Month: april 2020
Twee Maagden over Willy Deckers Elektra

Ernestine Schumann-Heink as Klytämnestra at the January 25, 1909 Dresden premiere of Elektra, looking down on Annie Krull as Elektra
Elektra van Richard Strauss behoort ontegenzeggelijk tot de geniaalste opera’s ooit. Door de symbiotische samenwerking van de librettist en de componist ontstond een werk dat zijn weerga in de geschiedenis niet kent. Met het libretto van von Hofmannsthal komen we de mythologische wereld binnen, maar dan wel gezien door de ogen van Sigmund Freud. Een wereld vol complexen, fobieën, angsten en dromen, die bovendien bevolkt is door hysterische vrouwen.

Willi Decker © Alchetron
Willy Decker behoort tot de beste operaregisseurs ter wereld en zijn vermaardheid dankt hij niet aan ‘concepten’ of het wel/niet functionele bloot. Hij kent zijn pappenheimers en hoeft niet zo nodig te choqueren.
In september 1996 ging zijn visie op Elektra in première bij De Nederlandse Opera (DNO). Hartmut Haenchen stond toen op de bok en de hoofdrollen werden vertolkt door Eva-Maria Bundshuh (Elektra), Anne Gjevang (Klytamnästra) en Inga Nielsen (Chrysotemis). Met vrijwel dezelfde bezetting, maar dan wel onder leiding van Hans Vonk, werd de productie in april 2000 herhaald.
Bij de derde speelreeks, in 2006, werd alles anders. Hans Vonk was dood, Inge Nielsen was dood, Hartmut Haenchen naar andere oorden verbannen en bij ons was het (gelukkig zeer korte!) tijdperk van Ingo Metzmacher aangebroken. Nou ja, in dit repertoire kon hij gelukkig weinig schade aanrichten en ook de hoofdrollen werden prima vervuld door Felicity Palmer, Nadine Secunde en Gabrielle Fontana.
De productie stond in oktober 2011 voor de vierde (en laatste) keer op het toneel (voor de recensie klik hier)
Ellen van Haaren, die de Vierde Maagd in alle drie de producties zong, hier als Jungfer Marianne Leitmetzerin in Der Rosenkavalier, op de foto met Brigitte Fassbaender


“Ik heb het vanaf het begin meegemaakt hoe deze Elektra zich ontwikkelde onder het baton van Hartmut Haenchen en de superregie van Willy Decker. Huiveringwekkend goed!!! En zo to the point!
Decker is een geweldig goede regisseur en daarbij nog eens zo’n aardige man, van wie je veel vrijheid kreeg. Zijn geliefde spreekwoord was: ‘passie is het motto van het zingen’. En zijn credo: ‘met waardigheid onwaardige situaties regisseren’. Dus de vernederende situaties waarin de personages van de opera terechtkwamen, wist hij op een waardige wijze in scène om te zetten.
Tevens werd er veel over het werk gepraat en als je als zanger iets anders aanvoelde dan wat Decker van je in een bepaalde scène verlangde, dan werd er daar ook op ingegaan. Zeker ook als hij het ermee eens was dat het beter bij de zanger in kwestie paste. Daarom is hij als persoon heel fijn om mee te werken, omdat hij iedereen zo veel aandacht geeft.
Altijd vroeg hij: voelt dit goed, gaat dit goed? Het was een samenwerking die je maar zelden aantreft en mede daardoor heeft het z’n vruchten in de totale samenhang afgeworpen.

Yvonne Schiffelers, Rebecca de Pont Davies, Nadine Secunde, Abbie Furmansky (onder de arm van Elektra), Claire Powell (met jas), Ellen van Haaren © Marco Borggreve
Een voorbeeld. Hij vond dat twee Maagden zwanger moesten zijn. Toen opperde ik de gedachte: we moeten dan een soort schort met een buik hebben, want je beweegt je heel anders als je zwanger bent en gaat daardoor niet op de voorgrond staan zoals die andere Maagden. Je hebt nieuw leven bij je, dus je gedraagt je wat angstiger en blijft als persoon meer op de achtergrond. De volgende dag waren er twee schorten met een dikke buik en konden we daarmee oefenen.
De twee dames letten ook een beetje meer op elkaar en als Klytemnestra dan die vreselijke uitbarsting heeft, dan beschermden wij eigenlijk elkaar. Allemaal heel subtiel, maar toch!
Zo krijg je een mooie productie die nooit ordinair of oppervlakkig is, want het komt recht bij je binnen en dringt diep door. De personenregie is daar van groot belang, vooral omdat het drama dat zich voor je ogen ontwikkelt eigenlijk van alle tijden is. Oorlog, wanhoop, strijd om het behouden van de waarden en normen, opportunisme, meelopers, angst, principiële opofferingsgezindheid en dictatoriale macht.
Over Hans Vonk zou ik willen toevoegen dat hij in die tijd al zo vermoeid en ziek was en toch zo goed was, dat hij toch op die productie zijn stempel kon drukken. Hij was heel vriendelijk en hielp waar hij kon.
Het is een extreem zware productie met zeer turbulente uitbarstingen in de muziek, alles zit in de orkestpartijen: dreiging, liefde, weemoed, wraakgevoelens, broeder/zusterliefde, haat… Dat vergt heel veel van een dirigent.”

