Auteur: Basia Jawoski

muziek journalist

Faust: the ultimate dream of eternal youth?

Who does not dream of being eternally young and beautiful? The wonderful story of Faust, about a scientist who sells his soul to the devil, has inspired numerous writers, poets and composers. Charles Gounod’s 1859 version is simply delightful.





DVD’s

©: Deen van Meer


If you want to see the work on screen, the choice is very limited. I myself was once absolutely blown away by Frank Van Laecke’s production at Opera Zuid, but it was not recorded. Pity.





Roberto Alagna



David McVicar, one of my beloved directors, staged the opera at London’s Royal Opera House. I saw it there, first with Roberto Alagna and then with Piotr Beczala. And to be honest: I was somewhat underwhelmed. There was very good singing, sure, but the direction disappointed me a bit.

The first performances, starring Roberto Alagna, Angela Gheorghiu, Bryn Terfel, Sophie Koch and Simon Keenlyside, were filmed for Warner (5099963161199) in 2004.

Below is Angela Gheorghiu as Marguerite, with a commentary by herself:





Francisco Araiza




And then we have the ˜enfant terrible” of the 1980s, Ken Russell ….
To be honest, I confess that I didn’t really get very far when watching this DVD (DG 0734108). I find the direction extremely irritating with all sorts of ˜inventions” and ˜symbols”, the point of which completely escapes me. Francesco Araiza was once among my favourites, and in 1983 he still sang a splendid Ferrando in ‘Cosi fan Tutte’ but in this 1985 Viennese production his voice is a fraction of what it had been. What a shame!



Alfredo Kraus





In 1973, Faust was performed in Tokyo and recorded live (VAI 4417). Renata Scotto, Alfredo Kraus, Nicolai Ghiaurov… what a cast! Mouthwatering, right? Yes and no.



Kraus is definitely ˜elegant”, but does Faust have to be elegant? Isn’t he rather a vulgar villain who just wants to cheat the pretty girl? Who wants money? And who wants to enjoy himself? Or have I misunderstood? There is also no passion in his singing and his high notes are somewhat ˜pressed”.

 But Scotto is a very moving Marguerite and Ghiaurov a more than impressive Méphistophéles.



CD’s


Nicolai Gedda



On CD, the choice is immense. How about Victoria de los Angeles and Nicolai Gedda? With Boris Christoff as the devil himself? Conducted by André Cluytens (Brilliant Classics 93964)? This makes my heart melt.

Gedda could probably be compared to Kraus, just a little, but his voice is big and his eloquence inexhaustible. And his sense of language is formidable. So please give me Gedda any day!

Gedda sings ˜Salut! Demeure chaste et pure”:




Plácido Domingo



Domingo is not really the first you think of when discussing Faust, but fortunately for the aficionado, a good studio recording of him exists. Fortunately, because in this case you can safely say it is one of the best recordings of the work (once EMI ).

The Paris Opera orchestra is conducted by Georges Pretre, one of the best conductors for the French repertoire. The cast is finger-licking good: Mirella Freni is a fragile and sensual Marguerite and Nicolai Ghiaurov a very impressive Méphistophéles. .



In the small role of Valentin, we hear none other than Thomas Allen. I have never heard  ‘Avant de quitter ces lieux’ sung more beautifully before (or since).



— 

De generatie die dacht dat ze gelukkig was

Tekst: Neil van der Linden

2001, 9/11 komt binnen.

We horen via het luidsprekersysteem Perry Como, een Amerikaanse ster-crooner van de jaren veertig en vijftig van de vorige eeuw, wiens stem een hele generatie heeft begeleid. Het is zijn ‘I can’t begin to tell you’. Dat lijkt al meteen een motto voor deze opera, waarvan de tekst is gebaseerd op interviews met ‘lucky ones’ die zijn geboren tussen 1940 en 1950.

Perry Como ‘I can’t begin to tell you’.

Halverwege wordt de song wreed onderbroken door een klankcluster uit de orkestbak. De bak zit verscholen tussen een halfcirkelvormige podiumstellage voorlangs en het voorste deel van het grote podium achterlangs. Van het grote podium wordt de hele voorstelling lang alleen dat voorste deel gebruikt. Dat brandscherm blijft de hele voorstelling lang gesloten. Op twee deurtjes na, waardoor zangers opkomen en weer afgaan. Achter die deurtjes zien we iets van een grijs-duistere ruimte.

Het Opera Forward Festival van De Nationale Opera programmeert twee opera’s in de grote zaal van het Muziektheater, deze, We are the Lucky Ones, en later de komende week, Oum, ‘de Umm Kulthum-opera’ van Bushra El-Turk. Mooi dat het uitdrukkelijk beleid is om de doelgroepen die je speciaal wil trekken ook naar de grote zaal te halen.

In de scenografie van Denis & Katya, de vorige productie van regisseur/librettist/vormgever Huffman en componist Venables bij DNO, werd de volledige toneelopening van de grote zaal geniaal gevuld met maar twee zangers, een paar stoelen en verder alleen belichting en video. Officieel was die vorige enscenering expres sober gehouden in verband met corona. Wat in dit geval tot een geluk bij een ongeluk leidde.

https://basiaconfuoco.com/2022/03/13/in-denis-katya-komt-de-actualiteit-binnendenderen-als-een-trein/)

Nu speelt de opera zich in feite helemaal af vóór de ruimte waar die vorige productie zich afspeelde. Een soort Plato-Symposion-achtige ‘andere helft’ van de vorige. In elk geval worden ruimte en decorelementen (wat papieren tekenvellen, een sinaasappel, een kandelaar, wat feestslingers en een trapleer) weer even geniaal gebruikt.

De muziek is ook al weer even effectief.  Philip Venables’ compositie is te beschrijven als een eclectische collage, af en toe lenend van big-band jazz en pop. Een procedé dat John Adams toepaste in Nixon in China, en nog eerder Ligeti in Le Grand Macabre. Het idioom is net als Adams postmodern tonaal (maar anders dan Adams niet minimal). Maar incidenteel ook gebruik makend van soms bijna Xenakisiaanse clusters. Zoals die midden in Perry Como’s ‘I can’t begin to tell you’.

Helena Rasker en Nina van Essen vieren de bevrijding van WOII

Na die cluster komen de zangers één voor één. Como’s ‘I can’t begin to tell you’ stamt uit 1945. Dat is het jaar dat de in de jaren veertig generatie in tweeën deelt. De eerste helft is nog tijdens de Tweede Wereldoorlog geboren en vanaf 1945 kwamen de eerste ’babyboomers’: geboren. tussen 1946 en 1964 hebben ze vanwege de naoorlogse economische opbloei relatief goed gehad. Althans in het Westen. De ‘Lucky Ones’ komt uit de mond van één van de voor de opera geïnterviewden. ‘Zondagskinderen’, schreef de Volkskrant in een interview met de makers.

Maar de opera begint met de trauma’s waarmee voor degenen die nog tijdens WOII zijn geboren en eerst het ‘geluk’ hadden te overleven. Verdwenen ouders en andere familieleden, bombardementen, nauwelijks te eten hebben. Één geïnterviewde, wiens tekst wordt gezongen en gesproken door Frederick Ballentine, herinnert zich de eerste sinaasappel die hij/zij na de oorlog te eten kreeg en hoe zijn/haar moeder moest voordoen hoe je die schilt.

De zangers plakken papiervellen tegen de achterwand. Je waant je even terug op de kleuterschool, hoe je in de klas je tekening mocht ophangen. Maar de papiervellen zijn leeg.

