opera/operette/oratorium/koorwerken

MARSCHNER’S “IVANHOE” OR THE TEMPLAR AND THE JEWESS



Heinrich Marschner … For many Dutch opera goers, no more than a name. No wonder: when was he last performed here?

I myself have a huge soft spot for his romantic horror fairy tales Der Vampyr and Hans Heilings but Der Templer und die Jüdin? No, I have never heard of it.

Yet the opera was once a successful work. Indeed, after its premiere on 22 December 1829, it became Marschner’s most popular and frequently performed opera (200 times in 70 years). And it is not just any opera, Der Templer und die Jüdin is a great romantic opera like they have long since ceased to be made.

The libretto is based on Sir Walter Scott’s Ivanhoe (1819), the first great historical novel in literary history. The story is very simple and complicated at the same time. You have the bad guys (the Normans = French) and the good guys (The Saxons = English).

There is a king (Richard Lionheart), who, after ‘visiting’ the Holy Land with crusaders, has to re-fight his throne, preferably incognito. And there is a Templar who falls in love with a beautiful Jew. He kidnaps her to win her heart (and more), but she wants nothing to do with him. Against her better judgment, she has fallen in love with a wounded knight (Ivanhoe, but no one knows that). Unfortunately for her, Ivanhoe has been piling on his cousin for years, whom he is not allowed to marry because she is destined for another.

A lot of turmoil ensues. Poor Rebecca is condemned to be burned at the stake, but an anonymous paladin saves her life. It turns out to be Ivanhoe. He marries his beloved and everyone (except the templar, who is now dead) lives happily ever after….

A dragon of a story? Perhaps, but to me it reminds me of the good old days, when good always triumphed. Of the times when, with the sound of the crackling wood in the fireplace in the background and a cup of chocolate milk in your hand, you nestled on the sofa to listen to a delightful radio play on the radio.

The comparison with a radio play does not come out of the blue. There is no libretto in the opera released by the Myto company. There is not even a synopsis! The whole story is narrated by a kind of ‘ZDF lady’. So her warm voice and involved recitation remind me strongly of (and sometimes long for!) the old-fashioned radio plays. It has something. Especially when combined with the dull mono sound – the opera was recorded (live?) in Vienna in 1961. I can imagine a Hi-Fi freak not liking this, but for me it’s a pure, childlike delight.

The music is, as befits a great romantic opera – grand, sweeping, with growling violins and ominous cellos. There are (church) bells and natural sounds. One thinks Weber, Schubert (Fierrabras!) and early Wagner. And, of course, Marschner himself.

The performance? As far as the sound allows to judge it properly: the baritone Georg Uggl is a fantastic Brian de Bois Gilbert (the Templar from the title) and Liana Synek is a very moving Rebecca. Her beautiful, high soprano deserves to be heard. But actually they all sing well, all these (to me) unknown greats.

The Grosses Orchester der RAVAG (the predecessor of ORF) is conducted by Kurt Tenner and as a bonus you get the highlights, sung in Italian (!), from Der Vampyr, recorded in Milan in 1953. Nice!

Le Grand Macabre door La Fura dels Baus is briljant

Tekst: Peter : Peter Franken

György Ligeti schreef Le Grand Macabre in de periode 1974–1977 als opdrachtwerk voor de Koninklijke Opera Stockholm waar het werk in 1978 zijn première beleefde. Het libretto schreef de componist zelf waarbij hij zich baseerde het toneelstuk La Balade du Grand Macabre van Michel de Ghelderode uit 1934. In 1996 werd het werk in een herziene Engelstalige versie heruitgebracht. Deze wordt hieronder besproken.

Het stuk absurdistisch noemen is bijna een eufemisme, de meest ongerijmde scabreuze scènes volgen elkaar op in duizelingwekkende vaart. Centrale personages zijn de dood in de persoon van Nekrotzar die verderf komt zaaien en bij het einde teleurgesteld is dat er nog mensen in leven zijn gebleven. Verder de door hem tot slaaf gemaakte Piet the Pot, het oversekste liefdespaar Amanda en Amando, de sadistische Mescalina en haar echtgenoot de astronoom Astramadors, Prince Go-Go en natuurlijk de chef van de geheime politie Gepopo die gezongen wordt door een coloratuursopraan die tevens de rol van Venus vervult. Dit is een van de lijfstukken van Barbara Hannigan.

Barbara Hannigan in 2011:

In de eerste scène maken we kennis met Piet the Pot die plotseling bezoek krijgt van Nekrotzor die het einde van de wereld aankondigt. Tussendoor is het koppel Amanda en Amando bij voortduring bezig met het enige waarvoor ze lijken te willen leven: seks. Dat is ook het leidmotief van de volgende scène die draait om de SM-relatie van haaibaai Mescalina en haar man de astronoom Astradamors. Als ze zich beklaagt over te weinig weerwerk regelt de net opgedoken Venus (bij een astronoom is alles mogelijk) een nieuwe groot geschapen minnaar. Dat blijkt Nekrotzar te zijn en Mescalina overleeft de daarop volgende geslachtsdaad niet.

