongerijmde scabreuze scènes volgen elkaar op in duizelingwekkende vaart. Centrale personages zijn de dood in de persoon van Nekrotzar die verderf komt zaaien en bij het einde teleurgesteld is dat er nog mensen in leven zijn gebleven. Verder de door hem tot slaaf gemaakte Piet the Pot, het oversekste liefdespaar Amanda en Amando, de sadistische Mescalina en haar echtgenoot de astronoom Astramadors, Prince Go-Go en natuurlijk de chef van de geheime politie Gepopo die gezongen wordt door een coloratuursopraan die tevens de rol van Venus vervult. Dit is een van de lijfstukken van Barbara Hannigan.

Barbara Hannigan in 2011:

In de eerste scène maken we kennis met Piet the Pot die plotseling bezoek krijgt van Nekrotzor die het einde van de wereld aankondigt. Tussendoor is het koppel Amanda en Amando bij voortduring bezig met het enige waarvoor ze lijken te willen leven: seks. Dat is ook het leidmotief van de volgende scène die draait om de SM-relatie van haaibaai Mescalina en haar man de astronoom Astradamors. Als ze zich beklaagt over te weinig weerwerk regelt de net opgedoken Venus (bij een astronoom is alles mogelijk) een nieuwe groot geschapen minnaar. Dat blijkt Nekrotzar te zijn en Mescalina overleeft de daarop volgende geslachtsdaad niet.

Daarna verplaatst de handeling zich naar het paleis van Prins Go-Go die zich op zijn kop laat zitten door twee ministers: de White and Black Minister, die tussendoor ook elkaar het leven zuur maken. De chef van de geheime Dienst Gepopo komt verslag doen van dreigende ontwikkelingen in het land. Vervolgens verzamelen de meeste personages zich en is er een ruig feest in afwachting van de beloofde apocalyps. Die blijft echter uit en men vraagt zich in gemoede af of men nu dood is of nog steeds leeft. Ook Nekrotzar kan aanvankelijk niet geloven dat zijn missie is mislukt. Hij krimpt zienderogen en verdwijnt in het niets. In een gezamenlijk slot, vergelijkbaar met het einde van A rakes progress, zingen de protagonisten dat je vooral moet genieten van het leven zonder te tobben over een naderend einde. Uiteindelijk gaat iedereen een keer dood, dus wat zal het.

La Fura dels Baus staat bekend om producties die stuk voor stuk technische hoogstandjes zijn. Van een voorstelling in het Gran Teatre de Liceu is door ArtHaus een opname op Blu-ray uitgebracht en bij het afspelen daarvan keek in mijn ogen uit. Het is absoluut briljant wat decorontwerper Alfons Flores heeft gecreëerd. En dat het ‘werkt’ komt mede door de prachtige kostuums van Lluc Castels, de videoprojecties van Franc Aleu en de belichting van Peter van Praet. Alex Ollé en Valentina Carrasco hebben zich volledig kunnen concentreren op het regieconcept.

We zien een reusachtig beeld van een naakte vrouw in een wat verwrongen kruiphouding alsof ze zich ergens onmachtig naar toe probeert te slepen. Haar borsten rusten op de toneelvloer en een van de tepels blijkt als deurtje te kunnen fungeren. Amando en Amanda trekken zich via die opening terug omdat ze zich teveel door hun omgeving gestoord voelen.

Op een gegeven moment verandert het beeld in een zeer gedetailleerd skelet, kwestie van projectie en belichting. Of toch niet, het lijkt net zo echt als dat beeld. Daarna draait het om en kijken we naar het achterwerk waarbij niet geheel verrassend, gelet op de teksten die worden gedebiteerd, de bilspleet wordt gebruikt als toneelopening. Maar soms opent zich de gehele bilpartij en is er een compleet interieur te zien.

Foto van de première van het toneelstuk

Hoewel ik inmiddels aardig vertrouwd ben met 20e eeuwse muziek in de opera bevind ik me bij het beluisteren van Le Grand Macabre nog steeds behoorlijk buiten mijn comfort zone. Het is vooral theater, zeer absurdistisch en onderhoudend. Niets ten nadele van alle uitvoerenden met inbegrip van het orkest onder leiding van Michael Boder, maar de muziek neem ik maar op de koop toe.

We zien op deze opname Chris Merritt als Piet the Pot, Werner van Mechelen als Nekrotzar, Frode Olsen als Astramadors en Francisco Vas als Prince Go-Go in de belangrijkste mannenrollen. De vrouwen worden vertolkt door Ning Liang (Mescalina), Inés Moraleda (Amando), Ana Puche (Amanda) en Barbara Hanningan (Venus). Hannigan is natuurlijk ook van de partij als Gepopo, geweldig leuk om te zien. Tenslotte Francisco Vas en Simon Butteriss als respectievelijk de White en de Black Minister.

