De Israëlische Dalia Atlas behoort tot de eerste generatie vrouwelijke dirigenten die naam wist te maken én te behouden. De grootste orkesten werden haar toevertrouwd en dat in de tijd dat wij alleen een mannelijke maestro gewend waren.
Atlas, die een immens repertoire op haar naam heeft staan, is altijd één van de grootste pleitbezorgers van de muziek van Ernest Bloch geweest. En dat nog lang vóórdat het weer salonfähig werd om naar hem en zijn romantische muzikale idioom te luisteren.
Het ligt dan ook niet aan haar, noch aan de prachtig spelende London Symphony Orchestra dat de Symphony in C weinig boeit. De symfonie klinkt nog te veel als een aftreksel van de muziek van zijn voorgangers. Het is wel heel erg aangenaam luisteren, dat wel, maar ik merk dat ik mijn gedachten er niet bij kan houden.
Het vroege werk van de Zwitserse romanticus heeft nog te weinig om het lijf om te kunnen beklijven, hij moest zijn weg nog vinden. Met het op zoek gaan naar zijn eigen roots heeft Bloch een nieuwe weg in de muziekgeschiedenis geschapen en daar heeft hij ongekende hoogten mee bereikt. Maar dat kwam later.
Dat ik de stukken niet interessant genoeg vind doet echter niets af aan de werkelijk grandioze uitvoering.
ERNEST BLOCH
Symphony in C sharp minor; Poems of the Sea
London Symphony Orchestra olv Dalia Atlas
Naxos 8573241 • 68’
De Deutsche Oper am Rhein sloot het Britten-jaar, hoewel met zes maanden vertraging, zeer toepasselijk af met Brittens laatste opera, Death in Venice.
Het was de eerste keer dat Death in Venice in Düsseldorf werd gepresenteerd. De productie was tevens het vierde en laatste deel van de Britten-cyclus van de Duits-Turkse regisseur Immo Karaman en zijn vaste partner, choreograaf Fabian Posca.
Helaas heb ik Turn of the screw moeten missen, maar Karamans en Posca’s Peter Grimes en Billy Budd reken ik tot de beste producties die ik van die opera’s heb gezien. Mijn verwachtingen voor Death in Venice waren dan ook hooggespannen.
Dat het uiteindelijke resultaat een beetje tegenviel, lag voornamelijk aan Posca’s choreografie. In de hem zeer typerende stijl voerde hij personages op die in hun bewegingen een beetje spastisch overkwamen. In Peter Grimes werkte het wonderwel en het had, mits spaarzamer gebruikt, ook in Death in Venice kunnen werken, maar overdaad schaadt en ik betrapte mij erop dat mijn aandacht bij vlagen verslapte.
Foto: Hans Jörg Michel
Maar het idee snapte ik wel, of althans dacht te begrijpen. Doordat alle personages – op Aschenbach na – zich met hallucinerende bewegingen door de bühne bewogen werd het gevoel van totale vervreemding versterkt. Het was alsof Aschenbach gevangen werd in zijn eigen droom waaruit geen ontsnappen mogelijk was. Tegen zijn eigen wil in, of nog beter: willoos belandde hij in een boze droom die hij met de intensiteit van de realiteit beleefde. Het was net een film die in zijn hoofd voorbijraasde, hem totaal radeloos maakte en dood achterliet.
In zijn hoofd waren er geen stranden, geen lagunes en geen zee. Aschenbach’s Venetië werd gereduceerd tot een hotellobby en zijn eigen werkkamer met zijn eigen fauteuil waar hij bescherming zocht als het allemaal hem te veel werd. En het werd gauw te veel, want wat als een verwarrende en onrustwekkende reis naar het onbekende begon eindigde in een regelrechte nachtmerrie, waarin alles en iedereen aan een verval leek te bezwijken en alle mensen in duivels en monsters veranderden.
Raymond Very als Aschenbach. Foto: Hans Jörg Michel
De voorstelling werd gedragen door de Amerikaanse tenor Raymond Very. De rol van Aschenbach is een echte ‘tour de force’, maar Very had er totaal geen moeite mee. Ogenschijnlijk onvermoeibaar domineerde hij de bühne van begin tot eind en zijn stem klonk puur en nergens geforceerd. Dat hij affiniteit heeft met de muziek van Britten is evident. Zo schitterde hij al eerder in Düsseldorf als Captain Vere in Billy Budd.