Daarna verplaatst de handeling zich naar het paleis van Prins Go-Go die zich op zijn kop laat zitten door twee ministers: de White and Black Minister, die tussendoor ook elkaar het leven zuur maken. De chef van de geheime Dienst Gepopo komt verslag doen van dreigende ontwikkelingen in het land. Vervolgens verzamelen de meeste personages zich en is er een ruig feest in afwachting van de beloofde apocalyps. Die blijft echter uit en men vraagt zich in gemoede af of men nu dood is of nog steeds leeft. Ook Nekrotzar kan aanvankelijk niet geloven dat zijn missie is mislukt. Hij krimpt zienderogen en verdwijnt in het niets. In een gezamenlijk slot, vergelijkbaar met het einde van A rakes progress, zingen de protagonisten dat je vooral moet genieten van het leven zonder te tobben over een naderend einde. Uiteindelijk gaat iedereen een keer dood, dus wat zal het.

La Fura dels Baus staat bekend om producties die stuk voor stuk technische hoogstandjes zijn. Van een voorstelling in het Gran Teatre de Liceu is door ArtHaus een opname op Blu-ray uitgebracht en bij het afspelen daarvan keek in mijn ogen uit. Het is absoluut briljant wat decorontwerper Alfons Flores heeft gecreëerd. En dat het ‘werkt’ komt mede door de prachtige kostuums van Lluc Castels, de videoprojecties van Franc Aleu en de belichting van Peter van Praet. Alex Ollé en Valentina Carrasco hebben zich volledig kunnen concentreren op het regieconcept.

We zien een reusachtig beeld van een naakte vrouw in een wat verwrongen kruiphouding alsof ze zich ergens onmachtig naar toe probeert te slepen. Haar borsten rusten op de toneelvloer en een van de tepels blijkt als deurtje te kunnen fungeren. Amando en Amanda trekken zich via die opening terug omdat ze zich teveel door hun omgeving gestoord voelen.

Op een gegeven moment verandert het beeld in een zeer gedetailleerd skelet, kwestie van projectie en belichting. Of toch niet, het lijkt net zo echt als dat beeld. Daarna draait het om en kijken we naar het achterwerk waarbij niet geheel verrassend, gelet op de teksten die worden gedebiteerd, de bilspleet wordt gebruikt als toneelopening. Maar soms opent zich de gehele bilpartij en is er een compleet interieur te zien.

Foto van de première van het toneelstuk

Hoewel ik inmiddels aardig vertrouwd ben met 20e eeuwse muziek in de opera bevind ik me bij het beluisteren van Le Grand Macabre nog steeds behoorlijk buiten mijn comfort zone. Het is vooral theater, zeer absurdistisch en onderhoudend. Niets ten nadele van alle uitvoerenden met inbegrip van het orkest onder leiding van Michael Boder, maar de muziek neem ik maar op de koop toe.

We zien op deze opname Chris Merritt als Piet the Pot, Werner van Mechelen als Nekrotzar, Frode Olsen als Astramadors en Francisco Vas als Prince Go-Go in de belangrijkste mannenrollen. De vrouwen worden vertolkt door Ning Liang (Mescalina), Inés Moraleda (Amando), Ana Puche (Amanda) en Barbara Hanningan (Venus). Hannigan is natuurlijk ook van de partij als Gepopo, geweldig leuk om te zien. Tenslotte Francisco Vas en Simon Butteriss als respectievelijk de White en de Black Minister.

De complete productie:

Susanna’s secret

Susanna has a secret. Does she have a lover? That’s exactly what her jealous husband Gil thinks. In the house there is a smell of smoke, so…? Well, no. Susanna doesn’t have a lover and the cigarettes? She smokes them herself. So that’s her secret. It all meant nothing, but Ermanno Wolf-Ferrari managed to turn the sneering story into one of the funniest comic operas ever.

His music is divinely beautiful. More, in fact. In his notes, he managed to capture all moods. Angry, happy, troubled, angry, happy… You can hear it. Genius. That the opera is still rarely performed has everything to do with our contempt for anything that smells of verismo. For the peace of mind of verismo-haters: no, Il Segreto di Susanna is not a verismo opera, it is more like a commedia dell’arte. Or, flatly put, a delightful interlude.

The live recording from 2006 is excellent. Ángel Ódena is a more than convincing husband and Judith Howarth a sweet-voiced Susanna. For me, the latter is (the only) immediate downside of the recording: Surely Susanna could be a bit more outspoken! Those who know the recording with Renata Scotto know what I mean.

As a bonus, we get Wolf-Ferrari’s youth work, a Serenade for strings. And beautiful it is! The excellent playing Oviedo Filarmonia is under the very enthusiastic direction of Friedrich Haider.

Recording with Renata Scotto:

Eindelijk een scenisch pakkende Francesca op dvd

Tekst: Peter Franken

Francesca da Rimini door Dante Gabriel Rosetti (1855)

Riccardo Zandonai (1883-1944) schreef meer dan tien opera’s waarvan alleen Francesca da Rimini enige bekendheid geniet. De opera ging in 1914 in première en heeft sindsdien een leven in de luwte geleid. Zijn librettist Tito Ricordi baseerde zich op een toneelstuk van Gabriele d’Annunzio waarbij hij zich vooral concentreerde op de liefdesaffaire van de protagonisten.