De complete productie:

Susanna’s secret

Susanna has a secret. Does she have a lover? That’s exactly what her jealous husband Gil thinks. In the house there is a smell of smoke, so…? Well, no. Susanna doesn’t have a lover and the cigarettes? She smokes them herself. So that’s her secret. It all meant nothing, but Ermanno Wolf-Ferrari managed to turn the sneering story into one of the funniest comic operas ever.

His music is divinely beautiful. More, in fact. In his notes, he managed to capture all moods. Angry, happy, troubled, angry, happy… You can hear it. Genius. That the opera is still rarely performed has everything to do with our contempt for anything that smells of verismo. For the peace of mind of verismo-haters: no, Il Segreto di Susanna is not a verismo opera, it is more like a commedia dell’arte. Or, flatly put, a delightful interlude.

The live recording from 2006 is excellent. Ángel Ódena is a more than convincing husband and Judith Howarth a sweet-voiced Susanna. For me, the latter is (the only) immediate downside of the recording: Surely Susanna could be a bit more outspoken! Those who know the recording with Renata Scotto know what I mean.

As a bonus, we get Wolf-Ferrari’s youth work, a Serenade for strings. And beautiful it is! The excellent playing Oviedo Filarmonia is under the very enthusiastic direction of Friedrich Haider.

Recording with Renata Scotto:

De honderdste uitgave van de Leo Smit stichting

Tekst: Neil van der Linden

Afgelopen zaterdag vond het derde Forbidden Music Regained festival plaats. Er waren verschillende zaken te vieren. Zoals de motor van de organisatie Eleonore Pameijer aankondigde, presenteert de Leo Smit stichting samen met uitgeverij Donemus en het Haags Archief dit jaar 25 nieuwe uitgaven waardoor er nu in totaal honderd werken aan de vergetelheid zijn ontrukt van tijdens WOII Nederlandse of indertijd naar Nederland uitgeweken vervolgde componisten.

Er is een samenwerkingsverband aangegaan met het Conservatorium van Amsterdam, waardoor dit festival en volgende edities in het conservatorium kunnen plaats vinden, deze keer in de fraaie, en voor deze gelegenheid afgeladen Bernhard Haitink zaal. En de organisatie heeft nu ook een eigen ruimte waar concerten kunnen worden gegeven, adres Amstel 57.

De honderdste editie betreft een relatief omvangrijk werk, het oratorium De Vogel Vrijheid (let op de woordspeling), gecomponeerd door Lex van Delden op tekst van J.W. Schulte Nordholt, een werk dat voor het eerst uitgevoerd werd in het Concertgebouw in 1955. De tekst gaat over twee vrienden uit het Amsterdamse studentenverzet, maar ook over Nederland, dat nog steeds herstellend was van de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog.

Uit de toelichting bij een uitvoering van delen van het werk door de gezamenlijk Rotterdams en Amsterdams studenten orkesten in 2022: ‘De vogel genaamd Vrijheid herontdekt zijn vleugels dankzij de twee verzetsstrijders Van Delden en Schulte Nordholt en vliegt richting herstel en richting een ideaal van een inclusieve samenleving, lang voordat inclusiviteit een gangbaar concept was.

Een slavenopstand speelt een belangrijke rol in het verhaal, in de overgang van duisternis naar licht. Dat was opmerkelijk in een tijd waarin er niet over het slavernijverleden werd gesproken en Nederland nog maar net getuige was geweest van de onafhankelijkheid van de voormalige kolonie Indonesië.’De Leo Smit stichting gaat zich inzetten voor een integrale uitvoering van het werk.

Intussen werd tijdens deze middag een deel van de overige onlangs uitgegeven werken uitgevoerd, door studenten van het Amsterdams conservatorium. Dat bleek een optimaal uitvoeringsniveau te garanderen.

Interessant was dat er zoveel verschillende stijlen te horen waren: het laat-romantische van Henriette Bosmans in haar nocturne voor cello en harp, en in Rosy Wertheims  Le Zigane dans la Lune en Hymne, waarbij ik zeer geporteerd was van de zang door Madeline Saputra. Maar er waren ook veel modernere richtingen te horen.

In Theo Smit Sibinga’s Plain Music voor fluit, hobo, klarinet, uitgevoerd door het Haizea Trio, zou je druppelende regen in een tropisch woud kunnen horen. Twee jaar geleden besteedde de Leo Smit Stichting in een concert en tentoonstelling in het Amsterdams stadsarchief al aandacht aan componisten die in Nederlands-Indische componisten geïnterneerd waren.

De andere componisten in dit concert hadden de Tweede Wereldoorlog vanuit Europa meegemaakt, en voor een deel niet overleefd.  

