Frank_van_Laecke

Frank Van Laecke: The Wizzard van Gent

van Laecke

Laat ik het maar voorzichtig formuleren: je hebt regisseurs en je hebt regisseurs. Het is niet noodzakelijk hetzelfde beroep, al zijn de meningen verdeeld. Film, theater, opera, musical, circus, revue, ballet: het zijn allemaal genres die elkaar wellicht kunnen ondersteunen, maar ook dodelijk kunnen bijten. Toneelwetten gelden meestal niet voor de cinema; opera heeft ook zijn eigen taal, muziek en zingen. Voornamelijk.

Na de ‘revolutie’ in de toneelwereld, pakweg 50 jaar geleden, moest ook de opera op de schop en de term regietheater werd geïntroduceerd. Er kwam een hele nieuwe generatie operaregisseurs met wortels in de toneelwereld die aan het ‘vernieuwen’ sloegen, vaak met dubieuze resultaten. Want: alles moest anders en alles mocht, als het maar choquerend genoeg was.

Maar ze bestaan nog steeds, de echte regisseurs die hun beroep serieus nemen en doen, wat van ze verwacht wordt: regisseren. Niet alleen zijn ze intelligent en bekwaam, maar ze dragen het genre een warm hart toe. Zij houden oprecht van de opera. Dat doet Frank Van Laecke, voor mij één van de beste operaregisseurs van nu.

Het eerste wat ik van hem zag was Die Entführung aus dem Serail (Robeco 2009). Niet mijn geliefde opera, toch heb ik schaamteloos genoten. Het was zowat de mooiste, leukste, spectaculairste, intelligentste (verzin ter plekke nog een paar superlatieven) ‘Entführung’ dat ik ooit in mijn leven heb meegemaakt.

van laecke faust

Faust © Opera Zuid

Zijn Faust bij Opera Zuid vond ik adembenemend. Van Laecke heeft het een en ander ingekort, waardoor de voorstelling aan vaart heeft gewonnen. En het met veel symboliek overladen einde zorgde voor kippenvel en brok in de keel.

Ook zijn Manon Lescaut (Robeco 2011) heeft mij niet onberoerd gelaten en zijn Madama Butterfly voor Opera Zuid werd door het Operamagazine uitverkoren als de opera van het jaar 2012. Terecht: met een zeer sfeervolle set en een uitstekend uitgewerkte personenregie wist Van Laecke een hartverscheurend drama te creëren, met een finale om niet meer te vergeten.

van Laecken Madama-Butterfly-Opera-Zuid-2

Soojin Moon als Madama Butterfly (foto: Opera Zuid).

Maar Van Laecke beperkt zich niet tot de opera alleen, hij regisseert eigenlijk alles. Toneel, musicals, circus, ballet….. En alsof het nog niet genoeg is, schrijft hij ook boeken.

van Laecke boek

© Kristof Ghyselinck

– Je wordt ‘The Wizzard’ genoemd. Ben je een tovenaar? Een duivelskunstenaar? Beide?

Lachend: “Dat wordt inderdaad vaak over mij geschreven, en daar voel ik mij vereerd door. Dat komt natuurlijk omdat ik met zo veel dingen bezig ben, ik ben niet in één la te stoppen, dat wil ik ook niet. Ik ontsnap aan het hokjes denken, wellicht is dat de reden?”

– Heb je dan wel een geliefd genre? Componist?

“Genre? Opera!!!!!!!! Zonder meer. Componist? Moeilijk. Puccini raakt mij meteen, ook Verdi. Maar ik raak altijd verliefd op waar ik op dat moment mee bezig ben. Onlangs, toen ik Peter Grimes deed, werd ik tot over mijn oren verliefd op de muziek van Britten”

– Hoe kom je bij de opera?

“Ik kom uit een eenvoudig milieu, ben geboren in een arbeiderswijk van Gent en mijn ouders waren gewone werkmensen. Maar zij hadden twee abonnementen, één op het toneel en één op de opera, de goedkoopste plaatsen, helemaal boven. Ik was vier toen zij mij voor het eerst meenamen. Het allereerste wat ik zag was Der Zarewitsch, dan La Boheme.

– Soms maak je radicale kortingen in de opera: Walpurgisnacht in Faust, Madrigalen in Manon  …. Doe je het omwille van de dramatiek?

“Ja. Als ik denk dat het dramaturgisch stil blijft staan dan durf ik er in te knippen, maar je moet natuurlijk niet bang zijn voor stiltes. Ik bereid mij altijd goed voor, anders zou het niet van respect getuigen. Ik heb mijn boek altijd bij mij, maar ik ken elke noot, elke woord en ook zonder het boek kan ik de hele voorstelling maken. En ik laat de dingen ook gewoon gebeuren, ik moet de zangers los kunnen laten. “

“Wat ik altijd meteen vertel: deze zaal, de repetitiezaal is vanaf nu voor ons de veiligste plek ter wereld, hier mogen wij ook fouten maken. Ik draag de zangers een warm hart toe, vanaf nu zijn ze mijn familie. Zij vinden dat er altijd een goede sfeer heerst tijdens de repetities, maar dat is ook wederzijds. Het is mijn job om geduld te hebben en om ze te helpen waar mogelijk. Dat beroep kan je niet voor 50 % doen.”

“Leugen, liegen, dat is wat wij, kunstenaars doen. We moeten de schijn oproepen en de mensen laten geloven in wat zij meemaken. Ik probeer het verhaal te vertellen van mijn ziel en ik ga altijd van de muziek uit, waarbij het respect voor de componist de vereiste is! Ik vraag mij dan ook altijd af: wat doet het laatste akkoord in de zaal, hoe komt het over, daarvandaan bouw ik mijn einde. Het is mij niet om het effect te doen. Ik lees de laatste akkoorden en dan weet ik wat mij te doen staat. Ik haat onrechtvaardigheid en leegheid.”

– Hoe is de samenwerking met Opera Zuid ontstaan?

“Ik heb Miranda van Kralingen leren kennen toen iSk een musical was aan het regisseren. Zij heeft mij voor een drietal producties gevraagd. De eerste zou Tsaar Saltan zijn, maar toen kon ik niet, dus het werd Faust, daarna Butterfly en nu La Traviata.”

“La Traviata is een bijzondere opera, ik heb het al vaker gedaan, maar nog steeds doet het iets met mij, met mijn emoties. Het is tijdloos, zo wil ik het dan ook houden. Het speelt zich tussen leven en dood af, in een soort schemerzone. En het gaat om de schone schijn. Je krijgt een parketvloer van de oude danszaal, het wordt een soort ‘danse macabre’. “

– Je zei ooit: “Stilstaan is achteruitgaan”. En: “Hoe ouder ik word hoe gulziger ik ben. Ik wil alles gegeten en gedronken hebben in mijn leven”

“ Dat heeft natuurlijk met het ouder worden te maken. Hoe ouder je wordt hoe bewuster je bent van je eindigheid. Als je jong bent besef je het nog niet, althans niet ten volle. Vandaar dat ik er nog alles uit wil halen! Na twee dagen vakantie begint het mij te jeuken, te kribbelen. Ik schrijf altijd, maar dan wil ik ook echt aan de slag!”

 

Weergaloze Barbara Haveman triomfeert in een onweerstaanbare Manon Lescaut

Manon Alden

Als u 6 juli 2011 niet in het Concertgebouw was, heeft u één van de beste uitvoeringen van Manon Lescaut gemist. Zomeropera Alden Biesen gaf Puccini’s opera aangrijpend vorm, met een glansrol van Barbara Haveman.

Eerlijk is eerlijk: voor de pauze had ik mijn bedenkingen. Het lag voornamelijk aan het geluidsniveau: ik vond het orkest te hard spelen, waardoor de zangers slecht te horen waren.

Daar werden voornamelijk de tenoren de dupe van: de licht lyrische Erik Rieger viel af en toe helemaal weg en van Mickael Spadaccini had ik de indruk dat hij zichzelf overschreeuwde. Mede daardoor vond ik ze een maatje te klein voor hun rollen.

Hoe onterecht! Na de pauze werd de balans tussen het orkest en de zangers ‘hervonden’ en er stond mij niets meer in de weg om te genieten en te treuren. En dat deed ik!

Met volle teugen genoot ik van het prachtige Zomeropera Orkest, dat voornamelijk bestaat uit muziekstudenten. Onder leiding van de meezingende Frederico Santi wisten ze een zinderend drama uit hun instrumenten te halen zonder de heerlijke Pucciniaanse ‘schmalz’ te vergeten en bij de Crisantemi, oftewel het Intermezzo tot de tweede akte, wiegden ze mij rechtstreeks de zevende hemel in.

Ik genoot van de zangers van het kleine Zomerkoor, die met hun denderend geluid de schijn van tientallen kelen wekten.

Manon-Luk-Monsaert-1

Scène uit Manon Lescaut (foto: Luk Monsaert).

Maar het meeste genoot ik van de solisten. Barbara Haveman heeft de rol van Manon al vaker gezongen, onder andere aan de Weense Staatsoper. Ik heb haar daar gehoord en was behoorlijk onder de indruk, maar gisteren heeft zij zichzelf overtroffen.

Manon Haveman fidelio hingaars

Barbara Haveman

Met huid en haar is zij in de persoon van de wispelturige heldin gekropen. Ze flirtte, had lief, verveelde zich, zij leed en stierf zoals een Puccini meisje betaamt – een onvergetelijke melodie zingend. Maar anders dan haar ‘zusters’ wilde ze niet in haar lot berusten: zij wilde niet dood en dat liet ze ons weten ook. Haveman heeft het goed begrepen. Haar schrijnende ‘Non voglio morire’ deed werkelijk pijn en wie het droog kon houden die heeft geen hart.

Mickael Spadaccini (Des Grieux) is een naam om in de gaten te houden. De jonge Belg (geboren te Charleroi) heeft al een behoorlijk repertoire opgebouwd, dat voornamelijk uit spinto rollen bestaat. Zijn stem is krachtig, zijn hoogte makkelijk en zijn timbre donker. Hij deed mij een beetje aan Mario del Monaco denken: heroïsch, maar dan met meer subtiliteiten. Ook in zijn spel was hij meer dan overtuigend.

Het is altijd leuk om de oudgediende Piet Vansichen (Geronte/Zeekapitein) tegen te komen. Weinig zangers kunnen zo ontzettend goed met hun rollen omgaan zoals hij: ontegenzeggelijk een echt bühnebeest, maar dan een met een bulderende stem, waarmee hij zowel komisch als dreigend (soms beide tegelijk!) uit de voeten kan.

Eric Rieger (Edmondo/Lantaarnopsteker/Dansleraar) heeft mij, na mijn afhankelijke aarzeling, volkomen overtuigd in al zijn drie rollen. Zijn stem is niet al te groot, maar dat hoeft ook niet – het contrast met Spadaccini werd er alleen maar beter door.

Emilio Marcucci was een aardige, niet echt hemelbestormende Lescaut, wat hij met zijn zeer prettige verschijning wist te compenseren.

Manon Van Laecke_Frank

Frank Van Laecke © Belgaimage

De productie kwam uit de Zomeropera Festival in Alden Biesen en de regie was in handen van Frank van Laecke, een meesterlijke sfeertekenaar die heel wat beroemdere collega’s les zou kunnen geven in de begrippen ‘mise-en-scéne’ en ‘personenregie’.

Speciaal voor het Concertgebouw heeft hij de boel aan de zaal en het publiek aangepast. Heel erg slim maakte hij gebruik van al die trappen, het orgel en de balkons en liet de zangers zoveel mogelijk met hun gezicht naar de zaal toe zingen.

Maar denk niet dat hij concessies aan de opbouw van het drama heeft gedaan! Nog steeds speelde hij met de kostuums en de rekwisieten, voegde een licht symboliek toe en liet Manon sterven, zoals we het nog nooit eerder hebben gezien. Niet op de grond – de laatste rijen zouden het zeker niet hebben kunnen zien – maar tergend langzaam de trap oplopend. Zo verdween ze ‘achter de horizon’, maar net zo goed kon ze ter hemel zijn opgenomen. Ik vond het een heel erg mooie vondst.

Van Laecke heeft wel de ‘madrigalen scène’ uit de tweede akte uitgeknipt, maar het zij hem vergeven. Als je met zo weinig middelen zo iets geweldigs kan bereiken dan ben je niet minder dan een genie.

Barbara Haveman, Emilio Marcucci, Mickael Spadaccini, Piet Vansichen, Eric Rieger, Koen van Agtmael
Zomeropera Orkest en Koor olv Frederico Santi
Regie: Frank van Laecke