Het verhaal van Francesca da Polenta en Paolo Malatesta is gebaseerd op personages uit de 13e eeuw. Paolo, bijgenaamd Il bello, wordt naar Francesca gestuurd als huwelijksmakelaar voor zijn oudere broer, de weinig aantrekkelijke manke Giovanni. De twee worden op slag verliefd en beginnen een affaire. Ze worden echter ontmaskerd door Malatestino, de jongste broer van het stel en die zorgt ervoor dat Giovanni het koppel in flagrante weet te betrappen. Beiden worden samen aan het zwaard geregen en sterven in hun laatste omhelzing.

Francesca wordt wel de Italiaanse Tristan genoemd. Ook hier de aantrekkelijke jonge man die een bruid moet werven voor een onaantrekkelijke partij. Giovanni in de rol van Marke en Malatestino als Melot. Belangrijk verschil is echter dat Francesca willens en wetens in de waan wordt gebracht en gelaten dat ze daadwerkelijk met Paolo gaat trouwen. Ze wordt glashard door beide families bedrogen, met inbegrip van Paolo.

I

n het drieluik dat Christof Loy voor Deutsche Oper Berlin maakte over eigenzinnige vrouwen in opera’s van begin vorige eeuw heeft hij Francesca een plaats gegeven naast Els (der Schatzgräber) en Heliane (Das Wunder der Heliane). Daarbij heeft Loy zich laten leiden door de gedachte dat een mannetjesputter als d’Annunzio geen middeleeuwse zwijmelpartij met fatale afloop voor ogen heeft gestaan toen hij de zoveelste bewerking van dit verhaal schreef.

We kunnen het de auteur niet meer vragen maar voor Loy was het aanleiding om Francesca neer te zetten als een zelfbewuste manipulatieve vrouw die niet door het leven wenst te gaan als willoos slachtoffer van een complot. Het kale feit dat haar familie zijn toevlucht nam tot dit bedrog geeft al aan dat ze een sterke wil heeft en met geen mogelijkheid te bewegen was geweest tot een huwelijk met Giovanni.

We zien Paolo en Francesca samen, op slag verliefd. Ze geeft hem een roos, ze kussen elkaar en zij tekent ongezien het contract dat haar wordt voorgehouden. Vervolgens wordt dit aan Giovanni voorgelegd, die ook op het toneel aanwezig is.

Bariton Ivan Inverardi is een grote zwaargebouwde man en oogt middelbaar. Met zijn lange haar en slecht zittend pak zet Loy hem neer als maffia capo. Dus niet mank maar gewoon onaantrekkelijk voor de mooi jonge Francesca. Dat valt des te meer op doordat verder iedereen er tip top bijloopt in maatkostuums en strakke jurken.

De proloog loopt direct over in de oorlogsscène waarbij Francesca Paolo op een soort zelfmoordmissie stuurt, als boetedoening voor zijn bedrog. Hier zien we weer een overeenkomst met Tristan, die door Isolde op het matje wordt geroepen omdat de rekening tussen hen beiden nog niet vereffend is. Maar ze drinken uit hetzelfde glas waarmee hun liefde feitelijk bevestigd wordt.

Voor Francesca is dat echter niet genoeg, ze wil dat alle broers haar schoothondje worden. Na Giovanni laat ze ook de jongste broer Malatestino uit datzelfde glas drinken. Met list en bedrog is ze deze Malatesta familie binnengehaald, nu zijn ze alle drie verliefd op haar en heeft ze de vernedering kunnen afschudden.

Tussen Paolo en Francesca gaat het er hevig aan toe, eigentijds en niet met alleen maar smachtende blikken en machteloze gebaren. Pech is dat de jonge Malatestino het in de gaten krijgt en jaloers als hij is op Paolo probeert hij Francesca uit haar tent te lokken. Ze heeft dat weliswaar door maar gaat er te vrij mee om. In deze scène is er opvallend veel fysiek contact tussen die twee. Malatestino voelt zich als een kleine jongen behandeld en ‘gaat het zeggen’.

Loy’s regie heeft er een pakkende voorstelling van gemaakt die Francesca toont in een ongebruikelijke vierhoeksverhouding met fatale afloop, niet in de laatste plaats door haar eigen toedoen. En dat maakt de uitgebrachte Blu-ray tot iets bijzonders, een absolute aanrader.

De cast is goed verzorgd, over de volle breedte. Van de hofdames en de intriganten tot de drie broers Malatesta en hun gemeenschappelijk liefdesobject Francesca. Malatestino heeft een betrekkelijk kleine rol maar tenor Charles Workman laat hem door zijn overtuigende vertolking veel groter lijken dan hij is. Zowel tegenover Francesca als Giovanni laat hij duidelijk blijken hen een slag voor te zijn en dus niets te vrezen heeft, hoe onaangenaam zijn gedrag ook mag wezen.

Ivan Inverardi als Giovanni is een overtuigende potentaat. Zijn zang is dienovereenkomstig, overheersend en bedreigend zonder ook maar ergens zichzelf te overschreeuwen.

Het liefdespaar komt voor rekening van de nieuwe coryfee Jonathan Tetelman en de gelauwerde Sarah Jakubiak die eerder ook Heliane voor Loy vertolkte. Tetelman is een knappe keren, ideaal voor Paolo il Bello, en hij zingt de sterren van de hemel.