Peter Savidge en Raymond Very. Foto: Hans Jörg Michel
Peter Savidge, die de zeven baritonrollen op zijn rekening nam, imponeerde voornamelijk als acteur. Op zijn stem viel absoluut niets aan te merken, zeer soepel wisselde hij van register en dapper worstelde hij zich door zijn ettelijke “falsetto’s”, maar voor mij ontbrak er iets, voor mij klonk hij niet gevaarlijk genoeg.
De countertenor Yosemeh Adjei zette een bewonderenswaardige Apollo neer en Torben Jürgens imponeerde in zijn kleine rol van de Engelse klerk. Alma Sadé was een heerlijke aardbeienverkoopster en een speelse straatzangeres.
Persoonlijk vond ik de twee jongens, Denys Popovich (Tadzio) en Talib Jordan (Jaschiu), niet echt bij elkaar passen. Met zijn lange lichaam leek Tadzio veel ouder dan zijn vriend, wat de verhoudingen, zeker in de ‘vechtscène’, wat scheef zette. Beiden dansten wel fantastisch.
Lukas Beikircher, in Nederland bekend van de Stichting Internationale Opera Producties, had het voortreffelijk spelende orkest aanvankelijk niet goed in de hand. Het klonk een beetje afgemat en weinig genuanceerd. Na de pauze werd het echter echt spannend in de orkestbak en werden zelfs de hitte en de klamheid voelbaar.
Hieronder de trailer van de productie:
Benjamin Britten
Death in Venice
Raymond Very, Peter Savidge, Yosemeh Adjei, Torben Jürgens, Florian Simson, Attila Fodre, Alma Sadè e.a.
Chor der Deutschen Oper am Rhein (instudering Christoph Kurig) en Düsseldorfer Symphoniker onder leiding van Lukas Beikircher, piano solo: Mary Satterthwaite
Met de plotselinge dood van Giuseppe Sinopoli in april 2001 is de Staatskapelle Dresden haar chefdirigent kwijtgeraakt. Na veel aandringen stemde Bernard Haitink toe en een jaar later leidde hij het eerste abonnementsconcert van het oudste Europese symfonieorkest.
Op de lessenaar stonden o.a. het vioolconcert van Beethoven en de eerste symfonie van Brahms. De concerten werden op 29 en 30 september en 2 oktober 2002 live opgenomen en onlangs op twee cd’s uitgebracht.
Het vioolconcerto van Beethoven werd bijzonder fraai vertolkt door Frank Peter Zimmermann. Zijn klank is zoet en zijn interpretatie lyrisch. Dat de uitvoering naar een té nuchtere neigt kan je zonder meer Haitink aan te rekenen.
Dat hoor je ook in Haitinks lezing van de symfonie van Brahms. Wat je krijgt is een zeer degelijke en tot in de puntjes verzorgde interpretatie die staat als een huis, maar die nergens uitspringt. Vergelijk het maar met Abbado die je meteen op het puntje van je stoel zet en je samen met hem laat “dirigeren”. Probeer het maar met Haitink! Die is zo majestueus dat je het liefst op afstand blijft.
Bij de heerlijke “Oberon-ouverture” van Carl Maria von Weber permitteert Haitink zich een, weliswaar bleke glimlach.
Hieronder: Haitink dirigeert von Weber. De opname is van oktober 2004
CARL MARIA VON WEBER, LUDWIG VAN BEETHOVEN, JOHANNES BRAHMS
Ouvertüre zur oper “Oberon”, Konzert D-Dur op.61, Symphonie Nr.1 c-Moll op. 68
Frank Peter Zimmermann (viool), Staatskapelle Dresden olv Bernard Haitink
Edition Staatskapelle Dresden PHO9036 • 97‘ (2 cd’s)
Het leven van een operacomponist gaat niet over rozen. Zo ben je wereldberoemd en zo raak je buiten je landsgrenzen totaal vergeten. Mocht je geluk hebben dan word je over een jaar of honderd herontdekt, maar Stanisław Moniuszko (1819 – 1872) zit nog steeds op de erkenning te wachten die hij ruimschoots verdient.
Een echte operaliefhebber kent Halka, al is het maar van naam. Wellicht zelfs Straszny Dwór (The Haunted Manor), maar verder? En dan te bedenken dat hij één van de grootste Poolse componisten is.
