
Entartete Musik, Theresienstadt und Channel Classics. Deutsche Übersetzung
Ende der 80er Jahre, des vorigen Jahrhunderts, kam die Musik liebende Welt (und damit meine ich nicht nur die Hörerschaft, sondern auch die Publizisten, Rezensenten und Musikfachleute) dahinter, dass da mehr ist zwischen Himmel und Erde; oder nun, wo wir über Musik sprechen: zwischen Strauss und Stockhausen. Man fing an zu realisieren, dass eine ganze Generation Komponisten aus den Geschichtsbüchern und von den Konzertbühnen entfernt wurde. Innerhalb kurzer Zeit. Dies war nicht alleine die Schuld der Nazis
1988 wurde die Ausstellung „Entartete Musik“ in Düsseldorf ausgerichtet, exakt 50 Jahre nach der ursprünglichen Nazi-Aufführung. Die Ausstellung hatte auch emotionale Auswirkungen auf andere Städte, worunter auch Amsterdam, und wurde der Auslöser um Fragen zu stellen.

Der Term „entartet“ wurde nicht von den Nazis erfunden. Schon im 19. Jh. wurde er in der Kriminologie benutzt, es bedeutete so etwas wie: „biologisch degeneriert“. Der Term wurde gerne durch die Machthaber des Dritten Reiches ausgeliehen, um die Kunstgattungen zu verbieten, die sie „unarisch“ fanden. Modernismus, Expressionismus, Jazz … und alles, was mit Juden in Verbindung gebracht wurde, denn sie waren im Voraus schon degeneriert, in dem Fall als Rasse.

Was als Verbot begann, entwickelte sich schon schnell als Ausschluss und resultierte in Mord. Diejenigen, denen es geglückt war nach Amerika oder England zu flüchten, haben den Krieg überlebt. Wer in Europa blieb, war verdammt. Viele, hauptsächlich tschechische Komponisten wurden über Terezín in die Vernichtungslager deportiert, viele landeten dort geradewegs. Nach dem Krieg wurden sie total vergessen, und so zum zweiten Mal ermordet. Wer es überlebte, wurde als hoffnungslos altmodisch bezeichnet und nicht gespielt.
Es begann erst Ende der 80er Jahre, dass man ein Bewusstsein dafür entwickelte, dass Korngold mehr war als nur ein Komponist von erfolgreicher Hollywood-Filmmusik; dass ohne Schreker und Zemlinski wahrscheinlich auch kein Strauss gewesen wäre, und Boulez und Stockhausen nicht die Ersten waren, die mit Serialismus spielten. Das Umdenken kam für die meisten der Überlebenden zu spät.
In Deutschland wurde eine Stiftung Musica Reanimata gegründet, aber auch die Niederlande blieben nicht dahinter zurück. Unter dem Namen Musica Ritrovata haben ein paar Enthusiasten einen Versuch gewagt, um die Musik zurück auf die Konzertbühnen zu bringen.
Dass dies glückte, war auch Channel Classics zu verdanken. Das niederländische CD-Label, gegründet durch Jared Sachs, war das Allererste, welche die Musik der „vergessenen“ Komponisten begann aufzunehmen.
Schon in den Jahren 1991 und 1992 veröffentlichten sie 4 Cds mit der Musik der „Theresienstadt-Komponisten“, von denen man beinahe niemals vorher etwas gehört hatte: Gideon Klein, Hans Krása, Pavel Haas, Viktor Ullman… Und das, wo die letzten drei doch vor dem Krieg wirklich ein Begriff waren. Gideon Klein hatte die Chance nicht – er wurde schon in seinem 24. Lebensjahr vergast.
Die ersten vier Cds von Channel Classics waren echte Pionierarbeit. Von Hans Krása wurde in Prag die Kinderoper Brundibar aufgenommen. Brundibar wurde noch vor dem Krieg komponiert, aber seine Premiere fand 1943 in Terezín statt.
Die CD (CCS 5198) wurde kombiniert mit Liedern von Domažlicky. Kein Überflieger, aber ohne Zweifel interessant.

Großartig hingegen ist die Aufnahme von Krásás Kammermusik durch das La Roche Quartett (CCS 3792), womöglich die beste Darbietung die davon existiert.