Een geweldige tenor en mooie aanwinst. Jakubiak draagt de voorstelling, er is vrijwel geen scène waarin ze niet op het toneel te vinden is. Ze geeft zich helemaal en het resultaat is indrukwekkend. Uitstekend gezongen en geweldig geacteerd.

Carlo Rizzi heeft de muzikale leiding. Koor en orkest van DOB. Uitgebracht op Naxos.

Making of:

Fotomateriaal: © Monika Rittershaus

Pelly en Pichon brengen zeer geslaagde Lakmé in de Comique

Tekst: Peter Franken

Léo Delibes (1836-1891) schreef meer dan twintig opera’s en operettes waarvan alleen Lakmé niet in de vergetelheid is geraakt. Het werd geschreven in de jaren 1881-82 op een libretto van Edmond Gondinet en Philippe Gille. De première vond plaats op 14 april 1883 in de Opéra Comique.

Pierre Loti

Het verhaal is ontleend aan de roman Le mariage de Loti van Pierre Loti. Deze Franse marineofficier kan worden gezien als een van de eerste schrijvers die hun materiaal wisten te verwerven ‘by going native’. Tijdens een verblijf van enige maanden op Tahiti wist Loti zijn taken als officier te combineren met een onderdompeling in de lokale gemeenschap, naar verluidt omdat zijn commandant belangstelling had voor antropologie en in Loti een nuttige bron van informatie zag. Het boek in kwestie is een pastiche van de liefdesrelaties die Loti had met verschillende inheemse vrouwen, tegen de achtergrond van exotisch Polynesië.

In het libretto van Lakmé is de handeling verplaatst naar Brits Indië. Centraal staat de kortdurende onmogelijke liefde tussen een Engelse officier en de dochter van een Brahmaanse priester. Lakmé woont met haar vader in de bloementuin bij een heiligdom waar de mythische lotusbloem groeit. Vreemdelingen is het ten strengste verboden dit heiligdom te betreden. Tot haar ontzetting treft Lakmé op een dag de Engelse officier Gérald in de tuin aan. Hij is onder de indruk van de prachtige omgeving en raakt ook al snel onder de bekoring van de exotische schoonheid die aan hem verschijnt. Hij verklaart haar zijn liefde en Lakmé is onvoldoende standvastig om hem af te wijzen.

Als haar vader, de priester Nilakantha, ontdekt dat het heiligdom is ontwijd, zweert hij wraak: de indringer moet sterven. Hij draagt Lakmé op om op de markt een lied te zingen teneinde Gérald naar zich toe te lokken en zodoende zijn identiteit te onthullen. Uiteindelijk is het echter niet Gérald maar Lakmé die het kortstondige liefdesavontuur met de dood zal moeten bekopen. Delibes heeft zeer pakkende melodieën geschreven voor koor en orkest en met name in de solostukken van Gérald en Lakmé heeft hij alles uit de kast gehaald om de zangers te laten schitteren.

In oktober 2022 ging deze opéra comique in het huis waar het werk ooit in première ging: Salle Favart in Parijs. Voor die gelegenheid maakte Laurent Pelly een nieuwe productie die alle kenmerken vertoont die hem zo geliefd hebben gemaakt. Het toneelbeeld is eenvoudig maar zeer goed doordacht met doeken waarmee een ruimtelijk effect wordt verkregen, een scherm waarop silhouetten worden geprojecteerd tijdens de aria over de Pariah, een kooi van houten vlechtwerk waarin Lakmé ‘woont’ en sobere kostumering.

De Indiërs lopen in gebroken wit, de Britten in anonieme donkere kleding en Lakmé is gekleed in een witte jurk. Aanvankelijk zijn dat meerdere lagen maar gaandeweg worden ze afgepeld wat haar bewegingsvrijheid zeer ten goede komt. Een minpuntje is de witblonde pruik waarmee Lakmé is getooid, geen enkele Indiase vrouw ziet er zo uit en het doet ook afbreuk aan het uiterlijk van sopraan Sabine Devieilhe.

Tenor Frédéric Antoun weet indruk te maken met zijn vertolking van de in een vreemde andere wereld verstrikt geraakte Gérald. Zoals het een verliefde man betaamt komt hij pas tot stilstand als hij met z’n kop tegen een muur aanknalt. In dit geval is dat metaforisch in de persoon van zijn kompaan Frédéric, mooie rol van bariton Philippe Estèphe, die daarbij wordt geholpen door wat kenmerkende geluiden van een troep militairen in de verte.

Sabine Devieilhe was mij nog onbekend, vooral vanwege haar gebruikelijke repertoire dat wat buiten mijn aandachtsgebied valt, denk aan Rameau, Händel en Bach. Voor deze rol maakt ze haar stem bewust vrij klein, zo heb ik kunnen vaststellen na het beluisteren van een paar youtube fragmenten. Het past ook bij de Comique, je moet daar zelfs een fluisterende zanger kunnen horen. Ze gaat helemaal los maar met complete beheersing: prachtige coloraturen die ijl en bijna etherisch klinken zo nu en dan om vervolgens aan te zwellen tot een volume dat meer geëigend is voor een duet.

