Gastcolumns

Krzysztof Warlikowski in De Munt: Lulu

Tekst: Peter Franken

In 2012 stond er een nieuwe productie van Lulu op het programma in De Munt, regie Krzysztof Walikowski en decors en kostuums van Małgorzata Szczęśniak, het koppel dat hier eerder veel succes had geoogst met Cherubini’s Médée. Het was een groot succes, vooral door het fenomenale optreden van Barbara Hannigan in de titelrol. Van de voorstelling is een opname op dvd uitgebracht.

Het begint zoals gebruikelijk met een introductie door de Tierbändiger alleen laat deze er een monoloog in slecht verstaanbaar Engels aan vooraf gaan waarin wordt gesproken over Lilith. Lulu vertoont veel gelijkenissen met dit mythische personage dat wordt beschouwd als de eerste vrouw van Adam, die werd verstoten wegens gebrek aan volgzaamheid en uit wraak in de gedaante van een slang Adam en zijn nieuwe vrouw Eva verleidde tot het eten van ‘de boom der kennis’.

Dietrich Henschel (Dr.Schön) en Barbara Hannigan (Lulu)

Dr. Schön heeft Lulu als meisje van twaalf letterlijk van de straat geplukt en haar tot zijn minnares gemaakt. Daarmee heeft hij haar voor een akelig lot als prostituee of nog erger behoed, maar tegelijkertijd Lulu haar jeugd ontnomen. Gevolg is dat ze zich bijna letterlijk aan hem heeft gehecht; weg van Schön is voor Lulu een situatie waarin ze niet compleet is. Haar missie is om met hem trouwen, maar zijn missie is om haar bij een geschikte man onder te brengen zodat hij van haar af kan raken. Beiden beseffen dat dit niet gaat lukken. Vandaar Lulu’s uitspraak als haar tweede echtgenoot, de portretschilder, zelfmoord heeft gepleegd: ‘Sie heiraten mich ja doch.’

Het toneelbeeld wordt bepaald door een grote ruimte met links een enorme trap waarlangs bezoekers hun opwachting maken. Rechts is een cabine met glazen wanden waarin de schilder aan het werk is. Al portretteert hij Lulu hier door haar te filmen. In de derde akte doet de ruimte dienst als vitrine voor jonge meisjes die op hun bestemming wachten in de vrouwenhandel, echo’s van Lulu’s beginjaren als kind hoertje.

Lulu’s droom om ooit een gevierd balletdanseres te worden maakt Warlikowski aanschouwelijk door Hannigan een groot deel van de tijd in balletschoenen te laten lopen waarbij ze regelmatig op de spitzen loopt te trippelen. Echt erop dansen kan ze niet maar gelukkig heeft ze Rosalba Torres Guerrero als dubbel voor een ingevoegde dansscène aan het einde van de eerste akte. Diezelfde danseres is nadien op de achtergrond actief om een indruk van de Lulu uit de eerste akte te wekken.

Wat Hannigan wel goed kan is werken met haar benen, haar hele lenige slanke lijf wordt als het ware teruggebracht tot die twee verleidingsobjecten. Het lijkt wel alsof ze gewoon automatisch op seksueel uitdagende wijze loopt, zit, hangt of staat, het gaat vanzelf en dat ze ook nog eens schaars gekleed is zet het effect extra aan. Als ze Dr. Schön het briefje aan zijn verloofde dicteert zien we hem een sms tikken met zijn hoofd in een intieme pose tussen haar dijen geklemd. Hier biedt de tekst overigens wel degelijk aanleiding toe. Zo vergelijkt Alwa later haar benen met een stuk muziek waarbij de bekroning het ‘andante van de wellust’ wordt genoemd. En daar verbergt hij lange tijd zijn gezicht in terwijl haar mimiek niets aan de verbeelding overlaat. Seks speelt een enorme rol in Lulu’s leven maar dit is de enige scène waarin dat nadrukkelijk wordt getoond.

Maar haar zeer fysieke wijze van acteren is slechts deel van het succes. Hannigan beheert haar partij tot in de puntjes en zingt, gilt, roept en schreeuwt al naar gelang de situatie daarom vraagt op een zodanige wijze dat je al gauw niet meer het idee hebt naar een theaterproductie te kijken, fenomenaal.  De overige spelers komen niet in de buurt van haar prestatieniveau.

Dietrich Henschel is een redelijke dr. Schön maar oogt veel te jong voor zijn rol. De Alwa van Charles Workman is heel behoorlijk maar het is moeilijk voorstelbaar dat die twee vader en zoon zijn.

Pavlo Hunka ziet er als Schigolch wel aardig uit als oudere man, doet het redelijk. Tom Randle is qua zang een prima Maler maar stelt acterend wat teleur. Ivan Ludlow geeft gestalte aan de Tierbändiger en de Athlet, zonder meer uitstekend. Frances Bourne treedt op in drie rollen met als voornaamste de Gymnasiast die door Schigolch en de Athlet wordt meegetroond op de wekelijkse ‘Beursmiddag’ voor een ontmoeting met Lulu, waar al velen hun seksuele initiatie hebben mogen beleven. Ze is gekleed en geschminkt als punkmeisje en wordt ook neergezet als vrouw. De seks gaat niet door en haar grootste zorg is nu dat ze van school gestuurd zal worden. Met de moord op Schön wordt dat uiteindelijk nog erger, een tuchtschool is haar lot.

Natascha Petrinsky is een opvallende Gräfin Geschwitz, de verliefde lesbienne die uiteindelijk door Lulu naar Londen wordt meegesleept. Schigolch ziet er niets in: die vrouw is niet geschikt om aan de liefde te verdienen, ze leeft in de liefde. Petrinsky brengt waardigheid en rust in het voortdurende pandemonium om haar heen, ze oogt voornaam en aandoenlijk mooi in haar berusting.

Ik herinner me mijn eerste Lulu in Keulen lang geleden met de ‘Vriendenbus’. In combinatie met de lange reisdag bleek dit een theaterervaring die me uitgeput in de bus naar huis van alle emoties liet bijkomen. Autorijden had er niet ingezeten. Een dergelijke ervaring zal Hannigans Lulu ook vele toeschouwers in de zaal hebben bezorgd, een emotionele rollercoaster die geen mens onberoerd kan laten. In 2021 werd de voorstelling hernomen, opnieuw met Hannigan, en ze stond er alweer. Wat een prachtvrouw.

Paul Daniël heeft de muzikale leiding.

Trailer van de productie:



Gevloerd door Lulu van Krzysztof Warlikowski in Brussel 2012


LULU: discogr
afie

Shock and Awe rond 1500. De muziek die Erasmus verwerpelijk vond

Tekst: Neil van der Linden

Dit was de muziek die mij ooit het Festival Oude Muziek inzoog. Engelse polyfonie uit eind 15e vroeg 16e eeuw. Toen in de uitvoering van de Tallis Scholars, toendertijd het toonaangevend ensemble voor Engelse Renaissancemuziek. Nu gezongen door het Huelgas Ensemble, dat juist de Vlaamse muziek als uitgangspunt heeft, maar dat ook geregeld al Engelse muziek opnam, en dat deze avond liet horen dat het ook daarin helemaal thuis is.

De Vlaamse ensembles voor Renaissance-muziek hebben altijd als handelsmerk gehad dat ze een graadje rauwer willen klinken dan hun Engelse evenknieën. Graindelavoix (korreltje op de stem) is er zelfs naar vernoemd.

Ashwells mis staat ook op de aan Engelse Renaissance gewijde The Liberation of the Gothic uit 2018 van Graindelavoix:

Het Huelgas is dan vervolgens wel weer gepolijster dan Graindelavoix. Ik kan mij voorstellen dat op deze manier de toenmalige plaatselijke verscheidenheid wordt weerspiegeld.

We mogen ervan uitgaan dat de toenmalige zangers veelal werden gerekruteerd van het platteland. Ze werden dan wel geschoold, maar zeker niet volgens één uniforme methode, en de klankkleur van verschillende locale kathedraalkoren berustte aldus op toeval en moet gevarieerd hebben van stad tot stad. Overigens zei Huelgas Ensemble oprichter en dirigent Paul van Nevel eens dat hij niet de pretentie heeft dat hij de muziek laat klinken zoals die toen heeft geklonken. Wel kan het publiek van nu iets ervaren van de shock and awe die de muziek toen bij de toehoorder teweegbracht. En shock and awe teweegbrengen deed dit concert.

Ik wilde een dubbelrecensie wijden aan twee concerten van het Huelgas Ensemble, het concert van afgelopen zondag gewijd aan Engelse muziek en het van gisteravond getiteld ‘Het Oor van Baldassare Castiglione’. Castiglione (1487-1529) was de auteur van het handboek ‘De Ideale Hoveling’ en dit jaar een centrale figuur in het Festival Oude Muziek. Op het programma stonden Italiaanse Renaissance-muziek maar ook werken van Vlaamse tijdgenoten. Des te erger was het dat ik niet naar Utrecht kon vanwege de staking bij de NS. Ik ben links en erg voor het stakingsrecht, maar waarom blokkeert het treinpersoneel de oprijlanen naar de villa’s van de directie niet, door er bijvoorbeeld een treinstel neer te zetten, in plaats van de reizigers te pakken?

