Auteur: Basia Jawoski

muziek journalist

Une soirée fantastique oftewel Plácido Domingo in Luik

Tekst: Sander Boonstra

Eerlijk is eerlijk: ik had gemengde gevoelens, toen ik afgelopen zaterdag in de auto zat richting het operahuis in Luik. Ik merkte aan mezelf, dat ik toch onbewust wat beïnvloed werd door alle berichten op de sociale media en websites als het ging over de recentste prestaties van míjn operaheld Plácido Domingo op het toneel van de Opera van Luik Een orkest dat weigerde op te staan, optredens waar het nodige op aan te merken viel, terwijl in 2019 een uiterst kwieke bijna 80-jarige tijdens zijn Veronese galaconcert de sterren naar de hemel zong.

Allerlei gedachtes die door mijn hoofd schieten zelfs als de ouverture tot I vespri Siciliani al door het auditorium van de Luikse opera klinkt. Een wat trage start: tempo-keuzes van Giampaolo Bisanti, de kersverse muzikaal directeur van het huis, die ik niet begrijp en ook niet gewend ben. Het huisorkest speelt overigens de hele avond op hoog niveau, waarschijnlijk ook aangemoedigd door het feit, dat ze een ware operalegende mogen begeleiden.

Want daar kan toch niemand onder uit: los van smaak of nieuwsberichten is Plácido Domingo (voor mij) nog steeds de king of opera. De zaal is na de ouverture wat zenuwachtig zwijgzaam, maar barst in een ovatie los als de man of the evening met een brede glimlach en een map teksten ten tonele verschijnt.

Het ziet er vervolgens wat ongemakkelijk uit: je ziet dat Domingo wil zingen, maar Bisanti toogt pas naar de bok als het applaus al wegsterft. Domingo’s aandeel van de avond wordt aangevangen met (inmiddels) zijn paradepaardje ‘Nemico della patria’ uit Giordano’s Andrea Chénier, waar ik toch een bepaalde frisheid hoor in zijn stem die ik in 2019 ook hoorde. Misschien dat Operalia hieraan ten grondslag ligt: hij heeft meer dan een week niet gezongen, heeft zich op talentbegeleiding gericht, waardoor de stem toch heeft kunnen rusten.

Ook Macbeth’s aria ‘Perfidi! …” uit de vierde akte staat als een huis, al is de frisheid er al wel wat af. Niet zo gek: ook Domingo’s stem is al 81 jaar oud en presteert al meer dan 60 jaar op ongekend hoog niveau, dan is het logisch dat het hier en daar wat kraakt, dat van een natuurlijk vibrato niet echt sprake meer is en sneller vermoeid raakt. Maar de man doet het nog steeds en hij doet het ongekend goed!

Voor het concert in Luik is de Amerikaanse sopraan Jennifer Rowley ingevlogen als side-kick. Een stem waar ik niet echt warm van word, maar in duet met Domingo tot leven komt, dynamisch is en zijn tenorale bariton mooi aanvult. En waar ze in haar aria’s wat verloren op het toneel staat, weet ze zich prima te bewegen met de Spaanse maestro naast haar.

De eerste verwachtingen zijn ingelost en we maken ons na de pauze op voor Domingo’s grote passie: de zarzuela. Deze Spaanse vorm van de operette past hem als een handschoen en met hem geniet het publiek mee. De ovaties die klinken na ‘Quiero desterrar’ en ‘Mi aldea’ zijn niet van de lucht. Natuurlijk valt het op, dat de stukken flink naar beneden getransponeerd zijn, maar dat neemt niet weg, dat Domingo nog steeds dé interpreet bij uitstek is van dit genre. Het mag dan ook geen verrassing zijn, dat ‘No puede ser’ uit La taberna del puerto en ‘Granada’ van Augustin Lara al klaar liggen op de lessenaar als het officiële programma ten einde is.

In de auto terug naar Maastricht moet ik mijn metgezel bekennen, dat de avond mij aangenaam verrast heeft. De media en tegenstanders hebben de legende Domingo misschien van zijn voetstuk geschopt, het gaat mij om het aandeel in de muziekgeschiedenis van de zanger Domingo, wat hij gedaan en betekent heeft voor de opera-industrie. Laten we het vanaf nu daar weer over hebben. En het is misschien niet meer de tenor van vroeger, in het bariton-repertoire vindt hij zijn weg wel. Kijkend naar de kwaliteit van de stem echter, dan is het in mijn ogen legitiem om te zeggen “doe het iets rustiger aan”, want ergens ben ik wel bang, dat de man anders een karikatuur wordt van zijn verleden. En dat zou ik oprecht spijtig vinde

Al mijn gedachtes zijn inmiddels overstemd door een fantastische avond. Ik ben onder de indruk van wat ik heb gezien en gehoord. En misschien ben ik ook een beetje opgelucht, dat ik niet heb hoeven zien, wat ik de afgelopen maanden allemaal gelezen heb.

Foto’s © ORW-Liège – J. Berger en © Sander Boonstra

Eerder gepubliceerd op 7 november 2022 op: https://www.sanderboonstra.nl/blog/blogs/une-soiree-fantastique/.

For Joan Sutherland on her Birthday

Alcina


The fact that the opera has become so incredibly popular and has been performed so very frequently in recent decades is largely thanks to Joan Sutherland. Back in 1957, she brought Alcina to life in London and directed by Zefirelli. Unfortunately, we do not have a video recording of it, but La Stupenda sang and recorded the role several times afterwards and there are many both official and pirate recordings of it in circulation.


Personally, I have a soft spot for the 1959 live recording (DG, made to mark the 200th anniversary of Handel’s death), not least because of Fritz Wunderlich, who sings the role of Ruggiero. Last but not least, Dutch soprano Jeannette van Dijck sings the role of Morgana. And believe it or not, the Cappella Coloniensis, led by Ferdinand Leitner, is already playing on authentic instruments. In 1959!




The score has been considerably shortened. Thus, pretty much the entire role of Oberto has been dropped. And yet… opera is mostly about voices, isn’t it? And Sutherland’s ‘Tornami a vagheggiar’ and Wunderlich’s ‘Mi lusinga il dolce affetto’ are simply second to none. (DG 4778017)

Norma

Joan Sutherland recorded Norma twice (officially). Her first recording from 1965 (Decca 4704132) caused a real sensation. It was the very first recording of Bellini’s complete music, without any cut. Moreover, it was the first recording in the original key (Bellini composed his opera in G, but before the premiere he changed it to F).

In those days, Sutherland was considered the belcanto specialist par excellence. Her voice knew no limits and seemed to be made of elastic. High, higher, highest, and with coloraturas that sound almost inhumanly perfect.


Adalgisa was sung by Marilyn Horne, Sutherland’s alter ego in the mezzo voice. The result is dazzling, but it lacks the necessary drama, all the more so because John Alexander (Pollione) has a beautiful but insipid voice.


The orchestral playing is excellent, however, and if you like pure singing, high notes and coloratura, this recording is the best choice.


Dame Joan Sutherland Marilyn Horne Bellini, Norma: Mira o Norma chard Bonynge; Sydney Opera House – 1986



Twenty years later, Sutherland recorded the role again, this time with Montserrat Caballé (Adalgisa) and Luciano Pavarotti (Pollione). Let’s call it a mistake, although Caballé’s Adalgisa is at least interesting. It’s a pity it wasn’t thought of sooner.


Lucia di Lammermoor

Lucia di Lammermoor has always been, perhaps even more than Norma, a point of contention between the supporters of Maria Callas and Joan Sutherland. The performances of both ladies are indeed fantastic and, moreover, totally different. Which of the two should you own? That is not easy. A matter of taste, shall we say?


