Month: juni 2023

‘DE NEUS’ VAN SJOSTAKOVITSJ IN DE MUNT



Tekst: Ger Leppers

Illustration for ‘The Nose’ by Nikolai Gogol | by Leon Bakst

In januari 1975 organiseerde de goeie ouwe (en regelmatig avontuurlijke) Nederlandse Operastichting, geleid door de onvolprezen Hans de Roo, een korte reeks gastoptredens van het Staatstheater am Gärtnerplatz uit München. Op het programma stond de opera ‘De Neus’ van Dimitri Sjostakovitsj, en dat was in die dagen om meerdere redenen opmerkelijk.

Om te beginnen liep een groot deel van de Westerse muziekkritiek destijds nog met een grote boog om het werk van de Rus heen. Ook in Nederland. Bij de in de jaren zestig gezaghebbende criticus Ben van der Kleij, die grammofoonplaten recenseerde voor het toentertijd gezaghebbende tijdschrift Disk, stond het schuim op de lippen zodra hij beroepshalve een opname van een werk van de gelauwerde Sovjetcomponist op de draaitafel moest leggen. Het eerste pianoconcert bevatte ‘barpianistenmuziek’, de zevende symfonie was een slap aftreksel van Ravels ‘Bolero’ en de minder geslaagde symfonische gedichten van Sibelius.

Wat we toen nog het beste, maar toch spaarzaam, kenden – mede dankzij de inspanningen van Leonard Bernstein, die een onvergetelijk ‘Young People’s Concert’ wijdde aan de negende symfonie – waren de meer conformistische of in elke geval toegankelijker partituren. Maar de ongebreidelde, vaak baldadige experimenten uit de vroege jaren van de componist genoten hier amper bekendheid.

Voor mij was dat reden genoeg om die voorstelling van ‘De Neus’, in Duitse vertaling, te bezoeken. Ik koesterde de vaste overtuiging dat dit hoogst waarschijnlijk de enige kans in mijn leven zou zijn om dit exuberante buitenbeentje uit het repertoire in het theater te zien. Het was, herinner ik me na al die jaren nog steeds, een overdadige voorstelling die stond als een huis, vol tomeloze vaart, met indrukwekkende, vervaarlijke staketsels die op het vaak rijkgevulde toneel ronddraaiden, en met overgave gebracht door een uitstekend op elkaar ingespeelde cast die het beste van zichzelf gaf. Onder meer Hedi Klug, Alexander Malta en Ferry Gruber waren van de partij. De lastige hoofdrol werd met grote inzet gezongen en geacteerd door Heinz Friedrich.

Vanaf de fabuleuze ontwaakscène kort na het begin van de opera, met op het operatoneel niet vaak eerder gehoorde intieme en niet altijd even welvoeglijke geluiden zoals luidruchtig neusophalen, gesnurk, gegaap en gegeeuw, tot aan de laatste klap op de grote trom zat ik aan mijn stoel genageld.

Toen ik enkele maanden later in Frankrijk de LP-uitgave vond van de uitvoering van het Moskous Kamertheater onder leiding van Gennadi Rozjdestvenski, die slechts kort daarvoor het werk in de Sovjet Unie uit het purgatorium verloste waarin het wegens verregaand modernisme sedert 1930 had vertoefd, aarzelde ik dan ook geen moment. Ik offerde er een flink stuk van het bescheiden vakantiebudget aan op.

Een paar jaar later keerde hier in het Westen voor de muziek van Sjostakovitsj het tij met de publicatie van Salomon Volkovs boek ‘Getuigenis’. Nog steeds staat niet vast of, en zo ja, in welke mate, dat werk een vervalsing is. Hoe dan ook, de gekwelde inhoud ervan bleek precies wat nodig was om de muziek van Sjostakovitsj voor het westers publiek aanvaardbaar te maken. Binnen enkele jaren werden de concertprogramma’s ermee overspoeld, en die situatie houdt, zoals u ongetwijfeld bekend is, tot op de dag van vandaag aan.

Geen wonder dus dat wat inmiddels De Nederlandse Opera was geworden in 1996 een eigen productie van ‘De Neus’ op het programma zette. Een met inzet en liefde gemaakte voorstelling, dat straalde van de muziek af, maar de ijzig ontvangen regie van David Pountney was te realistisch en platvloers om ook maar enigszins recht te doen aan het meesterlijke, vervreemdende en verontrustende verhaal van Gogol dat aan de opera ten grondslag ligt: iemand ontwaakt, stelt vast dat zijn neus verdwenen is en ontdekt vervolgens dat zijn inmiddels mansgrote reukorgaan overal in de stad opduikt en zich tegen hem richt. De onwerkelijke sfeer van het oorspronkelijke verhaal had nergens een equivalent op het toneel. De reprise in 2002, die werd gedirigeerd door Gennadi Rozjdestvenski himself, was muzikaal een nog spetterender feest, maar de hernieuwde kennismaking met de regie was geen aanleiding tot een milder oordeel.