Vervolgens worden op de vellen, die steeds meer ruimte beslaan, jeugdfoto’s en jeugdfilmpjes geprojecteerd, waarschijnlijk authentieke, van de geïnterviewden, en authentiek ook in de zin dat kleuren zijn vervaagd.

We wanen ons bij familie-dia- en film-avondjes van vroeger, het enorme toneel wordt zowaar eventjes knus. De eerste schoolsport, de tennisclub, zwemmen tijdens vacanties. Iets later het eerste zoenen tijdens schoolfeestjes.

Maar intussen dringen ook wereldgebeurtenissen binnen. Orkest en zangers brengen stijgende notenreeksen ten gehore, bij beelden die indertijd in alle huiskamers binnendrongen van de raketten die vanaf Cape Canaveral opstegen. We horen ook flarden televisie en radio over moord op Kennedy

Er wordt getrouwd

Na de jaren van het zoenen volgden de jaren van het trouwen. Voor menigeen bracht de huwelijksnacht de eerste echte seks, en de onzekerheid daaraan voorafgaand lijkt ook af te stralen van de gezichtsuitdrukkingen in de trouwfilmpjes. De eerste kinderen worden geboren.

Een deel van de wereldgebeurtenissen lijkt trouwens conspicuous in its absence niet door te dringen in de wereld van de geïnterviewden. Congo, Algerije, Vietnam, de Midden-Oosten-oorlogen, de flower power, maar ook de Parijse studentenopstanden, de Praagse Lente, gebeurtenissen waaraan het programmaboekje juist wel refereert. Men is bezig met zijn kinderen, het tweede huis, eventueel nog in extra huis in Italië.

Jacquelyn Stucker, Germán Olvera en Alex Rosen zijn verwikkeld in iets relationioneels

Er zijn ook al echtscheidingen. Het vallen van de Berlijnse muur komt ter sprake vanwege een echtscheiding, via een vrouw die vertelt hoe de dag voor het vallen van de muur haar echtgenoot is vertrokken en die als gevolg van het wegvallen van het sociale vangnet van de DDR niet weet hoe ze voor haarzelf en haar kinderen kan blijven zorgen.

Miles Mykkanen beleeft de val van de muur

1999 komt in beeld: de angst dat alle computers wereldwijd zouden stilvallen, maar ook hoe mensen chic gekleed en met champagne het nieuwe millennium inluidden. Op het toneel worden feest slingers uitgestrooid. Er wordt via beelden van vliegtuigen even aan 9/11 gerefereerd en aan de verwachting dat de wereld voorgoed zou veranderen.

Maar voor de geïnterviewden verandert er eigenlijk niet zo veel, behalve dat ze ouder worden. De zangers op het toneel dragen de hele voorstelling lang chique zoals de personages die wellicht bij het millenniumfeest droegen.

Na de scène met het millenniumfeest veegt een vrouw (Helena Rasker) de feestslingers op. Ze zingt over haar werkster die even oud is als zij en die haar werk niet meer zo goed doet. Maar ze kan het niet over haar hart verkrijgen haar te ontslaan, “want ze is zo aardig”. Maar misschien houdt ze de werkster ook omdat ze die zwart betaalt. Even komt de klasse van de minder geprivilegieerden om de hoek kijken. En anders dan in de less lucky ones uit dezelfde generatie die we bijvoorbeeld bij Nan Goldin zien gaan ook AIDS en drugscrises aan de geïnterviewden kennelijk voorbij.

Photographer Nan Goldin’s Brief But Spectacular take on survival:

En Iraq, Afghanistan, Tahrir, ISIS, anyone? Ted Huffman en interviewster/dramaturge Nina Segal hadden een andere doorsnee van de gekozen generatie kunnen kiezen, maar ze wilden juist deze ‘lucky ones’ portretteren. Maar ook voor deze ‘lucky ones’ ligt er onvermijdelijk trouble in paradise in het verschiet.

Er komen kleinkinderen. Een grootouder realiseert zich dat hij ‘I love you’ tegen zijn kleinkind zegt terwijl hij dat nooit zo tegen zijn kind had gezegd. Iemands hond gaat dood. Zal ze een nieuwe hond nemen, als ze op een leeftijd is waarbij het niet zeker is of ze niet eerder doodgaat dan die hond, wat egoïstisch zou zijn tegenover het dier? Maar nee, ze neemt toch een volgende hond, want de buren kregen net een nest met puppies. Foto van een schaterlachende oude dame met een schijnbaar eveneens schaterlachend hondje.

De aftakeling zet in. Ziekenhuisopnames. En zo naderen we het einde van de opera. De zangers verlaten één voor één het speelvlak, door de twee deurtjes in het brandscherm. Daarachter schemert nog steeds dezelfde duisternis die we in het begin zagen. The End.

De acht zangers zijn sterk. Claron McFadden is ‘One’ en speelt in het gezelschap de oudste personages.‘Two’ is Jacquelyn Stucker, die de minnares en de jonge moeder uitbeeldt. ‘Three’, Helena Rasker, zingt bijvoorbeeld ook de tekst van die Oost-Duitse moeder met kinderen die net de dag voor de Muur valt door haar echtgenoot wordt verlaten. Miles Mykkanen was afgelopen december een geweldige Alfred in Die Fledermaus. In die enscenering zat ook een acrobaat die een briljante tapdans-scene deed. Het lijkt wel alsof Mykkanen het kunstje toen heeft afgekeken, maar nu heeft ook een briljante tapdans-scène, uitgedost als Liberace, terwijl hij intussen een reeks vocale hoogstandjes ten beste geeft.

De zangers hummen ook in sommige passages fraai in unisono of meerstemmig mee met de instrumentale begeleiding, waardoor je je soms even afvraagt of het (altijd fraaie) koor van de opera deze avond niet toch ook acte de présence geeft. Een selectie uit het Residentieorkest speelt het instrumentale aandeel fraai. De selectie is zo klein dat het hele ensemble ook het podium op kan bij het applaus.

Tijdens het applaus komt iedereen weer één voor één op, nu op de tonen van Bonny Tylers ‘Total Eclipse of the Heart’. Waarom juist dat lied? Ik speculeerde even. Het stamt uit 1983. De tijd dat teenagerkinderen van sommige geïnterviewden het meebrulden. Ook de tijd waarin voor sommigen een midlife crisis begon, en de tijd waarin zo iemand als genoemde gescheiden Oost-Duitse moeder met kinderen zich nog even jeugdig voelde, of wilde voelen.

Bonny Tyler was trouwens ook een beetje ‘ordinair’, en ‘Total Eclipse’ of the Heart’ is haar enige song die blijvend herinnerd wordt. Dat is een niet misse prestatie. Maar oh, vergankelijkheid…..

(De song is trouwens geschreven door Jim Steinman, ook bekend van Meatloafs briljant-pathetische, door Steinman zelf ‘Wagnerian rock’ genoemde ‘Paradise by the Dashboard Light’, over een jong paar dat seks heeft ‘by the dashboard light’, met zwangerschap tot gevolg; een teenagerleed-opera in één song.)

One Claron McFadden
Two Jacquelyn Stucker
Three Nina van Essen
Four Helena Rasker
Five Miles Mykkanen
Six Frederick Ballentine
Seven Germán Olvera
Eight Alex Rosen

Residentie Orkest
Compositie  Philip Venables
Libretto  Nina Segal Ted Huffman
Muzikale leiding  Bassem Akiki
Regie en decor  Ted Huffman
Kostuums  Ted Huffman Sonoko Kamimura
Dramaturgie  Nina Segal, Laura Roling

Foto’s: © Koen Broos

Gezien 14 maart Nationale Opera

Noordse goden spelen met het weer in Sibelius’ vijfde symfonie bij het KCO onder Rouvali

Tekst: Neil van der Linden

Ik herinner mij de hoestekst van Decca-LP die ik bezat met Sibelius’ vijfde symfonie door Lorin Maazel en de Wiener Philharmoniker waarin (in het Engels) Simon Vestdijk werd geciteerd, die had geschreven dat hij bij de midden passage uit het derde deel van deze symfonie moest denken aan een Noordse god die met een hamer om zich heen zwaaiend het zwerk uiteenscheurde en een ‘gouden zonnegloed’ naar de aarde liet stromen.

