Henriette Meric-Lalande as Alaidein the original 1829 production
Admittedly, the libretto is so confusing that even the main characters themselves probably do not know who they are, and, with whom, or why, they are doing whatever they are doing. But the music! If angels existed, they would be singing Bellini’s cantilenas from La Straniera for all eternity (can one get bored by that?).
This is even more true because, apart from one or three times, there are no real arias, at least not in the old-fashioned way. It is more of a ‘conversation piece’ with many dialogues and very theatrical long scenes, which nevertheless follow each other in rapid succession.
Bellini composed La Straniera in 1929, three years before Norma and La Sonnambula, and you can already hear some early references to his most famous music (‘Casta Diva!’). Strangely enough, I can also hear fragments from La Traviata here and there…
All roles are excellently cast. Dario Schmunck with his pleasant sounding tenor is particularly suitable as a romantic lover and the lyrical baritone Mark Stone (remember that name!) is a warm-blooded Valdeburgo. The virtuoso mezzo Enkelejda Shkosa sings a moving Isoletta and for Patrizia Ciofi one word suffices: phenomenal. Nowadays there is no other singer who can sing the role of Alaide better or with more commitment (ORC 38).
Giancarlo Menotti. For most Dutch opera lovers, he is no more than a vaguely familiar name. His operas have never been very popular here and performances can be counted on one hand.
A pity, really, because not only is his music exceptionally beautiful (think of a combination of Mascagni and Britten), but the subjects he deals with in his (self-written) libretti are socially engaged and they address current topics.
THE CONSUL
A newspaper article of February 12, 1947 on the suicide of a Polish emigrant whose visa for the USA had been rejected, was seen by Menotti, who sadly remembered the fate of his Jewish friends in Austria and Germany (his own partner, the composer Samuel Barber, was also Jewish). He took this sorry tale and used it as a basis for his first full-length opera. The subject has – unfortunately – lost none of its actuality and The Consul is and remains an opera that cuts right through your soul.
In 1960, it was produced for television, and that registration has been released on DVD by VAI (4266 ). In black and white, without subtitles (don’t be alarmed, there is very clear singing) and extremely dramatically portrayed by Jean Dalrymple.
Patricia Neway sings ‘To This We’ve Come’:
HILFE, HILFE DIE GLOBOLINKS!
This opera is ‘for children and for those who love children’. The premiere took place in 1968 in Hamburg and a year later it was filmed in the studio.
I must confess that I’m not a big fan of children’s operas, but I’ve been shamelessly enjoying this one. It is an irresistible fairy tale about aliens (Globolinks) who are allergic to music and can only be defeated by means of music.
The images are very sensational for that period, full of colour and movement and the forest little Emily (the irresistible Edith Mathis) has to go through with her violet to get help is really frightening. The aliens are a bit of a let-down according to modern standards, but that doesn’t matter, it gives the whole a cuddly shine. The work is bursting with humour and irony; musical barbarians are lashed out at: the school principal who doesn’t like music turns into an alien himself.
There are also a lot of one-liners (“music leads you to the right path” or “when music dies, the end of the world is near”). It is incomprehensible a work like this is not performed all the time in every school (and I don’t mean just for the children), the subject is (and remains) very topical.
None of the roles, including the children, could be better cast, and this once again proves the high standard of the Hamburg ensemble. In which other city would you find so many great singers/actors who can perform so many different roles on such a high level?
Nee, er bestaat niet zoiets als een ‘Poolse viool’. De Britse violiste Jennifer Pike bespeelt een Guarneri del Gesù uit 1733 en daar is niets Pools aan. Maar de vier componisten op haar album zijn het wel. Althans wat nationaliteit betreft want ook hun werken, op de Polonaise de concert van Wieniawski na (die nota bene Joods was) is er niets van ‘Pools eigen’ te bespeuren.
Niet dat het iets uitmaakt. Een cd moet verkopen en een pakkende titel is altijd meegenomen. Maar als niet alleen het repertoire maar ook de uitvoering werkelijk fenomenaal zijn dan ga ik mijn mond daar verder over dichthouden.
