opera/operette/oratorium/koorwerken

Mazeppa als kostuumdrama in het Mariinsky

Tekst: Peter Franken

De opera Mazeppa komt in Tsjaikovski’s oeuvre halverwege zijn grootste successen Evgeni Onegin en Pique Dame. Voor iemand die goed bekend is met die werken komt de muziek van Mazeppa niet als een verrassing, zeer vele melodische wendingen zijn uitermate herkenbaar. De componist had zijn eigen stijl gevonden, zullen we maar zeggen.

\Bijna dertig jaar geleden zag ik deze weinig gespeelde opera bij DNO, in een regie van Richard Jones met Sergej Leiferkus in de titelrol. Het toneelbeeld was modern, de suggestie van een autoritaire samenleving werd nadrukkelijk gewekt. Mazeppa en zijn mannen waren kaal en in zwarte uniformen gestoken, black shirts. Pregnant detail was de wijze waarop Mazeppa’s tegenstrever Kochubey werd geëxecuteerd: zijn hoofd werd op de tramrails gelegd waarna er een wagon overheen reed.

https://my.mail.ru/video/embed/1180832194961140578

In de productie uit 1996 die Irina Molostova voor het Mariinsky Theater maakte ziet alles er heel anders uit, maar het resultaat is hetzelfde: Kochubey’s hoofd komt op het hakblok terecht. Mazeppa’s woord is wet, in zijn eigen prinsdom is zijn gezag onaantastbaar.

De inhoud van deze opera is gebaseerd op het gedicht Poltava van Pushkin: wat zouden Russische librettisten zonder hem aan moeten! Mazeppa was Hetman van de Oekraïne ten tijde van Peter de Grote toen het Russische Rijk nog moest opboksen tegen Zweden en Polen. Als absoluut heerser had de Kozakken hoofdman Mazeppa zijn land in vaste greep. Hij probeerde de Oekraïne los te maken van Rusland om zodoende tsaar van dit nieuwe soevereine land te worden en zweerde daartoe samen met Ruslands vijanden, Zweden in het bijzonder.

de slag bij Poltava

De slag bij Poltava wordt echter een overwinning voor Peter en Mazeppa slaat op de vlucht, zoekt zijn heil bij de Turken en sterft kort daarna in Bendery. Voor een opera is dat natuurlijk niet genoeg vandaar dat er een liefdesgeschiedenis in is verwerkt. Hierin neemt Mazeppa tegen de zin van haar vader Kochubey de zeer veel jongere Maria als bruid mee naar huis nadat hij door zijn trouwe vriend vorstelijk is onthaald. Daarmee schendt hij de gastvrijheid, het alsdan vigerende recht van de vader om hem de hand van zijn dochter te weigeren en als klap op de vuurpijl negeert hij ook nog eens zijn eigen status als Maria’s peetvader. Gelukkig vindt Maria zelf het prima, ze was al langer zeer gecharmeerd van die knappe, krachtige potentaat met zijn grijze haren.

Het tableau wordt gecompleteerd door Maria’s handenwringende moeder Lyubov en Andrey, Maria’s jeugdvriend die al sinds de kleuterschool verliefd op haar is en zijn droom haar ooit te huwen in rook ziet opgaan. Uit wraak verraadt Kochubey de plannen van Mazeppa aan Peter de Grote maar die gelooft hem niet en levert hem uit aan Mazeppa. Die laat zijn vroegere vriend en schoonvader executeren, zonder medeweten van Maria die daar pas achter komt als haar moeder Mazeppa’s paleis weet binnen te dringen en haar smeekt iets te ondernemen. Natuurlijk komen die vrouwen te laat en zoals gebruikelijk in opera’s wordt Maria waanzinnig.

De enscenering is een lust voor het oog, prachtige kostuums, mooie decors, een uitstekend uitgevoerd dansnummer en strak geregisseerde koorscènes. Goed acteerwerk van de koorleden en figuranten.

Het personage Andrey is toegevoegd aan het verhaal omdat men anders zonder tenor zou zitten. Hij zingt aan het begin een duet met Maria dat feitelijk een dialoog tussen doven is. Hij houdt van haar, zij van Mazeppa en geen van beiden heeft nog een positieve verwachting van het leven. In de derde akte keert Andrey nog een keer terug om Maria’s lot beklagen en zijn voornemen te uiten de schurk Mazeppa te vermoorden. Victor Lutsiuk haalt uit deze droeve rol wat er in zit, het is nauwelijks meer dan die van zingende figurant maar vocaal staat hij zijn mannetje.

Larissa Diadkova weet te overtuigen als Maria’s handenwringende moeder Lyubov, acterend wat pathetisch maar vocaal zeer beheerst. Overigens zong ze de rol ook in Amsterdam. Haar dochter wordt vertolkt door Irina Loskutova, visueel net iets te oud voor deze rol maar daar zal het publiek in de zaal weinig van gemerkt hebben. Ze zingt bij aanvang gezellig mee met haar vriendinnen en laat zich gewillig door Mazeppa ontvoeren.