Waarschijnlijk stamt dit citaat uit Vestdijks essay ‘De Symfonieën van Sibelius’ uit 1959. Vestdijk schreef dit in een tijd dat Sibelius’ symfonieën in Nederland nog vrijwel onbekend waren. Dat laatste is nu wel anders. Zo bouwt het Koninklijk Concertgebouworkest gestaag voort aan een reeks Sibelius-symfonieën met als gastdirigent de Fin Santtu-Matias Rouvali. Na de eerdere uitvoeringen de vierde symfonie en De Zwaan van Tuonela onder aankomende, eveneens Finse chefdirigent Klaus Mäkelä zal er van zijn kant ook wel meer volgen.

Mäkelä heeft inmiddels alle symfonieën opgenomen met het Oslo Philharmonisch. Rouvali voltooide onlangs zijn cyclus met het Gothenborg Symfonisch Orkest Misschien komt er dan ook ruimte voor andere Finse en overige noordelijke grootheden, zoals de Fin Leevi Madetoja en de Est Heino Eller en Deen Rued Langgaard.

Ik kan vaststellen dat in Rouvali’s aanpak van wat Vestdijks had omschreven in klank werd vertaald. Inderdaad brak tijdens de ostinato passages uit het derde deel in het koper een gouden gloed door en leek een firmament open te splijten.

Sibelius schreef deze symfonie tijdens een (zoveelste) periode van depressie. Hij componeerde eerst een vierdelige versie (première1915), maar die vond hij vervolgens te somber. Bovendien was hij gevoelig voor veranderingen die de muziekwereld in de voetsporen van Schönberg had ondergaan, en hij wilde de compositorische principes van de symfonie wat moderniseren.

In 1919 zag een driedelige versie het licht die daar meer mee overeen kwam. Osmo Vänskä heeft beide versies op één CD gecombineerd. En eerlijk gezegd, hoe meer Sibelius, hoe beter, en van de vier delen van de oerversie met een vooral langere finale geniet ik ook. Maar de inkorting van het laatste deel komt de spanningsboog van het werk ten goede, en het contrast met de broeierige mystiek komt sterker naar voren.

Rouvali bracht dit alles optimaal tot verklanking. Hij maakte hierbij maximaal gebruik van een prachtig sonoor klinkend Concertgebouworkest, dat bij een werk als dit zich fantastisch plooit naar de klank van het gebouw.

Het was een feest om de gestiek van Rouvali te aanschouwen, gedragen gespannen waar het bij de muzikale atmosfeer paste, en monter en opgewekt als de muzikale zon doorbreekt, zoals bij de ‘godenhamerslagen’ in de middenpassage van het derde deel, en van daar alles leiden naar aan een spetterend klinkende finale.

Zaterdagavond 15 maart is er in de serie Essentials van het Concertgebouworkest een speciale uitvoering, die later begint, om negen uur, met alleen deze symfonie en een op jongere doelgroepen gerichte speciale inleiding door de Vlaamse acteur en televisiepresentator Thomas Vanderveken.

Hier is een link naar Sibelius 3 en 5 en Pohjola’s Daughter door Rouvali en het Gotheborg orkest:

Als opening van het concert werd vóór de pauze eerst in kamermuziekformatie Fractured Time van Anna Clyne gespeeld. Eerder had zij voor het orkest en Martin Fröst het klarinetconcert Weathered geschreven. Fractured Time is een stuk van ongeveer zes minuten. Ik had Weathered gemist. Ik mag zeggen dat ik aangenaam verrast was door dit nieuwe stuk. Atonale (kamermuziekformaat-) klankblokken worden afgewisseld tonalere, harmonischer, gelaagde, fraai stromende passages.

Ditzelfde werk staat op Youtube gespeeld door het Kaleidoscope Ensemble:

Het tweede werk van het concert was Rachmaninoffs derde pianoconcert. In het begin moest je je even afvragen wie hier de leiding had. De pianist en dirigent waren niet altijd in sync. Wilde de pianist niet precies wat de dirigent wil, of was het andersom? Je gaat je dan afvragen of dit pianoconcert niet tevens een symfonie is, met obligate pianopartij, of een sonate met obligate orkestpartij. Maar al snel vonden dirigent en pianist elkaar.

In rustiger passages draaide Gerstein zich al spelend half naar het orkest om en dat deed hij ook als het orkest alleen aan het woord was. Dankzij zijn virtuositeit had hij ook de ruimte in zijn concentratie om even mild bestraffend de zaal in te kijken toen iemand in de zaal iets liet vallen. Samen bewogen Gerstein en Rouvali zich naar een spetterende finale toe, met een dolenthousiast publiek tot gevolg.

Gerstein gaf toegift Mélodie, uit Rachmaninoffs opus 3, Morceaux de fantaisie (1892), waarbij hij vermeldde Gerstein dat de componist 17 jaar was toen hij dit schreef. We hoorden de jeugdigheid van de componist maar ook een besef van alles wat nog komen zou in zijn oeuvre.

Gerstein in Rachmaninoffs Tweede pianoconcert, met de Berliner Philharmoniker onder Kirill Petrenko:

Dezelfde combinatie in hetzelfde concert drie minuten live

Ik recenseerde eerder Kirill Gerstein met het Concertgebouworkest in de uitvoering van Adès’ pianoconcert en Liszts Totentanz, en ja, hij kan alles op de piano:


Concertgebouworkest olv Santtu-Matias Rouvali 
Kirill Gerstein piano

Clyne Fractured Time
Rachmaninoff Pianoconcert nr. 3 in d, op. 3
Sibelius Symfonie nr. 5 in Es, op. 82

Gezien 13 maart 2025, Concertgebouw Amsterdam

Foto’s: © Copyright Eduardus Lee

zie ook:

Does anyone still remember Inessa Galante?

© De Ster

The case of Inessa Galante is a glaring example of what might be called a ˜victim of commerce”. Her first recital Debut, released in 1995, became (incidentally: quite rightly) a huge success, which was mainly due to the Ave Maria by ˜Giulio Caccini”

Pure deception, it later turned out, as the song, that became a huge hit (did you know it is in the Top 100 music for funerals?) turned out to have been composed around 1970 by one Vladimir Fyodorovich Vavilov, a Russian composer, lute player and guitarist.



Debut stayed at number one on all the charts after which Galante had to record several CDs with more of the same.





A crying shame! Anyone who witnessed her live could confirm that she was much more than just another studio product. Her Violetta’s and Lucia’s are unforgettable and I am extremely sorry that none of it has been recorded for DVD/BR.  But, lucky us, there is YouTube!

La Traviata:

Galante in Pique Dame:



She made her debut at the famed Wigmore Hall in January 2000. The BBC recorded it and the (still existing?) label Campion put it on CD, for which I am very grateful to both.



At her London performance, Galante sang songs by Russian composers, all coated with melancholy and longing. Her voice lends itself perfectly to them, and with her ability to dose emotion and put the accents in the right places, she turned them into real mini chamber operas. Just listen to her sigh at the end of Glinka’s ‘Zhavaronok’ (Lark), all in complete accordance with the text. And, like me, you may barely be able to suppress your tears at Tolstoi’s poem, so brilliantly set to music by Tchaikovsky (Sred’ shumnava bala).

