Il Pirata, één van de mooiste opera’s van Bellini, is voor de meeste mensen niet meer dan een titel. Logisch: het wordt bijna nooit meer opgevoerd en het wordt ook maar zelden opgenomen. Waarom, eigenlijk?
De laatste scène behoort tot de sterkste die Bellini ooit schreef. U hoort er al Donizetti’s Lucia di Lammermoor in. En het openingskoor uit de derde akte, ‘Che rechi tu’, kan je bijna letterlijk in Macbeth en Luisa Miller van Verdi terugvinden
Tot voor kort kende ik maar drie opnamen van de opera, met als Imogene-vertolksters Montserrat Caballé, Maria Callas en Lucia Aliberti. Voor het gemak tel ik de ZaterdagMatinee-uitvoering met Nelly Miricioiu dan niet mee, die is tenslotte niet uitgebracht (ZONDE!). Opera Rara voegt een opname toe aan de kleine discografie.
Bij Opera Rara zingt Carmen Giannattasio de rol van Imogene. Haar timbre is veel lichter en minder dramatisch dan dat van Callas en veel stroever dan dat van Caballé. Maar als je hun stemmen even uit je hoofd zet, kan je niet anders dan toegeven dat zij heel wat te bieden heeft, zeker in haar waanzinaria.
Meer moeite heb ik met de heren. Ludovic Tézier is een voortreffelijke zanger, maar belcanto … nee. Daarvoor is zijn bariton niet soepel genoeg. Toch – in de passages waarin hij wat minder coloraturen te zingen heeft en gewoon autoritair mag zijn, is hij zonder meer overtuigend.
José Bros gold ooit als één van de meest veelbelovende jonge belcantozangers van zijn generatie, een belofte die eigenlijk nooit is ingelost. Prima hoogte, goede coloraturen, maar zijn stem komt af en toe geknepen over.
David Perry dirigeert, één van de grootste belcanto specialisten tegenwoordig dirigeert meer dan bevlogen. (ORC45)
Promovideo met Carmen Giannattasio over (o.a.) haar opname van Il Pirata:
LA STRANIERA
Toegegeven, het libretto is zo warrig, dat zelfs de hoofdpersonen waarschijnlijk niet weten wie ze zijn, wat ze aan het doen zijn, met wie, en waarom. Maar de muziek! Als er engelen bestonden dan zouden ze Bellini’s cantilenen uit La Straniera tot vervelens toe (kan men daar verveeld van raken?) herhalen.
Dat geldt nog meer omdat er in de opera, op één of drie keer na, niet echt aria’s voorkomen, niet in de ouderwetse manier althans. Het is meer een ‘conversatiestuk’ met veel dialogen en zeer theatrale, lange scènes, die elkaar toch in een rap tempo opvolgen.
Bellini componeerde La Straniera in 1829, drie jaar voor Norma en La Sonnambula, en je hoort er al de kleine voorbodes in van zijn bekendste muziek (‘Casta Diva!’). Wonderlijk genoeg hoor ik ook flarden uit La Traviata tussendoor…
Alle rollen zijn voortreffelijk bezet. Darío Schmunck is met zijn aangenaam klinkende tenor bijzonder geschikt voor een romantische lover en de lyrische bariton Mark Stone (onthoud die naam!) is een warmbloedige Valdeburgo.
De virtuoze mezzo Enkelejda Shkosa zingt een ontroerende Isoletta en over Patrizia Ciofi volstaat één woord: fenomenaal. Er is geen enkele zangeres die de rol van Aleida tegenwoordig beter, en met meer betrokkenheid, zou kunnen zingen (ORC 38)
Patrizia Ciofi:
VERDI
MACBETH
De première van Macbeth in 1847 was zeer succesvol en jarenlang beschouwde Giuseppe Verdi het werk als één van zijn beste opera’s. Toen hij echter in 1865 de partituur weer eens inkeek om een paar voorstellingen in Parijs voor te bereiden, was hij er minder gelukkig mee. Een geheel herziene versie was het resultaat. Het succes bleef echter uit en pas halverwege de vorige eeuw begon een voorzichtige ‘Macbeth-revival’. In die tweede, ‘verbeterde’ versie.
Eind jaren zeventig besloot de BBC om een paar Verdi-opera’s in de oorspronkelijke versie op te voeren en Macbeth was er één van. Dankzij Opera Rara, een firma die zich sterk maakt voor vergeten opera’s (dus waarom ook niet voor vergeten versies van bekende opera’s?), is de opname op de markt gekomen.
Het is fascinerend om al de verschillen zelf te kunnen horen. Want het zijn er behoorlijk wat, voornamelijk in de laatste twee aktes. De slaapwandelscène is hetzelfde gebleven, maar het openingskoor in de derde akte (hier bijna gelijk aan ‘Va pensiero’) en het slot zijn totaal anders. En ‘La luce langue’, de magnifieke aria van Lady Macbeth, heet hier ‘Trionfai! Securi alfine’ en klinkt heel wat minder dramatisch, met veel meer coloraturen.