Ellen van Haaren (Amelia) met Henk Poort (Renato) in Ballo in Maschera
Corinne Romijn, die de tweede Maagd in twee DNO-producties zong:

,,Ik heb Elektra in totaal drie keer gezongen, één keer bij de Vlaamse Opera en twee keer bij DNO. Ik vond en vind Willy Decker een uiterst inspirerende man. Ook bij de herhalingen kwam hij zelf en bleef hij zoeken naar nieuwe facetten. Hij stuurde geen assistent om herinstudering te doen en de zangers te vertellen waar ze opkomen en weer afgaan en alles ertussen.
Wat ik behalve zijn enorme talent en vaardigheid ook zo mooi aan hem vind, is dat hij iedereen met hetzelfde respect en belangrijkheid behandelt, ook al heb je maar een ‘kleine rol’. Bij hem heb je het gevoel echt iets belangrijks te doen en ook voor de kleine rollen bedenkt hij verhaaltjes en diept het karakter uit.

Hartmut Haenchen © Riccardo Musacchio
Mijn geliefde dirigent was Hartmut Haenchen. Zijn opmerking ‘es gibt keine kleine rollen’ sloot perfect aan bij de visie van Willy Decker.
Een leuke anekdote. Ik zong de tweede maagd en die zingt aan het begin: ‘Ist doch ihre stunde die stunde das sie um den vater heult das alle wande schallen!’ Ik (geen idee waarom) zong tijdens de repetitie: ‘Ist doch ihre stunde die stunde das sie um den vater LACHT das alle wande schallen!!!’
Hartmut hoorde dit, sloeg af, nam zijn partituur van de pepiter en kwam het toneel op, recht op mij af. Ik dacht nog: oei oei… Maar het enige dat hij glimlachend zei, was: ‘Wenn sie das singen, brauchen wir die ganze oper nicht zu machen!’

Corinne Romijn als Jenny in de Driegroschenoper van KurtWeill
Claron McFadden en haar sterke vrouwen

© Hanneke Kuijpers
Lilith en Operadagen Rotterdam 2012

Wist u dat Eva niet de allereerste vrouw was die er bestond? Voordat zij uit de rib van Adam geschapen werd, had Eva al een voorgangster. Zij heette Lilith en encyclopedieën duiden haar aan als een vrouwelijke duivel. Volgens de Kabbala was zij de godin van het Kwaad en een symbool van seksuele begeerte. Er werd van haar gezegd dat zij de drager was van ziekte en dood.

Lilith door Dante Gabriel Rosetti (Delaware Museum in Wellington)
Tijdens de Operadagen Rotterdam in 2012 ging er een voorstelling in première waarin Lilith centraal staat. Het hele concept werd bedacht door de allround zangeres/actrice, Claron McFadden.
McFadden, die als klassiek geschoolde zangeres een voorliefde heeft voor verschillende muziekstijlen plaatste de geschiedenis van Adam en Lilith in de hedendaagse tijd en mengde bewust verschillende media tot een muziektheaterstuk met sterk emotionele lading. We komen Lilith dan ook in een ‘real time’ tegen in de bar van een vijfsterren hotel en het verleden wordt aan ons door middel van projecties verteld. Adam zien we alleen als projectie.
Veel aandacht werd besteed aan het multimediale en er werd ons een mix van stijlen beloofd: jazz, soundscape, klassiek, pop, rap-achtig Sprächgesang, gesampelde zangstemmen. Er was ook plaats voor improvisaties, waardoor iedere uitvoering iets anders kon uitvallen.
De regie was in handen van Frans Weisz; muziek, pianospel en elektronica kwamen van Dimitar Bodurov, een Bulgaarse jazzpianist en ‘alles-eter’. De rol van Adam werd gespeeld door Jeroen Willems.
Claron McFadden aan het woord:

© Sacha de Boer
,,Ik beschouw mijzelf als een vrij sterke, onafhankelijke vrouw en ik ben altijd gefascineerd geweest door vrouwen die niet passen in het traditionele sjabloon van wat een vrouw hoort te zijn in de patriarchale samenleving. De vrouwen die mij het meest fascineren laten hun vrouwelijkheid niet in de steek om erbij te horen in de ‘mannenwereld’. Ze luisteren naar hun eigen innerlijke stem hoe ze mogen/moeten zijn als een mens, als ze maar alle kansen krijgen om te groeien en zich te ontwikkelen.
Toen ik voor het eerst hoorde van de Lilith-mythe, raakte ik onmiddellijk door haar geïntrigeerd. Ik beschouw haar ook als de eerste feministe. Zij wilde, samen met haar partner Adam, blijven zijn hoe zij was. Toen het onmogelijk bleek, liet zij liever alles wat haar dierbaar was in de steek en accepteerde alle consequenties van haar keuze. Alles liever dan de essentie van wat zij was – als vrouw, als mens – te verloochenen.
Ik vind dit zeer diepgaand. Het gaat over de man-vrouwverhouding, maar ook over de gelijkheid van mensen en het accepteren van onderlinge verschillen.
Ik ben een klassiek geschoolde zangeres, maar mijn achtergrond ligt in gospel, popmuziek en soul – muziek waar improvisatie een belangrijke rol in speelt. Mijn eerste serieuze kennismaking met de westerse klassieke muziek was de zestiende-eeuwse polyfonie en de zeventiende-eeuwse madrigalen, motetten en cantata’s. Daarbinnen was er ook plaats voor improvisatie
Vrijheid binnen een structuur vormt voor mij een rode draad in eigenlijk alles wat ik doe, ook in de muziek waar de noten echt vaststaan. Spontaniteit houdt de muziek levend, niets is twee keer hetzelfde.
Voor Lilith heb ik Dimitar Bodurov uitgenodigd. Hij is een zeer getalenteerde duizendpoot, wij zijn dus aan elkaar gewaagd. We bespraken een gevoel of een bepaalde scène, hij maakte de muziek en we begonnen te zingen en te spelen.
Omdat ook hij uit een improvisatiehoek komt, hebben we besloten dat sommige scènes aan drama zouden winnen als wij ons vrij in de vaststaande structuur bewogen. Maar het is beslist niet zo vrij als ‘work in progress’, zoals veel mensen denken als ze het woord improvisatie horen. Geen chaos hier!
Toen ik Frans Weiss voor het eerst ontmoette werd ik door hem gefascineerd en bedacht hoe fijn het zou zijn om samen met hem iets te kunnen doen. Lilith is onze eerste samenwerking. Hij is een meester in het creëren van een dramatische sfeer en zijn voorstellingsvermogen kent, net als de mijne, geen grenzen.
Het is niet makkelijk om iemand anders werk te regisseren en wij voerden een paar pittige discussies. Mijn origineel concept vormt het skelet en hij heeft alle vrijheid om Lilith een uiterlijk te geven die hij wil.

© © Pief Weyman
Met Jeroen Willems werkte ik voor het eerst samen in La Commedia van Louis Andriessen. Hij heeft mij zeer ontroerd en geïnspireerd, sindsdien heb ik altijd gehoopt om nog eens samen hem te mogen werken. Zodra ik aan het karakter van Adam begon te denken, zag ik onmiddellijk zijn gezicht voor ogen. Voor mij is hij de enige acteur die Adam de nuances kan geven die het karakter nodig heeft om hem sterk, kwetsbaar, sexy en humaan te maken. En hij is een goede zanger!
Ik droom van een serie theatrale monodrama’s over interessante en sterke vrouwen uit de geschiedenis en literatuur: Anne Askew, Veronica Franca, Harriet Tubman and Wilma Flintstone…
En ik zou graag ‘Iron Maiden Lounges’ organiseren, in de vorm van nagesprekken na de voorstellingen, waarbij we rustig kunnen zitten en van gedachten kunnen wisselen. Ik denk dat ik nu op een belangrijk punt in mijn leven ben beland en ik hoop dat ik inmiddels genoeg goede en slechte bagage heb om te kunnen vaststellen wie ik ben. Als vrouw en als ‘human being’. Ik ben er zeker van dat het mij niet lukt, maar ik houd van uitdagingen!”
Black tie en DJ’s: 50 jaar van De Nationale Opera
Je vijftigste verjaardag vier je in stijl. Dat had De Nationale Opera goed begrepen. In aanwezigheid van prinses Beatrix trakteerde het Amsterdamse operahuis zijn publiek vrijdag 6 november 2015 op een heus Opera Gala, vol muzikale juweeltjes, waarbij de bubbels rijkelijk vloeiden en men kon zich vergapen aan de meer of minder bekende Nederlanders.
De dresscode voor de avond, black tie, werd gelukkig door de meeste gasten ter harte genomen. En het moet gezegd: heren in smoking en de in avondjaponnen of glinsterende cocktailjurken (zelfs de bontstola’s ontbraken er niet) gestoken dames waren een ware lust voor het oog. Toch even wat anders dan de obligate spijkerbroek met een slobbertrui.
Kunt u zich nog de betovering van de fluwelen rode gordijn en het gevoel van “nu gaat het beginnen” nog herinneren? Nou, die was er weer. Het doek liet zich in zijn volle pracht bewonderen, alvorens het opzij schoof voor een compilatie van foto’s en videobeelden uit de vijftigjarige geschiedenis van DNO. Dat alles op de spetterende klanken van de ouverture van Bernsteins Candide. Marc Albrecht zweepte het orkest op en de stemming zat er meteen in. Het feest kon beginnen.
Robert Carsen bedacht wel een concept. Een goede ook nog, maar die was, door (denk ik?) de vele afzeggingen en de daaropvolgende wijzigingen in het programma een beetje in de war geraakt. Tot er niets meer van overbleef.
Het programma begon zeer toepasselijk met ‘Dich teure Halle’ uit Tannhaüser van Wagner. Eva Maria Westbroek bracht haar aria, die zij nog vóór – en opkomend op – het toneel zong, bij wijze van groet aan de zaal en de toeschouwers. Met de daaropvolgende optreden van het koor in ‘Einzug der Gäste’ bleven we in Tannhaüser. En in de feestelijke sfeer.
Westbroek zong haar aria groots, met veel passie en overgave. Waarmee zij alleen overtroffen werd door haar eigen zelf, in ‘Voi lo sapete’ uit Cavalleria Rusticana, vlak vóór het einde van de avond. Een keuze die vreemder lijkt dan dat het is: Westbroek zat tussen Tannhaüser in New York en Cavalleria Rusticana in Londen in. En wat zag zij er prachtig uit!

