cd/dvd recensies

BRAHMS & REGER: klarinetkwintet

 klarinetkwintetten

Toen ik voor de zoveelste keer de zoveelste opname van het klarinetkwintet van Brahms ging bespreken, bedacht ik dat er weinig kamermuziekwerken zijn die zo’n immense impact op de gemoedstoestand van de luisteraar hebben. Ongeacht de uitvoering.

Dat laatste kun je moeilijk over het kwintet van Max Reger beweren. Ik althans heb er helemaal niets mee. Zelfs de beste uitvoering kan niet verhullen dat het stuk niets om het lijf heeft en eigenlijk flauw en saai is. Maar zo saai zoals het op deze cd klinkt hoeft ook al weer niet.

Het kan spannender. Als je deze uitvoering met die van bij voorbeeld het Wilanów Kwartet vergelijkt, dan wint de tweede met gemak. Ze verliezen zich, zoals Isabelle van Keulen en haar vrienden niet in het volgen van de melodielijnen en gaan voor wat minder perfectie, waardoor er meer spanning ontstaat. Voornamelijk het derde deel, Largo, vind ik hier niet om door te komen, zij houden mijn aandacht geen seconde vast.

Sharon Kam, voor mij één van de beste klarinettisten ter wereld heeft Brahms al eerder met het Jerusalem Quartet opgenomen (Harmonia Mundi HMC 902152). Hoe goed ik deze uitvoering ook vind – daar kunnen van Keulen c.s. zich niet mee aan meten.

Het zit hem voornamelijk in het met elkaar verstrengeld zijn en het als één lichaam functioneren van een bestaand ensemble.

JOHANNES BRAHMS, MAX REGER
Sharon Kam (klarinet), Isabelle van Keulen (viool), Ulrike Anima-Mathè (viool), Volker Jacobsen (altviool), Gustav Rivinius (cello)
Berlin Classics 0300643BC

Voor de uitvoering door het JerusalemQuartet zie:
BRAHMS door het Jerusalem String Quartet & Sharon Kam

Das Käthchen von Heilbronn

kaatje

Carl Martin Reinthaler (1822-1896) wist als componist geen eeuwige roem te vergaren zoals bijvoorbeeld zijn vriend Johannes Brahms. Een opera-opname uit zijn geboortestad Erfurt bewijst echter dat zijn oeuvre alleszins de moeite waard is.

Tot voor kort kende ik Reinthaler voornamelijk vanwege zijn prachtige koorwerken. Mooie, zeer romantische muziek, die mij vaak deed denken aan Mendelssohn, Schubert en Schumann. Zijn opera’s (hij heeft er twee gecomponeerd) kende ik alleen van naam.

Dat Erfurt zijn bekende inwoner (Reinthaler werd er in 1822 geboren) met de opvoering van Das Käthchen von Heilbronn eerde is meer dan lovend. De opera, Rheinthaler’s tweede moest bijna 120 jaar wachten op de herkansing, onbegrijpelijk eigenlijk waarom.

‘Kaatje’, naar het verhaal van Heinrich von Kleist is een typisch Duits-Romantische opera op haar best, met veel koren en wapengekletter. Er is liefde in het spel, een beetje magie, men duelleert en steekt elkaars burchten in de fik, er is een bedrogen en op wraak beluste minnares, maar aan het eind komt alles goed.

De heerlijke muziek klinkt bij vlagen heroisch-pathetisch, maar ook liefelijk waar nodig. De uitvoering (de opera werd in 2009 in Erfurt live opgenomen) is zeer goed, iets wat ik voornamelijk op het conto van de dirigent schrijf. Samuel Bächli is van huis uit koordirigent en dat merk je.

De Nederlandse sopraan Marisca Mulder brilleert als Kaatje, maar Ilia Papandreou (Kunigunde) doet voor haar niet onder. Richard Carlucci is een prima Graf.

Een aanwinst!


