opera/operette/oratorium/koorwerken

Fiorenza Cedolins overtuigt als La Rondine

La Rondine Cedolins

Puccini was een man van Amore, met een hoofdletter ‘A’. Al het andere was er aan ondergeschikt, ook de revoluties en de (wereld)oorlogen.

De ‘piccole cose’ van het leven, daar draaide het bij hem om. En al deed hij werkelijk zijn best om ook cynische of komische elementen in zijn werk door te voeren, toch kwam hij altijd bij zijn uitgangspunt terug: de allesomvattende en verslindende liefde. Een liefde, waar zijn heldinnen ook aan onderdoor gingen. Was het niet door de ziekte of zelfmoord  dan wel door de zelfopoffering.

Daar is Magda, ‘de zwaluw’ uit zijn gelijknamige opera, geen uitzondering in. Met een verleden als de betere courtisane denkt zij geen toekomst te kunnen bieden aan een jonge student en – gelijk Violetta uit La Traviata – besluit zij hem te verlaten en terug te keren naar haar rijke, liefdeloze leven in de Parijse salons. Waarmee zij ook toegeeft aan de wensen van, in dit geval, la mamma.

De opera speelt zich af in 1850, maar Graham Vick verplaatste hem naar honderd jaar later. Ik ben geen Vick liefhebber maar in dit geval kan ik zijn productie zeker waarderen. De sets en de kostuums doen aan de Hollywoodfilms uit die tijd denken en Magda (een voortreffelijke Fiorenza Cedolins, wat een verademing om in die rol een dramatische stem te horen) lijkt een vleesgeworden Marylin Monroe.

De rest van de cast is goed maar niet uitzonderlijk.

Giacomo Puccini
La Rondine
Fiorenza Cedolins, Fernardo Portari, Sandra Pastrana, Emanule Giannino, Stefano Antonucci; Orchestra and Chorus of the Teatro La Fenice olv Carlo Rizzi
Regie Graham Vick
Arthaus Musik 101329

Fiorenza Cedolins schittert als Madama Butterfly in de opname uit de Arena di Verona

FALSTAFF in Amsterdam, juni 2014

https://www.youtube.com/watch?v=L4WIhpSn3_4

Il Giuramento: een aaneenschakeling van de mooiste melodieën, die je dwingen te luisteren

Giuramento

Daar heb ik zo’n vijfendertig jaar geleden werkelijk een vermogen voor betaald, voor de twee slecht gekopieerde cassettebandjes met Il Giuramento van Saverio Mercadante, op 9 september 1979 live opgenomen in Wenen. En nu de Oostenrijkse Omroep ORF de een na de ander live opgenomen opera uit hun archieven opdiept en op cd’s overzet, kwam ook deze prachtopera –  voor weinig geld en in een voortreffelijke geluidskwaliteit – op de markt (Orfeo C 6800621).

Giuramento HUgo

Il Giuramento is, net als La Gioconda, gebaseerd op het toneelstuk ‘Angelo, tyran de Padoue’ van Victor Hugo, maar tussen beide werken zit een wereld van verschil. ‘La Gioconda’ is een zeer gepassioneerde, bij vlagen overweldigende opera en bevat een keur aan (over)bekende aria’s. Denk aan ‘Suicidio’ of ‘Cielo e mar’. Il Giuramento is kleiner, intiemer. Denk aan Bellini met een vleugje vroege Verdi.

De hele opera is eigenlijk niet anders dan een aaneenschakeling van de mooiste melodieën, die je dwingen te luisteren zonder mee te willen zingen. Of het moet ‘Compita è ormai la giusta e terribil vendetta’ zijn, een pracht van een aria met veel weemoed en elan gezongen door Domingo

Domingo heeft de voor hem geheel nieuwe rol in vier dagen (!) ingestudeerd en was – na maar één repetitie – voor de zieke Peter Dvorsky ingesprongen. Doe het hem na!

Mara Zampieri had, in tegenstelling tot veel van haar hedendaagse collega’s een zeer eigen geluid waar je wel of niet van kon houden, maar je kon haar onmogelijk met een ander verwarren. Haar zilvergekleurde, zinnelijke sopraan mengt prachtig met het gouden fluweel van Agnes Baltsa (toen nog zonder de lelijke registerbreuk die haar latere optredens zo ontsierde) en in  ‘Oh! Qual nome pronunziaste’ smelten hun stemmen samen tot een prachtige eenheid, die zo mooi is dat het pijn doet.