Von allen Schülern von Janácek gelang es Pavel Haas am besten, die Einflüsse seines Lehrers mit eigener musikalischer Sprache zu kombinieren. Auf Bitten von Karel Berman (Bass) schrieb er in 1944 Vier Lieder nach Worten chinesischer Poesie. Berman, der den Krieg überlebte, hat sie zusammen mit seinen eigenen Liedern (CCS 3191) aufgenommen

Aber am schönsten finde ich, neben dem dritten Streichquartett von Victor Ulmann, die Aufnahme mit vier Werken des 24-jährigen Gideon Klein. Lausche nach seinem Trio und erschaudere. (CCS1691)
Channel Classics macht weiter – nun in Zusammenarbeit mit dem unübertroffenen Werner Herbers und seiner Ebony Band. Durch ihn sind viele Komponisten mehr als eine Meldung in Wikipedia geworden. Denken Sie an Schulhoff: Sie kennen doch sicher seine CD mit Dada-inspirierten Werken, mit den Zeichnungen von Otto Griebel?

Ebony Band und Loes Luca in Sonata Erotica:
Denken Sie an Wolpe von dem er während des HF (Holland Festival) die Oper Zeus und Elida aufgeführt hat, und dessen Musik er noch stets aufnimmt – die neueste heißt Dancing. Außer Wolpe, Milhaud und Martinů sind dort auch Werke von Emil František Burian und Mátyás Seiber zu finden.
Und denken Sie an den polnischen Józef Koffler, während des Krieges ermordet. Sein Streichtrio und die prächtige Kantate Die Liebe (gesungen durch Barbara Hannigan), steht neben dem Quintett des anderen unbekannten Polen Konstanty Regamey (CCS31010).

Übersetzung: Beate Heithausen
In het Nederlands: Entartete Musik, Teresienstadt en Channel Classics
Glansrijke wereldpremière van de Eerste symfonie van Willem Jeths
Met een glansrijke wereldpremière van een symfonie van Willem Jeths en wonderschone werken van Sibelius, Strauss en Wagner creëerde Edo de Waart op 13 april 2013 een ZaterdagMatinee van het allerhoogste niveau. Karin Strobos en Karita Mattila schitterden in solorollen.
Benjamin Britten in 1970: ‘My real worry about some of today’s young is their denial of the past. Whether we like it or not, we are all children of our fathers and I’m not going to dislike Mozart or Schubert or Bach for anyone’.
Zo. Die staat. Een waarheid als een koe, de bittere waarheid, maar nog meer een noodkreet, want: hoe kan je aan de toekomst werken als je je voorvaderen niet alleen ontkent maar zelfs niet kent? Hoe (en waarom?) was het mogelijk dat de klassieke muziek bijna om zeep werd geholpen door de jonge “revolutionairen” die het belangrijkste ingrediënt van muziek, het woord zegt het al, de melodie, hebben ontkend?
Maar het tij keert en zo kon het gebeuren dat het publiek dat de ZaterdagMatinee op 13 april 2013 bezocht van zijn stoelen sprong voor een hedendaags werk, een wereldpremière, een pas een paar weken geleden voltooid werk van Willem Jeths.
De “Symfonie 2012” voor mezzosopraan en orkest werd – terecht – meer dan enthousiast ontvangen, waarmee het publiek duidelijk een statement heeft gemaakt: ze hebben het gehad met “piep kras knor”. Ze willen herkenbare melodieën horen en ze willen ontroerd worden. En ze willen ergens aan herkend worden, aan wat Britten zo mooi verwoord heeft.
Bij Jeths was het voornamelijk Mahler. In de twee eerste delen, ‘Unbegrenzt’ en ‘Wie ein Kondukt’ hoorde ik flarden van ‘Um Middernacht’ en ook bimbam was zeer aanwezig. Maar ik hoorde meer: ik moest ook aan Der Cornet van Frank Martin denken. En aan The Unanswered Question van Ives, het gevoel dat door de prachtige trompet solo versterkt werd.

Katrin Strobos. Foto: Keke Keuke Keukelaar
Karin Strobos, voor wie de twee gezongen delen zijn geschreven, was mooier dan mooi, ook letterlijk. Haar van nature warme stem heeft een extra glans gekregen en ze heeft zich goed overeind weten te houden bij de heftigste passages: zij was goed hoorbaar.
Maar mijn twijfel: mezzo of toch een sopraan, bleef. Haar hoogte bloeide zoals nooit eerder, maar aan de laagte leek het haar aan kracht te ontbreken. Maar zolang zij zo mooi, zo intens betrokken en zo gevoelig blijft zingen maakt het eigenlijk niet uit.
