In 1979 zong Renata Scotto bij de Metropolitan Opera haar eerste Luisa Miller en ze deed dat met de voor haar gebruikelijke toewijding. Maar voordat ze aan haar eerste grote aria kon beginnen, zorgde een ‘grapjas’ voor een schandaal door keihard ‘brava Maria Callas’ te roepen.
Sherrill Milnes, hier in de gedaante van Luisa’s vader, nam de door emoties bevangen Scotto in zijn armen en redde zo haar concentratie. En de voorstelling
Dat alles was live op tv uitgezonden en zo kwam het op de in omloop zijnde piratenvideo’s terecht. De mijne koesterde ik al jaren, want van die prachtige opera zijn er bitter weinig beeldopnamen. Bovendien ben ik een echte Scotto (en Domingo, en Milnes) fan.
Inmiddels is de voorstelling door Deutsche Grammophon op dvd uitgebracht, met de nodige cuts, waaronder dat beroemde incident. Jammer, maar het gaat tenslotte niet om de incidenten maar om de opera en de uitvoering. En daar is dus helemaal niets mis mee. Integendeel.
De enscenering van Nathaniel Merrill is behoorlijk oubollig en Domingo ziet er niet uit met zijn geblondeerde haren, maar dat ga je gauw vergeten want er wordt op een absoluut topniveau gezongen en geacteerd en maestro James Levine dirigeert meesterlijk (DG 0734027).
In het filmpje hieronder bespreken de hoofdrolspelers (Scotto, Domingo, Milnes en Levine) de opera van Verdi en de productie van 1979.
DARINA TAKOVA
Voor zijn productie van Luisa Miller (oorspronkelijk uitgevoerd bij de Nationale Reisopera in 2004, voor deze dvd opgenomen in Venetië in 2006) liet regisseur Arnaud Bernard zich inspireren door Novocento van Bertolucci. Maar de invloed van de Italiaanse neorealisten is ook onmiskenbaar aanwezig.
Bernard situeert de actie op het Italiaanse platteland in de jaren twintig van de vorige eeuw, waardoor niet alleen de klassentegenstellingen, maar ook het opkomende fascisme ruimschoots aan bod komt. Het bühnebeeld is abstract en op een paar realistische rekwisieten en metershoge foto’s van vrouwen na is het toneel vrijwel kaal.
Luisa Miller was de derde van de vier opera’s die Verdi op een toneelstuk van Schiller baseerde. Zoals al zijn opera’s uit zijn ‘middenperiode’ zit het werk barstensvol wonderschone aria’s en ensembles en het bezit wellicht de mooiste ouverture ooit geschreven – een uitdaging voor de dirigenten.
Mauricio Bennini is goed op dreef met het orkest van het Teatro La Fenice, al vind ik zijn tempi soms wat aan de langzame kant.
De – overwegend jonge – cast is prima, alleen Ursula Ferri vind ik een irritante Frederica. Haar stem is vlak en wapperend en van acteren heeft ze geen kaas gegeten.
Giuseppe Sabbatini (Rodolfo) beschikt over een ouderwets mooie, slanke tenor met goede topnoten en Darina Takova is een ontroerende, zeer tot de verbeelding sprekende Luisa (Naxos 2110225-26).
Ooit, jaren geleden al heb ik de goden (en de staf van DNO) gesmeekt om The Greek Passion van Bohuslav Martinů op de repertoirelijst te zetten. Tevergeefs. Terwijl het geen nieuwe productie hoeft te zijn, integendeel zelfs! Er bestaat een prachtige enscenering gemaakt door David Pountney:
Het werd in 1999 in Bregenz oeruitgevoerd (het betrof hier de eerste versie van de opera), en ik raakte er een paar jaar later in Covent Garden erg door ontroerd.
In de door mij bezochte voorstelling werden de hoofdrollen vertolkt door Christopher Ventris als Manolios (Christus) en Douglas Nasrawi als Panait (Judas), en sindsdien hoop ik dat er ooit een DVD van wordt uitgebracht. Zo te zien tevergeefs…
Het onderwerp: vluchtelingen, corruptie, religieuze fanatisme, humanisme en de zoektocht naar identificatie was, is en zal altijd actueel blijven. Bitter, tragisch, maar ook mooi en zeer humaan. Martinů schreef er zelf het libretto voor, naar de roman ‘Ο Χριστός ξανασταυρώνεται‘ (Christus werd weer gekruisigd) van Nikos Kazantzakis. Het boek (en de opera) vertelt een verhaal van de overlevenden van een Turks bloedbad die onderdak zoeken in een Grieks dorp waar de lokale bevolking bezig is met de voorbereidingen voor hun jaarlijkse ‘Passie-voorstellingen’.