Hoe het wèl kan, of misschien zelfs wel moet, had ik een paar jaar eerder, in 1991, gezien in Brussel. Daar presenteerde het Paleis van Schone Kunsten een gastvoorstelling van de door Boris Pokrovski geregisseerde en inmiddels legendarisch geworden enscenering van het Moskous Kamertheater uit 1974. Opzij van een sober ingericht toneel hingen aan een kabel de kostuums voor de ongeveer tachtig rollen die de opera telt. Voor een rolwisseling hoefden de zangers alleen maar, voor de ogen van het publiek, een andere jas aan te trekken. Het decor bestond voornamelijk uit enkele zetstukken, een prachtige belichting suggereerde het interieur van de kathedraal van Kazan en suggereerde een unheimische sfeer.  In het voormalige Oostblok bleven ensceneringen vaak tientallen jaren op het repertoire, en daar was ik, zoveel jaren na de première van deze voorstelling, diep dankbaar voor.

En dan is er nu de nieuwe enscenering door Alex Ollé van de Fura dels Baus, door het Brusselse Munttheater in een coproductie met de opera van Kopenhagen Ik verwachtte dat het een uitbundige boel zou worden, dichter bij de ensceneringen van München en Amsterdam dan bij die uit Moskou. Hoe zou de confrontatie met mijn herinneringen uitvallen?

De Munt had een uitstekende en voelbaar gemotiveerde, uitgebreide zangerscast bijeen gebracht, waarvoor alle satirische buitenissigheden van de partituur gesneden koek leken. Dat verdient gesignaleerd te worden, want allen maakten in deze productie hun roldebuut.

Scott Hendricks, in de veeleisende hoofdrol van Kovaljov, de ambtenaar die zijn neus kwijtraakte en de enige echt dragende rol in de opera, zong en acteerde alsof dat zijn gewone manier van uitdrukken was. De panische angst van iemand die van het ene moment op het andere zijn greep op de wereld kwijt is, maakte hij uitstekend voelbaar.

Ook Nicky Spence, in de rol van Kovaljovs verzelfstandigde neus, had geen moeite met de door de componist voorgeschreven stemacrobatiek en acteerde met een dwingende concentratie. Van de enorme verdere zangersbezetting die deze opera met zijn tientallen grotere en vooral kleinere rollen vergt, kan ik eigenlijk alleen maar zeggen dat ik er geen zwakke plek tussen heb kunnen ontdekken.

Nicky Spence verandert in ‘De Neus”:

Als er toch een speciale vermelding nodig is dan gaat die naar de zangers die de welhaast neurotische zangpartijen van het politiepersoneel voor hun rekening namen: Anton Rositsky en Alexander Kravets. Maar bij een zo geweldige ensembleprestatie heeft dat toch al iets oneerlijks.

Ook nu weer was er, net als de voorstelling van David Pountney, op het toneel de nodige portie seks te zien. Misschien was dat in 1996, toen Pountney zijn voorstelling ensceneerde, nog een heel klein beetje schokkend (al kan ik mij dat amper voorstellen), maar in de uitvoering van het geslachtsverkeer hebben zich sedertdien eigenlijk geen nieuwe ontwikkelingen van betekenis voorgedaan, dus het verrassingseffect, zo dat al aanwezig was, is er inmiddels wel af. Misschien dat de vele extreme passages in de muziek uitnodigen tot excessen, maar daar staat tegenover dat Gogol, die toch de oorspronkelijke novelle schreef, nu juist een nogal kuise auteur is. Nergens maakt hij het thema van de castratie expliciet, en dat draagt sterk bij tot de mysterieuze kracht van zijn meesterlijke novelle.

Lof verdient ook het decor, een soort plooibare wolk van ijzerdraad, een draadsculptuur die steeds andere vormen aanneemt, en aldus prachtig de mist suggereerde die zoveel aan de onwezenlijke nachtmerriesfeer van het verhaal bijdraagt. Voor de voorstelling waren niet minder dan 750 decor- en zetstukken voorzien, achter de schermen moet het er hebben uitgezien als een stapelpakhuis. Het knappe was dat het toneelbeeld niettemin, door een terughoudend gebruik van al dat materiaal, steeds heel sober bleef, en dat is ongetwijfeld wat bij deze opera – zoals denk ik bij elke opera die zich op of over de rand van het realistische afspeelt – het meest overtuigende resultaat afwerpt en de mysterieuze sfeer het best invoelbaar maakt.