CARL REINTHALER
Das Käthchen von Heilbronn
Marisca Mulder, Richard Carlucci, Ilia Papandreou, Peter Schöne, Máté Sólyom-Nagy; Opernchor des Theaters Erfurt, Philharmonisches Orchester Erfurt olv Samuel Bächli
CPO 777474-2 • 139’

DONIZETTI: ARISTEA

aristea

Naxos heeft de cantate Aristea van Gaetano Donizetti op cd gezet, een werk dat sinds de eerste opvoering in 1823 volledig vergeten was. Een wereldpremière!

Aristea is een gelegenheidswerk. Donizetti componeerde de cantate (eigenlijk een mini-opera) voor de naamdag van Ferdinand, koning van Sicilië. Het werk beleefde zijn première in 1823, maar werd daarna volledig vergeten. Hoe onterecht! Het is een heerlijk niemendalletje en het beluisteren ervan bezorgde mij ontzettend veel plezier.

In mijn oren klinkt Aristea zeer Rossiniaans, maar ook Mozart is niet ver weg. En als je goed luistert dan hoor je al de flarden van Don Pasquale voorbij fietsen.

Licisco is een prins die moet onderduiken. Zijn dochter Cloe, die eigenlijk Aristea heet (of andersom), wordt door een schaapherder opgevoed. In het geheim is zij getrouwd met Filinto. Corinna is ook verliefd op Filinto. En Licisco komt terug. Meer weet ik niet van de plot, want er is geen synopsis in het cd-boekje opgenomen en Google weet ook van niets (het is tenslotte een wereldpremière). Maar ik neem aan dat alles gewoon goed komt.

Beide sopranen: Andrea Lauren Brown (Aristea/Cloe) en Sara Hershkowitz (Filinto) zijn zonder meer voortreffelijk. Hun duet: “La bell’alma che nel petto” is wonderschoon en verdient het om vaker uitgevoerd te worden. Ook de rest van de cast is gewoon goed.

Er is maar één minpuntje: het koor intoneert niet altijd zuiver. Maar als je weet dat het uit muziekstudenten en liefhebbers uit de omgeving bestaat dan leg je de lat toch wel iets lager. Zeker als je hoort hoeveel plezier zij hoorbaar hebben en als het eindresultaat werkelijk heel erg leuk is.

De Duitse organist en dirigent Franz Hauk maakt zich al jaren sterk voor de muziek van Simon Mayr; op zijn naam staan heel wat opnamen van de onterecht vergeten componist uit Beieren. De vroege Donizetti past hem dan ook als een handschoen.


Gaetano Donizetti
Aristea
Andrea Lauren Brown, Sara Hershkowitz, Caroline Adler, Cornel Frey, Robert Sellier, Andreas Burkhart
Members of the Bavarian State Opera Chorus; Simon Mayr Chorus and Ensemble olv Franz Hauk
Naxos 8573360 • 72’

ALESSANDRO DELJAVAN speelt Etudes van CHOPIN

 chopin-deljavan

De Italiaan Alessandro Deljavan is een ware meesterpianist. Zijn briljante techniek is zo volmaakt dat je niet eens hóórt hoe moeilijk de Etudes van Chopin zijn. Daar zit hem ook het euvel, denk ik. Deljavan glijdt over de stukken heen met een soort vanzelfsprekendheid die bijna aan zelfgenoegzaamheid grenst.

Nou wil ik niet beweren dat de etudes, wellicht op de nr.12 op.25 (die heet dan niet voor niets ‘Revolutionair’) na iets van een ‘conceptuele programma’ willen uitdragen of een boodschap overbrengen, maar een klein beetje bij de inhoud stilstaan zou Deljavan zeker sieren.

Ik denk niet dat het hem ontbreekt aan verbeelding of dat hij er niet over heeft nagedacht, maar soms bekruipt mij het gevoel dat het allemaal nergens toe leidt. Of wel: tot een oppervlakkigheid. Het mooist vind ik hem in de etude nr.3 op 10: hier toont hij zich iets minder een virtuoos en wat meer een lyricus. Hij kan het dus wel.