Joan Sutherland is unprecedentedly virtuoso and her coloraturas so perfect that they hurt. And yet I remain untouched by her. Why? Perhaps because it is too perfect? I do not know. It could just be me.

Lucia from Amsterdam 1982:

I Puritani

Elvira, like Lucia, was a showpiece for Maria Callas and Joan Sutherland, both of whom recorded it several times. In 1974, Richard Bonynge (Decca 4175882) made a peerless recording of the opera, besides Sutherland, there was the sublime male trio: Luciano Pavarotti, Nicolai Ghiaurov and Piero Cappuccilli. Sutherland sounds like a little heap of misery, and her virtuosity knows no limits. Pavarotti still possessed all his glorious long high notes in those days and he pops them out with no effort at all.

Les Huguenots




 Les Huguenots, once one of the most successful operas in the history of the Paris Opera, had the misfortune, along with its creator, to be labelled ‘Entartet’ (degenerate) by the Nazis. One of the reasons why the work was ignored for decades and was only sporadically performed.

Marguerite de Valois has always been one of Joan Sutherland’s favourite roles, she sang her in 1962 at La Scala, and she chose to sing her in her last opera production on stage, on  October 2, 1990 in Sydney.

The voice of the over 60-year old La Stupenda is not so solid anymore, but her height and her coloratura are still very much present, and apart from Amanda Thane (Valentine) and the really splendid Suzanne Johnston (Page), none of the singers manage to perform at her level. The acting is very good and the inevitable ballet is anything but irritating.

The costumes and the scenery are true-to-life and evocatively beautiful, and the entire stage most resembles a large, seventeenth-century painting. The very traditional production is not only beautiful to look at, but also insanely exciting: this is proof that a good director (Lotfi Mansuri) does not need concepts

Ladies and Gentlemen, Miss Renée Fleming!


The life of an opera star is no bed of roses. You are born with a voice that you then try to mould into an instrument that will always obey you. Throughout your life, you work on your technique, take language and acting lessons and you keep your body in shape because appearance is also very important, especially for a woman. And should you not only be wanting a career but also a family life, then things get tough. No wonder that at some point you start to question what is most important in your life and where your priorities really lie.

In the wonderful documentary by Tony Palmer (the maker of more wonderful documentaries, just think of the film about Maria Callas), Renée Fleming, one of the greatest opera singers of our time, talks at length about her fears and doubts. We see her during rehearsals and performances, we admire her dresses, watch home videos showing an apparently happy family life and wipe away a tear listening to her rendition of ‘Amazing Grace’ at Ground Zero.

At the presentation of a new creation from the master pastry chef: a chocolate treat called ‘La Diva Renée’, we get slightly moved. And she well deserves it.



Renée Fleming
Film by Tony Palmer
Decca 0741539

Renée Fleming sings Berg, Wellesz and Zeisl. A must buy!

Renée Fleming en belcanto

De onbekende Strauss: Le Bourgeois Gentilhomme

Tekst: Peter Franken

Deze opera is beter bekend onder de titel Ariadne auf Naxos. De oorspronkelijke versie van dit werk  ging op 25 oktober 1912 in première in Stuttgart. Hugo von Hofmannsthal had zich laten inspireren door Molières Le Bourgeois Gentilhomme uit 1670.

Dat is een combinatie van een toneelstuk en een ballet, waarvoor de muziek werd gecomponeerd door Jean-Baptiste Lully. In het stuk wordt de spot gedreven met de rijke burger die het gedrag en de levenswijze van de adel probeert te imiteren. Van Hofmannsthal kortte Molières stuk in tot het de lengte had die passend was voor een prelude bij een opera over ‘Ariadne auf Naxos’, de verlaten vrouw die ‘eine wüste Insel’ bewoont. In 1916 hebben Strauss en Von Hofmannsthal deze opzet overigens geheel laten varen en is er een gezongen proloog voor het toneelstuk in de plaats gekomen.

Strauss in London, June 1914 after receiving his honorary Doctorate from Oxford University

Ariadne auf Naxos gaat over een feestje ten huize van ‘de rijkste man van Wenen’, waarvoor een stukje muziek is besteld om de gasten te vermaken tussen het diner en een afsluitende vuurwerkshow. Dat stukje muziek is een opera seria getiteld Ariadne auf Naxos en de componist in kwestie kan van het uit te keren honorarium wel weer een halfjaar rondkomen. Wat hij onvoldoende beseft, is dat hij samen met de geleverde muzieknoten zijn artistieke vrijheid heeft verkocht. Dat wordt pijnlijk duidelijk als blijkt dat hij het toneel moet delen met een ‘vaudeville troupe’, omdat het anders te saai wordt.

Voor een burger die het tot edelman heeft geschopt, is het van belang dat hij doet zoals zijn ‘collega’s’ doen. Afgezien daarvan zal hij sowieso weinig belangstelling hebben voor serieuze muziek, laat staan een opera met een klassiek thema. Zijn leermeester in adellijke gebruiken, die in De bourgeois als edelman te zien is, zal wel geadviseerd hebben om een variétégezelschap in te huren, opdat zijn meester en diens gasten zich niet al te zeer zullen vervelen. In de proloog wordt duidelijk dat de Komponist, een onervaren talentvolle jongeman, een nogal treurig stuk heeft afgeleverd. Hij is in alle staten als duidelijk wordt dat er naast zijn opera Ariadne een dansmaskerade zal worden opgevoerd en gaat door het lint als vervolgens ook nog eens blijkt dat beide stukken gelijktijdig zullen plaatsvinden, zonder dat er meer tijd gaat verstrijken want om precies negen uur is er een vuurwerk besteld.

De centrale figuur in de vaudeville troupe is de zeer bewegelijke Zerbinetta die eigenlijk altijd zichzelf speelt. Zij schiet onmiddellijk in haar rol van blonde fee, strooit wat met feromonen en windt de Komponist geheel om haar vinger. Het klassieke beeld van de beauty en de nerd. De Musiklehrer scheurt de helft van de bladzijden uit de operapartituur. De toekijkende Tanzmeister doet ook een duit in het zakje: ‘Haal die aria’s van Bacchus maar weg, het is toch geen doen om de tenor al die tijd zulke hoge noten te laten zingen.’ Enige zelfspot was Strauss niet vreemd, al zou je soms willen dat hij zijn tenoren net zo vriendelijk had behandeld als zijn sopranen. Het lijkt wel of hij een hekel aan hen had, zeker als je de partij van Bacchus als voorbeeld neemt.

Als de opera echt begint neemt ook de strijd tussen de twee prima donna’s een aanvang. Ariadne is natuurlijk de echte, maar Strauss heeft haar een concurrente van formaat gegeven in de persoon van ‘streetsmart’ Zerbinetta. Ariadne die ligt te kwijnen op haar eiland, verlaten door Theseus, zingt de monoloog ‘Ein schönes war: hieß Theseus-Ariadne’ en vervolgens het topstuk ‘Es gibt ein Reich’. Daar kan Zerbinetta natuurlijk niet bij achterblijven. Haar coloratuuraria ‘Großmächtige Prinzessin’ is steevast een absolute showstopper.

In 2012 was het een eeuw geleden dat Ariadne auf Naxos in première ging. Voor de Salzburger Festspiele, waarvan Richard Strauss één van de oprichters was, aanleiding om dat jaar de oorspronkelijke versie van dit werk op het programma te nemen. Een interessant experiment waarvan de opname op dvd is uitgebracht door Sony.