Ook het orkest van De Munt weerde zich uitstekend en doorgaans met precisie in de stroom van de alsmaar de voortrazende, kolkende klankenbrij van Sjostakovitsj. De Hongaarse dirigent Gergely Madarsas, die sinds 2019 muziekdirecteur is van het orkest van Luik, maakte wat in het Vlaams heet “een felgesmaakt Muntdebuut”.

Een bijzondere vermelding verdienen de (enkel bezette en dus vaak zeer geëxposeerde) blazers en de elf slagwerkers. Zij lieten er geen twijfel over bestaan dat ‘De Neus’ een belangrijke opera is.

Maar om het werk te laten klinken als een onaantastbaar meesterwerk, daarvoor moesten we dan toch zijn bij de spitse en uiterst precieze Rozjdestvenski – daar helpt geen lieve moeder aan.

De Neus onder Rozjdestvenski uit 1979:

Trailer van de productie:

Dmitri Sjostakovitsj: De Neus cccc
Regie: Alex Ollé
Decor: Alfons Flores
Kostuums: LLuc Castells
Belichting: Urs Schönbaum
Koorleider: Jori Klomp

Met solistische rollen van:Scott Hendricks, Nicky Spence, Alexander Roslavets, Giselle Allen,  Anton Rositsky, Alexander Kravets, Natascha Petrinsky, Eir Inderhaug, Lucas Cortoos, Kris Belligh, Yves Saelens, Maxime Melnik, Leander Carlier, Byoungjin Lee, Andrzej Janulek, Bernard Giovani, Joris Stroobants, Arman Isleker, Bartosz Szulc, Pascal Macou, Kurt Gysen, Alain-Pierre Wingelinckx, René Laryea, John Manning, Hwanjoo Chung, Taeksung Kwon, Geoffrey Degives,  Luis Aguilar, Bruno Floriduz, Carlos Martinez, Tiemin Wang, Juan Tello Soto, Tristan Faes, Anton Kouzemin, Beata Morawska, Alessia Thais Berardi, Annelies Kerstens, Manon Poskin, Marioara Pop Rousselet,, Hélène Faux.

Symfonieorkest en koor van De Munt onder leiding van Gergely Madaras.

Voorstelling gezien op 27 juni 2023.



Foto’s van de productie: Foto: Bernd Uhlig

Marcella, een onbekend werk van Umberto Giordano

Tekst: Peter Franken

Vier jaar na zijn opera Siberia kwam Giordano met een kort werk waarin het populaire thema van een onmogelijke liefde waarbij een van de twee wordt verlaten als gevolg van externe omstandigheden is getoonzet op muziek die volledig herkenbaar Giordano is. Maar het verhaal is flinterdun en erg voorspelbaar en met een opera die slechts een uurtje duurt bleek het moeilijk te zijn eerdere successen te herhalen.

Bij gelegenheid van de honderdste verjaardag van de première werd Marcella volledig geënsceneerd uitgevoerd tijdens het 33e Festival Valle d’Itria in 2007. Door Dynamic is een opname op dvd uitgebracht

.

Het verhaal doet denken aan Puccini’s La Rondine en ook een beetje aan Giordano’s eigen Fedora. De troonopvolger van een koninkrijkje op de Balkan leeft incognito in Parijs onder de naam Giorgio, als student en kunstschilder. Op een feest wordt hij herkend door Drasco, een afgezant van zijn vaderland maar hij gebiedt hem te zwijgen. Na de nodige verwikkelingen gebeurt het dat Giorgio het berooide meisje Marcella onder zijn arm neemt.

Na het hedonistische feesttafereel uit de eerste akte verandert het toneelbeeld en zien we een terras met uitzicht op een berglandschap: het liefdesnestje van Giorgio en Marcella. Hij heeft zijn vader te kennen gegeven niet terug te zullen keren maar als Drasco hem komt vertellen dat het land in rep en roer is – moord en doodslag, anarchie – en het volk smeekt om de terugkeer van de kroonprins, beseft Giorgio dat hij geen keus heeft maar tegelijkertijd wil en kan hij geen afscheid nemen van Marcella.

Uiteindelijk is zij het die hem het extra zetje geeft omdat ze de hopeloosheid van de situatie inziet. Hij moet haar vergeten, anders blijft hun liefde voor altijd een open wond in zijn leven. De opera eindigt met Marcella die als een hoopje ellende op de grond ligt. Maar, er gaat niemand dood, net als in La Rondine.

In de eerste akte is er het nodige overdreven jolige feestgedruis en in een monologue intérieur bezingt Giorgio zijn vrije leven, incognito in een ver land. Daarna draait het vrijwel geheel om de twee geliefden die in bijna elke scène voorkomen en al dan niet in duet hun grote liefde voor elkaar bezingen. Tot het treurige einde aan toe.