FILM
Er bestaan twee versies van de opera. De oorspronkelijke versie werd in 1957 door de toenmalige directie van het Royal Opera Huis afgewezen. De door Martinů drastisch bewerkte partituur werd pas in 1961 in Zurich uitgevoerd, na de dood van de componist. Deze ‘herziening’ werd in 1981 door Supraphon opgenomen en in 1999 voor televisie verfilmd (Supraphon SU 7014-9)
Vooralsnog moeten we daar genoegen mee nemen, althans wat beeld betreft. Niet dat het slecht is, integendeel, want er valt waanzinnig veel te genieten, maar het is een film en de rollen worden gespeeld door professionele acteurs die werkelijk hun best doen om ons te doen geloven dat ze ook zingen.
De verfilming doet sterk aan Zeffirelli denken. Als u zijn Cavalleria Rusticana hebt gezien, dan weet u wat ik bedoel. Er zijn prachtige beelden van het dorre landschap en de hitte en droogte zijn haast voelbaar. De soundtrack komt van de opname door het Brno Philharmonic Orchestra onder leiding van Charles Mackerras (need I say more?) met o.a. John Tomlinson als de priester Grigoris, John Mitchinson als Manolios, Helen Field als Katerina en de solisten van het Welsh National Opera.
CD
Onlangs is er op Oehms (OC 967) de eerste, oorspronkelijke versie van de opera verschenen, live opgenomen in Graz in maart 2016. De uitvoering is zonder meer goed. De Zwitserse tenor Rolf Romei is een zeer ontroerende Manolios en Dshamilja Kaiser een overtuigende Katerina. Het Grazer Philharmonisches Orchester wordt zeer idiomatisch en zeer aansprekend gedirigeerd door Dirk Kaftan.
Naar de foto’s in het tekstboekje (en de fragmenten op You Tube) te oordelen was de productie ook prachtig om te zien. Waarom geen DVD?
Geen van de door Palazetto Bru Zane in april 2016 en september 2017 opgenomen werken van Charles Gounod behoort tot het standaard repertoire, iets wat mij hoogst verbaast.
Met zijn drie cantates Marie Stuart et Rizzio (1837), La Vendetta (1838) en Fernand (1839) dong Gounod voor de prijs van het prestigieuze concours Prix de Rome. Met de eerste twee tevergeefs, pas de derde heeft hem de fel begeerde prijs opgeleverd; met als de hoogste beloning een driejarig verblijf in de Villa Medici in Rome.
Van de drie kleine meesterwerkjes – want dat zijn ze! – is alleen de laatste tijdens zijn leven uitgevoerd. Hoe onterecht! Zijn ‘scènes lyrique’ kun je beschouwen als de voorbode van wat komen gaat, bovendien laten ze zijn enorm dramatisch talent als operacomponist zien.
Gabrielle Philiponet en Sébastien Droy zingen de rollen van Marie Stuart en Rizzio zeer overtuigend. Judith Van Wanroij schittert in de rol van Zelmire (Fernand), het moslimmeisje dat in 1492 Granada probeert te ontvluchten. Ook de tenor Yu Shao en bas Nicolas Courjal zijn zonder meer goed. Yu Shao is – naast de sopraan Chantal Santon-Jeffey de ster van de korte La Vendeta.
Tijdens zijn verblijf in Rome hield Gounod zich voornamelijk bezig met het bestuderen van de oude polyfone Italiaanse kerkmuziek, een ideaal dat hij nastreefde in zijn geestelijke composities. Het meest werd hij beïnvloed door Giovanni Pierluigi da Palestrina , zijn Messe vocale voor onbegeleid koor is gecomponeerd in de stijl van de renaissancemeester.