Veel Nederlandse operaliefhebbers herinneren zich nog de fantastische Eboli (Don Carlo) van Violetta Urmana van een jaar of tien geleden. Haar ‘O don fatale’ die zij voor het gesloten doek zong was niet meer zo vlekkeloos als toen, maar zeker indrukwekkend.
De finale uit de tweede acte van Le nozze di Figaro voelde als een echte uitsmijter. Het werd gezongen door louter Nederlandse zangers: hoezo kunnen we geen opera meer met alleen maar Nederlanders bezetten? En weer viel het mij op hoe geweldig goed Roger Smeets (Antonio) is! Hij en Marcel Beekman stalen de show in de verder echt hilarisch en goed gezongen (en geacteerde!) scène. Thomas Oliemans, Judith van Wanroij, Lenneke Ruiten, André Morsch, Florieke Beelen, Dennis Wilgenholf: jullie waren allemaal fantastisch!
Een van de hoogtepunten van de avond was voor mij het optreden van Peter Rose. De bas, begeleid door Peter Lockwood, zong (en acteerde!) Bottom’s Dream uit A Midsummer Night’s Dream van Britten op zo’n fenomenale manier dat ik alleen maar op een vervolg kan hopen.
Met het moeiteloos en virtuoos gezongen ‘Aux langueurs d’Apollon’ uit Platée van Rameau kreeg Sabine Devieilhe de zaal op de stoelen. De zeer ingetogen door Adriana Pieczonka gezongen Morgen van Richard Strauss voelde een beetje als een vreemde eend in de bijt, maar mooi was het wel.

Hartverscheurend vond ik het terugzien met de, té jong en té abrupt gestorven Jeroen Willems in een fragmentje uit La Commedia van Andriessen.

Enorm genieten waren de door het DNO-koor aanstekelijk en opzwepend gezongen ‘Polovtsiaanse dansen’ uit Vorst Igor van Borodin. Hopelijk wordt in de nabije toekomst de hele opera op de planken gezet. Het koor is er klaar voor!

‘Passacaglia: Secret of Wind and Birds’, de nieuwe compositie van Tan Dun kon mij niet bekoren. Dat het publiek uit zijn dak ging is niet verwonderlijk. Gefluit van vogels dat in een swingende jazzy uitbarsting à la Bernstein uitmondt voelt natuurlijk lekker. Het slot mooi bij de Candide- ouverture, maar voor mij klonk het als een slap aftreksel uit In the Waterfront.

Ik ben geen grote liefhebber van ballet, maar snap wel dat het niet op een gala van Nationale Opera en Ballet mag ontbreken. Het is dan ook fijn dat er, speciaal voor de gelegenheid een nieuw ballet (choreografie: Krzysztof Pastor) ontworpen werd. Maar of de overheerlijke maar ook de overbekende Crisantemi van Puccini zich er hiervoor leent? De muziek hoor je te ondergaan bij een gesloten doek.
De onoverkomelijke afzeggingen leidden niet tot de grote rampen. Nu ja, een kleintje dan. De stem van Paolo Fanale (vervanger van de aangekondigde Atalla Ayan) was gewoon te klein voor Alfredo. In het duet ‘Parigi o cara’ uit La traviata, dat hij zong met de mooie Eleonora Buratto, was hij amper te horen.
De avond was verder buitengewoon sfeervol, maar als ik toch even mag klagen: mag in het vervolg de dj na afloop vervangen worden door een strijkje? Want afgezien van het afschuwelijke lawaai: 30-plussers in gala zien ‘shaken’ is echt geen gezicht.