Kijkend naar zijn eigen leven is het aannemelijk dat Von Hofmannsthal behalve Molières Le Bourgeois Gentilhomme nog een andere inspiratiebron heeft gehad: Ottonie von Degenfeld. Van deze weduwe was hij zozeer onder de indruk dat hij vier dagen na hun eerste ontmoeting in 1906 aan een vriend schreef: ‘Die ist unglaublich nett! So etwas liebes gutes und Freudenmachendes. Mit der möchte man gleich ein Jahr allein auf einer wüsten Insel leben und sich nur von Möveneiern nähren, es müßte doch nett sein.‘

Regisseur Sven-Eric Bechtolf heeft hierin aanleiding gezien om met een adaptatie van de oerversie van Ariadne auf Naxos uit 1912 te komen. We zien Hugo von Hofmannsthal met Ottonie in een toneelstuk over een toneelstuk gebaseerd op dat van Molière, waarin een opera zal worden opgevoerd over Ariadne. Noem het maar metatheater tot in het extreme doorgedreven.

Om plaats te bieden aan een nieuwe intrige rond Von Hofmannsthal en zijn ‘romantic interest’ is Molières bijdrage nog verder teruggebracht dan in 1912. Er is dus sprake van een geheel nieuwe versie van het oorspronkelijke stuk, waarin een toneel met ballet voorafgaat aan de opera.

In de toneelversie speelt de burgerman die zo graag van adel had willen zijn een belangrijke rol. Het is wel erg ‘theater van de lach’, maar wat dit personage – Monsieur Jourdain, vet geacteerd door Cornelius Obonya – te berde brengt, is bij vlagen wel aardig. Ertussendoor loopt Hugo met zijn weduwe. Hun dialogen (uit de koker van Bechtolf) doen naar hun spoedige exit verlangen. Het idee was aardig, de uitwerking in het geheel niet. Men had beter bij de 1912-versie kunnen blijven. Aan het einde van de prelude worden Zerbinetta en haar troupe ten tonele gevoerd; daar voorzag Molière natuurlijk niet in.

De opera verloopt vrijwel geheel conform de versie uit 1916, die gemeengoed is geworden, maar het duurt wel een kwartiertje langer. Die extra tijd komt hoofdzakelijk voor rekening van Zerbinetta, die haar ‘Großmächtige Prinzessin’ flink oprekt met een overdaad aan coloraturen. Ook heeft ze nog een extra scène met Ariadne, nadat Bacchus ten tonele is verschenen.

Verder is Monsieur Jourdain aanwezig bij de voorstelling en heeft daarop het nodige commentaar: ‘Ze (Ariadne) doet niets dan klagen, waar blijft Zerbinetta, waarom is er geen Waldhorn te horen?’

Al met al is het goed voorstelbaar dat Strauss heeft besloten tot een nieuwe versie zonder toneel. Niet alleen korter, maar ook een stuk onderhoudender. Toch is het aardig over een opname te kunnen beschikken die toont hoe het oorspronkelijke project er ongeveer heeft uitgezien. In dat opzicht valt het initiatief van Bechtolf te prijzen. Maar de komende eeuw mag het weer zoals altijd, wat mij betreft.

Elena Moșuc excelleert als Zerbinetta. Ze wordt niet geholpen door haar belachelijk ogende kostuum, maar vocaal is ze fenomenaal. Al die extra coloraturen zijn volledig aan haar besteed; ze is helemaal in haar element. Ook acterend weet ze overtuigend een vrouw neer te zetten die werkt als een plakstrip voor mannen, een echte feromonenbom.

Emily Magee als Ariadne zingt overdreven dramatisch en klinkt hier en daar wat schel. Ze oogt eerder als iemand die het leven op dat eiland beu is dan als een wanhopige, licht hysterische, verlaten vrouw. Adequaat, maar niet bijzonder. De vrouwelijke bijrollen zijn goed bezet, evenals de mannen uit Zerbinetta’s troupe.

Bacchus komt voor rekening van Jonas Kaufmann, die het beste maakt van een rol die bijna tegen de stem geschreven lijkt te zijn.

Zerbinetta heeft het over hem als ‘een nieuwe god die komt aansluipen als een panter’. Toepasselijk genoeg gaat hij in een gevlekt kostuum gekleed. Hij besluipt Ariadne en vlijt zich op haar schoot.

Een betrekkelijk klein ensemble afkomstig uit de Wiener Philharmoniker begeleidt het geheel. De leiding van Daniel Harding laat wat te wensen over. Hier en daar klinkt het rommelig en lijkt het orkest wat te zwalken. Geen sterk optreden. Al met al een interessante opname voor liefhebbers van Strauss die kennis willen nemen van de historie van Ariadne auf Naxos. Gaat het slechts om de zang, dan is Elena Moșuc de voornaamste reden om tot aanschaf over te gaan.

\ARIADNE AUF NAXOS: Glyndebourne 2013

The French Collection by Piotr Beczala: practically perfect!


February 2015 was the day: The French Connection, the long-awaited sequel to Piotr Beczala’s DG debut CD was out.

And it was worth the wait. Not least because of the repertoire: French opera, along with the more lyrical Verdi, is Piotr Beczala’s strong suit. I truly know of no singer who can surpass him in Massenet and Gounod.

His wonderfully juicy tenor voice is light and elegant and his Werther, Des Grieux, Faust and (certainly!) Roméo are among the best interpretations you can expect from the current generation of young tenors. You could say that Beczala is the epitome of French singing.

The tone is set with a perfectly sung “Pourquoi me réveiller” from Werther. Beczala’s languorous recitation betrays not only text understanding, but also (or perhaps mainly?) his affinity with the music. In one of his last interviews, he said he prefers to sing sad roles, roles in which he dies at the end, because then he can express all his feelings. You can really hear this.

That the Polish tenor is gradually moving towards heavier repertoire is rather logical. His voice has developed considerably in depth, without his high notes having to suffer for it.

Don José (Carmen) is therefore on his “to do list”, hopefully he will also add Don Carlos. But most of all, I would love to hear him right now in the complete Herodiade and (why not?) Robert le Diable. And most certainly in “Le Cid”: I cannot remember the last time I heard “Ô” Souverain” sung so beautifully.

The only downside I can find is the duet from Massenet’s Manon, in which he is accompanied by Diana Damrau. Her voice does not appeal to me personally and I find her a not very sexy Manon.

Other than that: a CD to have and to cherish for ever!


Trailer of the album:






The French Collection
Arias by Massenet, Berlioz, Verdi, Donizetti, Boieldieu and Bizet
Piotr Beczala (tenor) with Diana Damrau (soprano)
Orchestre de l’Opera National de Lyon conducted by Alain Altinoglu
DG 4794101


Translated with www.DeepL.com/Translator

Vicente Lusitano, de eerste componist van Afrikaanse komaf in Europa? (Althans de eerste die in notenschrift componeerde en wiens muziek is gedrukt?)

Tekst: Neil van der Linden

Portret van een Afrikaanse man (mogelijk Christophle le More, mogelijk edelman of hoveling aan het hof van Margaretha van Oostenrijk in Mechelen of Brussel), Jan Mostaert van Haarlem, ca. 1530, Rijksmuseum

Die vraag of hij de eerste componist van Afrikaanse komaf in Europa was kom je sinds enige jaren vaker tegen als het over de zestiende-eeuwse componist Vicente Lusitano gaat. Over hem is niet heel veel bekend, behalve dat hij rond 1520 werd geboren en dat het laatste tot nu toe gevonden teken van leven uit 1562 stamt. De naam Lusitano duidt erop dat hij uit Portugal komt. Maar binnen het Portugese taalgebied zou ‘Portugees’ als tweede naam zo weinig specifiek zijn dat we mogen aannemen dat hij oorspronkelijk niet zo heette.