Fraaie melodieën die zeker niet onderdoen voor hetgeen de componist tot dan toe had geschreven. Ook de orkestpartij kent zeer welluidende en pakkende momenten. Probleem is dat je er een ander werk mee moet combineren om een avondvullend programma te krijgen. Giordano’s laatste opera Il Re biedt een mogelijkheid maar dat werk is pas echt een rariteit. Dus typisch iets voor dat festival in Martina Franca, Puglia.

Sopraan Serena Daolio is een mooie Marcella, uitstekend gezongen. Met tenor Danilo Formaggia vormt ze een goed koppel, sterk optreden van beiden. Bijrollen en koor zijn goed bezet. De enscenering is van Alessio Pizzech. Manlio Benzi heeft de muzikale leiding.

De uitvoering is op Spotify te beluisteren:

Er bestaat ook een complete opname van de opera, maar op de sopraan na met een andere bezetting:



Vocal works by Alberto Ginastera: beautiful music, brilliantly performed

The music of Alberto Ginastera, arguably the most important Argentine composer, is still terra incognita for most of us. Warner Classics has collected several of his vocal works on a CD, with shining contributions from Plácido Domingo and Virginia Tola.

If people dó know any music by Alberto Ginastera, it will most likely be his Cinco canciones populares argentinas. Many South American (and not just South American!) singers have them in their repertoire and perform them at their recitals. No wonder really; the songs are simply wonderful.

The performance by Ana-María Martínez for Warner disappoints me a little. She has a beautiful, warm soprano voice with sharp edges here and there, but I like that. The problem: the songs are really nothing more than folk songs in disguise and Martí­nez approaches them like an opera singer: too beautiful, too cultivated.

I don’t really like Shimon Cohen’s arrangement for orchestra either. The orchestral sound is very intrusive, it all becomes too much. You can achieve more with a simple piano accompaniment. Put the beautiful performance by Raoul Giménéz with Nina Walker (Nimbus) next to it and hear the difference!



The scenes from ‘Don Rodrigo’ are no less than a gift, but: why only the two scenes? There is still no official recording of the opera, which can best be described – in terms of musical structure – as the Argentine Wozzeck.

Plácido Domingo already sang the lead role at the opera’s US premiere in 1966 (!), at the New York City Opera. It’s hard to compare his voice then and now, but his great aria “Señor del Perdón”,   still rings like a bell.

Domingo sings “Señor del Perdón”, , recording from 22 February 1966:



In 1966, the role of Rodrigo’s beloved Florinda was sung by Jeannine Crader, an American soprano who was also the first to record Ginestera’s cantata Milena. In the new recording, Domingo is joined by the brilliant Argentine soprano Virginia Tola. Her voice is childlike naïve  and dramatic at the same time. Her last words after Rodrigo’s death will continue to haunt your mind.

Like Jeannine Crader then, Tola also takes care of Milena, something I can only applaud. Milena, a cantata composed on letters Kafka wrote to Milena Jesenská is no less than a masterpiece. I am very surprised that it is not widely known and performed everywhere: the work makes such a deep impact. Virginia Tola’s dramatic approach is at once awe-inspiring and chilling. What an artiste!



Dear programmers, intendants and dramaturgs of most European (and certainly Dutch!) opera houses: there is so much more beyond Mozart, Strauss, Wagner and the occasional Verdi!


Alberto Ginastera
The Vocal Album
Plácido Domingo, Ana Maria Martinez, Virginia Tola and others;
Santa Barbara Orchestra conducted by Gisèle Ben-Dor
Warner Classics 0825646868308

— 




Alma Quartet records all of Schulhoff’s string quartets. And how!



Woodcut by Conrad Felixmüller of the composer Erwin Schulhoff, Prague 1924. Lindenau-Museum, Altenburg, VG Bild-Kunst

Of all the composers covered by the term ‘Entarte music’, Erwin Schulhoff is the most complex.

Contrary to what various anthologies tell us, Schulhoff was never in Theresienstadt. Nor was he murdered in Auschwitz. The hybrid Czech composer who did not fit into any pigeonhole had simply been unlucky. The Russian citizenship he applied for came two days too late, so instead of being in the Soviet Union, he ended up in the Wülzburg concentration camp, where he died of tuberculosis in 1942.

From his early childhood, Schulhoff was fascinated by everything new. Heartily embracing dada and jazz, he also had a particular liking for the grotesque. His music crossed borders and genres – sometimes even those of a “good decency”.



No wonder his music cannot be labelled: within the oeuvre for string quartet alone, one will discover a huge variety of styles.

Except for his Divertimento op.14 and string quartet op.25, all the works played by the Alma Quartet were composed between 1923 and 1925. Both, highly rhythmic string quartets betray Schulhoff’s affinity with jazz – the second a little more than the first – and also with Czech folklore.