Maria’s personage komt pas echt uit de verf in de grote dialoog met haar oudere man in de tweede akte. Een krachtige vertolking die echter wat geforceerd klink als de componist haar een paar genadeloze hoge passages laat zingen. Waarom doet die man dat toch steeds? Haar klaagzang in de derde akte is hartverscheurend. Maria sluit de opera als het ware af met een wiegeliedje bij het lijk van Andrey, die op de valreep nog in de rug is geschoten door Mazeppa’s handlanger Orik.

Het tweetal vrienden dat verkeert in vijanden komt voor rekening van Sergei Aleksashkin als Kochubey en Nikolai Putilin als Mazeppa. Aleksashkin zit perfect in zijn rol van de beledigde gastheer en vader, hij wil Mazeppa zijn huis uitzetten maar die doet zijn macht gelden, hij is immers niet alleen gekomen en zijn kleine militie stond al gereed. Zijn mooiste moment is de aangrijpende monoloog in zijn cel, de avond voor de terechtstelling. Goed geacteerd en vocaal een hoogstandje.

Putilin is in zijn element als de potentaat Mazeppa die een zachte kant toont in zijn oprechte liefde voor de zeer veel jongere Maria. De enige reden dat hij aarzelt zijn schoonvader terecht te stellen is dat hij vreest zodoende haar liefde te verliezen. De scène waarin hij hierover loopt te tobben toont Putilin in al zijn glorie, wat een fantastische bariton! Als hij Maria zijn plan heeft uitgelegd en zij zichzelf al ziet als tsarina van de Oekraïne, durft hij het risico van die executie wel aan. Om vervolgens alles te verliezen en als een opgejaagd dier in ballingschap te sterven.

Valery Gergiev heeft de muzikale leiding en maakt er een bijzondere voorstelling van, echt de moete waard om na zoveel jaren nog eens terug te zien.

https://my.mail.ru/video/embed/693267524699032257

Liefde voor drie sinaasappelen uit Aix-en-Provence: onweerstaanbaar hilarisch

Любовь к трем апельсинам (Liefde voor drie sinaasappelen), Prokofieffs wellicht de meest bekende en het vaakst (in het buitenland, althans) opgevoerde opera kende ik alleen maar in het Frans. Sterker nog: ik wist niet eens dat het oorspronkelijke libretto in het Russisch was en dat de componist het zelf in het Frans vertaalde. De voorstelling die in de zomer van 2004 in Aix-en-Provence werd opgenomen was, voor zover ik weet de allereerste officiële opname van het werk in het Russisch, en het resultaat is verbluffend: de taal past beter bij de muziek en haar ritme.

De voorstelling zelf is onvoorstelbaar prachtig en onweerstaanbaar hilarisch. Philippe Calvario, een jonge Franse acteur en regisseur heeft een perfecte commedia dell’arte gecreëerd, waarin alles tot het absurde is doorgevoerd. Hij zet een bizarre wereld van travestie en verkleedpartijen neer, en het toneel wordt bevolkt door punkers, leernichten, drag queens, koningen, tovenaars en narren. Alles en iedereen wordt bespottelijk gemaakt, daarbij wordt geen cliché geschuwd.

Tugan Sokhiev dirigeert aanstekelijk en er wordt waanzinnig goed in gespeeld, geacteerd en gezongen. De jonge, onbekende cast (zowel het koor als de Russische solisten) is briljant. Als dat het niveau is dat de jonge zangers tegenwoordig in Rusland bereiken, nou, laat de Russen dan maar komen!

Helaas is er op YouTube alleen dit fragment te vinden:

Sergei Prokofieff: The love for three oranges
Andrey Ilyushnikov, Kirill Duschechkin, Pavel Schmulevich, Ekaterina Shimanovitch; Mahler Chamber Orchestra olv Tugan Sokhiev
BelAir BAC 024

Don Pasquale uit Geneva: een must niet alleen voor de schilderskunstliefhebbers

Toegegeven, de enscenering lijkt soms te bedacht, maar gaat dat meestal niet zo, met concepten? Geef je eraan over, zou ik zeggen, en je avond kan niet meer stuk, want de productie is gewoon ontzettend leuk (wel tot het eind blijven kijken!)

Daniel Slater, geholpen door de ontwerper Francis O’Connor verplaatst de actie naar de jaren twintig van de vorige eeuw, naar het Parijs van ‘olalala’, naar het café, de straatschilders, de avant-garde en de psychoanalyse. Er wordt rijkelijk met de beelden van Picasso en Magritte gestrooid en de derde acte is één en al Mondriaan. Prachtig om te zien en je kan meteen je kunstkennis testen.