L’Invisible: fascinerende nieuwe opera van Aribert Reimann

Reimann L'Invisible

Het gebeurt nog maar zelden dat ik het jammer vind dat een opera alleen voor de cd, zonder beeld dus, is opgenomen. Meestal kan ik de ‘regisseurs-ideeën‘ missen als kiespijn: ik heb een groot voorstellingsvermogen en zit niet verlegen om toiletpotten, rolstoelen en meer van de, aan de zieke fantasie ontsproten verzinsels. Maar soms is een visueel aspect zeer wenselijk. Zeker als het om een nieuw gecomponeerd werk gaat en naar de foto’s van de voorstelling te oordelen je met een zeer fatsoenlijke en eerlijke weergave van het libretto te maken had.

In oktober 2017 beleefde L’Invisible, de nieuwste opera van Aribert Reimann een zeer goed ontvangen première aan de Deutsche Oper Berlin. Voor zijn nieuwste creatie heeft Reimann drie stukken van Maurice Maeterlinck: ‘L’Intruse’, ‘Intérieur’ en ‘La Mort de Tintagiles’ als uitgangspunt genomen en ze samengevoegd tot een beknopte opera-mini-trilogie.

Trailer van de productie:  

 Het is een buitengewoon fascinerend werk geworden dat in tegenstelling tot zijn eerdere opera’s de melodie niet schuwt en veel meer verwantschap vertoont met een Pelléas et Melisande dan zijn eigen, ik noem maar wat, King Lear of Medea.  Alsof hij de atonaliteit niet zo zeer heeft afgeschaft maar gepolijst en van een poëtische glans voorzag.

Het is de dood die als het ‘onzichtbare’ in alle drie de hoofdstukken de hoofdrol opeist. Reimann heeft het stuk opgedragen aan zijn broer, die op 12-jarige leeftijd stierf toen het ziekenhuis waar hij in 1943 verbleef, werd gebombardeerd. De zeer sterke partituur is thrillerachtig, meedogenloos en  meeslepend wat niet in tegenspraak is met de zeer poëtische taal van de muziek. Adembenemend.

De cast is meer dan uitstekend, met Rachel Harnisch voorop in haar veeleisende rollen van Ursula/Marie /Ygraine.

Als Der Onkel/Der Fremde weet Thomas Blondelle mij aan mijn stoel te nagelen en Stephen Bronk is een voortreffelijke Grossvater/Der Alte/Aglovale.

Donald Runnicles houdt de spanning goed vast. Een aanwinst.


 

ARIBERT REINMANN
L’Invisible
Rachel Harnisch, Annika Schlicht, Ronnita Miller, Seth Carico, Stephen Bronk, Thomas Blondelle, Salvador Macedo e.a.
Das Orchester der Deutschen Oper Berlin olv Donald Runnicles en Ido Arad
Oehms OC 973

Boris Godoenov: discografie

Boris portret

Ik ga u niet met een uitgebreide uitleg over de verschillende versies van Boris Godoenov – waarvan twee van Moesorgski zelf – vermoeien. Er is al voldoende over geschreven en mocht u meer willen weten dan kunt u het een en ander op het internet vinden. Trouwens: echt helemaal uitkomen lukt niet, vrees ik. Vandaar dat ik die paar selectief gekozen opnamen louter op de uitvoering (en de regie) beoordeel.

DVD’S

ANDREJ TARKOVSKI

Boris Tarkovski

In 1983 ensceneerde Andrej Tarkovski ‘Boris Godunov’ voor de Covent Garden. Het was zijn eerste operaregie en tevens de laatste. Iets wat zeer spijtig is want zijn visie op het opus magnum van Moesorgski  is werkelijk adembenemend.

De enscenering ademt dezelfde stijl die zo kenmerkend is voor al zijn films: visionair en poëtisch. Het geheel laat zich zien als een kleurrijke film met veel (christelijke) symboliek, beelden in slow motion en een enorme aandacht voor alle details. In 1990 werd de productie overgenomen door het Mariinsky theater en rechtstreeks op de Engelse televisie uitgezonden, toen een primeur.