The 1923 ‘5 Pieces for String’ dedicated to Milhaud sound quite neo-classical. Each refers to a dance or a country. In ‘Alla Valse Viennese’, the “waltzes of Ochs” are shining through and in ‘Alla Tango Milonga’ one can only think of Argentina.



Of all the existing recordings of Schulhoff’s quartets so far, the one by the Petersen Quartet (Cappricio) was always dearest to my heart. I still love their performance, but now they have to acknowledge the superiority of their Amsterdam colleagues. Grandiose.



Huge kudos also to Vruchtvlees.com for the cover and box cover design. Not only very bright and cheerful, but also perfectly suited to Schulhoff’s music.



More Schulhoff:

Erwin Schulhoff: genres and music crossing borders

Music as ecstasy: Kathryn Stott plays Erwin Schulhoff

Giordano’s Siberia: romantiek in het strafkamp

Tekst: Peter Franken

Scéne uit de derde acte, La Scala 1911

Het succes van Fedora met zijn Russische verhaallijn bracht Umberto Giordano ertoe opnieuw een werk in die setting te schrijven. Dat werd Siberia op een libretto van Luigi Illica.

Première in La Scala, 2003

De opera had in 1903 première in La Scala en was gedurende een tiental jaren redelijk succesvol. Daarna raakte het werk in de vergetelheid.

In 2022 stond er een nieuwe productie van Siberia op het programma in Bregenz. Maggio Musicale Fiorentino was Bregenz in 2021 al voorgegaan en deze productie van Roberto Andò is op Blu-ray uitgebracht.

De handeling speelt zich grotendeels af in een strafkamp in Siberië en haalt zijn inspiratie uit Dostojevski’s Aantekeningen uit het dodenhuis, vooral bekend van Janaceks opera. De eerste akte is feitelijk een theatraal vehikel dat ten doel heeft de protagonisten vanuit Sint Petersburg in Siberië te krijgen.

Giordano maakte het zijn librettist Illica volstrekt duidelijk. Hij wilde geen historische opera met aandacht voor ‘actuele zaken’ als Socialisme, Nihilisme en Antiklerikalisme maar gewone romantiek: een vrouw tussen twee mannen. Het strafkamp was niet meer dan de hardvochtige sociale omgeving waarin de heldin ten onder zou gaan, zoals Violetta in de ‘woestijn die Parijs werd genoemd’.

Het draait om Stephana, een vrouw die als jong meisje is ontdekt door Gléby die haar eerste minnaar werd en haar vervolgens omvormde tot een verdienmodel. Dat heeft succes gehad, ze woont in een huis dat haar geschonken is door Vorst Alexis; vele welgestelde minnaars zijn hem voorgegaan.

Maar Stephana gaat incognito de stad in en de jonge officier Vassili wordt op slag verliefd op dit onschuldige meisje dat de kost verdient met borduurwerk. Als hij in Stephana’s huis komt om zijn peetmoeder te begroeten loopt alles mis. Deze Nikona is in dienst van Stephana en door een ongelukkig toeval bevinden zich ook Gléby, Alexis en zijn gevolg aldaar. Vassili doodt Alexis, wordt veroordeeld en Stephana reist hem na als ‘vrijwillig gedetineerde’.

Als Gléby ook in dat kamp opduikt zijn de rapen gaar. Hij wil zijn vroegere protégée meenemen, kent een ontsnappingsroute. Als ze weigert maakt hij ten overstaan van de gevangenen alles bekend over haar verleden als courtisane, tot verbijstering van Vassili. Ze geeft echter geen krimp, beschuldigt hem op zijn beurt van bedrog en uitbuiting. Als ze met Vassili wil ontsnappen via de route die Gléby heeft aangegeven, slaat deze alarm. Stephana wordt neergeschoten en sterft in de armen van haar geliefde.

De productie uit Florence kent een onopvallende update naar 1941. Dat is op te maken uit de kostumering van Nana Cècchi en kleine veranderingen in de tekst. Zo wordt gesproken over Leningrad en staat Vassili op het punt te vertrekken voor de strijd tegen de Duitsers. In het strafkamp wordt de directeur aangesproken met kameraad gouverneur en als in de derde akte het paasfeest wordt gevierd en iedereen elkaar begroet met de zinsnede ‘christus is herrezen’ laten de filmbeelden op de achtergrond een afbeelding van Stalin zien. Voor het overige wordt het libretto keurig gevolgd.

Die filmbeelden geven in de marge weer waarover wordt gezongen en zijn zeer evocatief waar het gaat om het echte kampleven. Geweldsexcessen blijven echter nadrukkelijk achterwege, het moest immers een romantische opera zijn?

De muziek is heel herkenbaar voor de luisteraar die bekend is met Chénier en Fedora. Een beklijvende hit ontbreekt maar het werk kent meerdere fraaie monologen en duetten. In de tweede en derde akte wordt veelvuldig geciteerd uit het lied van de Volgaslepers, een Russische traditional.

Sonya Yoncheva geeft schitterend gestalte aan de gedoemde heldin die zoals zo vaak haar verleden niet kan ontlopen. Ze acteert heel behoorlijk maar het is vooral haar zang die het verschil maakt. Het is een mooie rol waarin ze haar niet geringe kunnen op vocaal gebied met ogenschijnlijk gemak etaleert, zij het met een flink vibrato.

Sonya Yoncheva zingt “Quale vergogna tu porti”:

In de eerste akte is ze nog een roekeloze verliefde vrouw die tot haar ontzetting alles in duigen ziet vallen. Maar door zich ‘te bekeren’ tot de echte liefde en Vassili na te reizen om zijn lot te delen, transformeert ze in een powerhouse dat Gléby overtuigend van repliek dient en de sympathie van haar medegevangenen weet te verwerven.

Sonya Yoncheva zingt “No! Se un pensier”:

Tenor Giorgi Sturua weert zich als Vassili uitstekend maar klinkt te dun om volledig te kunnen overtuigen. Hij heeft net iets teveel moeite met zijn partij.

Anders is het gesteld met bariton George Petean die een uitstekend zingende Gléby neerzet; gemaakt charmant en manipulatief in de eerste akte, rancuneus in de derde. Enge man, mooi gedaan. In de kleinere rollen vallen vooral Caterina Piva als een bezorgde Nikona en Giorgio Misseri als de onfortuinlijke Alexis op.

De voortreffelijke muzikale leiding van Gianandrea Noseda completeert het succes. Een echte aanwinst de opname.

Trailer van de productie:

Fotomateriaal: © Michele Monasta / Maggio Musicale Fiorentino

Weinberg 1945

The title, Weinberg 1945, refers to the year when all the compositions recorded on this CD were created. The first performance of the piano trio took place on 9 June 1947, by Weinberg himself and two members of the Beethoven Quartet: Dmitri Tsyganov (violin) and Sergei Shrinsky (cello).

To my knowledge, there are already at least nine performances of the trio, all good to excellent. Consider Gidon Kremer (the greatest advocate of Weinberg’s music, Yulianna Avdeeva and Giedré Dirvanauskaité (DG).





Or, my absolute favourite with Dmitry Sitkovetsky, David Geringas and Jascha Nemtsov (Hänssler).



In comparison, this performance feels a bit disappointing to me. Mainly because of the pianist: Stéphanie Salmin is too dominant and the sound of the piano drowns out the strings, but this is something that could also be due to the recording.

But the cello sonata and the Rhapsody on Moldavian themes (replace ‘Moldavian’ with ‘Jewish’, which was actually the intention) make up for everything. Here, the cellist (Romain Dhainaut) and Sadie Fields (violin) are given every chance to shine, and they certainly do! And Sadie Fields completely stole my heart in the Two songs without words, which get their first ever performance here. Indeed, until recently, these two beautiful miniatures were thought to have been lost.




Piano Trio op. 24, Cello Sonata No. 1 in C, op. 21, Two songs without words for violin and piano, Rhapsody on a Moldavian theme for violin and piano op. 47 no. 3
Trio Khnopff: Sadie Fields (violin), Stéphanie Salmin (piano), Romain Dhainaut (cello)
Pavane ADW 7590

Folklore as inspiration

Incredible really how many great musicians there are in our small country! Pianists, violinists, cellists, singers, harpists…. You name it. And I’m not even talking about the chamber music ensembles. Alma Quartet, The Hague String Trio … all world-class. That also includes the Delta Piano Trio.

Pianist Vera Kooper, violinist Gerard Sponk and cellist Irene Enzlin met in Salzburg in 2013, where all three were students at the time. They clicked. They were on the same page and that not only musically, but also outside the concert stages and concert halls. Friends for life?

Origin is already the third CD they have recorded together, I missed the first two, but this one has been in my player for a few weeks . Well, on Spotify really, because it’s that easy. The title refers to the origin of the music from which the composers draw: unadulterated folklore as a guiding principle.

In Dvořák’s case, it is – more or less – obvious: Dvořák developed his own musical language through a love of folk music from which he then drew his inspiration. His ‘Dumky trio’ (just a digression: ‘dumky’ is a plural of the word ‘dumka’, which is then also a diminutive of ‘duma’, a wistful Slavic folk ballad) is the only work on the CD that has known any recognition. And even that is almost gone, because this work also is not performed that often these days.



Things become more painful when it comes to the other two composers and their works recorded on this CD. A real music lover will know the name of Frank Martin, but who knew that he also composed a Trio sur des mélodies populaires irlandaises? What did a Swiss living in the Netherlands have to do with Ireland? Oh well… does it really matter?


