Winters en Beczala vormen prachtig koppel in Moniuszko’s Halka

TEKST: PETER FRANKEN

In een coproductie met Teatr Wielki programmeerde het Theater an der Wien de Poolse nationale opera Halka van Stanislaw Moniuszko. De opname die van een voorstelling in december 2019 werd gemaakt is recent op dvd uitgebracht. De regie is van Mariusz Trelinski en behalve Corinne Winters in de titelrol zien we Piotr Beczala als haar would be minnaar en Thomasz Konieczny als de man die Halka in het ongeluk stort. Een veelbelovend affiche en het resultaat is er naar, een schitterende uitvoering van dit relatief onbekende werk.

Portret van Stanisław Moniuszko door Michał Elwiro Andriolli 1865. © Tygodnik Ilustrowany”

Moniuszko (1819-1872) was een Pool uit het voormalige Pools-Litouwse Gemenebest. Zodoende wordt hij niet alleen in het huidige Polen geëerd als nationale componist maar heeft hij ook muzikale roots in Litouwen en Belarus. Moniuszko schreef een groot aantal opera’s en operettes waarvan alleen Halka zich heeft weten te handhaven, zij het vooral in de drie hierboven genoemde landen.

De eerste versie had première in 1848 en was geen succes. Beter verging het de latere uitgebreide versie uit 1858. Veranderingen in het sociale klimaat waardoor er minder opgekeken werd tegen de adel of machtige bevoorrechte personen in het algemeen zullen hier mede debet aan zijn geweest. Hoe het ook zij, Halka werd Moniuszko’s grootste succes op het gebied van muziektheater. Niettemin bleef de componist internationaal onbekend, een doorbraak is er nooit gekomen. Het is dus een aangename verrassing dat dit werk nu in Wenen te beleven viel, dankzij de gedurfde programmering van het Theater an der Wien.

Trailer van de productie:

Halka is een weesmeisje dat door de landheer Janusz is opgemerkt toen hij haar dorp een keer bezocht. Hij voelde zich wat alleen en was direct van haar gecharmeerd. Zij op haar beurt liet onmiddellijk elke remming varen en probeerde zich direct aan hem te hechten, haar langverwachte grote liefde, haar ‘valk’. En natuurlijk werd ze zwanger van Janusz voordat deze weer een deur verder ging. Zij hoopt en verwacht dat haar grote liefde weer terug zal komen maar dorpsgenoot Jontek weet wel beter.

Hij is al jaren verliefd op haar en heeft vermoedelijk het idee dat net nu hij wat vorderingen begon te maken bij Halka ze zich in een opwelling door ‘de grote heer’ had laten verleiden. Door haar mee te nemen naar de stad waar de verloving van Janusz met de dochter van een andere edelman aanstaande is, hoopt hij Halka uit de droom te helpen om zodoende weer een kans bij haar te maken.

Op gehoorsafstand van het verlovingsfeest zingt Halka een treurig lied waarin steeds terugkeert dat ze door haar ‘valk’ is verlaten. Janusz’ verloofde Zofia spoort hem aan een kijkje te nemen. Hij had al gehoord wie daar zong en toont zich met haar lot begaan. Zij treedt hem tegemoet als Medea die Iason terug wil winnen voordat hij een nieuw huwelijk sluit, vol overgave met inzet van alle middelen, meer een bestorming dan verleiding. Het heeft bijna succes maar Janusz weet tijd te winnen door haar te vragen bij de rivier op hem te wachten. Hij zal daarheen komen en dan zullen ze er samen vandoor gaan. Uiteraard gebeurt dit niet, maar nu is de aanstaande bruidegom van het probleem verlost, lastig natuurlijk, zo’n skelet in je kast.

Als later ook Jontek zich ermee komt bemoeien tapt de grote heer uit een ander vaatje, ze moeten snel maken dat ze wegkomen. Toch blijft Halka tegen beter weten in hopen op een ommekeer. Maar als het huwelijksfeest wordt gevierd probeert ze dit te verstoren en bij de geplande ceremonie in het dorp doet ze zelfs een poging Zofia’s bruidsjurk te stelen. De bevolking heeft lucht gekregen van Halka’s ongeluk waarvoor de landheer verantwoordelijk is en neemt een dreigende houding aan. Van een gezellig feestje is geen sprake meer.

Door alle emoties krijgt Halka vervolgens een miskraam en daardoor slaat ze door in de andere richting: ze wil zich op Janusz wreken, de kerk in brand steken om hem te doden. Maar uiteindelijk zakt dat weer weg, ze begraaft het dood geboren kind en verdrinkt zich in de rivier.

Trelinski heeft de handeling verplaatst van midden 19e eeuw naar de jaren 1970, duidelijk herkenbaar aan de kleding van de vrouwelijke bruiloftsgasten: plateauzolen, witte laarzen, korte jurken en wilde haren, denk aan de musical Mama Mia. De bevoorrechte personen staan hier voor partijbonzen in communistisch Polen en het feest vindt plaats in een hotel. Dat was in die tijd de ontmoetingsplaats voor mensen met geld waar het gewone volk geen toegang had. Zofia’s vader geeft zijn aanstaande schoonzoon als welkomstgeschenk in zijn clan een duur horloge.

Een draaitoneel bied zicht op de hotellobby, een feestzaal, de keuken en het steegje erachter en nog andere locaties, kwestie van draaien en tussentijds kleine wijzigingen aanbrengen. We zien Halka als dienstertje in het hotel waar ze met Janusz contact zoekt, maar toch ook weer niet, en buiten terwijl ze als een hoopje ellende haar klaaglied zingt. Als ze met Janusz samen is staat er een groot bed in de ruimte, de suggestie dat hij gewoon als gast een kamermeisje heeft verleid. Zij slaagt er nu bijna in de rollen om te draaien. Als hij later niet komt opdagen zingt ze in diezelfde ruimte een klaaglied over de valk en de witte duif waarvan nu de vleugels zijn gebroken. Janusz is er bij maar slechts in haar gedachten. De indruk wordt gewekt dat hij ook wel een innerlijke strijd voert, uit schuldgevoel maar ook omdat hij wel degelijk van haar onder de indruk was na die ontmoeting en verleiding.

Tomasz Konieczny heeft als Janusz een mooie aria aan het begin waarin hij zingt over die korte verliefdheid. Verder is hij vooral de bad guy die zijn huwelijk in gevaar gebracht ziet worden en daarom snel van Halka af probeert te komen.

Jontek wordt overtuigend vertolkt door Piotr Beczala, de immer op Halka verliefde man die haar niet op andere gedachten kan brengen. Hij heeft twee schitterende aria’s die hem verdiend een open doekje opleveren.

De sopraan Corinne Winters hoorde ik voor het eerst als Rachel in La Juive, een voorstelling in Gent. Ze maakte grote indruk bij die gelegenheid en dankzij haar naam op het affiche kwam ik er toe deze dvd aan te schaffen. Ze haalt hier royaal het niveau van haar Rachel, een zeer goed optreden. Halka zingt een monologue intérieur en verder vooral dialogen met haar twee mannen. Het gaat haar allemaal uitstekend af en is heerlijk om naar te luisteren. Door haar acteren weet ze met gemak de toeschouwer voor zich in te nemen, de zang is op dit punt bijna een bonus.

Komende editie van de Salzburger Festspiele zal Winters de titelrol vertolken in Katia Kabanova. Ook dat moet een kolfje naar haar hand zijn.

Het ORF Radio-Symphonieorchester Wien staat onder leiding van Lukasz Borowicz.

De hele opera os op YouTube te vinden:

Alle scenefoto’s uit het Theater an der Wien © Monika Rittershaus

I am Nino Machaidze!

© Wilson-Santinelli. Courtesy Zemsky/Green Artists Management

We love to make comparisons. And not in an unpretentious way! Every aspiring football talent is called the next Johan Cruijff and a somewhat deserving soprano quickly becomes a future Maria Callas. Fortunately, this lady is spared that comparison, but even 31-year-old Nino Machaidze is not allowed to be just Nino.