Dus moest ik Bartolomeo Trombocino, Peregrinus Cesena, Francisco de Peñalosa, Antoine Bruhier, Loyset Compère en Gaspar van Weerbeke missen. Ook vanwege de titel ‘Adonai sanctissime Domine’, deels in het Hebreeuws dus, wilde ik het motet van Van Weerbeke horen. En het sluitstuk van gisteravond, het Agnus Dei uit De Peñalosa’s Missa Ave Maria, zou mooi hebben aangesloten bij het centrale werk in het concert van eergisteren. Dat was de Missa Ave Maria van Thomas Ashwell. Engelse Renaissance-muziek uit de tijd dat de Rooms-katholieken het voor het zeggen hadden, met hun voorkeur voor ultrahoge jongensstemmen, de treble, die tot wel een octaaf hoger gaat dan de hoogste stemmen in de toenmalige muziek op het vasteland.

De Engelse katholieke kerk ruimde toen budget in om die trebles te zoeken en te trainen. Misschien heette mede daarom het programma van het zaterdag-concert Supreme Englishness. Zodra het Anglicanisme toesloeg zakten de hoogste stemmen, totdat onder Mary I, Bloody Mary (regeerperiode 1553 tot 1558) het katholicisme weer even de overhand kreeg. Dan hoor je bijvoorbeeld de stemmen in de muziek van Thomas Tallis weer omhoog gaan.

Maar de muziek uit het programma van zaterdag komt allemaal uit de tijd dat het katholicisme de staatsreligie was. Het was de muziek die Desiderius Erasmus (1466 – 1536) hoorde bij bezoeken vanaf 1499 aan zijn Engelse evenknie Thomas More (1478 – 1535). En hij vond wat hij hoorde verwerpelijk, met al die eindeloze versieringen, wellustig, en bovendien waren de liturgische teksten niet meer verstaanbaar binnen het geheel; deze proto-Calvinist vond dit alles afleiden van de zuivere geloofsbeleving. Wel echt Hollands, zou je bijna zeggen.

En daarom vinden wij deze muziek nu wél geweldig. En vooral dus als die met een aards ‘vetrandje’ wordt uitgevoerd, stijlkenmerk van de beste Vlaamse ensembles. Intussen zijn de zangers van het Huelgas Ensemble technisch feilloos. Meer dan zeventig minuten lang zongen ze deze veeleisende muziek, met alleen wat rust in stukken waarin niet alle twaalf zangers tegelijk hoefden op te draven.

Ashwell leefde voorzover we weten van ongeveer 1478 tot ‘na 1513’. Er zijn maar twee missen van hem compleet bewaard gebleven. De rest van zijn oeuvre moet verloren zijn gegaan tijdens de Dissolution of the Monasteries, die plaats vond tussen 1536 en 1541, nadat Hendrik de Achtste vanwege omstandigheden die eerder dit jaar in Donizetti’s opera Anna Bolena uit de doeken werden het Rooms-katholicisme staatsgodsdient áf verklaardeen hij gelastte de katholieke kloosters te ontmantelen. Het door de staat verordonneerde equivalent van het latere volksoproer in Vlaanderen en Nederland die met de Beeldenstorm gepaard zou gaan.

Op de CD La Quinta Essentia uit 2007 van het ensemble stond Ashwells mis al, contrasterend met veel latere missen van de Vlaming Orlando de Lassus en de Italiaan Palestrina:

Maar dat Ashwell, zoals Paul van Nevel schrijft, ‘een begenadigd en vruchtbaar componist is geweest staat gezien de adembenemende kwaliteit van deze mis echter buiten kijf.’ ‘Hier is geen beginnende knoeier aan het werk geweest,’ aldus Van Nevel. Dat ‘adembenemende’ mag dus ook letterlijk worden genomen gezien de eisen die de uitvoering ervan ademtechnisch stelt. En dan zijn er die verbijsterende schijnbare dissonanten waarom de Engelse muziek van die tijd bekend stond, zoal tegen het einde van het Gloria, in de opname door het ensemble bij 5:46, 6:17 en 6:21.

De andere werken in het programma stammen van nog eerder, ook van componisten van wie we het merendeel van het oeuvre niet meer hebben, of die we helemaal niet meer kennen. Zoals het Magnificat van Edmund Sturges (ca.1450 – begin 16e eeuw), een componist over wie nog minder bekend is dan over Ashwell. Wat een Magnificat is dit, 20 minuten ononderbroken ijselijke hoogten, diepe laagten, met een prachtige passage waarin alleen de hoogste treble en de laagste bas tegen elkaar in zingen, dan allerlei andere stemmencombinaties tot aan het vol ensemble.

Het Magnificat van Edmund Turges door The Cardinal’s Musick (wel braver dan het Huelgas):

Als om Erasmus tegemoet te komen liet het ensemble de aan het (Sarum?-)Gregoriaans ontleende liturgische melodie die elke passage inleidden door een solo-tenor zingen, zodat de goede verstaander toch duidelijk kon verstaan waarover de erop volgende passage gaat. Wat anders zodra de polyfonie inzet uit Turges’ complexe klankweefsels en de langgerekte melisma’s (lange notenstrengen op één lettergreep) niet viel op te maken.

Het Sanctus uit de mis via iPad opgenomen tijdens het concert:

Als troost voor het missen van Van Weerbekes Adonai Sanctissime Domini door het ensemble hier een instrumentale versie:

En het Agnus Dei uit zijn Missa Princesse d’Amourettes door het Engelse Cut Circle”

Supreme Englishness, het Huelgas Ensemble onder leiding van Paul van Nevel.
Festival Oude Muziek, 28 augustus, Domkerk Utrecht.

Foto’s © Festival Oude Muziek en Neil van der Linden

 

 

Jongerenorkest verplettert publiek in de muziek van een offerritueel, in het bijzijn van een prinses

Tekst: Neil van der Linden

In het bijzijn van prinses Beatrix speelde het European Union Youth Orchestra afgelopen vrijdag het laatste in een reeks Peace in Europe concerten in het Amsterdams Concertgebouw.

Hoe het komt dat het European Youth Orchestra na de Brexit een stuk speelde van een Britse componist is misschien een raadsel. Maar het Nexus van de Britse (Brits/Guanese) Hanna Kendall was oorspronkelijk geschreven voor het zeventigjarig bestaan van de European Broadcasting Union, de Europese Radio-Unie (de organisatie die al voordat Eurovisie het gebruik kopieerde, bekend werd dankzij het gebruik van Charpentiers Te Deum als openingstune, en die zich verder vooral met sportuitzendingen inliet). Van die organisatie is Groot-Brittannië wél lid gebleven.

In het stuk verweeft Kendall muziek die via de slavernij uit Afrika werd verbreid met citaten uit Beethovens Vijfde Symfonie. Beethovens symfonie, die later symbool werd van de strijd tegen oppressors, ontstond in 1808, het jaar waarin in Groot-Brittannië de slavenhandel werd verboden. Naast atmosferische, dreigende door elkaar lopende orkestrale lagen klinken in Nexus ook speelse elementen. Wat klinkt daar in de slagwerksectie? Niet een telefoon die iemand vergeten was uit te zetten, maar een aantal aan muzikale speeldozen. Het orkest bestaat voor 99% uit witte musici. Maar wel bestaat het voor meer dan de helft uit vrouwelijke leden.

Dirigent Gianandrea Noseda is doorkneed in Rachmaninovs werk. Hij heeft verschillende van diens werken opgenomen, onder meer de prachtige orkestraties van een aantal pianostukken door Ottorino Respighi, die Rachmaninovs vaak opdoemende melancholische somberte in een wat Mediterraner licht wist te plaatsen.

Met zijn eigen Italianita-inbreng is Noseda een gedroomde dirigent om dit orkest vertrouwd te maken met de orkestrale klankrijkdom van Rachmaninovs Rapsodie op een Thema van Paganini, maar ook om de jonge musici veilig te geleiden langs de clichés die hier en daar in het stuk opdoemen. Zoals Rachmaninovs overmatig strooien met het Dies Irae-thema, waarvan Berlioz, Liszt en Saint-Saëns de mogelijkheden al uitputtend hadden toegepast; terwijl Rachmaninov het al negen keer eerder in zijn oeuvre had verwerkt. Toch zit er ook genoeg originaliteit in het stuk, onder meer in de speelse dialogen tussen orkest en piano.

Aanvankelijk had solist Piemontesi moeite om zich boven de kolkende klankmassa van de enthousiast speleden orkestmusici uit te worstelen, maar allengs kreeg het geheel in de handen van orkest en pianist een benodigde lichtheid. Mooi was het om te zien hoe vele orkestmusici genoten van de verrichtingen van de pianist in diens veeleisende partij. Jonge mensen kunnen dat nog gemakkelijk zichtbaar opbrengen. Na een ultiem virtuoze cadens en coda waarin Piemonesi en Noseda nog even vermoedelijk in Italiaans nog wat nuttige oogsignalen uitwisselden om het orkest precies op het juiste moment te laten invallen eindigde het geheel in een spetterende finale.