Inessa Galante possesses a splendour of a soprano, with a healthy dose of morbidezza. Roger Vignoles is an exemplary ˜partner in crime”. (Campion RRCD 1348)

Her album with Jewish Folksongs by Goldins and Rachmaninovs Romantic Songs is, for me, absolutely irresistible

BONUS:

Inessa Galante and Kevin Grout live in the Netherlands 2004

Mahhler: Last part of 2nd symphony: Inessa Galante, Nathalie Stutzmann; Orchestre National de France/Myung-Wun Schung

Like a complete unknown: fraaie film over Dylans overgang naar rockstar en vehikel voor steracteur Timothée Chalomet.

Tekst: Neil van der Linden

A complete unknown, de Bob Dylan-biopic, won in geen van de acht Oscarcategorieën waarvoor de film was genomineerd: beste film, beste mannelijke hoofdrol, beste regisseur, beste mannelijke bijrol, beste vrouwelijke bijrol, beste geluid, beste kostuums, beste script. Maar het is een goede film is.

Top 10 Things A Complete Unknown Got Factually Right and Wrong

Does ‘A Complete Unknown’ Get It Right? (Explained)

Ik ging er met de nodige scepsis heen. Ik was in recente jaren allergisch geworden voor de hoofdrolspeler, dat wil zeggen dat het management van hoofdrolspeler Timothée Chalamet klaarblijkelijk kan bedingen dat we voor één derde van de duur van de films waarin hij speelt naar zijn ogen moeten kijken. Die, zoals we sinds zijn doorbraak in Call me by your Name uit 2018 weten inderdaad wonderschoon zijn, maar die in films zoals Beautiful Boy, Dune en Dune II (resp. 2018, 2021 en 2024) niets toevoegden, en dramatische ontwikkeling in feite in de weg zaten.

Als de camera in Dune inzoomt op de ogen van Chalamet terwijl zijn personage diens moeder omhelst nadat het door het voor hun familie strijdende leger van 80000 man in de pan is gehakt, krijgt hij niet veel meer te zeggen dan ‘It’s alright, ma’. Mythologie begrijpelijk gemaakt voor popcorn-etend publiek, dat inderdaad en masse valt voor Chalamet. Misschien dat Chalamet toen inspiratie opdeed voor deze Dylan-film? De woorden ‘It’s Alright, Ma’ vormen de opening van het refrein van “It’s Alright, Ma (I’m Only Bleeding)” uit 1965. Dertig jaar voor Chalamet werd geboren.

Chalamet had zich voor deze film dan ook nauwelijks ooit beziggehouden met Dylan, voordat regisseur James Mangold hem voor deze film benaderde. Mangold had eerder de succesvolle biopic over Johny Cash gemaakt, Walk the Line uit 2005. Chalamet had intussen mogelijk behoefte aan een acteurs-vehikel waarin hij wat meer te tekst kreeg dan tot nu toe gebruikelijk. (Een geestige maar kleine rol als jonge lover van Francis McDormand in Wes Andersons The French Dispatch uit 2021 zette uiteindelijk weinig zoden aan de dijk, al hoor je er wel echt bij als je in een Wes Anderson film mag spelen.)

In elk geval krijgt Chalamet in A complete unknown veel te zeggen. Heel veel zelfs, met ik moet zeggen bewonderenswaardig resultaat. Hij geeft niet alleen een virtuoos staaltje gitaar- en mondharmonica-spel in de stijl van Dylan weg, maar heeft zich ook diens dialect eigen gemaakt, en weet daarmee bovendien Dylans niet altijd even samenhangende jargon een zo zinnig mogelijke duiding te geven. En ook al zit hij met zijn imitatie van Dylans mompelend spraakgebruik soms op het randje van manierisme. Maar Chalamets gezongen teksten zijn  – net als bij de meester – zonder meer duidelijk verstaanbaar.

A Complete Unknown “Like A Rolling Stone (Newport 65 Version)” by Timothée Chalamet

En dat heeft ertoe geleid dat menige Dylan-song zich weer als oorworm in mijn bewustzijn heeft genesteld. Om te beginnen de song waaraan de titel van de film is ontleend, “Like a Rolling Stone”, met als eerste refrein:  

How does it feel, how does it feel?
To be without a home
Like a complete unknown, like a rolling stone
.

In de tweede keer dat het refrein wordt gezongen wordt dat:

How does it feel, how does it feel?
To be on your own, with no direction home
A complete unknown, like a rolling stone
.

Deze song stamt van de LP Highway 61 Revisited, die eind augustus 1965 uitkwam. Het verhaal van de film stopt vlak nadat Dylan de song live uitvoerde in juli 1965, tijdens het Newport Folk Festival, en wel, net als op de LP, in een on-folkmusic-bezetting, met twee elektrische gitaren: die van Dylan zelf en de Paul Butterfield Bluesband-gitarist Mike Bloomfield, met verder Al Kooper op hammondorgel, en nog twee leden van de Paul Butterfield Bluesband op bas en drums.

Deze song wordt in de film voorgesteld als het omslagpunt in Dylans artistieke ontwikkeling én Dylans waardering bij het publiek. Dat festivalpubliek uit 1965 had het kunnen weten, want, zoals we ook in de film zien, Dylan had zijn akoestische gitaar al een paar keer eerder ingeruild voor een elektrische; Bloomfield, Kooper en de anderen waren al eerder te horen als begeleiders op de LP Bringing it all back home uit maart/april 1965.

Bob Dylan – Subterranean Homesick Blues van de LP Bringing it all back home uit maart/april 1965. De eerste echte popclip (?).

De oude fans waren gewaarschuwd. Het probleem was dat de oude fans – en de festivaldirectie – tijdens het Newport 1965 festival de ‘oude’, ‘pure’, folk-Dylan nog eens wilden horen, de Dylan op akoestische gitaar van “Blowing in the Wind”, “Mr Tambourine Man”, en het nummer dat zoals we in de film zien in de 1964-editie van dat festival nog zoveel furore had gemaakt en luidkeels werd meegezongen, “The Times they are a-changin’”; Dylan wilde misschien ook aantonen dat de boodschap van die song het publiek in 1965 al was ontgaan.

In de film is “Like a Rolling Stone” Dylans Sacre du Printemps of Pierrot Lunaire-moment. In de film roept iemand uit het publiek Dylan uit tot devil. Historisch gebeurde dat een jaar later, nota bene – of all places – in de Beatles en Rolling Stones thuishaven Engeland, toen een folk-puritein in Manchester Dylan voor duivel uitmaakte. In een clip op Youtube zien we dat in het echt “Like a Rolling Stone” tijdens Newport 1965 toch echt ook wel bijval kreeg.

Bob Dylan – “Like A Rolling Stone”, Live at Newport 1965

Let erop dat Dylan, misschien als provocatie, met zijn gitaar “The Times they are a-changin’” lijkt in te zetten.

In de film loopt Dylan “Like a Rolling Stone” van het podium af, in werkelijkheid zong hij nog een song. Nadat het publiek en de festivaldirectie hem hadden gesmeekt om toch iets akoestisch te zingen, kwam hij toch terug voor nog twee akoestische songs, “Mr Tambourine Man” (autobiografisch?) en “It’s all over now Baby Blue”.  

“It’s all over now Baby Blue” zien we ook in de film, maar hij zingt hiervan maar één couplet. Of dit historisch juist is kan ik niet nagaan. In elk geval maakte hij het publiek duidelijk dat het nu voorgoed voorbij was, die avond en voorlopig de hele folkscene. Er zijn flink wat controverses rond de werkelijke gang van zaken tijdens het festival.