Wat mij opvalt: zijn tempi zijn veel langzamer dan die van Pollini en toch lijkt het alsof hij in de sneltrein zit. Zou het aan de enorme tempofluctuaties binnen een nummer kunnen liggen? Maar eerlijk is eerlijk: het is pianistiek van een allerhoogst niveau.


FRÉDÉRIC CHOPIN
Complete Etudes
Alessandro Deljavan
Brilliant Classics 95207 • 70’

YUNDI speelt Ballades van CHOPIN

 yundi-chopin_ballades_a

Bekentenis: ik heb niets met Yundi. O ja, ik bewonder zijn talent en zijn weergaloze techniek zeer, maar ik geef niets om perfectie en virtuositeit omwille van perfectie en virtuositeit alleen. Het is zonder meer fantastisch wat hij doet, maar er is één maar: ergens tussen de perfecte noten is de ziel zoekgeraakt.Voor mij gaat de muziek voornamelijk over emoties en ontroering, wat uiteraard niet betekent dat je je slordigheden mag permitteren!

Luisterend naar Yundi’s laatste cd vraag ik mij af of hij weet waar die composities over gaan. Ballades van Chopin zijn namelijk niet op zichzelf staande stukken die je naar believen kan invullen.

Zou Yundi weten wie Mickiewicz was, de grote Poolse dichter wiens gedichten Chopin voor zijn composities inspireerden? Nu hoef je natuurlijk geen Pool te zijn om Chopin te kunnen begrijpen (al wil het soms wel helpen), maar enige vorm van inleving verwacht ik van een vertolker wel.

Daarbij moet ik opmerken dat zijn tempi behoorlijk aan de lage kant zijn, waardoor – voornamelijk – de vierde ballade het moet ontgelden. Leg de uitvoering van Murray Perahia er naast en hoor het verschil!

De tempi, daar gaan ook zijn mazurka’s onder gebukt. Zou Yundi weten, dat mazurka een snelle en vrolijke dans is? Pianistiek van het grootste formaat, maar de ziel… de ziel is nergens te vinden.


Frédéric Chopin
Four Ballades; Berceuse op.57; Four Mazurkas op.17
Yundi
DG 4812443 • 56’

Charmante pianowerken van Ottorino Respighi en Giuseppe Martucci in fantastische vertolkingen

respighi

Ik ben een groot bewonderaar van Ottorino Respighi. Voornamelijk zijn opera’s en zijn vocale werken kunnen mij bekoren: voor La Fiamma en Il Tramonto kan je mij midden in de nacht wakker maken.

Zijn pianowerken zijn nieuw voor mij en eerlijk gezegd weet ik niet wat ik er van moet vinden. Het zijn leuke stukken, maar ze pingelen zo door!

Het ligt niet aan de uitvoering want Michele d’Ambrosio heeft heel wat in zijn mars. Hij had het al eerder bewezen met zijn prachtige opname van pianomuziek van Alfredo Cassella.

D’Ambrosio’s aanslag is slank, sierlijk en warm en het ontbreekt hem niet aan virtuositeit. Maar hij dwingt mij niet tot luisteren, waardoor ergens halverwege mijn aandacht verslapt. Wellicht gelooft hij er zelf niet in?

Beide Sonates (P016 en P004) en de Suite P022 zijn jeugdwerken, gecomponeerd toen Respighi nog maar 16, 17 jaar oud was. Ze verraden sterke invloed van Robert Schumann, maar halen zijn niveau nergens.

Ik vind het best leuk om de pianoversie van één van Respighi’s beroemdste werken, Antiche danze ed arie per liuto te horen. En het heeft ook wat om in de Tre Preludi su melodie gregoriane de voorloper van Vertrate di chiesa te ontdekken.

Het is een charmante cd met veel primeurs geworden, maar of het een blijvertje is?


OTTORINO RESPIGHI
Complete solo piano music
Michele d’Ambrosio
Brilliant Classics 9444 • 133’ (2 cd’s)

 

 

martucci

Net als Respighi was ook Giuseppe Martucci op zijn zestiende begonnen met het schrijven van korte pianostukjes. En ook hij werd daarin beïnvloed door Schumann.