De hoofdrol werd eveneens in Londen vertolkt door de Engelse bas, Robert Lloyd, en zijn interpretatie behoort tot de meest indrukwekkende die ik ooit in mijn leven heb gezien. Zijn stem was toen nog werkelijk groots, zowel in volume als in timbre en in zijn acteerprestaties deed hij voor de beste toneelspeler niet onder. Daarbij wist hij zich uitstekend stand te houden tussen de verder uitsluitend Russische cast.

Over de cast trouwens, met naast Lloyd (o.a.) Olga Borodina, Alexei Steblianko en Sergei Leiferkus niets dan lof. Valery Gergiev heeft de opera in zijn vingers. Een absolute must. (Philips 0750899)

WILLY DECKER

Boris Decker

De in 2004 in Barcelona opgenomen productie van Willy Decker werd in 2001 al in Amsterdam gepresenteerd. De regie is sterk geconcentreerd rond de hoofdpersoon: voor Decker is het drama eerder psychologisch dan historisch. De aankleding verraadt Rusland van het begin van de twintigste eeuw, net voor de revolutie, en het decor is zeer minimalistisch.

De stoelen en de kleine huisjes, Decker’s handelsmerk zijn uiteraard aanwezig, een reusachtige zetel domineert het beeld vanaf het begin. Het levert een paar zeer fraaie scènes op. De bestijging van de troon, bijvoorbeeld.

Eric Halfvarson is een beetje een zwakke Pimen, maar de rest van de cast, met Matti Salminen (Boris), Anatoli Kotscherga (Varlaam) en Philip Langridge (Shuisky) voorop is werkelijk voortreffelijk.

En dan is er nog Fyodor van de onvergetelijke Brian Asawa die ons veel te vroeg is ontvallen.

Alex Grigoriev verdient een bijzondere vermelding voor zijn fantastische prestatie in de rol van Joerodivij. (Arthaus Musik 107 237)

CALIXTO BIEITO

Boris Bieito

Soms verdenk ik de operaregisseurs ervan dat zij zich een soort hedendaagse dictator wanen en ons hun eigen mening door de strot willen duwen. En als we het niet willen slikken dan worden we voor dom versleten.

Dat het machtsmisbruik van alle tijden is, dat weten tegenwoordig zelfs de kleuters. Het nieuws, of wij het willen of niet, valt onze huishoudens binnen en aan beelden – op Youtube of anders – is geen gebrek. Ik denk dan ook niet dat wij een regisseur nodig hebben die ons nog fijntjes gaat vertellen dat Poetin of Blair (?) de nieuwe Godunov is. Met de bloederige beelden erbij, anders doet de opera niet meer mee.

Maar als ik naar Boris Godunov van Moesorgski wil kijken dan verwacht ik geen Poetin en geen Pussy Riot. Ik verwacht de boyaren, de monniken en de oudgelovigen. En de kerkklokken van Sint Petersburg. De link naar het heden kan ik zelf ook maken.

U begrijpt het wel: de Boris Godoenov van Calixto Bieito (Munchen 2013) kan mij maar niet bekoren en daar druk ik mij eufemistisch uit.

Geef mij maar de productie van Willy Decker, die ook bij ons in Amsterdam te zien is geweest. Er werd er ook beter in gezongen.(BelAir BAC102)

FILM

Boris film Pirogov

In 1954 werd ‘Boris’ in de Russische studio’s verfilmd. De regie was in handen van Vera Stroyeva, een grand lady van de Sovjet-cinema, die de opera in de beste soc-realistische (denk aan Eisenstein!) tradities heeft vastgelegd.

Het is een mix van alle versies met veel coupures maar het maakt niets uit: u moet het minstens een keer gezien hebben. Alleen al voor de sfeer die de film ademt en die je werkelijk angstig dicht bij het verhaal brengt.

