opera/operette/oratorium/koorwerken

Bellini’s Bianca e Fernando door Dynamic voor het eerst op Bluray uitgebracht

Tekst: Peter Franken

In het theater Carlo Felice Genova ging in het najaar van 2021 een nieuwe productie van Bellini’s tweede opera, oorspronkelijk Bianca en Gernando geheten.

Set design for act 1, sc. 1 ((Alessandro Sanquirico, 1828)

Bij gelegenheid van de opening van het nieuwe operatheater Carlo Felice in 1828 werd de jonge Bellini de eer gegund een opera te leveren. Na het succes van Il Pirata in Milaan het jaar daarvoor was Bellini een rijzende ster en sowieso wilde men in Genua niet achterblijven bij Milaan waar het ging om nieuwe ‘ontdekkingen’.

Lo spartito autografo di Bellini dell’opera «Bianca e Fernando» ritrovato all’Istituto mazziniano di Genova – Museo del Risorgimento di Genova

Niettemin kwam men er toch een beetje bekaaid vanaf. Bellini nam niet de moeite een compleet nieuw werk te schrijven maar gebruikte de opera die hij kort voor Il Pirata had gecomponeerd: Bianca en Gernando op een libretto van Domenico Gillardoni. Dit werk was met veel succes in San Carlo te Napels opgevoerd. Op tekst van Felice Romani, de librettist van Il Pirata, voegde Bellini een aantal passages toe, liet een groot ballet weg en ziedaar: een nieuwe opera ook al scheelde het in de titel maar één letter.

Het succes in Genua was er niet minder om al werd het werk al spoedig overschaduwd door Bellini’s latere opera’s. Het zelfde lot was Il Pirata overigens beschoren. Tot op heden is daarvan geen enkele opname op dvd of Bluray uitgebracht. En dat terwijl Bellini’s eersteling Adelson e Salvini door toedoen van Teatro Pergolesi di Jesi die eer al in 2017 te beurt was gevallen.

De verhaallijn van Bianca e Fernando heeft veel gemeen met die van Il Pirata: een dood gewaande erfgenaam komt aan land met een klein legertje, wint het vertrouwen van een usurpator en weet hem te verdrijven. Er doorheen loopt de ingénue die vooral een vocaal aandeel in het geheel heeft. In dit geval is dat Bianca, dochter van de eveneens dood gewaande hertog Carlo van Agrigento en zuster van haar op wraak beluste broer Fernando die Bianca van verraad beschuldigt omdat ze het heeft aangelegd met Filippo die haar moest beschermen tegen haar vijanden die overal op de loer liggen. Een vrouw alleen op de hertogelijke troon is immers kwetsbaar.

Wat Bianca niet weet is dat haar vader nog leeft en door Filippo al die tijd onder erbarmelijke omstandigheden gevangen wordt gehouden. Nu die nieuwkomer Adolfo hem heeft verzekerd dat Fernando dood is, durft Filippo het aan Carlo te vermoorden. Degene die wraak zou kunnen nemen is overleden, niet wetend dat hij dit geheim zojuist heeft gedeeld met niemand minder dan Fernando. Na de nodige verwikkelingen zegeviert het recht en kan Filippo de afrekening tegemoet zien in een kerker.

Hugo de Ana voert de regie en heeft tevens een werkelijk schitterend decor ontworpen. Ook de zeer stemmige kostuums zijn van zijn hand. Een en ander vond plaats midden in de corona tijd met alle beperkingen van dien. Het decor heeft de vorm van een open enigszins toelopende cilinder die door middel van geprojecteerde lijnen heel overtuigend de indruk wekt van een doorschijnende bol. Figuranten klimmen het gekromde vlak op en neer met behulp van touwen en ongetwijfeld stroeve schoenzolen.

In de bol staan de nodige rekwisieten: een Copernicaans stelsel van koperkleurige bollen, later een omgevallen piano en verder nog losse attributen. De zangers staan veelal voor de bol maar soms ook wel even erin. Figuranten zorgen voor actie tijdens de lange aria’s. Ze doen dit met eenvoudige middelen zoals een heel lang touw waarmee een zanger wordt omwikkeld en weer bevrijd.

Heel doeltreffend allemaal. De figuranten nemen de plaats in van de koorleden die op een brug voor de bol langs staan opgesteld in een soort laboratoriumkleding waardoor hun mondkapjes minder gekunsteld overkomen. De Ana heeft een productie gecreëerd die zijn enorme reputatie alle eer aandoet en tegelijkertijd op onopvallende wijze de toen geldende beperkingen weet te incorporeren. Van alle ‘covidproducties’ uit die tijd die ik op dvd heb gezien is dit de meest succesvolle.

De cast mag er zijn, zangers die hun sporen in meerdere grote operahuizen hebben verdiend.

Salome Jicia is een bewonderenswaardig mooie Bianca, prachtige vertolking en in het grote duet met Fernando in de tweede akte ook goed acterend in de weer. Veiligheidshalve laat de regie hen niet te dicht bij elkaar in de buurt komen, dat moeten we incalculeren. In dat duet bombardeert Fernando haar met verwijten en alleen doordat hij de indruk krijgt dat haar tranen ‘echt’ zijn laat hij af en sluiten ze vrede. Nu komt het er op aan Filippo voor zijn daden te straffen.

Die taak is weggelegd voor Giorgio Misseri, de tenor uit de titel. Bellini heeft hem in zijn aria’s een paar extreem hoge noten te zingen gegeven die ik altijd afdoe als Rossiniaanse brandweersirenes. Hij slaat zich daar aardig doorheen en de rest van zijn partij zingt Misseri met ogenschijnlijk gemak.

De rol van stoorzender en slechterik is toebedeeld aan de bas Nicola Ulivieri die zeker in zijn solostukken volstrekt de show weet te stelen, mooie rijzige gestalte, baardige potentaat in bijpassende chique kledij en een stem die dat allemaal geheel bevestigt: het complete pakket. Koor en orkest van Carlo Felice staan onder leiding van Donato Renzetti.

Een must voor elke Bellini liefhebber die zijn of haar collectie wil completeren.

Fotomateriaal © Marcello Orselli

va

Eva-Maria Westbroek and her Sieglindes

In the MET ©Ken Howard

Aix-en-Provence 2007



In July 2007, Die Walküre  premiered in Aix-en-Provence, an extraordinary event. Not only was it Simon Rattle’s (and Aix’s) first Ring, it also marked a truly sensational debut of ‘our’ Eva-Maria Westbroek at the festival.