Zoals het een Lakmé betaamt, het werk is immers speciaal geschreven voor sterzangeres Marie van Zandt, is deze opname alleen al volledig de moeite waard om Devieilhe in de titelrol te kunnen beleven. Overigens krijgt ze alle ruimte van haar echtgenoot Raphaël Pichon die zijn eigen orkest Pygmalion dirigeert. Liefdevolle begeleiding is de ruimste zin van het woord.

Bariton Stéphane Degout vertolkt de rol van de priester Nilakantha zonder meer goed maar ik had hier liever iemand gehoord die wat barser kan klinken. Mezzo Ambroisine Bré geeft in de eerste akte mooi partij in het Bloemenduet. Leuk om Mireille Delunsch hier terug te zien als Mistress Bentson. Ik koester haar heel bijzondere opname van La traviata. De kleine rol van Hadji komt voor rekening van François Rougier die daar iets heel ontroerends van weet te maken.

Het orkest Pygmalion speelt vooral oudere muziek op periode instrumenten en is in zijn geheel feitelijk het instrument van oprichter Raphaël Pichon. Van dit ensemble maakt ook een koor deel uit en dat is op deze opname natuurlijk ook te horen. De begeleiding is doeltreffend, mooi verzorgd en vooral heel ingehouden. Het komt het totale klankbeeld zeer ten goede.

Eindelijk een nieuwe opname van dit schitterende werk op Blu-ray, ik keek er al jaren naar uit. Zeer aanbevolen.

Over Sabine Devieilhe:

Mirages: Sabine Devieilhe zorgt voor de perfecte illusie

Fotomateriaal ©  Stefan Brion

Meyerbeer’s Robert le Diable from Salerno is unimaginably good!

A little longer and Brilliant Classsics will become a true rival to Opera Rara. They snatch one unknown/unloved/forgotten opera after another from oblivion and their catalogue makes a sincere opera lover’s mouth water. Add to this many recordings of better, or well-known titles that have become classics but have long since disappeared from the market, and it should become clear: Brilliant Classics is a publisher to take seriously. Especially because its price tag is particularly friendly to consumers.

The difference with Opera Rara lies mainly in the very brief presentation at BC. And you don’t have to expect the first and/or complete score of a work with them either.

Meyerbeer’s Robert le Diable, recorded live in Salerno in March 2012, has therefore been updated. Some things have been cut, but what remains is three hours of unadulterated fun, in which you can take turns to horror, grief and love.

The very first performance after World War II – abridged and in Italian – was only in 1968, during Maggio Musicale Fiorentino. The magnificent cast (Merighi, Christoff, Scotto and Malagù) was under the direction of Nino Sanzogno and the live recording was released on a “bootleg”.

Bryan Hymel has pretty much become the face of French Grand Opera by now. After Berlioz’s Le Troyens, he has also included Robert in his repertoire, a role he also recently performed in London.

His firm but supple tenor, with its slightly nasal timbre, also sounds a bit French. Occasionally he reminds one a little of the young Domingo, but for now he lacks his power and, especially in the high part, he is sometimes inclined to ‘bleat’

About Patricia Ciofi I can be brief: phenomenal and breathtaking. With her “Robert, toi que j’aime”, she gives listeners goosebumps and tears in their eyes. Carmen Giannatasio (Alice) is not inferior to her. With a very sublime and movingly sung “Va, dit-elle”, she provides another highlight of the opera.

Alastair Miles is a good Bertram, though one can hear his best years are perhaps behind him; and Martial Defontaine is a very idiomatic Raimbout.

Daniel Oren clearly has “feeling” for the repertoire and is unconditionally committed to it.

Opera Fanatic: road movie with opera stars

In 2008, Arthaus Musik released an extraordinary, outstanding documentary: Opera Fanatic. The eccentric Stefan Zucker travelled through Italy to visit divas of yesteryear. Quite rightly, the film won awards.

“We live in an age of Barbie doll opera singers, who look good, move nicely, but lack charisma. What we need are singers with hair under the armpits!”

It is just one of the quirky sayings of Stefan Zucker, an opera fanatic of the first hour, and, by his own admission, the “highest tenor voice ever”. Whether it is true? I wouldn’t know, but his whispered voice sounds downright laughable. Could he possibly be eunuch, too?

He is also a very irritating little man in search of gossip and thrills, but thanks to him we get to visit the great divas of bygone times: Anita Cerquetti, Fedora Barbieri, Giulietta Simionato, Magda Olivero, Leyla Gencer, Marcella Pobbe …

Marcella Pobbe

Fedora Barbieri



Not all ladies are keen on talking to him or answering his impertinent questions (fair’s fair: I can really enjoy those anyway), but with a few grappas in them, they suddenly go wild. He seduces them into the most remarkable statements and we are treated to footage and sound clips of their performances.

The film was made by Jan Schmidt-Garre in 1999 and has since won quite a few awards at various film festivals. Rightly so. It has become a bit of a road movie, but with opera stars in the leading roles.

To my great shame and embarrassment, I must confess that it was the first time I had heard of Carla Gavazzi, but by now I have more than made up for this shortcoming.

Carla Gavazzi


What a voice, what a singer! And for me definitely the best Santuzza (Cavalleria Rusticana) ever.