“People always say that I am a new Anna Netrebko. I am not. Anna is a fantastic singer and I admire her and her voice very much, but I am not her! I am Nino Machaidze. And I keep repeating it endlessly: I am Nino Machaidze!”



Her extraordinarily beautiful appearance, with her toned body and sensual mouth, has also earned her the nickname ‘Angelina Jolie of opera’. It makes her laugh heartily. “It is of course a great compliment, because Angelina Jolie is a very attractive woman. So: thank you!”

She is fully aware that her appearance plays a not insignificant role in her career, because a beautiful voice alone doesn’t get you anywhere these days.

GEORGIA

Nino Machaidze, born in 1983 in Tbilisi, is a proud Georgian.
“My mother was a great opera lover. I remember that even in the bad times, when there were problems with the electricity or when there was not enough food, we always went to the theatre. And it was always filled!”

“For as long as I can remember I have been singing. I think I was eight years old when I started singing arias. Unlike what is common in the West, in Georgia it is natural for children to start taking singing lessons at a very early age. It is something I really agree with.”

“I was eight when I started taking singing lessons in the Tbilisi music school. When I was seventeen, I started my studies at the conservatoire. I did my training in Georgia and my technique is also Georgian. My debut, at seventeen (Norina in Don Pasquale), was in Tbilisi. Even now, as I am travelling around the world, my whole singing basis is and remains Georgian. So: yes, you can say that everything in and for me remains linked to Georgia.”

She was 21 when she was accepted into the program for young singers at La Scala. After winning the Leyla Gencer Vocal Competition in 2006, she was offered the lead role in La fille du régiment.

Below, Nino Machaidze and Antonio Gandia in La Fille du Regiment:



JULIETTE

Her career went off like a rocket when she unexpectedly had to take over the role of Juliette in Gounod’s Romeo et Juliette in Salzburg from the pregnant Netrebko.

“I was at La Scala when the offer came. I sang Lauretta in Gianni Schicchi by Puccini and suddenly there was a lot of buzz: they wanted me in Salzburg. The funny thing is: I didn’t know anything about it, I was not even aware that this decision had been made. I was taken by surprise, because I did not know the role and I did not speak French. I had to learn everything in one month and my very first step was to find a French teacher”.

Below Machaidze as Juliette in Salzburg:



Nino Machaidze, only a few years ago one of the most promising young sopranos, has now grown into a real diva. Juliette, a role that made her the talk of the town overnight, has become her flagship. After her amazing debut in Salzburg, she also sang the role in Amsterdam at the ZaterdagMatinee as a last-minute replacement for Patrizia Ciofi.

After the performance I wrote:
“That cancellations do not always spell disaster was proven on 8 November 2008 during the performance of Romeo & Juliette by Gounod. After the cancellations of first Patrizia Ciofi and then Matthew Polenzano, the casting director managed to engage two fantastic replacements at very short notice: Nino Machaidze, who has already sung the role of Juliette in Salzburg (as Netrebko’s replacement), and Sébastien Guéze. Their infatuation splashed off the stage, and, since not only the two lead actors but also the rest of the cast were very young (and very good), the performance was very realistic; it was like a bunch of excited teenagers.”.

LUCIA


In 2009, Machaidze sang an unequalled Lucia di Lammermoor in Brussels, a performance that, to my great regret, has never been released on DVD. Guy Joosten’s direction was very innovative and yet anchored in tradition. He created a world in which nobody loves anybody, and in which Lucia is not only the victim, but also the instigator.

In his view she was an adolescent; a horror stories loving ‘gothic girl’,  who has a screw loose even before she goes mad for “real”. The madness scene itself was breathtaking: accompanied by the delicate sounds of the glass harmonica, Lucia rubbed her fingers over a glass that stood on the party table, creating the illusion that the sound was coming from under her hands. Nino Machaidze was a formidable Lucia: a hysterical teenager who, with a sardonic smile on her face, sang the most perfect ‘Regnava nel silenzio’.



How does Machaidze like to prepare for her performances? Beforehand, she talks as little as possible. In fact, she only talks to her husband (baritone Guido Loconsolo) or her father, who accompanies her on her trips as often as possible. “My father is really the best father in the whole world! He can’t always be with us – he still lives in Georgia – but when we are in Europe, he comes and stays with us. He and my little boy are the best of friends!”

When it comes to food, too, the soprano has her preferences, she recently confided to German magazine Concerti. “Before a performance I like to eat pasta. Preferably with olive oil and parmesan. It is good for my stomach and it gives me a lot of energy. Sometimes I take some extra vitamin C. And I never sing without a proper warming-up. I always have to be in the theatre at least two hours before the performance,  I take enough time to vocalize and so to warm up my voice in the best way. I also try to have as much rest as possible two or three days before a performance and not to do parallel productions. It is too dangerous to travel back and forth between rehearsals and performances.

Machaidze is never nervous, she said in the same interview. “There is no point in being nervous. It brings only trouble when you start worrying about everything that could go wrong. But I think that also has to do with your personal disposition. You’re like this or that…”

What does sometimes bother Machaidze is the eternal travelling that is inextricably linked to life as an opera singer. But singing brings her so much happiness that she can live with the discomfort.
“Now that I am a mother, my happiness has only increased. Being a mum is the best thing there is! And it’s not so bad to combine motherhood and a career, at least, for me. There is nothing better than being able to sing and then go back home and cuddle your baby. That feeling is indescribable.”


In 2011, at 27, she signed an exclusive contract with Sony, which – so far – has resulted in two solo albums: “Romantic Arias” with mainly Donizetti and Bellini, recorded with the orchestra and choir of the Teatro Communale di Bologna, led by the young conductor Michele Mariotti and “Arias et Scenes”, in which she already took a tentative step towards Puccini and Verdi. On the second CD, conducted by Daniele Gatti, she was assisted by the young Brazilian tenor Atalla Ayan (Rodolfo in the Amsterdam La Bohème).


https://open.spotify.com/album/3uPEWmwVXV10VYIcrj6L0A?si=Ko6DWBSYQziAEfWpuYIu5Q

SOCIAL MEDIA

Here is my gorgeous dress 💖 I feel pretty, super cool and I’m in love


Machaidze is very active on Facebook, where she shares many photos of herself and her two great ‘amores’ – her husband and her two-year-old son – with her fans. All this is accompanied by lots of hearts and kisses.


Yes, Nino Machaidze is very amiable! And she is very fond of Amsterdam. “It’s a great city. When I was here recently, I had a fantastic time. It makes me really happy that I can be here again and that I am going to perform in this wonderful opera, in your beautiful opera house. The audience here is also so warm! Can’t wait!”

Euridice en Orpheus’ Liebestod

TEKST: NEIL VAN DER LINDEN

Een Edward Hopper-achtig beeld.
Een vrouw en een man achter een raam. Het blijkt een treinraam te zijn. De man en de vrouw stellen zich voor als Euridice en Orpheus, hier Orphée geheten. Orphée wordt verliefd op Euridice, moeten we op grond van de tekst aannemen. Euridice vertelt dat ze al vele liefdes heeft gekend, telkens verloor een andere De Ware.

I

n het restauratierijtuig is er een ober en komen een conducteur en een popster langs, telkens dezelfde figuur. Euridice zegt ze te herkennen van vroeger. In de tweede acte zal diezelfde figuur ook de rol van Pluto vertolken, god van de onderwereld. Een medepassagier volgt de conducteur, een vrouw die in de tweede acte Proserpina geweest blijkt te zijn, Pluto’s echtgenote.

De conducteur controleert of Euridice en Orfeo kaartjes voor de juiste richting hebben. Orphée wil terug, maar er zijn geen verdere tussenstops. Het blijkt de trein naar Euridice’s eindbestemming te zijn, in het dodenrijk.