In een gesprek met Thea Derks zei Willem Jeths over Strobos: “De hoekdelen zijn geïnspireerd op de stem van Karin Strobos, met wie ik eerder werkte in Monument to a Universal Marriage en Hotel de Pékin. Haar mezzosopraan is breekbaar en intiem en ik heb het middenregister veelvuldig gebruikt, waardoor haar stem nog meer nobiliteit krijgt.”
Na de pauze, die gebruikt werd om de opname van Hotel du Pékin (Etcetera KTC 1456) feestelijk te presenteren, kwam een andere diva voor het voetlicht: de wereldberoemde Finse sopraan Karita Mattila.

Karita Mattila. Foto: Lauri Eriksson
Zij begon met een fantastische vertolking van Luonnotar van Sibelius, een scheppingsverhaal gebaseerd op het Finse nationale epos Kalevala. Het stuk is kort, amper 10 minuten, maar is zeer berucht onder de sopranen vanwege de moeilijkheidsgraad: het gaat hoger dan hoog en Sibelius gebruikt intervallen (soms in één enkel woord!) van bijna een octaaf. Nou, ga daar maar aan staan!
Mattila wist er raad mee. Haar stem is misschien niet zo stabiel meer, maar het deerde niet. Alle noten waren er en haar zeer intense vertolking maakte dat je je met de dolende Luonnatar kon identificeren en het ontstaan van het heelal zowat aan den lijve ondervond. De prachtige muziek van Sibelius mag van mij vaker uitgevoerd worden!
Luonnotar door Karita Mattila in 2015:
In de slotscène van ‘Capriccio’ stelde Mattila mij toch enigszins teleur. Ik miste het “romige” wat bij deze muziek hoort. Het hoeft niet meteen Lisa della Casa zijn, maar Fleming deed het toch duizend keer mooier. Wat mij ook opviel was dat zij op de klank zong – de woorden waren amper te verstaan. Maar zij is een echte charmeur en bespeelde de zaal met handgebaren en –zoals het bij een diva hoort – prachtige jurken.
De echte held van de middag was voor mij Edo de Waart. Zijn zeer lyrisch gehouden lezing van de ‘Siegfried-Idyll’ van Wagner was zowat de mooiste dat ik ooit hoorde en in ‘Capriccio’ wist hij duizenden kleuren te voorschijn te halen. Voor het eerst hoorde ik er ook het “prijslied” uit Meistersinger in. Over de voorvaderen gesproken…

slotapplaus. Foto: Jan Swinkels
Inmiddels is de symfonie van Jeths ook op cd verschenen, gekoppeld aan zijn blokfluitconcert (Challenge Classics CC 72693), de laatste gespeeld door Erik Bosgraaf en gedirigeerd door Markus Stenz:
NTR ZaterdagMatinee
Jeths, Sibelius, Wagner en Strauss
Karita Mattila (sopraan) en Karin Strobos (mezzosopraan)
Radio Filharmonisch Orkest olv Edo de Waart.
Bezocht op 13 april 2013 in Het Concertgebouw – Amsterdam
Pianoconcerten van Moritz Moszkowski en Adolf Schulz-Evler: romantiek pur sang
In 1991 lanceerde Hyperion een nieuw, buitengewoon leuk project, het Romantisch Pianoconcert. De reeks werd geopend met de opname van pianoconcert van Moszkowski, toen nog hét pianoconcert. Men wist nog niet dat er nog één, eerder gecomponeerde concert bestond; die werd pas in 2008 ontdekt.
Is het wat? Ja en nee. Het is eigenlijk een niemendalletje, maar, mijn God, wat is het mooi! Echt iets om met de ogen dicht te beluisteren, het liefst in de tuin in de zon (voor de brandende kachel in de winter mag ook), je verstand op nul en … laat de dromen maar komen!
Met zijn bijna 54 minuten is het concert behoorlijk lang en eigenlijk had deel vier, allegro sostenuto, er uitgeknipt moeten worden, maar ach …..Soms is het fijn om niet te hoeven nadenken en zich aan pure romantiek over te geven.
Van Adolf Schulz-Evler is bitter weinig bekend, zelfs zijn naam wordt op verschillende manieren gespeld. De Pool, die een leerling was van Stanisław Moniuszko moest in ieder geval een buitengewoon pianovirtuoos zijn geweest, want zijn elf minuten durend werk schreeuwt om een meesterpianist. Maar dan wel één die de beroemde “Russische ziel” (het werk heet niet voor niets Russian Rhapsody!) er uit weet te peuteren en het met ongegeneerd veel smacht aan de man weet te slijten.