Er was één iemand die vrijdag node gemist werd. Fred Lingen, boegbeeld en verpersoonlijking van de opera, had hierbij moeten zijn. Ik troostte me met de gedachte dat er tegenwoordig in de hemel vast ook live-streams worden uitgezonde
Foto’s: Hans van den Bogaard
Ik en opera’s van Haydn, zou het nog eens goed kunnen komen?
De ZaterdagMatinee opende haar seizoen in 2009 met Armida van Haydn. Ondanks de geweldige uitvoering van de topcast kon de opera mij niet boeien. Ik en opera’s van Haydn, zou het nog eens goed kunnen komen?
Op een kleine opleving in de jaren zeventig van de vorige eeuw na, toen Antal Dorati zich over het oeuvre heeft ontfermd, waren bijna alle opera’s van Haydn een stille dood gestorven. Ze werden bijna nooit meer uitgevoerd. Vergeten en onder een dikke laag stof verstopt. Terecht?
Daar kunnen we tegenwoordig makkelijk achter komen: we zijn in het Haydn-jaar beland (de componist is 200 jaar geleden gestorven) en dat zullen we weten ook. De ene na andere opera van hem wordt afgestoft en uitgevoerd.

Annibale Carraci: Armida en Rinaldo (1601)
Ook de ZaterdagMatinee heeft haar 49e seizoen geopend met Haydn: Armida, één van zijn meest bekende opera’s. Het verhaal van de tovenares Armida en de door haar in de val gelokte kruisridder Rinaldo was een inspiratiebron voor vele componisten. Ook Händel, Glück, Rossini en Dvorák (om een paar te noemen) hebben een opera over haar gemaakt.
Wat onderscheidt Haydn van zijn muzikale broeders? Voornamelijk heel erg veel noten. En heel erg veel da capo’s. Zonder fine. Een recitatief, een aria… Virtuoos, dat wel, en daar kun je, als je over mooie coloraturen beschikt, natuurlijk eindeloos in schitteren. Maar voor de toeschouwer is het allemaal toch iets te weinig om te boeien.
Althans voor mij. Heel erg dapper heb ik mij door de eerste helft geworsteld, met een zakdoek tegen mijn mond gedrukt (stel je voor dat ik betrapt werd tijdens het gapen!). Maar toen ik na de pauze op mijn goede zitplaats (de eerste rij balkon) plaatsnam en alvast begon te geeuwen, bedacht ik dat het misschien geen goed idee was om er langer te blijven.
Aan het orkest lag het niet. Onder de meer dan bezielde leiding van Jaap van Zweden speelden zij de sterren van de hemel. Strak, spannend, dramatisch, en waar nodig met de mooiste pianissimi. Hulde.
Aan de dirigent lag het ook niet. Jaap van Zweden deed alsof het de beste partituur was die hij in jaren op zijn lessenaar kreeg. Ik wou dat ik zijn passie voor die muziek kon delen.

Meagan Miller
Ook aan de zangers lag het niet. Meagan Miller (een last minute vervangster voor Eva Mei) was een felle Armida. Haar topnoten waren niet altijd zuiver en soms klonk ze een beetje schel, maar haar intensiteit en muzikaliteit waren meer dan indrukwekkend.

Gregory Kunde © Chris Gloag / OnP
Gregory Kunde (Rinaldo) is een solide belcanto tenor met een mooi timbre en veel kleuren in zijn stem – daarmee is hij zonder meer één van de besten in zijn stemsoort.

Mojca Erdmann ©Felix Broede
De nieuwe, onlangs door Deutsche Grammophon exclusief gecontracteerde ‘megaster’ Mojca Erdmann (Zelmira) klonk zoals de meeste ‘megasterren’ tegenwoordig klinken: e(so)therisch, hoog, licht en wendbaar.
Eenmaal thuis terug heb ik de radio aangezet, en toen kon ik opeens genieten. Wellicht moet je sommige opera’s op je gemak in je luie stoel beluisteren? Of misschien moet ik me maar met het idee verzoenen dat ik en Haydn (zijn opera’s, althans) elkaar niet liggen?
Peter Grimes in Gent: herinneringen aan een prachtige productie
Stel je één van de mooiste steden ter wereld voor, badend in de namiddagzon na een flinke onweersbui. Eerst overheerlijke frietjes, weggespoeld met een verrukkelijk ‘bolleke’ op een terrasje. En dan mag je naar de opera.
Het operahuis zelf is net een bonbonnière. Het lijkt een beetje op die van Antwerpen, maar dan kleiner en nog mooier, met wellicht de fraaiste foyer die je je kan bedenken.
Raar maar waar: het was mijn eerste bezoekje aan het operahuis in Gent. Een bezoekje dat niet anders dan een enorm succes kan worden genoemd. Niet alleen vanwege die oogverblindende entourage, die uiteraard slechts buitenkant was, maar vooral vanwege de opera zelf. Daar kan ik kort over zijn: meesterlijk.
Peter Grimes van Benjamin Britten is geen gemakkelijke opera. Niet omdat de muziek zo moeilijk is. Britten spreekt een zeer begrijpelijke taal, die het midden houdt tussen Berg (Wozzeck), Kurt Weill en Cole Porter (ja, echt waar!). Een taal die bovendien sterk in de Verdiaanse traditie is verankerd.
Nee, het is het verhaal, het thema dat ons ongemakkelijk op onze stoelen laat schuiven. Want laten we wel zijn: hebben we ons er allemaal niet minstens een keer aan bezondigd? Aan het veroordelen zonder de feiten te kennen? En hebben we allemaal niet wel eens moeite met een vreemdeling (gehad)? Iemand die zich niet wil/kan aanpassen? Die bovendien zelf een gespleten persoonlijkheid heeft? Aan de ene kant hunkert hij naar liefde en geborgenheid, aan de andere wilt hij niets anders dan onafhankelijk en zichzelf blijven zonder zich te hoeven conformeren. Tel daarbij een gezonde portie zelfhaat…