And then we come to Tigran Mansurian, arguably one of the most important Armenian composers. But even in his case, things are a bit complicated. He was born in 1939 in Beirut, Lebanon. His family moved to Armenia in 1947. He received his education in Yerevan. His Five Bagatelles have been recorded before and, as far as I am concerned, not often enough.

Delta Piano Trio: “Three composers, three different cultures and three different eras, but with one similarity: a search for musical origins”.

Is there anything I can add? Yes. Not only the music, but also the performance is at the highest level. Don’t let this gem pass you


Frank Martin: Trio sur des mélodies populaires irlandaises
Tigran Mansurian: Five Bagatelles for piano trio
Antonín Dvořák: Piano Trio No. 4 in E, op. op. (Dumky)
Delta Piano Trio

L’Arlésiana van Cilea, een weinig bekende opera met een van de grootste hits uit het tenorrepertoire.

Tekst: Peter Franken

Dit zelden gespeelde werk van Francesco Cilea stamt uit 1897, vijf jaar voor zijn grote hit Adriana Lecouvreur. Het libretto van Leopoldo Marenco is gebaseerd op het gelijknamige toneelstuk van Alphonse Daudet. Hoewel de plot draait om ‘het meisje uit Arles’ komt die nergens in de handeling voor. De hoofdpersoon Federico is verliefd op haar en is vastbesloten met haar te trouwen. Maar als er een concurrent opduikt in de persoon van Metifio loopt alles mis.

Deze is de geliefde van de Arlesienne en hij heeft twee brieven waaruit dit onomstotelijk blijkt. Ook de ouders van het meisje zijn op de hoogte maar hebben hem afgewezen toen bleek dat er een (beter) huwelijk met Federico in het verschiet lag.

Frederico is geschokt als hij de vrouw die hij adoreert van haar voetstuk ziet vallen. Al die tijd had ze kennelijk al een andere minnaar. Zijn moeder Rosa Mamai verbiedt hem om nog met ‘die meid’ te trouwen en probeert hem te koppelen aan Vivetta, een meisje uit de buurt dat al lang een oogje op hem heeft. Ze moet gewoon wat vrijer worden in de omgang, niet zo ingetogen met een hoog gesloten kraagje stilletjes rondsluipen. Dan kan ze vast wel Federico’s aandacht op zich vestigen.

Federico is ziek van jaloezie en maar accepteert na een aanvankelijke bruuske afwijzing Vivetta’s aanbod ‘om hem te genezen’, dit op aandringen van Mama Rosa die hem eronder door ziet gaan. Het komt zelfs tot een voorgenomen huwelijk maar als Metifio opnieuw opduikt om zijn brieven terug te vragen en achteloos vertelt dat hij van plan is zijn geliefde te ontvoeren staat alles weer op scherp. Federico heeft dit gesprek afgeluisterd en probeert Metifio te doden. De kemphanen worden gescheiden maar voor Federico is alles verloren. Uiteindelijk pleegt hij zelfmoord door uit een hoog raam te springen.

In september 2013 was dit werk te zien in Jesi, de geboorteplaats van Pergolesi die ik tot dan toe uitsluitend kende van de witte wijn met de aansprekende naam ‘Verdicchio dei castelli di Jesi’. De op Dynamic uitgebrachte opname laat een verrassend goede voorstelling zien: uitstekende zang en de enscenering van Rosetta Cucchi is heel behoorlijk, vooral de goede personenregie valt op. Het toneelbeeld is betrekkelijk eenvoudig, slechts het hoognodige wordt getoond. De kostumering sluit aan bij hoe men zich de bewoners van de Provence voorstelde eind 19e eeuw.

Federico’s moeder Rosa Mamai wordt vol overgave vertolkt door mezzo Annunziata Vestri. Op een gegeven moment gaat ze overstag en wil ze haar zoon toch maar met die onbetrouwbare feeks uit Arles laten trouwen omdat ze hem krankzinnig ziet worden. Alleen dat huwelijk kan hem redden. Maar Frederico weigert en besluit zich door het dorpsmeisje Vivetta dat al sinds hun kinderjaren verliefd op hem is, in een normaal bestaan te laten terugbrengen. Ze heeft veel liefde te geven en het is het proberen waard.

Sopraan Mariangela Sicilia geeft heel mooi gestalte aan het verlegen meisje dat voor de onmogelijke taak komt te staan om die wilde meid uit de grote stad uit Federico’s systeem te verdrijven. Mooi geacteerd en prima gezongen. Maar het succes is niet blijvend: zodra de horkerige Metifio opduikt komt alle woede en teleurstelling weer bij Federico naar boven.