Simone Alaimo is een fantastische don Pasquale. Hij zingt en acteert dat het een lieve lust is, heerlijk! Samen met Marzio Giossi (doctor Malatesta) zorgt hij voor menig hilarisch moment

Alleen in Patrizia Ciofi (Norina) moeten de heren hun meerdere erkennen, maar zij is dan ook de ongekroonde koningin van het (dramatische) belcanto en domineert de bühne vanaf haar eerste opkomst. Zij zet een vrouw van de wereld neer, met wie je beter niet kunt spotten. Daar zou ook Ernesto (een aardige Norman Shankle) weleens pijnlijk achter kunnen komen.

Gaetano Donizetti: Don Pasquale
Patrizia Ciofi, Simone Alaimo, Norman Shankle, Marzio Giossi
Orchestre de la Suisse Romande olv Evelino Pidò
regie Daniel Slater
Bel Air BAC033

Cheryl Studer zingt Elsa in Wenen en Bayreuth

Tekst: Peter Franken

In 1990 verkeerde Cheryl Studer in haar wonderyears waarin ze de successen aaneen reeg. Zo trad ze dat jaar zowel in de Staatsoper Wien als tijdens de Bayreuther Festspiele op als Elsa in Wagners Lohengrin, een rol die haar op het lijf geschreven was.

Arthaus bracht een opname op dvd uit van een voorstelling in de Staatsoper die bijna als muzikale benchmark zou kunnen dienen. De titelrol is in handen van een indrukwekkende Plácido Domingo en naast Studer treedt er een topcast aan met Robert Lloyd als Koning Heinrich, Hartmut Welker als Telramund en Dunja Vejzovic als Ortrud. Als Heerrufer is George Tichy te horen.

De productie van Wolfgang Weber is rechttoe rechtaan, alles keurig volgens het boekje. Decors en kostuums ogen fantasie middeleeuws en als de belichting het weer eens toelaat ziet het er prachtig uit. Dat is wel een minpunt, het toneel wordt voortdurend erg donker gehouden. Voordeel is wel dat de kijker zich geheel op de tekst en de zang kan richten wat met de Duitse ondertitels natuurlijk goed lukt.

Zodoende dacht ik weer eens na over wat er eigenlijk met Elsa gaande is. Ze wordt van ontvoering en moord op haar broertje beschuldigd, een incident dat zich al een tijdje terug moet hebben voorgedaan gelet op het feit dat Telramund inmiddels met Ortrud is getrouwd. Dit zijn de middeleeuwen, het is een wonder dat Elsa überhaupt nog in leven is. Ook ten overstaan van Heinrich heeft ze feitelijk geen schijn van kans, totdat die kerel met die zwaan ineens komt opdagen.

Claudio Abbadao leidt koor en orkest van de Staatsoper in een topuitvoering. En de solisten betalen hem met gelijke munt. Hartmut Welker is een van de beste Telramunds die ik tot op heden heb beleefd. Meestal valt die rol me nogal tegen maar Welker overtuigt in spel en zang. Dunja Vejzovic is een creepy Ortrud die een groot deel van de tweede akte naar zich toe weet te trekken. Lloyd is bijna een luxe bezetting in de rol van de weinig standvastige koning. Heinrich is een opportunist en dat valt gemakkelijk op al zingt hij nog zo heldhaftig.

Domingo is een mooie Lohengrin maar ik speelde deze dvd voor het eerst in lange tijd weer eens af omwille van Cheryl Studer. Ze is een ideale Elsa, oogt kwetsbaar en wereldvreemd genoeg om haar personage herkenbaar gestalte te geven en zingt de sterren van de hemel. Ik was indertijd helemaal weg van die stem en weet nu weer precies waardoor dat kwam.

De eerste keer dat ik Cheryls stem hoorde was bij het afspelen van een cd met highlights van Tannhäuser onder Sinopoli, opgenomen in 1989. De eerste track was ‘Dich teure Halle’ en haar stem kwam als een klaroenstoot de kamer en blies me bijna van mijn sokken. Overweldigend, die eerste kennismaking. Ik heb die cd talloze malen afgespeeld, kon er niet genoeg van krijgen en nam me voor alles aan te schaffen waarop ze te horen was. Ik ben een heel eind gekomen.

Als Elsa in de productie van Werner Herzog voor de Bayreuther Festspiele van 1990 doet ze dit nog eens dunnetjes over. Ik vind haar hier nog mooier dan in die Weense productie. Sowieso is deze Lohengrin een stuk interessanter dan die van Weber.

Herzog neemt het romantische middeleeuwse gebeuren voor kennisgeving aan en brengt het zo goed en mooi mogelijk op het toneel. Hij gebruikt een toneelbeeld dat overigens op twee gedachten hinkt. Enerzijds toont hij de schamele overblijfselen van een kerk met gotische spitsbogen, het enige ‘gebouw’ op het toneel maar wel een directe verwijzing naar het christendom als ‘overwinnaar’. Anderzijds probeert hij recht te doen aan Ortruds weigering dit te accepteren, ze roept letterlijk Wotan en Freia aan. Om dat aannemelijk te maken wordt de bevolking getoond in een zo basaal mogelijke levensomstandigheid alsof we een paar eeuwen eerder zitten.