De uitvoeringen door het Vlaams Radiokoor en het Brussels Philharmonisch Orkest gedirigeerd door Hervé Niquet kunnen gewoon niet beter. Het is vanwege Gounods 200ste geboortejaar dat Ediciones Singulares en Palazetto Bru Zane zich over al die schitterende composities hebben ontfermd en al dat moois in een prachtig boekwerk hebben verpakt. Het is een gelimiteerde uitgave van 3500 exemplaren dus: haast u!
CHARLES GOUNOD
Cantates et musique sacrée
Gabrielle Philiponet, Chantal Santon-Jeffery, Judith van Wanroij (sopraan)
Caroline Meng (mezzosopraan)
Artavazdn Sargysan, Sébastien Droy, Yu Shao (tenor)
Alexander Duhamel (bariton), Nicolas Courjal (bas)
Flemish Radio Choir; Brussels Philharmonic olv Hervé Niquet
Palazetto Bru Zane ES 1030
Met de zee valt net zo min te spotten als met het noodlot. Beiden eisen hun tol ongeacht de omstandigheden, smeekbeden of omkooppogingen. Op de jonge Ivo rust een vloek: zodra zijn vrouw in verwachting raakt zal hij door de zee verslonden worden. Zo verging het zijn vader, zo is het ook zijn tweelingbroer vergaan.
Maar dat je niet aan je noodlot kunt ontkomen dat weet een ieder die ooit van Oedipus heeft gehoord en als het in de sterren staat dat je leven in de golven eindigt dan verdrink je, ook al is er geen zee in de buurt. Bij wijze van spreken dan want de zee, die is in de De Kinderen der Zee hoorbaar aanwezig.
Bij de eerste noten van de ouverture ruist het en deint het en stormt het… Hoe visueel wil je je noten hebben? Beeldender kan het niet, het is expressionisme ten top.
Lodewijk Mortelmans
De Kinderen der Zee van de Belgische componist Lodewijk Mortelmans (1868-1952) beleefde zijn première – zonder succes – in 1920 en de ontgoochelde componist bewerkte het tot een 90 minuten durende suite, waarvan nu de helft door Phaedra is opgenomen. Het laatromantische idioom spreekt mij zeer aan, net als het verhaal in verzen van Raf Verhulst. Sterker: ik ben behoorlijk onder de indruk.
De uitvoering is meer dan subliem. Dirk Vermeulen laat het Württembergische Philharmonie Reutlingen spelen alsof hun leven er van afhangt, adembenemend!
Liesbeth Devos (Stella) is voor mij een ware ontdekking. Haar kristalzuivere sopraan is buitengewoon aangenaam om naar te luisteren en haar stemacteren bewonderenswaardig.
Peter Gijsbertsen zingt een ontroerende Ivo, in die rol is hij voor mij werkelijk onnavolgbaar. Wat is zijn stem toch mooi en warm geworden! Werner van Mechelen (Petrus) completeert de cast uit duizenden.
‘Ellen’ op de tekst van Frederik van Eeden (Gijsbrecht) en ‘Als de ziele luistert’ (Devos) completeren de ‘Mortelmans-sectie’, maar er zijn nog liederen en aria’s van Peter Aerts en August de Boeck.
Hieronder zingt Liesbeth Devos de Cantilene van Francesca uit La Route d’Emeraude van August de Boeck:
LODEWIJK MORTELMANS:
De Kinderen der Zee (fragmenten
Ellen, een Lied van de Smart
PETER AERTS:
In Flanders’ Field
AUGUST DE BOECK:
C’est en toi, bien aimé
Cantilene van Francesca
Recitatief & Aria van Prinses Zonnestraal
Liesbeth Devos (sopraan), Peter Gijsbertsen (tenor), Werner van Mechelen (basbariton)
Württembergische Philharmonie Reutlingen olv Dirk Vermeulen
Phaedra PH 92097 • 77’
In de jaren twintig van de vorige eeuw raakte Martinů in de ban van de Engelse madrigalen. Het gebeurde nadat hij een concert in Praag had bijgewoond van de English Singers, die de werken uitvoerden van o.a. Byrd, Gibbons en Thomas Morley. Voornamelijk de laatste is hem altijd bijgebleven.
Hieronder ‘Aprill is in my Mistris face’ van Thomas Morley, uitgevoerd door het Hilliard Ensemble:
In een interview dat de componist begin jaren veertig in USA had gegeven vertelde hij dat in zijn composities hij het meest werd beïnvloed door de Tsjecho-Slovaakse folklore, Debussy en … Morley:
Die folklore en die ‘Debussy’anisme’ zijn inderdaad in veel van zijn werken – meer of minder – voelbaar, maar dat van de Engelse renaissance viel mij niet eerder op.