Anders dan zijn land- en tijdgenoot componeerde hij geen opera’s. Zijn oeuvre bevat voornamelijk orkest- en kamerwerken, maar echt beroemd is hij geworden met de liederencyclus La canzone dei Ricordi. Geen wonder: geen romantische ziel kan er omheen

Hieronder: Renata Tebaldi zingt ‘La canzone dei Ricordi’:

Zijn werken voor piano zijn van wisselende kwaliteit. De twee Notturni op 78 genieten een bescheiden bekendheid, maar dan wel in de bewerking voor (kamer)orkest. Zo kende ik ze ook en het valt niet mee om om te schakelen. En toch: eenmaal gewend kan ik er buitengewoon van genieten. Zo doen  ze me sterk aan Chopin denken en dat vind ik mooi.

Iets meer moeite heb ik met andere stukken op de cd, die vind ik niet bijzonder interessant. Het zijn net salonstukjes, leuk om op de achtergrond te hebben, meer niet. Maar Alberto Miodino speelt ze alsof het de grootste piano meesterwerken zijn die ooit gecomponeerd zijn en dat ontroert mij zeer.

De zeer virtuoze Fantasia op.51 voorziet hij van een heuse ‘Liszt-schwung’ en de 6 Pezzi op.44 geeft hij de allure van een sprankelende waterval.


GIUSEPPE MARTUCCI
6 Pezzi op.44, Novella op.50, Fantasia op.51, 2 Notturni op.70
Alberto Miodini piano
Brilliant Classics 94800 • 70’

Dorian Grey van Hans Kox: wat een ontdekking!

Ik ben altijd een enorme bewonderaar van Hans Kox geweest. Mijn eerste kennismaking met zijn muziek was eind jaren tachtig toen ik zijn L’Allegria heb gehoord, onvoorstelbaar mooi gezongen door Lucia Meeuwsen.

 

Het waren niet de eerste de besten die zijn muziek vertolkten: Szymon Goldberg, Victor Liebermann, Anner Bijlsma, John-Edward Kelly, Pauline Oostenrijk, Vesko Eschkenazy en het Radio Philharmonisch…

Tweede vioolconcert van Hans Kox

 

Toch leek het er toen op dat ik één van de weinigen was die zijn muziek zo bewonderde. Veel van mijn collega’s vonden dat er iets aan mijn ‘goede smaak’ mankeerde. Ik hield immers ook van de andere ‘eclectische’ componisten die toen ook ‘persona non grata’ waren: Korngold en Szymanowski.

dorian-gray

 

Van Dorian Gray heb ik alleen maar gehoord: de première in 1974 was een fiasco en zo was ook de heropvoering een paar jaar later. De recensies waren genadeloos en er werd zelfs van een “culturele moord” op de componist gesproken.

De reden? Serialisme was nog steeds zeer “hot” en wij zaten midden in de culturele revolutie, met de naweeën van Flowerpower en de Notenkrakers. Alles moest anders, want Roodkapje was dood. Maar de “vernieuwers” hebben geen rekening gehouden met een mens, een human being, die de muziek anders dan een optelsom van wiskundige formula’s kan – en wil – ervaren.

Dorian Gray is een pracht van een opera. Het libretto, van de hand van de componist zelf, is gebaseerd op een grimmig verhaal van Oscar Wilde. De muziek (geen “knor piep boem”)  is herkenbaar: denk aan Britten met een vleugje Prokofjev en heel erg veel Hans Kox.

Over de uitvoering – live opgenomen in de Amsterdamse Stasschouwburg op 6 december 1982 – kan ik kort zijn: TOP! Lees alleen maar de namen van de zangers en als u dan nog niet gaat watertanden….

Ga het kopen en laat Kox en zijn muziek je huizen binnen, daar zult u geen spijt van krijgen!