De Bulgaar Ludmil Angelov kan dat. Samen met het BBC Scottish Symphony die onder leiding staat van Vladimir Kiradjiev laat hij mijn hart sneller kloppen.
Bedankt Hyperion. Ik ga de cd koesteren als een mooie herinnering aan de zomer die maar geen zomer wilde worden.
‘Mini-taster’ van de opname:
MORITZ MOSZKOWSKI
Piano Concerto in B minor, Op.3
ADOLF SCHULZ-EVER
Russian Rhapsody
Ludmil Angelov (piano), BBC Scottish Symphony Orchestra olv Vladimir Kiradjiev
Hyperion CDA68109 • 71’
Plácido Domingo bezingt de Middellandse Zee
Encanto del mar (charme van de zee) heet de, inmiddels twee jaar oude solo-cd van Plácido Domingo. ‘Del Mar’ is in dit geval de Middellandse Zee. De zanger die nooit rust, zoals Domingo bekendstaat, heeft liedjes uit tal van Middellandse Zeelanden verzameld. Een verrassende selectie..
De Romeinen noemden de Middellandse Zee ‘Mare Nostrum’, onze zee. En dat klopt wel: de zee is van ons allemaal. Domingo stelt op het album: “Ik buig voor uw grandeur. Immens dankbaar ben ik voor het voorrecht geboren te zijn in Spanje, het land dat gestreeld wordt door uw wateren. Ik eer u op de enige manier die ik kan: door het zingen van uw liederen.”
De landen die de zee omringen zijn allemaal verschillend en dat hoor je in hun liedjes. De keuze van Domingo is verrassend. Naast de weinig opwindende ‘Torna a Surriento’ en ‘Plaisir d’Amour’ (beide in een nieuwe arrangement van Robert Sadin) zingt hij onder meer de Spaanse klassieker ‘Del Cabello Más Sutil’ van Fernando Obradors, één van de mooiste liedjes ooit gemaakt.
Zeer spannend en verrassend zijn de Corsicaanse polyfonische “Anghjulina”, gezongen met Barbara Fortuna en ´Non Potho Reposare´, een prachtig liefdesliedje uit Sardinië.
Minder gelukkig ben ik met de, wat mij betreft totaal uitgemolken “Aranjuez”, al is het arrangement hier zeer verfrissend. Daarvoor in de plaats had ik graag iets uit Griekenland gehoord, want het traditionele Cypriotische liedje “To Yasemi” smaakt beslist naar meer.
Er staat meer moois op de cd. ‘Adio Kerida’ bijvoorbeeld, in het Ladino gezongen, één van de bekendste liederen van de Spaanse Joden. Of het Israëlische ‘Layla Layla’ van dichter Natan Aterman, in perfect gezongen Ivriet. Of ‘Lamma Bada Yatathana’, een ‘muwashshah’ uit Arabisch Andalusië, uit de twaalfde eeuw, met een typerend Noord-Afrikaans ritme (samai thaqil).
Trailer:
Encanto del Mar
Mediterranean Songs
Plácido Domingo en diverse musici
Sony 8875006852
Ooit van Joseph Marx gehoord?

Joseph Marx
Het leven zit vol verrassingen. Bij wie van u gaat het belletje rinkelen als u de naam Joseph Marx hoort?
Totaal onbekend is de in 1882 geboren en in 1964 gestorven Oostenrijkse componist Marx niet. Zijn liederen worden af en toe uitgevoerd en opgenomen, en niet door de minsten. Leontyne Price deed het. Ook Renee Fleming en Christine Brewer hebben het gedaan. Waar ligt het dan aan dat Marx in de ‘vergetelhoek’ is geraakt, een plek die hij tot voor kort nog met Korngold en Schreker moest delen?
Joseph Rupert Rudolf Marx was een alleskunner. Behalve componist was hij ook pianist, muziekpedagoog en muziekcriticus. Hij was doctor in de filosofie en ambassadeur voor Unesco. En in opdracht van Atatürk bouwde hij het muziek- en concertleven in Turkije op, inclusief een systeem van muziekscholen.
Zijn prachtige liederen (hij heeft er maar liefst 161 gecomponeerd!) ademen de sfeer van de laatromantiek en Jugendstil uit. Zijn stijl laat zich makkelijk met die van Korngold en Strauss vergelijken: lang uitgesponnen, goed in het oor liggende melodielijnen, smachtende tonen en een zinderende erotiek. Expressionistisch, maar dan wel “light”.