De uitvoering met onder anderen Peter Glossop, Rita Hunter, John Tomlinson en Kenneth Collins is uitstekend en het BBC Concert Orchestra onder leiding van John Matheson speelt zeer bezield (Opera Rara ORCV301).
Hieronder ‘Trionfai! Securi alfine’ door Rita Hunter:
LE VÊPRES SICILIENNES
‘Les vêpres siciliennes’ was Verdi’s eerste Franse Grande Opéra, die hij – na lang aandringen door de Parijse Opera – componeerde op het libretto van Eugene Scribe en Charles Duyverier. Het is Verdi’s langste opera geworden, wat in de eerste plaats is te danken aan een half uur lange ballet in de derde acte.
The Four Seasons Ballet – I. Prelude & Winter:
Het verhaal speelt zich af in Palermo in 1282, tijdens de Franse bezetting van Sicilië. Henri, een jonge Siciliaan is verliefd op Hélène, een jonge Oostenrijkse hertogin, gevangen gehouden door Guy de Montfort, de Franse gouverneur in Sicilië. Als blijkt dat de Montfort de vader van Henri is, zijn de verwikkelingen niet te overzien, en aan het eind is zowat iedereen dood. De premiere in 1855 was een fiasco, en een paar jaar later bewerkte Verdi het tot I Vespri Siciliani.
Les vêpres siciliennes was de derde uitgave in de serie ‘originele versies’ van Opera Rara, na eerdere uitgaven van Macbeth en Simon Boccanegra. Het werd al in mei 1969 live opgenomen in The Camden Theatre in Londen en in februari 1970 door de BBC uitgezonden, maar de cd-uitgave kwam pas in 2004 op de markt.
De uitvoering, met in de hoofdrollen Jacqueline Brumaire, Jean Bonhomme en Neilson Taylor, is redelijk tot goed, maar als document is het van een buitengewoon belang. (ORCV303).
Stof tot nadenken: men zegt ‘Rossini’, men denkt ‘lachen’. Terwijl meer dan de helft van zijn opera’s zogenaamde opera seria’s zijn!
Zo ook Ermione. Het werk werd voor het eerst in maart 1819 in Napels uitgevoerd en het is nog steeds niet bekend waarom het al in april dat jaar van het programma verdween.
Zijn (concertante) comeback maakte Ermione bijna 150 jaar later. Maar pas in 1987, na de eerste scenische uitvoering in Pesaro (met in de cast onder andere Montserrat Caballe als Ermione en Marylin Horne als Andromaca) werd het werk voor het eerst op zijn waarde geschat.
De (complete) opname uit Pesaro:
Het op Andromaque van Racine gebaseerde libretto van Andrea Leone Tottola is nogal verwarrend. Het is, althans voor mij, volstrekt onduidelijk wie van wie houdt en wie op wie wraak wil nemen. Maar aan het eind is zowat iedereen dood.
Het dramatische verhaal wordt muzikaal ondersteund door spannende aria’s en wondervolle duetten en nonetten, waar het sextet uit Lucia di Lammermoor peanuts bij is. En toch is het onmiskenbaar Rossini, met adembenemend vocaal trapezewerk en salto’s mortales in noten.
Daarvoor heb je zangers van formaat nodig en dat zijn ze ook. Allemaal. Het valt niet mee om tussen de mannelijke Pirro (Paul Nilon) en de lieflijke Oreste (Colin Lee) te kiezen. Laat staan tussen de dames: Carmen Giannattasio (Ermione) is één en al furie en Patricia Bardon een meelijwekkende tragédienne. (ORC42)
Carmen Giannattasio en Colin Lee zingen Un’ Empia mel rapi’:
ELISABETTA REGINA D’INGHILTERRA
Deze opera behoort wellicht niet tot de meest interessante werken van Rossini, maar wat is het mooi!
Het verhaal? Leicester, de geliefde van Elisabetta voert oorlog in Schotland, trouwt daar in het geheim met Matilde (een dochter van Mary Stuart) en neemt haar en haar broer Enrico mee naar Engeland. Hij vertrouwt Norfolk, die hij als zijn vriend beschouwt zijn geheim toe, maar die verraadt hem. Het komt allemaal goed, en – nog belangrijker – het verzekert ons van ruim drie uur vocaal genot.
Het was de eerste van negen opera’s die Rossini voor het Teatro San Carlo in Napels had geschreven. Het was ook zijn eerste opera voor Isabella Colbran en ook zijn eerste opera waarin alle recitatieven door de strijkers werden begeleid.
Voor de opname door Opera Rara in 2002 werd een speciale editie vanuit het manuscript vervaardigd en het werk werd voor het eerst helemaal compleet opgenomen.