Highly, highly recommended!!!!!!!!!!!

How Talitha was raised from the dead

In the late nineteenth century, Ermanno Wolf-Ferrari fell under the spell of church music composer Don Lorenzo Perosi, with whom he also became friends. It was also under Perosi’s influence that Wolf-Ferrari composed his cantata Talitha Kumi and the choral work La passione.

The latter, which was based on ancient Italian folk poetry, Wolf-Ferrari also dedicated to his friend. The beautiful youthful work ‘Otto cori’ also betrays the composer’s great love for Renaissance music.

Talitha Kumi!” means “Get up!” in Aramaic. It is a quote from the Gospel of Mark which tells the story of Talitha, the daughter of Jairus. She is dying and in his despair – and hope for a miracle – Jair goes to seek help from Jesus. When Jesus reaches the house of Jairus, the girl is already dead, yet he manages to raise her from the dead.

Resurrection of the daughter of Jairus, by Victor-Oscar Guétin, 1902.

It is the evangelist who carries the story of the work: tenor Rainer Trost sings his text very impressively and manages to keep the listener glued to his every word. Jairus and Jesus have relatively little to do, but both roles are excellently performed here by baritone Joan Martín-Royo. The choir and orchestra have no more than a contemplative role. Call it a ‘colour-wash’ background.

Zeer geslaagde Siberia uit Bregenz uitgebracht op Bluray

Tekst: Peter Franken

Het succes van Fedora uit 1898 met zijn Russische verhaallijn bracht Giordano ertoe opnieuw een werk in die setting te schrijven. Dat werd Siberia op een libretto van Luigi Illica. De opera had in 1903 première in La Scala en was gedurende een tiental jaren redelijk succesvol. Daarna raakte het werk in de vergetelheid. In 2022 stond er een nieuwe productie van Siberia op het programma in Bregenz. De regie was in handen van Vasily Barkhatov en een opname van de première is door Unitel uitgebracht op Bluray.

Schijnexecutie van de Petrasjevtsy, illustratie uit ‘Dostojevski’, Leonid Grossman (1963)

De handeling speelt zich grotendeels af in een strafkamp in Siberië en haalt zijn inspiratie uit Dostojevski’s Aantekeningen uit het dodenhuis, vooral bekend van Janaceks opera. De eerste akte is feitelijk een theatraal vehikel dat ten doel heeft de protagonisten vanuit Sint Petersburg in Siberië te krijgen. Giordano maakte het zijn librettist Illica volstrekt duidelijk. Hij wilde geen historische opera met aandacht voor ‘actuele zaken’ als Socialisme, Nihilisme en Antiklerikalisme maar gewone romantiek: een vrouw tussen twee mannen. Het strafkamp was niet meer dan de hardvochtige sociale omgeving waarin de heldin ten onder zou gaan, zoals Violetta in de ‘woestijn die Parijs werd genoemd’.

Het draait om Stephana, een vrouw die als jong meisje is ontdekt door Gléby die haar eerste minnaar werd en haar vervolgens omvormde tot een verdienmodel. Dat heeft succes gehad, ze woont in een huis dat haar geschonken is door Vorst Alexis; vele welgestelde minnaars zijn hem voorgegaan. Maar Stephana gaat incognito de stad in en de jonge officier Vassili wordt op slag verliefd op dit onschuldige meisje dat de kost verdient met borduurwerk. Als hij toevallig in Stephana’s huis komt om zijn peetmoeder te begroeten loopt alles mis. Deze Nikona is in dienst van Stephana en door een ongelukkig toeval bevinden zich ook Gléby, Alexis en zijn gevolg aldaar. Vassili doodt Alexis, wordt veroordeeld en Stephana reist hem na als ‘vrijwillig gedetineerde’.

Als Gléby ook in dat kamp opduikt zijn de rapen gaar. Hij wil zijn vroegere protégée meenemen, kent een ontsnappingsroute. Als ze weigert maakt hij ten overstaan van de gevangenen alles bekend over haar verleden als courtisane, tot verbijstering van Vassili. Ze geeft echter geen krimp, beschuldigt hem op zijn beurt van bedrog en uitbuiting. Als ze met Vassili wil ontsnappen via de route die Gléby heeft aangegeven, slaat deze alarm. Stephana wordt neergeschoten en sterft in de armen van haar geliefde.

Barkhatov maakt geen gebruik van live videobeelden, bless him. Maar helemaal zonder filmbeelden bleek toch een brug te ver in een hedendaagse productie. Het verhaal wordt omlijst door een raamvertelling waarin een oude vrouw begin jaren ’90 op zoek gaat naar het verleden van haar familie. Ze reist van Petersburg naar Siberië en als ze de plek heeft gevonden waar ooit het strafkamp stond waar haar ouders zijn omgekomen, strooit ze daar de as uit van haar overleden broer. Die urn heeft ze de hele tijd in haar arm geklemd, ze laat hem geen moment uit het oog. De plek in kwestie is nu een eenvoudige kinderspeelplaats tussen typische ‘oostblok’ woonflats. Het lijkt een verwijzing naar de situatie is Berlijn waar zich een kinderspeelplaats bevindt boven de  vroegere Führerbunker, omringd door DDR Plattenbau. 