Orphée wordt tijdens de reis verliefd op Euridice, wat Euridice ertoe zou kunnen bewegen met hem terug te keren. Maar Euridice kan de herinnering aan eerdere geliefden niet opgeven, eerdere geliefden die nu medereizigers blijken te zijn, verschillende gedaanten van ‘De Ware’, die eigenlijk gedaanten van Pluto, de Dood, zullen blijken te zijn.

Orphée probeert haar ervan te overtuigen dat ze de muziek misschien nog niet goed genoeg kent. De poëzie, het woord, heeft ze al wel gekend. Orphée is echter degene die ook in haar ogen de volmaaktste van de kunsten voorstelt, de muziek, die het ook zonder de poëzie, het woord, kan stellen.

Orphée is in Manfred Trojahns nieuwe opera weliswaar een zanger, maar de essentie van de muziek ligt veel meer in de klank, een soort harmonie uit Plato’s sferen, een Ferne Klang, waarover Schreker het al eens had. Die klank geeft Trojahn magistraal gestalte. Om dat allemaal duidelijk te maen heeft Trojahn in zijn zelfgeschreven libretto wel veel woorden nodig.

Er wordt ook niet echt duidelijk gemaakt waarop Euridice’s doodsverlangen berust. Is het een algemeen menselijk doodsverlangen dat bij het publiek bekend wordt verondersteld?

Evenmin wordt duidelijk hoe Orphée verliefd wordt op haar. In dit opzicht druist het hyperrealistisch toneelbeeld in tegen de Jungiaanse allegorieën die Trojahn aan het verhaal ten grondslag laat liggen.

Maar dat hyperrealistisch toneelbeeld was wel overweldigend mooi. Ingenieus werden decorstukken rondgedraaid en even ingenieus waren de videoprojecties van vaag zichtbare objecten buiten de voortrazende trein.

Aan het eind van de eerste acte verandert het beeld in een zwart landschap, met de contouren van een aan de kade liggende boot.  Even komt de realiteit binnen van de wereld buiten het operagebouw, een geblakerde haven, donkere schimmen van vertrekkende mensen; de oorlog, waarvoor voorafgaand aan de voorstelling één minuut stilte werd gehouden.   

In de tweede acte zien we die boot ronddobberen in een duister moeraslandschap. Euridice is dan al aan de overkant aangekomen. Orphée wil haar volgen, maar wordt tegengehouden door onderwereldgod Pluto’s echtgenote Proserpina, die zich, als een sirene, aan Orphée vastklampt, in de behoefte herinnerd te worden aan menselijke warmte; ze was immers ooit een aardse sterveling, die naar de onderwereld werd ontvoerd door Pluto.

Maar Orphée wijst haar af. Daarmee heeft hij een test doorstaan. Een test die Trojahn toevoegt aan de test die Orpheus later in de oorspronkelijke mythe moet doorstaan, als hij Euridice mee mag nemen op voorwaarde dat hij niet omkijkt.

Ook bij Trojahn krijgt Orphée toestemming van het godenpaar om Euridice mee te nemen naar de wereld van de levenden. Maar aan die tweede test komt Orphée bij Trojahn niet toe, want Euridice wil opnieuw niet met hem mee terug. In het slotbeeld zien we Orphée neerzijgen aan de voeten van een fier overeind staande, helwit verlichte Euridice. De Trojahnse Liebestod.

De muziek is zoals gezegd prachtig atmosferisch, post-Lulu, –Die Soldaten en –Lear, en Trojahns eigen Orest, met net als in Lulu ook grootste lyrische momenten. Niet dat je anders dan bij Wagner tot en met Lulu veel houvast aan de muziek hebt om wat de tekst wil vertellen te volgen. Maar schitterend zijn de klanken wel. Het Nederlands Philharmonisch Orkest speelt fenomenaal, met veel precisie geleid door Erik Nielsen, die de muziek laten klinken alsof die allemaal vanzelf oprijst uit de orkestbak.

Regisseur Pierre Audi laat zijn uitbeelding van de onderwereld aansluiten bij zijn eerdere enscenering van Monteverdi’s L’Orfeo. Als Orphée ronddoolt in de onderwereld laat Audi hetzelfde soort water zien als waar Charon in zijn Monteverdi-enscenering erover waakt dat geen ongewenste vreemdeling de onderwereld binnendringt. Deze keer zien we echter niet een drijvende stam van een omgehakte boom zoals toen, maar een roestige boot, en Trojahn voert niet eerst Charon, maar meteen Pluto zelf ten tonele, die zelf vreemdelingen moet weren terwijl hij probeert de boot op koers te houden. Voorafgaand aan het eerder genoemde Liebestod-slot moeten we ook bij deze boot aan Wagners Tristan denken.

De personages blijven een groot deel van de tijd op afstand van elkaar, regisseur Pierre Audi’s handelsmerk, om de wezenlijke eenzaamheid van de personages aan te duiden. De enige drie momenten van werkelijke fysieke toenadering in de personenregie zijn een poging in de eerste acte van Orphée jegens Euridice, in een poging om haar, bijna onder dwang, mee terug te krijgen; spiegelt dit de manier waar Pluto ooit Proserpina mee naar de onderwereld sleurde?

Euridice probeert zich vervolgens vast klampen aan het beeld van haar rockster/playboy-achtige derde oude geliefde in de eerste acte. En Proserpina probeert Orphée te overweldigen als zij hem aan boord haalt van Pluto’s schip. En er is een aanraking in het slotbeeld, als Orphée aan Euridices voeten dood ineenzinkt. Altijd liefde in de dood. Liefde blijkt niet zonder de dood te kunnen, zegt Trojahn in deze opera.

Maar ja, zoals gezegd is het libretto met al haar boodschappen toch een beetje schematisch. Trojahn zegt ergens dat hij de uit de vele eerdere dramatische verklankingen van de mythe onderhand overbekende personages humaner wilde maken. Ik kan niet anders constateren dat enkele zijn belangrijkste voorgangers de overgang van mens van vlees en bloed naar de dood beter lieten zien. Allereerst Monteverdi, ten tweede Von Gluck, en ten derde, ook als het vooral om Euridice moet gaan Caccini in diens L’Euridice (een ideaal werk voor Pierre Audi). En dan ook op een nog weer andere manier Offenbach in Orphée dans l’Enfer.

Over de zangers kan ik kort zijn: monumentaal. Het viertal zangers staat in razend moeilijke vocale partijen zonder veel melodische houvast een groot deel van de duur van de opera op het toneel. Orphée van Andrè Schuen kreeg het luidste applaus van het publiek, maar de Eurydice gezongen door Julia Kleiter leek me een nog veeleisender rol, die ze er indrukwekkend van af bracht.  

Eurydice, Die Liebenden, Blind.
Libretto en compositie: Manfred Trojahn.
Muzikale leiding: Erik Nielsen
Regie Pierre Audi; decor en kostuums Christof Hetzer: licht Jean Kalman; video Chris Kondek.

Eurydice; Julia Kleiter, Orphée: Andrè Schuen, Pluton: Thomas Oliemans, Proserpine: Katia Ledoux.

Foto’s © Ruth Waltz.

Wereldpremière 05 maart 2022 Nationale Opera & Ballet Amsterdam

Aida in Essen en Londen

TEKST PETER FRANKEN

In 1996 was ik in het Aalto Theater in Essen voor de Aida van Dietrich Hilsdorf. Deze regisseur had ook toen al een voorkeur voor het benadrukken van het intieme karakter van de opera’s die hij onder handen nam. Hij maakte als het ware overal een Kammerstück van. In zijn Aida speelt zich de handeling vooral af aan een soort keukentafel op een verder leeg toneel.

Om plaats te maken voor de triomfmars wordt het koor op de zijbalkons geplaats, samen met de koperblazers. Op het toneel een processie van oorlogsslachtoffers en een ballet act van twee danseressen die tevoorschijn komen uit overmaatse rieten korven aan weerszijden van het leeggemaakte toneel.