Het is de eerste keer dat ik de Madrigalen hoor en hoe mooi (en sereen) ik ze ook vind, echt boeien doen ze niet. Ik heb de cd een paar keer gedraaid en keer op keer betrapte ik mij er op dat mijn gedachten ergens ver weg waren en de muziek verworden was tot een ordinaire muzak. Ligt het aan de muziek of de uitvoering?
Het ensemble Martinů Voices is nieuw voor mij, ik heb ze nooit eerder gehoord, vandaar dat ik mij afvraag hoe de wrken geklonken zouden hebben in de uitvoering door de Hilliards….. Of het Nederlands Kamerkoor..
Bohuslav Martinů
Madrigals
Martinů Voices olv Lukáš Vasilek
Jakub Fišer (viool), Karel Košárek (piano)
Supraphon SU 4237-2
The Epic of Gilgamesh behoort tot Martinů’s beste, maar ook de meest gecompliceerde werken. Hij componeerde het in 1955, kort na zijn absolute meesterwerk, de drie ‘Fresco’s of Piero della Francesca’.
Het oeroude epos, ontstaan circa 2100 v.Ch. behoort tot de oudste literaire werken en wordt door de kenners vaak vergeleken met de Bijbel en het scheppingsverhaal. Het verhaalt van koning van Uruk, Gilgamesh die – even kort door de bocht – op zoek is naar de onsterfelijkheid.
Martinů’s oratorium is een groots werk, dat vanwege de zeer tot de verbeelding sprekende sfeertekening en het gebruik van – behalve het koor en de solisten – gesproken tekst vergeleken kan worden met ‘Le Roi David’ van Honegger.
In het tekstboekje staat dat het werk nu voor het eerst opgenomen werd in de originele taal waarin het werd gecomponeerd, het Engels, maar dat is niet helemaal waar. In 1995 al heeft het BBC Symphony Orchestra olv Jiří Bělohlávek een schitterende opname van ‘Gilgamesh’ gemaakt waarin de zangers weliswaar in het Tsjechisch zongen, maar de gesproken tekst werd door Jack Shepherd in het Engels voorgedragen.
De nieuwe opname haalt het orkestraal niveau van de BBC-opname niet helemaal, maar het verschil is eigenlijk minimaal. Alle vier de solisten zijn in ieder geval weergaloos en de voordracht van Simon Callow onweerstaanbaar.
BOHUSLAV MARTINŮ
The Epic of Gilgamesh
Lucy Crowe (sopraan), Andrew Staples (tenor), Derek Welton (bariton), Jan Martiník (bas), Simon Callow (spreker)
Prague Philharmonic Choir, Czech Philharmonic olv Manfred Honeck
Supraphon SU 4225-2 • 51‘
Van Richard Strauss en zijn medelibrettist Clemens Kraus kreeg Capriccio de ondertitel ’Konversationsstück für Musik’, en dat is precies, wat het is: een langgerekte conversatie. Het onderwerp van de eindeloze gesprekken en discussies die de hoofdpersonen voeren is net zo oud als de wereld: wat is belangrijker, muziek of woorden. En het kabbelt maar door, en het kabbelt maar door ..
Nooit heb ik het geduld kunnen opbrengen om het helemaal uit te luisteren, daarvoor was er voor mij veel te veel geklets en te weinig actie. Zelfs het lieflijke sextet aan het begin van de opera ervoer ik als langdradig.
Afijn: u hebt allang door dat Capriccio niet tot mijn favoriete opera’s behoort. En toch moest ook ik er aan geloven! Al moet ik toegeven, dat het niet zozeer aan de – om de erepalm met het libretto strijdende – muziek lag als aan de meer dan voortreffelijke zangers. En aan de regie. Laat het maar aan Carsen over en dan komt het vanzelf goed want die Canadese tovenaar kan zelfs een telefoonboek in een spannende thriller omtoveren.
Carsen verplaatste de handeling naar het door de nazi’s bezette Parijs in 1942, het tijdstip van het ontstaan van de opera. Als decor dient het gehele Palais Garnier, inclusief het majestueuze trapportaal, de lange gangen en de loges in de zaal. Ik neem aan dat er videotechniek aan te pas is gekomen, maar echt snappen doe ik het niet.