Daniel Belinfante


Daniel Belinfante’s eerste strijkkwartet werd met veel spelplezier uitgevoerd door het Damsco Strijkwartet en maakt nieuwsgierig naar nog de overige muziek van deze componist. Belinfante kwam in januari 1945 om nadat de Nazi’s het kamphospitaal in Auschwitz, waar hij wegens een beenwond was ondergebracht, bij nadering van de geallieerden in brand hadden gestoken, zonder dat iemand mocht ontsnappen.

Zijn werken zijn ooit door zijn weduwe aan Donemus gedoneerd, maar men was lange tijd niet aan catalogisering toegekomen. Het werk sluit interessant aan bij de semi-atonale stijl van bijvoorbeeld Hindemith en Eisler.

Julius Hijmans Divertimento is een energiek werk voor klarinetkwartet met aanvullende basklarinet, virtuoos gespeeld door het Horizon Klarinet Kwartet  plus extra speler. Hijman, een persoon die in Nederland zeer actief was geweest bij het propageren van nieuwe muziek in Nederland en namens Nederland in Europa, was één van de weinige gelukkigen die op het juiste moment besloten om te emigreren naar de VS.

Nico Richter

Nico Richter was een componist die Auschwitz net overleefde, maar kort daarna bezweek aan de gevolgen van de mishandelingen. Zijn muziek zoekt van de deze middag ten gehore gebrachte componisten misschien het meest aansluiting bij de Tweede Weense School.

Lex van Delden

Verder was er werk van Lex van Delden, en van Marius Flothuis. Net als Smit Sibinga was Flothuis niet Joods, maar hij krijgt bijzondere aandacht van de Leo Smit Stichting vanwege zijn uitdrukkelijke verzet tegen de Nazi’s en bijvoorbeeld zijn weigering om de loyaliteitsverklaring aan de Nazi’s te tekenen; op grond waarvan de Nazi’s hem eerst in kamp Vught en het concentratiekamp Oranienburg onderbrachten. En verder natuurlijk ook vanwege zijn verdiensten als componist, en vanwege zijn grote rol in het naoorlogse muziekleven.

De laatste twee componisten van wie werken ten gehore werden gebracht, Dick Kattenburg en Leo Smit, behoren dankzij het werk van de Leo Smit stichting onderhand tot de Nederlandse canon. Van Dick Kattenburg klonken die schijnbaar diverterende stukken voor twee violen, waarin veel raffinement op de millimeter zat verwerkt.


De grote finale van het concert was het magistrale eerste deel uit een kwintet voor harp, fluit, viool, altviool en cello van Leo Smit, waarin hij virtuoos de mogelijke klankcombinaties van het ensemble uitbuit.

Leo Samama vertelde na afloop hoe halverwege de jaren tachtig Smits oeuvre, totaal vergeten, ergens als een stapel manuscripten lag. Het is te danken aan de visionairen van toen, dit oeuvre nu steeds meer wordt ontsloten.

Roerend was dat er familieleden van verschillende componisten aanwezig waren, zoals een achternicht van Nico Richter en familie van Dick Kattenburg, die beiden in de oorlog omkwamen, en Lex van Delden en Theo Smit Sibinga.

Delen uit De Vogel Vrijheid van Lex van Delden, uitvoering door het Rotterdams Studenten Orkest juni 2022:

Over de tentoonstelling en uitvoering in het Amsterdams Stadsarchief:

Daniel Belinfante 1893-1945 laatste deel uit zijn eerste strijkkwartet,  1931:

Dick Kattenburg 1919-1944, Romanza voor twee violen, 1938

Leo Smit 1900-1943, deel één uit zijn harpkwintet, 1928

Evenement: Derde Forbidden Music Regained festival.
Feestelijke presentatie van de honderdste partituur-uitgave, met uitreiking aan schrijver en uitgever Maarten Asscher
9 december 2023
Conservatorium van Amsterdam

Foto’s © Neil van der Linden

Eindelijk een scenisch pakkende Francesca op dvd

Tekst: Peter Franken

Francesca da Rimini door Dante Gabriel Rosetti (1855)

Riccardo Zandonai (1883-1944) schreef meer dan tien opera’s waarvan alleen Francesca da Rimini enige bekendheid geniet. De opera ging in 1914 in première en heeft sindsdien een leven in de luwte geleid. Zijn librettist Tito Ricordi baseerde zich op een toneelstuk van Gabriele d’Annunzio waarbij hij zich vooral concentreerde op de liefdesaffaire van de protagonisten.

Het verhaal van Francesca da Polenta en Paolo Malatesta is gebaseerd op personages uit de 13e eeuw. Paolo, bijgenaamd Il bello, wordt naar Francesca gestuurd als huwelijksmakelaar voor zijn oudere broer, de weinig aantrekkelijke manke Giovanni. De twee worden op slag verliefd en beginnen een affaire. Ze worden echter ontmaskerd door Malatestino, de jongste broer van het stel en die zorgt ervoor dat Giovanni het koppel in flagrante weet te betrappen. Beiden worden samen aan het zwaard geregen en sterven in hun laatste omhelzing.