Hij was nationalistisch, dat wel, maar wie was het niet in de roerige jaren na de Franse revolutie? Zeker als je bedenkt dat Polen toen niet eens bestond, opgeslokt en verdeeld door – en tussen – de Russen, Pruisen en Oostenrijkers.
Moniuszko’s muziek is onmiskenbaar Pools, en kon dan ook geen genade vinden in de ogen van Russische bezetter: Straszny Dwór werd in 1865 verboden. Te nationalistisch. Zijn begrafenis (Moniuszko stierf in 1872 aan een hartinfarct) werd niettemin een nationale manifestatie.
Op zijn naam staan meer dan twintig opera’s, plus ettelijke operettes en cantates. En werkelijk goddelijke liederen, allemaal verzameld in twaalf bundels onder de naam Śpiewnik Domowy (‘huiselijke liederenbundel’).).
Mocht u geïnteresseerd zijn in de werkelijk prachtige liederen dan kan ik u de opname van Teresa Żylis-Gara op Rodolphe (RPC 32424) aanbevelen, hopelijk is het nog in de handel. Ook prachtig: een opname op Polskie Nagrania (PNCD 349) met Wiesław Ochman, Andrzej Hiolski en Bernard Ładysz.
Antoni Wit heeft zich met zijn Warsaw Philharmonic over een paar van Moniuszko’s ouvertures ontfermd. Het is een schitterende cd geworden, vol verrassende, sprankelende en meeslepende muziek, die behalve Pools soms ook zeer Straussiaans klinkt en ook von Weber is niet ver weg. Prachtig!
STANISŁAW MONIUSZKO
Ouvertures
Warsaw Philharmonic Orchestra olv Antoni Wit
Naxos 8572716 • 78’
Voor Franz Schreker kan je mij midden in de nacht wakker maken. In zijn muziek hoor ik de volmaakte klank die mij intens gelukkig maakt. Zijn opera’s vind ik, naast die van Puccini en Korngold, het mooiste wat er bestaat. De samensmelting van de onbeschaamde emoties met de onverholen erotiek en intense schoonheid maakt van mij een ‘Alice in wonderland’. Daar wil ik steeds meer en meer van. Noem mij maar een junkie.
Van al zijn opera’s houd ik het meest van Der Ferne Klang en Die Gezeichneten. Beiden ontbreken ook niet op de nieuwe opname met de orkestrale preludes, voorspelen en tussenspelen uit zijn opera’s. Deze cd voelt dan ook aan als een prachtig cadeau, maar dan wel één waarvan de verpakking mooier is dan de inhoud zelf.
Neem de ‘Nachtstück’, een interlude uit Der Ferne Klang: de muziek is zo zwoel dat je, als je een beetje een nuchtere Hollander bent, beter van af moet blijven. Want: of je geeft je eraan over of je gaat eraan onder.
De uitvoering van het Royal Swedish Orchestra onder leiding van de Nederlander Lawrence Renes is zonder meer goed, toch mis ik iets. Het is onbenoembaar, meer een gevoel dan een feit. Wellicht is de sehnsucht tussen de perfecte noten kwijt geraakt?
FRANZ SCHREKER
Orchestral music from the operas
Royal Swedish Orchestra olv Lawrence Renes
BIS 2212
Bij het opzoeken van zijn biografische gegevens schrik ik even. Met zijn 47 jaar is Alexandre Tharaud ouder dan ik dacht. Het is de schuld van zijn zeer jeugdige uitstraling. En van zijn optreden in Amour van Michael Hanneke. Een film waarin hij de rol van een jonge pianist, leerling van de hoofdpersoon vertolkt.
Zijn acteren is zeer natuurlijk, vanzelfsprekend eigenlijk, maar in die richting koestert hij geen ambities Zijn muzikale achtergrond (zijn grootvader was violist, moeder danseres en vader een operettezanger) laat zich niet verloochenen. Maar een rol goed kunnen spelen komt hem goed van pas in de film die Raphaëlle Aellig Régnier over hem heeft gemaakt.
De documentaire laat ons de mens achter de pianist zien. We maken hem mee in zijn meest intieme en eenzame momenten, vlak voordat hij op moet. Het is zijn tijd van bezinning, waarbij niemand hem mag storen. Zijn kleedkamer is voor hem een soort vacuüm tussen de bühne en het echte leven. Een plek waar hij alleen moet zijn met zichzelf. En met de spiegel, waarin hij de persoon ziet die zo meteen gaat optreden.