De gehele handeling speelt zich buiten af en bij het begin van de kerkscène in de tweede akte zien we personen gewoon buiten op de grond slapen. Het ‘dorpsplein’ wordt gemarkeerd door een stel megaliethen. Het liefst zou Herzog nog een paar druïden aan het geheel willen toevoegen, zo lijkt het. De strijd tussen de oude goden en het christendom is nog niet beslist, ‘is hanging in the balance’. Dat weerhoudt Henning von Gierke er niet van iedereen op en top gekleed er bij te laten lopen, een kleurrijk ‘mideleeuws’ geheel.

Verder ziet alles er een beetje somber uit, niet zozeer donker maar er is weinig tot geen zon te zien door de permanente nevel. Alleen als Elsa is getrouwd komt de zon even door, maar evengoed staat het bruidsbed gewoon weer buiten in de nacht. En als ze die Frage heeft gesteld begint het te sneeuwen.

Muzikaal staat deze uitvoering op een zeer hoog niveau. Behalve Studer laten ook de andere protagonisten zich van hun beste kant zien en horen.

Manfred Schenk is een welluidende Heinrich en Eike Wim Schulte een goede Heerrufer. Ekkehard Wlaschiha weet me aangenaam te verrassen met een zeer goede vertolking van Telramund. Soms vind ik hem wat ruw maar hier zingt hij een rol die hem past als een handschoen.

Gabriele Schnaut is een zeer felle Ortrud die in ‘haar‘ akte veel aandacht weet weg te halen bij Elsa, ook bij Telramund overigens. Paul Frey doet me een beetje denken aan Klaus Florian Vogt, in de verte dan. Mooi optreden van deze Canadese tenor. Koor en orkest spelen zonder meer weergaloos, met dank aan maestro Peter Schneider. Zeer de moeite waar om nog eens terug te luisteren.

Die Kathrin, Korngold’s last opera, still awaiting rediscovery

kathrin

Through the years 1934 – 1938, Korngold commuted between Hollywood and Vienna. He worked on film music in winter and spent the summers on his “more serious” works. This was also the time of Die Kathrin, an opera that he had already begun in 1932 and which would remain his last. The story is set during the First World War and deals with the love between a French soldier and a German maid.

The premiere was planned for January 1938, but Jan Kiepura, who was to sing the role of François, unfortunately had to cancel, due to his obligations at the MET. The premiere was postponed. And then came the Anschluss.

Just in time, Korngold was called back to Hollywood, where he was required to finish his score for Robin Hood in just a few days. On January 29, he set sail on the ‘Normandie’, coincidentally together (oh, the irony!) with Kiepura and his wife.

The composer was safe, but his possessions, including the manuscripts and scores, were confiscated. In a sly manner (page by page sewn in between the safe Beethovens and Strausses) they were sent to America.

Die Kathrin was performed in Stockholm in October 1939 and it was an enormous fiasco. This was partly due to the weak libretto, but mainly due to the anti-Semitism which also prevailed in Swedish newspapers.

More than sixty years later, the opera was recorded by CPO. That is fortunate, because there is a lot to be enjoyed. It is filled with really brilliant music, presenting a fusion of opera, operetta, musical and film. A common mix in those days – a “Zeitoper” therefore. There is a lot to listen to and the many arias lend themselves to singing along.


Kathrin’s ‘letter aria’ is strikingly similar to Marietta’s song from Die Tote Stadt, and her prayer brings tears to the sensitive listener’s eyes. And of course the tenor has some lovely music of his own.



Below Anton Dermota sings ‘Wo ist mein Heim’ in a recording from 1949 conducted by Korngold himself:


The love duet is perhaps the most beautiful in all of Korngold’s operas and even the villain, Mallignac, gets to sing beautiful notes, which immediately makes him more human.



The last word on Die Kathrin has not yet been said, but will we ever get to experience a live performance? The music deserves it. Was something like this perhaps Puccini’s intention when he thought of writing an operetta?



Below, Renee Fleming sings ‘Ich soll ihn niemals mehr sehen’:

Een letterlijk zwart-witte Carmen uit 1915

Zoals de films tegenwoordig, zo was de opera vroeger een lange tijd publieksvermaak nummero uno. Geen wonder dus dat al vanaf het prilste begin van de cinema veel aandacht werd besteed aan deze kunstvorm. Carmen, één van de meest populaire opera’s in die tijd, sprak bijzonder tot de verbeelding en werd reeds in 1912 verfilmd met in de hoofdrol de prima ballerina van de Opéra Comique, Régina Badet.

Cecil B.DeMille met Geraldine Farrar

In 1915 verfilmde Cecil B. DeMille de opera opnieuw, ditmaal met Geraldine Farrar als de mannen verslindende zigeunerin. Nu was Farrar niet alleen één van de grootste sopranen en MET-legendes uit het begin van de 20e eeuw, haar prachtige verschijning en een bovenmatig acteertalent maakten het voor haar mogelijk om ook een carrière als Hollywood-actrice op te bouwen.