Maar hoeveel zangers hebben zijn liederen op hun repertoire staan? Erg weinig, denk ik. Ik kan me daarom goed de paniek voorstellen die bij de organisatoren en pianiste Reinild Mees toesloeg toen tenor Michael Schade zich een dag vóór het geplande concert in het Concertgebouw ziek meldde.
Wat doe je in zo’n geval? Het concert verplaatsen is geen optie, afblazen dan maar? Of toch, tegen beter weten in een vervanger zien te vinden die de liederen paraat heeft en op zo’n korte termijn kan inspringen?
Dat dat laatste gelukt is, mag een wonder heten. En het wonder heeft een naam: Katharine Dain. De jonge Amerikaanse sopraan, die sinds enige tijd in Nederland woont, heeft een breed repertoire, dat zich uitstrekt van vroege barok tot en met hedendaagse werken. Liederen en kamermuziek uit de twintigste eeuw hebben haar lichte voorkeur. Vorig jaar debuteerde ze bij De Nationale Opera in Claude Viviers Kopernikus.

Katherine Dain. Foto: Robert Kim
Dain heeft een mooie, lyrische stem met een aangenaam timbre en een makkelijke hoogte. Het recital begon ze een beetje aarzelend met ‘Unvergänglichkeit’, het eerste van vier liederen van Korngold op teksten van Eleonore van der Straaten.
Het was te merken dat ze zich enigszins ongemakkelijk voelde (niet meer dan logisch), maar een glimlach en een bevestigend hoofdknikje van Reinild Mees deden wonderen. Ze ontspande zich, waardoor ze zich meer op haar voordracht kon concentreren. Naarmate het concert vorderde, werd ze beter en beter.
In het laatste lied voor de pauze, ‘Du bist der Garten’ van Marx, werd ze behalve door piano ook door viool begeleid en dat vond ik enorm teleurstellend. De ‘schuldige’ was de violist, Philippe Graffin, die werkelijk zijn best deed om de zangeres te overstemmen en daar grotendeels in slaagde. Al eerder liet Graffin horen dat hij geen Heifetz is (wie wel?) door de prachtige suite uit Viel Lärm um nichts van Korngold om zeep te helpen. Iets wat hij na de pauze herhaalde met Marche miniature viennoise, Schön Rosmarin en Liebesleid van Kreisler.
Met het eerste lied na de pauze, het zeer ontroerende ‘Con Sordino’ van Marx, op een tekst van Herman Hesse, liet Dain horen wat ze echt in haar mars heeft. En dat is niet weinig! Haar tekstbegrip liet niets te wensen over en ik gaf mij volledig gewonnen.
In Marx’ ‘Selige Nacht’, een lied op een tekst van Mörike, wist de sopraan me tot tranen toe te roeren. Het lied is één en al ‘Sehnsucht’ en de combinatie van haar pure en zuivere stem met de onverholen erotiek in de tekst van Otto Erich Hartleben voelde als een schilderij van Egon Schiele in de gouden omlijsting van Klimt. Jugendstil ten voeten uit. Ik kende het lied in de uitvoering van Renée Fleming en geloof mij: de interpretatie van Dain deed mij meer
Als laatste zong Dain het bekende ‘Morgen’ van Richard Strauss. Het paste wel qua sfeer en Dain wist er absoluut raad mee. Toch had ik liever nog een Marx gehoord. Of anders nog een Korngold of Schreker. Maar ik snap dat het publiek ook op iets wat ons allen bekend en zeer geliefd is mag worden getrakteerd.
Hieronder’Selige Nacht’ iin de uitvoering van Arleen Augér met Dalton Baldwin aan de piano:
Als toegift herhaalde Dain ‘Du bist der Garten’ van Marx en liet ze horen dat ze nu veel beter opgewassen was tegen het keiharde spel van de violist.
Het was aan de onvolprezen pianiste Reinild Mees en haar Stichting 20ste-eeuwse Lied te danken dat al deze schatten aan de vergetelheid ontrukt en ons op een presenteerblaadje voorgeschoteld werden. Dat ze daarbij ook nog één van de beste liedbegeleiders is die ik ken, hoeft bijna niet meer vermeld te worden.

Foto: Hans Heijmering
Hieronder ter kennismaking ‘Waltseligkeit’ van Joseph Marx, op een tekst van Richard Dehmel, gezongen door Leontyne Price:
Katharine Dain en Reinild Mees hebben al eerder samen een programma verzorgd.