Francesca wordt wel de Italiaanse Tristan genoemd. Ook hier de aantrekkelijke jonge man die een bruid moet werven voor een onaantrekkelijke partij. Giovanni in de rol van Marke en Malatestino als Melot. Belangrijk verschil is echter dat Francesca willens en wetens in de waan wordt gebracht en gelaten dat ze daadwerkelijk met Paolo gaat trouwen. Ze wordt glashard door beide families bedrogen, met inbegrip van Paolo.

I

n het drieluik dat Christof Loy voor Deutsche Oper Berlin maakte over eigenzinnige vrouwen in opera’s van begin vorige eeuw heeft hij Francesca een plaats gegeven naast Els (der Schatzgräber) en Heliane (Das Wunder der Heliane). Daarbij heeft Loy zich laten leiden door de gedachte dat een mannetjesputter als d’Annunzio geen middeleeuwse zwijmelpartij met fatale afloop voor ogen heeft gestaan toen hij de zoveelste bewerking van dit verhaal schreef.

We kunnen het de auteur niet meer vragen maar voor Loy was het aanleiding om Francesca neer te zetten als een zelfbewuste manipulatieve vrouw die niet door het leven wenst te gaan als willoos slachtoffer van een complot. Het kale feit dat haar familie zijn toevlucht nam tot dit bedrog geeft al aan dat ze een sterke wil heeft en met geen mogelijkheid te bewegen was geweest tot een huwelijk met Giovanni.

We zien Paolo en Francesca samen, op slag verliefd. Ze geeft hem een roos, ze kussen elkaar en zij tekent ongezien het contract dat haar wordt voorgehouden. Vervolgens wordt dit aan Giovanni voorgelegd, die ook op het toneel aanwezig is.

Bariton Ivan Inverardi is een grote zwaargebouwde man en oogt middelbaar. Met zijn lange haar en slecht zittend pak zet Loy hem neer als maffia capo. Dus niet mank maar gewoon onaantrekkelijk voor de mooi jonge Francesca. Dat valt des te meer op doordat verder iedereen er tip top bijloopt in maatkostuums en strakke jurken.

De proloog loopt direct over in de oorlogsscène waarbij Francesca Paolo op een soort zelfmoordmissie stuurt, als boetedoening voor zijn bedrog. Hier zien we weer een overeenkomst met Tristan, die door Isolde op het matje wordt geroepen omdat de rekening tussen hen beiden nog niet vereffend is. Maar ze drinken uit hetzelfde glas waarmee hun liefde feitelijk bevestigd wordt.

Voor Francesca is dat echter niet genoeg, ze wil dat alle broers haar schoothondje worden. Na Giovanni laat ze ook de jongste broer Malatestino uit datzelfde glas drinken. Met list en bedrog is ze deze Malatesta familie binnengehaald, nu zijn ze alle drie verliefd op haar en heeft ze de vernedering kunnen afschudden.

Tussen Paolo en Francesca gaat het er hevig aan toe, eigentijds en niet met alleen maar smachtende blikken en machteloze gebaren. Pech is dat de jonge Malatestino het in de gaten krijgt en jaloers als hij is op Paolo probeert hij Francesca uit haar tent te lokken. Ze heeft dat weliswaar door maar gaat er te vrij mee om. In deze scène is er opvallend veel fysiek contact tussen die twee. Malatestino voelt zich als een kleine jongen behandeld en ‘gaat het zeggen’.

Loy’s regie heeft er een pakkende voorstelling van gemaakt die Francesca toont in een ongebruikelijke vierhoeksverhouding met fatale afloop, niet in de laatste plaats door haar eigen toedoen. En dat maakt de uitgebrachte Blu-ray tot iets bijzonders, een absolute aanrader.

De cast is goed verzorgd, over de volle breedte. Van de hofdames en de intriganten tot de drie broers Malatesta en hun gemeenschappelijk liefdesobject Francesca. Malatestino heeft een betrekkelijk kleine rol maar tenor Charles Workman laat hem door zijn overtuigende vertolking veel groter lijken dan hij is. Zowel tegenover Francesca als Giovanni laat hij duidelijk blijken hen een slag voor te zijn en dus niets te vrezen heeft, hoe onaangenaam zijn gedrag ook mag wezen.

Ivan Inverardi als Giovanni is een overtuigende potentaat. Zijn zang is dienovereenkomstig, overheersend en bedreigend zonder ook maar ergens zichzelf te overschreeuwen.

Het liefdespaar komt voor rekening van de nieuwe coryfee Jonathan Tetelman en de gelauwerde Sarah Jakubiak die eerder ook Heliane voor Loy vertolkte. Tetelman is een knappe keren, ideaal voor Paolo il Bello, en hij zingt de sterren van de hemel.