Voor eenieder die van vioolconcerten houdt is Henryk Wieniawski een bekende naam, al wordt hij tegenwoordig niet zo vaak meer uitgevoerd. Szymanowski is na jaren verzwegen en beschimpt tegenwoordig één van de meest bespeelde componisten geworden. Ook zijn Mythes, voor mij één van zijn mooiste composities komen steeds vaker voor bij de recitals. En zelfs de bewerking van Roxane’s lied uit Król Roger is ook al eerder opgenomen.
Mieczysław Karłowicz
Morits Moszkowski is wellicht nog her en der bekend van zijn pianoconcerto, maar Mieczysław Karłowicz hoor je gewoon nooit. Waarom? Wie het weet mag het zeggen. De in december 1876 geboren en in februari 1909 verongelukte componist (tijdens een skitocht in de hoge Tatra gebergte werd hij door een lawine overvallen) heeft een grote oeuvre van schitterende werken nagelaten: symfonieën, concerten, kamermuziek en onweerstaanbare liederen. Best jammer dus dat het duo Jennifer Pike en Petr Limonov maar één stuk van Karłowicz hebben opgenomen. Zeker omdat ze er hoorbaar affiniteit mee hebben. Iets voor de toekomst?
Maar hoe dan ook: deze cd is eigenlijk een must voor alle viool-, kamermuziek of gewoon muziekliefhebbers. Alles is er mooi aan. Echt alles. Pike’s frasering is sensueel, bijna erotisch zelfs, iets wat de muziek als een handschoen past. Petr Limonov is haar beste ‘partner in crime’ en samen zorgen ze voor een ‘once in the time’ beleving. Mis de cd niet!
Szymanowski, Moszkowski,Karłowicz, Wieniawski Jennifer Pike (viool), Petr Limonov (piano) Chandos CHAN 20082
Feruccio Dante Michelangelo Benvenuto Busoni is, denk ik, één van de grootste kosmopolitische componisten uit de muziekgeschiedenis. Zijn vader was een Italiaan en zijn moeder een Duitse. Busoni studeerde in Oostenrijk, trouwde met een Russisch-Zweedse en ging in Berlijn wonen. Voornamelijk dan, want hij woonde ook in Wenen, Zürich en Bologna. En, o ja, hij had ook nog eens Joodse wortels. En dan al die 13voornamen!
Het schijnt dat hij een boekencollectie had die had kunnen concurreren met de meeste bibliotheken: geen wonder dat hij zijn klassieken kende! Zijn Doktor Faust is anders dan alle andere Fausten die we kennen.
Anders dan bij Goethe (Busoni gebruikte een in die tijd bekend poppenspel voor het door hemzelf vervaardigde libretto) wenst Busoni’s Faust zich geen eeuwige jeugd, maar een volkomen vrijheid, die, zoals hij later ontdekt, niet bestaat. Maar hij heeft zijn ziel nog, en die schenkt hij aan een (zijn?) dood kind, waardoor hij als het ware reïncarneert. Busoni spendeerde maar liefst twintig jaar om het verhaal tot een opera te smeden, ook nog eens zonder het te voltooien. Het slot werd door zijn leerling, Philip Jarnach, gecomponeerd.
De opera werd in 2006 in Zürich opgevoerd en gefilmd (Arthaus Musik 101283). Die productie is in alle opzichten fenomenaal.
Thomas Hampson speelt zowat de rol van zijn leven. Zijn Faust is, zowel scenisch als muzikaal, van het allerhoogste niveau.
In Gregory Kunde (Mépfistophélès) heeft hij echter een geduchte tegenstander: wat de tenor alleen al aan gezichtsuitdrukkingen in huis heeft, grenst aan het onmogelijke
Dit populaire werk stamt uit 1832 en valt zodoende in Donizetti’s middenperiode. Het is een melodramma giocoso, dus met een lach en een traan. Als luchthartig werk heeft het vooral concurrentie van Don Pasquale (dramma buffo) en La fille du régiment (opera comique).