Electric Dylan controversy:

https://en.wikipedia.org/wiki/Electric_Dylan_controversy

Uit een artikel op Wikipedia: “Bruce Jackson, another director of the Newport Folk Festival, called the incident “the myth of Newport”. Jackson was present at Dylan’s 1965 performance and in 2002 reviewed an audio tape of it. Jackson contends that the booing was directed at Peter Yarrow (also a member of the Festival’s Board), who upset the crowd when he attempted to keep Dylan’s spot to its proper length [namelijk drie songs, wat suggereert dat Dylan eigenlijk best meer wilde zingen]; Jackson maintains there’s nothing to indicate the crowd disliked Dylan’s music, electrified or not.”

Het jaar daarop, in 1966, zouden overigens verschillende elektrische acts in het festival optreden, waaronder de Lovin’ Spoonful, Howlin’ Wolf, Chuck Berry en de Blues Project. Dus misschien dikt de film de controverse tussen folk-puristen en vernieuwers een beetje aan. Maar het is een film.

Bob Dylans religie

https://www.thejc.com/life/the-complex-jewish-past-of-bob-dylan-fsyu8xhc

Over die devil gesproken: religie speelt in Dylans teksten een grote rol. In de scene waarin Dylan zijn eerste Newyorkse vriendin Suzie Roto (in de film omgedoopt tot Sylvie Russo) ontmoet, net nadat hij heeft opgetreden tijdens een liefdadigheidsconcert in een kerk in New York, zien we hem vlak daarvoor een bijbel van een kerkbank pakken en openslaan. Dylan kwam zelf, als Robert Zimmerman maar eigenlijk als Shabtai Zisl ben Avraham ter wereld in een kleine Joodse gemeenschap. Neem in dit verband de tekst van het eerste couplet van de titelsong van Highway 61 Revisited:

Yeah, God said to Abraham, “Kill me a son”
Abe said, “Man, you must be puttin’ me on”
God said, “No”, Abe said, “What?”
God said, “You can do what you want Abe, but
The next time you see me comin’ you better run”
God said, “Where do you want this killin’ done?”
Out on Highway 61

In dit verband is het ook interessant op te merken dat Timothée Chalamet van Joodse komaf is; in Call me by your name, gebaseerd op de deels autobiografisch roman van de Joods-Egyptische schrijver André Aciman, speelde hij al een Joods personage.

© Far Out/ALAMY

Een ander dramaturgisch-filmisch mooi moment in de film is gesitueerd rond het Newport Folk Festival van 1964, als hij samen met Joan Baez  “It ain’t me” zingt, met daarin de volgende zinsnede: ‘It ain’t me you’r looking for babe’.  

Bob Dylan & Joan Baez – “It Ain’t Me Babe”,  Live At Newport 1964




Tijdens zijn relatie met Suzie Roto/Sylvie Russo had hij ook een aan-uit-relatie met Joan Baez. Op het moment dat Sylvie Russo die twee daar deze song ziet zingen, en de twee al musicerend in elkaar lijken op te gaan, wordt het Russo te machtig, en besluit zij rechtsomkeert te maken.

Elle Fanning en Timothée Chalamet op locatie Juni 2024 in Hoboken, New Jersey. Bob Dylan en de historische Suze Rotolo september 1961 New York City PHOTO: GOTHAM/GC IMAGES ; MICEL OCHS ARCHIVES/GETTY

Dylan en Roto, datum onbekend. Getty images

Na zijn optreden gaat Dylan naar haar op zoek, maar hij kan haar alleen nog spreken – heel symbolisch natuurlijk – aan weerszijden van een hek bij de veerpont van Newport naar New York. Maar ze is onvermurwbaar en het is over en uit. Met Baez onmiddellijk daarop ook trouwens. In werkelijkheid was Suzie Roto helemaal niet aanwezig bij dat festival. En in de video van “It ain’t me” tijdens het Newport Folk Festival 1964 lijkt de sfeer tussen Baez en Dylan uitermate genoeglijk.

Ik had ook een probleem met deze twee vrouwenrollen. Namelijk dat Ellie Fanning Russo en Monica Barbaro als respectievelijk Russo en Baez beiden te lievig overkomen. Qua uitstraling, en Monica Barbaro zingt Joan Baez te braaf. Ze heeft een klassiek-achtige sopraanstem en dat maakt haar Baez te ‘keurig’.

Baez was overigens al een grootheid in de folk-wereld toen Dylan in New York aankwam. Dat hij haar misschien deels als opstapje voor zijn eigen carrière zag klinkt in de film impliciet een beetje tussen de regels door. En dat zij zich dat liet welgevallen ook. Dat Dylan in de film (historisch niet correct) na hun eerste gezamenlijke nacht zijn ‘Blowing in the Wind’ nog in bed liggend voltooit, en dat zij meteen een tweede stem meezingt is filmisch een mooi gegeven. Later laat hij haar dan wel weten dat hij niet van plan is dat lied tot het einde der dagen te blijven zingen.

In een latere slaapkamerscène heeft Dylan om vier uur in de ochtend Baez’ hotelkamer binnengedrongen en wekt haar daarna nog een keer als hij op haar gitaar als ik het goed heb “Like a Rolling Stone” of “Highway 61 Revisited” componeert. Maar dat is in de film ook het moment dat Baez er genoeg van heeft en hem definitief de deur wijst. Ze zou in werkelijkheid nog geregeld ook latere songs van hem blijven uitvoeren.

Een overtuigender rol dan die van Russo en Baez is weggelegd voor de echtgenote van Pete Seeger, Toshi (Eriko Hatsune). In tegenstelling tot haar echtgenoot (de legendarische folkzanger en burgerrechten-activist Pete Seeger) ziet zij meteen de potentie van Dylans nieuwe elektrische stijl en moedigt hem aan. Zo houdt zij ook haar echtgenoot tegen als die tijdens Dylans optreden in het Newport Folk Festival 1965 de stekker van de geluidsinstallatie eruit wil trekken.

Pete Seeger was degene die Dylan in Newyorkse folk-clubs introduceerde, maar dus ook degene die wanhoopte toen Dylan op de elektrisch per ging. De rol wordt fantastisch gespeeld door Edward Norton, terecht genomineerd voor een Oscar voor beste bijrol.

De film doet zijn uiterste best ook om aan te geven hoe Dylan artistiek niet alleen eer verschuldigd was aan vroege folkmuziek (we krijgen Dylans bezoek aan de legendarische, inmiddels door de verlamde, aan de ziekte van Huntington lijdende Woody Guthrie te zien), maar ook aan Afro-Amerikaanse muziek, de blues en de zwarte rock&roll; in de film treedt hij op met een fictief personage, Jesse Muffett, vertolkt door blueszanger Big Bill Morganfield, min of meer een personificatie van alle blueszangers aan wie Dylan stilistischatplichtig was. En Dylan belijdt tegenover Pete Seeger zijn bewondering voor Little Richard. Wat Seeger al wel een beetje achterdochtig maakt wat betreft Dylans toewijding aan de ‘zuivere’ folkmuziek.

De film eindigt vlak na dat Newport Folk Festival eind juli 1965. In één van de laatste scenes van de film zien we Dylan na een doorwaakte nacht per motor van het Newport festival 1965 wegrijden. Pete Seeger roept hem nog toe “drive safely”. Tot besluit bezoekt Dylan Woody Guthrie nog een keer. Het laatste beeld van de film is Guthrie die vanuit zijn ziekenhuiskamer Dylan op de motor ziet wegrijden, onder begeleiding van Guthrie’s “Dusty Old Dust (So Long It’s Been Good To Know Yuh)”, gezongen door Dylan/Chalamet.