Stéphane Braunschweig’s production was highly ingenious, with lots of glass and steel. And yet nowhere did he break with tradition. Wotan (a beautiful, very humane and fragile Willard White) was very much like a spectator from the very first scene, literally watching everything and everybody and sort of playing a game of Stratego with his ‘pawns’ at the beginning of the second act.

The young Mikhail Petrenko (Hunding) bore a strong resemblance to Putin, adding to the grim character of his role.

After a firm start, Rattle kept the orchestra supple and light. It gave the beautifully sung ‘Winterstürme’ by Robert Gambill an almost belcanto-like character, and the love duet that followed sounded naturally innocent.

Eva-Maria Westbroek and Robert Gambill


Westbroek’s voice – radiant, voluminous and yet very lyrical – has thousands of nuances, giving a different colour to all of her character’s feelings (love, sadness, joy, innocence and longing) (BelAir BAC 034).




Bayreuth



In 2009, Opus Arte recorded Christian Thielemann’s complete Ring in Bayreuth and released it on CD a year later (OA CD900B D). I was particularly happy with it. The sound was superb and the scoring phenomenal, with Eva-Maria Westbroek in Die Walküre as Sieglinde and Endrik Wottrich as Siegmund.

©Enrico Nawrath


Fortunately, Opus Arte released the production on CDs, because I understood from reviews, reports and excerpts that the production was a total failure. In fact, it was so bad that the audience was too tired to boo.


The circumstances were not optimal either. Lars von Trier returned the assignment to direct the Ring at the last minute, so the job ended up in the hands of Tankred Dorst. And Dorst is a renowned playwright but he is not an opera director.
Tankred_
So can anyone tell me why Opus Arte still recorded Die Walküre on DVD in 2010 (OA 1045 D)? Albert Dohmen (Wotan) and Linda Watson (Brünnhilde) are good and Thielemann conducts beautifully, but a year earlier they had also been present. Edith Haller was promoted from Helmwige to Sieglinde, which I have reservations about. Johan Botha (Siegmund) is a matter of taste.



Frankfurt 2010

On 28 April 2012, two Dutch stars sang like angels in Die Walküre at New York’s Metropolitan Opera. At the side of his wife Eva-Maria Westbroek, Frank van Aken made his unexpected debut at the famous opera house as a last-minute substitute.

Frank van Aken and Eva-Maria Westbroek in the MET ©Ken Howar

Anyone listening to BBC 3 could witness it (no, NTR was not there). There was no recording made of it, although I have every confidence in the pirates.

© Monika Rittershaus

It was not the first time that the Westbroek/Van Aken couple performed as Siegmund and Sieglinde. In 2010, they sang the roles to huge acclaim in Frankfurt. Oehms (OC 936) recorded the performance live and we should be very happy about that. Not only because our star singers were finally immortalised on CD – and then together! – but also because of the truly fantastic music and singing



.

Susan Bullock was a truly irresistible Brünhilde and Terje Stensvold an impressive Hunding. Big part in the success was also conductor Sebastian Weigle.



https://www.operaonvideo.com/die-walkure-frankfurt-2012-weigle/

New York 2013



Westbroek also featured in the Metropolitan Opera’s new production of the Ring (the one with ‘the machine’). Her Siegmund was sung peerlessly by Jonas Kaufmann and Deborah Voight was a radiant Brünhilde.

Jonas Kaufmann as Siegmund and Eva-Maria Westbroek as Sieglinde in Wagner’s “Die WalkŸre.”
Photo: Ken Howard/Metropolitan Opera




Westbroek sings ‘Du bist der Lenz’:



Robert Lepage was the director and as such also responsible for the machine that occasionally faltered. (Near) accidents also happened – fortunately all with a happy ending. But just imagine… The production won the ‘classical Grammy’ in the opera category. Rightly so? Opinions are divided on that.



Plácido Domingo interviews Westbroek and Kaufmann:


Bieito’s Carmen wordt 25 jaar

Tekst: Peter Franken

In de zomer van 1999 ging tijdens het Peralada Festival nabij Girona de inmiddels befaamde Carmen van Calixto Bieito in première. Het was een coproductie met Opera Zuid, iets dat in latere aankondigingen is weggemoffeld ten gunste van internationaal meer aansprekende operagezelschappen.

De première voor Opera Zuid vond plaats op 6 mei 2000 in Maastricht en zelf zag ik deze Carmen van die volstrekt onbekende regisseur in Rotterdam. Als jong beginnend talent had men hem uitgenodigd om Haydns Il mondo della luna te regisseren, een productie die op 27 februari 1999 première had, eveneens in Maastricht. Het is dus niet overdreven te stellen dat Opera Zuid aan de wieg heeft gestaan van Bieito’s internationale carrière.

Meer info over de Carmen voorstellingen van Opera Zuid

https://operazuid.nl/voorstelling/carmen-2000/

Als we uitgaan van de jaartallen viert Bieito’s Carmen dit jaar zijn zilveren jubileum en in die 25 jaar is de productie in minstens evenzovele landen te zien geweest en in meer dan 70 theaters.

 

Kort geleden was er nog een herneming in het Liceu en van een eerdere reeks in dat theater werd in 2011 een opname op dvd uitgebracht. Dat biedt de gelegenheid dit cultproduct, want dat is het inmiddels wel, nog eens te bekijken. De titelrol werd indertijd vertolkt door Béatrice Uria-Monzon en Roberto Alagna was de man wiens burgerlijk bestaan ze in korte tijd wist te verwoesten. In een toelichting schreef Bieito daarover:

‘Carmen is a personality who loves life and lives it without constraints. She finds joy in discovering her own limits and those of the people around her. All of this comes from within; she has no need to construct a separate personality for it. She cannot even see herself from outside. She is an instinctive human being with her own simplicity and her own complexity. She is simultaneously intuitive, coarse, passionate, melancholy and sensitive.’

Bieito situeert de handeling in de nadagen van het Franco regime, begin jaren ’70. Macho gedrag gevoed door testosteron neemt het op tegen een overvloed aan vrouwelijke feromonen en manipulatie, kortom een cocktail die garant staat voor een tamelijk rauw spektakel waarin geen plaats is voor versluierende teksten. Bieito heeft de dialogen dan ook vrijwel allemaal gecoupeerd. Er wordt slechts gesproken als de voortgang van de handeling dat absoluut noodzakelijk maakt en dat is verrassend genoeg bijna nergens het geval. De wijze waarop Carmen de ongeïnteresseerde Don José benadert is puur lichamelijk, er komen geen woorden aan te pas.