Van zijn composities zijn alleen een aantal motetten bewaard gebleven in het in Rome in 1551 gedrukte Liber primus epigramatum plus een losstaand motet Heu me Domine als onderdeel van een theoretische verhandeling, waarover verderop meer, maar dat zijn tot nu toe bekendste werk is geworden. Op de titelpagina van dat Liber primus epigramatum staat als naam Vincencii Lvsitani, ‘van Vincent de Portugees’. Vandaar Lusitano. In Rome was de aanduiding ‘de Portugees’ een stuk specifieker.

Hoe zit het met die Afrikaanse komaf? In een achttiende-eeuwse bron wordt hij aangeduid als ‘pardo’, een Portugees woord voor iemand van gemengd Afrikaans-Europese komaf, in het Spaans een mulato.

Er zijn aanwijzingen dat de componist een moeder van Afrikaanse komaf had. Meer weten we niet. Merk op dat in de tijd waarin Lusitano geboren werd was de slavernij van Afrikanen in Amerika nog niet op gang was gekomen. Wel is er sinds 1470 gedocumenteerd transport van slaafgemaakten van Afrika naar Portugal. Wat de mogelijke status van die eventuele moeder van Lusitano was is daarom vooralsnog niet duidelijk. Portugal bedreef wel slavernij vanaf Oost-Afrika naar zijn koloniën in India en Sri Lanka/Ceylon.  

Maar misschien was ze een nazaat van Moorse Afrikanen, misschien was haar familie van over de Sahara geëmigreerd. Misschien stamde ze ook af van diplomaten. Verderop bespreek ik een schilderij van Lissabon uit de tweede helft van de zestiende eeuw waarop Lissabon wordt afgebeeld als een multiculturele samenleving, met zowel witte als zwarte bewoners in de hogere en de lagere standen.

Het laatste dat we over Lusitano weten is dat hij in 1561 naar Stuttgart reisde, dat hij inmiddels getrouwd was en dat hij – terwijl hij daarvoor ook te boek stond als priester in de Roomse kerk- Protestant was geworden, mogelijk met de bedoeling een aanstelling te krijgen bij een Protestants Duits hof. NB Hij bekeerde zich opmerkelijkerwijs tot het Calvinisme, niet tot het in Duitsland gangbare Lutheranisme. Uit 1562 dateert nog een motet, Beati Omnes (dus wel in het Latijn), gepubliceerd in een Zuid-Duitse bundel voor de Protestantse eredienst.

Jarenlang bestond Lusitano’s discografie voornamelijk uit opnamen van dat ene motet Heu me Domine dat niet uit het Liber primus epigramatum afkomstig is. Bijvoorbeeld zoals voorbeeldig opgenomen door het Paul van Nevel met het Huelgas ensemble op het album: Canções, Vilancicos e Motetes Portugueses séculos XVI – XVII uit 1994

Er staat een instrumentale versie op een CD van Myrna Herzog en het Phoenix Ensemble die is gewijd aan de muziek van de Portugese kolonisatoren in Brazilië. Al is het de vraag of Lusitano’s muziek daar ooit is gespeeld. Mooi is het in elk geval. Op de CD ‘As Brazil was discovered’ staat Lusitano broederlijk tussen Josquin, Isaac, Susato, Alfonso el Sabio, de Hugenoot Gaudimel (zijn psalm V, die werd uitgevoerd in Rio 1557; Gaudimel werd vermoord in de St Bartholomeus-nacht in 1572) en Sefardische muziek.

Heu me Domine was dus waarschijnlijk eigenlijk minstens half bedoeld als academische demonstratie van Lusitano’s ideeën over contrapunt en melodie, en let eens op de spectaculair stijgende en dalende chromatisch zanglijnen. Heu me Domine stamt namelijk uit een traktaat geheten Tratado de canto de organo. Lusitano betoonde zich daarin één van de pioniers van de moderne diatonische toonladder, die het mogelijk maakt om van zonder microtonen polyfoon te zingen, ongeacht de toonsoort en intervallen.

Een ander stokpaardje van Lusitano was het geïmproviseerde contrapunt, en hij moet op grond van zijn theoretische ideeën in Rome gezag hebben gehad. Samen met een andere theoretische verhandeling van zijn hand, Introduttione facilissima et novissima (Rome 1553), beleefde Tratado de canto de organo indertijd een flink aantal herdrukken. Bijzonder is dat dat misschien niet eens zozeer voor uitvoering bedoelde Heu me Domine vooruit bliky naar Gesualdo en Monteverdi op hun chromatisch en hun dissonant.

Toch baarde ook in elk geval één ander werk van hem indertijd opzien. Op grond daarvan raakte hij zelfs verwikkeld in een verwoed debat, met ene Nicola Vicentino, vanwege zijjn motet Regina caeli en toelaatbare chromatiek en de toepassing van de antieke Griekse genera in de toenmalige muziekpraktijk, in het bijzonder of toenmalige muziek kon worden verklaard in termen van het diatonische genus alleen (zoals Lusitano beweerde) of (zoals Vicentino beweerde) als een combinatie van de diatonische, chromatische en enharmonische geslachten, waarvan de laatste een microtoon bevatte.

Een panel met onder meer leden van de Sixtijnse Kapel gaf Lusitano gelijk. Toch bleek het een Pyrrusoverwinning. In 1555 publiceerde Vicentino een verslag van het debat dat destijds als misleidend werd beschouwd, maar desalniettemin generaties Italiaanse componisten zou beïnvloeden.

Na deze verwikkelingen verdwijnt Lusitano weer uit de annalen, tot hij in 1561 in Duitsland opduikt, getrouwd blijkt en tot het Protestantisme bekeerd. Waarna hij in 1562 echter helemaal uit de geschiedschrijving verdwijnt.

Lusitano was blijkbaar een groot bewonderaar van Josquin des Prez (ca 1450-1521). Enkele van zijn motetten zijn zelfs regelrecht van diens composities afgeleid. Zo breidt hij de vijf afzonderlijke stemmen van Josquins motet Inviolata uit tot acht. ‘Terwijl het onmiskenbaar schatplichtig is aan Josquins vijfstemmige zetting, is het ook radicaal anders,’ schrijft Rory McCleery, oprichter en artistiek directeur van het Marian Consort, in het programmaboekje van de eerste CD geheel gewijd aan werk van Lusitano. ‘De relatief sobere stemmenweefsels uit het begin van de zestiende eeuw worden ingeruild voor de vollere, caleidoscopische polyfonie van Lusitano’s generatie. Hij behoudt Josquins verdeling van de tekst in drie verschillende muzikale secties, maar weeft er een canon doorheen die is gebaseerd op de Gregoriaanse melodielijn, met intervallen van een kwint telkens op drie dubbele noten afstand.  Het is een staaltje compositorische bravoure die echter niets afdoet aan de pure schoonheid van het stuk.’ 

In het eveneens op Josquin gebaseerde Salve regina voegt Lusitano twee altstemmen toe, waarbij hij één stem de complete originele Gregoriaanse zanglijn voor haar rekening laat nemen terwijl hij fragmenten van die melodie over de andere stemmen verdeelt. Het resultaat is een bijna hallucinogeen repetitief effect waarbij vergeleken Reich en Glass natuurlijk verbleken!