Een verwijzing naar Dylan die nu geheel zijn eigen weg zou gaan, maar ook naar diens motorongeluk het volgende jaar, op 29 juli 1966. In de maand daarvoor zou Dylan zijn eveneens grotendeels elektrische dubbelalbum Blonde on Blonde uitbrengen, waarvan “I want you” nota bene een vrolijke 1966 zomerhit zou worden.

What is the real truth behind Bob Dylan’s July 29th 1966 motorcycle crash?

In het eerstvolgende album na het motorongeluk, “John Wesley Harding”, uit december 1967, zou Dylan expliciet terugkeren naar de akoestische gitaar, maar nu wel met begeleiding van bas en drums, en de uit de country en western afkomstige steelguitar. Jimi Hendrix zou op geniale wijze bewijzen dat je ook een song van John Wesley Harding kon elektrificeren, in zijn magistrale versie van “All Along the Watchtower”.

© 1967 Leacock-Pennebaker, Inc.

 

Met veel AI verfraaide versie van Hendrix’ All Along the Watchtower

Dylan jaren later in zijn eigen elektrische versie van All Along the Watchtower

De Nobelprijs. Dylan zelf over All Along the Watchtower en hoe hij zelf zijn muzikale genre zag.

Interessant is dat we aan het begin van de film ook Dave van Ronk te zien krijgen, een folkzanger wiens carrière in het begin gelijk opliep met die van Dylan, maar die de aansluiting met het grote publiek miste. Op Van Ronks leven was Joen en Ethan Coen’s magistrale film Inside Llewyn Davis gebaseerd, over een zanger die, anders dan Dylan, telkens op de juiste plaats maar op het verkeerde moment was, of andersom, en waarin we om een hoekje ook een glimp krijgen van Dylans eerste succes in een folkclub in New York. In zoverre is A Complete Unknown dus eigenlijk de sequel van Inside Llewyn Davis.

Toeval wil dat de prachtige Anselm Kiefer-tentoonstelling Sag mir wo die Blumen sind in het Stedelijk en het Van Gogh museum is vernoemd naar Kiefers “Sag mir wo die Blumen sind”, waarvan de titel zoals de musea vermelden is gebaseerd op de anti-oorlogssong “Where have all the flowers gone”, van Pete Seeger. Op een video op Youtube zien we Pete Seeger tijdns een concert in Zweden vertellen dat het lied eigenlijk van de folkzangeres Malvina Reynolds was, of in elk geval was gebaseerd op een song van haar.

Pete Seeger Where Have All The Flowers Gone, Live in Sweden 1968

Bijzonder is dat Joan Baez in 1965 een Duitse versie van dat nummer had opgenomen, inderdaad “Sag Mir wo die Blumen sind” geheten.  

Joan Baez – Sagt Mir Wo Die Blumen Sind

Maar Marlene Dietrich zong het al in 1962:

A COMPLETE UNKNOWN Official Trailer

Waarom de Coen broers’  Inside Llewyn Davis als film toch nog scherper is dan A Complete Unknown. Vanaf 5:38.

Over ongelovigen en het bedrog: Meyerbeers Il crociato in Egitto

Tekst: Peter Franken

Set design for act 1, scene 3, La Scala, Milan (1826) by Alessandro Sanquirico

Het label Dynamic scoort al jaren hoge ogen waar het gaat om de uitgave van onbekende opera’s die ooit succesvol zijn geweest. Il crociato in Egitto, een in vergetelheid geraakt werk uit 1823, past prima in die rij die door vele liefhebbers wordt gekoesterd.

Decorat (1824) de Francesco Bagnara pour Il crociato in Egitto (Acte II, escena 4)

Wie zegt Meyerbeer zegt  Grand Opéra, althans zo verging het mij tot ik op dit relatief vroege werk stuitte dat de afsluiting vormt van Meyerbeers Italiaanse periode. Il crociato in Egitto leunt muzikaal op de barok waar het eindeloze aria’s met een overmaat aan volstrekt onnodige coloraturen betreft. De opera verscheen echter in de periode dat Rossini met zijn historische opera’s Maometto Secondo en Semiramide kwam. En in die trend past Meyerbeers creatie perfect waar het gaat om de overige muzikale aspecten en vooral ook de keuze van het onderwerp.

De opera bestaat uit twee aktes en verhaalt over het wel en wee van kruisvaarders en hun eeuwige tegenstrevers de Mohammedanen, twee partijen die elkaar ‘infidels’ plegen te noemen. Uiteraard zit er wel een stukje persoonlijk drama in maar daarmee voldoet het libretto nog lang niet aan het formaat van de grand opéra, het genre waaraan Meyerbeer zijn blijvende roem dankt. Al was het maar omdat het verplichte grote ballet ontbreekt en dat het goed afloopt met het liefdespaar.

Centraal staat het personage Elmireno, een kruisridder waarvan wordt aangenomen dat hij in de strijd tegen sultan Aladino op de kust voor Damietta is gesneuveld. Hij was echter niet dood en heeft zich op wonderbaarlijke wijze weten in te dringen in die vijandelijke omgeving en is als een soort Mozes de favoriet en belangrijkste legeraanvoerder van de sultan geworden. Die ziet hem als zijn zoon en hij is voorbestemd Aladino op te volgen. Uiteraard zal hij dan trouwen met diens dochter Palmide.

Dat huwelijk liet zo lang op zich wachten dat Elmireno en Palmide er alvast een voorschot op hebben genomen. Ze zijn in het geheim getrouwd volgens de christelijke rite en hebben een zoontje van een jaar of drie dat buiten het oog van de wereld in de harem leeft en door alle vrouwen wordt gekoesterd.

Engraved portrait showing the singer Signor Velluti as Armando in Il Crociato in Egitto (The Crusader in Egypt), by Giacomo Meyerbeer (1791– 1864) , with a libretto by Gaetano Rossi (1774 – 1855), ca.1828. Harry Beard Collection.

Elmireno is in werkelijkheid Armando d’Orville, de favoriete neef van Adriano di Montfort,  het hoofd van de Ridders van Rhodos en voorbestemd hem op te volgen. Hij heeft voor hij uit de Provence vertrok een trouwbelofte gedaan aan zijn geliefde Felicia. Die heeft zich inmiddels bij Adriano in Rhodos gemeld en gaat gekleed als kruisridder.

Als Adriano zich met een gevolg van kruisridders waaronder Felicia meldt in Damietta voor een vredesmissie zijn de rapen gaar voor Elmireno alias Armando. Hij heeft zo ongeveer alles en iedereen bedrogen: de sultan Aladino, diens dochter Palmide, zijn verloofde Felicia en zijn oom Adriano. Verder leeft hij als moslim in het paleis van de sultan en is dus in de ogen van de kruisridders ook nog eens een afvallige.

Dat is geen situatie waaruit iemand zich op eigen kracht kan bevrijden. De enige mogelijkheid is om ’eervol’ zelfmoord te plegen of hopen dat zowel Aladino als Adriano hem opnieuw in genade aannemen, iets dat volledig tegenstrijdig is maar uiteindelijk na veel verwikkelingen en eindeloos durende aria’s toch gebeurt. De opera duurt in totaal ruim 200 minuten en gaat goed beschouwd nauwelijks ergens over. Maar muzikaal zijn er mooie momenten en in twee sessies op achtereenvolgende dagen is het beslist een aardige tijdbesteding de dvd’s eens af te spelen.