Het toneelbeeld is zeer sober maar dat zal zeker niet alleen een regiekeuze zijn geweest. Een productie voor een kortdurend festival en een klein operagezelschap is gebaat bij eenvoud om de kosten te drukken. Het werkt echter wonderwel en nu ik het na zoveel tijd weer eens heb teruggezien moet ik vaststellen dat we hier Bieito op zijn best zien. Geen toiletpotten op het toneel, geen overmaat aan naakte mannen of halfnaakte vrouwen, een minimum aan toneelgeweld. De enige die het echt voor zijn kiezen krijgt is Zuniga die in elkaar wordt getremd achter de Mercedes die de plaats inneemt van Lillas Pastia’s taveerne. Ach, hij vroeg er ook om, die onwelkome late gast. En het gebeurt uit het zicht van de toeschouwers.

Bij aanvang staat Carmen in een telefooncel te oreren. Met het nodige misbaar gooit ze de haak erop, haar minnaar heeft zijn congé gekregen, tijd voor een nieuwe. Behalve die cel is er slechts een vlaggenmast op het toneel, met een Spaanse vlag die bij aanvang van de laatste akte nog even gebruikt zal worden als badlaken door een zonnebadende figurante in bikini. Tja, Bieito is een Catalaan en zo’n plaagstootje is nooit weg, leuk voor later.

Een Mercedes is natuurlijk de ultieme zigeunerbak en als zodanig goed gekozen. Je kan er van alles mee, in zitten, op zitten, overheen klimmen, wie heeft dan nog een kroegdecor nodig?

Opvallend is de grove wijze waarop de smokkelaars Carmen proberen te dwingen met hen mee te gaan op hun komende missie. Maar ze geeft geen krimp, is net zo gehard in het leven als die mannen. Dat ze daarnaast ook het ultieme vrouwelijke rolmodel kan vertolken maakt haar tot een ‘compleet pakket’, een vrouw met onbegrensde mogelijkheden.

Uiteindelijk is het haar bijgelovigheid die haar de das omdoet, tegen het lot kan en wil ze nu eenmaal niet vechten. Dat bepaalt ook de afloop: Don José smeekt haar om hem niet te verlaten zodat hij haar niet hoeft te doden. Maar zij heeft allang geaccepteerd dat deze man haar dood zal worden, de kaarten liegen niet. Dus volhardt ze in haar besluit.

In de slotakte laat Bieito een andere Carmen zien, niet langer gepantserd en manipulatief maar eerder begrijpend en ook een beetje bezorgd. Ze draagt een jurk waarin je naar de kerk zou kunnen, de zigeunerin als burgervrouw. Ze houdt vast aan haar besluit: haar liefde voor Don José is voorbij, definitief, valt niets meer aan te veranderen. Maar ze wijst hem niet hard en snerend af zoals je wel vaker ziet maar bijna troostend. Opmerkelijk dat je zonder de gezongen tekst te veranderen een geheel ander beeld van de situatie kunt geven. We kunnen het zien als ‘the first touch of the master’.

Carsens Carmen in Amsterdam, de koorscène

Sommige regisseurs leggen ten onrechte de nadruk op de aanwezigheid van omstanders. Dat leidt tot wangedrochten met figuranten en koorleden op tribunes. De productie van Robert Carsen voor DNO is het ultieme voorbeeld.

Koorscène in Barcelona:

In werkelijkheid is de handeling op de bepalende moment zeer intiem. Bijvoorbeeld als Don José zijn opwachting maakt in akte 2. Carmen stuurt iedereen weg en gaat dan voor hem dansen en zingen. Als hij wil vertrekken vanwege het réveil manipuleert ze hem net zo lang tot hij toch blijft. En om te zorgen dat hij zich niet alsnog kan bedenken kleedt ze hem uit, trekt een rood slipje van onder haar rok vandaan en bestijgt hem. Uiteindelijk gaat alles om ‘faire l’amour’ en in deze houding kan hij niet meer vluchten. En dan komt Zuniga roet in het eten gooien .

Marina Poplavskaya laat een verliefde Michaëla zien die haar gevoelens voor Don José niet onder stoelen of banken steekt. De kus van zijn moeder wordt gewoon haar eigen kus, vol op zijn mond. Met kennis van het verdere verloop van Poplavskaya’s carrière valt niet te ontkennen dat de sleet er toen al een beetje inzat. Haar vertolking is redelijk maar niet meer dan dat, de bijna obligate open doekjes waar Michaëla patent op lijkt te hebben ten spijt.

Ook Erwin Schrott als Escamillo brengt niet wat ik van hem verwacht had. Zijn zang is vlak en hij weet er geen moment het macho karakter van zijn personage mee op te roepen. Misschien een slechte avond? Acterend blijft hij steken in de rol van een toevallige passant al komt dat mede door het couperen van zijn gesproken tekst.

De twee hoofdrollen daarentegen zijn ideaal bezet. Roberto Alagna is een perfecte Don José, geweldig goed bij stem en overtuigend acterend. Het viel me op hoe lenig hij is, Schrott ook overigens. Beide heren spelen hun gevechtsscène terwijl ze zich over de daken en motorkappen van een stel auto’s bewegen.

Béatrice Uria-Monzon is een prachtige Carmen, een rol die ze over de gehele wereld heeft gezongen. Voor Bieito’s versie van het personage is ze de perfecte bezetting. Ze is mooi en oogt jong genoeg om voor een wilde zigeunermeid door te gaan en acterend brengt ze alles dat Bieito heeft beoogd, afgaande op het citaat hierboven. Zingen kan ze ook, als de beste, maar het is vooral het complete Carmen pakket dat haar optreden tot zo’n groot succes maakt.

Behalve die telefooncel en de Mercedes kon ik me niets meer van deze productie herinneren. Nu ik hem terugzie moet ik vaststellen dat het een van de allerbeste Carmens is uit de recente geschiedenis. Aanbevolen om eens terug te kijken, vooral voor ‘Bieito haters’.

Trailer van de productie:

Excellent production of Szymanowski’s Król Roger from the ROH , London

Król Roger in Teatr Wielki in Warsaw, 1926. Act 1.
© Jan Malarski / „Tygodnik Ilustrowany”


Not so long ago ago, one of the leading Dutch music critics (no, I’m not going to name names) wrote:
“Karol Szymanowski, a composer from whom few pieces have held repertoire, still experienced his Król Roger being put on in the 1920s. Later, his semi-destillates from Nietzsche’s Geburt der Tragödie, Euripides’ Bacchants and Shakespeare’s Lear, disappeared from view altogether. One cannot ultimately blame the great eclectic Szymanowski, maybe only the fact that he wanted an opera so badly.”

