opera/operette/oratorium/koorwerken

Some words about Domingo and Otello:

otello domingootello
There is no doubt in my mind that Plàcido Domingo is the greatest interpreter of Otello, especially in the last 30 years of the twentieth century. Not only as a singer, but also as an actor Domingo knows how to adapt to his partners in a really brilliant way, thus his interpretation always fascinates and it is never the same twice. Sir Laurence Olivier, one of the greatest British actors, once said: ‘Domingo plays Othello as well as I do, and he has that voice!’

Domingo’s fascination with Otello started early on. In 1960 he made his debut in this opera, but as Cassio. In 1962 – it was also the last time he sang the role – he sang opposite Mario del Monaco’s Otello. In his memoirs he writes that he already knew then that Otello was going to be his ‘dream role’.

otello-placido-domingo-katia_1_8e94452a005bdde991cf21943c48cdb0
He sang his very first ‘Moor from Venice’ in Hamburg, on 28 September, 1975. He himself says it is one of the most important dates in his career. Desdemona was sung by the very young Katia Ricciarelli and the opera was conducted by James Levine. The complete production is now available on You Tube:

A year later the opera was performed at the Milanese Scala. It was the first collaboration between Domingo and Carlos Kleiber (outside of studio production). Mirella Freni sang Desdemona and Piero Cappuccilli Jago. It was broadcast live on Italian TV and it is now also on You Tube.

There is a sound recording also. It has been released on various pirate labels and can also be found on Spotify. It is actually mandatory for lovers of the opera, despite the poor quality of the sound and the abcense of a few bars from the third act (something happened in the audience).



otello domingo en price
Another fantastic live Otello comes from London, recorded on 19 February 1978. Again with Carlos Kleiber, but Desdemona was sung by Margaret Price and Silvano Carroli was Jago. Very exciting.

otello rca
Of all his studio recordings of Otello, the one from – once RCA now Sony- released in 1978, is the one I hold most dear. Desdemona was sung by Renata Scotto and she gave the role an extra dimension. She was not only innocent, but also audibly angry, sad and scared. Sherrill Milnes was a devilish Jago and the whole was led by James Levine.



otello kiri
Opus Arte (OA R3102) has released an old-fashioned, beautiful performance from Covent Garden (director Elijah Moshinsky). It was recorded in October 1992. With her beautiful lyrical soprano, Kiri Te Kanawa is a dream of a Desdemona. Her passivity fits the role well, especially as it is also very much within the director’s concept. Sergei Leiferkus (Jago) is not really idiomatic in Italian, but he sings and acts well and the orchestra, under the firm leadership of Georg Solti, plays the stars from the sky.

otello fleming
The same production was given at the Metropolitan Opera in New York in 1996 and recorded by Deutsche Grammophon (0730929). It was a milestone in opera history, because Renée Fleming made her unparalleled debut in the role of Desdemona.

She really made my heart contract with sorrow and emotion. Her ‘Willow Song’ with the strongly accentuated repetitions of ‘cantiamo’, her angelic ‘Ave Maria’, her oh-so-human played despair, disbelief and sorrow – no one could remain unmoved.

The lyrical tenor Richard Croft was also visually well cast as Cassio, and the whole production was under the thrilling leadership of maestro Levine.

Here is an excerpt:

De nieuwe opname van Il Tamerlano van Vivaldi is een aanwinst

Tekst: Lennaert van Anken

Antonio Vivaldi (1678 – 1741), vandaag de dag voornamelijk bekend van zijn setting van de Vier jaargetijden, was de meest succesvolle Italiaanse operacomponist van zijn tijd. Helaas worden zijn opera’s niet vaak gespeeld en grijpen operatheaters eerder terug op de opera’s van Haendel, zeker als ze een barokwerk op de planken willen brengen).

Bij DNO kregen we twee jaar terug nog een oratorium voorgeschoteld (Juditha triumphans, gepresenteerd als opera), maar dat was de eerste titel van deze swingende Venetiaan in het muziektheater en het zou me niets verbazen als de volgende Vivaldi pas over een 30 jaar of zoiets zal klinken aldaar. Wat mij betreft ten onrechte: zijn opera’s zijn voor mijn oren altijd een verrassing om te horen. Meer dan Haendel die ik vaak aan de saaie kant vind.

De opera Il Tamerlano is een vreemde eend in de bijt van het oeuvre van Vivaldi. Het is een pastiche (pasticcio), door Vivaldi geconstrueerd uit eerdere werken van hemzelf, daarbij tevens gebruik makend van aria’s van zijn tijdgenoten Broschi, Giacomelli en Hasse. De recitatieven waren allemaal nieuw en van de hand van Vivaldi zelf net als twee korte aria’s. Het samenstellen van een nieuwe opera uit eerder geschreven materiaal is een traditie die tot in de achttiende eeuw regelmatig voorkwam. Meestal kwamen pasticcio’s tot stand om tijd te winnen. Het was minder werk voor een componist en het leverde vaak dezelfde aandacht en inkomsten als een volwaardig nieuwe opera schrijven.

Zowel Vivaldi als Haendel hebben meerdere werken in dit genre op hun naam staan. Tamerlano kennen we ook als opera van Haendel. In de barok periode was het namelijk tevens gebruikelijk om een bestaand libretto te hanteren voor een nieuwe opera. Het libretto van de Venetiaanse graaf Agostino Piovene (1671 – onbekend) is voor het eerst in 1711 door Gasparini getoonzet tot een opera. In totaal volgenden nog meer dan 20 verschillende versies van de opera (waarvan Gasparini er nog twee zelf aanvulde nota bene). De versie van Vivaldi zag het levenslicht tijdens het carnaval van 1735, een jaar waarin hij nog drie andere opera’s afleverde aan de wereld.

Het libretto verhaalt over de Ottomaans-Turkse Sultan Bajazet (Bayezid I), die na een veldslag gevangen is genomen door de tartaar Tamerlano (Timoer Lenk). Tamerlano, die met Irene zou trouwen, heeft echter zijn oog laten vallen op de dochter van zijn rivaal (Asteria), die echter de geliefde is van de Griek Andronico. Met intriges lukt het Tamerlano bijna om Asteria voor zich te winnen en Adronico te laten geloven dat Asteria voor de Tartaar te kiezen, mede ook omdat ze vreest voor het leven van haar vader.

In een poging Tamerlano te vergiftigen, valt Asteria uit de gratie. De vergiftigingspoging wordt door Irene opgemerkt. Uiteindelijk pleegt Bajazet echter zelfmoord, wat de weg vrij maakt voor vergeving. Tamerlano trouwt met Irene, waarmee de weg vrij is voor Asteria om met Andronico te trouwen.

Het label Naïve is al 20 jaar bezig met het uitbrengen van het complete oeuvre van Vivaldi. De nieuwe opname van Il Tamerlano kwam dit jaar uit en was de negentiende opera titel in de serie. Inmiddels is de twintigste (Agrippo) ook alweer uitgebracht. Van de meeste opera’s uit de Vivaldi Naïve serie is het de eerste die er überhaupt te krijgen is, echter Virgin maakte reeds eerder een opname van deze opera, uitgebracht als Bajazet.

Hoewel de eerdere opname met klinkende namen als Ildebrando d’Arcangelo, David Daniels, Patrizia Ciofi, Vivica Genaux, Marijana Mijanovic en Elina Garanca mogelijk primair de voorkeur zal genieten, prefereer ik na meervoudig te beluisteren de nieuwste opname: die heeft namelijk als grote troef een meer inspirerende dirigent in de persoon van Ottavio Dantone. (Naive: OP7080) Hij laat het ensemble Accademia Bizantina fonkelen, de opname klinkt daardoor frisser en meer in balans dan de eerdere opname onder leiding van Fabio Biondi.

De zangers zijn stuk voor stuk minder bekend dan die op de Virgin opname. Bruno Taddia moet als Bajazet zeker ook zijn meerdere erkennen in D’Arcangelo, maar dat is wat mij betreft de enige rol die wat verbleekt op de nieuwe opname. Als Tamerlano horen wij de uitstekende nog redelijk onbekende countertenor Filippo Mineccia. De dames steken op verschillende vlakken uit op deze opname. De alt Delphine Galou laat Asteria gloeien, waar Mijanovic bij verbleekt. Het vocale vuurwerk komt van de vertolking van Irene door de mezzo-sopraan Sophie Rennert. Van haar zou ik graag meerdere opnames horen! De sopraan Marina de Liso fonkelt in de rol van Andronico.

Voor wie een start wil maken met het opbouwen van een Vivaldi opera collectie, zou deze opname niet mijn eerste aanrader zijn. Daarvoor zou ik eerder verwijzen naar bijvoorbeeld Orlando Furioso of La dida ninfa, maar voor wie graag een mooie opname van een Vivaldi opera toe wil voegen is deze Tamerlano een uitstekende aanwinst, die de oudere Bajazet-opname overschaduwt!


Basia con fuoco’s Top tien 2020

Het blijft een hels karwei om de mooiste en de beste tien cd’s van het jaar te kiezen. Ten eerste: ook een recensent is maar een mens en gaat meestal subjectief te werk. Al doe ik werkelijk mijn best om objectief te blijven. Ook het aanbod is enorm, nog steeds, al moet je het nog maar zelden van ‘majors’, de grote labels hebben. En toch: dit jaar hebben ‘ze’ ook mij verrast met een paar gewaagde uitgaven.

Ik moet ook toegeven: niet alles heb ik beluisterd en dat speet mij zeer. Er liggen nog een heleboel cd’s die ik had moeten beluisteren en er niet aan toe kwam. Wie weet, waren ze ook op mijn lijst gekomen?Er zijn ook cd’s die ik al beluisterd had en ze schitterend bevonden maar door omstandigheden nog niet aan toe kwam om er over te schijven. Die titels hebben jullie nog te goed.

Het lijstje is opgesteld in alfabetische volgorde naar de componist, uitvoerende of de titel.

1. Thomas Àdes

Ades picos

De voorliggende opname werd in Boston in 2016 live gemaakt en ik kan mij niet voorstellen dat er een betere uitvoering mogelijk is.

https://basiaconfuoco.com/2020/03/21/thomas-ades-door-thomas-ades-beter-krijgt-u-het-niet/

In English:

https://basiaconfuoco.com/2020/11/26/thomas-ades-by-thomas-ades-you-cant-get-it-any-better/

2. Samuel Barber: Vanessa

Vanessa dvd

De productie die in Glyndebourne in 2018 voor dvd werd opgenomen kan ik niet anders dan als een absolute top beschouwen

https://basiaconfuoco.com/2020/01/20/barbers-vanessa-uit-glyndebourne-beter-bestaat-niet/

3. Frederic Chopin: piano concerto’s

Chopin Grosvenor

Waar hij het vandaan haalt weet ik niet, maar zijn spel maakt dat het voelt alsof ik de concerten voor het eerst hoor, terwijl ik ze eigenlijk kan dromen.

https://basiaconfuoco.com/2020/03/19/verfrissenede-chopin-door-benjamin-grosvenor/

4. Haydn: Scottish songs

CD

Ik moet eerlijk bekennen: toen ik die cd in mijn speler duwde hoopte ik dat ik het zou overleven. De verrassing – en dat plezier – kon niet groter zijn geweest. Wat een cd!

https://basiaconfuoco.com/2020/04/05/the-poker-club-band-zingt-haydn-wat-een-cd/

5. Walter Kaufmann: Chamberworks

Nee, het is niet zo dat je meteen aan Ravi Shankar moet denken, maar de Indiase invloed is onmiskenbaar. En dat, terwijl je overduidelijk met de westerse muziek uit de jaren twintig/dertig te maken hebt.

https://basiaconfuoco.com/2020/10/29/walter-kaufmann-bombay-meets-berlin/

In English:

https://basiaconfuoco.com/2020/11/08/discovering-walter-kaufmann-when-bombay-meets-berlin/

6. Nikolai Medtner: Incantation

Medtner zingen is niet makkelijk! Dat komt door de complexiteit van de muziek. De pianopartij is nadrukkelijk aanwezig en dat terwijl zanglijnen voornamelijk lyrisch en ingetogen zijn en dat is wat de muziek van Medtner aantrekkelijk én uitdagend maakt.

https://basiaconfuoco.com/2020/12/01/nikolai-medtner-een-malle-sentimentalist/

In English:

https://basiaconfuoco.com/2020/12/21/nikolai-medtner-a-silly-sentimentalist/

7. Poulenc en Français: kamermuziek

Neem alleen de fluitsonate van Poulenc, als je daar niet blij van wordt dan weet ik het niet. […] Dat ze ontzettend veel plezier hebben in hun spel is nogal wiedes en dat plezier geven ze door aan de luisteraars. Heerlijke cd!

https://basiaconfuoco.com/2020/11/02/kamermuziekwerken-van-francaix-en-poulenc-muziek-om-blij-van-te-worden/

8. Regards sur l’Infin

De Amerikaanse, in Nederland wonende Katharine Dain beschikt over een heldere sopraan en haar voordracht is niet alleen zeer expressief maar ook warm. In haar uitvoering zijn al de liederen niets minder dan kleine drama’s. Drama’s die passen in een afgesloten kamer die je voorlopig niet mag verlaten en waar geen buiten bestaat.

https://basiaconfuoco.com/2020/12/22/regards-sur-linfini-een-les-in-loslaten/

9. Vincerò!

Beczala Vincero

Beczala benadert zijn helden emotioneel en schuwt het sentiment niet, want niet inhoudt dat hij schmiert.

https://basiaconfuoco.com/2020/06/08/piotr-beczala-en-zijn-nieuwe-helden/

In English:

https://basiaconfuoco.com/2020/08/11/piotr-beczala-and-his-new-heroes/

10. Marcel Worms: Pianoworks by Jewish composers

Worms pianowerkem

Waar ik wel kapot van ben is het onweerstaanbare spel van de pianist. Marcel Worms speelt alsof zijn leven er van afhangt. Vol overtuiging en een echt pianistiek elan.

https://basiaconfuoco.com/2020/06/22/marcel-worms-ontfermt-zich-over-pianowerken-van-joodse-componisten/

In English:

https://basiaconfuoco.com/2020/07/12/marcel-worms-takes-care-of-piano-works-by-jewish-composers/

Cendrillon uit Glyndebourne uitgebracht op BluRay

Tekst Peter Franken

Van de succesvolle reeks voorstellingen in 2019 van Massenets Cendrillon tijdens het Glyndbourne Festival is recent bij Opus Arte een opname verschenen. Danielle de Niese en Kate Lindsey schitteren daarin als waar koninginnenkoppel.

Cendrillon is niet bepaald Massenets sterkste werk, de handeling is erg summier voor een opera die bijna twee en een half uur duurt. De spanning zakt daardoor nogal eens in en de regie moet dan met kunst en vliegwerk de aandacht van het publiek zien vast te houden. Daar slaagt men in deze productie redelijk goed in al moest ik tijdens het afspelen mezelf er soms van weerhouden even iets te gaan lezen.

Massenets versie van het Assepoester sprookje plaatst het gegeven nadrukkelijk in een droomwereld. De regie van Fiona Shaw en Fiona Dunn legt daar nog eens een laag overheen zodat de kijker nauwelijks nog onderscheid kan maken tussen ‘realiteit’ en droom. In elk geval is er de weduwnaar Pandolfe die een dame van verarmde oude adel heeft gehuwd. Hij is een landeigenaar uit de ‘campagne’, zij een golddigger die schermt met haar stamboom. Deze Madame de la Haltière heeft twee dochters in haar nieuwe huwelijk ingebracht en dit drietal heeft Pandolfes dochter Lucette zozeer verdrongen dat ze nu haar dagen slijt als huissloof. Bij Rossini wordt ze Cenerentola genoemd, bij Massenet is dat Cendrillon.

Lucette droomt ervan weg te vliegen uit haar armzalig bestaan, als een vlinder. De Toverfee laat haar in deze productie door de elfen in een soort bodybag hullen waar Lucette na wat schijnbewegingen uit tevoorschijn komt in een schitterende blauwe baljurk. Het is de symboliek van het ontpoppen van de rups. Dit kan uiteraard slechts zo in Lucettes droom passeren. Evenzo de scène waarin we haar, terug in haar oude kloffie, aan het bed van de Prins zien staan en ten dele diens tekst overneemt.

De Prins lijdt aan melancholie, Massenet zal ongetwijfeld bekend zijn geweest met het werk van Baudelaire, en moet daarvoor worden behandeld. Dat gaat zeer rigoureus, hij wordt geopereerd waarbij zijn hart wordt verwijderd en aan de onderarm wordt bevestigd. From now on he’s wearing his heart on his sleeve. Zo moet het lukken hem aan de vrouw te krijgen, zijn voornaamste plicht. Verrassend genoeg zien we in deze gedroomde scène de Prins als een van de dienstmeisjes in Pandolfes huishouden, degene waarmee Lucette een ‘understanding’ lijkt te hebben. Die kleine details uit het begin worden plotseling belangrijk.

Het bal is een scène die zich voortsleept en ook het erop volgende duet van Lucette met de Prins lijkt eeuwig te duren, de prachtige zang ten spijt. Stiefmoeder en haar twee dochters komen met veel bombarie het huis binnenvallen met opgewonden verhalen over het bal en die vreemde party crasher in een blauwe jurk. Lucette vraagt zich af, en de toeschouwer met haar, of ze dat hele gebeuren dan toch niet gedroomd heeft.

Ze trekt zich terug in het bos om zelfmoord te plegen maar ontmoet weer de Prins, ofwel haar huisvriendin. Na een lang duet kruipen ze samen in een klaarstaand bed. Dat wordt vervolgens geteleporteerd naar huize Pandolfe waar de huisvriendin direct haar normale rol herneemt. Het einde is tamelijk chaotisch geënsceneerd maar het besluit is min of meer conform het sprookjesgegeven: Lucette krijgt haar Prins, of krijgt ze nu haar huisvriendin? Het is een spel met gender verwisseling dat Cecilia Bartoli ook al eens heeft laten zien in haar Ariodante voor de Salzburger Festspiele.

Het decor bestaat uit vier enorme prismavormige zuilen die afwisselend doorzichtig, spiegelend en dicht worden getoond, een mooi stuk theatertechniek. Als de klok bijna middernacht aangeeft staan Lucette en de Prins allebei in zo’n prisma dat aan de voorzijde een overmaats LED scherm toont. Verder veel gebruik van spiegeleffecten om de fantasie van de toeschouwer te prikkelen of op zijn minst de aandacht vast te houden.

Alle effecten ten spijt moet de voorstelling het vrijwel volledig van de zang hebben en daarin wordt volledig voorzien. Agnes Zwierko steelt bij wijlen de show als Madame de la Haltière ondanks dat ze niet echt geholpen wordt door de regie die haar neerzet als een bijna proleterige nouveau riche, het tegenovergesteld van wat ze beweert te zijn. Ook haar dochters lijken zo weggelopen uit een tokkie reality show.

Lionel Lhote komt als Pandolfe niet geheel onverwacht pas tegen het einde goed uit de verf als hij probeert het heft weer in handen te krijgen. Nina Minasyan is een schitterende Fairy Godmother. Aan haar voorkomen is van alle vrouwen de meeste aandacht besteed en ze laat met het grootste gemak haar aaneengesloten coloraturen horen, tot het uiterste gerekt door woordloos te vocaliseren.

Kate Lindsey neemt als Prince Charming weer eens een Hosenrolle voor haar rekening, zo langzamerhand is dat haar vak. Alleen hier dubbelt ze zoals gezegd als dienstmeisje dat kennelijk al lang een oogje op Lucette heeft en dat zozeer heeft laten blijken dat ze in Lucettes droom transformeert tot de Prins. Lindsey vertolkt haar rol werkelijk smetteloos, echt wonderschoon, maar is ook heel leuk om naar te kijken als Lucettes love interest thuis.

De meeste aandacht gaat natuurlijk uit naar Danielle de Niese in de titelrol. Ze staat vrijwel voortdurend op het toneel en heeft ongelooflijk veel te zingen. Lucette is duidelijk een kolfje naar haar hand, de partij past haar als een handschoen. Zowel in haar soli als in de duetten met Lindsey weet ze mij volledig in te pakken.

De rest van de cast is redelijk tot goed bezet. Goed spel van het London Philharmonic Orchestra. John Wilson heeft de muzikale leiding.

Deze opname is een aanwinst voor liefhebbers van Massenet, voor een echte Assepoester kan je toch beter bij Rossini terecht. Het koppel de Niese en Lindsey tilt de opera uit boven het toch wat mindere niveau van dit specifieke werk, Massenets succesnummers niet te na gesproken. En dat op zich was natuurlijk voldoende reden om deze voorstelling op BluRay uit te brengen.

Trailer:

Hans Heiling: a (not so fairy) tale for Christmas?

Dynamic Hans Heiling
It was some ten years ago that I, somewhat hesitantly, started to watch Hans Heiling. Never before did I hear the opera, let alone see it. From Heinrich Marschner I only knew Les Vampyrs. And, besides, I was a bit afraid of the production. After all the hassle with the ballet in most of the opera’s Pier Luigi Pizzi directed, I feared the worst. Well, that was a surprise! I immediately recognized Pizzi: his predilection for colour (mainly red in all its shades), excesses and physicality was evident here too, but it really worked here.

Hans Heiling (Jan Svatos in Czech) was a legendary king of spirits; his name is often found in Czech and German legends. He falls in love with an earthly girl and swears off his magic power to marry her.

However, she is in love with an ordinary boy and rejects him. Disillusioned (“only a human can try his luck on earth”) Heiling returns to his underground kingdom. A male equivalent of Rusalka, but without the tragic end.

There is insanely good singing and acting, there is not a single weak role. I already knew how formidable Anna Caterina Antonacci can be, but the (also to the eye) very attractive Markus Werba was a true discovery. Very exciting and dazzling. Recommended.

Grimmig en hartverscheurend mooi: De Tovenares van Tsjaikovski

Charodeyka (De Tovenares) was de zevende van de negen opera’s van Tsjaikovski, gecomponeerd tussen Mazeppa en Schoppenvrouw. De tot voor kort weinig bekende opera is inmiddels aan zijn zeer verdiende inhaalmanoeuvre begonnen. In de 2011 werd het werk bij onze Vlaamse buren gepresenteerd en in september 2014 regisseerde Christoph Loy haar in Wenen. De productie had een bijzonder sterke bezetting (bestaat er eigenlijk een opname van?), met in de hoofrollen Asmik Grigorian, Agnes Zwierko, Hanna Schwarz en de Nederlandse bariton Martijn Cornet.

In 2011 verscheen op Melodiya een nieuwe opname van de opera, met allemaal onbekende zangers onder leiding van een even onbekende dirigent: Gennady Provatorov. Het is een zeer welkome uitgave, want, voor zover ik weet bestond er tot die tijd maar één opname van (maar dan wel onder  Samuil Samosud en mét Georgiy Nelepp!) en die stamde uit 1954.


De muziek is behoorlijk grimmig maar hartverscheurend mooi en de uitvoering is zonder meer excellent. Het verhaal over een van tovenarij beschuldigde mooie jonge vrouw, liefdesdriehoek, geheime passies, corruptie en omkoperij is niet makkelijk te volgen. Het is dan ontzettend jammer dat in het dun boekje alleen synopsis is afgedrukt en geen libretto. Desalniettemin: zeer aanbevolen. (MEL CD 10 01811)


Le Timbre d’argent: de eerste opera van Saint-Saëns herontdekt

Tekst: Lennaert van Anken

 

 

Het is een enerverende tijd voor de verzadigde operaliefhebber. Ondanks dat het medium van de CD in populariteit aan het inboeten is, zijn er een aantal labels die zich hebben toegelegd op het uitbrengen van opera’s die minder bekend zijn bij het grote publiek. Naast de bekende voorbeelden van Opera Rara, Bon Giovanni, Dynamic en zelfs Naxos, specialiseert het label Palazzetto Bru Zane zich in de Franse opera. En dat doen ze met een enorme gedrevenheid. De eerste editie, toen reeds vormgegeven als boekje met hardcover, Amadis de Gaule (van JC Bach nota bene) is van 2012 en voor mij ligt alweer de 25ste titel in deze prachtige serie: Le timbre d’Argent van Camille Saint-Saëns.

De ontstaansgeschiedenis van Le Timbre d’Argent is turbulent te noemen. Het libretto – geschreven door het duo Jules Barbier en Michel Carré – ontsproot uit een toneelstuk dat ze reeds in 1852 hadden geschreven, volgend op hun Faust en Les Contes d’Hoffmann. Het libretto belandde na wat omzwervingen via o.a. Litolff en Halévy bij Camille Saint-Saëns, die zich als jonge succesvolle componist op het werk stortte in 1864.

De componist had echter geen geluk: door faillissementen, oorlogen en andersoortige belemmeringen werd het werk (dat inmiddels ook al een aantal keer gereviseerd was) pas in 1877 voor het eerst op de planken gebracht in het Théâtre de la Gaîté (hetzelfde jaar waarin zijn Samson et Dalila in première is gegaan). Saint-Saëns zou nog een aantal keer zijn tanden in het werk zetten voor latere uitvoeringen, waarvan de laatste in Brussel was in 1914. Daarna is het werk in de archieven terecht gekomen om in 2017 afgestoft en wel weer op de planken te staan in de Opéra Comique. De CD opname is volgend op deze uitvoeringen in de studio opgenomen.

Le Timbre d’Argent (de zilveren bel) verschaft de schilder Conrad een stortvloed aan goud door het laten klinken van de bel, in ruil waarvoor er iemand in zijn nabijheid abrupt sterven zal. Omdat hij arm is en desondanks indruk wil maken op een onbereikbare vrouw (Circé ook wel Fiammetta, een dansrol) kiest hij op instigatie van Spiridion (Mefisto-achtig personage) ervoor om de bel te laten klinken, zodat hij met het goud/geld indruk kan maken op haar. Het eerste slachtoffer blijkt de vader van zijn verloofde Hélène te zijn.

Uiteraard raakt het geld op, dus een nieuwe slag op de bel is onvermijdelijk. Het tweede slachtoffer blijkt Conrad’s beste vriend te zijn, Bénédict, net getrouwd met Rosa, de zus van Hélène. Bij een derde keer weet hij zich te vermannen en besluit hij alles op te biechten aan zijn aanstaande. Prompt wordt hij wakker. Alles bleek een droom te zijn. Hij vraagt Hélène ten huwelijk en berust zich in zijn lot met weinig geldelijke middelen.

Het overdadige libretto kent wat zijpaden. Vooral het karakter van Spiridion, die ook wedijverde met Conrad om de gunsten van de danseres, komt continu ten tonele. Deels als Mefisto, deels als rivaal van Conrad. In de proloog en de epiloog is dokter die de zorg heeft over Conrad.

Het libretto doet sterk denken aan het meesterwerk van Offenbach: Het hoofdpersonage is een kunstenaar die een onbereikbare vrouw najaagt en daarvoor bereid is alle mogelijke offers te doen. Het feit dat deze rol (Fiammetta) een dansrol is, draagt bij aan dat onbereikbare, wat ik het wel een vondst vind van de componist, maar voor de cd is dat uiteraard wat merkwaardig. Ook het personage van Spiridion is heel duidelijk sterk verwant met de schurken uit ‘Hoffmann’.

Dat ‘Hoffmann’ repertoire heeft gehouden en de opera van Saint-Saëns niet komt mijns inziens door het zwakkere libretto, maar ook de ervarenheid van Offenbach speelt een rol: Hoffmann was Offenbachs zwanenzang, terwijl Le Timbre D’Argent Saint-Saëns´ eerste opera was, geschreven in zijn dertigste levensjaar.

Dat het zijn opera-compositiedebuut was kun je ook wel horen. In lijn met het libretto is de muziek nog wat onsamenhangend. Maar de opera kent prachtige momenten. De lange ouverture, die luistert als een onbekend werk van Berlioz, biedt al een keur aan melodieën, is sprankelend en opverend. Verder kent het werk prachtige lyrische aria’s, buffo aria’s, mooie duetten, zelfs een ‘duet’ tussen Conrad en de danseres en prachtige koren. Van de ene mooie passage belanden we in de volgende.

Gelijk aan eerdere producties maakt Bru Zane gebruik van een aantal zangers die we vaker tegenkomen in hun serie. De hoofdrol wordt gezongen door de tenor Edgaras Montvidas. Zijn dramatische rondborstige stem is wat grofmazig, maar hij is beter op dreef dan op eerdere edities. De sopraan Hélène Guilmette (die de rol met haar eigen naam vertolkt) klinkt niet heel erg egaal en heeft wat moeite in de hoogte, maar zet uiteindelijk wel een prima vertolking neer.

De bariton Tassis Christoyannis (Spiridion) is uitstekend op dreef. Hij geeft meer kleur dan de andere twee hoofdrol protagonisten. Met soepel stemgebruik hoor je overduidelijk dat hij zeer veel plezier heeft in het zingen van deze veelzijdige rol.

In de bijrol van Bénédict soleert de tenor Yu Shao met verve. Met een soepele en stralende hoogte brengt hij zijn openingsaria die naar meer verlangt. Jodie Devos zingt de rol van zijn gemalin, Rosa. Ze heeft een prachtige lyrische sopraan, maar helaas is de rol van Rosa wel heel erg klein, zodat we daar niet veel van kunnen genieten.

Het geheel wordt uitstekend, met hart en ziel, begeleid door François-Xavier Roth. Zijn orkest, Les Siècles, speelt prachtig.


Over Romeo en Julia van Bellini

RomeoAndJuliet 1884 painting by Frank Bernard Dicksee.                                               Romeo and Juliet, painting by Frank Bernard Dicksee, 1884

Ongelukkige liefdes zijn door de eeuwen heen de grootste de inspiratiebron geweest van schrijvers, dichters, schilders en toondichters. Logisch, want wat kan ons meer ontroeren dan het treurige lot van twee mensen die uit liefde voor elkaar de dood boven het leven verkiezen? Romantiek ten top en een beetje mens houdt eenmaal van snotteren.

Shakespeares Romeo en Julia zijn wellicht het bekendste liefdespaar van ze allemaal. Toneelstukken, films, balletten zijn er op gebaseerd en/of door geïnspireerd. En opera’s, uiteraard. Iedereen kent Romeo et Juliette van Gounod. Berlioz komt ook het en der voorbij. Maar wist u dat ook Bellini daar een opera over schreef? Nee? En waarom niet? Omdat het bijna nooit meer uitgevoerd wordt? En dat terwijl zijn I Capuletti e i Montecchi adembenemend mooi is!

Romeo Bellini Scotto

Mijn geliefde uitvoering is in 1968 live in de Milanese La Scala opgenomen, met een tenor (Giacomo Aragall op zijn bestl!) als Romeo en Renata Scotto als Giulietta. Tebaldo werd gezongen door (wat een weelde!) een jonge Luciano Pavarotti en Claudio Abbado dirigeert (Gala GL 100.517).

Aragall en Scotto in ‘Si, fuggire!… Vieni ah! vieni, e in me riposa’:

 

Romeo Bellini Netrebko

In 2009 kwam er een nieuwe opname op de markt met niemand minder dan Anna Netrebko en Elina Garanča in de hoofdrollen. Als Tebaldo hoort u, toen een nieuwe tenorale hoop, nu een naam van faam, Joseph Calleja (DG 4778031). Zonder meer de moeite waard.


Romeo Bellini box

In de Dynamic-box (CDS 552/1-25) met alle Bellini opera’s (mocht u hem nog niet bezitten – ga meteen er achteraan!) wordt Julia gezongen door Patricia Ciofi. Wat een zangeres! Niet alleen alle noten en kwinkslagen zijn er (en allemaal ‘a punto’), ook als stemactrice is zij bijzonder overtuigend. De opname is in 2005 gemaakt in Martina Franca.

Patrizia Ciofi in  ‘Oh! quante volte’ uit de productie vana I Capuleti e i Montecchi in Barcelona 2016:

Plácido Domingo as Andrea Chénier

chenier-portret
André Chénier

For me, Andrea Chénier is one of the best and most beautiful operas ever. I think the music is nothing less than divine and the story is timeless. It remains current, perhaps now more than ever. The tyrant must be cast off his throne and the people must take control. Surely, we all agree on that?

If only it were that simple! Anyone who grew up in a post-revolutionary totalitarian regime knows how much horror it brings. One terror is replaced by another.

This, at least for me, is the main theme in Giordano’s biggest hit. I don’t think the real lead role is the actual poet, André Chénier (did you know that Giordano used Chénier’s poems in his arias?) nor his beloved Maddalena. It is the French Revolution, which, as Gérard (once Maddalena’s houseboy and now one of the revolutionary leaders) bitterly observes, devours its own children.

To my great surprise, I read that Domingo didn’t much like the part of Andrea Chénier. He loved the opera, but the role, one of the toughest in the ‘lirico-spinto’ repertoire, was not really interesting for him dramatically. For him, Chénier was ‘an idealist who always has his head in the clouds’. And yet it was one of the operas he loved to sing!

I myself think the role of the poet/revolutionary fits him like a glove. Passion for love and enormous involvement in everything that happens in the world were – and still are – his trademarks.

Domingo sings ‘One of all’azzurro spazio’:

He sang his first Cheniér in 1966 in New Orleans, as the last-minute replacement for Franco Corelli, but that was not his first performance of the opera. In the 1960/61 season he sang The Incredible and The Abbot, in Mexico.

chenier-domingo-cd

My favourite CD recording was recorded in 1976 by RCA (GD 82046). The cast is delectable. Renata Scotto sings Maddalena, Sherrill Milnes is Gérard and in the small roles we hear, among others, Jean Kraft, Maria Ewing, Michel Sénéchal and Gwendolyn Killebrew. James Levine, who conducts the National Philharmonic Orchestra, understands exactly what the opera is about. Tear jerkingly beautiful.

Scotto sings ‘La Mamma morta’:

 


chenier domingo dg

In 1981 the opera in Vienna was recorded for TV. That recording has since been released on DVD (DG 073 4070 7). Gabriela Beňačková, one of the most underrated singers in history, sings a Maddalena of flesh and blood. Horrifyingly beautiful and moving.

Piero Cappuccilli is a Gérard among thousands and the small roles are also filled by great singers: Madelon is sung by none other than Fedora Barbieri. Otto’s Schenk’s production is a feast for the eyes.

English translation: Douglas Nasrawi

Sfeervolle Francesca da Rimini uit Macerata

Tekst: Peter Franken

Tijdens het Sferisterio operafestival van 2004 in Macerata werd Zandonai’s meesterwerk Francesca da Rimini opgevoerd met Daniela Dessi in de titelrol. Een opname hiervan werd in 2009 door Arthaus op dvd uitgebracht. De beeldkwaliteit is duidelijk nog van voor het HR tijdperk maar het geluid compenseert dit afdoende.

De Sferisterio is een openluchttheater dat oorspronkelijk dienst deed als arena voor een traditioneel balspel. Het ruime speelveld wordt in deze productie slechts ten dele benut maar biedt de mogelijkheid veel personen tegelijkertijd ten tonele te voeren. De feitelijke handeling beperkt zich echter tot een klein opengewerkt paviljoen met een ‘gouden’ koepel en een paar trappen er naar toe. Het decor en de zeer weelderige kostumering suggereren eerder een koninklijk paleis dan het kasteel van een plaatselijke potentaat maar ze dragen bij aan het sfeervolle beeld van de enscenering van Massimo Gasparon, voordien de assistent van Pier Luigi Pizzi.