Met ingehouden adem kijk ik dus naar de Gravin, die vanuit haar loge bewonderend kijkt naar haar op de bühne zingende alter ego. Een werkelijk ingenieuze ingeving voor de slotscène, waarin zij oorspronkelijk haar lange laatste monoloog voor de spiegel moest zingen.
Aan het begin van de opera wordt er gewag van gemaakt dat de tekst en muziek zijn als broer en zus, en zo eindigen ook de twee rivalen, de componist Flamand en de dichter Olivier, broederlijk in de logebank van de opera gezeten, vertederd kijkend naar hun gezamenlijk kind, een symbiose van woorden en noten. Een opera.
Een betere Madeleine dan Renée Fleming is amper te bedenken. Met haar eindeloze legato, haar ronde, romige sopraan en (niet in de laatste plaats) haar scenische présence zet ze een gravin met narcistische trekjes neer: beeldschoon, zelfbewust, afstandelijk en zeer bewonderenswaardig.
Haar broer, vertolkt door Dietrich Henschel is aan haar gewaagd en al lijkt hij fysiek niet op haar, zijn trekjes verraden familiebanden.
Het is moeilijk, zo niet onmogelijk tussen de beide verliefde heren te kiezen, want zowel Gerald Finley (Olivier) als Rainer Trost (Flamand) zien er zeer aantrekkelijk uit in hun verzorgde pakken, en noch op hun stemmen, noch op hun acteren valt iets op aan te merken.
Anne Sofie von Otter is onherkenbaar als de diva Clairon: haar entree, waarbij zij, begeleid door een Nazi officier met veel stampei binnenkomt, roept herinneringen op aan de grote actrices uit de jaren veertig. Franz Hawlata is een fenomenale La Roche, en de kostelijke Robert Tear zet een vermakelijke Monsieur Taupe neer.
De personen regie is zo geniaal, dat je gewoonweg vergeet dat dit een opera en niet de echte wereld is. Iedereen beweegt en acteert zeer natuurlijk en de kostuums zijn verblindend mooi. Waren er niet de af en toe zeer prominent in beeld gebrachte nazi’s, dan kon men zich in een utopische wereld van serene rust wanen.
Zag de wereld van Richard Strauss er toen zo uit? Wellicht was dat de boodschap? De conclusie laat ik aan u over.
De slotscène van de opera:
Richard Strauss
Capriccio
Renée Fleming, Anne Sofie von Otter, Rainer Trost, Dietrich Henschel, Gerald Finley, Franz Hawlata, Robert Tear e.a.
Orchestre et Choeur de l’Opéra national de Paris olv Ulf Schirmer
Regie: Robert Carsen
Arthaus Musik 107529
Ook de klassieke muziek-business is niet vies van de commercie. Niet echt een ramp, maar soms krijg ik het gevoel dat alles en iedereen, de grootste componisten incluis onder de uiterlijke vernislaag worden verstopt om maar beter te kunnen verkopen.
Ik weet niet waar u aan denkt als u naar de muziek van Thomas Tallis, William Byrd of Orlando di Lasso luistert maar ik denk niet dat het een lange, uitgestrekte en deprimerende sneeuw- (maar het kan ook een woestijn zijn, hoor!) vlakte is. Daar word ik behoorlijk neerslachtig van.
De titel van de cd: ‘The Path to Paradise’ is hoogstwaarschijnlijk overgenomen van een cultfilm uit 1997 over de aanslag op World Trade Center. Iets wat mijn unheimlische gevoel alleen maar versterkt.
De naam van countertenor Daniel Taylor staat prominent op de cover, meteen onder de titel van het album, maar eigenlijk is hij niet meer dan de dirigent van het koor. Goed: hij heeft The Trinity Choir opgericht en zingt met de alten mee, maar toch….
Maar de muziek zelf – en daar gaat het tenslotte om – is goddelijk mooi. Het is van die esoterische schoonheid die je inderdaad – dichter bij het paradijs kan brengen. Er is ook niets mis met de uitvoering, al kunnen de Trinity-zangers mij de Tallis Scholars niet doen vergeten.