De productie van David Alden, oorspronkelijk voor de English National Opera gemaakt, werd vorig jaar bekroond met de prestigieuze South Bank Show Award. Hoe terecht! Zelden zie je een regie waarin traditie, vooruitstrevendheid en begrip voor de menselijke psyche zo hand in hand samengaan.
Alden oordeelt niet, dat laat hij aan ons over. Hij laat ons kennismaken met de moeilijke hoofdfiguur, die wellicht schuldig is, maar misschien ook niet. En hij laat ons kennismaken met de maatschappij die hem uitspuugt. Onder de dunne schil van het pseudo-fatsoen gaat hun eigen onfatsoen schuil: zuipen, spuiten, slikken, seksueel misbruik, bemoeienissen met andermans levens, roddels, geruchten. En waar een opgewonden menigte is, is een lynch nooit ver weg.
Mrs. Sedley (een bijzonder sterke, hoewel misschien iets te jong ogende Carol Wilson) is verslaafd aan kalmeringsmiddelen en is beslist niet vies van mannen. Haar obsessie met de misdaad doet het Nederlandse publiek niet alleen aan de in wezen lieve Miss Marple of Jessica Fletcher denken, maar ook (of misschien wel voornamelijk) aan onze eigen misdaadopspoorder, Peter R. de V.

Auntie (een fantastisch ogende en dito zingende Rebecca de Pont Davies) is hier geen goedmoedige kroeg- en bordeeluitbaatster. Het meeste lijkt zij op Otto Dix en zijn schilderijen. En een beetje op Marlene Dietrich. Noch man, noch vrouw. Haar expressionistische, decadente verschijning roept herinneringen op aan het Berlijn en haar vluchtelingen uit de jaren dertig van de vorige eeuw. Eén van de (lichte) verwijzingen naar de tijd van de handeling. Maar ook een nadenkertje.

De beide ‘nichten’ (Liesbeth Devos en Tineke Van Ingelgem) lijken net een Siamese tweeling. Ze zijn eeuwig aan elkaar verbonden en lijken in hun autisme zowat de zusters van John, de nieuwe leerjongen van Grimes. Over psychodrama gesproken!
De grotesk aandoende, cokesnuivende Ned Keene had geen betere vertolker dan de jonge Leigh Melrose kunnen krijgen en Philip Sheffield was een werkelijk fenomenale Reverend Horace Adams.

In de visie van Alden is kapitein Balstrode fysiek gehandicapt. Hij heeft maar één arm en loopt met een stok. Gek genoeg heb ik het al eerder gezien, in de Düsseldorfse productie geregisseerd door Imre Karaman. Toeval?
Peter Sidhom was in de rol van Balstrode een meer dan ideale bezetting. Hij heeft een sterke, bronzen geluid, wat hem een zeker overwicht geeft. Je snapt dan ook meteen waarom iedereen naar hem luistert en waarom Grimes zonder morren zijn raad opvolgt. Maar hij kan ook fluisteren. En acteren.
Ellen Orford (bij vlagen een beetje scherpe Judith Howard) is bij Alden iets anders dan wij haar kennen. Het gaat te ver om haar onverschillig te noemen, maar op de een of andere manier wilt ze toch van het eventuele misbruik van het kind door Grimes niets weten. In de hoop dat haar droom niet verstoord wordt?