Het verhaal werd behoorlijk aangepast, waardoor Carmen een door en door slechte vrouw was geworden en subtiliteiten zijn ver te zoeken. Alles is zwart-wit, net als de (stomme) film zelf, maar het mag de pret niet drukken, want er valt waanzinnig veel in te genieten.

De film is vanuit de DeMille’s persoonlijke kopie volledig gerestaureerd, en de oorspronkelijke score van Hugo Riesenfeld is door Gilian B. Anderson, die ook het London Symphonic Orchestra in de opgenomen soundtrack dirigeert, herschapen. Als bonus zijn er enkele door Farrar gezongen aria’s tussen de scènes in gemonteerd. Voor de zowel film- als operaliefhebbers een niet te missen monument (VAI 4362).

Hoe een nymf in een laurierboom veranderde: Daphne van Richard Strauss

Het is een tijd geleden dat ik een poging deed om een discografie van Daphne van Richard Strauss te schrijven. Het viel mij niet mee.

Zoals eenieder heb ook ik mijn voorkeuren en niet alle muziek vind ik mooi. Het mag algemeen bekend zijn dat ik geen barok liefhebber ben, maar ook Strauss, met uitzondering van Elektra, Salome en Arabella (en natuurlijk de liederen!) kan me maar moeilijk boeien, en Daphne vind ik ronduit saai.

Ooit heb ik een uitvoering van bijgewoond waar mij helemaal niets van bij is gebleven: halverwege was ik in slaap gevallen. U begrijpt dus goed dat ik echt niet popelde om er voor te gaan zitten maar ik deed mijn best. Maar verder dan de opname uit La Fenice kwam ik niet.

Is het me meegevallen? Ja en nee. Nog steeds vind ik het een opera van niets en de zware symboliek van het libretto eigenlijk lachwekkend. Maar toegegeven, de laatste pakweg 20 minuten (de ‘Verwandlugscene’) waarin de nymf Daphne verandert in een laurierboom zijn werkelijk adembenemend mooi. Jammer alleen dat je er anderhalf uur op moet zitten wachten.

De productie uit La Fenice in Venetië (Dynamic 33499) maakt veel goed. De regie is niet echt opzienbarend, maar de enscenering des te meer, vooral de belichting vind ik wondermooi. En er wordt prima in gezongen, voornamelijk June Anderson is zeer indrukwekkend als Daphne.

De beide tenoren (Roberto Sacca als Leukippos en Scott Mac Allister als Apollo) zijn uitstekend, en Birgit Remmert is een zeer goede Gaea. Dus al met al zeker aanbevolen, zeker als u van die opera houdt.

I Lombardi alla prima crociata uit Parma

Tekst: Peter Franken

De première van I Lombardi vond plaats in het Teatro alla Scala in Milaan op 11 februari 1843. Later werd het werk grondig herzien ten behoeve van een opdracht die Verdi kreeg voor de Parijse Opéra. Daar ging het werk in 1847 in première onder de titel Jérusalem. Deze versie ging in 2005 in de ZaterdagMatinee met Nelly Miricioiu als Hélène.

Later werd de Franse versie weer terugvertaald in het Italiaans zodat naast het oorspronkelijke I Lombardi nu ook Gerusalemme op Verdi’s conto staat. Geen van beide versies is vaak te zien of te horen, hoewel ze muzikaal zeker niet onderdoen voor hun voorganger Nabucco. Een mogelijke reden hiervoor is de uitgesproken kritische houding die in het werk wordt ingenomen jegens het christendom als instituut. Zo zingt Giselda na de moordpartij die volgt op de inname van Antiochië: ‘Dit is niet gods wil, het gaat jullie alleen maar om het uitmoorden van de bevolking en het plunderen van de rijkdommen die hier zijn vergaard’. Dat zal het voor het 19e eeuwse publiek, in een tijd dat de kruisvaarders nog ‘de goeden’ waren, moeilijk hebben gemaakt zich met de protagonisten te vereenzelvigen.

I Lombardi bevat meerdere delen die sterk herinneren aan Nabucco. Zo doet Giselda’s aria aan het einde van de tweede akte ‘No giusta causa non è’ denken aan Abigaille’s ‘Salgo già del trono aurato’ halverwege de tweede akte van Nabucco. Verder bevat I Lombardi maar liefst twee koorscènes waarvan de ‘slepende’ stijl helemaal in het straatje van het zogenaamde Slavenkoor past. Het betreft het Pelgrimskoor ‘Gerusalem, Gerusalem’ en het koor van pelgrims en kruisvaarders ‘O Signore, dal tetto natio’.

Het verhaal is ingewikkeld. Centraal staat echter de aanwezigheid van de door Acciano, de heerser van Antiochïe, gegijzelde Giselda, dochter van kruisvaarder Arvino. Zij is verliefd geworden op Oronte, de zoon van Acciano. Een voorbeeld van wat tegenwoordig het Stockholmsyndroom genoemd wordt. Orontes moeder Sofia is heimelijk tot het christendom bekeerd en hoopt dat een huwelijk van haar zoon met de christenvrouw Giselda hem eveneens tot bekering kan leiden.