Dat de uitvoering van een stuk nog tijdens een concert groeit aan wasdom heeft te maken met het feit dat zo’n gelegenheidsorkest geen routine heeft om op terug te vallen. Dat betekent dat er per stuk wat opwarmtijd nodig is, maar het betekent ook dat het orkest zich niet van routinetrucs kan bedienen. En omdat dít orkest wel uit de best denkbare musici is samengesteld kon tegelijkertijd het mooiste van het mooiste ontstaan.

Dat bleek ook in de Sacre. De opening is overigens sowieso deels solistisch voor verschillende houtblaasinstrumenten geschreven. Maar zodra de strijkers dan inzetten met hun pompende ritmes begint her orkest als geheel te koken.

De versies van Strawinsky’s Sacre op CD die de laatste jaren het meest indruk op mij maakte was die met het Venezuelaane Simon Bolivar Youth Orchestra onder Gustavo Dudamel. De energie van jonge mensen die er even lekker ritmisch tegen aan mochten gaan, daar in dat verre continent, ver weg van gruwelijke Russische rituelen die in de Sacre worden verbeeld, maar die ook een universele mythologie representeren, was verpletterend.

Sacre en andere werken door het Simon Bolivar Youth Orchestra met Gustavo Dudamel:

Net als bij het European Youth Orchestra is het interessant te bedenken dat Le Sacre gaat over een jonge vrouw van dezelfde leeftijd als de orkestleden die wordt aangewezen om te worden geofferd. Ik zou mij kunnen voorstellen dat dit een extra aangrijpingspunt voor identificatie met de muziek oplevert. In elk geval zinderde en denderde dat het een aard had. Het hele orkest onder aanvoering van concertmeester Paula Sanz Alasà zat of stond eigenlijk voortdurend te swingen.

Aan het eind was het geen orkest meer, maar een gierende en toeterende hogesnelheidstrein, die, overeenkomstig de partituur, af en toe een geslaagde noodstop maakte, om daarna op dubbele snelheid weer voort te spoeden. Tijd, ruimte en mensenkluwen versmolten tot een geheel, om het maar eens expressionistisch te zeggen. Ik heb het eind van de Sacre nog nooit zo gehoord. En de dirigent hoefde bijna niets meer te doen, zo leek het. Rauwheid, gepresenteerd met laserprecisie. Dan kun je het je permitteren om tijdens het spelen alle kanten op bewegen.

Prinses Beatrix was er dus ook. Hoewel ze zich altijd als kunstminnend heeft geprofileerd, vroeg ik me op gegeven moment toch af hoe zij dit heftige stuk onderging. Ik herinner mij de uitvoering onder Solit bij het Concertgebouworkest, toen een donderdagavondpubliek-Oud Zuid echtpaar achter mij elkaar toefluisterde dat het toch wel erg moderne muziek was. Maar ik kan mij niet anders voorstellen dat ook zij deze avond werd overweldig.

En het orkest speelde een aantal toegiften, als eerste een serenade van de Oekraïense componist Valentin Silvestrov.

Gezien: Peace in Europe Concert
European Union Youth Orchestra
Gianandrea Noseda dirigent
Francesco Piemontesi piano

Programma:
Hannah Kendall Nexus (2020)Sergei Rachmaninov Rapsodie op een Thema van Paganini Op. 43 (1934)
Igor Strawinsky Le Sacre du printemps (1911-13)26 augustus 2022 Het Concertgebouw – Amsterdam

Een onovertroffen uitleg van de Sacre door Bernstein, zo’n beetje vanaf 30 minuten na uitleg over Les Noces:

Noseda met onder meer Respighi’s bewerkingen van Rachmaninov:

Hierboven clip van nog een toegift

Foto’s bij het artikel © Neil van der Linden

Krzysztof Warlikowski in De Munt: Médée

Tekst: Peter Franken

In 2011 zag ik de reprise van de prachtige productie van Krzysztof Warlikowski voor De Munt met een fenomenale Médée van Nadja Michael. Tien jaar later bekeek ik een opname van de voorstelling die op dvd is uitgebracht.

Muzikaal is deze de minste van de vijf Medea’s die ik in het theater heb gezien en vooral gehoord. Maar theatraal staat hij bovenaan. Het is mogelijk dat de kwaliteit van de opname hier ook meespeelt. Op de opname is het orkest, Les Talens Lyriques onder leiding van Christophe Rousset, aanvankelijk nauwelijks hoorbaar, niet meer dan wat zacht amorf geluid. Pas in de derde akte komt het goed tot zijn recht en is ook duidelijk het gebruik van periode instrumenten waarneembaar.

De zangers zijn allemaal uitgerust met een microfoontje om de gesproken teksten duidelijk hoorbaar te maken. Die dialogen zijn overigens heel kort gehouden en nieuw geschreven in eigentijdse taal, heel effectief.

Het toneelbeeld komt zoals gebruikelijk bij Warlikowski voor rekening van Malgorzata Szczesniak. Over de gehele breedte wordt gespeeld, links en rechts zijn ‘muren’ terwijl de achterwand bestaat uit afhangende spiegelende kunststof panelen.

Erachter is echter ook nog een flink stuk van het toneel wat zichtbaar wordt zodra men het verlicht. De wand blijkt half lichtdoorlatend te zijn. De huwelijksscène van Iason en Dircé speelt zich daar af, treffend genoeg met een katholieke priester die de ceremonie voltrekt.

Links op het toneel staat het enige echte rekwisiet, een ladenkastje dat zowel door Dircé als Médée wordt gebruikt als persoonlijk territorium. Verder alleen een paar klapstoelen.

Médée komt onopvallend via een zijdeurtje het podium op en gaat op zo’n stoeltje zitten. We hebben dan al geruime tijd meebeleefd hoezeer Dircé aan twijfels ten prooi is. Wie zegt dat Iason niet ook haar zal verlaten na enige tijd, wat is er precies met Médée gebeurd, ze voelt haar aanwezigheid in haar lijf en dat maakt haar bang.

De twee bruidsmeisjes, uitgemonsterd als look alikes van de zus van Kate Middleton tijden haar huwelijk met William, hebben hun handen er vol aan om Dircé zover te krijgen dat ze zich tenminste laat kleden voor de ceremonie. En dan zit Médée daar plotseling, Dircé’s vleesgeworden nachtmerrie.

Médée verschijnt als Amy Winehouse look alike, in een glimmend zwarte plastic jas en enorm hoog opgetast en lang afhangend zwart haar, uiteraard een pruik.  Ze neemt onmiddellijk het gehele toneel in bezit, zonder van haar plaats te komen. Creon bijt zijn aanstaande schoonzoon toe dat hij dit probleem snel moet ‘oplossen’ en het gehele Corinthische hof trekt zich terug achter de spiegelwand.

Médée begint haar strijd om Iason voor zich terug te winnen. Als eerste trekt ze die jas uit waaronder ze een vergelijkbare nauwsluitende mouwloze jurk draagt die duidelijk een aantal tatoeages op de armen laat zien. Als vrouw is Dircé geen partij voor dit oermens dat door roeien en ruiten gaat om haar doel te bereiken.

Iason is dan ook niet lang tegen haar opgewassen en hoewel de tekst na Iasons afwijzing vooral bestaat uit dreigementen over en weer ligt het voormalige koppel aan het einde van de scène rollebollend op het toneel. Voor het daadwerkelijk tot seks komt herpakt Iason zich echter en loopt weg, maar ‘opgelost’ is er niets.

Médée ontdoet zich van haar ‘oorlogskostuum’: pruik af, jurk uit. Nu is ze donkerblond en gekleed in een zwart onderjurkje, nerveus rondlopend op het toneel ten prooi aan vertwijfeling. Deze afloop was vermoedelijk iets waar ze helemaal geen rekening mee had gehouden. De toeschouwer kiest als vanzelf haar kant, temeer daar dat huwelijk met Dircé niet meer is dan een manier voor Iason om een nieuw thuis en veilige omgeving voor zichzelf en zijn zonen te regelen. Liefde, laat staan hartstocht en begeerte, komt er niet aan te pas.

Warlikowski heeft dit nog eens extra aangezet door die twee zoontjes, jongens van een jaar of tien, als figuranten op te voeren. Ze lopen voortdurend rond en gedragen zich afwisselend gezeglijk en balorig. Van Dircé moeten ze niets hebben en als hun moeder plotseling opduikt omhelzen ze haar, om direct weggetrokken te worden door Creon die problemen voorziet.

Verder bewerkt Warlikowski het publiek met amateur filmbeelden van trouwerijen, gelukkige familietafereeltjes en blije kinderen in schooluniform. En ter completering zijn er op dode momenten tussen scènes flarden populaire muziek te horen met een romantische inslag zoals ‘Oh Carol’ van de Neil Sedaka en in de pauze ‘Eloise’ van Barry Ryan.

Médée weet Creon zover te krijgen dat ze nog heel even mag blijven en Iason laat toe dat ze haar zonen te zien krijgt. Maar inmiddels draait haar brein op volle toeren om Iason zijn verraad betaald te zetten. Oprecht smeken en bidden heeft geen effect gehad, hij verstoot haar opnieuw. Dan de beuk erin, wraak is het enige dat Médée nog rest.