Als bonus krijgen we de complete uitvoering van Mozart’s KV 466. De uitvoering is zonder meer prachtig, maar ik mis een zekere magie, die de uitvoeringen van een Gieseking, Haskil of Perahia zo uitzonderlijk maken.
Het kan ook aan Berbard Labadie en zijn Violons du Roy liggen die de ouderwetse bekwaamheid aan de moderne nuchterheid paren.
ALEXANDRE THARAUD
LE TEMPS DÉROBÉ
Een film van
Bonus: Mozart Pianoconcerto No.23 KV 466
Alexandre Tharaud; Les Violons du Roy olv Bernard Labadie
Erato 0825646220977 • 93’
In 1991 lanceerde Hyperion een nieuw, buitengewoon leuk project, het Romantisch Pianoconcert. De reeks werd geopend met de opname van pianoconcert van Moszkowski, toen nog hét pianoconcert. Men wist nog niet dat er nog één, eerder gecomponeerde concert bestond; die werd pas in 2008 ontdekt.
Is het wat? Ja en nee. Het is eigenlijk een niemendalletje, maar, mijn God, wat is het mooi! Echt iets om met de ogen dicht te beluisteren, het liefst in de tuin in de zon (voor de brandende kachel in de winter mag ook), je verstand op nul en … laat de dromen maar komen!
Met zijn bijna 54 minuten is het concert behoorlijk lang en eigenlijk had deel vier, allegro sostenuto, er uitgeknipt moeten worden, maar ach …..Soms is het fijn om niet te hoeven nadenken en zich aan pure romantiek over te geven.
Van Adolf Schulz-Evler is bitter weinig bekend, zelfs zijn naam wordt op verschillende manieren gespeld. De Pool, die een leerling was van Stanisław Moniuszko moest in ieder geval een buitengewoon pianovirtuoos zijn geweest, want zijn elf minuten durend werk schreeuwt om een meesterpianist. Maar dan wel één die de beroemde “Russische ziel” (het werk heet niet voor niets Russian Rhapsody!) er uit weet te peuteren en het met ongegeneerd veel smacht aan de man weet te slijten.
De Bulgaar Ludmil Angelov kan dat. Samen met het BBC Scottish Symphony die onder leiding staat van Vladimir Kiradjiev laat hij mijn hart sneller kloppen.
Bedankt Hyperion. Ik ga de cd koesteren als een mooie herinnering aan de zomer die maar geen zomer wilde worden.
‘Mini-taster’ van de opname:
MORITZ MOSZKOWSKI
Piano Concerto in B minor, Op.3
ADOLF SCHULZ-EVER
Russian Rhapsody
Ludmil Angelov (piano), BBC Scottish Symphony Orchestra olv Vladimir Kiradjiev
Hyperion CDA68109 • 71’
Laat ik het voorzichtig formuleren: hoe hoog ik Maris Jansons ook niet acht, zijn Mahlers hebben mij nooit echt kunnen bekoren. Het voelde vaak alsof zijn nuchterheid hem in de weg stond om zich ongegeneerd aan emoties over te geven.
Ook de vierde symfonie, vorig jaar op het eigen label van het KCO uitgebracht, ontstapt er niet aan. Wat ik hoor is een zeer transparant en doorzichtig – maar ook een zeer afstandelijk -gespeelde symfonie. Nergens broeit het, wat mij doet denken aan een zonnige zomerdag zonder dat de zich al op de verre achtergrond naderende onweer voelbaar is.
Je hoort wel alle afzonderlijke instrumenten één voor één voorbij komen, allemaal zo adembenemend mooi gespeeld dat je naar adem moet snakken. Perfectie ten top.
Er is maar één ‘máár’: het is Mahler niet. Althans: niet mijn Mahler.
Ook Dorothea Röschmann, één van mijn geliefde (Mozart-) sopranen voldoet hier niet. Haar stem is groot geworden, volwassen. Niet licht meer en al helemaal niet ‘himmlisch’. Zij is een volwassen vrouw, geen meisje. Haar niet altijd zuivere intonatie kan ik haar vergeven – live is immers live – maar haar interpretatie vind ik gewoon irritant. Nee, geef mij maar Helen Donath. Of Lucia Popp.