Hieronder de opname uit de Waalse kerk in Amsterdam, gemaakt 23 February 2014
Kamermuziek op Zondagmiddag
Liederen van Joseph Marx
Katharine Dain (sopraan), Reinild Mees (piano), Philippe Graffin (viool)
Bezocht op 8 maart 2015 in het Concertgebouw in Amsterdam
Meer Katharine Dain:
Regards sur l’Infini: een les in loslaten
Fosters opname van Der Zigeunerbaron zou wat meer schmalz kunnen gebruiken
Het is oneerlijk om Nikolaï Schukoff met zijn illustere voorgangers te vergelijken. ‘Als Flotter Geist’, dé tenorale kraker uit de operette klinkt bij hem een beetje geknepen en de hoge c aan het eind had hij beter kunnen laten (Tauber zong hem ook niet!), ook al raakt hij hem wel.
Zijn Barinkay mist dan de luchtigheid van een Wunderlich, maar ik geef toe dat hij veel beter is dan ik aanhankelijk vreesde. Ook in de dialogen die hij opnieuw heeft ‘geadapteerd’ – wat het ook mag inhouden – weet hij mij goed te overtuigen.
Helaas blijkt mijn angst voor Claudia Barainsky (Saffi) bewaarheid, al is het voor even. ‘So elend und so treu’ helpt zij regelrecht om zeep. Hier klinkt zij zo ouwelijk en schril dat ik prompt naar Schwarzkopf verlang, om van Jurinac nog maar te zwijgen.
In de beide trio’s met Schukoff en Khatuna Mikaberidze (een prima Czipra) revancheert zij zich, en ook in het duet ‘Wer uns getraut?’ klinkt zij zonder meer goed, maar het kwaad is al geschied. Jammer, want ik bewonder de zangeres zeer.
Heinz Zednik is een heerlijke Conte Carnero. Alleen al voor hem – en voor de werkelijk fantastische Jochen Schmeckenbecher als Kálmán Zsupán (luister naar zijn ‘Da bin ich’, heerlijk!) is de nieuwe opname meer dan de moeite waard. Niet dat u veel keuze hebt, tenzij u voor de eigenzinnigheden van Harnoncourt gaat, maat dit terzijde.
Lawrence Foster dirigeert zonder meer goed. Toegegeven, von Karajan is hij niet, maar in vergelijking met bij voorbeeld Otto Ackerman of Franz Allers (beiden verschenen bij Warner met Nicolai Gedda in de hoofdrol) valt zijn lezing meer dan mee. Voor mij zou er wat meer ‘schmalz’ bij mogen, ook wat meer ‘driekwart’, maar ach! Operette (her)leeft en dat is meer dan heuglijk nieuws!
Johann Strauss jr.
Der Zigeunerbaron
Nikolaï Schukoff, Claudia Barainsky, Jochen Schmeckenbecher, Khatuna Mikaberidze, Heins Zednik, Markus Brück, Jasmina Sakr, Paul Kaufmann, Renate Pitscheider, Lawrence Foster
NDR Radiophilharmonie onder leiding van Lawrence Foster
Pentatone PTC 5186 482
Deze opname van HMS Pinafore is gewoon een must
Ik ben een grote liefhebber van operettes en musicals, maar verder dan Berlijn/Wenen en (de oude) Broadway reikt mijn kennis niet echt. Doodzonde eigenlijk, want er is zo veel meer!
Gilbert & Sullivan ken ik dan weer wel, maar HMS Pinafore is voor mij nog steeds terra incognita. Ooit gehoord, mooi bevonden en toen weer vergeten. Gelukkig kreeg ik nu de kans om dat heerlijk werkje goed te beluisteren en de hernieuwde kennismaking bevalt mij zeer!
Het verhaal is typisch Engels: (satire op) standsverschillen, hypocrisie en dat alles gelardeerd met een gezonde dosis romantiek. Het is een beetje puzzelen hoe het zit met de leeftijden van de protagonisten, maar niet nadenken helpt.
De muziek is kostelijk en vermakelijk maar ook behoorlijk lyrisch. De, live in Edinburgh opgenomen voorstelling sprankelt dat het een lieve lust is, wat onder andere aan het Schotse orkest onder leiding van Richard Egarr is te danken.