De bezetting is fenomenaal. Jennifer Larmore (Elisabetta) en Majella Cullagh (Matilde) zijn beiden onweerstaanbaar. Bruce Ford is een mooie, lyrische Leicester en Antonino Siragusa een werkelijk spetterende Norfolk. Giuseppe Carella leidt het geheel zeer geïnspireerd en met verve.
En als de ouverture u bekend voorkomt dan heeft u gelijk: Rossini hergebruikte het voor Il Barbiere di Sevilla (ORC22)
ZELMIRA
Halverwege de opera, als de door iedereen valselijk voor de moord op haar vader beschuldigde Zelmira haar zoon aan Emma toevertrouwt, krijgen beide dames een duet te zingen, die in zijn schoonheid alleen maar te vergelijken is met ‘Ovi Songe’ uit ‘Bianca e Falliero’ van Bellini. Begeleid door een harp en een Engelse hoorn, laten ze hun stemmen versmelten in de droevige melodieën, die ze in lange lijnen tot de mooiste borduursels laten spinnen.
Van het libretto moet de opera het niet hebben, maar de muziek is er niet minder mooi om. Het was de laatste, die Rossini voor Napels componeerde en valt te vergelijken met zijn andere ‘Napolitaanse opera’s’: Otello, bij voorbeeld. Of Maometto II.
De opera werd in 2003 live opgenomen in Edinburgh. Het publiek was duidelijk overenthousiast, en terecht. Zelmira werd gezongen door Elizabeth Futral, een pracht van een zangeres met schitterende dramatische coloraturen, af en toe een tikje te scherp, maar dat past bij de rol van de gekwelde prinses.
Prachtig mooi is ook de Antenore van Bruce Ford, een solide zanger in het belcanto repertoire. De meeste bravo’s echter gingen naar Manuela Custer (Emma) en Antonino Siragusa (Ilo). Daar had ik graag bij willen zijn! (ORC27)
Het verhaal speelt zich in het Engeland van de twaalfde eeuw af. Koning Henry II is getrouwd met Leonora van Aquitanië, maar houdt ook nog een maîtresse op na. Deze minnares (Rosmonda) zit opgesloten in een toren, en de page Arturo, die op haar moet letten is zelf verliefd op haar geworden. Een – heerlijke, dat wel – draak van een verhaal, maar de muziek is goddelijk mooi: lyrische passages worden afgewisseld met heftige ensembles.
De uitvoering kan niet beter: Renée Fleming is de zoetgevooisde Rosmonda, en Nelly Miricioiu de verbitterde koningin Leonora. Beide dames komen elkaar tegen in de laatste scène, wat resulteert in een van de spannendste duetten. (ORC 13)
PIA DE TOLOMEI
Opera Rara kan trots zijn op haar ontdekkingen. Pia de Tolomei, een totaal vergeten juweeltje van Donizetti, doet de harten van de belcanto verzamelaars (en liefhebbers sneller kloppen.
Het verhaal van Salvatore Cammarano, auteur van o.a. Maria di Rudenz en Il Trovatore over een ten onrechte van overspel beschuldigde echtgenote van een kasteelheer speelt zich af tegen de achtergrond van een oorlog tussen Florence en Siena en is door Donizetti voorzien van de mooiste aria’s en duetten.
De bezetting, met een werkelijk weergaloze Majella Cullagh als Pia en Manuela Custer als haar broer Rodrigo voorop, is zoals altijd bij Opera Rara, werkelijk subliem. (ORC 30)
L’immenso mio contento non s’esprime con l’accento” :
IMELDA DE’LAMBERTAZZI
Met de volkomen vergeten opera Imelda de’ Lambertazzi doet Opera Rara zijn naam eer aan. De zeldzame opera zit vol prachtige melodieën, die uitstekend uitgevoerd worden door de solisten.
Imelda de’Lambertazzi speelt zich af in het door oorlogen tussen de Ghibellijnen en de Welfen verscheurde Bologna. Imelda en Bonifacio worden verliefd op elkaar, maar zij is een Ghibellijn en hij een Welf, dus op een goede afloop hoef je niet te rekenen.
Niet echt een verrassend gegeven, en toch is Imelda anders dan de meeste opera’s uit die tijd. Er is geen ouverture en de mannelijke hoofdrol wordt gezongen door een bariton.
Nicole Cabell zingt een mooie titelheldin en haar stem mengt goed met James Westmans lichte, bijna tenorale bariton.
Hun bijdrage verbleekt echter bij de formidabele prestaties van beide tenoren. Frank Lopardo’s stem is in de loop der jaren donkerder en mannelijker geworden, maar hij heeft niets aan souplesse verloren. Massimo Giordano (onthoud die naam!) beschikt over een pracht van een lyrische tenor, waarmee hij ook overtuigend weet te acteren.
Het perfect spelende Orchestra of the Age of Enlightment wordt met verve gedirigeerd door Mark Elder.