He was not alone in this: because his works betrayed a variety of influences, Szymanowski was long mistaken for an eclectic, an insult at the time.

Król Roger in Teatr Wielki in Warsaw, 1926. Act 2.
© Jan Malarski / „Tygodnik Ilustrowany”


Times are changing. Szymanowski is now counted among the greatest composers of the early twentieth century and his works are always being performed on concert stages and recording studios.

His Król Roger, a poetic opera full of symbolism and perfumed with myrthe has – rightly – achieved true cult status. Take the opening chorus alone! The softly emerging “Hagios, Kyrios, Theos Sabaoth”, sung by the immense choir, with the added high voices of the boys’ choir, rivals Verdi’s Requiem.



The performance at Covent Garden, directed by Kasper Holten and conducted by Antonio Pappano was a true triumph for all involved. Holten depicted the opera as a kind of journey of the protagonist into the deeps of his psyche. Figuratively, but also literally. Everything takes place in Roger’s head, so it is a huge head that dominates the stage and also acts as his palace if necessary.
It made me speechless.

That the opera is enigmatic is rather obvious. The libretto by Jaroslaw Iwaszkiewicz is rather pompous and the text is, even for Poles, difficult to understand and unpronouncable. Big kudos to the Polish coach (Marek Ruszczyński) who made all the singers sound as if they were native speakers.

Saimir Pirgu (Pasterz) was the biggest surprise of the evening for me. His voice sounded cultured and seductive and his entire performance was a delight to the ear and to the eye,

Georgia Jarman was a very good Roxana: her cantilena in the first act went deeply into my heart.

Roxana’s Song:



Mariusz Kwiecień was one of the best Roger’s of our time. It is a role he has made his own and which no one can take away from him. In fact, I am struck by how differently he performs the role in different productions!


Kim Bagley was an excellent Edrisi and Agnes Zwierko is a luxurious choice for Dyakonissa. Highly recommended, this recording!


Below is an introduction to the opera:

One of the best recordings of the opera from Teatr Wielki in Warsaw dated 23.11.1965

— 

Charodéyka van Tsjaikovski oftewel La Fiamma op zijn Russisch uit Frankfurt. Is ‘liefde’ het toverwoord?

Tekst: Peter Franken

Charodeyka: scènefoto afkomstig van de Russische film uit 190, geregisseerd door Pyotr Chardynin en Vasisli Goncharoev

Deze zelden gespeelde opera van Tsjaikovski had in 1887 première in het Maly theater te Sint Petersburg. In december 2022 was het te zien in Frankfurt. De nieuwe productie van Vasily Barkhatov met Asmik Grigorian in de titelrol bleek zonder meer een pleidooi voor deze onbekende opera. Zeer recent is hiervan een opname door Naxos op dvd en Bluray uitgebracht.

Hoewel zeer verschillende personages hebben Natasja in Charodéyka en Tatiana in Onegin wel degelijk iets gemeen. Beiden zijn verliefd op een persoon die ze niet echt kennen, zien op afstand een man door een roze bril. Niettemin zetten ze een stap, nemen het risico afgewezen te worden. Alleen is dat voor Natasja, die overigens door iedereen Kuma wordt genoemd, een stuk riskanter dan in geval van Tatiana. Haar ‘ik hou van je’ eindigt in een tienertrauma, Kuma daarentegen flirt met de dood. Haar would be lover Prins Juri is binnen komen sluipen met de bedoeling haar te doden.

Dat Kuma hem van dat plan af weet te brengen zegt iets over haar kwaliteiten als übercharmante vrouw die mannen om haar vinger windt maar deze keer blijft het niet aan de oppervlakte: ze houdt echt van hem. Ze was voor hem gewaarschuwd, wist van zijn plan en is desondanks op hem blijven wachten. Het is voor haar de dood of de gladiolen.

Tsjaikovski heeft voor het duet waarin Juri tot een 180 graden draai wordt bewogen behoorlijk wat tijd nodig en dat is maar goed ook. In deze scène beleven we Asmik Grigorian in volle glorie: ze krijgt de kans alle kwaliteiten tentoon te spreiden die haar tot zo’n gevierde zangeres hebben gemaakt.

Aria van Kuma:

Wat uit het bovenstaande kan worden opgemaakt is dat de plot van dit werk bepaald niet alledaags is. Kuma is een weduwe die in het laat middeleeuwse Nizhny Novgorod een dranklokaal drijft aan de rand van de stad. In deze productie is dat veranderd in een galerie, Kuma schildert, maar kan zich in het bezoek van het halve stadje verheugen waarbij de drank rijkelijk vloeit.

Het is zo’n plek die is uitgegroeid tot ‘the place to be’ en dat heeft de argwaan gewekt bij de plaatselijke bisschop Mamyrow, die in dit stuk de rol van religieuze griezel mag spelen. Dat iedereen naar Kuma trekt duidt op hekserij. Bovendien is het daar elke avond een losbandige boel met drank en seks, bedenk maar iets.

Mamyrow weet zijn Vorst mee te tronen om het met eigen ogen te aanschouwen, uiteraard met de bedoeling Kuma uit de weg te laten ruimen. Die doet haar reputatie eer aan en windt de Vorst binnen de kortste keren om haar vinger, gewoon door rustig en vriendelijk te blijven. Het eindigt met een drinkwedstrijdje tussen beiden waarin wodka achterover wordt geslagen.

Een tikje overmoedig geworden laat Kuma een groep half blote mannen in derwish rokken een ‘wolvendans’ uitvoeren en weet de vorst zo ver te krijgen dat hij Mamyrow beveelt om mee te doen. Daarmee maakt ze de vernederde prelaat tot doodsvijand en tekent ze haar eigen vonnis.

De Vorst is in Kuma’s ban geraakt en zoekt haar elke dag op. Hij wil gewoon graag de hele tijd bij haar zijn maar alles blijft vooralsnog heel onschuldig al ziet iedereen wel aankomen dat dit wat hem betreft niet lang zo kan voortduren. De Vorstin heeft argwaan gekregen en Mamyrow weet dat goed te voeden.

Prins Juri, een bokser maar tevens moederskindje, merkt dat haar iets heel erg dwars zit. Doorvragen brengt het probleem aan het licht: zijn vader gaat vreemd met een herbergierster. Dubbele schande en hij besluit haar te vermoorden om de familie eer te redden. Moeder weet van niets en beraamt haar eigen plan. Ze weet Kuma te vergiftigen met hulp van Mamyrow als haar rivale op het punt staat om met haar zoon te vluchten naar blijde verten aan de andere kant van de regenboog.