Peter Grimes (een fabuleuze Jorma Silvasti) zet een mens van vlees en bloed neer. Normaal, of juist niet. Geen brullende ‘Wagner-tenor’, maar een bij vlagen lyrische dromer. Standvastig in zijn beslissingen, maar ook bang voor zichzelf. En voor wat komen gaat.
De meesterlijk opgebouwde scène waarin hij – opgeschrikt door de naderende menigte – het touw laat vallen waardoor John dodelijk verongelukt, is werkelijk huiveringwekkend. Maar dan, aan het eind, als hij het lichaam van het dode kind zachtjes in zijn armen wiegt, dan laat hij voor het eerst zijn echte gevoelens zien. Hartroerend.
Het was de eerste keer dat Leif Segerstam Peter Grimes dirigeerde en hij deed het voortreffelijk. De zee uit de partituur was onder zijn handen woest tijdens de storm en fluisterzacht aan het eind. Petje af!
Ook het koor van de Vlaamse Opera (koordirigent Yannis Pouspourikas) kweet zich voortreffelijk van zijn moeilijke rol.
Niet onvermeld mogen blijven de magische en zeer fascinerende belichting van Adam Silvermann en een werkelijk slimme, ter zake doende en mooie choreografie van Maxine Braham.
Ik kan eigenlijk helemaal geen minpunten bedenken, of het moet het zeer moeilijk verstaanbare Engels van Judith Howard zijn. Of de niet helemaal vlekkeloze cellosolo. Maar dan ben je echt op zoek naar futiliteiten.
Bezocht op 3 juli 2010 in Vlaamse Opera Gent
Alle foto’s © Annemie Augustijns.
Meer Peter Grimes:
Plotseling uitval titelrolvertolker in Peter Grimes leidt niet tot scheepsramp
Immo Karaman regisseert Britten in Düsseldorf. Deel 1: Peter Grimes
Busoni en La Nuova Commedia dell’ Arte
Feruccio Dante Michelangelo Benvenuto Busoni is, denk ik, één van de grootste kosmopolitische componisten uit de muziekgeschiedenis. Zijn vader was een Italiaan en zijn moeder een Duitse. Busoni studeerde in Oostenrijk, trouwde met een Russisch-Zweedse en ging in Berlijn wonen. Voornamelijk dan, want hij woonde ook in Wenen, Zürich en Bologna. En, o ja, hij had ook nog eens Joodse wortels. En dan al die voornamen!
Het schijnt dat hij een boekencollectie had die had kunnen concurreren met de meeste bibliotheken: geen wonder dat hij zijn klassieken kende! Busoni was ook een groot kenner en bewonderaar van Carlo Gozzi en na het componeren van de incidentele muziek voor zijn toneelstuk Turandot besloot hij het gegeven tot een opera te verwerken. In dezelfde tijd (1916) componeerde hij ook Arlecchino, een opera gebaseerd op een figuur uit Commedia dell’Arte. De (Duitstalige) libretto’s met veel gesproken dialogen zijn van de hand van de componist zelf.

Beide opera’s, die Busoni ‘La Nuova Commedia dell’ Arte’ noemde beleefden hun wereldpremière op 11 mei 1917 in het Stadttheater van Zürich onder leiding van de componist zelf.
In 1992 werden de opera’s in Berlijn opgenomen en nu (voor het eerst?) op de markt gebracht. Joseph Protschka is een warm getimbreerde Kalaf en Linda Plech excelleert als Turandot. Gerd Albrecht dirigeert zeer betrokken, met veel aandacht voor de partituur.
Feruccio Busoni
Turandot; Arlecchino
Rene Pape, Linda Plech, Joseph Protschka, Celina Lindsley, Peter Matic, Robert Wörle, Siegfried Lorenz e.a.
Radio-Sinfonie-Orchester Berlin olv Gerd Albrecht
Capriccio C5398
Hommage aan Boris Blacher
Tijdens het Grachtenfestival in 2011 presenteerde KamerOperaProject een bijzondere muziektheaterproductie: Vloed! In de productie werden drie korte Duitse opera’s uit de periode 1929-1953 aaneengesmeed, twee van Boris Blacher en één van Karl Amadeus Hartmann.

Boris Blacher
Boris Blacher (1904 – 1975) is voor veel muziekliefhebbers terra incognita. Als ze al zijn naam kennen, dan is het van zijn Paganini Variaties, terwijl hij zo veel fantastische werken heeft gecomponeerd.
Verwonderlijk? Niet echt. Hij was van alle markten thuis: vooruitstrevend, maar niet revolutionair genoeg. Politiek en sociaal geëngageerd, maar zonder lidmaatschap van de communistische partij. Experimenterend, maar zonder de grenzen te overschrijden. Hij hield net zo veel van een mopje foxtrot als van ‘variabele metriek’, een manier van componeren waarvan hij de uitvinder was.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog was hij noch collaborateur noch een meeloper, maar hij nam ook geen deel aan verzet en bleef gewoon in Duitsland. Na de oorlog werd hij door zowel de West-Duitsers als de Ossi’s geaccepteerd. Een allemansvriend is zelden echt geliefd. Gelukkig denken we niet meer in hokjes.
KamerOperaProject heeft Blacher in het zonnetje gezet en zijn beide opera’s en zowat alle liederen geprogrammeerd. Om het allemaal in goed perspectief te kunnen plaatsen, werden wij door middel van lezingen, films en (archief)videobeelden met Berlijn in de eerste jaren na de oorlog geconfronteerd
Er zijn maar liefst drie dagen voor het project uitgetrokken. Het ‘hoofdgerecht’ (als ik het zo oneerbiedig mag zeggen) was Vloed!, een uiterst boeiende voorstelling die samengesteld werd uit drie korte opera’s: Blachers Die Flut uit 1946, aangevuld met zijn Abstrakte oper nr.1 uit 1953 en Der Mann der vom Tode auferstand van Karl Amadeus Hartmann uit 1929.