En er wordt waanzinnig goed in gezongen door o.a. Alexander Pirogov, Georgi Nelepp en Ivan Kozlovsky, de toenmalige sterren van het Bolsjoi. Legendarisch. (VAI 4253)

De sterfscène van Boris:

CD’S

Martti Talvela

5099973970422_god_bl_cdq301e CD Booklet - Printers Pairs

De allereerste opname van Moesorgski’s eigen partituur, de gereviseerde versie uit 1872 dan, werd in 1976 gemaakt. Wie gewend was aan de gepolijste bewerking(en) van Rimski-Korsakov (en dat waren we toen bijna allemaal), moest gewoon schrikken van het ruwe geluid. Maar eenmaal van de schrik bekomen kon je niet anders dan toegeven: het was weliswaar minder mooi, maar het paste veel beter bij het verhaal.

De, op Martti Talvela (Boris), Aage Haugland (Varlaam) en Nicolai Gedda (Grigori/Dimitri) na geheel Poolse cast is meer dan uitstekend, maar het is niet echt spannend gedirigeerd door Jerzy Semkow. (Warner Classics 5099973970422)


Boris Christoff

Boris Christoff EMI

We kunnen niet om Boris Christoff heen, één van de allergrootste Borissen uit de geschiedenis. Hij heeft de rol meerdere malen opgenomen, waarvan die onder André Cluytens mij het dierbaarst is.

Hier zingt hij, behalve Boris, ook Pimen en Varlaam, wat af en toe een beetje verwarrend werkt, maar hem de gelegenheid biedt om verschillende mogelijkheden van zijn fantastische bas te laten horen. De versie is uiteraard van Rimski-Korsakov, en de opname uit 1962 klinkt nog steeds prima. (ooit EMI 5678772)


 

 

Boris Christoff liederen

Nu we het toch over Boris Christoff hebben: bij het budget label Andromeda is er niet zo lang geleden een 3-cd box heruitgegeven met alle door hem gezongen liederen van Moesorgski. De opnamen, met zowel piano- als orkestbegeleiding zijn in resp. 1951, 1955, 1957 gemaakt. Helaas geen liedteksten, en ook geen info. (ANDRCD 5098)


Frank van Aken schittert in de Amsterdamse ‘Boris Godoenov’

Meer Moesorgski: CHOVANSJTSJINA: discografie

LE COMTE ORY in Malmö

Rossini Le comte Ory.jpg

Met Le Comte Ory heeft Rossini een geheel nieuw genre in het leven geroepen, dat van operakomedie met de oorsprong in het vaudevilletheater. Het is eigenlijk een klucht die dankbaar gebruik maakt van talrijke vermommingen en verkledingen.

Het was de laatste komische opera van Rossini, de première vond plaats in 1828 in Parijs. En als de muziek u enigszins bekend voorkomt dan heeft u gelijk: Rossini hergebruikte het een en ander van zijn drie jaar oudere Il Viaggio a Reims.

De (anti)held van de opera is de oversekste jonge graaf Ory. Hij heeft zijn zinnen heeft gezet op de mooie gravin Adele die treurig de terugkeer van haar man van de kruistochten afwacht maar ondertussen zelf verliefd is geworden op haar page Isolier.

De productie die in 2014 in Malmö werd opgenomen is zeer grappig zonder dat het meteen verandert in het theater van de lach. De in Stockholm geboren Zweeds-Indiase Linda Mallik en haar team zijn verantwoordelijk voor de kleurrijke enscenering en de uitvoering is op topniveau.

De Uruguayaanse tenor Leonardo Ferrando had een broertje kunnen zijn van Juan Diego Flórez: niet alleen lijkt hij op zijn beroemde landgenoot maar zijn stem heeft vrijwel dezelfde, licht nasale timbre. Zijn hoogte klinkt dan iets minder gemakkelijk maar mooi is het wel. Een echte tenor leggero.

Erika Miklósa is een voortreffelijke Adele en Daniela Pini schittert als Isolier. Zeer onder de indruk ben ik ook van de bas Lars Arvidson (Ory’s leermeester) en de bariton Igor Bakan (Raimbaud).

Het orkest uit Malmö onder leiding van Tobias Ringborg speelt op wereldniveau.