Het decor van de eerste akte wordt met schuifwanden en andere kleine aanpassingen geschikt gemaakt voor de twee volgende. Om die raamvertelling een plek in het geheel te geven speelt akte 2 zich niet af op een treinstation maar in een archief. De oude vrouw mag daar op zoek gaan naar haar familie. Om het niet moeilijker te maken dan strikt noodzakelijk krijgt ze en passant de tekst van ‘la fanciulla’ te zingen, een meisje dat in het vervolg van het verhaal geen rol meer speelt. De kostumering is een beetje onbestemd maar uit de film kunnen we afleiden dat die vrouw een jaar of tachtig is. Barkhatov laat haar geboren worden in het strafkamp evenals een wat ouder broertje. Daarmee situeert hij de handeling in de nadagen van het tsaristische Rusland.

Dat Stephana haar Vassili louter en alleen uit liefde nareist om het leven in een strafkamp met hem te delen wordt door Barkhatov met een korreltje zout genomen. Hij toont haar hoogzwanger op dat treinstation ergens in Siberië waar ze een kapitein geld geeft in ruil voor informatie over Vassili’s eindbestemming. Ze heeft haar rijke leven vaarwel gezegd en ‘alles’ aan de armen gegeven maar voldoende contant geld meegenomen om te kunnen overleven.

Het kampleven wordt treffend weergegeven maar geweldsexcessen blijven nadrukkelijk achterwege, het moest immers een romantische opera zijn? De muziek is heel herkenbaar voor de luisteraar die bekend is met Chénier en Fedora. Een beklijvende hit ontbreekt maar het werk kent meerdere fraaie monologen en duetten. In de tweede en derde akte wordt veelvuldig geciteerd uit het lied van de Volgaslepers, een Russische traditional.

De Canadese sopraan Ambur Braid geeft schitterend gestalte aan de gedoemde heldin die zoals zo vaak haar verleden niet kan ontlopen. Ze acteert zeer geloofwaardig en haar zang is van begin tot eind op hoog niveau. In de eerste akte is ze nog een roekeloze verliefde vrouw die tot haar ontzetting alles in duigen ziet vallen. Maar door zich ‘te bekeren’ tot de echte liefde en Vassili na te reizen om zijn lot te delen, transformeert ze in een powerhouse dat Gléby overtuigend van repliek dient en de sympathie van haar medegevangenen weet te verwerven.

Tenor Alexander Mikhailov zet een solide Vassili neer, uitstekend gecast door Barkhatov die hem kort daarna ook een rol gaf in zijn productie van Charodéyka in Frankfurt. In die opera zong hij Prins Yuri die het enige liefdesduet van het werk voor zijn rekening neemt. Weliswaar met zijn moeder, maar toch. In Siberia is hij een goed acterende lover die na een kort moment van ontzetting de situatie toch weer weet te accepteren, zowel in de confrontatie met Prins Alexis als met Gléby.

De Gléby van Scott Hendricks is gemaakt charmant en manipulatief in de eerste akte, rancuneus in de derde. Enge man, mooi gedaan. In de kleinere rollen vallen vooral Frederika Brillembourg als een bezorgde Nikona en Omer Kobiljak als de onfortuinlijke Alexis op. De rol van de oude vrouw die ook nog even zingt komt voor rekening van Clarry Bartha.

De muzikale leiding van Valentin Uryupin completeert het succes. Hij dirigeert de Wiener Symphoniker en het Praags Philharmonisch Koor. Een echte aanwinst de opname.

Trailer van de productie:

https://www.youtube.com/watch?v=NmLIPo3DvYQ

Fotomateriial : © Karl Forstner/ Bregenzer Festspiele

Il Proscritto:  Opera Rara brengt een fantastische nieuwe Mercadante

Tekst: Lennaert van Anken

Saverio Mercadante (1795 – 1870) is helaas niet voor iedereen een gangbare naam in de operawereld. Deze Italiaan was na Rossini, Bellini en Donizetti de belangrijkste operacomponist in de periode voordat Verdi de theaters binnendrong. In zijn lange bestaan schreef hij in totaal circa 50 opera’s, waarvan het merendeel viel in de tijdsspanne van 1820 tot 1850. In deze periode ontwikkelde de Italiaanse opera in een rap tempo. Rossini was in 1820 nog regerend operacomponist, terwijl Verdi in 1850 werkte aan zijn Rigoletto. Met name in de jaren 1840 tot 1850 was Mercadante de meest toonaangevende componist in Italë. Rossini had na zijn Guillaume Tell in 1829 zijn opera carrière aan de wilgen gehangen. Bellini was in 1835 vroegtijdig overleden en Donizetti was rond 1845 te veel door syfilis geveld, waardoor hij geen invloed meer had.

De werken van Mercadante zijn helaas redelijk snel van het podium verdwenen door met name de populariteit van Verdi die immens populair was na het succes in 1842 van zijn Nabucco. Vanaf de jaren 1850 was de populariteit van Verdi zo groot, dat Mercadante ook steeds minder in staat was opera’s aan zijn palmares toe te voegen. Zijn belangrijkste bijdrage volgde direct na zijn Parijse avontuur: op uitnodiging van Rossini debuteerde de componist met de opera I Briganti in het Teatre Italien. Hoewel geen echt succes, ondanks een sterrencast bij de wereldpremière, was het bezoek aan Parijs wel van onderscheidend belang, want aldaar maakte Mercadante kennis met Les Huguenots van Meyerbeer die in dezelfde periode zijn wereldpremière beleefde. Deze opera inspireerde Mercadante, waarna hij zijn grootste succes behaalde met zijn opera Il Giuramento, tot vandaag de dag zijn meest bekende, meest gespeelde en meest opgenomen opera.