Met dit alles is de muziek van Lusitano ongekend vloeiend en melodieus. We gaan klankmatig al duidelijk richting Tomas Luis de Victoria (Spaans componist 1568 – 1611) of Duarte Lobo (Portugees componist 1565 – 1646). Soms lijkt Byrd (1540-1623) niet eens ver weg. Lusitano maakt temidden van die vloeiende bewegingen ook gebruik van fraaie onverwachte, snijdende dissonanten die Vlaamse voorgangers als Obrecht en Isaac in herinnering brengen maar muzikaal ook vooruitwijzen naar de vroege barok. We moeten concluderen dat Lusitano al deze elementen tot een eigen stijl heeft omgesmeed. De vraag dringt zich dan op of hij een ten dode gedoemde muzikale zijtak was, of dat je hem, mede gezien het succes van zijn academische geschriften, als minstens een essentiële overgangscomponist mag beschouwen, die je, net als bijvoorbeeld met Carl Philip Emanuel Bach, een eigen plaats in de muziekgeschiedenis mag toekennen.

Het Marian Consort zingt dit oeuvre fraai, Engels, maar niet té. Niet te klinisch dus, met genoeg kleuring in de stem, een beetje alsof het bij het Huelgas Ensemble in de leer is geweest. Door het karakter van de stemmen, de enkelvoudige bezetting en de niet te ruime akoestiek van de kleine All Hallows’ Gospel Oak kerk krijgt het geheel een intiem karakter. (Opnamen van het Schotse label Linn zijn technisch altijd puik.) Het lijkt mij dat het ensemble een vaste plaats verdient in de wereld van de Renaissance-muziek.

Het ensemble liet de CD voorafgaan door een Youtube-clip met het Inviolata.

Artistiek leider Rory McCleery had al eens een mooie discussie georganiseerd over Lusitano in een Spotify-podcast.

De hele CD staat op Spotify.

Dit is het omstreden ‘prijslied’ Regina Caeli

Vergelijk Lusitano’s Salve Regina a 6

met het eerdere (ook prachtige) van Jacob Obrecht (1457/58-1505), hier door Capilla Flamenca.

Op deze Spotify-lijst wordt Lusitano’s Inviolata tegenover dat van Josquin gezet

.

Website van het ensemble over de CD:

https://www.marianconsort.co.uk/lusitano-motets

Er wordt wel eens beweerd dat de geschiedenis Lusitano heeft verdrongen vanwege zijn mogelijke huidskleur.

Een recent artikel uit de Guardian artikel neemt daar sterk stelling in.\:

‘Vicente Lusitano: Why was the first Black published composer just a footnote in histories?’

‘A BLM (Black Lives Matter – NvdL) placard in New York encouraged a conductor in London to discover more about this 16th-century pioneer of European classical music.’

https://www.theguardian.com/music/2022/jun/16/vicente-lusitano-first-black-composer-music-published-chineke-voices-joseph-mchardy

Maar ja, aangezien we zo weinig weten over Lusitano is dit ook maar een hypothese. Hij was bovendien niet de enige Renaissance componist van wie we weinig weten en van wie waarschijnlijk een belangrijke deel van zijn oeuvre verloren is gegaan.

Misschien zijn zijn partituren en overige levenstekenen wel in een Duitse Beeldenstorm of ander oorlogsgeweld verloren gegaan. Of misschien is hij onderweg door Duitsland beroofd, of erger. En er was ook nog de pest.

Ik merkte al op dat het tijdperk van de trans-Atlantische slavernij nog niet was begonnen. Portugal bedreef wel slavernij vanaf de kust van Oost-Afrika naar koloniale nederzettingen in India en Ceylon.

Toch is er dat prachtige anoniem schilderij met een panorama van Lissabon, vermoedelijk geschilderd door een Nederlander, waarop opvalt dat mensen van verschillende etnische komaf vrijelijk met elkaar omgaan, met zowel Afrikaanse als ‘witte’ personen van hoog tot laag in maatschappelijke rang.

Let ook op het schilderij dat het Marian Consort voor de voorkant van het CD-boekje heeft gekozen, Aanbidding door de Wijzen uit het Oosten uit 1507 van Hans Baldung (c.1484-1545). Baldung leefde in Baden-Württemberg, dus in de buurt van Stuttgart waar Lusitano voor het laatst is gesignaleerd. Opmerkelijk is dat naast de persoon achter in het midden, mogelijk gemodelleerd naar een opdrachtgever, twee mannen van Afrikaanse komaf het meest natuurgetrouw geschilderd zijn, de ene één van de wijzen, de andere een ridder. Baldung was al gestorven lang voordat Lusitano in 1561 in Duitsland arriveerde. In elk geval is van belang dat blijkens dit schilderij men ook in Midden-Europa goed op de hoogte was van Afrikaanse fysionomieën.

Er is echter ook een intrigerend Nederlands schilderij uit grofweg deze zelfde tijd, dat in het Rijksmuseum hangt: een portret van een vooralsnog onbekende Afrikaanse man door Jan Mostaert (ca. 1474-ca.1552) uit Haarlem, gemaakt ergens tussen 1525 en 1530. Uit zijn kleding en de broche op zijn hoofddeksel zouden we kunnen afleiden dat hij een voorname eigentijdse persoon was, mogelijk een hoveling aan het hof van onze landvoogdes Margaretha van Oostenrijk, de tante van Karel V, in Mechelen of Brussel. Zijn insignes wijzen erop dat hij een bedevaart had gemaakt naar een nabijgelegen bedevaartsoord. Het is één van de meest realistische werken van Mostaert, en de persoon zou zomaar heden ten dage voor ons kunnen staan. Ook op dit schilderij was er nog geen spoor van slavernij-verhoudingen.

Vanwege het academische karakter van Heu me domine hebben ook veel musicologische ensembles zich op het werk gestort. Niet altijd per se geweldig, maar het bracht de naam van Lusitano in elk geval weer tot leven. Hier het Australian Chamber Choir.

 

Soms zijn zulke incidentele uitvoeringen van Lusitano juist erg geslaagd. Hic est Michael archangelus door het St. Andrew & St. Paul Chamber Choir corona resistent uitgevoerd.

 

Het lijkt wel alsof Corona Lusitano goed heeft gedaan. Hier:

Regina Caeli – Lawrence University Concert Choir, met mondkapjes.

 

En hier:

Boston Baroque — Vicente Lusitano’s “Aspice Domine”, instrumentaal door het X-tet

Een Zoom conferentie over Lusitano

NB de sprekers waren blijkbaar niet op de hoogte van Paul van Nevels pionierende opname van Heu me Domine uit 1994.

Nog een fraaie obscure opname, van Inviolata door Cantum Mensurable, nog nieuwer dan die van het Marian Consort. Ook heel mooi.

Heu me Domine Reimagined is een bewerking voor fluit en electronica door Isabel Lepanto Gleicher

En tenslotte een promo van het Marian Consort zelf

Met dank aan Vincent Kuyvenhoven, die mij een aantal jaren geleden op Lusitano heeft gewezen.

De onbekende Strauss: Feuersnot

Tekst: Peter Franken

Voor Strauss’ tweede opera, getiteld Feuersnot, leverde Ernst von Wolzogen het libretto, subtiel aangeduid als ‘Singgedicht’, om zodoende de link naar Hans Sachs te benadrukken. Feuersnot beleefde zijn première op 21 november 1901 in Dresden als eerste van in totaal negen Strauss-premières. Na een aanvankelijk succes wist het werk echter geen repertoire te houden. Vandaar dat ook zij die redelijk ingewijd zijn in Strauss’ werk niet zelden menen dat Salome zijn eerste opera is. Salome ging in 1905 in Dresden in première en is tot op de dag van vandaag een ‘succesnummer’. Strauss gebruikte als libretto de letterlijke tekst van de in het Frans geschreven roman van Oscar Wilde, zij het in het Duits vertaald en enigszins ingekort. Er bestaat overigens ook een Franstalige versie van dit werk, die in 1992 door de opera van Lyon werd opgenomen onder Kent Nagano.