De opname komt uit 2007 en is gemaakt in Teatro la Fenice in Venetië. Het is een productie van Pier Luigi Pizzi die behalve voor de regie ook verantwoordelijk was voor de kostuums en de decors. Het ziet er smaakvol uit en Pizzi weet uit de schaarse handelingsmomenten nog wel de nodige actie te destilleren. Het blijft natuurlijk vreemd dat twee groepen elkaar met de dood bedreigen en dan gewoon het toneel aflopen zonder dat er iets gebeurt.

Elmireno wordt gezongen door ‘male soprano’ Michael Maniaci, uitstekend gedaan maar ik hou er niet van, zo’n kerel die een hoge stem opzet. Naar verluidt stond Meyerbeer op deze casting en was hij not pleased toen de rol bij een herneming werd gezongen door een tenor.

Degene die het meeste baat heeft bij de keuze van de componist is Adriano d Montfort. Die rol is nu de belangrijkste tenor partij en Fernando Portari maakt er iets moois van.

De rol van sultan Aladino is natuurlijk een bas. Hij heeft een klein groepje kruisvaarders in zijn macht en kan beschikken over leven en dood. Verder is hij een Mohammedaan en dus van de tegenpartij in de ogen van het 19e eeuwse publiek. Marco Vinco overtuigt door zijn zang en de boze blik die hij alles en iedereen toewerpt. Het libretto geeft hem nauwelijks ruimte om te acteren, daar moeten we het dus maar mee doen.

En dan de vrouwen. Coloratuursopraan Patrizia Ciofi is in haar element in de rol van de bedrogen Palmide maar mijn voorkeur gaat uit naar mezzo Laura Polverelli en niet alleen omdat ze zo’n mooie naam heeft. Ze weet vrij goed raad met de coloraturen waarmee Meyerbeer ook Felicia heeft opgezadeld maar overtuigt vooral in de rest van haar optreden. Ook acterend is haar nog wel het een en ander vergund, haar personage laat zelfs enige ontwikkeling zien.

De overige rollen zijn goed bezet, vooral die van Osmino die ook een oogje heeft op Padina, gezongen door tenor Iorio Zennaro. Koor en orkest van La Fenice staan onder leiding van Emmanuel Villaume.

Drie versies van Il crociato in Egitto

Waarom wordt Maometto secondo niet vaker uitgevoerd? | Basia con fuoco

Rossini’s Semiramide in Antwerpen 2010: waar de opera niet over gaat | Basia con fuoco

About Norman Treigle: one of the world’s leading specialists in roles that evoked villainy and terror

Norman Treigle as RevOlin Blitch in Susannah by Carlison Floyd

Norman Treigle, one of the greatest American bass-baritones was born in New Orleans March 6, 1927. In 1953 he joined the New York City Opera, making his debut there in March 1953, as Colline in La Boheme. Three years later, he scored his first great success, in the New York premiere of Floyd’s Susannah, as the Reverend Olin Blitch. In 1958, he made his European debut in this opera, at the Brussels World’s Fair.

In the fall of 1974, he made his Covent Garden debut, in Faust.



Treigle was acclaimed as one of the world’s greatest singing-actors, specialising in roles that evoked villainy and terror. Perhaps his finest roles were in Faust, Carmen, Susannah, Les contes d’Hoffmann and Mefistofele

Mefistofele

There have been several famous performers of the role: Chaliapin, for instance, who made his European debut with it (La Scala, 1901) and his American debut six years later. Or the two great basses from Bulgaria: Boris Christoff and Nikolai Ghiaurov. And yet, none left as much of a mark on the role as Norman Treigle.




The American bass, who died young (he died of an overdose of sleeping pills in 1975, not yet 48 years old), was a star at New York City Opera, and the production of Boito’s opera was created especially for him in the 1960s-’70s – this to exploit his enormous talent.




In 1973 he was also allowed to record the role in the studio under the direction of Julius Rudel, the same maestro who accompanied him at the NYCO . That the two were well matched can be heard right from the first notes of ˜Ave, Signor”, there is no mistaking it. A duet of the singer with his conductor, with the orchestra serving as a natural backdrop, a very rare experience.

˜Son lo spirito che nega”, a devilish Credo (was Boito maybe a little more involved in ‘Otello’ than is now known?), evokes reminiscences of Iago, a human devil from another opera. Treigle does not sing a devil, no; he is a devil, a chilling reincarnation of the evil genius.


Treigle sings “Ecco il monde” recorded live in 1969

For the roles of Faust and Margherita, the then very young but already world-famous singers were engaged: Montserrat Caballe and Plácido Domingo. Caballe’s Margherita is innocence itself, but with the requisite ‘spunk’. A virgin still, yet already a woman of flesh and blood. From her, you believe it, she will have done anything to spend a night with her lover. And in her madness, she moves with her colouratures – pianissimo, pianissimo, and oh so heartbreaking. Domingo’s Faust is still young and naive, he is deluded, but also enjoys it. His love for Margherita is genuine, but just as genuine is his admiration for the beautiful Helen of Troy

Roberta Alexander at her most touching

In 1998, Roberta Alexander had already been exclusively associated with the Dutch label Et’cetera for 15 years and this had to be celebrated lavishly. This, of course, also included a nice present. A present for Roberta, but also (or mainly) for us, the music lovers and her big fans.

The idea behind the CD came from Alexander herself. She collected songs that her mother, also Roberta Alexander and herself a celebrated singer, used to sing at her recitals. The daughter faced an almost impossible task: which songs to include and which not? No, not easy.

Most of the songs belong to the ˜lighter genre”: encores, spirituals and arrangements of folk songs, and most of the composers, except a few, were virtually unknown at the time. The biggest surprise for me was Richard Hageman. Born in Leeuwarden (Netherlands) he achieved great success in America as a composer (his opera Caponsacchi was performed at the Metropolitan Opera in New York in 1937), conductor and accompanist. His composition ˜Do not go, my love” on a poem by Rabindranath Tagore, is among the very best songs on this CD, and all of them are beautiful!



Actually, you should listen to this CD on your own (or with your lover), with a lit candle, a glass of red wine in your hand and your eyes closed. Roberta Alexander creates a very intimate atmosphere, she sings with restrained emotion. Moving.

Brian Masuda, her partner on the piano, joins in, leaving the listener simply spellbound. This CD can go with you to a desert island.

Because it was an anniversary, Et’cetera added another present: a CD with the highlights of the singer’s collaboration with her label: Roberta Alexander … a retrospective.





In the 15 years Roberta Alexander worked with Klaas Posthuma, who died in 2001, she recorded no fewer than 12 recitals for the company Et’Cetera, which he founded, including the one with songs by Leonard Bernstein.


It was recorded back in 1986, but almost 20 years later, in 2004, it experienced its second youth, as it was then re-released by Et’cetera as a tribute to its founder. Whatever the reason: most importantly, the CD was finally available in the shops again, because it is truly a wonderful recital.


I don’t know what the reason is (too American?), but Bernstein’s songs are still too little performed and too little recorded. A pity! They are witty and beautiful, and, if performed well and with a sense of rhythm and humour, – but isn’t that true of everything? – they give the listener tremendous pleasure.


Roberta Alexander possesses a lyrical soprano with a well- grounded core and a high dose of drama, which once made her exceptionally suited to roles such as Vitellia in La Clemenze di Tito, Elvira in Don Giovanni and Jenůfa. She had  previously shown her affinity with

Rossini’s Guillaume Tell in two CD recordings. And a missed opportunity

Tell is arrested for not saluting Gessler’s hat (mosaic at the Swiss National Museum, Hans Sandreuter, 1901)

For most people, Switzerland is a beautiful, but boring country. Everything is perfectly regulated there and even the cows’ udders produce real chocolate- milk right away. Right? Anything and everything will always thrive there and nothing ever really happens.