GIOACHINO ROSSINI
Le Comte d’Ory
Leonardo Ferrando, Lars Arvidson, Daniela Pini, Igor Bakan, Erika Miklósa. Irina de Baghy e.a.
Malmö Opera Orchestra and chorus olv Tobias Ringborg
Regie: Linda Mallik
Naxos 2110388

La Reine de Chypre van Halévy herontdekt

Halevy La Reine du Chypre

Jacques Fromental Halévy heeft meer dan veertig opera’s gecomponeerd maar mocht men hem überhaupt kennen dan komt het door ‘Rachel! quand du Seigneur la grâce tutélaire’, de tenorale hit uit La Juive, de enige van zijn opera’s die tot voor kort sporadisch werd uitgevoerd. Maar zie: de tijden veranderen en na de overal – behalve Nederland – gaande Meyerbeer-revival is men nu bezig om Halévy te herontdekken.

Richard Tucker zingt ‘Rachel! quand du Seigneur’ uit La Juive:

La Reine de Chypre is in 1841 in première gegaan en de daarbij aanwezige Richard Wagner die de opera voor de Dresden Abend-Zeitung recenseerde, prees de score de hemel in als zijnde “nobel, hartstochtelijk en vernieuwend”.

Het verhaal doet een beetje aan Don Carlos denken en al verloopt de actie behoorlijk dramatisch, het loopt allemaal goed af. Catarina Cornaro is de enige vrouwelijke rol in de verder louter mannelijke cast. Het zit zo: Rosine Stolz, de primadonna die de rol creëerde was beroemd en berucht om haar diva gedrag, ze duldde geen andere vrouwen naast zich. Zo eiste ze ook dat het thema van ‘haar’ aria niet al in de ouverture verklapt zou worden.

Begin juni 2017 werd de opera op het Vijfde Festival Palazzetto Bru Zane concertante uitgevoerd en door Ediciones Singulares live opgenomen. Zonder problemen gebeurde het niet.

Zo werd Marc Laho, die de rol van Gérard de Cousy oorspronkelijk zou zingen, ziek. Hij werd vervangen door Cyrille Dubois die het ook moest laten afweten en de rol werd overgenomen door de tenor nummer drie die de score amper kende. Op de opname horen we Dubois en hij doet het uitstekend.

Étienne Dupuis laat als Jacques de Lusignan een gespierd geluid horen maar het is de diva, Véronique Gens die de show steelt met haar zeer stijlvolle vertolking van de hoofdrol.

Hervé Niquet dirigeert het Orchestre de Chambre de Paris met veel elan en gevoel voor dramatiek en het Vlaamse Radiokoor is absoluut onweerstaanbaar. Een must.


JACQUES FROMENTAL HALÉVY
La Reine de Chypre
Véronique Gens, Cyrille Dubois, Étienne Dupuis, Éric Huchet, Christophoros Stamboglis e.a.
Orchestre de chambre de Paris; Flemish Radio Choir olv Hervé Niquet
Palazzetto Bru Zane series (Ediciones Singulares) Volume 17

Meer Halévy:
LA JUIVE: discografie
LA JUIVE Tel Aviv 2010
CLARI

Tomas Bretón: La Dolores

La Dolores

Tomas Bretón ken ik als één van de beste zarzuela-componisten en zijn La Verbena de la Paloma belandt regelmatig in mijn cd-speler. Van La Dolores kende ik – tot voor niet zo lang geleden -alleen een aria en een duet die zich in mijn Domingo verzameling bevinden.

Plácido Domingo zingt ‘Jota’ uit La Dolores:

Het werd dus een zeer spannende en zeer aangename kennismaking want bij de eerste inzet al ging ik rechtop zitten. De prachtige kleuren die aan het orkest ontlokt werden konden alleen maar het werk zijn van een maestro van formaat.

 

TOMAS BRETON

Tomas Bretón

Het voorspel deed mij sterk aan Cavalleria Rusticana denken wat alleen maar versterkt werd door de daaropvolgende koorpartij. Maar juist toen ik al dacht het allemaal eerder gehoord te hebben (behalve het al eerder genoemde ‘Cavalleria’ meende ik ook ‘Carmen’ te herkennen), nam het een totaal andere wending aan.