 

Dorian Gray – Suite:

 

Meer Hans Kox: HANS KOX: Anne Frank Cantate SHOSTAKOVICH: Symphonie nr.5

 

HANS KOX
Dorian Gray
Philip Langridge, Timothy Nolen, Lieuwe Visser, Roberta Alexander, Jan Blinkhof, Joep Bröcheler, Timothy Nolen e.a.;
Radio Kamerorkest olv Hans Kox
Attacca 2012.130.131 • 112’

Maarten Koningsberger, Thomas Oliemans en Dichterliebe van Schumann

schuman-koningsberger

Twee nieuwe uitgaven van Dichterliebe van Schumann, gezongen door twee Nederlandse zangers: dat schreeuwt om vergelijking. Maar makkelijker gezegd dan gedaan, want de cd’s van Maarten Koningsberger en Thomas Oliemans zijn twee totaal verschillende producten.

Waar zit ‘m het verschil in? Deels in de begeleiding: Koningsberger wordt begeleid door het Matangi Quartet, Oliemans door Paolo Giacometti op de fortepiano. Het zit hem echter ook in de zangers zelf. Daar waar de één voor een meer lyrische aanpak gaat (Oliemans), kiest de ander voor onverbloemde boosheid (Koningsberger)

Daar komt nog bij dat Koningsberger het nu meer van zijn voordracht dan van pure stemschoonheid moet hebben. Niet altijd een euvel, maar toch …. Maar ook met Oliemans ben ik niet overdreven gelukkig. Waar het aan ligt weet ik niet, maar hij klinkt minder lyrisch dan ik van hem gewend ben.

Af en toe doet Oliemans aan overacting, wat in sommige liederen weliswaar goed uitpakt (in ‘Ein Jüngling liebt ein Mädchen’ bijvoorbeeld) maar in andere weer niet. Oliemans’ versie van ‘Ich grolle nicht’, gezongen met hoorbaar ingehouden woede, komt daarentegen zeer schrijnend over. Prachtig!

Bij Koningsberger klinkt het lied vooral agressief, wat waarschijnlijk ook op het conto van de begeleiding kan worden geschreven. Maar ook in “Ein Jüngling liebt ein Mädchen” vind ik zijn woede overtrokken. Het contrast met de daaropvolgende “Am leuchtenden Sommermorgen” en “Ich hab’ im Traum geweinet” is te groot: opeens lijkt alles stil te staan. Zo langzaam gezongen heb ik de liederen nog nooit gehoord, het voelt alsof de noten uit elkaar worden getrokken. Hier kan ik niets mee. Bij Oliemans, die ook een zeer langzaam tempo neemt, slaat de ontroering wel toe.

 

schumann-r-oliemans-thomas-giacometti-paol

Het aanvullende programma van Oliemans – de Sechs Gesänge (opus 89) en de Sechs Gedichte und Requiem (opus 90) – kan me niet echt bekoren; ik vind de liederen saai. Met de ‘opvulling’ van zijn cd scoort Koningsberger beter. Liederkreis kan natuurlijk niet stuk en Koningsbergers uitvoering van Der arme Peter is zeer verrassend. Maar na ongeveer een uur Koningsbergers/Matangi’s woede te hebben gehoord, klinkt Oliemans/Giacometti’s verdriet toch als een oase van rust.

Beide baritons beschikken over een zeer herkenbaar eigen timbre en een eigen geluid. Beiden zijn ze ook echte verhalenvertellers, waarbij Oliemans zich meer op de muziek en Koninsberger meer op de tekst concentreert. Maar elke vergelijking gaat eigenlijk mank: door de andere benadering en het enorme verschil in begeleiding heb je eigenlijk met twee verschillende werken te maken.

Bij de opname met de Matangi’s merk je enorme verbondenheid tussen de bariton en het kwartet, ze voelen elkaar goed aan en vormen dan ook een absolute eenheid.

De begeleiding van Giacometti stelt mij een beetje teleur. Zou het aan het instrument kunnen liggen? Geen idee hoe de fortepiano’s in de oren van Schumann en zijn tijdgenoten klonken, maar ik ervaar het instrument als kil en onpersoonlijk.