Of het echt een meesterwerk is, weet ik niet, maar de opera zit barstensvol prachtige melodieën en de sterfscène van Imelda (bewaar de appendix voor later) behoort tot de ontroerendste in de operaliteratuur. (ORC36)
PARISINA
Hergebruiken… Daar was vroeger niemand vies van. Ook Donizetti niet. Zeker als de première voor de deur stond en het libretto op zich liet wachten. Voor Parisina heeft hij het een en ander van zichzelf geleend en voor het gemak knipte en plakte hij de (overigens schitterende) ouverture die hij eerder voor Ugo, Conte di Parigi componeerde ervoor.
Ondanks de krappe componeertijd (Donizetti heeft er niet meer dan een paar weken over gedaan) werd de opera zeer enthousiast ontvangen en bleef regelmatig op het repertoire staan, ook in het buitenland. Terecht.
Felice Romani was een werkelijk begenadigd dichter en met Parisina heeft hij één van zijn mooiste libretto’s afgeleverd. Alles zit erin: liefde, moord, opoffering, bedrog… En met de prachtige cantilenen van Donizetti erbij kan je niet anders dan snotteren en genieten.
Parisina verraadt haar gevoelens tijdens haar slaap (kunt u zich nog de droom van Cassio in Otello van Verdi herinneren?) Ugo wordt omgebracht en zij sterft van verdriet.
Carmen Giannattasio, José Bros en Dario Solari zingen hun rollen zeer verdienstelijk. Een onmisbare cd voor een (Donizetti-)verzamelaar. (ORC 40)
Carmen Giannattasio zingt ‘Sogno talor di correre’:
LINDA DI CHAMOUNIX
Linda di Chamounix is één van de laatste opera’s van Donizetti. Een doorsnee operaganger kent er waarschijnlijk maar één aria uit: ‘O luce di quest’anima’, een zeer virtuoos trapezewerk, waarmee menig coloratuursopraan stemmencompetities onveilig maakt
Merkwaardig genoeg werd de aria pas na de première aan de opera toegevoegd, speciaal voor Eugenia Tadolini, de tweede vertolkster van de titelrol. Van haar wordt verteld dat haar lyrische coloratuursopraan zeer expressief was en over veel kleuren beschikte.
Daar moest ik, luisterend naar Eglise Gutiérrez, aan denken, want zo moest Tadolini waarschijnlijk geklonken hebben. Zeer virtuoos, maar ook met zeer veel gevoel voor drama zingt Gutiérrez de gekwelde titelheldin die zeer spectaculair haar verstand verliest en het niet minder spectaculair hervindt.
Stephen Costello (onthoud de naam!) is een nieuwkomer aan de ‘lyrische-tenoren-horizon’. Zijn timbre is zeer prettig en zijn hoogte soepel en aangenaam. In zijn rol van de schilder Carlo, die eigenlijk De Sirval heet en een burggraaf is (daar word je inderdaad gek van) is hij bijzonder overtuigend.
Marianna Pizzolato beschikt over een mooi, rond, licht en een zeer wendbaar mezzo. Meer een sopraan eigenlijk, maar dan iets donkerder getimbreerd. Het is ook buitengewoon aangenaam naar haar te luisteren waardoor ze zowat een perfecte cast is voor Pierotto, Linda’s vriend en vertrouweling.
Zowel Ludovic Tézier (vader van Linda) als Bálint Szabó (de prefect) zijn aan elkaar gewaagd en de oudgediende Alessandro Corbelli weet perfect raad met de buffa-rol van markies di Boisfleury. (ORC 43)
Eglise Gutierrez & Stephen Costello zingen ‘Non so; quella canzon’:
Het was een jaar of achttien geleden, denk ik, dat ik voor het eerst kennis maakte met het toen nog zeer jonge Belcea Quartet. Ze hadden toen hun debuut in de Rising Stars-serie in de Kleine Zaal van het Concertgebouw gemaakt, op het programma stonden strijkkwartetten van Schubert en Thomas Adès. Ik kreeg toen ook de gelegenheid om met (de leden van) het kwartet uitgebreid te spreken.
Om elf uur ’s ochtends belde ik aan bij hotel Verdi in Amsterdam, waar het kwartet logeerde. De bedoeling was om samen met Corina Belcea en Krzysztof Chorzelski een hapje te gaan eten. En te praten, natuurlijk. Helaas, Corina was ziek geworden dus stelden zij voor om dan maar in de ontbijtzaal van het hotel te blijven.
Corina, fragiel en meisjesachtig, hevig hoestend, ziet er zo meelijwekkend uit, dat ik me afvraag hoe ze die avond nog kan spelen. En toch voert ze het gesprek, zoals ze ook het kwartet leidt – zeer kordaat en zelfverzekerd.
Belcea werd in 1975 in Roemenië geboren. Zij won een paar vioolconcoursen, o.a. die van Yehudi Menuhin, wat haar een studiebeurs voor de gelijknamige muziekschool in Londen had opgeleverd.
Waarom koos ze voor het kwartetspelen, en niet voor een solocarrière?
“In het Yehudi Menuhin muziekschool waar ik in 1991 begon te studeren was kamermuziek het belangrijkste punt op de agenda. Iedereen deed het, dus ik ook. En ik vond het fantastisch.”
“Toen ik in 1994 aan mijn opleiding aan het Royal College begon, besloot ik om samen met nog drie vrienden uit mijn schooltijd een strijkkwartet te beginnen. Na anderhalf jaar, exact een week voor een belangrijke competitie, is onze altviolist afgehaakt, had er geen zin meer in. Toen heb ik Krzysztof, die mijn beste vriend was gevraagd of hij die uitdaging aandurfde. Hij was toen een violist en had nog nooit een noot op de altviool gespeeld”
Duurde het lang om altviool te leren bespelen?
Chorzelski, lachend: ”Ik leer nog steeds!”
Op hun repertoire hebben ze veel moderne muziek staan. Niet dat ze zich daarin gaan specialiseren, maar op een concert willen ze tenminste één kwartet uit de twintigste eeuw spelen. En ze bestellen nieuwe werken, één per seizoen, die ze dan ook daadwerkelijk uitvoeren. Zo hebben ze in hun zesjarig bestaan vijf speciaal voor hun geschreven composities uitgevoerd, waaronder ook Two movements for String Quartet van Simenon ten Holt, die ze prachtig vinden. Zeer expressief.
En het kwartet van Thomas Adès, die ze later die avond zullen spelen?
“O, maar die is al tien jaar oud! Adès was toen nog maar 22 maar het werk is werkelijk ongekend goed en zo ontzettend mooi. Wij beschouwen het als één van de grootste werken uit het modern repertoire.”
“De componist zelf is ook een bijzonder iemand, zeer inspirerend. Een paar keer hebben we met hem gespeeld, en een tijdje terug hebben we samen het Pianokwintet van Schubert opgenomen (Warner Classics 5576642)
Hun repertoire kiezen ze altijd gezamenlijk, ‘democratisch’.
“Wij zijn het bijna altijd met elkaar eens. Bovendien kunnen we iets, wat we niet mooi vinden, toch niet spelen”.
Waar houden ze het meest van?
“Schubert. Beethoven. Mozart. En Janaček.”
En Sjostakovitsj?
“Hmmm… Laten we zeggen dat we er nog niet aan toe zijn”
Het duurde een paar jaar maar inmiddels is ook Sjostakovitsj een goede bekende voor de Belcea’s geworden. In de voorgaande paar jaar hebben ze zowat al zijn strijkkwartetten live gespeeld maar zetten zijn werk nooit eerder op cd. En nu is het zo ver!
Voor de Belgische Alpha hebben ze het derde strijkkwartet en, versterkt door de Poolse pianist Piotr Anderszewski het pianokwintet opgenomen en het resultaat is zonder meer uitstekend maar met een paar kanttekeningen.
Het pianokwintet dateert uit 1940. De première, door het Beethoven Kwartet met componist zelf aan de vleugel werd door iedereen zeer enthousiast begroet. Het leverde Sjostakovitsj de Stalinprijs op, plus een aanzienlijk geldbedrag.
Hoe anders verliep het met het derde strijkkwartet! Ook hier werd de première door het Beethoven Kwartet verzorgd, in 1946. Het werk werd aanvankelijk door het Sovjetregime gecensureerd. De critici vonden de noot waarmee het stuk eindigt ‘dubbelzinnig’ en men heeft Sjostakovitsj er zelfs van beschuldigd dat hij er gecodeerde berichten tegen Stalin in had verstopt!
Shostakovich String Quartet no.3
De uitvoering door het Belcea Quartet is milder dan ik gewend ben. Het is niet zo dat de angel er uit is want het wrange is nog steeds prominent aanwezig. Maar nu kun je het een paar keer achter elkaar draaien zonder dat je oren er moe van worden. Bij wijze van spreken dan.
Ook het kwintet, toch één van de ‘zonnigste’ composities van Sjostakovitsj klinkt nog aangenamer dan doorgaans in mijn oren. Ontzettend mooi, dat wel, maar wat ik een beetje mis is de – bij Sjostakovitsj altijd aanwezige – ondertoon die het voor de luisteraar minder aangenaam maakt.
Peanuts eigenlijk. De vier strijkers en de pianist voelen elkaar goed aan waardoor het tot een prachtig, homogeen geheel wordt gesmeed. Zonder meer een aanwinst!
Arnold Schoenberg firmly believed that Joseph Achron was the most underrated composer of his generation. Schoenberg praised his originality and claimed Achron’s music was destined for eternity. Yet, despite his enthusiastic praise, Joseph Achron never became a household name.
Violin buffs no doubt know his Hebrew Melody, a much loved encore of many violinists, starting with Heifetz.
Hebrew Melody, here played by Josef Hassid:
Hebrew Melody is inspired by a theme Achron heard as a young boy in a synagogue in Warsaw. It is one of his earliest compositions, dating from 1911, and his first “Jewish” work. In the year he composed it Achron joined the Society for Jewish Folk Music.
Joseph Achron as a child in Warsaw
But let’s start at the beginning. Joseph Achron was born in 1886 in Russia and died 57 years later in Los Angeles. His mother was an estimable singer, and his father was a cantor who also played the violin. Joseph received his first violin lessons from him, but soon he was replaced by professional teachers. At age eight he gave his first performance, and by the time he was eighteen, he had finished his first compositions.
His career as a composer properly started in the twenties of the last century. In Saint Petersburg, Achron joined the composers of the “New Jewish School.” Several years later he moved to Berlin, where he got acquainted with the works of the French impressionists, and the Second Viennese School.
In 1924 he made a trip of several months to Palestine. He not only performed there, but also collected a huge variety of folk music he discovered there. The notes he took during this trip were later used for several of his compositions. In his Violin Concerto No. 1, Op. 60 (1925) several Yemenite themes can be heard.
Joseph Achron (right) with members of the cast of The Golem. H. Leivick (center), New York. Credit: Courtesy of the Department of Music, Jewish National & University Library, Jerusalem, Achron Collection.
In 1925 he moved to New York where he was invited to compose music for the Yiddish theatre. Achron wrote the music for several of their productions, including Stempenyu, a play by Sholem Aleichem about a Jewish violinist.
The Stempenyu Suite, performed by Karen Bentley Pollick and Jascha Nemtsov:
In the thirties Joseph Achron moved to Hollywood, where he died in 1943.
Much of Achron’s music still awaits discovery by wider circles, although numerous attempts have been made to rekindle interest in it. Since the nineties of the last century two CDs came out with compositions for violin and piano. Different as they are, both interpretations are highly valuable, if only for the opportunity they provide to finally get to know – and appreciate – his compositions.
On the ASV label we hear Miriam Kramer, a young English violinist, once named ‘United Kingdom’s Performer of the Year’. Her CD starts with a slightly hesitant rendition of the 1ère Suite en Style Ancien from 1906 ( a world premiere recording). From Sonata No. 1, Op. 29 onwards her tone gets steadier and in Children’s Suite it is possible to enjoy her without any reservations. Her pianist, the Dutch Simon Over, provides excellent support. The reason I am not overenthusiastic lies not with Kramer, but with Hagai Shaham, the soloist on the second Achron CD.
(Joseph Achron: Music for Violin & Piano; Miriam Kramer, Simon Over; ASV CD QS 6235)
Hagai Shaham (not related to Gil) is an Israeli from the school of the famous violin teacher Ilona Feher. His tone is warm and dark and he plays with bravura and agility, and plenty of schmaltz when necessary. Unashamed enjoyment from start to finish! If you do not fall in love with this CD, then I give up.
Shaham’s regular accompanist is Arnon Erez, also from Israel. The textbook is in two languages: English and Yiddish (Stempenyu. The violin music of Joseph Achron; Hagai Shaham, Arnon Erez; Biddulph LAW 021)
Fifteen years after their Biddulph recording Hagai Shaham and Arnon Erez turned their attention to Achron’s music for a second time. In 2012 they recorded the Complete Suites for Violin and Piano for Hyperion, including the Stempenyu Suite and, of course, the Hebrew Melody (Hyperion CDA67841).
Aan het begin van het seizoen 2017-2018 werd de Kroatische dirigent Ivan Repušić aangesteld als de chef-dirigent van het Münchner Rundfunkorchester. Zijn debuut in die hoedanigheid maakte hij op 22 september 2017 met de concertante uitvoering van Luisa Miller van Verdi. De opera werd toen live opgenomen en ik weet eigenlijk niet of ik er zo blij mee ben. Aan de ene kant toch wel, want de opnamen van die prachtige opera zijn nog steeds schaars.
Helaas is de uitvoering niet echt briljant te noemen. Na een zeer aarzelend begin herstelt het orkest zich uitstekend en er zit goed vaart in, al had ik wat meer luchtigheid in willen horen. Marina Rebeka is een prima zangeres maar voor Luisa klinkt zij niet kruidig genoeg.
De jonge Siciliaanse tenor Ivan Magrì beschikt over een buitengewoon aangenaam timbre. Zeer Italiaans ook, het type Vittorio Grigolo, zeg maar. Maar Rodolfo is voor hem nog te hoog gegrepen. Rodolfo is een zware rol, daar heb je toch meer kracht voor nodig, meer gevoel voor drama. Ik weet zeker dat het er ooit van gaat komen, maar nu was het nog te vroeg.
George Petean is een doorsnee Miller en alleen Ante Jerkunica (Wurm) weet van zijn rol iets meer te maken.
GIUSEPPE VERDI
Luisa Miller
Marina Rebeka, Corinna Scheurle, Judit Kutasi, Ivan Magrì, George Petean, Marko Mimica, Ante Jerkunica
Chor des Bayerischen Rundfunks, Münchner Rundfunkorchester olv Ivan Repušić
BR Klassik 900323
In 1921 is Arnold Schönberg aan een kamermuziekversie van Das Lied von der Erde van Gustav Mahler begonnen. Hij reduceerde het orkest tot een tiental blazers en strijkers, aangevuld met piano, harmonium en percussie. Het tot zowat het skelet gestripte – wel mét eerbied voor alle noten! – werk is echter onvoltooid gebleven en pas in 1983 werd de bewerking door Rainer Riehn voltooid.
Ooit waren zulke bewerkingen nuttig en welkom, nu .. Ach.. ik vind het leuk om naar te luisteren. Mits de uitvoering goed is en hier heb ik toch mijn bedenkingen.
De musici zijn uitstekend. Het geheel klinkt mooi transparant en de dirigent Petr Altrichter houdt de touwtjes goed strak.Helaas zijn de solisten niet echt geweldig.
Richard Samek is een lichte lyrico die – vooralsnog – Alfredo tot zijn zwaarste rollen mag rekenen. Tegen Mahler, ook in een kleine bezetting is hij niet opgewassen en in ‘Das Trinklied von Jammer der Erde’ verzuipt hij in de noten. Het klinkt gewoon lelijk.
Dagmar Pecková was ooit een pracht van een mezzo, zij zingt dan ook met veel tekstbegrip, maar haar ruime vibrato is inmiddels behoorlijk storend geworden. Jammer.
Nee, als u toch voor de kamermuziek-versie opteert kies dan voor Philippe Herreweghe met Brigitte Remmert en Hans Peter Blochwitz (Harmonia Mundi 1951477)
GUSTAV MAHLER
Das Lied von der Erde
Dagmar Pecková (mezzo-soprano), Richard Samek (tenor)
Schoenberg Chamber Orchestra olv Petr Altrichter
Supraphon SU 4242-2
Arnold Schoenberg was er van overtuigd dat Joseph Achron de meest onderschatte onder de hedendaagse componisten was. Schönberg roemde zijn originaliteit, hij was er dan ook zeker van dat Achrons muziek een absolute eeuwigheidswaarde had. Toch is Joseph Achron niet echt beroemd geworden.
De doorgewinterde vioolliefhebber kent ongetwijfeld zijn ‘Hebrew Melody’, een zeer geliefde toegift uit het repertoire van menig violist, te beginnen met Heifetz.
Het werk is geïnspireerd op een thema die Achron ooit in een synagoge in Warschau hoorde toen hij nog maar een kleine jongen was. Hij schreef het in 1911, het was één van zijn eerste composities en tevens zijn ‘kleur – bekennen’: Achron werd lid van de Vereniging voor de Joodse Muziek.
Joseph Achron als kind in Warschau
Maar laten wij bij het begin beginnen. Joseph Achron werd geboren in 1886 in het Russisch Imperium en stierf zevenenvijftig jaar later in Los Angeles. Zijn moeder was een verdienstelijke zangeres en zijn vader voorzanger die ook viool speelde. Van hem kreeg Joseph zijn eerste vioollessen maar spoedig werd zijn vader vervangen door echte leraren. Op zijn achtste trad hij voor het eerst op en op zijn achttiende had hij al enkele composities op zij naam staan.
Zijn loopbaan als componist begon echter pas in de jaren twintig van de twintigste eeuw. In St. Petersburg sloot Achron zich aan bij de componisten die verenigd waren in de ‘Nieuwe Joodse School’. Een paar jaar later verhuisde hij naar Berlijn waar hij kennis maakte met de werken van de Franse impressionisten. Én met de Tweede Weense School.
In 1924 maakte hij reis van enkele maanden naar Palestina waar hij niet alleen optrad maar ook alle volksmuziek verzamelde die hij tegenkwam. De aantekeningen die hij toen maakte werden later in zijn composities gebruikt: zo zijn in zijn vioolconcert op. 30 enkele Jemenitische thema’s te bespeuren.
In 1925 vestigde hij zich in New York, waar hij kennis maakte met het Yiddisch Theater en waar hij toneelmuziek voor verschillende producties componeerde. Onder ander voor Stempenyu, toneelstuk van Sholem Alejchem over een Joodse violist.
Stempenyu-Suite, hier gespeeld door Karen Bentley Pollick en Jascha Nemtsov:
In de jaren dertig verhuisde hij naar Hollywood waar hij in 1943 overleed.
De muziek van Achron wacht nog steeds op haar revival al zijn er al ettelijke pogingen gedaan om haar aan de vergetelheid te onttrekken. Zo zijn er eind jaren negentig van de vorige eeuw twee cd’s uitgebracht met zijn compositie voor viool en piano. Hoe verschillend ook de interpretaties, beide zijn de moeite waard, al was het alleen maar vanwege de buitengewone kans om zijn composities te leren kennen. En waarderen.
Op het label ASV horen wij Miriam Kramer, een jonge Engelse violiste, ooit uitgeroepen tot de ‘United Kingdom’s Performer of the Year’. Haar cd begint met een ietwat aarzelende vertolking van de ‘Première Suite en Style Ancien’ uit 1906 (het betreft de wereldpremière), maar bij de vioolsonate op.29 wordt haar toon vaster en in ‘Children’s Suite’ kunnen wij al ongestoord genieten. Haar pianist, de Nederlander Simon Over, begeleidt haar uitstekend, en dat ik niet helemaal enthousiast kan worden ligt niet zozeer aan haar, als aan Hagai Shaham, de solist op de tweede cd (Joseph Achron: Music for Violin & Piano; Miriam Kramer, Simon Over; ASV CD QS 6235)
Hagai Shaham (geen familie van Gil) is een Israëliër en stamt uit de school van de befaamde pedagoge, Ilona Feher. Zijn toon is warm en donker, hij speelt met bravoure en souplesse en – waar nodig – met een gezonde dosis schmalz. Het is schaamteloos genieten geblazen, van het begin tot het eind. Als je hier niet verliefd op wordt dan weet ik het niet..
De (vaste) begeleider van Shaham heet Arnon Erez en komt eveneens uit Israël. Het tekstboekje is tweetalig: Engels en Jiddisch (Stempenyu. The violin music of Joseph Achron; Hagai Shaham, Arnon Erez; Biddulph LAW 021)
Vijftien jaar na hun Biddulph-opname hebben Hagai Shaham en Arnon Erez zich nog een keer over de muziek van Achron ontfermd. In 2012 hebben ze voor Hyperion Complete Suites voor viool en piano opgenomen, waaronder ook het Stempeny-Suite en uiteraard de Hebrew Melody (Hyperion CDA67841)
De hele zesde symfonie van Mahler op één cd! Als dat geen pre is…. Maar er is meer. Osmo Vänskä associeer je niet met Mahler en toch denk ik dat hij één van de beste jongere interpreten van de componist is.
De spanning is om te snijden en onder zijn handen wint de toch al zo duistere symfonie (u weet toch wel wat Albert Camus er ooit over schreef? “Als ik de catastrofe van de man van vandaag wil beschrijven, komt muziek in me op – de muziek van Gustav Mahler”) aan grimmigheid. Ook met de articulatie en de ritmiek zit het meer dan snor.
Voor het eerst sinds langere tijd heb ik – ooit een Mahler fanaat, inmiddels met Mahler overvoed en oververmoeid – de symfonie vanaf het begin tot het eind zonder pauze beluisterd en toen het afgelopen was heb ik op de repeat-knop gedrukt.
Het is niet zo dat ik onmiddellijk mijn Inbal, Bernstein of Abbado de deur uit ga doen, maar deze cd ga ik in mijn collectie houden. Daarbij wil ik de platenmaatschappijen toch met nadruk verzoeken om even een ‘Mahler-stop’ in te lassen. Al is het maar voor een jaar of twee. Want die opnamen, die blijven maar komen.
GUSTAV MAHLER
Symphony No.6 in A minor
Minnesota Orchestra olv Osmo Vänska
BIS 2266 • SACD – 86’
Degene die verantwoordelijk is voor de hoesfoto zou eigenlijk voor de rechtbank gesleept moeten worden. Niet alleen vanwege het ‘plagiaat’ (de celliste Marie-Elisabeth Hecker is gestileerd naar de beroemde foto van Jacqueline du Pré), maar ook – of misschien voornamelijk – vanwege de schade die hij daarmee de celliste berokkent. Want of ze het wil of niet ze wordt onmiddellijk aan de vergelijkings-tafel naast haar grote voorgangsters gelegd en probeer daar uit te ontsnappen! Tegen iconen valt niet te vechten en dat, terwijl Hecker genoeg heeft te vertellen!
Of ze minder, beter of net zo goed speelt dan du Pré laat ik in het midden, het doet er niet toe, het is gewoon anders. De klank van haar cello is wellicht scherper en minder warm dan die van du Pré maar haar puntige vertolking is niet alleen pittig maar ook zakelijk en daar is iets voor te zeggen.
In het zeer zelden gespeelde (waarom eigenlijk?) pianokwintet is Hecker zeer in haar element. Het in de zomer van 1918 in Sussex gecomponeerde werk is zeer dramatisch en in zijn grootsheid klinkt het zeer orkestraal. Hierin kan de celliste, bijgestaan door en viertal voortreffelijke musici werkelijk uitblinken. Maar de echte hoofdrol wordt hier toebedeeld aan de fenomenaal spelende pianist Martin Helmchen.
EDWARD ELGAR
Cello concerto, Piano Quintet
Marie-Elisabeth Hecker (cello); Carolin Widmann, David McCarroll (viool); Pauline Sachse (altviool); Martin Helmchen (piano)
Antwerps Symphony Orchstra olv Edo de Waart
Alpha 283