Als de inmiddels door Kuma afgewezen Vorst dit bemerkt doodt hij zowel zijn vrouw als zijn zoon en wordt zoals dat een melodrama betaamt prompt waanzinnig. Mamyrows normale orde is hersteld, de orthodoxie wint immers altijd in Rusland en een nieuwe vorst is zo gevonden.

Barkhatov situeert de handeling in het heden met accenten die verwijzen naar de 15e eeuwse context. Kuna’s ‘herberg’ heeft de vorm van een uit neonbuizen opgebouwd huisje. Er omheen speelt zich de zeer turbulente handeling in de eerste akte af. Een knap staaltje regiewerk wordt hier geleverd, met een groot koor op het toneel dat een flinke steen bijdraagt aan de bijna chaotische interactie tussen de vele protagonisten.

Door middel van een draaitoneel kan snel worden gewisseld met de huiskamer van de vorstelijke familie. Even het doek neer en na een halve minuut weer op. Het heeft het effect van een snelle cut tussen twee filmscènes.

Niet alleen op dit punt maar ook in de aankleding wordt dat effect beoogd. Het ziet er bij de Vorst thuis uit als in een oude soap serie, denk aan Dallas of Dynasty, compleet met een personal trainer voor de Vorstin en een (zeer goed getrainde) herdershond waartegen de Vorst een lange monoloog afsteekt.

Als we afstevenen op het dramatische einde krijgt het publiek die wisselingen gewoon te zien waarbij het draaitoneel ook halverwege stokt en iemand staat te zingen in de ruimte ertussen. In toenemende mate loopt alles door elkaar waarbij het neonhuisje opduikt in de woonkamer van de Vorst. De verwarring is compleet en als aan het einde onder een bulderende muzikale galop de Vorst er zelf een einde aan wil maken zitten er geen kogels in zijn pistool. Dann ist alles aus.

De absolute ster van de voorstelling is Asmik Grigorian maar in de tweede akte hoort het toneel toe aan dramatische mezzo Claudia Mahnke die een werkelijk voortreffelijke vertolking geeft  van de Vorstin die zich bedrogen weet en het er niet bij laat zitten. In de Ring van Staatsoper Unter den Linden vertolkt Mahne een vergelijkbare rol, die van Fricka. Ze is dus op bekend terrein.

De Vorst komt voor rekening van bariton Ian MacNeil die zich ook acterend uitstekend weet te weren. Tenor Alexander Mikhailov zingt het enige echte liefdesduet van de avond, weliswaar met zijn moeder, maar toch. Door zijn personage op te voeren als bokser wordt het hem niet gemakkelijk gemaakt om naturel te acteren, het blijft een beetje opgepompt allemaal. Maar zijn zang maakt alles goed.

De rol van de slechterik wordt aardig tot leven gebracht door de bas Frederic Jost. Sopraan Zanda Svede maakt van de rol van Nenila als personal trainer een aardig optreden.

Koordirigent Tilman Michael verdient een groot compliment voor de instudering van het koor, een van de meest complexe partijen die er in het repertoire te vinden zijn. Het Frankfurter Oper und Museumsorchester staat onder leiding van Valentin Uryupin. Samen weten ze Tsjaikovsky’s partituur alle eer te geven die deze toekomt, prachtig orkestspel.

Introductie tot de opera:

En de trailer:

 

Fotomateriaal © Barbara Aumüller

Zie ook:


Grimmig en hartverscheurend mooi: De Tovenares van Tsjaikovski

The romantic world of Lalo: LE ROI D’YS


How many opera lovers know Lalo’s Le Roy d’Ys? I think few have even heard of it, let alone ever had the chance to see the opera. It is totally forgotten.

How unjustified that is, is proven by the performance recorded by Dynamic (33592) in Liège in April 2008. Le Rois d’Ys is a very melodious opera with many choral parts and duets, and the music is romantic and compelling.




The libretto is simple: the daughters of the king of Ys (an ocean-threatened city) love the same man. When he chooses Rozenn, Margared takes revenge. Together with Karnac (enemy of the city and of the king), she opens the floodgates, resulting in a flood. But Margared is consumed by guilt and sacrifices herself by jumping into the swirling waters. The city and its inhabitants are saved.



The staging is simple and realistic. The flood is depicted as a huge rainstorm. Not really threatening, but then again, all of us probably possess a healthy dose of imagination.

The cast is good to very good. Gylaine Girard is a fantastic, poised Rozenn. Her very flexible soprano has a particularly pleasant timbre. This is in rather sharp contrast to the mezzo Giuseppina Piunti (Margared), who is almost screeching at times. But she is so committed to the role that I soon forgive her.

We know Sébastien Guéze (Mylio) – among others – from his fantastic rendition of Romeo at the Saturday Matinee in 2008. He has a pleasant, light tenor with an unmistakable French touch, and his interpretation is really right for the role. Werner van Mechelen is a very good Karnac. Recommended!

Sébastien Guéze in the same production but from Opera St.Etienne :

 Prachtige La Favorite uit Teatro Donizetti

Tekst Peter Franken

Uit Teatro Donizetti in Bergamo komt een nieuwe opname die daar in 2022 is gemaakt. De Bluray verscheen in 2023 op het label Dynamic, zo langzamerhand de plek waar je als operaliefhebber het eerste gaat zoeken naar iets bijzonders.

Donizetti’s opera La favorite, geschreven voor Parijs in 1840, past goed in het genre ‘Grand Opéra’ dat toen de maat aller dingen was. Het werk bestaat weliswaar uit vier aktes in plaats van de gebruikelijke vijf, maar de thematiek past volledig binnen de traditie.

La favorite handelt, zoals een Grand Opéra betaamt, over historische personages en een liefdesgeschiedenis. Het titelpersonage is gebaseerd op Léonor de Guzman, de maîtresse van koning Alfonso XI van Castilië en Leon. De koning heeft haar naar het hof gehaald maar is vervolgens om dynastiek politieke redenen getrouwd met Maria, dochter van de koning van Portugal.

Léonor baart hem tien kinderen wat haar positie aardig cementeert maar als Alfonso in 1350 op 38 jarige leeftijd overlijdt aan de pest laat Maria haar uit wraak executeren. Tot zover de historie.

In de opera is aan het verhaal een nieuw personage toegevoegd, Fernand, een jonge novice die verliefd is geworden op Léonor toen hij haar hand aanraakte bij het verstrekken van de communie. Hij verlaat het klooster en gaat naar haar op zoek.