Path to Paradise Werken van Thomas Tallis, John Sheppard, Orlando di Lassus, Arvo Pärt, Gregorio Allegri, William Byrd, Nicolas Gombert Daniel Taylor The Trinity Choir Sony 19075801822
Deze productie van Der Rosenkavalier door de Nationale Opera in Amsterdam (regie: Jan Philippe Glogger) heb ik live in het huis gezien en ik was er zeer over te spreken. Ook visueel viel het best mee, al vond ik de laatste acte behoorlijk uit de toon vallen.
Hieronder trailer van de productie:
Ik was toen zeer onder de indruk van Paula Murrihy en Hanna-Elisabeth Müller (resp. Octavian en Sophie) maar zonder beeld vind ik ze iets minder fantastisch. Hun stemmen zijn fraai en zeer jeugdig maar ze kleuren niet echt mooi bij elkaar. Daar lijdt de overhandiging van de roos, ‘Mir ist die de Ehre’ een beetje onder. Het klinkt gewoon iets minder hemels dan ik gewend ben.
Camilla Nylund was toen een perfecte Marschallin: mooi en ogenschijnlijk afstandelijk en koel; en dat is zij zonder visie ook.
Het is een puur plezier om naar Peter Rose (Baron Ochs) te luisteren, nou eens geen afgezongen bas maar een man in de kracht van zijn leven. Wat eigenlijk ook best klopt: de baron is nog geen veertig! Zijn ‘walsjes’ zijn gewoon verrukkelijk en hoe hij met zijn stem acteert! Niks geen karikatuur, gewoon een lomperik en een boerenlul.
Maar het mooist vind ik het Nederlands Filharmonisch Orkest. Onder leiding van hun chef dirigent Marc Albrecht hebben ze hun Strauss goed ‘under the skin’!
De opname klinkt buitengewoon fraai.
RICHARD STRAUSS
Der Rosenkavalier
Camilla Nylund, Paula Murrihy, Peter Rose, Martin Gantner, Hanna-Elisabeth Müller
Netherlands Philharmonic Orchestra olv Marc Albrecht
Challenge Classics CC72741
Ooit heeft het mij een zeer dierbare vriendschap gekost, maar ik wil eerlijk zijn: ik ben geen grote liefhebber van Händel. En al helemaal niet van Tamerlano, een opera, waarin de tijd stil lijkt te staan om alleen af en toe een genadeloos langdurende coloratuur (en nog eens da capo!) doorheen te laten door glippen. Ik vermoed dat ik de enige niet ben: de opera werd lange tijd nog maar zelden uitgevoerd en opgenomen.
Andrea Cilesti: Tamerlane and Bayezid (c. 1770)
Maar tijden veranderen en in onze honger naar nog meer onbekende schatten uit het barok wordt ook Tamerlano steeds vaker afgestoft en uitgevoerd. Steeds meer gevierde zangers – inclusief de grootste vocale supersterren van wie je het nooit zou verwachten – zetten die opera op hun repertoire, wat de bekendheid ervan ten goede komt. Zelf ken ik er maar twee opnemen van.
PLÁCIDO DOMINGO
In het Teatro Real in Madrid werd in 2008 (Opus Arte OA Bd7022 D) een voorstelling in de regie van Graham Vick en onder leiding van Paul McCreesh opgenomen. De cast was zonder meer goed, met Sara Mingardo als een voortreffelijke Andronico voorop.
Plàcido Domingo (Bajazet) maakte zijn debuut in een barokopera, maar zelfs hij, mijn grote idool, kon het niet helpen dat ik telkens in slaap viel. Bij zijn ‘Figlia mia non pianger’ werd ik even ontroerd wakker, maar dat was dat.
Veel van de verveling komt zonder meer op rekening van de regisseur. Vicks productie is kaal, kil en (neem ik aan?) esthetisch verantwoord.
Hieronder Domingo in ‘Figlia mia non pianger’
JOHN MARK AINSLEY
Veel interessanter vind ik de opname op Naïve (V5373).
John Mark Ainsley is een Bajazet uit duizenden en Karina Gauvin een veel betere Asteria dan Ingela Bohlin bij McCreesh.
Met Emanuel Cenčić (Andronico) erbij kan de cast gewoon niet beter en Riccardo Minasi weet heel wat meer spanning in de partituur te brengen.
Hieronder ‘Figlia mia non pianger’ door John Mark Ainsley: