Piotr Beczala and his new heroes

Beczala Vincero

Listening to this CD, I was reminded of La Fontaine’s fable about the ant and the cricket, the moral of which is, ‘whistling in the summer is fun, but when the winter comes you need your savings’. More or less.

Change the ‘savings’ to voice and you have the secret of Piotr Beczala.  Starting with the delicate Mozarts and the most lyrical Verdis, he climbed, via poetic Rodolfo and Massenet’s Des Grieux, to what’s generally considered heavier repertoire. First, a careful step towards Lohengrin and Gustavo (Ballo in Maschera), but then the floodgates opened and voilà!  Here is a tenor at the beginning of the third important phase in his professional life, that of the lyrico-spinto.

After Mario (Tosca) and Maurizio (Adriana Lecouvreur), it’s now the turn of Radames and Calaf and these roles are no small endeavour. And guess what? He can do it! He approaches these roles less ‘heroically’ than some, since it’s not really necessary. Listen to his illustrious predecessors whose voices most resembled his, with the sob and the tear, Tauber and Kiepura.  He approaches his heroes emotionally and does not shy away from sentiment, which doesn’t mean he robs the role of anything.

What I do regret is that he has chosen the most famous arias from the repertoire.  But on the other hand, this has given him a chance to compare himself to others in this repertoire and the comparison is in his favor, especially with regard to his contemporaries.

Radames is not on the CD, but Calaf is, which immediately explains the title. His ‘Nessun dorma’ is mainly tender and the Cor de la Generalitat Valenciana supports him well.  There is one downside: ‘Aveto torto … Firenze è come un albero fiorito’ from Puccini’s Gianni Schicchi.  Beczala has long since outgrown this role.


English translation Douglas Nasrawi

 VINCERÓ
Puccini, Cilea, Mascagni, Giordano, Leoncavallo, Verdi
Piotr Beczala (tenor)
Evgenya Khomurtova (mezzo-soprano)
Cor de la Generalitat Valenciana
Orquestra de la Comunitat Valenciana conducted by Marco Boemi
Pentatone PTC 5186 733

Salvatore Licitra als Calaf: moeilijk

Turandot Licitra

Salvatore Licitra courtesy of San Diego Operaren

Moeilijk.

Ik kijk en luister naar Salvatore Licitra en kan mijn tranen niet bedwingen. Hij is nooit mijn geliefde tenor geweest, maar, met de wetenschap dat je kijkt en luistert naar wat waarschijnlijk zijn allerlaatste opname is geweest (in september 2011 kreeg hij een dodelijk ongeluk op zijn geboorte-eiland, Sicilië), maakt het beoordelen, laat staan ‘genieten’ zeer lastig.

Turandot Licitra dvd

En wat moet ik over de productie zelf vertellen? Het is een goede oude Zeffirelli, met alles erop en eraan, al verandert hij her en der wat. Maar de sfeer in Verona is om jaloers op te zijn, zo mooi.

De maan is verlicht en je waant je midden in een sprookje. En zelfs al vind je zijn realistische aanpak en de larger then life decors iets te …. dan een ding kan je hem niet ontzeggen: zijn personenregie is to the point en de interactie is bij hem ook altijd perfect getimed. De beelden zijn ontegenzeggelijk prachtig en het blijft een fascinerend spektakel.

Maria Guleghina was toen de allerheersende Turandot en zij doet het zonder meer goed, maar ook zij is een dagje ouder geworden en er is een soort routine in haar stem en voordracht geslopen. Ik hoor ook een rafelig randje in haar hoogte.

Luiz-Ottavio Faria is een zeer ontroerende Timur en Tamar Iveri een mooie, maar niet een echt memorabele Liu.

Het blijft moeilijk.

Giacomo Puccini
Turandot
Maria Guleghina, Salvatore Licitra, Tamar Iveri, Luiz-Ottavio Faria e.a
Coro e Orchestra dell’Arena di Verona onder leiding van Giuliano Carella Regie: Franco Zeffirelli
BelAir BAC066

Pianowerken van Thomas Adès: niet vanzelfsprekend maar zeer de moeite waard

Ades piano solo

Deze cd moet men een paar keer beluisteren. Niet omdat de composities van Thomas Adès zo gecompliceerd zijn of zo moeilijk in het gehoor liggen, dat is beslist niet het geval, maar ze zijn zo ongelofelijk divers dat je het niet een twee drie kunt bijbenen.

De overgang van ‘Concert Paraphrase on Powder Her Face’ (goedemorgen Liszt!) naar ‘Still Sorrowing en Darknesse Visible  (goedemorgen Dowland!) naar Mazurka’s (goedemorgen Chopin!) is gewoon zo groot dat je je hersenen zowat opnieuw moet laten programmeren.’

Daar komt nog bij dat het pianospel van Han Chen je eerst op het verkeerde been brengt. Op het eerste gehoor klinkt alles mechanisch, met weinig structuur en dynamiek en dan denk je: laat maar. Dat is althans wat met mij gebeurde. Maar het liet mij niet los dus ik draaide de cd keer op keer totdat het mij te pakken kreeg. En toch…

Ik ben een enorme Adès bewonderaar, niet alleen als componist (dat voornamelijk, uiteraard) maar ook als pianist. Ik heb hem een paar keer live horen spelen en vraag mij oprecht af hoe al die werken onder zijn handen geklonken zouden hebben. Of (ik verzin nu even iets): als Kirill Gerstein zich erover had ontfermd. Pure speculatie uiteraard, want misschien zou het resultaat veel slechter zijn geweest? Vooralsnog: koop de cd en geniet.


Thomas Adès
Works for Solo Piano
Han Chen (piano)
Naxos 8574109

Hans Werner Henze: Die Bassariden

Henze Bassariden

Die Bassariden behoort tot Henze’s beste en belangrijkste composities. Het libretto, naar ‘De Bacchanten’ van Eurypides, werd geschreven door W.H.Auden (kan iemand zich nog de ‘Funeral Blues’ uit Four Weddings and a Funeral herinneren?) en Charles Kallman.

Het is een massieve, doorgecomponeerde partituur geworden, verankerd in de wagneriaanse traditie (er wordt gefluisterd dat de librettisten er op stonden, dat Henze, vóór hij zich op het componeren stortte, de ‘Götterdammerung’ ging bestuderen) en gebouwd als een vierdelige symfonie met stemmen.

Het verhaal over koning Pentheus, die door alle zinnelijkheid te willen verbannen in strijd raakt met Dionysus en zijn adepten en aan het eind door zijn eigen moeder wordt verscheurd dient als een metafoor voor het conflict tussen Eros en Ratio.

De opera is (in de Duitse vertaling) tijdens de Salzburger Festspiele in augustus 1966 in première gegaan. Het werd een enorm succes, wat één van de recensenten zelfs de kreet ontlokte dat Richard Strauss eindelijk een opvolger had gekregen. Hetgeen Henze lachend terecht van tafel veegde met een simpele “waar heeft de man zijn oren”?

De hele opera (audio):

Een jaar of vijftien geleden werd de live opgenomen premièrevoorstelling door Orfeo (C 605 032 1) uitgebracht. Het zeer emotioneel spelende Wiener Philharmoniker komt onder de bezielde leiding van Christoph von Dohnányi tot ongekende hoogtes.

Kostas Paskalis is zeer geloofwaardig in zijn rol van Pentheus en Kerstin Meyer ontroert als Agave.

Jammer alleen dat er geen libretto werd bijgeleverd, het is tenslotte geen alledaagse kost.

Das Urteil der Kalliope, intermezzo uit Die Bassariden :

Guillaume Tell van Rossini in twee cd-opnamen. En een gemiste kans

Tell schiller

Voor de meeste mensen is Zwitserland een prachtig, maar een saai land. Alles is er perfect geregeld en zelfs uit de uiers van de koeien komt meteen een echte mekchocolade. De banken en juweliers kunnen er gedijen en er gebeurt nooit wat, tenminste als ze niet over de hoogte van een minaret redetwisten.

Maar zelfs de Zwitsers hebben iets van een opstand meegemaakt en ook zij hebben hun nationale held en trots, al is het niet helemaal zeker of hij ooit heeft bestaan (neem van mij aan: niet).

Willem Tell, de Zwitserse nationale trots en vrijheidsstrijder, dankt zijn bekendheid voornamelijk aan het toneelstuk van Friedrich Schiller, die, zoals wij het niet anders van een romantische dichter verwachten, het niet zo nauw met de waarheid nam.

Tell Rossini

Nog bekender werd hij door een opera van Rossini. Alhoewel…. Echt bekend was de opera tot voor kort niet echt maar: wie kent de ouverture niet? Zelfs mijn kat kan het nafluiten.

CD’s

Tell Pappano

De opname die Antonio Pappano in 2011 maakte met het Orchestra e Coro dell’ Accademia Nazionale di Santa Cecilia Roma is verre van compleet. Jammer, zeker ook omdat de uitvoering echt goed is.

Gerald Finley is een zeer goede Tell (is er iets wat hij niet kan zingen?), maar toch mist hij iets in de rol. Voor mij althans. Ik kan het niet beschrijven, het is meer spitzengevoel, maar dat ‘iets’ krijg ik wel als ik naar Gabriel Baquier luister, op de oude EMI-opname uit 1973.

Tell Gardelli

De cast van die opname, onder leiding van de zeer bezielde Lamberto Gardelli, heeft nog meer ‘plussen’. De grootste is de Mathilde van Montserrat Caballé. Ik neem aan dat ik u niet hoef te vertellen hoe mooi en vloeiend haar noten zijn, hoe zij als het ware door de noten ‘golft’ en hoe fluisterzacht haar pianissimo is. Nee, daar kan de op zich goede Malin Byström (Pappano) echt niet tegen op! Haar coloraturen zijn dan wel zuiver, maar daar is ook alles mee gezegd.

Een ander groot pluspunt is de Jemmy van Mady Masplé, de echte ‘oudgediende’ in het ‘kanarievak’. Zo ontzettend mooi! En Nicolai Gedda natuurlijk, een zanger die ooit door één van mijn collega’s ‘een kameleon onder de zangers’ werd genoemd (kent u een andere tenor die zo veel verschillende rollen met zo veel talent wist te zingen?). En bij dat alles kunt u nog de speelduur van bijna 238 minuten tegenover de gammele 208 minuten van Pappano optellen

Maar als u denkt dat ik Pappano afwijs, dan heeft u het mis! Orkestraal is hij beslist superieur aan Gardelli. Zijn koor klinkt mooier en subtieler en daar komt nog eens de klankkwaliteit bij. Het allergrootste pluspunt van de Pappano-opname is echter John Osborn, een tenor die de allerhoogste noten eruit gooit alsof het kinderspel is. Hij was het die de ZaterdagMatinee-uitvoering mede onvergetelijk maakte. De (concertante) opname is live gemaakt en dat verhoogt de sfeer, zeker met al die ‘bravo’s’.

ZaterdagMatinee 2009

Teel Johnny

John Osborn © Zemsky/Green Artists Management

Wat nooit op cd is uitgekomen (schande!) is de absoluut complete uitvoering in de onvolprezen NTR ZaterdagMatinee. Zonder coupures. Een zit van bijna vijf uur, maar wát voor onvergetelijke uren. Het publiek was uitzinnig en brak zowat het Concertgebouw af.

De kracht van de uitvoering zat hem erin dat werkelijk iedere rol briljant bezet was, tot aan de kleinste toe. Paolo Olmi dirigeerde een cast van meer dan fantastische zangers: Michele Pertusi, Marina Poplavskaya, Ilse Eerens en John Osborn. Het Groot Omroepkoor vervulde met verve zijn hoofdrol in de opera. Geen cd dus (even zachtjes vloeken), maar wel dierbare herinneringen.

Ever heard of Wilhelm Grosz?

Enetartet Grosz

In the 1920s old values were shaken. The Great War had just ended. Countries had become independent, or had just lost their independency. Powerful new influences like jazz, blues, and exotic folklore appeared. Boundaries between classical and popular music were fading.

Of all the composers from that period, Wilhelm Grosz was perhaps the most versatile. He was born in Vienna in 1894 into a wealthy Jewish family. In 1919 he graduated from the Viennese Music Academy, where he was taught by, amongst others, Franz Schreker. In 1920 he finished his musicological studies at the Vienna University.

Grosz composed songs, operas, operettas, ballet music and  chamber music, and was a famous pianist as well. In 1928 he was appointed the artistic director of the Ultraphon record company in Berlin.

In 1929, commissioned by the prestigious Radio Breslau, he composed the song cycle Afrika Songs on lyrics by African-American poets.

Afrika Songs was premiered on 4 February 1930 and enthusiastically received. The cycle also became known as the  Jugendstil Spirituals, which probably is the most fitting description for it. There are jazz and blues influences, but the songs were also quite heavily influenced by the music of Zemlinsky, Mahler and … Puccini (compare Tante Sues Geschichten with Ho una casa nell’ Honan from the second act of Turandot!).

When he Nazis came to power, Grosz returned to Vienna. In 1934 he was forced to flee again, this time to London. There his popular works grew more distinct from his serious ones. His name became forever attached to a series of world wide hits. The Isle of Capri, for example, was the big hit of 1934.

ALONG THE SANTA FE TRAIL

Entartet Gosz Santa Fe

In 1938 Grosz left for Hollywood but didn’t get further then New York. He had a heart attack in 1939 and died, aged only 45. He composed the famous song for Along the Santa Fe Trail, a movie with Errol Flynn, Olivia de Havilland and Ronald Reagan in the leads. The song was not sung in the film and only used only instrumentally as background music.

AFRIKA SONGS AND MORE

Entartete Gosz Africa

After almost sixty years Grosz was rediscovered, although only briefly. It is hard to believe, but the Afrika Songs were not recorded until 1996! The Matrix Ensemble performed them for the firs time at the Proms in 1993. The CD also includes the song cycle Rondels, Bänkel und Balladen and the hits Isle of Capri, When Budapest Was Young and Red Sails in the Sunset, songs we all know but never knew who composed them.

Vera Lynn sings Red Sails in the Sunset in 1935

When Budapest was young, sung by Greta Keller:

Mezzo Cynthia Clarey and baritone Jake Gardner are splendid in the Afrika Songs and Andrew Shore makes a party of Bänkel und Balladen. Nothing but praise for the  Matrix Ensemble.

English translation: Remko Jas

With many thanks for Brendan Carroll

Zingend naar de Apocalyps

Thomas Oliemans Bariton 2018Photo: Marco Borggreve

Thomas Oliemans Bariton 2018 Photo: Marco Borggreve

Het gebeurt zeer zelden dat een liedrecital zo slim, zo intelligent en zo spannend in elkaar wordt gezet als de voorstelling (want een voorstelling was het) waar Thomas Oliemans ons in de kleine zaal van het Concertgebouw in maart 2012 op heeft getrakteerd.

Omdat alle voorspellingen (Nostradamus, de Maya’s en nog vele anderen) het jaar 2012 hadden aangewezen als het jaar waarin de wereld ten onder zou gaan, koos Thomas Oliemans voor het thema Apocalyps..

We zitten inmiddels in maart en tot nu toe valt het allemaal nog mee. We leven nog en de wereld draait nog steeds door. Als vanouds. Hier hoort een voorzichtig afkloppen op zijn plaats, want de daadwerkelijke dreiging is niet echt bezworen. Iran heeft de bom en (afkloppen!) het is niet uitgesloten dat ze hem ook gaan gebruiken.

De absolute dictators in Arabische landen hebben plaatsgemaakt voor de (toekomstige?) moslimregimes, Poetin is voor de volgende zes jaar ‘democratisch’ verkozen en Hongarije, Oekraïne en Belarus kennen fascistoïde regimes.

Maar genoeg over politiek. Wij gaan ons nu met het ‘kleine’, menselijke leed bezighouden, we gaan kopje onder, we gaan demonen bezweren en uiteindelijk gaan we sterven, om dan de rust in het ‘himmlische’ te kunnen vinden. We doen het zingend, met behulp van de mooiste gedichten en melodieën, aan de hand genomen door één van de mooiste lyrische baritonstemmen van vandaag.

Het programma bestond uit vijf onderdelen. Het eerste, ‘Omen’, begon met ‘Denn es gehet dem Menschen’ uit de Vier ernste Gesänge van Brahms. Het viel op hoe mooi het pianissimo van Oliemans is. Zeer teder en gevoelig, een prachtig contrast vormend met de ferme slotakkoorden van de piano.

In deel twee, ‘Visioenen’, was de op een opera-achtige manier gezongen ‘Gruppe aus dem Tartarus’ van Schubert een absoluut hoogtepunt, maar ook de met veel tekstbegrip gezongen liederen uit Jedermann van Frank Martin hebben mij bijzonder kunnen bekoren.

Bij deel drie, ‘Dansen op de vulkaan’, ontbraken er ook twee schlagers niet, van Franz Grothe en Michael Jary, beiden uit 1942. ‘Davon geht die Welt nicht unter’ van Jary werd in de oorlogsjaren (en ook daarna) wereldberoemd in de vertolking van Zarah Leander, de omstreden Zweedse actrice en zangeres. Niet iedere klassiek geschoolde zanger weet zich goed raad met dit repertoire, maar laat het aan Oliemans over, hij kan het. En hoe!

Hieronder: Zarah Leander zingt ‘Davon geht die Welt nicht unter’

Er klonken ook twee drinkliederen van Poulenc, waarvan één een beetje profetisch aandeed: ‘Chanson á boire’, over de koningen van Egypte en Syrië die zich lieten balsemen om zelfs na hun dood langer (eeuwig?) te blijven bestaan

Het ‘Vulkaan-gedeelte’ werd afgesloten met Deux mélodies hébraïques van Ravel, waarvan de zeer integer gezongen ‘Kaddisch’ mij tranen in de ogen bezorgde.

Deel vier, ‘Ist dies etwa der Tod’, besloot het programma voor de pauze, met behalve Schubert en Pfitzner ook de verrassing van de avond, twee pareltjes van Frank Bridge. Na de pauze waren wij, samen met Mahler (‘Das Himmlische Leben’ uit Des Knaben Wunderhorn) in de hemel beland en dat was dat.

Er was maar één toegift: ‘Traum durch die Dämmerung’ van Richard Strauss. Een dromerig lied, over liefde en bloemen en een langzame weg naar een ‘geliefde’, wat eigenlijk voor veel interpretaties vatbaar is. De vage grens tussen waken en sterven. Mooier kon niet.

Thomas Oliemans is een intelligente zanger. Maar wat net zo, of misschien nog belangrijker is: hij is een uitstekende zanger, met een prettig timbre, goede stemvoering, formidabele tekstbehandeling en met een zeer charismatische présence.

Al de liederen waren in zijn handen net kleine operaatjes, van ingetogen tot heftig, en van vrolijk (ja, zelfs bij Apocalyps kan men lachen) tot doodernstig. Bij hem niks geen roerloos staan in de buik van de vleugel: zijn handen en zijn hele lichaam deden eraan mee. Prachtig, indrukwekkend, spannend en… leuk.

Hij zong zonder blad, wat hem alle vrijheid gaf om met het publiek te communiceren, niet alleen met zijn gesticulatie maar ook – of moet ik zeggen voornamelijk – met zijn ogen.

De pianist, Malcolm Martineau, toonde zich een waardige partner van de zanger, maar van hem zijn wij ook niet anders gewend.

Een leuk wetenswaardigheidje: in de zaal was ook de weduwe van Frank Martin aanwezig, inmiddels 97 jaar. Zij vond het prachtig.

Zingend naar de Apocalyps: liederen van Schubert, Brahmsa, Mahler, Pfitzner, Martin, Bridge, Wolf, Ravel, Poulenc, Grothe en Jary
Thomas Oliemans (bariton) en Marcolm Martineau (piano)

Bezocht op 6 maart 2012 in het Concertgebouw – Amsterdam

Barbara Kozelj en Thomas Oliemans overtuigen in liederen van Raff

De grote Oliemans show is terug in Amsterdam

Maarten Koningsberger, Thomas Oliemans en Dichterliebe van Schumann

Frank Van Laecke: The Wizzard van Gent

van Laecke

Laat ik het maar voorzichtig formuleren: je hebt regisseurs en je hebt regisseurs. Het is niet noodzakelijk hetzelfde beroep, al zijn de meningen verdeeld. Film, theater, opera, musical, circus, revue, ballet: het zijn allemaal genres die elkaar wellicht kunnen ondersteunen, maar ook dodelijk kunnen bijten. Toneelwetten gelden meestal niet voor de cinema; opera heeft ook zijn eigen taal, muziek en zingen. Voornamelijk.

Na de ‘revolutie’ in de toneelwereld, pakweg 50 jaar geleden, moest ook de opera op de schop en de term regietheater werd geïntroduceerd. Er kwam een hele nieuwe generatie operaregisseurs met wortels in de toneelwereld die aan het ‘vernieuwen’ sloegen, vaak met dubieuze resultaten. Want: alles moest anders en alles mocht, als het maar choquerend genoeg was.

Maar ze bestaan nog steeds, de echte regisseurs die hun beroep serieus nemen en doen, wat van ze verwacht wordt: regisseren. Niet alleen zijn ze intelligent en bekwaam, maar ze dragen het genre een warm hart toe. Zij houden oprecht van de opera. Dat doet Frank Van Laecke, voor mij één van de beste operaregisseurs van nu.

Het eerste wat ik van hem zag was Die Entführung aus dem Serail (Robeco 2009). Niet mijn geliefde opera, toch heb ik schaamteloos genoten. Het was zowat de mooiste, leukste, spectaculairste, intelligentste (verzin ter plekke nog een paar superlatieven) ‘Entführung’ dat ik ooit in mijn leven heb meegemaakt.

van laecke faust

Faust © Opera Zuid

Zijn Faust bij Opera Zuid vond ik adembenemend. Van Laecke heeft het een en ander ingekort, waardoor de voorstelling aan vaart heeft gewonnen. En het met veel symboliek overladen einde zorgde voor kippenvel en brok in de keel.

Manon Alden

Ook zijn Manon Lescaut (Robeco 2011) heeft mij niet onberoerd gelaten en zijn Madama Butterfly voor Opera Zuid werd door het Operamagazine uitverkoren als de opera van het jaar 2012. Terecht: met een zeer sfeervolle set en een uitstekend uitgewerkte personenregie wist Van Laecke een hartverscheurend drama te creëren, met een finale om niet meer te vergeten.

van Laecken Madama-Butterfly-Opera-Zuid-2

Soojin Moon als Madama Butterfly (foto: Opera Zuid).

Maar Van Laecke beperkt zich niet tot de opera alleen, hij regisseert eigenlijk alles. Toneel, musicals, circus, ballet….. En alsof het nog niet genoeg is, schrijft hij ook boeken.

van Laecke boek

© Kristof Ghyselinck

– Je wordt ‘The Wizzard’ genoemd. Ben je een tovenaar? Een duivelskunstenaar? Beide?

Lachend: “Dat wordt inderdaad vaak over mij geschreven, en daar voel ik mij vereerd door. Dat komt natuurlijk omdat ik met zo veel dingen bezig ben, ik ben niet in één la te stoppen, dat wil ik ook niet. Ik ontsnap aan het hokjes denken, wellicht is dat de reden?”

– Heb je dan wel een geliefd genre? Componist?

“Genre? Opera!!!!!!!! Zonder meer. Componist? Moeilijk. Puccini raakt mij meteen, ook Verdi. Maar ik raak altijd verliefd op waar ik op dat moment mee bezig ben. Onlangs, toen ik Peter Grimes deed, werd ik tot over mijn oren verliefd op de muziek van Britten”

– Hoe kom je bij de opera?

“Ik kom uit een eenvoudig milieu, ben geboren in een arbeiderswijk van Gent en mijn ouders waren gewone werkmensen. Maar zij hadden twee abonnementen, één op het toneel en één op de opera, de goedkoopste plaatsen, helemaal boven. Ik was vier toen zij mij voor het eerst meenamen. Het allereerste wat ik zag was Der Zarewitsch, dan La Boheme.

– Soms maak je radicale kortingen in de opera: Walpurgisnacht in Faust, Madrigalen in Manon  …. Doe je het omwille van de dramatiek?

“Ja. Als ik denk dat het dramaturgisch stil blijft staan dan durf ik er in te knippen, maar je moet natuurlijk niet bang zijn voor stiltes. Ik bereid mij altijd goed voor, anders zou het niet van respect getuigen. Ik heb mijn boek altijd bij mij, maar ik ken elke noot, elke woord en ook zonder het boek kan ik de hele voorstelling maken. En ik laat de dingen ook gewoon gebeuren, ik moet de zangers los kunnen laten. “

“Wat ik altijd meteen vertel: deze zaal, de repetitiezaal is vanaf nu voor ons de veiligste plek ter wereld, hier mogen wij ook fouten maken. Ik draag de zangers een warm hart toe, vanaf nu zijn ze mijn familie. Zij vinden dat er altijd een goede sfeer heerst tijdens de repetities, maar dat is ook wederzijds. Het is mijn job om geduld te hebben en om ze te helpen waar mogelijk. Dat beroep kan je niet voor 50 % doen.”

“Leugen, liegen, dat is wat wij, kunstenaars doen. We moeten de schijn oproepen en de mensen laten geloven in wat zij meemaken. Ik probeer het verhaal te vertellen van mijn ziel en ik ga altijd van de muziek uit, waarbij het respect voor de componist de vereiste is! Ik vraag mij dan ook altijd af: wat doet het laatste akkoord in de zaal, hoe komt het over, daarvandaan bouw ik mijn einde. Het is mij niet om het effect te doen. Ik lees de laatste akkoorden en dan weet ik wat mij te doen staat. Ik haat onrechtvaardigheid en leegheid.”

– Hoe is de samenwerking met Opera Zuid ontstaan?

“Ik heb Miranda van Kralingen leren kennen toen iSk een musical was aan het regisseren. Zij heeft mij voor een drietal producties gevraagd. De eerste zou Tsaar Saltan zijn, maar toen kon ik niet, dus het werd Faust, daarna Butterfly en nu La Traviata.”

“La Traviata is een bijzondere opera, ik heb het al vaker gedaan, maar nog steeds doet het iets met mij, met mijn emoties. Het is tijdloos, zo wil ik het dan ook houden. Het speelt zich tussen leven en dood af, in een soort schemerzone. En het gaat om de schone schijn. Je krijgt een parketvloer van de oude danszaal, het wordt een soort ‘danse macabre’. “

– Je zei ooit: “Stilstaan is achteruitgaan”. En: “Hoe ouder ik word hoe gulziger ik ben. Ik wil alles gegeten en gedronken hebben in mijn leven”

“ Dat heeft natuurlijk met het ouder worden te maken. Hoe ouder je wordt hoe bewuster je bent van je eindigheid. Als je jong bent besef je het nog niet, althans niet ten volle. Vandaar dat ik er nog alles uit wil halen! Na twee dagen vakantie begint het mij te jeuken, te kribbelen. Ik schrijf altijd, maar dan wil ik ook echt aan de slag!”

Weergaloze Barbara Haveman triomfeert in een onweerstaanbare Manon Lescaut

Manon Alden

Als u 6 juli 2011 niet in het Concertgebouw was, heeft u één van de beste uitvoeringen van Manon Lescaut gemist. Zomeropera Alden Biesen gaf Puccini’s opera aangrijpend vorm, met een glansrol van Barbara Haveman.

Eerlijk is eerlijk: voor de pauze had ik mijn bedenkingen. Het lag voornamelijk aan het geluidsniveau: ik vond het orkest te hard spelen, waardoor de zangers slecht te horen waren.

Daar werden voornamelijk de tenoren de dupe van: de licht lyrische Erik Rieger viel af en toe helemaal weg en van Mickael Spadaccini had ik de indruk dat hij zichzelf overschreeuwde. Mede daardoor vond ik ze een maatje te klein voor hun rollen.

Hoe onterecht! Na de pauze werd de balans tussen het orkest en de zangers ‘hervonden’ en er stond mij niets meer in de weg om te genieten en te treuren. En dat deed ik!

Met volle teugen genoot ik van het prachtige Zomeropera Orkest, dat voornamelijk bestaat uit muziekstudenten. Onder leiding van de meezingende Frederico Santi wisten ze een zinderend drama uit hun instrumenten te halen zonder de heerlijke Pucciniaanse ‘schmalz’ te vergeten en bij de Crisantemi, oftewel het Intermezzo tot de tweede akte, wiegden ze mij rechtstreeks de zevende hemel in.

Ik genoot van de zangers van het kleine Zomerkoor, die met hun denderend geluid de schijn van tientallen kelen wekten.

Manon-Luk-Monsaert-1

Scène uit Manon Lescaut (foto: Luk Monsaert).

Maar het meeste genoot ik van de solisten. Barbara Haveman heeft de rol van Manon al vaker gezongen, onder andere aan de Weense Staatsoper. Ik heb haar daar gehoord en was behoorlijk onder de indruk, maar gisteren heeft zij zichzelf overtroffen.

Manon Haveman fidelio hingaars

Barbara Haveman

Met huid en haar is zij in de persoon van de wispelturige heldin gekropen. Ze flirtte, had lief, verveelde zich, zij leed en stierf zoals een Puccini meisje betaamt – een onvergetelijke melodie zingend. Maar anders dan haar ‘zusters’ wilde ze niet in haar lot berusten: zij wilde niet dood en dat liet ze ons weten ook. Haveman heeft het goed begrepen. Haar schrijnende ‘Non voglio morire’ deed werkelijk pijn en wie het droog kon houden die heeft geen hart.

Mickael Spadaccini (Des Grieux) is een naam om in de gaten te houden. De jonge Belg (geboren te Charleroi) heeft al een behoorlijk repertoire opgebouwd, dat voornamelijk uit spinto rollen bestaat. Zijn stem is krachtig, zijn hoogte makkelijk en zijn timbre donker. Hij deed mij een beetje aan Mario del Monaco denken: heroïsch, maar dan met meer subtiliteiten. Ook in zijn spel was hij meer dan overtuigend.

Het is altijd leuk om de oudgediende Piet Vansichen (Geronte/Zeekapitein) tegen te komen. Weinig zangers kunnen zo ontzettend goed met hun rollen omgaan zoals hij: ontegenzeggelijk een echt bühnebeest, maar dan een met een bulderende stem, waarmee hij zowel komisch als dreigend (soms beide tegelijk!) uit de voeten kan.

Eric Rieger (Edmondo/Lantaarnopsteker/Dansleraar) heeft mij, na mijn afhankelijke aarzeling, volkomen overtuigd in al zijn drie rollen. Zijn stem is niet al te groot, maar dat hoeft ook niet – het contrast met Spadaccini werd er alleen maar beter door.

Emilio Marcucci was een aardige, niet echt hemelbestormende Lescaut, wat hij met zijn zeer prettige verschijning wist te compenseren.

Manon Van Laecke_Frank

Frank Van Laecke © Belgaimage

De productie kwam uit de Zomeropera Festival in Alden Biesen en de regie was in handen van Frank van Laecke, een meesterlijke sfeertekenaar die heel wat beroemdere collega’s les zou kunnen geven in de begrippen ‘mise-en-scéne’ en ‘personenregie’.

Speciaal voor het Concertgebouw heeft hij de boel aan de zaal en het publiek aangepast. Heel erg slim maakte hij gebruik van al die trappen, het orgel en de balkons en liet de zangers zoveel mogelijk met hun gezicht naar de zaal toe zingen.

Maar denk niet dat hij concessies aan de opbouw van het drama heeft gedaan! Nog steeds speelde hij met de kostuums en de rekwisieten, voegde een licht symboliek toe en liet Manon sterven, zoals we het nog nooit eerder hebben gezien. Niet op de grond – de laatste rijen zouden het zeker niet hebben kunnen zien – maar tergend langzaam de trap oplopend. Zo verdween ze ‘achter de horizon’, maar net zo goed kon ze ter hemel zijn opgenomen. Ik vond het een heel erg mooie vondst.

Van Laecke heeft wel de ‘madrigalen scène’ uit de tweede akte uitgeknipt, maar het zij hem vergeven. Als je met zo weinig middelen zo iets geweldigs kan bereiken dan ben je niet minder dan een genie.

Barbara Haveman, Emilio Marcucci, Mickael Spadaccini, Piet Vansichen, Eric Rieger, Koen van Agtmael
Zomeropera Orkest en Koor olv Frederico Santi
Regie: Frank van Laecke

Rolando Villazon: reminders of a great promise

Villazon-DW-Kultur-Erfurt-jpg

© dpa/DPA/Martin Schutt

No one loved him as much as I did, when I heard him for the first time. His Don Carlo with Dutch National Opera in Amsterdam really had the WOW factor. No less. I interviewed him twice and both times he impressed by his intelligence and common sense.

Alas, it has not lasted long. The cause? Too much, too arduous, too fast? There was talk of ‘personal problems’. He had to undergo a procedure, a growth on his vocal cords. His career came to a halt a few times. He does still sing but I can no longer like it.

This interview dates from June 2004 and was made during the rehearsal of Don Carlo.

Villazon carlo

©foto Hans van den Bogaard

The jubilant press releases taught me that Rolando Villazon was a real discovery. Opera Magazines even spoke of a ‘second Domingo’ which a very critical friend of mine in London, whom had heard him sing in Les Contes d’Hoffmann, could confirm.

Villazon Erato

I was very enthousiast about his first cd with Italian opera-arias ( Erato 5456262), which explains why I felt honoured to meet him, even before his Amsterdam debut as Don Carlo.


I was allowed to talk to the tenor as the first of a long line of interviewers, a luxury, even allowing me to watch the last part of the rehearsal. Well, you should know that I’m quiet experienced opera goer, but this was truly sensational, even for me. I was awestruck, but fortunately Villazon turned out to be a great raconteur.

Rolando Villazón (Don Carlo) Dwayne Croft (Rodrigo) in Amsterdam:

It is hot that evening but that does not seem to bother him and even before the ordered water has arrived, he’s already told me about his life in Paris with his wife Lucia a psychotherapist (no she does not practice on me, ha, ha, ha), and his two sons: Dario and Matteo.

How does it feel to be a star? Were you expecting to be as successful as you are?

“Expecting…not really, you don’t expect it to happen but one hopes it does. My wife recently asked me how it feels to get all this attention all of a sudden. And I said: it feels like flying, it’s like wow but dizzying at the same time. I’m afraid to fall during my flight and thus failing  to fulfill my mission as an opera singer and an artist. She answered: don’t be scared, I’m here and I’ll catch you if you fall.”

His voice was discovered when he was 18 years old, but he was doubtful, there were so many things to do in life. Reading psychology for instance. The priesthood. He was still young and life was so confusing. He felt just like Stephen Dedalus from ‘A portret of an artist as a young man’, who thought of becoming a Jesuit priest, whilst all he wanted to do was write. And Villazon wanted to sing, that’s what he loved more than anything.

He would lock himself up in his room at the age of twelve to sing Mexican songs and musicals. When he’d bought Perhaps love, an LP with duets by Domingo and John Denver, he was sold. He bought all Domingo’s records, be it with cross-overs, because opera was unknown to him at that time. Domingo was his idol and master. they’ve become great friends meanwhile and Villazon considers it a great honour knowing that Domingo is keeping a close watch over his career.

“When I was in Berlin doing Lélisir dámore Domingo was there for Pique Dame. I went to all his rehearsals and could not have asked for a better education. His intensity, his involvement his whole being; teaches me.  I flew to Washington just to see him rehearse Le Cid.

Does he think his career will evolve like Domingo’s?

“Not for the moment. Domingo is a legend and I am me. I love to take risks, hence Hoffmann, Carlos and soon my first Don Jose. But other than that I’ll just sing lyric parts. It is too soon for me to go for the dramatic parts.”

Villazon cd

In 2007 Villazon recorded his first solo recital for DG. He did not take the easy route. He chose arias he had never sung before and will probably never sing again. Not only because they are too heavy for him but also because they are seldom performed, at least most of them. That adds great value to this cd, because be fair, did you ever hear of Maristella by Pietri?


English translation: Annelies Hes