Ja, het is onmiskenbaar Spaans en vaak moest ik ook aan El Gato Montés van Manuel Penella Moreno denken, zeker in de schitterende scènes voorafgaand aan het stierengevecht. Maar waar ik eigenlijk het meest verbaasd over was: waarom werd La Dolores niet eerder opgenomen? De eerste opvoering in 1895 kende een enorm succes en de opera werd zelfs verfilmd.

Manuel Lanza (geen familie van) beschikt over een fraaie baritonstem die mij sterk aan Carlos Álvarez deed denken.

Tito Beltrán heeft sinds 1993, toen hij het concours van Cardiff won, een paar solo-cd’s opgenomen en het voelde goed om hem in een complete operaregistratie tegen te komen.

En Plácido Domingo is, zoals (bijna) altijd, superieur.

Het grootste belang echter ligt in de muziek zelf en het is te hopen dat de Decca opname uit 1999 nog te koop is want de hoop om het ooit eens live te kunnen horen heb ik al lang geleden opgegeven.


Tomas Bretón
La Dolores
Elisabete Matos, Raquel Pierotti, Plácido Domingo, Tito Beltrán, Manuel Lanza, Stefano Palatchi
Cor del Gran Teatre del Liceu, Orquestra Simfònica de Barcelona i National de Catalunya olv Antoni Ros Marbà
Decca 4660612

Sacrale werken van Domenico Scarlatti

Scarlatti Stabat Mater

Domenico Scarlatti kennen we voornamelijk als de componist van de klaviersonates. Hij heeft er 555 geschreven, ze worden ook met grote regelmaat uitgevoerd. Tegenwoordig meestal op de klavecimbel maar gelukkig bestaan er ook veel opnamen op de piano. Meesterwerkjes zijn dat die ook nog eens van grote invloed waren op de ontwikkeling van de klaviermuziek.

Anders is het gesteld met zijn geestelijke werken; op Stabat Mater na krijg je ze zelden te horen. Echt verwonderlijk is het niet. Zo vooruitstrevend zoals hij met zijn sonates was, zo ouderwets toont hij zich als de componist van de liturgische muziek.

‘Miserere’, ‘Te Deum’ en ‘Salve Regina’ borduren voort op de uit de renaissance stammende polyphonie. De zevendelige ‘Stabat Mater’ is dan iets ambitieuzer. Scarlatti componeerde het tienstemmig werk tussen 1713 en 1720, toen hij maestro di capella was aan de Basilica Giulia in Rome.

Het Belgische vocaal ensemble Vox Luminis werd in 2004 door Lionel Meunier opgericht, het bestaat uit vier sopranen, twee countertenoren, twee tenoren en twee bassen. Deze opname dateert al uit 2007 en is al eerder op de markt geweest. Ik was er toen niet kapot van en dat ben ik nu nog minder. Er wordt niet altijd zuiver geïntoneerd en het geheel klinkt gewoon monotoon.

Maar ook de uitvoering van de twee sonates door Anne Nissinen kan mij maar matig boeien. Het kan ook aan het instrument liggen: een orgel klinkt eenmaal zwaarder en gewichtiger dan een klavier.


DOMENICO SCARLATTI
Te Deum Laudamus, Salve Regina, Stabat Mater, Miserere; Sonates K.87 & K417
Vox Luminis olv Lionel Meunier
Ricercar RIC 258

Jiří Belohlávek wervelt in Smetana’s Prodaná Nevěsta

Smetana Verkochte bruid

Mařenka en Janík houden van elkaar, maar haar vader wilt haar aan de zoon van een rijke landeigenaar uithuwelijken. Met behulp van een slimme list komt uiteindelijk alles goed, want het blijkt dat Janík de oudste zoon van de rijkaard is.

Prodaná Nevěsta, de eerste nationale Tsjechische opera, was vanaf het begin een enorme hit. De heerlijke melodieën, de aanstekelijke volksdansjes, het feelgoodverhaal… zeg daar maar eens nee tegen!

De populariteit van de opera beperkte zich niet tot de Tsjechische landsgrenzen, al lijkt het bij de grens van Nederland wel op te houden. Want voor zover ik weet werd de opera hier de laatste 30 jaar nergens uitgevoerd.

Er bestaan een paar goede opnamen van, maar de meeste zijn oud en veelal in het Duits, een nieuwe is dus meer dan welkom.