Eerst stuurt ze die jongens met een vergiftigde jurk naar Dircé, die vrouw moet dood. Op het toneel zien we haar met twee poppen, bruid en bruidegom aan het werk in een soort voodoo ritueel. Maar haar geest slaat op hol, Iason is zo nog niet genoeg getroffen, zijn bloed moet vloeien, niet van hemzelf perse maar dat van zijn zonen.

In de derde akte voltrekt zich het ultieme drama. Circé sterft doordat haar jurk in vlammen opgaat en Médée doodt haar twee zonen buiten beeld terwijl Iason zich vertwijfeld afvraagt waar ze zijn. Ze komt het toneel weer op met een grote bobbel onder haar kleren. Tot op het laatst blijf je hopen dat het maar schijn is totdat ze de bebloede pyjama’s van die jongens onder haar jurk vandaan begint te halen, ze netjes opvouwt en in een la van dat kastje legt. De ultieme wraak is geschied, haar reputatie als moordenaar en psychopaat bevestigd.

Hoewel ik Nadja Michael in de eerste twee aktes niet bijzonder goed vind zingen, pas in de derde komt ze volledig los, is haar totale presentatie zo overweldigend dat dit nauwelijks een rol speelt. Zij is Médée, van de eerste tot de laatste minuut en beheerst de voorstelling.

De goed zingende Hendrickje van Kerckhove (Dircé), Kurt Streit (Iason) en Vincent le Texier (Creon) zijn feitelijk slechts figuranten. En daarmee heeft Michael voor zichzelf een memento gecreëerd.

Trailer

Foto’s van de productie: © Maarten Vanden Abeele

Isabel Leonard brengt een filmster look naar de opera. Amerikaanse. Amerikaanse opera’s, deel 7: Marnie van Nico Muhly

Tekst: Peter Franken

Deze opera van Nico Muhly ging in 2017 in première en was in 2018 te zien vanuit de Met, Live in HD.  Het libretto van Nicholas Wright is gebaseerd op de roman Marnie van Winston Graham maar het verhaal is vooral bekend door de gelijknamige film die Alfred Hitchcock er in 1964 van maakte.

Marnie is het verhaal van een aantrekkelijke jonge vrouw die voortdurend een andere identiteit aanneemt, steeds met de initialen MH. Bij aanvang leren we haar kennen als Mary Holland, ondanks haar keurige kleding een wat onopvallende kantoorbediende met opgetrokken schouders. Als haar baas Strutt haar een hand geeft en een lift aanbiedt is dat voor haar het signaal dat Mary Holland dringend dient te verdwijnen.

Ze wacht tot iedereen is vertrokken en rooft vervolgens de brandkast leeg. Tegelijkertijd is te zien hoe ze zich opricht, plotseling kracht, vitaliteit en bovenal zelfverzekerdheid uitstralend. Terwijl Marnie in een monoloog nadenkt welke identiteit ze nu weer zal aannemen, wordt ze omringd door een viertal look alikes. Dit kwartet symboliseert haar eerdere personages en zal de rest van de avond op sleutelmomenten Marnie’s handelingen van commentaar voorzien.

Behalve het vrouwenkwartet wordt Marnie ook regelmatig gevolgd door een groepje mannen, voor het eerst in beeld bij de diefstal van Strutt’s geld, de lonen voor komende week. Zij staan voor de wijze waarop zij zich door mannen bekeken en bedreigd voelt, altijd en overal. Marnie lijdt duidelijk aan een verschillende gedragsstoornissen, te weten kleptomanie en alles overheersende afkeer van mannen. En misschien nog wel meer.

De feitelijke actie begint als Marnie een nieuwe baan krijgt op het kantoor van een grote drukkerij. Haar nieuwe baas is de jonge weduwnaar Mark Rutland, een klant van Strutt die doet alsof hij haar niet heeft herkend en zwijgt over het feit dat ze zich onder een andere naam presenteert en van brunette in blondine is veranderd. Rutland vermoedt dat zij achter de beroving van Strutt zit, maar wordt door haar geïntrigeerd en wil meer over die geheimzinnige vrouw te weten komen.

Tal van verwikkelingen volgen waarin Marks broer Terry, Marks moeder, Marnie’s moeder en een aantal bijfiguren een grotere rol spelen dan noodzakelijk. Op dit punt is Hitchcock aanmerkelijk economischer omgegaan met het beschikbare materiaal. Waar het op uitdraait is dat Mark Marnie probeert te kussen wat voor haar het signaal is om de benen te nemen. Als ze voor haar vertrek gewoontegetrouw eerst de brandkast leeg wil halen, wordt ze door Mark betrapt. Hij stond gewoon op haar te wachten.

Het zelfbewust ogende ijskonijn Marnie is nu plots afhankelijk geworden van een man, haar grootste angst. Hij chanteert haar met de dreiging naar de politie te gaan tenzij ze met hem trouwt. Marnie stemt toe maar zegt tegen zichzelf dat hij haar nooit en te nimmer zal aanraken. Na een paar dagen die houding getolereerd te hebben probeert Mark haar op hun huwelijksreis te verkrachten. Ze kan zich aan hem ontworstelen en probeert zelfmoord te plegen.

In een scène bij de psychiater wordt duidelijk waarin de oorzaak van Marnie’s psychische problemen gezocht moet worden. Ze heeft haar pas geboren broertje gedood door hem stil te houden onder een kussen. Haar moeder ontving op dat moment een soldaat om de kost te verdienen. Als vervolgens haar enige grote liefde, het paard Forio, na een ongeluk moet worden afgemaakt, begint Marnie’s onttakeling.

Marnie rouwt om haar paard:

Mark heeft haar in zijn macht en zij begint langzaamaan haar afkeer voor hem te verliezen. Het is een mooi voorbeeld van het Stockholm Syndroom. In de slotscène wordt duidelijk dat niet Marnie maar haar moeder de baby heeft laten stikken. Tegelijkertijd wordt ze gearresteerd voor de serie berovingen die ze heeft gepleegd. Plotseling verlost van de schuld waar ze jarenlang onterecht onder gebukt ging, zegt ze, met geboeide handen: ‘eindelijk vrij’.

Regisseur Michael Mayer en zijn team hebben van dit nieuwe werk een zeer geslaagde productie weten te maken. De wisselende locaties en situaties worden met relatief eenvoudige middelen zeer aanschouwelijk gemaakt en zien er erg verzorgd uit. De meeste aandacht lijkt echter te zijn uitgegaan naar Marnie’s kleding, ontworpen door Arianne Philips. Gedurende de voorstelling wisselt zij vrijwel bij voortduring van kostuum, en wat het ook is, het ziet er prachtig uit. Nu is de beeldschone Isabel Leonard ook wel bij uitstek geschikt om al die jurken en pakjes met flair te dragen. Het lijkt bij vlagen bijna alsof de opera speciaal voor haar is gemaakt.

Het orkest speelt in Muhly’s werk slechts zo nu en dan een nadrukkelijke rol, veelal is het vrij onopvallende begeleiding. Maar als hij eens uitpakt, met vol orkest of juist met intieme soli, dan komt het orkest echt tot leven. De door hem gecomponeerde zanglijnen blijven binnen een beperkt bereik, weinig uitschieters naar boven en zeker niet naar beneden.

De rol van Terry is zelfs toebedeeld aan een countertenor. Iestyn Davies wist in deze rol veel aandacht voor zich op te eisen.

Bariton Christoper Maltman gaf uitstekend invulling aan de partij van Mark Rutland. Je moet wel het filmpersonage Sean Connery uit je hoofd zetten om hem als acteur een faire beoordeling te geven, maar ook op dat punt wist hij zich goed staande te houden. Dat de filmbeelden zich kunnen opdringen wordt uitgelokt door Marnie te presenteren als het evenbeeld van Tippi Hedren, de laatste uit de serie koele ‘Hitchcock blondes’. Ze kwam na afloop van de première ook nog even op het toneel om zich te laten fêteren.

Isabel Leonard kon die vergelijking gemakkelijk aan. Ze brengt een filmster look naar de opera en kan niet alleen heel goed zingen maar ook nog eens fantastisch acteren. Met name door de close ups is goed te zien wat ze allemaal kan met haar gezicht.

Als Terry zich fysiek aan haar opdringt laten haar lichaamstaal en de viscerale afkeer in haar gelaatsuitdrukking niets aan de fantasie over. Marnie is een grote rol en Leonard stond dan ook bijna voortdurend op het toneel. En als ze er stond, ging alle aandacht naar haar uit, ‘she owned the stage’.

Dirigent Robert Spano debuteerde voor het orkest van de Metropolitan Opera. Hij kan tevreden terugkijken op een geslaagde avond. Goed optreden ook van het koor met uitgekiende choreografie van Lynne Page. Een geslaagde productie van een nieuw werk, dat is een goed begin. Maar zoals zo vaak zullen we ook hier af moeten wachten of het stuk zich een plek binnen het repertoire zal weten te verwerven.

Muhly over Marnie:

trailer van de opera:

trailer van de film:

Foto’s van de productie © Ken Howard | Metropolitan Opera

Wraak maakt meer kapot dan je lief is. In deel zes van de cyclus Amerikaanse opera’s: Moby-Dick

Tekst Peter Franken

Deze opera van Jake Heggie ging in 2010 in première in Dallas. Het libretto van Gene Scheer is gebaseerd op de gelijknamige roman van Herman Melville uit 1851. Het is het verhaal van walvisvaarder kapitein Ahab die helemaal bezeten is van een White Whale, een overmaatse witte potvis die hem ooit zijn linkerbeen heeft afgebeten. Het beest heeft zelfs een naam: Moby Dick.

Jack Heggie over zijn compositie :

Ahab is al sinds zijn achttiende op zee en van de 40 jaar erna is hij hooguit 3 jaar aan wal geweest, in Nantucket. Zijn enige nog resterende doel in het leven is wraak te nemen op Moby Dick en daaraan wordt alles ondergeschikt gemaakt, met inbegrip van het behoud van zijn schip en het leven van de bemanning.

De opera begint als Ahab net opnieuw is uitgevaren maar zich al een week lang niet aan dek heeft vertoond. Plotseling komt hij echter tevoorschijn en de mannen krijgen zijn credo te horen: Moby Dick moet worden gevonden en gedood, op andere walvissen jagen is op deze tocht niet aan de orde.

Merkwaardig genoeg krijgt hij iedereen zover dat ze plechtige beloven hem daarin te volgen, wat er ook gebeurt. Alleen de stuurman Starbuck vindt het maar niks en probeert Ahab van zijn dwangneurose af te helpen. Die walvis is een dier dat agressief wordt als hij wordt belaagd, dat is zijn instinct. Hij is een wezen zonder rede, vergelijkbaar met een natuurverschijnsel zoals storm of droogte. Daar kan een mens toch niet tegen vechten alsof het een persoonlijke vijand is. Ahab denkt daar anders over: ‘zelfs als de zon mij zou beledigen zou ik die proberen een klap te verkopen’. Verder stelt hij dat er maar één god is en dus ook maar één kapitein op de walvisvaarder Pequod.

Dat iedereen aan boord hierin meegaat is opmerkelijk, het duidt op overdracht van het vermogen zelf te kunnen denken ook al kost het je het leven. Vandaag de dag zou Ahab al na een paar weken aan de mast zijn vastgebonden maar hier blijft hij maar liefst 15 maanden heer en meester. Alleen Starbuck probeert hem een keer op indringende wijze van gedachte te doen veranderen. We moeten walvissen vangen, dat is ons beroep en genereert ons inkomen. We zijn niet uitgevaren om een oude man zijn waanidee te laten uitleven. Hij krijgt een geweer op zich gericht en wordt ternauwernood gered door plotselinge commotie bovendeks.

Als het schip uiteindelijk weer de thuishaven begint te naderen komt het tot een confrontatie met Moby Dick waarbij de Pequod vergaat en alle opvarenden de dood vinden op de nieuwkomer Greenhorn na die aanspoelt op de doodskist die alvast voor zijn stervende vriend Queequeg was gemaakt. De strijd van de mens tegen de elementen is in het nadeel van eerstgenoemde beslecht.

Stephen Costello over zij rol als Greenhorn:


Er gebeurt niet erg veel aan boord. Slechts eenmaal laat Ahab zich overhalen op een gewone walvis te jagen waarbij zijn cabinboy Pip te water raakt maar uiteindelijk door Queequeg kan worden gered. Verder is er de confrontatie van Ahab met Starbuck. Die komt later terug en vindt zijn meerdere in slaap, het geweer staat er nog. Hij bedenkt dat Ahab op het punt stond hem in koelen bloede dood te schieten omdat hij zijn obsessie niet wenste te delen.

Moreel heeft hij misschien bijna wel het recht Ahab te doden en daarmee zijn leven en dat van de rest van de bemanning te redden. Want Starbuck voorvoelt dat deze reis nooit goed kan aflopen. Als overtuigd christen kan hij zich er uiteindelijk niet toe brengen die moord te plegen. De kapitein is god aan boord, in meer algemene termen: Ahab is de absolute leider, om geen ander woord te gebruiken.

Een groot deel van de tijd spreken bepaalde koppels met elkaar, een aaneenschakeling van lichte en zwaardere religieus filosofische beschouwingen. Vrij simpel zijn de gesprekken van Greenhorn en de kosmopolitische Queequeg die beweert een prins te zijn afkomstig van een eiland heel ver weg. Hij is overdekt met tatoeages om zijn status als buitenstaander te benadrukken.

Jonathan Lemalu over zijn rol als Queequeg

Pip is een Hosenrolle en zodoende de enige vrouw in de cast. Comic relief komt er vooral van de mannen Stubb en Flask die overal de humor van blijven inzien. De zwaardere teksten komen voor rekening van de dialogen tussen Ahab en Starbuck en van hun lange monologen. Starbuck is the voice of reason die het moet afleggen tegen de manie van Ahab die geen ander doel meer in zijn leven heeft dan zich te wreken op een dier.

Muzikaal is dit werk uitermate toegankelijk, te vergelijken met vroeg werk van Britten en een vleugje Bernstein. Als Ahab aan het woord is klinkt de muziek nogal zwaar en dreigend, veel strijkersgeweld in de contrabassen. Koper speelt nauwelijks en rol. Bepaalde lyrische momenten hebben wat Schmaltz zoals in filmmuziek en de monoloog van Starbuck bij de slapende Ahab doet in de verte denken aan Puccini.

Van een voorstelling in 2011 van de productie die Leonard Foglia maakte voor San Francisco Opera is een dvd uitgebracht. De cast is uitstekend, aangevoerd door Jay Hunter Morris in de titelrol. Morris werd op slag wereldberoemd door zijn optreden als Siegfried in de Lepage Ring uit de Met in 2011 en 2012. Zijn directe tegenspeler Starbuck komt voor rekening van Morgan Smith. Deze twee zangers bepalen samen het succes van de voorstelling, fantastisch gedaan.

In de overige rollen zien we Stephen Costello als Greenhorn, de enige die de reis zal overleven. Verder Talise Trevigne als een mooi jongensachtige Pip en Jonathan Lemalu als de ondoorgrondelijke Queequeg.

Talise Trevigne over haar rol als Pip:

De decors zijn fenomenaal vormgegeven, zodanig dat er een compleet schip voor de ogen van de toeschouwer getoond lijkt te worden terwijl het in werkelijkheid vooral masten, kabels en zeilen zijn. Verder wordt gebruik gemaakt van computeranimaties om de sloepen in beeld te brengen waarin de mannen op walvisjacht gaan. Projecties van storm op zee of een passerend schip dat om hulp roept completeren het geheel.

Het orkest van de San Francisco Opera staat onder leiding van Patrick Summers

Trailer uit San Francisco:


‘The American dream’ in suburbia: Bernsteins A quiet place

Tekst: Peter Franken

Opera Zuid bracht in het Leonard Bernstein Centennial Year een nieuwe productie van deze kameropera uit 1986. De voorstelling was meeslepend, vol vaak rauwe emoties en schitterend geënsceneerd. Goed beschouwd is A Quiet Place een stuk over ‘the American dream’ in suburbia. De film Pleasantville uit 1998 geeft hiervan een heel integer beeld. Meestal overheerst echter de schone schijn, zoals dat lekker zwaar aangezet wordt in een tv-show als Happy Days. Dat het onder de oppervlakte meer weghad van een sociaal labyrint, heeft John Updike later geschetst in zijn roman Couples.

Het o zo fantastische leven in een slaapstad wordt in de opera bezongen door een jazztrio dat op de meest onverwachte momenten opduikt, van onder het aanrecht, van achter een zijmuur of van uit de kelder in het kleine witte huisje waar de hoofdpersonen Sam en Dinah hun door Life Magazine vereeuwigde idylle beleven, compleet met chlorofyl tandpasta. Who wants more? Het zijn de naoorlogse jaren onder de presidenten Truman en Eisenhower, toen in Nederland ‘geluk nog heel gewoon was’.

In werkelijkheid maken Sam en Dinah alleen maar ruzie. Ze zijn na tien jaar huwelijk zozeer van elkaar vervreemd dat ze beiden veinzen een lunchafspraak met een ander te hebben als ze elkaar toevallig in de stad treffen. Zij komt van een bezoekje aan haar psychiater, hij is even weg van kantoor. Eigenlijk moeten ze allebei die middag naar een toneelstukje op de school van hun zoontje Junior, die daarin een belangrijke rol speelt. Maar Sam geeft de voorkeur aan de finale van een handbaltoernooi en Dinah gaat naar een film. .

Dit deel van de opera is overgenomen uit Bernsteins eenakter Trouble in Tahiti uit 1951. Het brengt Sams herinneringen tot leven in de dagen die volgen op de begrafenis van Dinah, die omgekomen is bij een auto-ongeluk. De titel refereert aan de film die Dinah die middag van Juniors toneelstuk heeft gezien. Een escapistisch geheel, dat door haar uitgebreid wordt verteld. De kernscène ‘Island Magic’ laat Bernstein klinken als een parodie op de populaire musical South Pacific.

Dinahs begrafenis is de aanleiding voor het samenkomen van de leden van het volledig ontwrichte gezin. Sam en Dinah zijn ondanks alles zo’n veertig jaar bij elkaar gebleven. Junior is naar Canada geëmigreerd om de dienstplicht te ontlopen tijdens de Vietnam-oorlog. Zijn jongere zus Dede is hem later nagereisd en getrouwd met Juniors homofiele partner François, zodat ze de aan een psychose lijdende Junior samen kunnen beschermen.

De emoties lopen hoog op. Ze zijn vaak nogal rauw. Verwijten vliegen over en weer, trauma’s komen naar boven. Junior heeft een dwangneurose die hem voortdurend alles laat rijmen en in twee grote bluesnummers (een soort rap avant la lettre) veegt hij de vloer aan met zijn vader en later ook met het beeld dat François heeft van de relatie die hij ooit met zijn jonge zusje had. De als Junior uitblinkende bariton Michael Wilmering gaf het alles wat hij had, waardoor deze topnummers in volle glorie over het voetlicht kwamen.

Het stuk komt wat traag op gang doordat de openingsscène in het uitvaartcentrum nogal veel bijfiguren kent, die allemaal hun zegje moeten doen. Hier hadden Wadsworth en Bernstein zich nog wat meer mogen beperken. Zodra Sams gezin centraal komt te staan, krijgt de handeling veel vaart en die blijft er tot het einde in, als na een kortstondige verzoening er door een kleinigheid toch weer een knetterende ruzie ontstaat, vooral door toedoen van Junior, die in een vlaag van razernij het losbladige dagboek van zijn moeder de lucht ingooit. Vrij snel keert de rust echter terug, omdat iedereen beseft dat het zo niet kan blijven gaan. Men moet proberen tot elkaar te komen. Het is het einde van de opera: all is quiet in het witte huisje van Sam en Dinah, de ‘quiet place’ uit de titel.

Orpha Phelan (regie) en Madeleine Boyd (scenografie & kostuums) hebben gekozen voor een eenheidsdecor waarin door middel van minimale wijzigingen een wisseling van plaats en tijd aanschouwelijk wordt gemaakt. Het werkt wonderwel, een mooi voorbeeld van hoe je met relatief beperkte middelen heel effectief te werk kunt gaan. Alles ziet er doordacht uit, de toeschouwer kan zich probleemloos verplaatsen in elke scènewisseling. Matthew Haskins heeft gezorgd voor een uitgekiende belichting en Lauren Poulton voor een fraai uitgewerkte choreografie. Hoe iedereen beweegt, mag gerust voorbeeldig worden genoemd.

Het jazztrio bestaande uit Veerle Sanders, Jeroen de Vaal en Rick Zwart (mezzo, tenor, bariton) wordt ook ingezet ter ondersteuning van de handeling. Zo houden de mannen een handdoek voor Young Sam, die zich uitkleedt terwijl hij in een opblaasbadje staat, nadat hij met zijn team de finale van de handbalwedstijd heeft gewonnen. Terwijl hij zingt over mannen die geboren zijn als winnaars, waar anderen gedoemd zijn hun hele leven verliezers te blijven, gebruikt hij beide mannen als kapstok, waarbij Veerle hem een douchebad geeft met behulp van een tuingieter. Om het tijdsbeeld nog eens extra kleur te geven, mag Veerle zich helemaal uitleven in een dansnummer gestoken in een Playboy Bunny-kostuum.

Het trio vormde een geweldige ondersteuning voor de handeling. Enerzijds zorgde het voor comic relief, anderzijds leverde het ironisch commentaar op het gebeuren. En steeds uitstekend gezongen en met perfect uitgevoerde bewegingen. De ménage à trois bestaande uit Junior, Dede en hun beider partner François leverde een topprestatie. Zowel de moeilijk te zingen delen – meer praten – als de lyrische momenten kwamen uitstekend uit de verf.

Dede werd fraai geportretteerd door sopraan Lisa Mostin, onzeker, kwetsbaar, maar ook blij haar vader eindelijk weer te zien, al was het dan bij de kist van haar moeder. ‘I’m so pleased we’ve met’ zingt ze haar vader toe, alsof hij nieuw voor haar is. In de tuin zingt ze aandoenlijk over de verwildering, alsof Dinah haar einde had zien aankomen en maar vast was gestopt met dat eindeloze onkruid wieden.

Tenor Enrico Casari gaf herkenbaar uitbeelding aan de relatieve buitenstaander die zijn schoonvader voor het eerst ziet en verzeild raakt in een situatie waarin hij Junior er niet van kan weerhouden Dinahs begrafenis op stelten te zetten.

Old Sam was in handen van de zeer ervaren bas-bariton Huub Claessens, die zijn reputatie alle eer aandeed. Zijn jongere tegenhanger werd vertolkt door bariton Sebastià Peris, die deze rol ook al zong in Trouble in Tahiti tijdens het Opera Forward festival van De Nationale Opera (DNO). Goed gezongen en prima geacteerd – een onprettige persoon, die Young Sam.

Sopraan Turiya Haudenhuyse gaf gestalte aan Dinah. Ze zong net als Peris die rol ook bij DNO. Haudenhuyse gaf een mooie vertolking van een ‘desperate housewife’ jarenvijftig stijl, vaste klant bij een ‘shrink’ en haar frustraties wegschrijvend in een dagboek.

Mede doordat het stuk een gebroken ontstaansgeschiedenis heeft, treden er nogal wat verschillen in het muzikale idioom op. Wat terug gaat op Trouble in Tahiti is jazzy, vaak melodieus, zoals in Candide en West Side Story. Ook de instrumentatie doet geregeld sterk aan Bernsteins grootste succesnummer denken. De mantel die eromheen is gelegd waardoor A Quiet Place is ontstaan, is dertig jaar later stand gekomen en dat is goed te horen. Toch ook hier herkenbaar idioom en jazzy momenten.

Dirigent Karel Deseure wist dit muzikale palet volop kleur te geven. Hij gaf uitstekend leiding aan de prachtig spelende philharmonie zuidnederland. Behind the scenes

Behind the scenes

Trailer

foto’s van de productie © Joost Milde

TROUBLE IN TAHITI: film van Tom Cairns

Dirigent valt met groot succes in bij eigen orkest

Tekst: Neil van der Linden

Antony Hermus viel in Nederland al jaren op door de resultaten die hij behaalde met het Noord-Nederlands orkest, inclusief het grootschalige repertoire. Maar in de Randstad viel hij een beetje uit de boot. Vanaf het aankomende seizoen is hij chef bij het Brusselse Belgisch Nationaal Orkest.

Hopelijk blijft hij in Brussel ook minder gangbaar repertoire dirigeren, zoals voor het label CPO opnamen met Duitse (!) orkesten van muziek van Diepenbrock en Wagenaar en met Duitse en Zweedse orkesten van de ook in Duitsland gemarginaliseerde componist Hausegger. Maar bij het Noord-Nederlands Orkest was hij ook uitstekend in het grootschalige bekendere repertoire, tot en met Mahler.

Doordat Hermus’ voorganger in Brussel plotseling afzegde kon/moest Hermus vervroegd aantreden, sterker nog, hij had twee dagen om voor een concert in Brussel in te vallen en vier om voor dit concert in Amsterdam, met telkens verschillend repertoire, waaronder in Brussel een nieuw geschreven werk. In Amsterdam bracht hij het er in elk geval uitstekend van af. En ik kan mij voorstellen dat dat ook in Brussel het geval was, ondanks het nieuwe werk. 

Eerst over het orkest maar. Alles klinkt mooier in het Concertgebouw, is de leuze. Het Brussels hout, dat beide eerste twee werken van de avond opende, klinkt in elk geval mooi. Het hele orkest blijkt zich er akoestisch prima thuis te voelen. België was een tijd lang een land met één, twee fantastisch operahuizen, maar orkestraal timmerde het niet erg aan de weg. Daar is de afgelopen jaren verandering in gekomen. En ze vergeten ook niet het rijke eigen repertoire, uit de Romantiek (waaronder Franck – die eigenlijk geboren werd toen België nog onder Nederland viel – tot en met Lekeu) en nieuw werk.

Vanavond staat wat solider repertoire op de lessenaar, dat overigens niet door Hermus gekozen zou zijn als hij niet had moeten invallen. Ik zou wel ook heel benieuwd zijn geweest naar de uitvoering twee dagen eerder van Korngolds vioolconcert in het Brusselse concert.

De uitvoeringen waren er hoe dan ook niet minder om. Het waren allemaal relatieve jeugdwerken. Van Tsjaikovski’s symfonische gedicht Romeo en Julia, verscheen in 1870, toen de componist nog geen dertig was. Maar hij sleutelde er nog tien jaar aan. Het werd hier gespeeld in de derde versie uit 1880. Het werk kreeg de juiste luciditeit mee, die de Tsjaikovski’s ontroerende weergave van Shakespeares liefdesdrama verhelderde, maar ook iets van de worsteling met de muzikale materie liet horen, en van de twijfels die de componist moet hebben gehad over zijn seksuele identiteit.

Het stuk stamt uit de periode  waarin zijn eigen huwelijk met Antonia Millikova en het mislukken daarvan plaats vonden. Het orkest verklankte dit alles prachtig coherent en Hermus leidde het met vurige energie door de verschillende lagen van de partituur heen. De intensiteit deed een toehoorder in de stoel vóór mij tegen de persoon naast hem devoot op het juiste moment in de partituur fluisteren ‘En nu zijn ze dood!’.

Liszt voltooide de eerste versie van zijn Tweede Pianoconcert toen hij 28 was, maar bracht nog twaalf jaar wijzigingen aan, en ook toen nog liet hij het bijvoorbeeld niet graag door leerlingen spelen. Ik vind Liszts beide pianoconcerten wat lomp, en misschien vindt Hermus dat ook, althans tijdens een praatje tijdens het installeren van het klavier wees hij op de eigenlijk enigszins banale mars die in de laatste kwart van het Tweede Pianoconcert opduikt.

Het is eigenlijk meer een symfonisch gedicht (Liszt zelf had het over een concerto symphonique), met een virtuoze pianopartij. En dat laatste was natuurlijk in vertrouwde handen bij de solist Alexandre Kantorow. Dit is nu al de tweede keer in korte tijd dat het Concertgebouw me een plaats gaf vanwaar ik goed van schuin-achter onder de handen van de pianist kon kijken, en bijvoorbeeld Kantorow in de soms bijkans laag grommende pianopartij in de weer kon zien. Je zou je kunnen indenken wat het resultaat zou zijn geweest al Liszt zich bij zijn leest had gehouden en dit werk als een stuk voor piano solo had geconcipieerd, met alle op zichzelf uitermate fraaie passage in de lagere registers van het instrument (‘concert voor twee linkerhanden’).

De kwalificatie van Kantorow als ‘reincarnatie van Liszt’ schijnt verzonnen te zijn door Fanfare Magazine (nomen est omen) en ik kan mij voorstellen dat Kantorow die benaming onderhand alleen maar als last ervaart. Misschien is het ook daarom dat hij nu een on-Lisztiaanse drie-dagen-niet-geschoren baard laat staan.

Na afloop in een gesprek met publiek vertelden de twee over hun in anderhalve dag gegroeide samenwerking. Het is een concert waarin de pianist ook vaak de leiding moet nemen, en het orkest er razendsnel aan moet lopen. Ook in moeilijke passages leidde Hermus het orkest schijnbaar moeiteloos door de gevarenzones heen.

Zoals ik tijdens dit Tweede Pianoconcert moet denken hoe het zou zijn geworden als Liszt er een solo pianostuk van had gemaakt, vroeg ik me onwillekeurig ook af wat er zou zijn gebeurd als hij het materiaal als in zijn het Tweede Boek van zijn Années de Pèlerinage, met name het Tweede Boek, dat ik veel hoger acht, zou hebben gebruikt voor een pianoconcert. En zie daar, als toegift speelde Kantorow, wonderschoon, een deel uit het Tweede Boek van Années de Pèlerinage. Alsof hij ook vond dat er nog iets had ontbroken.

Het concert sloot af met Mendelssohns  Italiaanse symfonie, voltooid toen de componist vierentwintig jaar oud was.  En hoewel Tsjaikofski en Liszt de eerste versies van hun Romeo en Julia resp. Tweede Pianoconcert ook hadden geschreven toen ze nog onder de dertig waren, maar er daarna lang aan bleven sleutelen, en hoewel Mendelssohn dat ook bleef doen, is de wereld in Mendelssohns geval de eerste versie blijven spelen. De muziekcriticus Edward Greenfield schreef: “A fascinating comment on the danger of second thoughts after white-hot inspiration”, ofwel zo zie je dat moet oppassen om in tweede instantie gaan twijfelen wat eerst meteen raak was.

En het is deze white-hot inspiratie waarmee Hermus en het orkest elkaar leken aan te vuren. Na het eerste deel was zelfs een Bravo-roepster, en ik denk niet dat dit een persoon was die het gebruik om niet tussen de delen te klappen niet kende. Het Bravo ontlokte desalniettemin een applaus aan een (misschien inderdaad niet geïnitieerd) deel van het publiek. Waarop Hermus enthousiast lachend de zaal toeknikte, misschien ook om de applaudiserenden niet het gevoel te geven dat ze een faux-pas begingen, maar ook als oprechte dank voor de begeestering in de zaal. Kijk, dat is nou professioneel, en aardig tegenover het publiek, en zijn gebaar werd door de zaal beloond met nog een applaus.

Het concert was uitverkocht, tot aan de achterste rijen op het balkon. Het was overigens ook buiten op het Museumplein op videoscherm te zien. De beelden daarvan zullen wel op Youtube terecht komen. Enthousiast aanbevolen.

Liszt pianoconcerten door Alexandre Kantorow met vader Jean-Jacques als dirigent en de Tapiolo Sinfonietta:

Recital met Brahms, Bartok, Liszt:

Hermus dirigeert Hausegger:

Diepenbrock:

Wagenaar:

Wagner, instrumentele delen in de bewerking van De Vlieger:

En Auber, La Muette de Portici, een werk dat hij nu als Nederlander in Brussel zeker nog eens moet proberen:

https://open.spotify.com/album/2NItVRl5ScpiP88dGzFYtB?si=HOnBWJRZQVCTKwHtp5E4Wg

Foto’s: © Neil van der Linden

Amerikaanse opera’s deel drie: Samuel Barber en Vanessa

Tekst: Peter Franken

In de zomer van 2018 stond Samuel Barbers opera Vanessa op het programma van het Glyndebourne Festival. Opus Arte heeft een registratie van de voorstelling op 14 augustus op Blu-ray uitgebracht. Het resultaat is ronduit sensationeel.

Vanessa speelt zich af op een kasteel in een noordelijk land begin twintigste eeuw en draait om drie vrouwen en een man. Vanessa leeft al twintig jaar in afzondering na te zijn verlaten door haar oudere minnaar Anatol. Over deze man is verder niets bekend, maar het is aannemelijk dat hij getrouwd was. Op het kasteel wonen verder Vanessa’s moeder, die niet met haar wenst te spreken, en de twintigjarige Erika, die zichzelf typeert als ‘her niece but most of the time her shadow’. Het vermoeden bestaat dat zij in werkelijkheid Vanessa’s dochter is, uit haar kortstondige relatie met Anatol.

Vanessa wacht al die tijd op de terugkeer van haar geliefde en probeert intussen de tijd stil te zetten door doeken over de spiegels te hangen. Zij wil beslist niet ouder worden en een vrouw met een dochter kan dat nu eenmaal niet ontkennen.

Als er bericht komt van Anatol, is alles in rep en roer. Maar de Anatol die verschijnt, blijkt de zoon van de inmiddels gestorven minnaar van Vanessa te zijn. Hij wilde met eigen ogen die vrouw aanschouwen die bij het noemen van haar naam de ogen van zijn vader deed oplichten en de lippen van zijn moeder verschroeide.

Vanessa maakt hem uit voor bedrieger en laat hem alleen achter met Erika. Hij verleidt haar nog diezelfde nacht en maakt haar zwanger. Golddigger die hij is, vraagt hij haar later ten huwelijk, maar zij wijst hem af. Hij wil haar geen eeuwigdurende liefde en trouw garanderen, want dat zijn toch slechts leugens. Zij begrijpt dat niet, ook al doordat ze haar hele leven nog niet onder de mensen is geweest.

Na de nodige verwikkelingen besluit Anatol met de veel oudere Vanessa te trouwen. Zij heeft zich verzoend met het feit dat haar Anatol dood is, maar weigert te accepteren dat ze twintig jaar voor niets op hem heeft gewacht. En ziedaar, hier is toch Anatol? Samen vertrekken ze naar Parijs met achterlating van Erika, die inmiddels een miskraam heeft gehad na een mislukte poging om zich te verdrinken. Nu is het haar beurt om te wachten en het afkeurende zwijgen van haar grootmoeder te ondergaan.

Barbers levenspartner Gian Carlo Menotti schreef het libretto. Daarmee is zijn naam voor mij verbonden met twee van de mooiste opera’s van na de oorlog: The Consul en Vanessa.
Vanessa ging in 1958 in première, maar dankzij Barbers tonale muziek klinkt het allemaal ouder en vertrouwder. Zo komen er de nodige populaire deuntjes in voor, lekker om gezellig mee te neuriën. Het dansnummer ‘Under the willow tree’ is een goed voorbeeld.

De productie in Glyndebourne maakt gebruik van een eenheidsdecor dat door ingenieuze belichting en het ten opzichte van elkaar draaien van de samenstellende delen elke keer weer een geheel ander beeld oplevert. De flashbacks die Vanessa ervaart worden in grijstonen belicht, waardoor ze goed te onderscheiden zijn van de actuele handeling. De eerste is het moment waarop ze bevalt – regisseur Keith Warner laat er geen twijfel over bestaan dat Erika gewoon Vanessa’s dochter is.

Hoewel de sociale verhoudingen goed overeenstemmen met de tijd waarin één en ander zich afspeelt, toont Ashley Martin-Davis in zijn kostumering een jarenvijftig beeld. Zo ziet de Franse mezzo Virginie Verrez als Erika eruit als een huiselijke versie van Grace Kelly. Rosalind Plowright krijgt een zwarte jurk aangemeten om haar vermoedelijke hoge leeftijd te accentueren.

Verrez steelt aanvankelijk de show. Ze is niet alleen erg mooi en jong, maar zingt ook voortreffelijk. En omdat ze direct al de aandacht op zichzelf kan vestigen met de showstopper ‘Why must the winter come so soon’ en vervolgens een korte affaire heeft met de net aangekomen Anatol, weet ze haar ‘tante’ tijdelijk naar het tweede plan te verwijzen.

De Vanessa van Emma Bell neemt echter al snel daarna de touwtjes in handen, te beginnen met de scène waarin ze thuiskomt na een schaatsuitje op het meer met Anatol. Dat er iets speelt tussen haar dochter en de nieuwe uitgave van haar minnaar, ontgaat haar volledig. Pas na Erika’s zelfmoordpoging begint ze iets te vermoeden. Bell zingt haar bij vlagen wat hysterische rol met overgave. Haar ‘Why did no one warn me’ aan het begin van de vierde akte maakt veel indruk.

De uit Litouwen afkomstige Edgaras Montvidas oogt iets te oud voor zijn rol, maar weet dat door zijn nonchalante manier van acteren goed te compenseren. Vocaal is zijn Anatol tot in de puntjes verzorgd.

De Amerikaanse veteraan Donnie Ray Albert brengt wat melancholie, maar tevens de nodige luchtigheid in het geheel als de oude familiearts, die natuurlijk ook Erika ter wereld heeft geholpen. Hij heeft een stem die je voortdurend laat uitkijken naar het moment dat hij ‘This is CNN’ zegt in plaats van zijn reguliere tekst.

Rosalynd Plowright is mede dankzij de afdeling kap en grime een mooie typecast als de oude barones, een soort eenpersoons Grieks koor dat commentaar levert, niet door te spreken, maar door een verbeten zwijgen.

De nog vrij jonge Tsjechische dirigent Jakub Hrůša geeft leiding aan het London Philharmonic Orchestra. Dirigent en orkest completeren vanuit de bak het gebeuren op het toneel tot een perfecte theatervoorstelling. Zeer aanbevolen, beter wordt het niet.


 Drama in de schuilkerk: Katia Ledoux en Lucie Horsch in de  Muziekhaven Zomerconcerten.

Tekst: Neil van der Linden

Wat een geweldig concert was dit! De Muziekhaven in Zaandam is een voormalige oud-katholieke ‘schuilkerk’; in Calvinistisch Nederland mochten andere geloofsgemeenschappen, op de Mennonieten na, hun geloof wel praktiseren, maar alleen in gebouwen die niet op kerken mochten lijken. Tijdens het concert van Katia Ledoux en Lucie Horsch bleek deze Zaandamse schuilkerk over de mooiste akoestiek te beschikken die je je kunt voorstellen.  

Katia Ledoux was de favoriet van de Nederlandse muziekpers tijdens het Internationaal Vocalisten Concours in Den Bosch 2018. Eerder dit jaar was ze Proserpina in Manfred Trojahns Euridice en schitterde ze als Makuba in Anansi van Neo Muyanga en Maarten van Hinte.

Lucie Horsch is bekend als blokfluitist, maar is ook pianist, én inmiddels ook zangeres, en ze was gevraagd dit jaar de Zomerconcerten in de Muziekhaven te programmeren. Dit concert was eigenlijk ook een kleine opera of in elk geval muziekdrama.

Een selectie uit Schumanns Frauenliebe und Leben kreeg die door het weglaten van twee liederen waarin de vrouw (in de door een man geschreven tekst) zich al te serviel en stereotiep opstelt, ‘Süßer Freund, du blickest mich verwundert an’ en ‘An meinem Herzen, an meiner Brust’ extra dramatisch ontlading in ‘Nun hast du mir den ersten Schmerz getan’, het levenslied van alle slachtoffers in de liefde. Het vrolijkste vijfde lied uit de cyclus, ‘Helft mir, ihr Schwestern’, bleef bewaard voor de toegift.

Mijn favoriete uitvoering van Frauenliebe und Leben was altijd die van Margaret Price met James Lockart, en ik werd door met name Katia Ledoux op een prettige manier aan die favoriete versie herinnerd. Krachtig, rond, maar ondanks haar lagere mezzo-register was de uitvoering ook licht. Mede gesteund door de geborgen sfeer van de kerk leek Katia Ledoux regelrecht met de toeschouwer/luisteraar in dialoog te gaan.

Lucie Horsch was daarbij op de piano een gedienstig medium, al heeft Schumann de piano niet alleen als begeleiding bedacht, en ze nam de gelegenheid waar om in de vaak passages waarin de piano alleen speelt de lyriek te accentueren, met name in de slotpassage van ‘Nun hast du mir den ersten Schmerz getan’, dat bijna super-mini-opera is.

Als we door de keuze van deze gedichtencyclus van Adelbert von Chamisso Schumann min of meer van mansplaining willen beschuldigen is het goed om te bekenken dat ook Carl Loewe en Franz Lachner Chamisso’s gedichtencyclus op muziek hadden gezet.

Teksten van mannen over vrouwen in vergelijking van teksten van vrouwen en muziek van mannen over vrouwen versus muziek van vrouwen was de rode draad in dit concert.

Wagners Wesendonck Lieder stammen van achttien jaar na Frauenliebe und Leben. Deze keer waren de teksten geschreven door een vrouw, Mathilde Wesendonck, in de tijd dat zij en Wagner een verboden passie voor elkaar hadden. Net als voor Frauenliebe und Leben geldt voor de Wesendonck Lieder dat die door sopranen en mezzosopranen worden gezongen.  Ook hier bleek de lage maar ook voldoende lichte stem van Katia Ledoux zich uitstekend op zijn gemak te voelen.. En ook in deze cyclus speelde Horsch het drama in de laatste noten van het laatste lied helemaal uit.

In de volgende twee – minder bekende – liederen kon het duo helemaal losgaan om zo te zeggen, een lied van Pauline Viardot en een lied van Ethel Smythe.

Pauline Viardot-García, Spaans van geboorte, maar een wereldster tot in Rusland en Amerika, beschouwde zichzelf allereerst als zangeres en pianiste, en muziekleraar, en zei dat ze haar muziek voor haar leerlingen scheef. Maar wat een muziek! Het Lamento uit 1886, op tekst van Théophile Gautier, over een gestorven geliefde, is hartverscheurend en zo brachten Ledoux en Horsch het ook. De lage ligging van Ledoux bracht alle diepste lagen uit het lied naar voren.

Dit gold nog in het kwadraat voor Odelette van Ethel Smythe, waarmee we compositorisch de twintigste eeuw binnenstormden; een compositie vol wervelende tonaliteiten, in lijn met de dramatiek, op een gedicht van Henri de Régnier, over een falende liefde, uit 1907, geschreven drie jaar na haar bekendste werk, de opera The Wreckers. Compositorisch haalde Smythe in dit lied alles uit de kast, en dat deden Ledoux en Horsch in dit laatste dramatische onderdeel ook.

Odelette Ethel Smythe door Katia Ledoux uit 2017 Konzert und Symposium „Hinter den Spiegeln“ Clara Schumann (!) Saal:

In een versie voor sopraan en ensemble door Renate Eggebrecht:

Versie van Chausson op hetzelfde gedicht:

En een versie van Roussel:

Overigens is Ledoux in gesproken woord ook een geweldige entertainer. Tussen de programmaonderdelen gaf ze informatieve en geregeld heel geestige toelichtingen, ook als het erop volgende lied serieus van aard was; comic relief. Blijkbaar verraste ze met een deel van de informatie ook Horsch, die geregeld moest lachen.

Na Smythe volgde Fallin’ uit 2001 van Alicia Keys, die componeert én haar teksten schrijft, en in haar eigen versie de piano speelt.

Fallin’ Alicia Keys van Songs in A minor (Keys was toen nog geen eenentwintig jaar oud.):

De keuze voor ‘Helft mir, ihr Schwestern’ uit Frauenliebe und Leben als toegeeft bleek een speciale aanleiding te hebben. Over een week treedt Katia Ledoux’ in het huwelijk.

Carl Loewe Frauenliebe und Leben:

Franz Lachner Frauenliebe und Leben met Joan Sutherland:

Katia Ledoux in Den Bosch 2018 in de aria van Baba uit The Rake’s Progress, Stravinsky:

Olga’s Aria uit Eugen Onegin, Tschaikovsky:


Ich lade gern mir Gäste ein, Prinz Orlofsky in Die Fledermaus, Strauss:

 

Katia Ledoux to her younger self – DNO x Black Achievement Month oktober 2020:

Mon cœur s’ouvre à ta voix Samson et Dalila Saint-Saëns – Katia Ledoux and Djuwa Mroivili | Dutch National Opera 2022:

Muziekhaven Zomerconcerten dit jaar geprogrammeerd door Lucie Horsch: concert met Katia Ledoux, zang, en Lucie Horsch, piano, 14 juli Zaandam.
Foto’s © Neil van der Linden