But even the Swiss have experienced something of an uprising, and they too have their national hero, although it is not entirely certain that he ever existed (take it from me: he did not).



William Tell, the Swiss national pride and freedom fighter, owes his fame mainly to the play by Friedrich Schiller, who, as we might expect from a Romantic poet, did not take the truth very seriously.



William Tell became even more famous because of an opera by Rossini. Although…. The opera wasn’t really well known until recently but: who doesn’t know the overture? Even my cat can meow it.




CDs




Antonio Pappano’s 2011 recording with the Orchestra e Coro dell’ Accademia Nazionale di Santa Cecilia Roma is far from complete. A shame and a missed opportunity, especially since the performance is really good.

Gerald Finley is a very good Tell (is there anything he can’t sing?), yet something is lacking. For me, at least. I can’t describe it, it’s more like an instinctive response, but I do get that ˜something” when I listen to Gabriel Baquier, on the old 1973 EMI recording.



The cast of that recording, led by the very spirited Lamberto Gardelli, has even more ˜plusses”. The biggest is Montserrat Caballé’s Mathilde. I suppose I don’t need to tell you how beautiful and flowing her notes are, how she ˜waves” through them, as it were, and how whispery her pianissimo is. No, Malin Byström (Pappano,) although good enough, really can’t compete with that! Her colouratures may be pure, but that’s all there is to it.



Another big plus is Mady Mesplé’s Jemmy, the real ˜veteran” in the ˜birdsong profession”. So incredibly beautiful! And Nicolai Gedda of course, a singer once called ˜a chameleon among singers” by one of my colleagues (do you know any other tenor who managed to sing so many different roles with so much talent?). And to all that you can add the playing time of almost 238 minutes versus Pappano’s ramshackle 208 minutes.

But if you think I am rejecting Pappano, you are wrong! Orchestrally, he is definitely superior to Gardelli. His choir sounds more beautiful and subtle, and on top of that comes the sound quality. The greatest asset of the Pappano recording, however, is John Osborn, a tenor who throws out the very highest notes as if they were child’s play. It was he who helped make the Saturday Matinee performance unforgettable. The (concertante) recording was done live, which heightens the atmosphere, especially with all those ˜bravos”.




Saturday Matinee 2009

John Osborn © Zemsky/Green Artists Management



What never came out on CD (shame!) is the absolutely complete performance in the unsurpassed NTR ZaterdagMatinee. Without cuts. A long sitting of almost five hours, but such  unforgettable hours! The audience was delirious and just about broke down the Concertgebouw.

The power of the performance lay in the fact that every role was brilliantly cast, right down to the smallest. Paolo Olmi conducted a great cast of really fantastic singers: Michele Pertusi, Marina Poplavskaya, Ilse Eerens and John Osborn. The Groot Omroepkoor performed its leading role in the opera with verve. So, there is no CD (cursing softly for a moment), but many fond memories.



Romeo and Juliet in Switzerland. And in Amsterdam

Ernst Stückelberg, Szene aus Gottfried Kellers «Romeo und Julia auf dem Dorfe», Original: Öl auf Leinwand. Reproduktion: Kupferstich von Franz Dinger, 1865 und 1867

Today, Frederick Delius is considered one of the most important English composers, but was he? English, I mean? He was born in England, sure, but his parents were German immigrants. At twenty-two, he took the boat to Florida, where he took lessons in music theory, and a year and a half later he moved to Virginia. There he became acquainted with the music of black Americans. In 1886, he enrolled at the conservatory in Leipzig, where he became friends with Grieg and Sinding. Both composers were of great influence, not only on his works, but also on his life: Delius fell in love with Norway and visited that country often. After completing his studies, he moved to Paris, the city where he lived most of his life. See here the true cosmopolitan! He himself, following Nietsche who was his idol, considered himself to be a ˜good European”.

The painter Jelka Rosen reads to her husband, the English composer Frederick Delius (1862-1934), who became paralysed and blinded in 1924, at their home in France. | Location: Cros Sur Loing, Fontainbleau, France. (Photo by © Hulton-Deutsch Collection/CORBIS/Corbis via Getty Images)



A Village Romeo and Juliet had its premiere in 1907 at the Berlin Komische Oper, with the title Romeo und Juliet auf dem Dorfe, in German. The opera is unjustly not performed very often, and the Netherlands even had to wait until 15 December 2018 to become acquainted with Delius and his moving music, which is neither English, German nor French. Personally, I find the Scandinavian influences strongest, but the opera is like the composer himself: cosmopolitan and impossible to pigeonhole.



The libretto (by Delius himself and his wife Jelka) is based on Gottfried Keller’s novella, but its origins lie in a news report from the Zürcher Freitagszeitung about the suspicious deaths of young lovers whose parents would not allow them to marry.

https://www.zurichstories.org/tanja-rickert-julia-ohne-romeo/index.html

Rik de Jong (Sali) and Lotte Cornel (Vreli) © Lodi Lamie



The performance presented to us by the Saturday Matinee 15 December 2018 was of a very high standard. First of all, I was very struck by the interpretation of the roles of young Sali and Vreli by 13-year-old boy soprano Rik de Jong and a barely two years older Lotte Cornel. Both singers not only brought their beautiful voices, but showed tremendous musicality and artistry. They were the only ones singing without a sheet (kudos!!!), also acting out their roles. BRAVI.

Der Tod as Geiger mit Stern, Mohn und dem Schriftzug Nachtigall. Federzeichnung auf KellerBerliner Schreibunterlage



The black fiddler, a hard-to-define figure who – to me – is somewhere between a kind of Mephisto, a hippie and a man bent on revenge (all three elements are represented) was fantastically performed by the baritone David Stout. He had the right charisma for the role and knew how to show absolutely everything. His dark baritone sounded very seductive but also ominous.

The fathers of the young lovers were excellently portrayed by baritone Tim Kuypers (Manz) and bass Callum Thorpe (Marti). Their quarrel was convincingly life-like.

One slight difficulty I had with the lead actors. Vreli was sung by soprano Marina Costa-Jackson. She looked beautiful (what a dress!) and she sang excellently, but I would have liked a little more passion. Something that was also missing from tenor Matthew Newlin (Sali). Beautiful voice, sure, but he lacked charisma.

On the other hand, _all_ the small roles were really superbly performed by young Dutch singers: Aylin Sezer, Jeannette van Schaik, Nina van Essen, Raoul Steffani, Leon van Liere, Martijn Sanders, Martin Mkhize and Lucas van Lierop. How lucky we are to have so much talent! But if I had to name one person it would be Raoul Steffani! What a voice! What a performance! Go, go, Raoul, you really are on the right way!

The Groot Omroepkoor (rehearsal: Benjamin Goodson) was, as always, irresistibly good. But what I loved most of all was the Radio Philharmonic Orchestra who, under the direction of Sir Mark Elder, provided us with a truly unforgettable afternoon. The orchestral interludes in which you can hear nature, as it were: the fields, the woods, the wind … I heard everything in their playing. Impressionistic, a little Debussy-like, but oh so very much Delius! Just think of the “Walk to the Paradise Garden” placed between the fifth and sixth scenes, perhaps the most famous thing Delius composed, and which had taken on a life of its own.

But it was mainly the ending, the almost ‘Tristan und Isolde’-like Liebestod moved me to tears. Thanks Saturday Matinee




Closing applause © Ron Jacobi

A tip for those not familiar with the opera: 

it is a film by Czech director Petr Weigl with playback actors; only Thomas Hampson (the black fiddler) plays his part himself. The film is beautiful and the soundtrack, recorded by Decca olv Charles Mac