Ik ben een enorme fan van dirigent Jiří Belohlávek en mijn bewondering voor hem stijgt met de dag. Zelden heb ik de muziek van De verkochte bruid zo aanstekelijk horen spelen. Zo wervelend, zo uitnodigend tot glimlachen.

De mij onbekende zangers zijn allemaal goed. Dana Burešova (Mařenka) doet mij Lucia Popp niet vergeten (wie wel?), maar haar timbre is heerlijk licht, net van een mokkend kind.

Thomáš Juhás lijkt een beetje op de jonge Peter Dvorský en Aleš Voráček is een voortreffelijke Vašek.


Bedřich Smetana
Prodaná Nevěsta
Dana Burešova, Thomáš Juhás, Aleš Voráček, Jozef Benci e.a.
BBC Symphony Orchestra olv Jiří Belohlávek
Harmondia Mundi HMC 902119.20

“ZIJ HADDEN VOGELS KUNNEN ZIJN” *

Burkhardt Söll: KINDERDINGE. Een requiem voor een oude dokter en zijn weeskinderen

Korczak met de kinderen

Korczak en de kinderen

Zijn echte naam was Henryk Goldszmit. Het pseudoniem Janusz Korczak gebruikte hij voor het eerst in 1898 toen hij deelnam aan een literaire wedstrijd, georganiseerd door de beroemde pianist – en de eerste minister-president in het na de Eerste Wereldoorlog bevrijde Polen -Ignacy Paderewski.

Korczak

Janusz Korczak

Korczak werd geboren in Warschau in een geassimileerd Joods gezin. Na zijn studie medicijnen werkte hij een korte periode als kinderarts en in 1912 kreeg hij de leiding over Dom Sierot, een weeshuis voor Joodse kinderen. Hier bracht hij zijn utopische idealen over een Kinderrepubliek in praktijk: een kindergemeenschap met een eigen parlement, rechtbank en krant, dat alles geleid door kinderen. Na de Eerste Wereldoorlog stichtte hij een tweede weeshuis, Nasz Dom (Ons Huis)

Korczak Krochmalna_Street_orphanage

Het weeshuis in de Krochmalnastraa

Behalve arts en leider van een weeshuis was Korczak ook pedagoog, leraar, schrijver en schriftgeleerde. Hij werkte bij de Poolse radio en gaf lezingen. Zijn roem was immens, ook buiten de Poolse grenzen werden zijn boeken en artikelen gepubliceerd en geroemd, en zijn pedagogische methoden nagevolgd.

Korczak en kinderen

In november 1940 werd het weeshuis gedwongen naar het ghetto van Warschau te verhuizen en begin augustus 1942 werden de kinderen, samen met Korczak en zijn helpster Stefania Wilczynska op transport gezet. Zelfs de nazi’s hadden ontzag voor de beroemde pedagoog – er werd hem een ontsnappingsmogelijkheid geboden. Trouw aan zijn idealen, weigerde hij echter en ging de kinderen voor in de dood. Allen werden vergast meteen na hun aankomst in Treblinka op 7 augustus 1942.

Korczak den de kindern Yad_Vashem_BW_2

Monument “Janusz Korczak en de kinderen” in Yad Vashem

Over Korczak:

In 1972 werd aan Korczak  postuum de prestigieuze Vredesprijs van de Duitse boekhandelaren toegekend. Er zijn boeken over hem geschreven en films over hem gemaakt en in de jaren negentig van de vorige eeuw heeft de Duits-Nederlandse componist Burhardt Söll muziekstuk gecomponeerd ter nagedachtenis van Korczak en zijn kinderen, getiteld Kinderdinge. Voor de songteksten tekende sociologe en pedagoge Manuela du Bois-Reymond en in het dagelijks leven de echtgenote van de componist.

 

KOrczak KInderdinge

De wonderschone compositie bestaat uit korte stukjes (kinderscènes) die in elkaar vloeien. De eerste scène ‘Canto d’amore’ wordt opgevolgd door het geluid van kleppers (The only instruments). Er wordt rijkelijk geciteerd  uit de klezmer muziek en Jiddische lieder. Er zijn treingeluiden, grimmige ‘Mars van koffers, schoenen  en jassen’ en er zijn songs.