Hieronder een kijkje achter de schermen bij de opname van Oliemans en Giacometti:

ROBERT SCHUMANN
DICHTERLIEBE op.48
Liederkreis op.24, Der arme Peter op.53 no.3
Maarten Koningsberger (bariton), Matangi Quartet
Quintone Q 15005

DICHTERLIEBE op.48
Sechs Gesänge op.89, Sechs Gedichte und Requiem op.90
Thomas Oliemans (bariton), Paolo Giacometti (fortepiano)
Channel Classics CCS 38416

 

Shakespeare songs door Ian Bostridge & Antonio Pappano: alleen al voor het repertoire zou je de cd willen hebben!

 bostridge

Deze cd met liederen naar de teksten van William Shakspeare had alles in zich om de cd van het jaar te worden. En wellicht zelfs meer, mits… mits de zanger van dienst iemand anders dan Ian Bostridge was.

Toen Bostridge nog aan het begin van zijn carrière stond vond ik zijn gemaniëreerde voordracht iets schattigs hebben. Doctorsbul in de geschiedenis verklaarde zijn neiging tot overintellectualisering en zijn neiging tot nonchalance nam ik op de koop toe. Het had iets verfrissends.

Tegenwoordig vind ik zijn manier van zingen alleen maar irritant en narcistisch. Zeker nu zijn stem nog dunner is geworden. Het is niet echt storend in de liederen van Byrd, Morley, Wilson of Johnson, maar in Korngold absoluut onaanvaardbaar.

Al in het openingsnummer ‘Come away Death’ van Gerald Finzi kan hij het niet laten om zich boven de componist te verheffen en voegt er accenten aan toe die er niet in staan.

Maar eerlijk is eerlijk: op den duur treedt er een soort gewenning op en let je minder op de zanger en meer op het repertoire. En die is niet mis, hier is goed over nagedacht. Alleen al daarvoor zou je de cd willen hebben.

De overgang van de Elizabethaanse luitsongs naar het in het Engels gezongen ‘An Sylvia’ van Schubert is niet minder dan geniaal en de luitbegeleiding van Elisabeth Kenny weergaloos. Om over de pianospel van Antonio Pappano maar te zwijgen.


SHAKESPEARE SONGS
Liederen van Finzi, Johnson, Gurney, Korngold, Schubert, Warlock, Britten, Quilter e.a.
Ian Bostridge (tenor), Antonio Pappano (piano), Elisabeth Kenny (luit), Adam Walker (fluit), Michael Collins (klarinet), Lawrence Power (altviool)
Warner 0825646106639 • 67‘

Immo Karaman regisseert Britten in Düsseldorf. Deel 3: Death in Venice

death-in-venice-poster

De Deutsche Oper am Rhein sloot het Britten-jaar, hoewel met zes maanden vertraging, zeer toepasselijk af met Brittens laatste opera, Death in Venice.

Het was de eerste keer dat Death in Venice in Düsseldorf werd gepresenteerd. De productie was tevens het vierde en laatste deel van de Britten-cyclus van de Duits-Turkse regisseur Immo Karaman en zijn vaste partner, choreograaf Fabian Posca.

Helaas heb ik Turn of the screw moeten missen, maar Karamans en Posca’s Peter Grimes en Billy Budd reken ik tot de beste producties die ik van die opera’s heb gezien. Mijn verwachtingen voor Death in Venice waren dan ook hooggespannen.