Léonor laat hem naar het hof komen, echter zonder haar naam en status duidelijk te maken. Met hem trouwen is onmogelijk maar zij overhandigt hem een commissie in het leger. Fernand onderscheidt zich in de strijd om Sevilla en wordt door Alphonse met eer overladen.

Maar als hij ontdekt dat zijn geliefde Léonor – teleurgesteld omdat hij haar heeft gepasseerd voor Maria – verliefd is op de jonge held Fernand, neemt hij wraak door haar ter plekke aan de nietsvermoedende jongeman uit te huwelijken. Als deze erachter komt dat hij de maîtresse van de koning toebedeeld heeft gekregen, voelt hij zich onteerd, schopt een scène en gaat terug naar het klooster. De verstoten Léonor komt daar uiteindelijk ook terecht, smeekt Fernand om vergeving en sterft de liefdesdood in zijn armen.

De grote rol voor bas is die van Balthazar, de abt van het klooster, tevens een soort voorloper van de Grootinquisiteur, zozeer meent hij zich boven de koning te kunnen stellen. Uit naam van de paus beveelt hij de koning om zijn relatie met Léonor op te geven op straffe van beider excommunicatie.

Dat geeft Alphonse een extra zetje om haar aan Fernand over te doen, die niets vermoedende jongeman komt eigenlijk als geroepen. Het verbale gevecht tussen Alphonse en Balthazar weerspiegelt de strijd om de macht in de christelijke wereld: ligt het primaat bij de koning of bij de paus?

Balthazar wordt goed gezongen door de Italiaanse bas Evgeny Stavinsky, begin 2024 te horen als Vodnik in de nieuwe Rusalka productie van Opéra de Wallonie. Alphonse komt voor rekening van de Franse bariton Mario Cassi, zeker in zijn optreden en muzikaal tot in de puntjes verzorgd. De ‘lagere regionen’ van de partituur waren bij beide heren in goede handen.

De Mexicaanse belcanto tenor Javier Camarena tekent voor de rol van Fernand. Zijn repertoire omvat meer dan 20 belcantorollen en het is goed merkbaar dat hij zich in de rol van Fernand op vertrouwd terrein bevindt. Met veel inzet en groot enthousiasme weet hij een zeer geloofwaardige Fernand neer te zetten. Zijn woede uitbarsting op het moment dat hij ontdekt bedrogen te zijn door de koning, vormt vocaal het hoogtepunt van zijn optreden.

Léonor komt voor rekening van de Italiaanse mezzo Annalisa Stroppa. Ze draagt de voorstelling, zowel zingend als acterend. Uiteindelijk draait alles om haar, ze is de vrouw die bedoeld en onbedoeld de handeling bepaalt.

Bij Stroppa is deze veeleisende rol in zeer goede handen. Met haar lage mezzo kan ze de lage passages goed aan zonder in de hoogte aan kracht te verliezen. Haar grote aria ‘L’ai je bien entendu?’ in de derde akte is een bijna negen minuten durende eruptie van opgekropte emoties die muzikaal perfect worden geëtaleerd, schitterend gedaan.

Teatro Donizetti en dirigent Riccardo Frizza waren er op gebrand de opera zonder coupures te brengen en dat stuitte op verzet van regisseur Valentina Carrasco die van mening was dat een ruim 20 minuten durend ballet tegen het einde van de tweede akte een onbeholpen onderbreking van de handeling zou betekenen aangezien feitelijk alles wordt stilgezet en het publiek bezig wordt gehouden met een niet relevante show van technische hoogstandjes.

Ze kreeg in zoverre haar zin dat het ballet is vervangen door het optreden van een groep oudere vrouwen die nog net niet willekeurig van de straat zijn geplukt. Ze symboliseren de meer dan wat met elkaars kleren bezig zijn en rond hobbelen laten ze niet zien, het is beeldvulling en dan ook nog van dien aard dat ik bij een volgende keer afspelen dit deel gewoon oversla. Geen coupures impliceert een volwaardig ballet, geen flauwekul.

Overigens kan het ballet welzeker een theatrale functie hebben door de handeling te becommentariëren, voorbeelden te over. Maar Carrasco kiest voor het uitlichten van het lot van de vroegere favorieten waarbij ze wellicht onbedoeld suggereert dat de Spaanse koningen uit de 14e eeuw veel van hun Moorse collega’s hadden overgenomen: een completen harem.

De decors laten een klooster zien en door middel van een paar goed gekozen accenten een ruimte die oogt als het Alcazar in Sevilla. Op het emiraat Granada na is de Reconquista voltooid, anderhalve eeuw voor de Reyes Catolicos het laatste zetje zullen geven. De zeer fraaie kostuums zijn het werk van Sylvia Aymonino en de decors zijn ontworpen door Carles Berga en Peter van Praet die tevens verantwoordelijk is voor de belichting.

Het orkest en het koor van de Donizetti Opera, aangevuld met het Coro dell’Accademia Teatro alla Scala zorgen voor de begeleiding. Daarmee is dit een volwaardige uitvoering van een werk uit Donizetti’s middenperiode geworden die als pleitbezorger van deze minder gespeelde grand opéra kan dienen.

Trailer van de productie:

Trailer: to: © Gianfranco Rota

Yevgeni Onegin: bored brat or pathetic and to be sorry for?


Onegin, unlike don Giovanni, is not a colourful character. He is a rather dull, bored brat, for whom even hitting on a woman is too much trouble. Through an inheritance he has become a rich man and as such has access to the”high society”, but everything bores him and in fact he does not know himself what it is he really wants.

He dresses according to the latest fashion, the only question is whether he does it because he likes nice clothes, or because that’s the way things are supposed to be. Because he does know how things should be done.

He also shows hardly any character development  over the whole course of the opera. He kills his best friend after flirting with his lover – not because he really wants to, but to teach him (and the, in his eyes horrid, countrybumpkins) a lesson – and even that leaves him unmoved. Only at the end does he “wake up” and something of a feeling enters his mind. But is it real?

Not really someone you can dedicate an entire opera to, which is why for many people the real protagonist is not Onjegin but Tatyana. If Tchaikovsky had really wanted it that way he might have named the opera “Tatyana”, but that she is a much more captivating character than the man of her dreams, is beyond any doubt.



CDs

SERGEY LEMESHEV:



One says Tatyana, one thinks Galina Vishnevskaya. The Russian soprano has created a benchmark for the role that few singers can yet match. In 1955, she recorded the role, along with all the Bolshoi greats of the time.

Her “letter scene” is perhaps the most beautiful ever, but the recording has even more to offer: how about Sergei Lemeshev as Lensky? Fingerlicking good!

Sergey Lemeshev as Lensky (his great aria & duel scene)





Valentina Petrova is a peerless Larina, unfortunately the title hero himself (Evgeny Belov) is a bit colourless. (Melodiya 1170902)





FRITZ WUNDERLICH:

In 1962, the opera was recorded live in Munich (Gala GL 100.520).



Ingebort Bremmert is too light for Tatyana, she also sounds rather sharp, but Brigitte Fassbaender makes up for a lot as Olga. But for a change, the ladies do not make the greatest impact, you buy it, of course, for the men: Hermann Prey and Fritz Wunderlich.


Prey is a very charming, gallant Onjegin, actually more like a brother than a lover, but the voice is so divinely beautiful! And about Wunderlich’s Lensky I can be very brief: ‘wunderbar’! By the way, it strikes me once again how similar Piotr Beczala sounds to him!

There is a lot of stage noise and the sound is dull with far too many bass sounds. And of course it is in German, but yes, that’s how it was done in those days. But it is a matchless document and, especially because of both singers, actually a must-see.

Duel scene from the recording (with picture!):

BERND WEIKL:



In 1974, Georg Solti recorded the opera for Decca(4174132) and that reading is still considered one of the best. In Stuart Burrows he had at his disposal the best Lensky after Wunderlich and before Beczala, and Teresa Kubiak was the very personification of Tatyana. Young, innocent, with a touch of elation at the beginning of the opera, but resigned at the end.

Under his direction, the orchestra (Orchestra of the Royal Opera House) flourished like the cornflowers in the Russian fields, making it clear why the composer considered his opus magnus to be “lyrical scenes” and not opera.

Bernd Weikl is a very seductive Onjegin, his very spicy baritone particularly sexy. Nicolai Ghiaurov is of course legendary in his role of Gremin and for me Michel Sénéchal is perhaps the best Triquet ever. Enid Hartle deserves to be especially mentioned as Filipyevna.

THOMAS ALLEN:


 

I want to dwell for a moment on Onjegin by Sir Thomas Allen. He has sung the role several times: both in Russian and in English. In 1988, he recorded it for DG (423 95923). Tatyana was sung by Mirella Freni – in the autumn of her career it became one of her showpieces. She is therefore more convincing as the older Tatyana than as the young girl, but there is nothing to criticise about her interpretation.

Neil Shicoff, then a splendid lyricist, was a very idiomatic Lensky, but Anne Sophie von Otter was only moderately convincing as Olga. Under James Levine, the Staatskapelle Dresden produced an unexpectedly lyrical sound, with lovely long arcs, but not devoid of a healthy sense of drama.

Anyway: it’s mainly about Thomas Allen. His reading of the title hero is particularly exciting and dramatically well grounded; it is truly fascinating to hear how Onjegin’s condescension in I turns into a shimmering passion in III. A vocal artist, no less.



It is also very interesting to see how he coaches young people at an ‘Onjegin master class’ (among his “students” is James Rutherford, among others)





DVDs

VLADIMIR REDKIN


Boris Pokrovsky is a living legend. For decades, from 1943 to 1982, he was opera director of the Bolshoi Theatre in Moscow. Even in the Netherlands, he is not unknown: in 1996, he was ‘visiting’ us with his new company, the Moscow Chamber Opera, with “Life with an Idiot” by Alfred Schnittke.

His production of Onjegin, recorded for TV at the Bolshoi in Moscow in 2000(Arthaus Musik 107 213) originally dates from 1944. It is, of course, a classic, complete with all the trimmings. Sumptuous costumes, true-to-life sets, everything as it ‘should’ be.

As soon as the stage curtain opens, the first ‘open curtain’ is a fact. People love it. And they are right: it is indeed so very beautiful! Of course, you don’t get to see it like that anymore. Think Zeffirelli, but really authentic, without a single liberty being taken. You have to have seen it at least once, just to know how it was originally intended.

The unknown singers are all just fine, but the close-ups are a bit laughable. Of course, it is not a production to be shown on TV, you have to actually see it in the opera house. There is no chance of that, though: Boris Pokrovsky’s production has been replaced by a new production by Dmitri Tcherniakov after more than 60 years of faithful service. Buy the DVD and muse on the ‘good old days’, because they really aren’t coming back.

https://www.operaonvideo.com/eugene-onegin-moscow-2000-ermler-gavrilova-redkin-baskov-martirosyan/


MARIUSZ KWIECIEN:



I started on Dmitri Tcherniakov’s production(Bel Air BAC046) with a huge dose of scepticism. His decision to replace Boris Pokrovsky’s old legendary production was very brave, because Muscovites (and not only Muscovites) were so very attached to it. Besides: you have to be really sure of yourself to dare to replace a LEGEND. On top of that, from the entire cast – apart from Kocherga and Kwiecien – I did not know any of the performers.

I quickly changed my mind, because from the start I was on the edge of my seat. The staging, costumes, stage design, sets and props – everything is right, even if it is not as it is in a typical ‘Onegin’. The entire first and second acts take place in the same space: the dining room in Larina’s house, with a long table and chairs prominently displayed. The same table and chairs also recur in III, but in a much richer ambience.

It is incredibly difficult to explain the whole directorial concept in a few words, you have to believe me that it is extremely fascinating and extremely exciting. Very intelligent too.

Tatyana is portrayed by Tatiana Monogarova in a  very convincing way. She is pale, thin and slightly autistic, locked in her own mind. The outside world scares her as she tries to hide from it.

Olga(Margerita Mamsirova) is just a flirt and from the start she challenged Onegin. She is more than a little tired of her poet- boyfriend’s sighs. and she is not wrong!

Lensky is sung by a good, though not exeptional, Andrey Dunaev. He is a bit stupid, pushy and jealous and thus the real instigator of all  evil happenings.

Larina (an insanely good singing and acting Makvala Kasrashvili) also gets more attention than usual. The moment when, thinking back to her childhood, she downs a drink and has a little cry is very touching. But she soon recovers and everything stays the same.

Mariusz Kwiecien (Onegin) is indeed irresistible. Or let me rephrase it: he portrays such a very bored and self-important arsehole (sorry for the word!). And he actually stays that way until the end. Utterly convincing!

Frantically he tries to belong to the ‘high society’, where he is not really accepted. Even his sudden passionate love for Tatyana feels unreal. On his knees, he offers her a bunch of red roses and when she refuses to run away with him, he tries to rape her.

Dignified, Tatyana walks off the stage on her husband’s arm on which Onjegin pulls out a pistol, but we are spared the suicide, because, of course!, without witnesses by his standards there is no use for it..


Trailer:

DMITRY HVOROSTOVSKY



And then there is Robert Carsen’s production for the Metropolitan Opera, recorded in February 2007(Decca 0743298). I am a huge Carsen-adept and love almost everything he does. So too this Onjegin

His staging is very realistic and he follows the libretto accurately. In the first act, the stage is strewn with autumn leaves, but everything else is basically bare and there is almost no scenery. A bed for the ‘letter scene’, otherwise some chairs in the second and third acts. At the duel, the stage is completely empty.

It is not distracting. On the contrary. The costumes are really beautiful, but especially in the first act they remind me more of English Jane Austen film adaptations than of the Russian countryside. It is not really disturbing, the eye wants something too, but Renée Fleming is too glamorous for a peasant trio, making her switch to a proud princess less impressive.

Onjegin (Dmitri Hvorostovsky) is mainly a dandy here, very concerned with his, good, looks. Well, Dima is an extremely attractive singer in all aspects, but in his confrontation scene with Tatyana, he is more reminiscent of daddy Germont than of Onjegin.

Ramón Vargas is one of the best lyric tenors in 2007, but Lensky he is not! He really does his best, he also looks like a real poet, but this role needs to be a bit more languorous.

As usual, Carsen’s character direction is truly unsurpassed and even Fleming seems to thaw out at times. Unfortunately, her Russian is totally unintelligible.

Fleming and Hvorostovsky in the final scene of the opera:




Menotti’s Consul: an opera that lost none of its actuality

For most Dutch opera lovers is Menotti no more than a vaguely familiar name. His operas have never been very popular here and performances can be counted on one hand. Why? I don’t know. O yes, there are performances here and there, mostly made by students. But at the DNO? Matinee?

A pity, really, because not only is his music exceptionally beautiful (think of a combination of Mascagni and Britten), but the subjects he deals with in his (self-written) libretti are socially engaged and they address current topics.

Menotti met his longtime partner Samuel Barber

A newspaper article of February 12, 1947 on the suicide of a Polish emigrant whose visa for the USA had been rejected, was seen by Menotti, who sadly remembered the fate of his Jewish friends in Austria and Germany.

He took this sorry tale and used it as a basis for his first full-length opera. The subject has – unfortunately – lost none of its actuality and The Consul is and remains an opera that cuts right through your soul.



In 1960, it was produced for television, and that registration has been released on DVD by VAI (4266 ). In black and white, without subtitles (don’t be alarmed, there is very clear singing) and extremely dramatically portrayed by Jean Dalrymple.



Patricia Neway sings ‘To This We’ve Come’:

The Consul was Cornell MacNeill’s first opera recording:

Recording from Spoletto 1999 with Susan Bullock

Bonus:
Virginia Zeani

Eileen Farrell:

La Muette de Portici, an opera known for its alleged role in the revolution

How many operas can claim to have shot the world order hell by sparking a revolution and thereby creating an entirely new country?

The honour falls to La Muette de Portici, an opera almost forgotten today by an almost equally forgotten French composer Daniel-François-Esprit Auber (1782 – 1971).

The situation ignited during a performance at Brussels’ La Monnaie in 1830, a performance in honour of the birthday of King William I. The moment suprème came during an aria, in which one of the protagonists sang the text: “Holy patriotism, give us back our courage and pride. My life I owe to my country, it will owe its freedom to me.” The audience left the hall, took to the streets and voilà: the Kingdom of Belgium was born.

That La Muette is different from all other operas also has to do with the protagonist. The latter may be present but has no note to sing – poor fisherman’s girl Fenella is mute.

Anna Pavlova as Finella

She is seduced by the young Neapolitan count Alphonse, who then exchanges her for a better match: a Spanish princess Elvire. Fenella is imprisoned, escapes and – using only sign language – manages to attract Elvire’s attention and pity, turning her brother Masaniello into the destroying angel.

This also becomes the signal to spark an uprising against the hated rulers; after which everything that can go wrong does. Masaniello is poisoned, the revolt fails and Fenella finds self-death in the lava flow from Vesuvius. I can’t make it more logical for you, but that doesn’t matter, because the opera itself is more than delightful and provides you with more than two hours of pure listening pleasure.

La Muette is considered the first true ‘grand opéra’. That may also be why it was so rarely staged, given our long-standing condescending view of the phenomenon of ‘grand opéra’.

But the tide is turning. A few years ago, La Monnaie dared to include the opera in its repertoire. Unfortunately, their courage did not go so far as to include performances in Brussels.

Peter de Caluwe, the director of La Monnaie, said with that, “That was done deliberately. Staging the opera in Brussels now would not only be an artistic act, but also a political statement; it would be interpreted as a plea for Belgian unity at a politically precarious moment.”

In 2011, a German opera house, the progressive Anhaltisches Theater in Dessau, where the young Dutch conductor Antony Hermus, then Generalmusikdirektor, also staged the opera. The performances were recorded live by CPO. It was about time!

I knew of only one recording of the opera, with Alfredo Kraus, June Anderson, John Aler and Jean-Philipe Lafont conducted by Thomas Fulton (EMI not available anymore)). No one can match Alfredo Kraus’ elegant phrasing, but I still prefer Diego Torres’ more heroic sound. As Masaniello, he manages to convince much better. With him, you can practically hear the hormones coursing through his veins.

In his madness scene (yes, why not? Men are allowed to go mad too!), he sounds a lot like John Osborn.His high notes are not only spectacular but he also sings them at the top of his voice. Occasionally he sounds a little tired, but that doesn’t matter, especially in the context of the whole thing.

In “Mieux vaut mourir que rester misérable!”, from which the incendiary text thus comes, he is joined by Wiard Withold as Pietro. I also find him more interesting than Jean-Philipe Lafont on the Fulton (EMI) recording. It has now been recorded by CPO. It was about time

The young Dutch singer is at his best in the fifth act. His barcarolle “Voyez du haut de ces rivages” is particularly impressive. His lyrical baritone, meanwhile, has darkened a little without compromising on suppleness and lyricism, which goes without a hitch.

Angelina Ruzzafante is a wonderful Elvire. Her voice is light, supple and agile, her pitch beautiful and pure, and her vocal acting is perfect.Sometimes she reminds me of Cristina Deutekom, but without her oh-so-typical “staccato” (no offence!). It is about time the we get to hear the Dutch soprano on our stages too!

Oscar de la Torre (Alphonse) starts out weak – his tenor sounds a bit pinched – but in the fourth act he more than recovers. He is still young and – from the looks of it – inexperienced, but he will get there!

The chorus is formidable and I find Hermus’ tempi definitely better than Fulton’s.