Een geweldige tenor en mooie aanwinst. Jakubiak draagt de voorstelling, er is vrijwel geen scène waarin ze niet op het toneel te vinden is. Ze geeft zich helemaal en het resultaat is indrukwekkend. Uitstekend gezongen en geweldig geacteerd.

Carlo Rizzi heeft de muzikale leiding. Koor en orkest van DOB. Uitgebracht op Naxos.

Making of:

Fotomateriaal: © Monika Rittershaus

If you want to have the future: close the door behind your past. Korngold’s Die Tote Stadt in a few recordings

“Forgetting forms a part of all actions,” Nietsche wrote in one of his pamphlets. “To (over)live, one must sometimes destroy one’s past.” Korngold should know, because with those very words you can sum up the real themes of his most famous opera, Die Tote Stadt.

“A scene from the original 1920 Hamburg production of Die tote Stadt. From left to right: Walter Diehl (Graf Albert); Josef Degler (Fritz) Anny Münchow (Marietta); Felix Rodemund (Gaston); and Paul Schwartz (Victorin).”

Die Tote Stadt had its world premiere simultaneously in Cologne (directed by Otto Klemperer) and Hamburg on 4 December 1920, after which the whole world followed. Before the war, it was the most played of all contemporary operas.

RENÉ KOLLO (once RCA, now Sony)

“After 1938, Die Tote Stadt was no longer performed. Only in the 1970s did a cautious comeback begin. The first studio recording of the opera dates from that time (1975).

Unfortunately, the text booklet (which is otherwise well cared for with the well reproduced synopsis and the complete libretto in two languages) does not tell the ‘why’ of that release. I would have liked to know who exactly conceived the idea of recording Die Tote Stadt, all the more so since the work was still considered inferior at the time.

Even Leinsdorf never concealed the fact that he did hold the work in high esteem. And yet he conducts it as if it were a masterpiece. Perhaps he gradually came to believe in it? He gives the opera the grandeur of a monument and the lustre of gold. Particularly exciting and energetic, he leads the brilliantly playing Munich Radio Orchestra through the score. At the end of the first act, when Marie’s portrait comes to life, you imagine yourself in the middle of the dream scene from Hitchckock’s ‘Spellbound’, and even without the image the tension is up for grabs.

There is also excellent singing, although I have a bit of trouble with Kollo in his demanding role of Paul. During the recording he shuttled between Munich and Bayreuth, where he was singing Parsifal at the time, so his voice sounds a bit tired.

Moreover, I prefer a more lyrical tenor in that role, but one with enough power to rise above the orchestra. Fritz Wunderlich could have been ideal, but he had been dead for almost a decade by then, and no one had thought of Gösta Winbergh at the time.

Carol Neblett is a fantastic Marie/Marietta, her creamy soprano possesses many colours and is well-stabilised in height. Benjamin Luxon portrays a warm and fatherly Frank and Herman Prey (Fritz) brings paradise closer with his sweetly sung Tanzlied.

Below, Herman Prey sings “Mein Sehnen, mein Wähnen”

The small role of Brigitte is also phenomenally sung by Rose Wagemann, perhaps the best Brigitte I have heard so far.

THOMAS SUNNEGÅRDH (Naxos 8660060-1)

In 1996, Die Tote Stadt was put on the repertoire at the Royal Swedish Opera House in Stockholm. Two of the performances were recorded live by Naxos and released on CD. The result is definitely not bad, one feels the excitement of the theatre which in fact is always a plus. The stage noise is audible, it does not bother me, quite the contrary. Leif Segerstam conducts calmly and it is due to a few cuts that the whole thing is almost 15 minutes shorter with him than with Leinsdorf.

Paul is sung by Thomas Sunnegårdh, a Wagner tenor who impresses mainly by his volume: occasionally he degenerates into sprechgesang and the lyricism is nowhere to be seen. Superbly, on the other hand, Katarina Dalayman as Marie/Mariette and Anders Bergström (Frank) and Per-Arne Wahlgren (Fritz) also portray their roles convincingly.

TORSTEN KERL

DVD

Opéra National du Rhin in Strasbourg staged Die Tote Stadt in April 2001. The highly controversial production by Inga Levant was released on DVD by Arthaus Musik (100 342).

If you thought the story of Die Tote Stadt is set in Bruges in the late nineteenth century, you are wrong. True, Korngold based his masterpiece on Rodenbach’s ‘Bruges-la-morte’ and that medieval city, with its fog and symbolism, put its stamp on both the libretto and the music, but Inga Levant knows better. So we end up in Hollywood where anything is possible and Marietta resembles not only Marie but also Marylin Monroe.

The whole thing is loaded with quotes from Fellini’s films, but fusion is in and anything goes. So I resignedly accept that ‘Mein Sehnen, mein Wänen’ is not sung by Pierrot but by the barman – played brilliantly and with a sufficient dose of schmalz by Stephan Genz

But if the libretto is violated, my patience and tolerance end. So I don’t accept Paul’s suicide because not only does he commit suicide, but also the entire opera.