Een voice over roept met geknepen stem, vooroorlogs radiogeluid, af wat er zoal te zien is op het toneel: de vrouwen en kinderen van de gesneuvelde soldaten, de gewonden, de overwonnen vijanden, de Memphis Twins. Het geheel doet sterk denken aan de sfeer in Pasolini’s film Porcile. Deze oude productie heeft cultstatus in Essen en werd in 2019 nog maar weer eens hernomen.

Op het label Opus Arte werd in 2008 de opname op dvd uitgebracht van een voorstelling uit 1994 in de Royal Opera. Het betrof een productie van Elijah Moshinsky waarvan het toneelbeeld vooral wordt bepaald door de eclectische decors en kostuums van Michael Yeargan. Het is een bont geheel dat een beetje het midden houdt tussen Ben Hur en een carnavalsoptocht.

Cheryl Studer vertolkt de titelrol en Alexandru Agache die van haar vader Amonasro. Opmerkelijk genoeg zijn beiden bruin geschminkt om maar vooral te benadrukken dat ze uit zwart Afrika komen, immers Ethiopië. Anno 1994 zou je zoiets toch niet meer verwachten.

Na Don Carlos met de Infante tussen Elisabetta en Eboli is ook hier sprake van een man die begeerd wordt door twee vrouwen. Vrijwel altijd is het omgekeerd, een sopraan tussen een tenor en een bariton. Voor de afloop maakt het niet uit, alles gaat sowieso mis.

Maar kijken we naar Aida dan zien we binnen deze opzet een tweede plot die aan het gebruikelijke format voldoet: Aida tussen Radames en haar vader. Daarmee zijn we op vertrouwd terrein, denk aan Violetta en de twee Germonts.

Aida laat zich bepraten door haar vader en verraadt haar geliefde, alle protesten van het tegendeel ten spijt. En eerder al heeft ze hem in de waan gelaten dat Amonasro weliswaar haar vader is maar dat de koning is gesneuveld. Daarmee heeft Radames met zijn smeekbede aan de farao de pest in huis gehaald. Die twee Ethiopiërs Aida en Amonasro staan er gekleurd op, figuurlijk dan.

Vaderlandsliefde is voor de liefde tussen twee mensen de dood in de pot, zo blijkt maar weer eens. Alleen Amneris is recht door zee, ze doet alles om Radames in te palmen en windt daar geen doekjes om. Je weet steeds precies wat je aan haar hebt. Hogepriester Ramfis is degene die achteraf het gelijk aan zijn zijde krijgt en dan ook niet aarzelt Radames ter dood te veroordelen. Die man heeft landverraad gepleegd en is niet te vertrouwen.

Dat de gevluchte Aida stilletjes is teruggekeerd om samen met Radames de dood in te gaan is niet meer dan een goedmakertje naar het publiek. We moeten haar immers niet te hard vallen, het was allemaal de schuld van haar vader, en van de oorlog natuurlijk.

Robert Lloyd is een uitstekende Ramfis, betrouwbaar als altijd. Agache geeft een mooie vertolking van Amonasro. Het duet met Aida dat de rampzalige afloop inluidt komt prachtig over het voetlicht.

Studer zingt ‘O patria mia’:

Studer is hier toch al niet meer de sopraan die ruim tien jaar lang de successen aaneen reeg. Niet overal die vanzelfsprekende zuiverheid in de hoogte, in het middenregister wat weinig volume. Na haar aria ‘Ritorna vincitor’ blijft het opvallend stil in de zaal. Later komt ze beter op dreef en in het genoemde duet geeft ze haar vader prachtig tegenspel.

De Radames van Dennis O’Neill is heel behoorlijk maar niet geweldig. Je zou hem de tenor van dienst kunnen noemen,

De Amneris van Luciana d’Intino bevalt mij, en het publiek, het meeste. Tijdens de nazit in de bus waarmee de Vrienden van de Opera in 1996 de Aida in Essen bezochten formuleerde Fred Lingen het aldus: ‘Aida dient op maar Amneris ruimt af’. Ze heeft feitelijk het laatste woord met haar monoloog in de vierde akte. De laatste scène met Radames en Aida in de tombe is niet meer dan een afterthought.

Edward Downes heeft de muzikale leiding.

Aida compleet, helaas in zwart-wit

 Benjamin Grosvenor revitalizes Chopin

Benjamin Grosvenor: “The annoying thing about these times is that musicians are exposed to a lot of fixed traditions and views. I have to be aware of history, but it needs to be translated to the present”. He proves that this is possible with his recording of Chopin’s piano concertos.

The concertos are extremely popular: the catalogue lists dozens (if not more) of good and even excellent performances. Is there anything still lacking? Evidently. The young Englishman, who won the BBC Young Musician Competition in 2004 at the age of 11, shows that he is not very interested in technique as such- there is nothing wrong with that  –  but all the more in the story behind the notes.

Grosvenor talks about his relationship with Chopin’s concerto’s:





I don’t know exactly how he does it, but his playing makes me feel as if I am hearing the concerts for the first time, while I actually know them by heart. He does not shy away from grand gestures, thank goodness!, and yet his playing has a chamber music-like quality. It is as if he feels- intuitively? – that even the most romantic music may be benefited by holding back, even if only now and then. I read somewhere that he shared his bedroom with his little brother with Down’s syndrome for a long time: could this make him extra sensitive? Pure speculation, of course.

The Royal Scottish National Orchestra under the baton of Elim Chan has a congenial feel for the pianist’s interpretation: together they form a unity that is watertight. The recording sounds excellent.





FRYDERYK CHOPIN
Piano Concertos
Benjamin Grosvenor (piano)
Royal Scottish National Orchestra conducted by Elim Chan
Decca 485036

Piano works by Sergei Bortkiewicz: What a discovery!

Dear people: this CD is simply magnificent!  Secretly I find myself thinking that it might be one of the most beautiful piano recitals of recent times. Not that Sergei Bortkiewicz is an acknowledged genius, but since when is genius a prerequisite for appreciation and – more importantly – for pure enjoyment?

I knew the composer mainly for his vocal works and I think I once heard one of his piano works, without it making any special impression on me. Which is the reason why I put the CD in my player without much enthusiasm. And lo and behold; there I was on my couch, enjoying it shamelessly and with bated breath!

Pavel Gintov plays ‘Chaos’ from Bortkiewicz’s Esquisses de Crimée:



Bortkiewicz was born in 1877 in Kharkov, a Ukrainian city known for its many uprisings, amongst others that of the Cossack leader Khmielnicki. Since 1667, the city, together with the eastern part of Ukraine, belonged to the Russian Empire and when the Bolsheviks took over Kharkov, Bortkiewicz’s family was completely robbed of everything they owned.

Together with his wife, the composer fled, first to the Crimea and from there, along with one hundred and fifty other thousand Russian refugees, to Constantinople. On the way his mother sadly succumbed to typhus.

Helped by friends, the Bortkiewiczs continued on their way to Sofia and Belgrade, eventually reaching Vienna. In 1925, they acquired the Austrian nationality. After the Second World War, the composer was appointed head of the teaching programme at the Vienna Conservatory.

In 1952, Bortkiewicz briefly became popular but he was soon simply forgotten. His very accessible piano pieces are strongly inspired by Chopin, Liszt and early Scriabin, but Schumann is never far away either. The Esquisses de Crimée op. 8 were composed by Bortkiewicz in 1908 as an ode to the stunning landscapes of the Crimean peninsula where he was living at the time.

The Ukrainian pianist Pavel Gintov plays very beautifully, his touch is supple and his interpretation fiery.