Dat het uiteindelijke resultaat een beetje tegenviel, lag voornamelijk aan Posca’s choreografie. In de hem zeer typerende stijl voerde hij personages op die in hun bewegingen een beetje spastisch overkwamen. In Peter Grimes werkte het wonderwel en het had, mits spaarzamer gebruikt, ook in Death in Venice kunnen werken, maar overdaad schaadt en ik betrapte mij erop dat mijn aandacht bij vlagen verslapte.

death_in_venice1_c_hans_jeorg_michel_620x310

Foto: Hans Jörg Michel

 

Maar het idee snapte ik wel, of althans dacht te begrijpen. Doordat alle personages – op Aschenbach na – zich met hallucinerende bewegingen door de bühne bewogen werd het gevoel van totale vervreemding versterkt. Het was alsof Aschenbach gevangen werd in zijn eigen droom waaruit geen ontsnappen mogelijk was. Tegen zijn eigen wil in, of nog beter: willoos belandde hij in een boze droom die hij met de intensiteit van de realiteit beleefde. Het was net een film die in zijn hoofd voorbijraasde, hem totaal radeloos maakte en dood achterliet.

In zijn hoofd waren er geen stranden, geen lagunes en geen zee. Aschenbach’s Venetië werd gereduceerd tot een hotellobby en zijn eigen werkkamer met zijn eigen fauteuil waar hij bescherming zocht als het allemaal hem te veel werd. En het werd gauw te veel, want wat als een verwarrende en onrustwekkende reis naar het onbekende begon eindigde in een regelrechte nachtmerrie, waarin alles en iedereen aan een verval leek te bezwijken en alle mensen in duivels en monsters veranderden.

death-in-venice-dusseldorf-hans-jorg-michel-1

Raymond Very als Aschenbach. Foto: Hans Jörg Michel

De voorstelling werd gedragen door de Amerikaanse tenor Raymond Very. De rol van Aschenbach is een echte ‘tour de force’, maar Very had er totaal geen moeite mee. Ogenschijnlijk onvermoeibaar domineerde hij de bühne van begin tot eind en zijn stem klonk puur en nergens geforceerd. Dat hij affiniteit heeft met de muziek van Britten is evident. Zo schitterde hij al eerder in Düsseldorf als Captain Vere in Billy Budd.

death_in_venice4_c_hans_jeorg_michel_620x310

Peter Savidge en Raymond Very. Foto: Hans Jörg Michel

Peter Savidge, die de zeven baritonrollen op zijn rekening nam, imponeerde voornamelijk als acteur. Op zijn stem viel absoluut niets aan te merken, zeer soepel wisselde hij van register en dapper worstelde hij zich door zijn ettelijke “falsetto’s”, maar voor mij ontbrak er iets, voor mij klonk hij niet gevaarlijk genoeg.

De countertenor Yosemeh Adjei zette een bewonderenswaardige Apollo neer en Torben Jürgens imponeerde in zijn kleine rol van de Engelse klerk. Alma Sadé was een heerlijke aardbeienverkoopster en een speelse straatzangeres.

Persoonlijk vond ik de twee jongens, Denys Popovich (Tadzio) en Talib Jordan (Jaschiu), niet echt bij elkaar passen. Met zijn lange lichaam leek Tadzio veel ouder dan zijn vriend, wat de verhoudingen, zeker in de ‘vechtscène’, wat scheef zette. Beiden dansten wel fantastisch.

Lukas Beikircher, in Nederland bekend van de Stichting Internationale Opera Producties, had het voortreffelijk spelende orkest aanvankelijk niet goed in de hand. Het klonk een beetje afgemat en weinig genuanceerd. Na de pauze werd het echter echt spannend in de orkestbak en werden zelfs de hitte en de klamheid voelbaar.

Hieronder de trailer van de productie:

Benjamin Britten
Death in Venice
Raymond Very, Peter Savidge, Yosemeh Adjei, Torben Jürgens, Florian Simson, Attila Fodre, Alma Sadè e.a.
Chor der Deutschen Oper am Rhein (instudering Christoph Kurig) en Düsseldorfer Symphoniker onder leiding van Lukas Beikircher, piano solo: Mary Satterthwaite

Bezocht op 14 juni 2014

Zie ook:

IMMO KARAMAN regisseert BRITTEN in Düsseldorf. Deel 1: PETER GRIMES

en
IMMO KARAMAN regisseert BRITTEN in Düsseldorf. Deel 2: BILLY BUDD