Torsten Kerl (Paul) and Angela Denoke (Marie/Mariette) sing well, but the latter convinces mainly through her overwhelming stage presence and acting ability

CD Orfeo C 634 042

In the summer of 2003, this opera was performed at the Salzburg Festival. It was directed by Willy Decker and the leading roles were sung by Torsten Kerl, Angela Denoke (they seemed to have a patent on it) and Bo Skovhus. The performances were received with enormous enthusiasm by both the audience and the press, and the entire cast was rewarded with a standing ovation.

The 18 August performance was recorded live by ORF and released on CD. Why not DVD? The lack of images misses an important aspect of the performance, all the more so as the director had the roles of Frank and Fritz performed by the same singer which may have worked optically in the directorial concept, but is particularly confusing without images.

Torsten Kerl is clearly at his vocal limits, which manifests itself mainly in his pinched height. But he also has many beautiful and lyrical moments, something that cannot be said of Angela Denoke: without visuals, nothing remains of her.

The opera can also be heard on You Tube:

But I can’t get excited about Bo Skovhus either, something that is particularly hard for me: he was once one of my beloved baritones. He sings matte, without soul and his reading of “Mein Sehnen, mein Wänen” is downright pale. Too bad, because that he can do better he already showed at the beginning of his career on one of his first CD recordings:

Maria Jeritza who created the role of Marie/Mariette:

De grote Oliemans show is terug in Amsterdam

Tekst:Peter Franken

Hoewel er sinds de première in 2012 al meerdere reprises waren geweest werd de openingsvoorstelling van Simon MacBurney’s productie van Die Zauberflöte op 1 december bij De Nationale Opera gevierd als een echte première, compleet met het verschijnen van het productieteam op het toneel na afloop. Het gaf een extra feestelijk tintje aan deze geweldige theateravond waarin de Papageno van Thomas Oliemans de absolute hoofdrol vervulde.

Dat ligt niet alleen aan diens kwaliteiten als zanger en acteur maar ook aan de keuzes die MacBurney in zijn benadering van dit prachtige muziekstuk met zwaar gedateerde verhaallijn heeft gemaakt. Emanuel Schikaneder schreef in 1791 het libretto en had als doelgroep zijn gebruikelijke publiek voor ogen. Het stuk valt in de categorie Vaudeville en is bestemd voor een volkstheater waarin hartelijk gelachen mag worden tijdens de voorstelling. Door dat als uitgangspunt te nemen kom je als vanzelf terecht bij het enige personage dat echt leuk uit de hoek kan komen: Papageno.

Eigenlijk is het verhaal gewoon een fantasy, om in hedendaagse termen te spreken, waarin een komisch duo op zoek gaat naar iets of iemand. De zoektocht betreft hier een gegijzelde prinses, de opdrachtgever is een enge dame die angstaanjagend zingt. Het wat vulgaire aspect van de verwerkte humor vinden we in het gebruik van de ‘wapens’ die het duo in staat moeten stellen hun queeste tot een goed einde te brengen: een toverfluit plus een klokkenspel.

Vervang de vraag ‘Wo sind wir’ door ‘Are we there yet’ en je ziet het verband met Shrek en zijn sprekende ezel. Maar Schikaneder wijkt af van het geijkte pad door Tamino en Papageno elkaar direct kwijt te laten raken. Zodoende concentreert de handeling zich op Papageno die ook nog eens bijna als eerste de prinses mag kussen. Bij MacBurney scheelt dat maar een haartje: als je maar lang genoeg ‘Bei Männern welche Liebe fühlen’ zingt gaat dan vanzelf. Tamino blijft zodoende nog meer dan gebruikelijk een wat fletse bijfiguur. Papageno rules en Thomas Oliemans draagt dat breed uit: de grote Oliemans show.

Hij is al sinds 2012 met deze rol getrouwd (sorry Laura) en heeft er de operawereld mee veroverd, recent nog de Met. Het komisch aspect weet hij volledig uit te buiten zonder dat het doorschiet naar ‘theater van de lach’ en door hem in plaats van het klokkenspel, dat gewoon aan de rand van het podium blijft staan, een keukentrapje als rekwisiet mee te geven wordt een bij vlagen hilarisch effect gerealiseerd. Voeg daaraan toe zijn welluidende bariton en je hebt ‘the full package’. Bravo Thomas.

De inbreng van de overige solisten is vooral muzikaal. Pamina werd aandoenlijk gevoelig vertolkt door sopraan Ying Fang, inmiddels een vaste waarde bij DNO en wat mij betreft mag dat nog lang zo blijven.

Coloratuursopraan Ranielle Kraus excelleerde vooral in haar tweede aria ‘Der Hölle Rache’ waarin ze ook als actrice flink aan de bak moest. Het leverde haar een verdiende ovatie op.