Het prachtige platenlabel Opera Rara zet zich al jaren in om onbekende opera’s uit met name de belcanto periode weer nieuw leven in te blazen. Zo verschenen bij dit label van Mercadante reeds opnames van Maria Stuarda, Zaira en I Normanni a Parigi (highlights), Emma d’Antiochia, Orazi e Curiazi en Virginia (compleet). Allemaal zeer gewenste uitgaves die een beter beeld van de veelzijdigheid van de componist hebben gegeven. Onlangs voegde ze een opname van de opera Il Proscritto toe aan de catalogus. De opera, op een libretto van Salvadore Cammarano (bekend van o.a. Lucia di Lammermoor, Il Trovatore en Roberto Devereux), ging op 4 januari 1842 in Naples in wereldpremière. Één van zijn latere werken.

https://opera-rara.com/donor-portal-il-proscritto

Het verhaal van de opera is wat melodramatisch en leent zich niet echt goed voor een geënsceneerde uitvoering. De opera speelt zich af in het midden van de 17de eeuw in Schotland, tijdens de regeling van Oliver Cromwell en handelt over Malvina Douglas, de dochter van Anna Ruthven. Malvina was getrouwd met Giorgio Argyll, maar men denkt dat hij is omgekomen bij een schipbreuk. Anna en haar zoon Guglielmo hebben Malvina overgehaald om een nieuw huwelijk aan te gaan met Arturo Murray, een aanhanger van Cromwell (dat in tegenstelling tot haar vermeend overleden echtgenoot). De opera vangt aan op de dag dat het nieuwe huwelijk plaats zal vinden.

Uiteraard treedt haar voormalige echtgenoot, Giorgio, ten tonele voordat het huwelijk zal voltrekken. Enkel Malvina herkent hem, waardoor er algehele constellatie ontstaat. Malvina, zich inmiddels voorbereidend op haar nieuwe huwelijk, was langzaam reeds gewend geraakt aan het idee te hertrouwen. Giorgio erkent aan Arturo dat hij ook verliefd is op Malvina, waarmee de heren officiële rivalen van elkaar zijn in het verdere verloop van de opera. Giorgio smeedt het plan om met Malvina te vluchten, maar op het moment dat twee echtlieden willen vertrekken, worden ze betrapt, waarna Giorgio zijn ware identiteit uit de doeken doet. Malvina, overmand van wisselende emoties, omdat ze inmiddels ook houdt van Arturo, besluit omdat ze geen uitweg meer zit vergif in te nemen, waarmee de opera eindigt.

Ondanks dat de opera wellicht niet echt interessant is om op de bühne te brengen, is de nieuwe cd opname toch een niet te versmaden aanwinst. De muziek is Mercadante op zijn best. Grootse ensembles, fonkelende duetten, Indrukwekkende aria’s, het ene hoogtepunt na het andere passeert de revue.

Opera Rara heeft ook voor deze uitgave een uitstekende bezetting weten te verzamelen. De rivaliserende tenoren zijn dat niet alleen in het verhaal, maar ook zeker in hun zang. De inmiddels 63-jarige Ramón Vargas, die de rol van Giorgio zingt, heeft zijn mooie lyrische tenor goed in takt weten te houden. Hij klinkt nog precies gelijk als dertig jaar geleden. Erg knap. Hij klinkt zo jeugdig en fris als zijn 30-jarige rivaal, de tenor Iván Ayón-Rivas, die de rol van Arturo voor zijn rekening neemt. Hun duet is dan ook verzekerd van een fonkelend succes.

Carlo Rizzi met Ramón Vargas and Iván Ayón-Rivas. Photograph: Russell Duncan

Maar ook de vrouwenrollen zijn uitstekend bezet. Elizabeth DeShong zet met haar kruidige alt-stem een prachtige Odoardo neer. De cabaletta van haar aria in de tweede akte is een van de hoogtepunten. Maar ook Irene Roberts is niet te versmaden als Malvina. Jammer dat zij geen echte grote solo heeft te zingen. Hetzelfde geldt voor de uitstekende Sally Matthews, die regelmatig wonderen verricht in Brussel. Hier heeft ze de bescheiden rol van de moeder Anna Ruthven.

Het orkest (Britten Sinfonia) en het uitstekend zingende Opera Rara koor staat onder de bezielende begeleiding van Carlo Rizzi, die in Amsterdam natuurlijk een graag geziene gast was. Het is jammer dat hij niet meer in de picture lijkt bij DNO.

Teaser:  

meer Mercadante:

Il Giuramento: een aaneenschakeling van de mooiste melodieën, die je dwingen te luisteren

Wereldpremière van Mercadante’s Francesca da Rimini

Didone Abbandonata als muzikale kennismaking met Mercadante