Sergei Bortkiewicz
Esquisses de Crimée op. 8 – Minuit op. 5 – Lyrica Nova op. 59 – Lamentation and Consolation op. 17 nr. 3 & 4 – Étude in gis, op. 15 No. 6 – in E, op. 15 No. 10 – in C-sharp, op. 29 No. 3 – in E flat, op. 29 no. 6 – Prélude in B flat, op. 40 No. 2 – in F-sharp, op. 40 No. 4 – in E, op. 40 no. 7 – Consolation in E-flat, op. 17 No. 8
Pavel Gintov (piano)
Piano Classics PCL0120 – 65′

Die Kaiserin in Salzburg

TEKST: PETER FRANKEN

Zoals bij veel werken van Strauss is Die Frau ohne Schatten een product van de samenwerking van de componist met Hugo von Hofmannsthal. Die wilde een sprookje schrijven, een soort moderne Zauberflöte. Dat heeft geleid tot een verhaal met de nodige ongerijmdheden.

Hugo von Hoffmansthal en Richard Strauss

Centraal staat de figuur van de Kaiserin, dochter van Keikobad, de heerser over het Geestenrijk. Zij verstond de kunst zich te veranderen in een dier en in de gedaante van een gazelle is ze de Kaiser, een hartstochtelijk jager, ten prooi gevallen. Daarbij is ze half mens geworden; ze is namelijk doorschijnend en heeft dus geen schaduw. Keikobad laat haar een jaar bij hem verwijlen. Als ze in die periode niet zwanger is geraakt, zal ze terugkeren in het Geestenrijk en zal de Kaiser tot steen worden.

Aangezien zwanger worden ondanks elke nacht geslachtsverkeer na een jaar nog niet is gelukt, gaat ze met haar voedster (Amme) naar de mensenwereld om een schaduw te kopen. Daar komt de vrouw van Barak in beeld, een jong meisje getrouwd met een veel oudere man in een huis met drie zich voortdurend misdragende broers. Zonder veel problemen kan ze worden overgehaald om te kiezen voor kinderloosheid in welvaart in ruil voor haar schaduw.

De Kaiserin krijgt echter medelijden met Barak en zijn vrouw en kan zichzelf er niet toe brengen het plan door te zetten. Daardoor verandert de Kaiser in steen, zoals voorspeld. Uiteindelijk loopt het met beide echtparen toch goed af, zo lijkt het.

De Kaiserin heeft een grote aria in de laatste akte waarin ze haar vader Keikobad toezingt en hem vertelt dat ze niet anders kan en niet anders wil, dan dat ze heeft gedaan: ‘Vater bist du es’. Het is het melodieuze hoogtepunt van deze opera die verder muzikaal niet de meest toegankelijke van Strauss’ werken is.

Het heeft er alle schijn van dat von Hofmannsthal licht gefascineerd was door het opmerkelijke karakter van Pauline, Strauss’ ruziezoekende echtgenote. Ze placht zich te gedragen als iemand die haar omgeving nooit goed genoeg vond en leek het vrijwel altijd slecht naar de zin te hebben. Strauss werd regelmatig overladen met onzinnige verwijten maar doordat hij tamelijk flegmatiek was wist hij er zo goed mee om te gaan dat het stel tot zijn dood in 1949 getrouwd is gebleven. In de lankmoedige Barak en zijn ruziezoekende vrouw zit een behoorlijke dosis huwelijksleven van Richard en Pauline.

Van de productie die Götz Friedrich maakte voor de Salzburger Festspiele van 1992 is een dvd uitgebracht. Friedrich en zijn decorbouwer Rolf Glittenberg hebben zich veel moeite getroost om een librettogetrouwe FroSch op het toneel te brengen daarbij de regieaanwijzingen van von Hofmannthal zo veel als mogelijk opvolgend. De kostumering van Marianne Glittenberg sluit daar perfect op aan. Het toneelbeeld oogt wonderschoon en door middel van snelle scènewisselingen achter gesloten doek wordt de strikte scheiding tussen de feeënwereld en de mensenwereld volledig in stand gehouden.

De ervaring van het bijwonen van een voorstelling is hoe dan ook vluchtig, je kan je er maar een deel van blijven herinneren. In dat opzicht is deze dvd een monument, een mogelijkheid die schitterende gebeurtenis in Salzburg opnieuw te beleven.

Cheryl Studer had in die tijd de bijnaam ‘Kaiserin’ en dat sloeg op haar vertolking van deze rol in Strauss grote opera en natuurlijk ook op haar helaas tijdelijke dominantie op het operatoneel. In deze productie maakt ze door haar optreden als Die Kaiserin die bijnaam en reputatie geheel waar. Naast schitterende zang weet Studer ook nadrukkelijk de inwendige strijd van haar personage zichtbaar te maken. Om te voorkomen dat haar geliefde in steen zal veranderen dwingt ze haar Amme om naar de mensenwereld af te dalen om daar een schaduw te kopen. Maar eenmaal in dat proces gaat ze steeds meer twijfelen, zozeer dat uiteindelijk ten overstaan van haar vader als een soort noodkreet klinkt ‘Ich will nicht’. Daarmee volgt ze haar ‘geweten’ of ‘moreel besef’, voor zover een half mens half fee wezen dat bezit. Feitelijk is ze al mens geworden en na die beproeving te hebben doorstaan laat haar vader Keikobad haar gaan en mag ze in vrede en vooral liefde leven met haar ontsteende Kaiser.

Die Frau ohne Schatten wordt wel eens vergeleken met Die Zauberflöte omdat er twee koppels in voorkomen die beiden ‘beproevingen’ moeten doorstaan. Daarmee wordt Schikaneder teveel eer gegund. Zijn libretto is je reinste vaudeville, opgeleukt met beelden die ontleend zijn aan de vrijmetselarij om het een diepzinnig tintje te geven. Maar die beproevingen zijn scouting uitjes vergeleken met wat von Hofmannsthal zijn protagonisten voorschotelt. Liefde, zelfopoffering, kinderloosheid, het zijn serieuze thema’s en dat kan van Die Zauberflöte niet gezegd worden.

Marjana Lipovsek is een zeer goede Amme, een beetje creepy en overtuigend in haar afkeer van het mensengeslacht. Ze heeft tot het uiterste geprobeerd haar opdracht te vervullen maar wordt aan het eind afgedankt en veroordeeld tot een leven onder de mensen.  En dat alleen omdat ze de mentale ommezwaai van haar meesteres niet kan volgen. Studer en Lipovsek hebben duidelijk contrasterende stemmen waardoor hun vertolkingen ook vocaal duidelijk te onderscheiden zijn.

De Färberin van Eva Marton blijft daarbij achter. Haar kijvende bijdragen in de eerste en tweede akte zijn toch teveel precies dat: kijven. Pas in de derde akte klinkt Marton minder geforceerd maar daar heeft ze natuurlijk eindelijk wat langere zanglijnen van Straus gekregen.

Robert Hale is als Barak de lankmoedigheid zelve. Hij had die jonge bruid al meegekregen met een gebruiksaanwijzing en lijkt te wachten tot ze een beetje uit haar puberale kuren is gegroeid. Komt wel goed allemaal. Dat ze in werkelijkheid diep ongelukkig is ontgaat hem en dat maakt haar woedend. Dat het tussen die twee uiteindelijk wel goed lijkt te komen is minder voor de hand liggend dan de verlossing van het ‘hogere’ paar. Der Kaiser wordt uitstekend gezongen door Thomas Moser, acterend wordt er niet heel veel van hem gevergd.

Een opvallende bijrol is die van Bryn Terfel als Der Geisterbote, niets mis mee natuurlijk.

De vele bijrollen zijn goed bezet en de Wiener Philharmoniker levert een fenomenale prestatie onder leiding van een zeer geïnspireerde Georg Solti. Alsof de dagen van Karl Böhm herleefden.

De complete opera staat nog op YouTube:

Renata Scotto: kort overzicht van de vele rollen die zij vervulde.

Renata Scotto, ‘la mia Divina Assoluta’ werd geboren op 24 februari 1934 in Savona. Haar operadebuut maakte zij op haar achttiende als Violetta (La Traviata). Haar  ‘officiële’ debuut was de volgende dag in in Milaan. Kort daarna zong zij in Savona Madama Butterfly.