De Tamino van Mingjie Lei was goed verzorgd, een genoegen om naar te luisteren.

Christof Fischesser als Sarastro wist vooral indruk op me te maken door zijn uiterlijk voorkomen. Hij zette precies die dubieuze potentaat neer die mij in dit stuk altijd voor ogen staat. Zijn zang vond ik adequaat. Mooie rolinvulling door de Drei Damen en Drei Knaben en Laetitia Gerards mocht op het einde nog even het PaPaPa duet met Thomas komen zingen, leuk gedaan.

Het koor van DNO heeft in Die Zauberflöte een belangrijke ondersteunende rol waarbij de mannen ook nog eens regelmatig moeten figureren als Saratro’s slaafse aanhang. Niet te verwarren met de echte slaven in zijn paradijs die aangevoerd worden door Monostatos. MacBurney heeft van hem een kantoorfrik gemaakt die zich gaandeweg steeds losser begint te gedragen en eindigt als ongeschoren hippie. Daarmee haalt hij de angel uit het racistische karakter van dit personage. Lucas van Lierop maakte er iets moois van.

Riccardo Minasi neemt met enkele zangers passages uit ‘Die Zauberflöte’ door.
Beeld Melle Meivogel © Trouw

Het Nederlands Kamerorkest stond onder leiding van Riccardo Minasi die hiermee een lacune wist te dichten in zijn Mozart dirigaten. Tijdens een kort intermezzo kreeg hij even een viool aangereikt en speelde daarop een paar maten als Stehgeiger terwijl het orkest hem licht swingend volgde. Het was een van die momenten waaruit kon worden opgemaakt hoezeer het orkest met de handeling op het toneel tot een geheel was gesmeed. En zo hoort het ook in een Vaudeville voorstelling zal Schikaneder gedacht hebben. En de twee oude heren Stadler en Waldorf in de moderne versie van dit genre zouden hem zijn bijgevallen.

Maar toch, we kunnen niet volledig uitsluiten dat Schikaner en Mozart er indertijd een boodschap in hebben willen leggen, zij het zeer verhuld. Als we al die opgeblazen teksten gewoon voor kennisgeving aannemen evenals de symboliek en het geneuzel over Isis en Osisris, dan blijf er nog iets over dat een aanknopingspunt biedt. Helemaal op het einde zingt Sarastro: ‘Die Strahlen der Sonne vertreiben die Nacht, zernichten der Heuchler erschlichene Macht’.

Het is zeer wel mogelijk dat hier wordt gedoeld op de totalitaire christelijke maatschappij die dusdanig is gecorrumpeerd dat er onbeschrijfelijk veel leed over de mensheid is uitgestort en de geestelijke ontwikkeling van de mens vrijwel geen vooruitgang meer laat zien. De huichelarij heeft de macht gegrepen en de wereld in duisternis gestort. De ‘nacht’ die over ons is neergedaald wordt verdreven door een nieuwe dag waarin de mens weer vrij is om eigenstandig te denken en te handelen. Het christendom is een ‘bijgeloof’, een door de mens bedachte ideologie die moet worden afgeschud. Als dat inderdaad de bedoeling is geweest dan is voorstelbaar dat die boodschap behoorlijk cryptisch is verpakt.

Maar dit geheel terzijde natuurlijk.


Thomas Oliemans over Die Zauberflöte bij DNO




Die Zauberflöte: discografie







Pelly en Pichon brengen zeer geslaagde Lakmé in de Comique

Tekst: Peter Franken

Léo Delibes (1836-1891) schreef meer dan twintig opera’s en operettes waarvan alleen Lakmé niet in de vergetelheid is geraakt. Het werd geschreven in de jaren 1881-82 op een libretto van Edmond Gondinet en Philippe Gille. De première vond plaats op 14 april 1883 in de Opéra Comique.

Pierre Loti

Het verhaal is ontleend aan de roman Le mariage de Loti van Pierre Loti. Deze Franse marineofficier kan worden gezien als een van de eerste schrijvers die hun materiaal wisten te verwerven ‘by going native’. Tijdens een verblijf van enige maanden op Tahiti wist Loti zijn taken als officier te combineren met een onderdompeling in de lokale gemeenschap, naar verluidt omdat zijn commandant belangstelling had voor antropologie en in Loti een nuttige bron van informatie zag. Het boek in kwestie is een pastiche van de liefdesrelaties die Loti had met verschillende inheemse vrouwen, tegen de achtergrond van exotisch Polynesië.

In het libretto van Lakmé is de handeling verplaatst naar Brits Indië. Centraal staat de kortdurende onmogelijke liefde tussen een Engelse officier en de dochter van een Brahmaanse priester. Lakmé woont met haar vader in de bloementuin bij een heiligdom waar de mythische lotusbloem groeit. Vreemdelingen is het ten strengste verboden dit heiligdom te betreden. Tot haar ontzetting treft Lakmé op een dag de Engelse officier Gérald in de tuin aan. Hij is onder de indruk van de prachtige omgeving en raakt ook al snel onder de bekoring van de exotische schoonheid die aan hem verschijnt. Hij verklaart haar zijn liefde en Lakmé is onvoldoende standvastig om hem af te wijzen.

Als haar vader, de priester Nilakantha, ontdekt dat het heiligdom is ontwijd, zweert hij wraak: de indringer moet sterven. Hij draagt Lakmé op om op de markt een lied te zingen teneinde Gérald naar zich toe te lokken en zodoende zijn identiteit te onthullen. Uiteindelijk is het echter niet Gérald maar Lakmé die het kortstondige liefdesavontuur met de dood zal moeten bekopen. Delibes heeft zeer pakkende melodieën geschreven voor koor en orkest en met name in de solostukken van Gérald en Lakmé heeft hij alles uit de kast gehaald om de zangers te laten schitteren.

In oktober 2022 ging deze opéra comique in het huis waar het werk ooit in première ging: Salle Favart in Parijs. Voor die gelegenheid maakte Laurent Pelly een nieuwe productie die alle kenmerken vertoont die hem zo geliefd hebben gemaakt. Het toneelbeeld is eenvoudig maar zeer goed doordacht met doeken waarmee een ruimtelijk effect wordt verkregen, een scherm waarop silhouetten worden geprojecteerd tijdens de aria over de Pariah, een kooi van houten vlechtwerk waarin Lakmé ‘woont’ en sobere kostumering.

De Indiërs lopen in gebroken wit, de Britten in anonieme donkere kleding en Lakmé is gekleed in een witte jurk. Aanvankelijk zijn dat meerdere lagen maar gaandeweg worden ze afgepeld wat haar bewegingsvrijheid zeer ten goede komt. Een minpuntje is de witblonde pruik waarmee Lakmé is getooid, geen enkele Indiase vrouw ziet er zo uit en het doet ook afbreuk aan het uiterlijk van sopraan Sabine Devieilhe.

Tenor Frédéric Antoun weet indruk te maken met zijn vertolking van de in een vreemde andere wereld verstrikt geraakte Gérald. Zoals het een verliefde man betaamt komt hij pas tot stilstand als hij met z’n kop tegen een muur aanknalt. In dit geval is dat metaforisch in de persoon van zijn kompaan Frédéric, mooie rol van bariton Philippe Estèphe, die daarbij wordt geholpen door wat kenmerkende geluiden van een troep militairen in de verte.

Sabine Devieilhe was mij nog onbekend, vooral vanwege haar gebruikelijke repertoire dat wat buiten mijn aandachtsgebied valt, denk aan Rameau, Händel en Bach. Voor deze rol maakt ze haar stem bewust vrij klein, zo heb ik kunnen vaststellen na het beluisteren van een paar youtube fragmenten. Het past ook bij de Comique, je moet daar zelfs een fluisterende zanger kunnen horen. Ze gaat helemaal los maar met complete beheersing: prachtige coloraturen die ijl en bijna etherisch klinken zo nu en dan om vervolgens aan te zwellen tot een volume dat meer geëigend is voor een duet.

Zoals het een Lakmé betaamt, het werk is immers speciaal geschreven voor sterzangeres Marie van Zandt, is deze opname alleen al volledig de moeite waard om Devieilhe in de titelrol te kunnen beleven. Overigens krijgt ze alle ruimte van haar echtgenoot Raphaël Pichon die zijn eigen orkest Pygmalion dirigeert. Liefdevolle begeleiding is de ruimste zin van het woord.

Bariton Stéphane Degout vertolkt de rol van de priester Nilakantha zonder meer goed maar ik had hier liever iemand gehoord die wat barser kan klinken. Mezzo Ambroisine Bré geeft in de eerste akte mooi partij in het Bloemenduet. Leuk om Mireille Delunsch hier terug te zien als Mistress Bentson. Ik koester haar heel bijzondere opname van La traviata. De kleine rol van Hadji komt voor rekening van François Rougier die daar iets heel ontroerends van weet te maken.

Het orkest Pygmalion speelt vooral oudere muziek op periode instrumenten en is in zijn geheel feitelijk het instrument van oprichter Raphaël Pichon. Van dit ensemble maakt ook een koor deel uit en dat is op deze opname natuurlijk ook te horen. De begeleiding is doeltreffend, mooi verzorgd en vooral heel ingehouden. Het komt het totale klankbeeld zeer ten goede.

Eindelijk een nieuwe opname van dit schitterende werk op Blu-ray, ik keek er al jaren naar uit. Zeer aanbevolen.

Over Sabine Devieilhe:

Mirages: Sabine Devieilhe zorgt voor de perfecte illusie

Fotomateriaal ©  Stefan Brion