Verder is er Pagano, de in ongenade gevallen broer van Arvino (lang verhaal) die als kluizenaar in het heilige land leeft, door alles en iedereen wordt geraadpleegd maar tot het laatste toe door niemand wordt herkend. Een mix derhalve van onmogelijke liefde, godsdiensttwist, verraad, moord en doodslag. Vandaag de dag kunnen we Giselda alleen maar groot gelijk geven met haar woede uitbarsting.

Een voorstelling in het Teatro Regio di Parma is door C major op dvd uitgebracht. Het betreft een opname uit 2009 van een geslaagde productie van Lamberto Puggelli. De kostumering van Santuzza Cali schommelt wat tussen vermeend vroegmiddeleeuws en fantasie Turks. Lastig natuurlijk al die koorscènes waarin dan weer de ene en dan weer de andere partij moet zingen zonder dat men van kostuum kan wisselen. Gelukkig ontbreken hier de klassieke kruisvaarders outfits met rode kruizen op een wit vlak.

Het decor in de tweede en volgende aktes toont een muur achter op het toneel waarvoor de handeling zich afspeelt. Afwisselend is dat de stadsmuur van Antiochië, de Klaagmuur en de stadsmuur van Jeruzalem. In de slachtpartij waar Giselda in haar ‘No giusta causa’ over door het lint gaat wordt Picasso’s Guernica op de achterwand geprojecteerd. Evenzo bij de slag om Jeruzalem die eindigt met een berg gesneuvelden op het toneel die later weer overeind komen om ‘Te lodiamo, gran Dio di vittoria’ te zingen.

Muzikaal is het uitstekend verzorgd. De sopraan Dimitra Theodossiou geeft een mooie vertolking van de veelgeplaagde Giselda. Behalve in ‘No giusta causa’ toont ze haar kunnen ook overtuigend in ‘Ave Maria, di grazia il petto’ (1e akte) en ‘Qual prodigio’, de bravourearia waarin ze haar visioen met daarin de gestorven Oronte bezingt (4e akte). Ze moet wel veel volume maken om alle hoge noten te produceren waardoor het zo nu en dan wat minder subtiel is, maar het lukt allemaal prima. Sowieso laat dirigent Daniele Callegari alles en iedereen onbekommerd luid zingen.

Michele Pertusi is de bas van dienst, en dat is bij hem in goede handen. De rol van het personage met het meest dubieuze karakter Pagano is een kolfje naar zijn hand. Kort hiervoor had ik hem gezien als Il conte in La sonnambula, een totaal ander persoon, leuk om die twee te kunnen vergelijken.

De ster van de cast is natuurlijk Francesco Meli. Als Oronte zingt hij de sterren van de hemel. We moeten natuurlijk wel tot in de tweede akte op hem wachten en de vierde maakt hij helaas niet meer mee. Maar met zijn ‘La mia letizia infondere’ in de 2e akte en in de 3e akte het duet met Giselda ‘Oh belle, a questa misera’ maakt Meli zijn reputatie volledig waar.

Een speciale rol is weggelegd voor de concertmeester die aan het begin van de laatste scène van de derde akte een klein vioolconcert te spelen heeft, een beetje in de stijl van Wieniawski. Het levert hem terecht een open doekje op.

Giselda’s tirade tegen de kruisvaarders en hun slachtpartijen ‘uit gods naam’ wordt afgedaan als blasfemie van een hysterische vrouw die haar minnaar verloren denkt te hebben. Daar zit wel wat in want in de vierde akte, als Oronte definitief is verscheiden, neemt ze nog net niet als een soort Jeanne d’Arc de leiding bij de bestorming van Jeruzalem. Uiteindelijk keert ze dus, en met haar librettist Temistocle Solera en natuurlijk Verdi, terug in de schoot van de alles bepalende christelijke belevingswereld.

Een aanrader deze opname.

Adams’ Doctor Atomic opnieuw bekeken

Tekst: Peter Franken

Net als in Nixon in China en The death of Klinghofer heeft John Adams in dit werk een contemporaine historische gebeurtenis als uitgangspunt genomen. Het libretto van Peter Sellars legt echter vooral de nadruk op de verschillende hoofdpersonen en hun zorgen, angsten en conflicten en minder op de centrale gebeurtenis zelf, de ontploffing van de allereerste atoombom ooit.

De enorme stress waaronder de twee hoofdverantwoordelijken van het Manhattan Project gebukt gaan, generaal Leslie Groves en fysicus Robert Oppenheimer, is door Sellars uitstekend en invoelbaar uitgelicht. Mooie scène is waar Oppenheimer een gesprek met Groves plotseling een andere wending geeft door over diens dieet te gaan praten. Groves gaat daar gretig op in en plotseling is de dagelijkse calorische waarde van Groves’ eetpatroon een tijdje het enige dat van belang lijkt.