Het verhaal van Francesca da Polenta en Paolo Malatesta is gebaseerd op personages uit de 13e eeuw. Paolo, bijgenaamd Il bello, wordt naar Francesca gestuurd als huwelijksmakelaar voor zijn oudere broer, de weinig aantrekkelijke manke Giovanni. De twee worden op slag verliefd en beginnen een affaire. Ze worden echter ontmaskerd door Malatestino, de jongste broer van het stel en die zorgt ervoor dat Giovanni het koppel in flagrante weet te betrappen. Beiden worden samen aan het zwaard geregen en sterven in hun laatste omhelzing.

Francesca wordt wel de Italiaanse Tristan genoemd. Ook hier de aantrekkelijke jonge man die een bruid moet werven voor een onaantrekkelijke partij. Giovanni in de rol van Marke en Malatestino als Melot. Saillant detail is echter dat in de literatuur geen nadrukkelijk moreel oordeel over die liefdesrelatie wordt geveld. Dit in tegenstelling tot die van Francesca en Paolo, met dank aan Dante en zijn Goddelijke Komedie.

Dante plaatst het tweetal in Canto 5 in de Tweede Kring van de hel, op zich ver verwijderd van Canto 34 in de Negende Kring waar Lucifer te vinden is, maar evengoed in de hel. Het is de straf voor diegenen die zich niet hebben kunnen beheersen en zich overgaven aan wellust. In een wervelende wind is het liefdespaar voor eeuwig aan elkaar gekoppeld, ze delen het verblijf in de hel. Daarmee vergeleken is het aardse huwelijk een korte flirt. Een plekje in het Purgatorio zou ons vandaag de dag wat meer geëigend hebben geleken.

Francesca heeft vele componisten geïnspireerd tot het schrijven van een opera. Als ik goed heb geteld was die van Zandonai nummer 26. Zijn librettist Tito Ricordi baseerde zich op een toneelstuk van Gabriele d’Annunzio waarbij zich vooral concentreerde op de liefdesaffaire van de protagonisten.

Bij Ricordi komt Paolo en een stuk slechter af dan Francesca. Eerst bedriegt hij haar om zijn oudere broer een dienst te bewijzen en vervolgens dringt hij zich zo aan haar op, zonder acht te slaan op smeekbeden haar met rust te laten, dat ze door de knieën gaat. Francesca valt weinig te verwijten, ze heeft zich tot het uiterste tegen zijn avances geweerd.

De opera ging in 1914 in première en heeft sindsdien een leven in de luwte geleid: nooit echt doorgedrongen tot het bekende repertoire maar evenmin vergeten. Incidenteel zijn er wel uitvoeringen van te zien zoals in 2011 in Parijs en in 2013 in New York met Eva-Maria Westbroek in de titelrol. Van de oorspronkelijke Met-productie uit 1984 is een dvd verschenen. De registratie uit Macerata is pas de tweede opname op dvd en als zodanig een echte aanwinst.

De cast is goed verzorgd, over de volle breedte. Van de hofdames en de intriganten tot de drie broers Malatesta en hun gemeenschappelijk liefdesobject Francesca, immers Malatestino is ook verliefd op haar. Giacinta Nicotra is mooi gecast als het jongere zusje Samaritana die bij Francesca op de kamer slaapt, het zijn duidelijk nog tieners die twee.

Malatestino heeft een betrekkelijk kleine rol maar de tenor Ludovit Ludha laat hem door zijn overtuigende vertolking veel groter lijken dan hij is. Zowel tegenover Francesca als Giovanni laat hij duidelijk blijken hen een slag voor te zijn en dus niets te vrezen heeft, hoe onaangenaam zijn gedrag ook mag wezen. Een echte kleine etterbak die Malatestino.

Bariton Alberto Mastromarino is een schitterende potentaat, een genoegen hem in die rol te zien. Zijn zang is dienovereenkomstig, overheersend en bedreigend zonder ook maar ergens zichzelf te overschreeuwen. Hij doodt zijn broer Paolo en krijgt vermoedelijk van Dante een plaatsje in de Zevende Kring (Phlegeton).

Het liefdespaar komt voor rekening van Fabio Armiliato en Daniela Dessi. Ik ben niet weg van Armiliato, ooit een paar keer live gehoord in Antwerpen in de jaren ’90, maar hij zat vast aan zijn echtgenote denk ik. Zijn Paolo is goed verzorgd maar het doet me niets wat hij zingt. Dessi geeft zich volledig in haar vertolking van de gedoemde Francesca. Ze kan de moeilijke partij goed aan en klinkt nergens geforceerd. Minder geslaagd is haar gelaatsuitdrukking, voortdurend met wijd opengesperde ogen en een vertrokken mond om vertwijfeling uit te drukken.

De muzikale leiding is in handen van Maurizio Barbacini. Hij dirigeert een goed spelend Orchestra Filarmonica Marchigiana.

Daniela Dessì en Fabio Armiliato:

Uitgebracht door Arthaus Musik 101363

Francesca da Rimini van Zandonai in Parijs. Waarom nooit in Amsterdam?

Riccardo Zandonai, Ildebrando Pizzetti en Arrigo Boito in een paar liveopnamen