In Feuersnot is geen sprake van brand maar juist van gebrek aan vuur. Uitgerekend het Teatro Massimo in Palermo kwam in het Strauss-jaar 2014 met dit vrijwel vergeten werk, met een alleszins redelijk resultaat. Op dvd uitgebracht door Arthaus. De beeldopname die van de voorstellingen in Palermo werd gemaakt is de allereerste van deze opera, een wereldpremière als het ware. Arthaus levert hiermee een bijdrage aan de poging om dit verwaarloosde werk enige bekendheid te geven.

De hoofdfiguur in Feuersnot, Konrad, is een zonderlinge outsider die door zijn omgeving met argwaan wordt bekeken en een gemakkelijk mikpunt van spotternij is. Hierin herkennen we zonder veel moeite de figuur Richard Strauss die zich niet gewaardeerd en geaccepteerd voelt door de Münchenaren na de mislukking van zijn eersteling Guntram.

Konrad maakt op onbeholpen wijze de wat preutse burgemeestersdochter Diemut het hof tijdens het zonnewendefeest. Zij voelt zich ten overstaan van de omstanders vernederd en besluit zich te wreken. Als Konrad onder haar raam verschijnt om het nog eens te proberen, laat ze een stoel aan een touw zakken waarin hij omhoog wordt gehesen. Halverwege laat ze hem echter bungelen waardoor nu hij het mikpunt wordt van spot. Konrad roept zijn leermeester Reichhart aan, een onverholen verwijzing naar Richard Wagner. In diens naam laat hij op miraculeuze wijze alle vuren in de middeleeuwse stad doven. Door dit gebrek aan vuur zit iedereen in het donker. Uiteraard krijgt Diemut hier al snel de schuld van. Zij wordt geprest om Konrad als man te aanvaarden, zodat het normale leven kan worden hervat.

Regisseur Emma Dante heeft ontwerper Carmine Maringola een fraai decor laten bouwen in de vorm van een toneel brede hoge gevel met meerdere verdiepingen, deuren en ramen. Ook hangen er stoelen aan de gevel, waarvan er eentje wordt neergelaten om de onfortuinlijke Konrad op te hijsen. Het volk is voortdurend nadrukkelijk aanwezig als een bonte verzameling druk bewegende figuranten, waarvan een deel zo nu en dan eens zingt. Een prima klinkend kinderkoor zingt een steeds terugkerend deuntje.

De kennismaking met het volk tijdens het zonnewendefeest vindt plaats gedurende een elf minuten durende openingsscène waarbij het orkest aan het stemmen is. Die zelfbedachte ouverture is niet erg geslaagd en had zeker niet langer dan drie minuten moeten duren om een gevoel van langdradigheid te vermijden. Eenmaal begonnen zit de vaart er echter behoorlijk in. Iemand die het stuk voor het eerst ziet, valt de overeenkomst met Die Meistersinger von Nürnberg waarschijnlijk direct op. Er wordt duidelijk gerefereerd aan de Johannisnacht en de outsider Stolzing. Strauss heeft de Münchenaren hun – in zijn perceptie – bekrompen kleinburgerlijk gedrag willen inpeperen.

Muzikaal hangt het stuk in tussen het werk van een componist uit de negentiende eeuw en een componist die korte tijd later de wereld zal doen opschrikken met zijn Salome. Maar ook zijn er onvervalste walsmelodieën te horen en het typische opgewonden gedoe dat zo kenmerkend is voor delen van Der Rosenkavalier.

Feuersnot is de eerste van een lange reeks Strauss-opera’s zonder een tenor in de hoofdrol. Konrad wordt gezongen door een bariton. Dietrich Henschel weet in die rol bij vlagen te overtuigen. In de hoogte is hij echter kwetsbaar en zijn lange monoloog, als hij tussen hemel en aarde zweeft, klinkt nogal monotoon. Zijn tegenspeelster Nicola Beller Carbone weet goed raad met de zware sopraanpartij. Zeker niet perfect, maar zonder meer acceptabel. Beiden acteren goed en weten steeds de aandacht op zich gevestigd te houden, ook in de scènes met veel volksgewoel. De bijrollen zijn over het algemeen redelijk bezet.

Gabriele Ferro leidt het orkest van Teatro Massimo met enthousiasme door de voor hen volledig onbekende partij. Echt als Strauss klinkt het niet altijd, maar dat ligt meer aan het werk zelf dan aan het orkest.

Trailer van de productie:

A brief summary about Cheryl Studer in some of her best roles

SALOME BY MASSENET: HERODIADE



Orchestrally, this recording is really top-notch. Michel Plasson conducts the orchestra from Toulouse very energetically, with a lot of verve and drive, and he also knows how to allow space for all the subtleties. Exciting and beautiful. That is how I like to hear opera.

José van Dam is an impressive Phanuel and Nadine Denize an excellent Hérodiade., although her intonation is not always pure.

Hérode is not really a role for Thomas Hampson, but he sings it very beautifully. Something that unfortunately cannot be said of Ben Heppner’s Jean. A heroic tenor in that role is nothing but a terrible mistake.

Cheryl Studer, on the other hand, is a Salomé of everyone’s dreams: girlish, innocent and naive. Her voice shines and sways and her final words “Ah! Darned Queen, if it is true that your cursed loins have given birth to me, look! Take back your blood and my life!” leave you shuddering and desperately weeping. Brava.

STRAUSS:

SALOME


I realise that many of you will not agree with me, but for me Cheryl Studer is the very best Salome of the last fifty years. At least on CD, because she has never sung the complete role on stage (DG 4318102). Like few others, she knows how to portray the complex character of Salome’s psyche. Just listen to her question ‘Von wer spricht er?’ after which she realises that the prophet is talking about her mother and then she sings in a surprised, childishly naive way: ‘Er spricht von meiner Mutter’. Masterly.

Bryn Terfel is a very virile young Jochanaan (it was, I think, the first time he sang the role), but most beautiful of all is Giuseppe Sinopoli’s very sensual, wide- sounding conducting.


ELEKTRA



This stage production from Vienna (Arthaus Musik 100 048) 1989 is more than extraordinary. Harry Kupfer’s direction is extremely gripping and terrifying, and although he is very realistic in his approach, he limits himself to the directions in the libretto.

The scene is dominated by grey in all its shades and is particularly dark. The only colour in the performance looms when Chrysotemis, at her heartfelt cry that she wants to live and bear children, rips open her blouse and reveals a red vest.

Eva Marton (Elektra) is exceptionally convincing: moving in her longing for her father, repulsive in her contempt for her sister and terrifying during her confrontation with her mother.

Cheryl Studer is a splendid Chrysothemis. With her slightly sweet, lyrical, yet still exceptionally powerful soprano, she can portray a very strong character: her Chrysotemis is a girl disappointed in life with a strong desire to escape, but without the decisiveness to actually bring it about.
Also phenomenal is Brigitte Fassbänder in her portrayal of the mentally ill queen, plagued by nightmares and guilt. Both the mother and her two daughters would be on Freud’s couch in no time – talk about hysterical women!
Franz Grundheber is an exemplary Orest and Claudio Abbado conducts with an intensity that borders on the impossible.