Doctor Atomic werd in 2007 uitgevoerd tijdens het Holland Festival en van deze DNO productie is door Opus Arte een opname op Blu-ray uitgebracht. Solisten, het koor van DNO en het Nederlands Philharmonisch Orkest staan onder leiding van Lawrence Renes. Ze maken er met z’n allen een memorabele voorstelling van.

De eerste akte speelt zich af ongeveer een maand voor de bom zal worden getest. Er zijn twijfels over de werking van het mechanisme dat de ‘gadget’ tot ontploffing moet brengen, absolute perfectie is hier geen luxe maar een vereiste en men is bij de nadering van het beslissende moment niet geheel zeker van zijn zaak. Verder twijfelen sommige wetenschappers aan de noodzaak ermee door te gaan. De bom werd ontwikkeld voor het geval dat Duitsland de US zou aanvallen met een eigen atoombom. Die dreiging is nu verdwenen dus kan alles worden afgeblazen.

De tweede akte laat de aanloop naar de ontploffing op 16 juli 1945 zien. Politiek is de pressie groot om de test uiterlijk op die datum uit te voeren omdat de volgende dag de conferentie van Potsdam zal beginnen. Truman wil daar Stalin op de hoogte kunnen stellen van het nieuwe wapen dat tegen Japan kan worden ingezet om zodoende zijn collega tot een oorlogsverklaring tegen dat land te brengen. Samen kunnen de twee grootmachten Japan tot een snelle overgave dwingen, zo is de redenering. Daarmee wordt de druk op Groves gelegd, zozeer dat hij niet langer boodschap wil hebben aan de weersverwachting die onweer, bliksem en harde wind voorspelt. Als er geen geschikt weerbericht komt maakt Groves desnoods zijn eigen weer.

Edward Teller loopt twijfel te zaaien over het effect van bom, Oppenheimer staat op de rand van een zenuwinstorting, Groves eet een overmaats stuk chocolade. Tijdens het aftellen wordt de tijd vertraagd en dan plotseling is alles voorbij. Het beslissende moment heeft Sellars overgeslagen. In plaats daarvan horen we stemmen die afkomstig lijken te zijn uit Hiroshima, van mensen die de klap hebben overleefd. Ik was al tweemaal op die plek en de geschiedenis is daar nog altijd zeer voelbaar. Doctor Atomic roept vergelijkbare emoties op.

Het decor wordt gedomineerd door een model van de bom, hangend aan een stellage achter op het toneel. Daar zijn ook de dansers actief die een choreografie van Lucinda Childs uitvoeren. De gesprekken vinden meer op het voortoneel plaats. Voor een deel wordt daar Oppenheimers woonhuis uitgebeeld. We zien hem samen met zijn vrouw Kitty in bed en later in een woonkamer met kindermeisjes en de twee kinderen. Kitty is hier al flink aan de drank, Red Label wordt gedronken uit limonadeglazen.

Sopraan Jessica Rivera heeft twee prachtige lange solo’s waarin Kitty inzicht geeft in haar gevoelens en kijk op de hele situatie. Fenomenaal gezongen. Haar huishoudster Pasqualita heeft een korte solo waarin ze een authentiek indiaans liedje zingt. Mooie rol van Ellen Rabner. Door haar kapsel lijkt Rivera wel een beetje op de echte Kitty. Ook Oppenheimer en Teller zijn redelijk herkenbaar in hun vertolkers. Met name Richard Paul Fink komt uiterlijk dicht in de buurt van wat ik aan foto’s van Teller heb gezien. Finks rol zweeft tussen ernst, cynisme en sarcasme. Hij is duidelijk geen team player maar natuurlijk wel briljant.

Eric Owens is een zeer goede Groves. Echt zingen hoeft hij niet maar parlando acteren met een overbearing attitude is hem op het enorme lijf geschreven. Naast hem oogt Gerald Finley als een frêle kamergeleerde en dat contrast werkt uitstekend in de scènes die ze samen spelen. Finley’s vertolking van Oppenheimer is groots, ik heb er geen ander woord voor.

Wat me zo bevalt aan de muziek van Adams is dat hij het zijn zangers niet onnodig moeilijk maakt om ‘modern’ te willen klinken. Dat stoort me vaak in opera’s die in de 20e eeuw werden gecomponeerd en waarin de tekst volledig ondergeschikt is gemaakt aan het produceren van enorme vocale uithalen. Adams en Sellars willen een verhaal vertellen en dan is verstaanbaarheid een eerste vereiste. Daar zijn die twee met Doctor Atomic volledig in geslaagd.