Omdat er geen kans bestond om haar in Nederland te horen ben ik met een paar vrienden die ook fan waren naar Parijs gereisd, waar ze een recital gaf. Het was uitverkocht en ik herinner mij eigenlijk alleen maar de enorme rij voor haar kleedkamer: men wilde haar handtekening, men kwam met bloemen, bonbons, cadeaus…. Zoiets had ik in Nederlend nooit eerder gezien.


Maar er kwam een dag dat zij ook in Amsterdam mocht zingen! Op 19 oktober 1996 trad ze voor het eerst sinds 1963 in Nederland op. Tijdens de Amsterdamse ZaterdagMatinee zong zij voor de pauze Ravel (Pavane pour une infante défunte) en Chausson (Poème de l’amour et la mer) en na de pauze Poulencs La voix humaine. Zij heeft er een echte voorstelling van gemaakt: er was een tafel met de telefoon er op, en met de telefoonsnoer heeft ze zich aan het eind gewurgd. Wie er bij was zal het ooit vergeten.

Deze opname komt uit Barcelona:



Gedurende haar lange carrière trad Scotto op in opera’s geschreven door 18 componisten en haar repertoire omvatte zo’n vijfenveertig rollen. En daar komen nog studio-opnamen er bij. Ik kan onmogelijk alles bespreken vandaar dat ik mij maar tot een paar opnamen beperk. Wellicht kom ik er nog op terug?
De volgorde is willekeurig

LA WALLY

In 1953 deed zij auditie in La Scala voor de rol van Walter in Catalani’s La Wally met o.a. Renata Tebaldi en Mario del Monaco. Giulini zou dirigeren. Er wordt verteld dat hierna Victor de Sabata, één van de juryleden, zou zeggen: ” “Forget about the rest.”

La Wally ging in première op 7 december 1953, en Scotto werd teruggeroepen door vijftien keer het doek op te halen. Tebaldi en del Monaco kregen er elk zeven.

LA SONNAMBULA

In Edinburgh heeft de Milanese La Scala Luchino Visconti’s productie van La sonnambula opgevoerd, met Maria Callas als Amina. De productie was zo succesvol geweest dat La Scala had besloten nog een voorstelling toe te voegen. Maar Callas was moe, bovendien wilde zij graag naar het feest dat Elsa Maxwell voor haar gaf in Venetië. Dus vertelde zij de Scala-mensen dat ze de extra voorstelling beslist niet zal zingen voor de extra voorstelling. Desondanks heeft La Scala de extra voorstelling met Callas aangekondigd. Callas weigerde. Met een opzegtermijn van twee dagen, nam Scotto de rol van Amina over en verving haar op 3 september 1957. De voorstelling was een groot succes, en de 23-jarige Scotto werd een internationale operaster.

Deze opname met Alfredo Kraus is uit 1961

RIGOLETTO

Mijn grootste favoriet aller tijden is een Ricordi opname uit 1960 (tegenwoordig Sony 74321 68779 2), met Ettore Bastianini in de hoofdrol. Renata Scotto zingt een meisjesachtig naïeve Gilda, die uit liefde voor de verkeerde man omgetoverd wordt in een volwassen vrouw. Als geen ander snapt ze, dat het hele gedoe met wraak nergens toe kan leiden en offert zichzelf op, om al dat bloedvergieten en haat te stoppen.

Bastianini en Scotto in de finale:

LA TRAVIATA

Renata Scotto heeft (of moet ik zeggen: had?) iets wat weinig andere zangeressen bezaten: een perfecte techniek die haar in staat stelde om met coloraturen te strooien alsof het niets was. Haar hoge noten klonken weliswaar een beetje staalachtig maar waren ontegenzeggelijk loepzuiver. Zij bezat de gave om met haar stem (en niet alleen maar met haar stem!) te acteren, en door haar perfecte articulatie kon je niet alleen letterlijk volgen wat ze zingt, maar het ook begrijpen.

Haar wellicht mooiste (er bestaan meerdere opnames met haar) Violetta nam ze in 1963 op (DG 4350562), onder de zeer spannende leiding van Antonino Votto. Alfredo wordt er gezongen door de zoetgevooisde Gianni Raimondi, en Ettore Bastianini is een warme, inderdaad vaderlijke, Giorgio Germont.

En denk maar niet dat de voorstellingen vroeger, toen alles nog volgens het boekje gebeurde, statisch en saai waren! In 1973 was La Scala op tournee in Japan, en daar, in Tokyo, werd een legendarische voorstelling van La Traviata opgenomen (VAI 4434).

De hoofdrollen werden vertolkt door de toen nog ‘volslanke’ Scotto en de 27-jarige (!) José Carreras. DVD vermeldt geen naam van de regisseur, wellicht was er ook geen, en de zangers (en de dirigent) hebben het allemaal zelf gedaan? Hoe dan ook, het resultaat is werkelijk prachtig, ontroerend en to the point. Ik ga er verder niets meer over vertellen, want deze opname is een absolute must voor iedere operaliefhebber.

Finale van de opera:

L’ELISIR D’AMORE

De dvd met Renata Scotto, Carlo Bergonzi en Giuseppe Taddei (Hardy Classic Video HCD 4014) wil ik speciaal de jongere generatie aanbevelen. Het zijn niet alleen de prachtige stemmen van weleer die imponeren (Scotto, Bergonzi, Taddei – wie zingt ze dit nog na?), het oog krijgt ook het een en ander om te genieten.

Denk maar niet dat ze het toneel opkomen, hun aria met het gezicht naar het publiek zingen en buigen, want dan komt u bedrogen uit. Het is theater pur sang en een beter acterende zangeres dan Scotto moet nog geboren worden.

Renata Scotto zingt ‘Prendi, per me sei libero’:

TURANDOT



Hier kan ik heel erg kort over zijn: betere Liu bestaat niet. Renata Scotto is een zeer broze en ontroerende Liu wat in een schitterent contrast staat met de zee macho en verleidelijke Calaf van Corelli en ijzingwekkende Turandot van Birgit Nilsson

MADAMA BUTTERFLY


Voor mij een absolute ‘numero uno’ is de in 1966 bij EMI (tegenwoordig Warner 0190295735913) verschenen opname onder Sir John Barbirolli. Je kan je een lyrischer of juist een meer dramatische Cio Cio San indenken; eentje met minder metaal in haar stem of eentje met kinderlijker stem. Maar geen andere zangeres wist zo het complexe wezen van het meisje te doorgronden en haar verandering van een naïef kind in een volwassen, door immens verdriet gebroken vrouw zo te karakteriseren

LUCIA DI LAMMERMOOR

Renata Scotto heeft de rol nooit in de studio vastgelegd. Er zijn wel verschillende piratenopnames met haar in omloop, met als Edgardo onder anderen Luciano Pavaratti, Alfredo Kraus, Carlo Bergonzi en Gianni Raimondi.

Van die vier is de opname met Raimondi me het dierbaarst, niet in de laatste plaats vanwege de zeer energieke en dramatisch evenwichtige directie van Claudio Abbado. Het werd opgenomen in La Scala in december 1967 en is ooit op Nuova Era (013.6320/21) verschenen. Helaas is die opname zeer moeilijk verkrijgbaar, maar wie zoekt….

Scotto’s interpretatie van de gekwelde heldin is wel op dvd beschikbaar (VAI 4418). De productie is in 1967 in Tokio opgenomen. Het circuleerde jarenlang op piratenvideo, maar aangezien de geluids- en beeldkwaliteit bijzonder matig was, zijn er met de commerciële uitgave heel veel operaliefhebbers bijzonder blij gemaakt. Het geluid is een beetje scherp, waardoor Scotto’s hoge noten nog metaliger klinken dan normaal, maar: who cares?

Haar interpretatie is zowel zangtechnisch als scenisch van een ongekend hoog niveau. Met een kinderlijk verbaasde uitdrukking (mijn broer doet het mij aan?) op haar gezicht stemt ze in, al is het niet zonder morren, met het gedwongen huwelijk met Arturo (een in alle opzichten afgrijselijke Angelo Marchiandi).

Hieronder Scotto zingt ‘Il dolce suono’. Doe het haar na!

LA BOHÈME

Met La Bohème uit de Met 1977 (DG 0734025) werd er geschiedenis geschreven: het was de allereerste rechtstreekse transmissie uit het Newyorkse operahuis op TV. De productie was in handen van Pier Luigi Pizzi, die toen nog niet geobsedeerd was door overmaat aan ballet en de kleur rood.

Hoewel ik nooit een groot fan van Pavarotti was, kan ik niet ontkennen dat hij hier een fris geluid produceert en dat zijn hoge noten staan als een huis. Acteren was nooit zijn ‘cup of tea’, maar hier doet hij zijn best.

Echt spannend wordt het bij de binnenkomst van Mimì: in 1977 was Renata Scotto op haar ongekende hoogtepunt. Zij spint de mooiste pianissimi en haar legato en mezza voce zijn om te huilen zo mooi. De rest van de cast is niet meer dan adequaat, maar de jonge James Levine dirigeert alsof zijn leven ervan afhangt!

Scotto zingt ‘Si mi chiamano Mimì’



Musetta was niet echt een rol waar we Scotto mee associëren. Zij zelf eigenlijk ook niet, maar ze nam de uitdaging met beide handen aan. In de Zefirelli Met-productie uit 1982 zong zij een Musetta uit duizenden. Naast de zeer ontroerende José Carreras en Teresa Stratas was zij de onbetwiste ster van deze opname (DG 073 4539 9)

Scotto als Musetta:

LUISA MILLER


In 1979 zong Renata Scotto bij de Metropolitan Opera haar eerste Luisa en ze deed dat met de voor haar gebruikelijke toewijding. Maar voordat ze aan haar eerste grote aria kon beginnen, zorgde een ‘grapjas’ voor een schandaal door keihard ‘brava Maria Callas’ te roepen.

Sherrill Milnes, hier in de gedaante van Luisa’s vader, nam de door emoties bevangen Scotto in zijn armen en redde zo haar concentratie. En de voorstelling

Dat alles was live op tv uitgezonden en zo kwam het op de in omloop zijnde piratenvideo’s terecht. De mijne koesterde ik al jaren, en inmiddels is de voorstelling door Deutsche Grammophon op dvd uitgebracht, met de nodige cuts, waaronder dat beroemde incident. Jammer, maar het gaat tenslotte niet om de incidenten maar om de opera en de uitvoering. En daar is dus helemaal niets mis mee.

In het filmpje hieronder bespreken de hoofdrolspelers (Scotto, Domingo, Milnes en Levine) de opera van Verdi en de productie van 1979:

ANDREA CHENIÉR

Mijn dierbaarste cd-opname is in 1976 door RCA (GD 82046) vastgelegd. De cast is om te likkebaarden: Renata Scotto zingt Maddalena, Sherrill Milnes is Gérard en in de kleine rollen horen we o.a. Jean Kraft, Maria Ewing, Michel Sénéchal en Gwendolyn Killebrew. James Levine, die het National Philharmonic Orchestra dirigeert, snapt precies waar het in de opera over gaat. Om te huilen zo mooi.

Scotto zingt ‘La Mamma morta’:

MANON LESCAUT



Hier kan ik heel kort zijn: schaf de Menotti productie met Renata Scotto en Plácido Domingo uit de Metropolitan Opera (1980) aan en dan bent u voor uw verdere leven klaar. Er bestaat geen andere productie die daar zelfs in de buurt kan komen en ik verwacht niet dat het binnenkort gaat gebeuren. Scotto zingt en acteert Manon zoals geen ander eerder heeft gedaan en met Domingo samen zorgt zij voor een avondje ouderwets janken. De zeer realistische, natuurgetrouwe en o zo spannende productie van Menotti kan gewoon niet mooier. (DG 0734241)

IL TRITTICO

In november 1981 heeft Scotto alle drie de heldinnen gezongen in de Metroolitam Opera in New York, Levine dirigeerde. Ooit heeft een piraat het in zijn geheel uitgebracht en het stond kortstondig op YouTune. Helaas. Wel kunnen we fragmenten van alle drie vinden..

Il Tabarro

Suor Angelica:

Gianni Schicchi:

Op cd is de opname onder Maazel uit 1977mijn eerste keus. Zeker vanwege Angelica van Scotto, daar komt gewoon niemand bij in de buurt. Tel daarbij Marylin Horne als haar kwaadaardige tante en de jonge Cotrubas als de spring in het veld zuster Genovieffa. Ook in Il Tabarro is het Scotto die alle aandacht opeist als Giorgetta, daarbij goed geholpen door de zeer macho Domingo en Ingvar Wixell in één van zijn beste rollen..

LA GIOCONDA

Maar vergeet ook La Gioconda uit San Francisco 1979 niet! Voor haar interpretatie van de=ie rol heeft Scotto Emmy award gekregen. Het betekende ook een heftige ruzie met Luciano Pavarotti, die zij in haar autobiografie “More then a diva” niet eens bij de naam noemde. Hij werd “A certain tenor”. Het kwam allemaal goed.

FRANCESCA DA RIMINI

Wat niemand ook mag missen is Francesca da Rimini van Zandonai uit de MET

Discography of Khovanshchina by Mussorgsky

Vasily Surikov (1848-1916): The Oldbelievers

I love Khovanschina very much. The music is a combination of Russian folk songs, religious chorales, moving arias and glowing orchestral splendour and presents us with a masterpiece of an altogether unprecedented beauty. The libretto, based on historical facts, tells of religious strife, struggles for power, political manipulations, sectarianism and a collective suicide. The chorus plays a fundamental role, but the six leading roles are also particularly well developed as to their individual psychological developments.

The opera had its premiere in 1886, in Rimsky-Korsakov’s abridged version: Mussorgsky had left the score unfinished. In 1959, Shostakovich orchestrated the original piano arrangement. That version, with the ending recomposed by Stravinsky, is almost always used nowadays.



Boris Khaikin


The conductor Boris Khaikin, who was very popular in the post-war Soviet Union, is mainly known for his recordings of Russian operas, including Khovanshchina.

He already recorded the opera in 1946, with the unsurpassed Mark Reizen as Dosifej.

Mark Reizen as Dosifey



For the curious: you can find the complete recording on YouTube.



In 1974, Khaikin recorded the opera again, this time with Alexander Ognivtsev as Dossifej, Aleksey Krivchenya as Chovansky and Vladislav Piavko as his son.
Golitsin was beautifully performed by Aleksey Maslennikov. Anyone still looking for an example of a tenor from the ‘old Russian school’? Listen to Maslennikov!

The real star of the recording, however, is Irina Arkhipova. As Marfa, she is absolutely unequalled in my opinion:



If you are used to Shostakovich’s instrumentation, Rimsky-Korsakov’s version feels a bit strange. More melodious, almost fairy-tale like. The overture could just as well have been an introduction to Shéhérazade. Rimsky-Korsakov has taken the sting out of it. Unintentionally, it makes you think of old films in which even the greatest misery has been put through the technicolour filter.
In this version, Marfa’s prophecy also sounds rather bland. Mild and not very threatening, which makes it difficult to understand Golitsin’s terrified reaction.


The recording is very clear, making every word easy to understand. (Melodia MEL CD 1001867)



Boris Leskovich


A year earlier, in 1973, Boris Leskovich conducted the opera in Rome. In Italian. Despite the fact that he used Shostakovich’s version, the result is rather light and it does not “smolder”anywhere. It also lacks the “width” in the overture, but that may also be due to the poor sound quality.

The soloists are fingerlickingly good: Cesare Siepi (Dosifej), Fiorenza Cossotto (Marfa), Elena Souliotis, Veriano Luchetti, Siegmund Nimsgern and the greatest Chovanski in history: Nicolai Ghiaurov.

As a bonus, you get the complete fifth act with Boris Christoff as Dosifej in a recording from 1958 conducted by Artur Rodziński. Also in Italian (Irene Companez’ Marfa sounds just like Azucena here), but with a significantly better sound quality. (BellaVoce BLV 107.402)
Different label, same recording:


Emil Tchakarov

The much-lamented Bulgarian conductor Emil Tchakarov (he died of AIDS at the age of 42) recorded Chovanshchina in 1990, with the best Bulgarian voices available at the time, including – how could it be otherwise – Ghiaurov in the title role.

Nicola Ghiuselev is an excellent Dosifej, Alexandrina Milcheva a very charismatic Marfa and Kaludi Kaludov a very lyrical Golitsyn. He stands with both feet firm in the Russian tradition, but at the same time sings with a large dose of Italianitá.
Tchakarov keeps the orchestra very transparent. (Sony S3K 45831)

The recording can also be found on You Tube.
Below act 1:




Claudio Abbado


In 1989, Abbado conducted the opera at the Vienna State Opera. Alfred Kirschner’s direction and Erich Wonder’s staging are real masterpieces. Anchored in tradition, with a great eye for detail, strong direction of the characters and a well-developed mise-en-scène. The final scene is a dramatic climax, leaving you riveted to your seat, gasping for breath.

Paata Burchuladze sings an excellent Dosifej and Ludmila Semtchuk is a very erotic Marfa. Ghiaurov once again manages to impress as Chovansky.
(Arthaus Musik 100 310)



Michael Boder


In Barcelona (May 2007), the opera was presented in yet another version. Although the orchestration used was that of Shostakovich, the ending was recomposed by Guerassim Voronkov.

Norwegian director Stein Winge says the story is set in the 1950s, but it could just as well be 300 years ago. Or the here and now. His images are timeless and very evocative.

Vladimir Ognovenko is an excellent Chovansky and Vladimir Vaneev a ditto Dosifej. Vladimir Galouzine is without doubt one of the best Andrews I know, if not the best. With Robert Brubaker, Golitsyn sounds less lyrical than usual, but the character does gain character. Graham Clarke provides the comic note as the writer (Opus Arte OA0989 D)

Excerpt from the production:



Kent Nagano


Kent Nagano’s well-conducted and Dmitri Tcherniakov’s extraordinarily excitingly directed Munich production of Chovanshchina unfortunately has two misfits. Paata Burchuladze (Chovansky) whose career by then has lasted for too long and Doris Soffel (Marfa), whom I love very much, has ended up in the wrong opera. Not for a second can she convince me that she is a young, sexy woman. A real pity, because otherwise the production is strongly recommended.

Anatoli Kocherga is a magnificent Dosifej and Klaus Florian Vogt a ‘creepy’ Andrej. John Daszak, like Brubaker, is a ‘character Golitsyn’ and Camilla Nylund a dreamy Emma.

Tcherniakov portrays the three clashing currents – the conservative, the power-hungry and the progress-seeking – very well. The confrontation between the three rulers is chillingly exciting. Unfortunately, the tension weakens towards the end, so that the last scene feels like an anticlimax. (EuroArts 2072424)

Trailer of the production:

>

Dernière Giulio Cesare: op de valreep gespeeld voor een groot publiek

TEKST: PETER FRANKEN

Doordat er plotseling meer toeschouwers welkom waren in Amare heb ik deze geweldige voorstelling  alsnog kunnen zien, afgelopen zondag. De productie van George Petrou, tevens dirigent, is inventief en haalt alles uit de kast om de toeschouwers visueel te vermaken tijdens de lang uitgesponnen aria’s. Ik kreeg de indruk dat hij goed gekeken heeft naar die blockbuster van David McVicar uit Glyndebourne en daar nog een schepje bovenop heeft gedaan.

Petrou maakt gebruik van een eenvoudige raamvertelling. Hierin zien we Giulio Cesare als een 20e -eeuwse grafrover in het Egypte van Agatha Christie en Hercule Poirot.

Het decor laat een grote Anubis tempel zien, de Egyptenaren zijn veelal onherkenbaar door een Anubis masker op hun hoofd. Door de ogen van onze avonturier zien we de wereld van Caesar en Cleopatra tot leven komen.

Zij komt uit een sarcofaag gestapt, haar broer Ptolemaeus maakt een grotere entree, die moet eerst uit zijn mummie worden gewikkeld.

De handeling heeft vervolgens het normale verloop. Om er een passend einde aan te breien neemt de avonturier zijn ingebeelde Cleopatra mee in een vliegtuigje dat echter door de Egyptenaren is gesaboteerd. Hij zal zijn avontuur nooit thuis kunnen navertellen: what happens in Egypt stays in Egypt.

Schaakspel tussen Tolomeo (links) en Caesar (Yuriy Mynenko, rechts).

De cast is absoluut top, met de zeer overtuigende countertenor Yuriy Mynenko als de stoere held die zich met een natte vinger laat lijmen door Cleopatra, de schitterende sopraan Sophie Junker.  Ze krijgen uitstekend tegenspel van countertenor

Nicholas Tamagna als Tolomeo, beter bekend als Ptolemaeus. Beiden betwisten elkaar de Egyptische troon. Uiteindelijk weet Cleopatra de strijd in haar voordeel te beslechten, met dank aan de protectie van de Romeinen. Farao zijn als vazal is beter dan de troon aan je irritante broer laten, en dat is hij zeker in deze productie.

Naast deze machtsstrijd is er de subplot van Pompeus’ weduwe Cornelia en haar zoon Sesto. In mijn beleving houdt hun streven om zich op Tolomeo en zijn henchman Achilla te wreken de handeling nodeloos op, met als gevolg een uurtje extra muziek. Overigens is de invulling van deze rollen zeer goed verzorgd, met de alt Francesca Asciotti als Cornelia en een overtuigend jongensachtige Katie Coventry als Sesto. Countertenor Riccardo Novaro heeft als Achille heel wat met ze te stellen maar legt uiteindelijk zelf het loodje.

Petrou heeft de rol van vertrouweling Nireno behoorlijk opgewaardeerd. Zijn grote aria wordt gezongen in travestie en na een paar aarzelende akkoorden gaat het orkest ‘spontaan’ overstag en horen we Händel als jazz componist met een improviserende pianist in de bak. Countertenor Rafal Tomkiewicz maakt er een geweldige show van.

Een andere vrijheid die Petrou zich veroorlooft is het duet, bijna een duel, tussen Giulio Cesare en de om hem heen draaiende violist Arthur Ornée als onze held zich moed aan het indrinken is voor hij zijn geluk gaat beproeven in het slaapvertrek van Lydia, in werkelijkheid Cleopatra zelf. Na de wel zeer overtuigende scène die hieraan vooraf ging, waarin Cleopatra in een zeer sexy outfit een ‘ich bin von Kopf bis Fuß auf Liebe eingestellt’ nummer opvoerde, had ik de neiging de man toe te roepen: ‘schiet toch op joh’. Maar nu konden we wel langer genieten van die puike vioolimprovisatie.

Vier countertenors in de mannenrollen, dat zijn wel veel vocale genderwisselingen maar maakt het klankbeeld ook wat eenzijdig, vind ik. Persoonlijk had ik in de titelrol liever een sopraan gehad met een wat mannelijke uitstraling zoals Sarah Connolly bij McVicar. Ook als contrast met die drie Egyptenaren die sowieso worden neergezet als figuren waaraan een steekje los is, vergeleken met die steile Romeinen.

In de bak zat een deel van het orkest Phion, aangevuld met vier basso continuo spelers die dirigent Petrou zelf had meegebracht. Mooie begeleiding van de hoorns in de strijdaria die Caesar zingt, ‘Al lampo dell’armi’, een compliment waard.

Ontwerper Paris Mexis laat zien hoe de decors en kostuums van Giulio Cesare in Egitto gemaakt worden.

alle productiefoto’s © Marco Borggreve