Het ‘voorgerecht’ bestond uit een lezing, die ik voortijdig heb verlaten (het was niet te verstaan!) en de eerste naoorlogse Duitse film: Die Mörder sind unter Uns van Wolfgand Staudte, met in de hoofdrollen Ernst Wilhelm Borcher en Hildegard Knef. De film, gedraaid in de puinhopen van de stad, is inmiddels een klassieker en eigenlijk een must.
Het verhaalt over een jonge arts die beschadigd uit de oorlog is gekomen. Hij zint op wraak op zijn vroegere commandant die oorlogsmisdaden op zijn geweten heeft, maar weet zich met behulp van de liefde van een jonge vrouw, een kampoverlevende, uit zijn malaise te onttrekken.

Scène uit Vloed! © Ronald Knapp
Vloed! liet ons kennismaken met een bankier, die zo in een hoorspel opging dat hij dacht te zijn doodgeschoten door de revolutionairen. Zijn vrouw vond hem radeloos aan, maar dat was maar een verbeelding.
De echte nachtmerrie begon toen de bankier en zijn vrouw een uitstapje maakten naar een in zee liggend scheepswrak, waar ze door de vloed werden verrast. Het resulteerde in heftige emoties: erotiek, jaloezie, doodsangst, bedrog en verlangen en aan het eind werd de bankier daadwerkelijk vermoord.
Volgens de inleiding zou er een parallel bestaan tussen de hoofdpersonen in de film en de opera, maar eerlijk gezegd zag ik het verband niet. Want al kan je, met enigszins goede, of liever, kwade wil nog iets gemeenzaam tussen de staalmagnaat/commandant uit de film en de bankier ontdekken, de Jonge Man en de dokter liggen mijlenver uit elkaar.
De opera zou ook een vingerwijzing zijn naar de oorlogsmisdadigers maar vijfenzestig jaar later was het verband niet zo duidelijk. Vandaar ook dat ik het zeer verstandig van KamerOperaProject vond om de actie naar onze tijd te verplaatsen. Juist nu we te maken hebben met de economische crisis, frauderende bankiers (denk alleen aan de bonussen!), rebellerende (pseudo)revolutionairen en de meelopende massa die het allemaal niets kan schelen.
De voorstelling was waanzinnig spannend. Er werd voortreffelijk in gezongen en geacteerd. Ik werd met name gecharmeerd door de bariton Alistair Shelton Smith (visser). De begeleiding door de zes musici tellende ensemble was voorbeeldig.
Als ‘nagerechten’ werden er twee recitals met liederen en kamermuziek van Blacher geserveerd. De voorstelling Herzenverstand kwam bij mij niet over. Het voelde als een samengeraapte mengelmoes aan liederen en muziekfragmenten waar ik geen rode draad in kon ontdekken.
Op zich zou het niet eens zo erg zijn geweest, als we maar eens wisten wat er werd gezongen. Er was geen boventiteling en de liedteksten ontbraken. Daar hielpen de op de schermen geprojecteerde tekeningen van Paul Rosié niet, al gaven ze tenminste enige aanwijzing.
Rosanne van Sandwijk beschikt over een ongetwijfeld mooie mezzo, met een prettige timbre. Het kan natuurlijk aan haar leeftijd en onervarenheid liggen, maar zij is nog veel te voorzichtig, zowel in haar voordracht als in haar interpretaties. Zij moet leren wat meer van zichzelf te geven, zich een beetje te laten gaan
André Morsch behoort tot de meest getalenteerde zangers van zijn generatie. Zijn bariton is zeer warm en zijn dictie voorbeeldig. Het ontbreekt hem alleen aan voldoende ‘overwicht’ om voor twee te boeien

Tekening van Paul Rosié uit 1946
Ornamente für Kate Kühl (Ode aan de Berlijnse Trümmerfrau) met de ongepubliceerde liederen van Blacher was daarentegen ongemeen spannend. De voorstelling werd opgebouwd als een vocaal en filmisch portret van de anonieme Berlijnse vrouw uit de jaren 45-47.
In de begeleidende teksten, hier in de vorm van een fictief dagboek (tekst: Paul Oomens) die een periode tussen april en juni 1945 omvatte, kwamen alle belevenissen van ‘de vrouw’ aan bod. Bombardementen, puinruimen, verkrachtingen, verlangens en hoop op een betere toekomst. En het weerzien met een doodgewaande geliefde – een scène die mij het meeste heeft geraakt
“Daar stond hij dan, Geerd. Met een zak aardappels en spek. En ik voelde niets, ik huilde niet, ik lachte niet. Ik ging ook niet naar hem toe” (ik citeer uit mijn hoofd). Huiveringwekkend.

Evi De Jean © kameroperaproject