GUSTAV MAHLER
Symphony no.4
Royal Concertgebouw Orchestra olv Mariss Jansons
Dorothea Röschmann, sopraan
RCO 15004
Wil je de wereld even vergeten, dan moet je bij Christian Thielemann en Renée Fleming zijn. Op een dvd van Opus Arte haalt de maestro het beste uit Bruckners zevende en geeft de sopraan onweerstaanbare interpretaties van liederen van Wolf en Strauss.
De zevende was samen met de vierde Bruckners meest succesvolle symfonie – al tijdens zijn leven. Dat dat nog steeds zo is, ligt volgens mij (beslist geen ‘Bruckneriaan’) aan het aangrijpende Adagio, waarin Bruckner vier tuba’s introduceert die rechtstreeks uit Wagners Ring lijken te zijn gewandeld. Hiermee wilde Bruckner een soort statement maken en zijn idool eren, wiens naderende dood hij voorvoelde.
Het is dan ook geen wonder dat er zo veel, echt goede, opnamen van het werk bestaan. Noem maar op: Haitink, Klemperer, Horenstein…
Zelf heb ik altijd een enorme zwak voor Giulini met het Suttgart Radio Symphony (Hänssler) gehad; en ook Barenboim kon mij meer dan bekoren. Maar geen van deze opnamen heeft mij zo de wereld laten vergeten als deze nieuwe, gedirigeerd door Christian Thielemann.
Is dit dan de beste uitvoering van zevende van Bruckner die er is? Dat weet ik niet. Maar het doet iets met mij. Het voelt alsof de muziek rechtstreeks mijn hart in wandelt en daar beslag van al mijn emoties neemt.
Dat Renée Fleming even daarvoor zowat de allermooiste versie van ‘Kennst du das land’, één van de Mignon – liederen van Hugo Wolf zingt is wellicht ook niet zonder invloed. Haar interpretatie ontroert mij zeer diep, meer nog dan de tot dan toe mijn favorieten: Evelyn Lear en Edda Moser. Zo veel waanhoop en verdriet, zo veel verlangen en dan ook nog eens zo mooi gezongen. Zo hoort dat, denk ik dan. Zo en niet anders.
Ook het Befreit van Strauss behoort tot de beste interpretaties van het lied. Prachtig.
Fleming zing ‘Befreit’ (zonder beeld)
Een DVD om te hebben
Trailer:
BRUCKNER, WOLF, RICHARD STRAUSS
Symphony Nr.7 (Robert Haas Edition)
Staatskapelle Dresden olv Christiaan Thielemann
Renée Fleming sopraan
Opus Arte OA 1115 • 106’
Ooit heb ik geschreven dat ik naar de tijd verlang toen elke nieuwe opname van een symfonie van Mahler een feest was. Tegenwoordig gaat er geen dag voorbij zonder dat ergens zijn muziek wordt uitgevoerd, tot in de diepste provincies toe.
Nu is Kopenhagen geen provinciestad en het Deens Nationaal Orkest heeft meer noten op zijn zang dan zijn collega’s in andere Europese landen, maar …. Maar moeten ook de Denen hun eigen ‘Mahler-cyclus’ hebben? Tellen ze anders niet mee?
Mahlers negende symfonie behoort tot zijn meest vooruitstrevende werken.
Tijdens het componeren was hij al doodziek en zijn angst voor (en het uiteindelijke aanvaarden van) de dood kunnen alleen de grootste dirigenten en de beste orkesten overbrengen. En dat lukt Schønwandt gewoon niet. Zijn interpretatie laat mij koud.
Alle delen van de symfonie speelt hij ruim twee minuten sneller dan Bernstein.
Behalve de wrange ‘Rondo Burlesque’, daar is hij opeens veel langzamer, waardoor het wrange te uitgesponnen raakt. Dat hij maar liefst vijf minuten sneller door het Adagio raast, dat kan ik hem niet vergeven, want waar blijft dan het ‘sehr langsam und noch zerückhaltend’?
Een van mijn collegae prees de uitvoering de hemel in: het was zo ‘kamermuzikaal’! Mocht u uw Mahler op kamermuziekformaat hebben dan is Schønwandt uw man.
GUSTAV MAHLER
Symfonie nr.9
The Danish National Symphony Orchestra olv Michael Schønwandt
Challenge Classics CC72636 • 80’