John Mark Ainsley is een voortreffelijke kapitein en als zijn dochter zet Elizabeth Watts al haar charmes in de strijd. Wat een prachtige, warme mezzostem!
Hilary Summers zingt een zeer overtuigende Little Buttercup, maar de mooiste van allemaal vind ik Toby Spence (Ralph). Het is al de zoveelste keer dat ik meer dan gecharmeerd wordt door deze jonge Engelse tenor. Aanbevolen!
GILBERT & SULLIVAN
HMS Pinafore
John Mark Ainsley, Elizabeth Watts, Toby Spence, Hilary Summers e.a.
Tim Brooke-Taylor (narrator)
Scottish Opera olv Richard Egarr
LINN CKD 522 • 85’ (2 cd’s)
Uitstekende productie van Król Roger uit Londen
Nog maar 15 jaar geleden schreef één van de vooraanstaande Nederlandse muziekrecensenten (nee, ik ga geen namen noemen): “Karol Szymanowski, een componist van wie weinig stukken repertoire hebben gehouden heeft in de jaren twintig nog meegemaakt dat Król Roger werd opgevoerd. Later verdween zijn halfdestillaat uit Nietzsches Geburt der Tragödie, Euripides’ Bacchanten en Shakespeares Lear uit het vizier. Je kan de grote eclecticus Szymanowski uiteindelijk maar weinig kwalijk nemen, behalve dat hij zo nodig een opera wou.”
Hij was de enige niet: doordat zijn werken een verscheidenheid aan invloeden verraadden, werd Szymanowski lang voor een eclecticus uitgemaakt, een scheldnaam in de tijd.
Tijden veranderen. Szymanowski wordt inmiddels gerekend tot de grootste componisten van het begin van de twintigste eeuw en zijn werken zijn niet weg te denken van de concertpodia en opnamestudio’s.
Zijn Król Roger, een poëtische opera vol symboliek en geparfumeerd met myrthe heeft – terecht – een ware cultstatus bereikt. Neem alleen al de openingskoor! Het zacht opdoemende, door het immense koor gezongen “Hagios, Kyrios, Theos Sabaoth”, met de invallende hoge stemmen van het jongenskoor steekt het Requiem van Verdi naar de kroon.
De voorstelling in Covent Garden, geregisseerd door Kasper Holten en gedirigeerd door Antonio Pappano was een ware triomf voor alle betrokkenen. Holten verbeeldde de opera als een soort reis van de hoofdpersoon in het binnenste van zijn psyche. Figuurlijk, maar ook letterlijk. Alles speelt zich in het hoofd van Roger, het is dan ook een enorm hoofd die de bühne domineert en die zonodig ook als zijn paleis fungeert. Het maakte mij sprakeloos.
Dat de opera enigmatisch is, is nogal wiedes. Het libretto van de hand van Jarosław Iwaszkiewicz is nogal hoogdravend en de tekst is, zelfs voor Polen moeilijk verstaanbaar en onuitspreekbaar. Grote hulde voor de Poolse coach (Marek Ruszczyński) die alle zangers liet klinken als waren ze native speakers. Of misschien zelfs beter!
Saimir Pirgu (Pasterz) was voor mij de grootste verrassing van de avond. Zijn stem klonk gecultiveerd en verleidelijk en zijn hele optreden was een oor- en oogstrelend.
Georgia Jarman was een zeer goede Roxana: haar cantilena in de eerste akte drong diep tot mijn hart.
Roxana’s song:
Mariusz Kwiecień is dé Roger van onze tijd. Het is een rol die hij zich eigen heeft gemaakt en die niemand hem kan afnemen. Het valt mij trouwens op hoe anders hij de rol in verschillende producties vertolkt!
Kim Bagley was een voortreffelijke Edrisi en Agnes Zwierko is een luxe bezetting voor Dyakonissa. Een aanrader, deze opname!
Hieronder een introductie tot de opera:
KAROL SZYMANOWSKI
Król Roger
Mariusz Kwiecień, Georgia Jarman, Saimir Pirgu, Kim Begley, Alan Ewing, Agnes Zwierko
Royal Opera Chorus (Renato Balsadonna), Orchestra of the Royal opera House olv Antonio Pappano
Regie: Kasper Holten
Kent iemand Clari van Halévy?
Wat je ook niet van diva’s en divo’s denkt: wij hebben ze nodig. Op de een of andere manier hebben wij allemaal een ‘iets’ in ons leven nodig. Een ‘afgod’ of een ‘idool’ die ons onze dagelijkse zorgen doen vergeten en ons verrijken met dat vleugje… glamour? Dromen die uitkomen? Dromen die kunnen uitkomen? Dromen?