Song één over het schrikken, song twee over kindermeubels die geen vertrouwen (meer) inboezemen en song drie over het opgesloten zitten in een donkere kast. Een kast die zo klein is dat er plaats is voor maar één been. Alle drie vervuld van immense angst en duisternis en dood (“bei den toten ist mein haus und in der finsternis ist mein bett gemacht”).

De vierde en laatste song (‘The End. What really happened’) is gebaseerd op het ooggetuigenverslag van Marek  Rudnicki, dat gepubliceerd werd in het Poolse Tygodnik Powszechny in 1988.

 Kinderdinge  is een concertversie van Söll’s eigen muziektheaterstuk getiteld Ach und Requiem uit 1994/1995. En dááraan is de in 1991 geschreven Little requiem vooraan gegaan.

Korczak Söll

Burkhardt Söll

De vraag waarom een muziektheaterstuk over Korczak, vanwaar de interesse in de lotgevallen van de oude dokter en zijn kinderen en of het überhaupt mogelijk is het in de muziek te vertellen vormde voor mij de aanleiding voor de ontmoeting met de componist die sinds in 1977 woont in Leiden.

Burkhardt Söll werd in 1944  in Marienberg geboren: zijn moeder was Joods. Bij de eerste vioollessen, die hij bij zijn tantes volgde moest hij bij de ene wel en mocht bij de ander niet klezmermuziek spelen.

Söll studeerde altviool bij de vermaarde Rudolf Kolisch. Al tijdens zijn schooltijd componeerde hij voor het schoolorkest. Zijn opleiding vervolgde hij aan de Hochschule der Künste in Berlijn. Hij studeerde er compositie bij Boris Blacher en Paul Dessau en schilderen bij Horst Antes. Daarna werkte hij geruime tijd als assistent van Bruno Maderna en Ottomar Suitner aan de Berlijnse Opera Unter den Linden.

Korczak Söll zelfportret

Burhardt Söll Zelfportet

In de jaren zeventig was Söll betrokken bij een onderzoek over de esthetische leermethodes voor kinderen en ontwikkelde een methode om kinderen te leren muziekcomposities met de schilderkunst te combineren. Sinds 1977 woont hij in Leiden  en  in 1985 werd hij benoemd als docent aan de Kunstacademie in Utrecht. Zijn schilderijen werden tentoongesteld in o.a. Berlijn, Frankfurt, Parijs en Den Haag.

Korczak koning matthijse

Janusz Korczak en zijn boeken kent hij vanaf zijn prille jeugd en Krol Macius I (Koning Matthijsje de eerste) is nog steeds zijn lievelingsboek. De levensgeschiedenis van de oude dokter heeft hem altijd gefascineerd: iemand die zijn leven in dienst van (wees)kinderen heeft gesteld en die zijn eigen idealen tot de dood trouw bleef.

Voor het schrijven van het muziektheaterstuk werd Söll geïnspireerd door het zien van de ontwerpen van Reinhart Büttner  van kindermeubels: zwart en vervormd. Ach und Requiem werd in 1995 maar één keer uitgevoerd, gelukkig bestaat er een opname van. Het is alleen jammer dat het fraai ogende tekstboekje met op de cover een vioolspelend Joods kind helaas absoluut onleesbaar is. De letters zijn veel te klein en de kleurencombinatie (donkerbruin en lichtblauw) maakt het allemaal nog minder duidelijk.

Fragmenten zijn hier te beluisteren:

https://www.muziekweb.nl/Link/AEX1367/Kinderdinge-music-for-Korczak-and-his-children

*Ontleend aan de novelle van Karlijn Stoffels We hadden vogels kunnen zijn

Burkhardt Söll
Kinderdinge
Music for Korczak and his children
Djoke Winkler Prins (sopraan),
Mary Oliver (altviool), Alison McRae (cello), Huub van de Velde(contrabas), Jörgen van Rijen (trombone),Wilbert Grootenboer (slagwerken), Dil Engelhard (fluit), Jan Jansen (klarinet), Henri Bok (saxofoon)
Directie: Peter Stamm
BVHAAST CD 9703