Ik zag deze opera een aantal malen in het theater en keek nog eens terug aan de hand van de opname uit 1996 die is gemaakt in de Opéra National de Lyon, Die productie van Frank Dunlop was een groot succes, vooral dankzij het nieuwbakken echtpaar Alagna en Gheorghiu in de hoofdrollen.
Dunlop heeft geopteerd voor een klein toneel met daarop een decor dat er uitziet als….een decor. Dus gewoon simpele attributen, omlijst door twee wanden die tonen als huizen van meerdere verdiepingen. De kwakzalver Dulcamara komt aanrijden in een auto met caravan en die doet tevens dienst als verkooppunt. Er zijn aardige zwijgende rollen voor zijn charmante assistente en voor mevrouw Dulcamara die duidelijk de baas is in huis en al het ontvangen geld onmiddellijk in beslag neemt.
Angela Gheorghiu is een prachtige Adina, een beauty met een stem. Ze mag van de regie meermalen van kleding wisselen zodat we haar in verschillende goed gekozen kostuums kunnen bewonderen. Aanvankelijk in paardrijkleding met een zweepje, tegen het einde in een rode jurk met witte bloemetjes.
Alagna zet een herkenbare Nemorino neer, een beetje de dorpssukkel met een onmogelijke liefde die plotseling in trek is als hij een grote erfenis krijgt van zijn overleden oom. Zingend is het koppel volledig tegen elkaar opgewassen en het plezier van samen optreden in een luchtig werkje straalt er vanaf. Heel bijzonder natuurlijk, twee grootheden samen in een Elisir. Niet een cast die je alle dagen zult treffen.
Roberto Scaltriti is een mooie typecast als de bullebak Belcore, de zeer van zichzelf overtuigde sergeant die na aankomst in zijn nieuwe inkwartieringsplaats de dorpsschone maar direct een aanzoek doet.
Simone Alaimo maakt veel werk van de kleine oplichter Dulcamara, zo’n schurk die eigenlijk niemand iets kwalijk kan nemen.
De zang is uitstekend over de hele linie, met inbegrip van het koor en de kleine rol van Gianetta, gezongen door Elena Dan. Maar er wordt nadrukkelijk een komisch effect beoogd bereikt door veel aandacht te schenken aan stil spel, mimiek en slapstick. Het gegeven dat Belcore een troep soldaten achter zicht aan heeft lopen, biedt natuurlijk mogelijkheden tot onderlinge botsingen en valpartijen.
Alagna krijgt een langdurig open doekje voor het succesnummer ‘Una furtiva lagrima’ maar feitelijk beloont het publiek hem voor zijn gehele optreden tot dat moment. Hij is een perfecte Nemorino.
Qua zang behoort de voorstelling toe aan Angela Gheorghiu, werkelijk een schitterende vertolking van Adina, en ook heel goed en subtiel geacteerd.
De muzikale leiding is in de vertrouwde handen van Evelini Pidò. De opname is een kwart eeuw oud maar terugkijken is een feest der herkenning.
Ludomir Różycki: who still knows this composer? I fear that even in Poland he is no longer more than just a name, although I cannot swear to it. And if he is mentioned anywhere in the music history books, it is because of his ballet Pan Twardowski. And yet he composed so much more!
Together with (among others) Mieczyslaw Karlowicz, Karol Szymanowski and Grzegorz Fitelberg, Różycki was part of the group ‘Młoda Polska’ (Young Poland). The movement, which lasted for roughly thirty years (1890 – 1920) and featured decadence, neo-romanticism, symbolism, impressionism and art nouveau, was not exclusively a Polish phenomenon. Just think of the Italian Novecento. Parabellum. Zeitgeist.
Różycki started working on his violin concerto in the summer of 1944, the summer of the Warsaw Uprising. When the situation became too dangerous, Różycki fled Warsaw with his family members. He hid his unfinished manuscript in a suitcase and buried it in his garden. Różycki’s house did not survive the uprising and the composer started working in Katowice after the war. He never thought about his violin concerto again. It was gone. Lost. It was only years, really years later that construction workers found the score in the ruins of his house. Polish National Library included it in its archive and … and nothing else happened.
But the miracles are not over yet. In 2018, violinist Janusz Wawrowski discovered the score and was just about stunned. He knew immediately that he had struck gold, that he had found a real musical wonder. Not that it was perfect. When you are pulled out from under the ashes, you are likely to be a bit battered. The score was missing 87 opening bars, but in collaboration with pianist and composer Ryszard Bryla, Wawrowski managed to reconstruct the concerto.
The concerto was recorded by Warner Classics (0190295191702) and when I put the CD on, it was my turn to be stunned, indeed I was knocked for six. So extraordinarily beautiful, so full of unadulterated emotion. It is unimaginable that this treasure has lain hidden underground (and after that in the library) for so many years.
Różycki’s concerto is coupled with Tchaikovsky’s. Not very surprising, since both concertos have so much in common. The performance by Janusz Wawrowski and the Royal Philharmonic Orchestra, conducted by Grzegorz Nowak, is just like the concertos themselves: divinely beautiful.
The 2009-2010 season of De Nationale Opera (then the Netherlands Opera) in Amsterdam started very strongly with Jacques Fromental Halévy’s La Juive. This production had already been staged in Paris, where it was highly praised despite its unsuccessful premiere (the opera staff were once again on strike and there was no lighting).
Pierre Audi’s direction was particularly beautiful and effective. As is (almost) always the case with him, the images were stylised, aesthetic and beautiful to look at. The understated aesthetics worked perfectly with the highly emotional music, not to mention the subject matter.
Jean Kalman’s grandiose lighting was an important part of the stage concept, making the final scene, in which Eléazar and Rachel calmly walk towards their deaths, one of the most moving moments in opera history. I just had to cry and I was not alone. George Tsypin’s setting: a steel cathedral that also served as a prison, was also very impressive.
Musically, it was a dream performance. Dennis O’Neill really wás Eléazar. Not so young anymore, tormented, full of revenge, but also doubting – a truly perfect performance. He sang his great aria full of glow and passion, and with the necessary sob. And although it was not entirely perfect here and there, it was just so very moving.
The voice of Angeles Blancas Gulin (Rachel), with its very recognisable timbre, is not exactly ordinary. At times metallic and sharp, yet warm and round. Her portrayal of a young girl torn between duty and love was very credible and her fear physically palpable.
John Osborn (Léopold) and Annick Massis (Eudoxie) were also present in Paris. Both singers possess a truly phenomenal bel canto technique and dazzling, supple high notes.
Alaistair Miles (Brogni) may not have had the best low notes, but his charisma was very impressive.
Carlo Rizzi conducted the excellently playing Netherlands Philharmonic Orchestra with the necessary momentum and the Netherlands Opera Chorus (rehearsal: Martin Wright) was, as always, compelling and unmatched. A big BRAVO to all.
Riccardo Zandonai werd ooit beschouwd als dé opvolger van Puccini. Hij schreef een kleine dertiental opera’s, waarvan eigenlijk alleen Conchita (1911), Francesca da Rimini (1914) en Giulietta e Romeo (1921) ooit zeer succesvol waren.
Heden worden ze nog maar zelden opgevoerd en de doorsnee operaliefhebber komt niet verder dan Francesca da Rimini. Jammer, want de werken van de leerling van Mascagni en wellicht de laatste der veristen zijn een puur genot om naar te luisteren.
De mij enige bekende complete opname van Giulietta e Romeo(GOP 66352) werd in 1955 in Milaan gemaakt. De hoofdrollen werden gezongen door Annamaria Rovere, een prima sopraan met een voor die tijd typisch stemgeluid, en de mij lichtelijk irriterende Angelo Lo Forese. Vanwege de opera zelf, maar ook vanwege de fenomenale Renato Capecchi als Tebaldo een absolute must voor een operaliefhebber.
Een aria uit de opera staat ook op de ‘Verismo’ cd van Jonas Kaufmann:
affiche pour la création du Roi de Lahore par Antonin Chatinière
In 1877 ging in het Palais Garnier voor de tweede maal een nieuw geschreven grand opéra in première, Le Roi de Lahore van Jules Massenet. Met dit werk wist Massenet zijn reputatie als operacomponist te vestigen en dat werd hoog tijd, hij was al 34 jaar oud en hoewel al zijn tiende theaterwerk was Le Roi de Lahore het eerste dat het grote podium bereikte.
Jules Massenet door Jules-Clément Chaplain (1839-1909)
Massenet had eindelijk de wind mee. Jeanne d’Arc van Auguste Mermet had het in Garnier niet verder gebracht dan 15 voorstellingen en was daarna geheel van het toneel verdwenen. Het schitterende nieuwe gebouw uit 1872 was feitelijk gebouwd ter meerdere eer en glorie van de Franse grand opéra en nu leek de toevoer op te drogen. Zodoende werd Massenet een kans geboden en die gok pakte goed uit. En binnen korte tijd was Le Roi de Lahore ook in tal van grote theaters buiten Frankrijk te zien, tot tegen het einde van de eeuw de opvoeringen schaars werden.
De nieuwe productie uit 2004 van Teatro La Fenice zal hierin wel geen verandering brengen maar de opname die op Dynamic werd uitgebracht is voor liefhebbers een waardevol document.
In sommige opzichten is Le Roi de Lahore de voorloper van Lakmé. De handeling speelt zich af in het verre oosten tegen de achtergrond van een hindoe gemeenschap met voor 19-eeuwse westerlingen ondoorgrondelijke rituelen en regels. Massenet voegt hier de voor een grand opéra vereiste politiek historische component aan toe in de vorm van de strijd die de hindoes in Lahore moeten voeren om zich de moslims van het lijf te houden.
Alles draait om de priesteres Sita die een geheime liefde koestert voor een onbekende minnaar die haar ’s avonds bezoekt en op een afstandje met haar praat. Erg onschuldig natuurlijk maar als haar oom Scindia, de eerste minister van het koninkrijk Lahore, er lucht van krijgt veinst hij professionele verontwaardiging maar ziet in werkelijkheid het eigen plan gedwarsboomd om zijn nichtje uit de tempel weg te halen en te trouwen.
Uiteraard speelt de hogepriester Timour een belangrijke rol in het verdere gebeuren. Zijn priesteres in ‘onrein’ geworden en als blijkt dat de geheime minnaar de koning zelf is, zijn de poppen echt aan het dansen. Als boetedoening moet deze Alim onmiddellijk met al zijn troepen oprukken naar het oosten om de moslims te verslaan. Dat mislukt jammerlijk en Alim wordt ook nog eens in het krijgsgewoel neergestoken door Scindia die vervolgens de officieren weet te overreden de koning ontrouw te worden omdat deze de goden tegen zich heeft ingenomen.
Alim sterft maar aangekomen in het hiernamaals weet hij de god Indra te overreden hem zijn leven terug te geven. Zodoende wordt hij kort herenigd met Sita die Scindia heeft kunnen ontvluchten. Als deze haar met geweld probeert terug te halen naar het gereedstaande bruidsbed, doorsteekt ze zich. Daarmee sterft ook Alim en bemerkt Scindia ten langen leste dat ook hij niet tegen de wil van de goden is opgewassen.
We zitten hier in het pre Moghul tijdperk en dat geeft problemen op het punt van decors en kostuums, men heeft maar weinig aanknopingspunten. Het ziet er een beetje fantasie-oriëntaals uit allemaal. Voor de tempel heeft men een aardige oplossing gevonden in de vorm van een halfopen bol waarop een klein puntig torentje is geplaatst. Met de gesloten kant naar voren zijn we buiten, wordt hij gedraaid dan zijn we binnen en zien we een beeld van Shiva in de ‘ring of fire’. Hij wordt niet in dansende positie afgebeeld maar zittend, met twee van zijn vier armen steunend op de grond.
In de derde akte pakt men flink uit met een ballet dat zich afspeelt tijdens een feest in de Orangerie of het Petit Palais in Parijs. Veel glas en een metalen raamwerk, in elk geval een beeld dat strookt met de ontstaansperiode van het werk. De bezoekers zijn allen in avondkleding en het is er een gezellige boel. Dit is het hiernamaals en de god Indra wordt binnengereden op een olifant op wieltjes. Hij staat de nieuweling Alim te woord en laat hem gaan onder de voorwaarde dat hij op aarde aan Sita vast zit, of ze nu trouw is geweest of ontrouw. En als zij sterft is het voor hem ook afgelopen en zullen ze tot het einde der tijden samen in het hiernamaals moeten doorbrengen. Dat heeft Alim er graag voor over.
De eerste akte heeft een moeizaam begin, een langdurig duet van een bas (Timour) en een bariton (Scindia) is geen ideale binnenkomer. Met de verschijning van Sita gaat het beter al vind ik dat Massenet in dit werk beslist nog niet die vloeiende stijl met veel opborrelende emoties heeft die latere werken zo aantrekkelijk maakt, zoals Manon en Werther. Er wordt vooral veel verbale strijd gevoerd waarbij alle protagonisten gehinderd worden door de nogal hoge ligging van hun partij. Gelukkig is er een nadrukkelijke bijdrage van het koor dat daar in het geheel geen last van heeft en het ballet is zonder meer leuk om naar te kijken.
Tenor Giuseppe Gipali en sopraan Ana Maria Sanchez vormen het liefdespaar Alim en Sita dat conform de basisregels van de grand opéra een tot mislukken gedoemde strijd om persoonlijk geluk voert. Hun bijdragen zijn bepalend voor het succes van de voorstelling. Riccardo Zanellato geeft een redelijke invulling aan de rol van de barse eendimensionale Timour. Scindia komt voor rekening van de bariton Vladimir Stoyanov, heel overtuigend als de kwaaie pier in het verhaal en ook goed gezongen.
De muzikale leiding is in handen van Marcello Viotti. De maestro overleed vrij kort na de opname op 51-jarige leeftijd. De dvd is daarom speciaal aan hem opgedragen.
Op Youtube zijn er geen videoclips beschikbaar maar de cd-opname staat op Spotify:
For me, Leoš Janáček’s string quartets form the absolute opus magnus of the genre. Call me sentimental, but at the very first bars of number two my eyes fill with tears and I am really swept up in all the emotions. Over the years, many excellent versions have appeared on the market, of which the DG recording, by the then still very young Hagen Quartet, is the most precious to me.
It is not the first time that Belcea tried their hand at the string quartets: already in 2001, they recorded them for Zig Zag Territoires (ZZT 010701). I was not exactly over the moon then, somehow I did not feel they got to the core of the music. Still, I cherish the recording: I am a real ‘Belcea fan’.
I find the recording on Alpha Classis refreshing. The tempi are a bit fast, but that does not hurt. The players somewhat control their emotions, so that a lot of underground tension can be felt. Nice.
But what makes the CD a real must is the performance of Ligeti’s first string quartet. The Hungarian master composed it in 1954, two years later he had to flee the country, after which he referred to this composition as a ‘prehistoric Ligeti’.
Prehistoric or not: I think it is genius. It keeps you nailed to your seat and you can’t help but listen: preferably with all doors and windows closed, so you will not be disturbed. The string quartet, which for a good reason bears the name Métamorphoses nocturnes (yes, call it programmatic), is not performed very often, but of all the performances I have heard so far, the Belceas’ is definitely at the top.