Veel belangrijker nog dan dat is het, zeker voor de minder dromerigeren onder ons, dat wij dankzij de divo’s en de diva’s ook ontzettend veel nieuwe, onbekende en vergeten werken kunnen bewonderen. Dankzij hun status hebben ze het vaak voor het zeggen in de (in dit geval) opera-industrie. Dus speciaal op hun eigen verzoek worden er opera’s geprogrammeerd die je anders nooit van je leven live zou kunnen horen. Laat staan dat het ooit op dvd zou worden uitgebracht.
Clari, een totaal vergeten opera van Jacques Fromental Halévy, hebben wij dan aan Cecilia Bartoli te danken. Zij heeft de opera herontdekt en dankzij haar kwam het tot de productie.
Heel erg verwonderlijk is het niet. De opera was gecomponeerd voor Maria Malibran en aangezien La Bartoli de laatste tijd helemaal “in Malibran” is geweest, was het te verwachten dat ze nog een “Malibran krent” voor ons in petto had.
Jacques Fromental Halévy, nog maar een paar jaar geleden niet meer dan een naam, is inmiddels geen rariteit meer. Zijn La Juive gaat tegenwoordig alle grote operahuizen rond en heeft zelfs, in een schitterende productie van Pierre Audi, ook Amsterdam aangedaan (het komt niet terug. Waarom?! Waarom zo veel afschuwelijkste producties wel en dit niet? Wie neemt zulke idiote beslissingen?).
Maar goed: Clari? Heeft iemand ooit van Clari gehoord? Vergeet de ‘grand-opéra’, want die is mijlenver hiervan verwijderd. Clari beleefde haar première in het Théâtre-Italien in Parijs in 1828 en verdween daarna van het toneel. Het is een niemendalletje. Maar wat een heerlijk niemendalletje!
Clari is een echte opera ‘semi-seria’, dus (een beetje) dramatisch en (een boel) komisch tegelijk. De keuze voor die verhouding is aan de voortreffelijke regisseurs te danken (Moshe Leiser en Patrice Caurier). En we krijgen een happy end.
Als iemand mij vertelde dat het een pas herontdekte onbekende Rossini was, had ik het zo geloofd. Maar ook Cherubini is nergens ver weg.
De enscenering doet mij het meeste aan pop-art denken. En aan de schilderijen van Tom Wesselmann: roze koelkast, blauwe muren, pasteltinten overal … De regisseurs hebben het over “Foto-novella”, daar zit natuurlijk ook wat in, maar het is natuurlijk ook sterk met beide benen in het internet-tijdperk verankerd.
Waar gaat het over? Een arm maar o zo mooi plattelandsmeisje wordt geschaakt door een prins. Hij belooft met haar te trouwen, maar eenmaal aan zijn hof introduceert hij haar als zijn nicht. Ter ere van haar naamdag wordt er een toneelstuk opgevoerd dat haar met haar verleden confronteert. Zij valt flauw en besluit terug te keren naar haar ouderlijk huis. Haar vader wijst haar de deur, maar de prins reist haar achterna met een huwelijkscontract. Eind goed, al goed.
John Osborn is een werkelijk heerlijke Duca. Zijn stem is soepel en wendbaar. Zijn topnoten doet niemand hem na. En hij acteert voortreffelijk.
Bartoli oogt (het close-up tijdperk!) een beetje oud voor de naïeve teenager. Haar uitstraling doet ook eerder een vrouw van de wereld dan een plattelandsmeisje vermoeden, maar ach … Zij zingt de bijna drie octaven omvattende rol voortreffelijk, acteert aanstekelijk en is leuk om te zien. Wat willen we dan meer?
Is de opera oorspronkelijk? Nee. Innoverend? Nee. Meesterwerk? Nee. Maar hoe ontzettend LEUK! Zeker in de productie uit Zürich
Jacques Fromental Halévy
Clari
Cecilia Bartoli, John Osborn, Eva Liebau, Oliver Wittmer, Giuseppe Scorsin, Carlos Chausson, Stefania Kaluza
Orchestra La Scintilla en het koor van van de Opernhaus Zürich olv Adam Fischer
Regie: Moshe Leiser en Patrice Caurier
Decca 0743382
Meer Halévy:
LA JUIVE: discografie
LA JUIVE Tel Aviv 2010