FRAU OHNE SCHATTEN


In 1992, Solti conducted a complete performance of the work in Salzburg. Götz Friedrich’s direction was considered particularly strong at the time, but I do not find it entirely satisfactory. The mise-en-scène is undoubtedly excellent, but it fails with the direction of the characters, causing the singers to run from place to place in a rather awkward way.

The stage design is beautiful with very minimalist but realistic sets, but the costumes are a bit bizarre at times. There is a lot of use of strobe lighting, which combined with violent musical passages may come across as rather violent.

Cheryl Studer is a dream of an Empress. Her voice, with its very recognisable timbre and beautiful pitch, is soaring, transparent almost, innocent and erotic at the same time. Thomas Moser is an attractive Emperor, perhaps a tad too light for the role, causing him occasional breathlessness and pressed notes, but his singing is fine.

Marjana Lipovšek is a truly phenomenal Amme. What that woman has at her disposal in terms of colour nuances and how she handles her (very warm) mezzo borders on the miraculous. In the process, she is also a gifted actress; I couldn’t take my eyes off her. (Decca 0714259)

WAGNER

TANNHÄUSER



I have never been a ‘Wagnerian’. I could never muster the patience to sit through hours of his operas. I found them bombastic. Pathetic. And even though I had to admit that there were some beautiful melodies, I felt that I really needed a pair of scissors and radically shorten them

That this feeling has totally changed, I owe to Domingo. In my collector’s mania (I had to have everything he had done), I bought Tannhäuser (DG 4276252) in 1989. And then it happened: I became addicted.

Later, I learned to appreciate the music for itself and to this day, Tannhäuser is not only a very beloved Wagner opera, but also one of my absolute favourites.

I still consider this recording, conducted very sensually by Giueseppe Sinopoli, to be one of the best ever. Also because all the roles (Cheryl Studer as Elisabeth and Agnes Baltsa as Venus, such wealth!) are excellently cast. At the time, in the eighties and early nineties, this was not necessarily a given.


DER FLIEGENDE HOLLÄNDER



This CD recording from 1998 (DG 4377782) is particularly dear to me. First of all because of Cheryl Studer, at the time probably the most beautiful Senta one could imagine. Her wonderfully lyrical soprano with its easy and sensual height seemed made for the role.

The Holländer is sung here by Bernd Weikl. Not really the youngest anymore and you can really tell, but still very suitable for the role. Peter Seiffert is a splendid Steuerman, and in the role of Erik we hear none other than Plácido Domingo, a luxury!

But best of all is the orchestra: under the truly inspired leadership of Giuseppe Sinopoli, the Orchester der Deutsche Oper Berlin performs in a really magnificent way.




De onbekende Strauss: Guntram

Tekst: Peter Franken

Strauss was een groot bewonderaar van Richard Wagner en kon zich niet voorstellen dat hij iets zou kunnen klaarspelen in het genre dat Wagner in de tweede helft van de negentiende eeuw zo had gedomineerd. Pas in 1894, inmiddels een gevestigde naam met grote symfonische gedichten en tal van liederen op zijn conto, waagde hij de sprong naar de opera met Guntram, waarvoor hij ook het libretto schreef.

Het werk werd in Weimar ten doop gehouden, maar zonder veel enthousiasme ontvangen. De daaropvolgende première van het werk in München werd zelfs een enorme mislukking, mede doordat de titelpartij veel te zwaar was en het geheel muzikaal een rommelige indruk maakte. Strauss hield er een aversie tegen zijn geboortestad aan over. Hij voelde zich miskend en nam later ‘wraak’ door de Münchenaren op de hak te nemen in een wagneriaans stuk in de stijl van Die Meistersinger von Nürnberg.

Frank van Aken
© Matthias Creutziger

Guntram is na de première in 1894 nauwelijks op het toneel te zien geweest. Gustav Kuhn dirigeerde in 1998 een opname die op cd is uitgebracht, met Alan Woodrow in de titelrol. In 2014 werd het werk in de Semperoper te Dresden in concertvorm uitgevoerd bij gelegenheid van het 150e geboortejaar van de componist met Frank van Aken in de titeltol..

De handeling draait om de ridder en minnezanger Guntram, hertog Robert en diens vrouw Freihild, met Roberts vader in een bijrol. Freihild probeert tegen de wil van haar tirannieke wrede echtgenoot ‘de armen’ te helpen en wil zich verdrinken als hij haar dit belet. Op het laatste nippertje weet Guntram de wanhopige Freihild te redden. Haar vader honoreert uit dankbaarheid Guntrams verzoek ‘de armen’ te bevrijden. Als er opnieuw een opstand uitbreekt laat Robert zijn kennelijke rivaal in de liefde Guntram arresteren. Daarbij doodt Guntram Robert uit zelfverdediging. Hoewel zijn naam wordt gezuiverd acht hij zichzelf toch schuldig omdat zijn motieven niet geheel zuiver waren. Robert handelde deels uit jaloezie en dat was niet geheel ten onrechte. Guntram ziet af van Freihilds liefde en moedigt haar aan als nieuwe hertogin het charitatieve werk zonder hem voort te zetten.

Gustav Kuhn is de belangrijkste pleitbezorger van deze onbekende Strauss en bracht tijdens de Tiroler Festspiele van 2005 een semi geënsceneerde voorstelling van het werk in het Passionsspielhaus. Door de blazers op een tribune te plaatsen konden de strijkers wat naar achter worden geschoven zodat een ondiepe speelruimte op het voortoneel ontstond.

Een opname is op you tube te zien, de geluidskwaliteit is matig maar in combinatie met die cd opname krijg je toch een goede indruk van de merites van het werk.

Lange melodische lijnen die tegen dissonantie aanschuren en nooit lijken op te lossen kenmerken de begeleiding van de zangers, op en top Strauss zoals we hem zo vaak in zijn latere opera’s zullen horen. De zangpartijen zijn door hun lengte weinig theatraal, meer declamatorisch en dat is direct al een goede verklaring voor het geringe succes van het werk. En na zijn Salome had sowieso niemand meer enige interesse voor wat Strauss daarvoor op operagebied had gecomponeerd.

Op het toneel staan wat eenvoudige zetstukken zoals een tafel met wijntumblers in de twee akte waarachter de hertog met Freihild en Robert heeft plaatsgenomen. In de eerste akte zien we dat deze zich buiten afspeelt doordat er een bordkartonnen model van een motorfiets rechts op het toneel staat, ook een minnezanger heeft vervoer nodig. De zangers zien er goed verzorgd uit alsof ze het consigne hebben gekregen zo goed mogelijk gekleed in hun eigen kleren op het podium te komen, eventueel met een hoedje of ander accessoire dat de rol van het personage zou kunnen verduidelijken.

In de tweede akte tijdens het banket zijn alle protagonisten in avondkleding. De gedode Robert wordt van het toneel gedragen, men laat hem niet zelf lopen. In de laatste akte dragen Guntram en Freihild weer de kleren uit het begin.  Alles is zorgvuldig ingestudeerd, iedereen kent zijn tekst alsof het een volledige geënsceneerde voorstelling betreft. Heel bijzonder, want hierna zullen ze die rollen vermoedelijk nooit meer hebben kunnen zingen.

Guntram wordt vertolkt door tenor Gian Luca Zampieri, geweldig optreden. Bewonderenswaardig hoe hij het vol houdt om zo lang achtereen goed te blijven zingen. Dat geldt in iets minder mate voor de Freihild van Elena Comotti, prachtige zang overigens.

De hertog is in handen van Andrea Martin, Robert wordt vertolkt door Raphael Sigling en als de nar zien we Christian Brüggemann. En Gustav Kuhn heeft uiteraard de muzikale leiding over het geheel, waarvoor hij een groot orkest heeft weten te engageren. Compliment voor zijn gedrevenheid inzake Strauss’ vroege werk.