Meer John Adams:

https://basiaconfuoco.com/2021/01/16/john-adams-en-zijn-post-style-style/

https://basiaconfuoco.com/2019/02/28/adams-nixon-in-china-mooi-uitgevoerd-in-parijs/

https://basiaconfuoco.com/2019/03/04/girls-of-the-golden-west-is-rauw-realistisch/


Een oude Makropulos uit Glyndebourne

Tekst: Peter Franken

Vĕc Makropulos (De zaak Makropulos) was de voorlaatste opera die Leoš Janáček componeerde. Dit werk uit 1926 gaat over een vrouw die al 300 jaar leeft, dankzij een soort toverdrank. Om geen argwaan te wekken verandert ze regelmatig van identiteit. Haar oorspronkelijke naam is Elina Makropulos en in het verleden heeft ze aliassen gebruikt zoals Eugenia Montez, Ekaterina Myshkin en Ellian McGregor, dus steeds met de intialen E.M. Haar huidige naam is Emilia Marti.

De handeling speelt zich af rond een vergeefse poging van Marti om het oorspronkelijke recept van het elixer in handen te krijgen. Ze heeft het op diens aandringen een kleine 100 jaar eerder aan haar toenmalige minnaar Baron Prus in bewaring gegeven. Na ruim drie eeuwen moet het effect ververst worden. Maar uiteindelijk verliest ze haar drive en geeft ze toe aan de apathie die een ‘eindeloos’ leven onherroepelijk genereert.

Centraal in de handeling staat die affaire die ze ooit heeft gehad met Prus en de buitenechtelijke zoon die daaruit is voortgekomen. De strijd om de nalatenschap van de baron heeft tot een slepende kwestie geleid die al bijna een eeuw gaande is. Inmiddels gaat het tussen de nazaten van Prus en die van de bastaard die de naam MacGregor draagt, naar die van zijn moeder Ellian MacGregor.

In 1995 stond het werk in Glyndebourne op het programma, een productie van Nikolaus Lehnhoff en Tobias Hoheisel. Het toneelbeeld is onberispelijk: alles getuigt van de jaren ’20 waarin de handeling zich afspeelt. Een chaise longue die zo maar uit Haus Tugendhat in Brno geleend zou kunnen zijn, authentieke kostuums en een over the top uitmonstering van Emilia Marti als ze van het toneel afkomt na haar optreden, ze ziet eruit als een pauw. Ook de diverse ruimtes, het advocatenkantoor van Dr. Kolenatý, back stage in de opera en een hotelkamer in de derde akte zijn geheel periodegetrouw ingericht. Eigenlijk is alles en iedereen levensecht, behalve die 337 jaar oude dame die de boel op stelten komt zetten.

Marti is jong gebleven en weet bijna elke man met gemak te reduceren tot iemand met de weerbaarheid van een pakje boter dat in de zon heeft gelegen. Dat is een kwestie van looks and fame en daarover beschikt ze in ruime mate. Haar gedrag is onprettig, ze schoffeert alles en iedereen en als backstage de mannen hun opwachting komen maken roept ze na de tweede gewoon ‘de volgende’. Het is vooral cynisme dat haar personage heeft gevormd tot wat het nu is. Dat de zoon van Prus zelfmoord om haar pleegt laat haar koud, is niet haar verantwoordelijkheid.

Kim Begley is zeer overtuigend in de rol van Albert Gregor die zonder het te beseffen in de ban raakt van zijn bet-bet-overgrootmoeder. Christopher Ventris zien we als Prus’ onfortuinlijke zoon die zichzelf van het leven berooft nadat Marti hem heeft weggestuurd ten faveure van zijn vader. Mooie kleine rol ook van Manuela Kriscak als zijn verloofde Kristina, die op haar beurt ook door Marti was platgewalst. ‘Ik kan maar beter stoppen met zingen want zo goed als zij wordt ik nooit’. Bij haar was het een artistieke betovering, geen seksuele.

Dr Kolenatý komt voor rekening van Andrew Shore en Baron Prus wordt vertolkt door Victor Braun, degelijke prestaties. Prus voelt zich bekocht als hij in ruil voor seks aan Marti de envelop laat waarin de formule van het elixer zit. Alsof ik met een lijk naar bed ben geweest. Marti lacht hem uit, je hebt gekregen waar je om vroeg, afspraak is afspraak.

De rol van Emilia Marti is in handen van Anja Silja en dat is een minder gelukkige keuze. Vocaal weet ze zich vrij goed staande te houden, hoewel dat tegen het einde nog maar net lukt. Maar ze kan geen moment overtuigen als een vrouw die mannen om haar vinger weet te winden. Silja is hier pas 55 jaar maar oogt 20 jaar ouder. Dat past op zich wel bij haar echte leeftijd, een oudere vrouw in de rol van een eeuwenoud persoon, maar staat haaks op hoe ze in de tekst wordt gepresenteerd en welk effect ze op haar omgeving heeft.

Anja Silja in de finale:

Wat de productie de moeite waard maakt is het totaalbeeld, over de hele linie goede prestaties van de zangers en een wonderschoon decor met oog voor details. En laten we vooral ook de inbreng van het London Philharmonic Orchestra niet vergeten.

Andrew Davis heeft de muzikale leiding.

https://my.mail.ru/video/embed/1180832194961092148

discografie: https://basiaconfuoco.com/2017/02/05/vec-makropoulos/

(meer…)