On Tannhäuser in non-obvious recordings

PLÁCIDO DOMINGO



I have never been a ‘Wagnerian’. I could never muster the patience to sit through hours of his operas. I found them bombastic. Pathetic. And even though I had to admit that there were some beautiful melodies, I felt that I really needed a pair of scissors and radically shorten them

That this feeling has totally changed, I owe to Domingo. In my collector’s mania (I had to have everything he had done), I bought the recently released Tannhäuser (DG 4276252) in 1989. And then it happened: I became addicted.

At first, it was mainly Domingo who was to ‘blame’, whose deeply human interpretation of the title role gave me the goose bumps. His words:  “Wie sagst du, Wofram? Bist du denn nicht mein Feind?” (sung with emphasis on ‘mein’ and ‘Feind’ and with a childish question mark at the end of the phrase) caused me to burst into tears.

Later, I learned to appreciate the music for itself and to this day, Tannhäuser is not only a very beloved Wagner opera, but also one of my absolute favourites.

I still consider this recording, conducted very sensually by Giueseppe Sinopoli, to be one of the best ever. Also because all the roles (Cheryl Studer as Elisabeth and Agnes Baltsa as Venus, such wealth!) are excellently cast. At the time, in the eighties and early nineties, this was not necessarily a given.

RICHARD CASSILY 1982



In those years there was a lack mainly of good tenors and that can be clearly heard on these two DVD – recordings. Otto Schenk’s insanely beautiful 1982 production, recorded at the Metropolitan Opera in New York (DG 0734171) dates from 1977. If you like very realistic, lavish sets and ditto costumes (I do) you can have a lot of fun with this. Just about the entire Venus grotto from Schloss Neuschwanstein was recreated for the opening scene, and the ballet presents us with a truly orgasmic Bacchanal.


The orchestra, conducted by James Levine, plays mostly lyrical and light, there is nothing to criticise at all. Eva Marton is a fine Elisabeth, Tatiana Troyanos a wonderfully sensual and seductive Venus.

Bernd Weikl, one of my favourite baritones sings an irresistible Wolfram, although he messes up his great aria by trying to give his (in principle) lyrical voice too much volume, making his voice unsteady.

And although the Landgrave (John Macurdy) is really terrible, I would not have had a problem with that recording, provided … yes … provided the tenor had not been so awful. The textbook mentions “the very highest standard”, well, I’m not so sure about that. Richard Cassilly is a physically very unattractive Tannhäuser with a pinched voice and a total lack of lyricism, giving the impression of having wandered into the wrong opera.

Arrival of the guests at Wartburg:



RICHARD VERSALLE 1989



Even worse is the 1989 recording (Euroarts 2072008) from Beyrouth. Wolfgand Wagner’s direction is mainly symbolic, thus everything takes place in a circle (circle of life? Seasons? Panta Rhei?) and already during the overture the pilgrims are walking around the stage.

The costumes are not particularly flattering to the singers, which is particularly merciless for poor Cheryl Studer (Elisabeth). Her breathtakingly sung evening prayer is of a touching beauty. Both Hans Sotin (de Landgraaf) and Wolfgang Brendel (Wolfram) are undoubtedly excellent, but yes, again, there is no good leading role.


Richard Versalle as Tannhäuser:




Richard Versalle is not much like a young man obsessed with (physical) love. There is also little of his dichotomy between the earthly and the heavenly. His voice is not pretty and devoid of any charm. A macabre fact: the fact, that his name has not yet been forgotten owes it to his death: during the premiere of Vec Makropoulos (MET 1996), he fell from a ladder, stricken by a heart attack, just after singing the words “You can only live so long”.



Trailer of the production:




In both of the above recordings, Messrs Tannhäuser and Wolfram are continuously walking around with harps, on which they ‘accompany’ themselves at the appropriate moments. That imaginary pinging should be banned, it’s so fake!



PETER SEIFFERT 2003 (for fans of Jonas Kaufmann)



The in itself nicely designed production from Zurich (once EMI 5997339) is suffering from the highly irritating TV direction, it really seems as if the TV director has taken over directing. The ‘manager of images’ likes close-ups, so that during Elisabeth’s prayer we look at the clarinetist’s fingernails. Or we are being zoomed in on Tannhäuser’s sweat-covered forehead. He also finds it necessary to film the singers behind the scenes, which very much disrupts the romance and the magic.

Once you get used to it, there is undoubtedly much to enjoy. The stage setting is beautiful, the colourful costumes – apparently from the early twentieth century – are handsome, and Jens-Daniel Herzog’s character direction is fine. But what makes this production especially worthwhile are the vocal contributions of the singers.

Isabelle Katabu is an extraordinarily beautiful and sensual Venus, darkly coloured and highly erotic. Solveig Kringelborn’s Elisabeth sounds especially pure and lyrical as does her appearance. At the time, Peter Seiffert was one of the best Tannhäusers, both vocally and as a actor. Torn between the sensual and the spiritual, he chooses the higher, which can only result in death.

Nice detail for his many fans: the small role of Walther is sung by none other than Jonas Kaufmann. Only: we don’t get to see him, as during his aria the camera focuses on the faces of Tannhäuser or Elisabeth. Incidentally, I think that recording is now sold out, but yes: fans will remain fans, won’t they?



http://www.operaonvideo.com/tannhauser-zurich-2003-seiffert-kaufmann-kringelborn-kabatu-trekel/



ROBERT GAMBILL 2008



That Nikolaus Lehnhoff can direct Wagner in a very beautiful way, yes, we already knew that. Already in his earlier productions for Baden Baden he showed that modern staging does not have to produce weird images, and that concepts are not necessarily ridiculous. This Tannäuser, previously seen in Amsterdam, is also exceptionally successful (Arthaus Musik 101 351).

Lehnhoff emphasises Tannhäuser’s search for the balance between the physical and the spiritual by creating a world where tradition goes hand in hand with innovation. He builds on a discrepancy (but also a symbiosis) between innocence and evil, and between art and kitsch. Thus, the singing competition degenerates into a kind of glorified form of ‘Idols’, and Tannhäuser’s symbolic ‘redemption’ is painfully beautiful and effective.




Musically, too, there is little to complain about. Robert Gambill sings a particularly moving Tannhäuser, his ‘Rom-Erzählung’ cutting through the marrow. Camilla Nylund is a beautiful, somewhat understated Elisabeth which makes her unapproachable and Waltraud Meier is a Venus out of thousands. Only with Roman Trekel do I have a little trouble. There is nothing wrong with his carrying, solid baritone, but for Wolfram I still opt for a bit more warm lyricism (Hermann Prey, where are you?).



Hermann Prey sings ‘O du mein holder Abendstern’:




BACK IN TIME



About ten years ago, budget label Walhall reissued two historic recordings of Tannhäuser on CD. These are respectively. the 1949 Berlin performance conducted by Leopold Ludwig (WLCD 0145), featuring Ludwig Suthaus (Tannhäuser), Martha Musial (Elisabeth) and a very young Fischer-Dieskau (Wolfram); and a performance from the MET (WLCD 0095), conducted by Rudolf Kempe in 1955, with, excluding a not very idiomatic Astrid Varnay as Elisabeth, a selection of the greatest singers of the time: Blanche Thebom, George London, Jerome Hines and Ramon Vinay.

George London sings ‘O du mein holder Abendstern’:




In both cases, the sound is entirely acceptable and the performances are of a standard that seems very hard to reach these days.

Leopold Ludwig on Spotify:



Rudolf Kempe on Spotify:




\