Frederico is een rol die goed past in het veristisch karakter van het verhaal, hevige emoties van een plattelandsbewoner. Tenor Dmitry Golovnin maakt er iets moois van, hier en daar een tikje pathetisch maar hij blijft te allen tijde een ‘Werther met ballen’.

De Metifio van bariton Valeriu Caradja is donker, beetje een louche type. Als een soort verteller verbindt de oude schaapherder Baldassarre de delen van de tamelijk fragmentarische handeling, prachtig tot leven gebracht door Stefano Antonucci. Ook de kleinere bijrollen zijn adequaat bezet. 

Het Orchestra Filarmonica Marchigiana staat onder leiding van Francesco Cilluffo.

zie ook:

Cilea L’Arlesiana


Bacchae, gender doorbrekend drama dat tegen zijn eigen grenzen aanloopt

Tekst: Neil van der Linden

Nóg een voorstelling in dit Holland Festival over de confrontatie tussen een gesloten gemeenschap en een mysterieuze indringer, na Angela en Metamorfose van een woonkamer. En eigenlijk was de hoofdpersoon, de ‘milieuactiviste’, in de festival-openingsvoorstelling Drive Your Plow Over the Bones of the Dead ook een buitenstaander. In de mythologie zijn indringers met een voor de omgeving al dan niet aangename missie zo oud als de wereld. Gilgamesh, Achnaten, een groot deel van de Bijbelse profeten, Siegfried.

Ook de Griekse tragedieschrijver Euripides voerde zo iemand ten tonele in De Bacchae. Het stuk gaat over de uiteindelijk zelfs fatale relatie tussen een Thebaanse koning, Pentheus, en zijn moeder, Agave.

Die komt op scherp te staan als een vreemdeling arriveert. Dat is Dionysos, de god van de religie en de mythe, van de wijn, lust en extase. Dat hij, door afstamming van Zeus god is, daarvan wil hij de wereld overtuigen, desnoods met harde hand. Ook Pentheus gelooft hem niet. Maar de burgers van Thebe wel, althans ze sluiten zich al snel aan bij Dionysos’ orgiastische cultus.

Daardoor raakt Pentheus het gezag over zijn bevolking kwijt.  Als hij later toch overstag gaat, is het al te laat. Hij mengt zich in een tomeloze menigte feestenden in de bossen bij Thebe, waar hij in het feestgedruis wordt verscheurd, zijn moeder hem onthoofdt en het hoofd gespietst op een houten paal naar de stad brengt. Pas als de roes is uitgewerkt realiseert iedereen zich wat er is gebeurd.

Queerness was altijd al een onderdeel van Euripides’ heftige tekst. In de orgieën lopen ook bij Euripides de genderidentiteiten goed door elkaar. Het is misschien niet voor niks dat de (homoseksuele) Poolse componist Szymanowski zijn opera Król Roger baseerde op een vergelijkbare mythologie over een Bacchanten-achtige Christelijke cultus op Sicilië, waarin koning Rogier II van Sicilië ongeveer hetzelfde overkomt als Pentheus.

In deze The Bacchae door het Griekse ensemble ODC (Odyssey!) zien we een decor van witte doeken met daarop projecties van beelden uit de kosmos. Agave en de ziener Tiresias zitten aan tafel terwijl personeel bedient. Op zeker moment verschijnt een projectie van een komeet op het doek en er wordt aangekondigd dat dat Dionysos is die als komeet de aarde zou kunnen vernietigen.

Eerst arriveert Pentheus, een evenknie van een Apollobeeld, maar in hoge rode laklaarzen met naaldhakken. Het maakt hem nog rijziger, maar ook genderfluïder. Dan komt Dionysos binnen in menselijke gedaante. Net bij Euripides brengt hij een cultus met zich mee. In deze cultus kan iedereen ongeremd genieten. In deze nieuwe wereld zijn de sekseverschillen opgeheven. De mensheid is teruggekeerd naar een amoebe-stadium, van het uit de eerste evolutionaire fasen van het leven op aarde stammend organisme dat zich voortplant door zich op te delen.

Een ‘muzikale queer-versie van Euripides’ De Bacchanten, waarin íedere vorm van verlangen door god Dionysus wordt aangemoedigd,’ zeggen de makers. Maar Pentheus was toch al tamelijk genderfluïde? Bij Euripides verkleedde Pentheus zich al als vrouw, al is dat niet per se ‘queer’, zo lijken de makers te willen zeggen.  Het probleem van Pentheus, zo horen we, is dat hij gevangen zit in conventionele opvattingen over identiteiten.

Maar nadat zijn hofhouding inclusief zijn moeder zich heeft overgegeven aan de nieuwe cultus, ziet hij geen andere uitweg dan de teugels te laten vieren. Hij wordt anaal gepenetreerd door Dionysos in hoogst eigen persoon, in een scène achter de schermen, met een camera gefilmd en levensgroot geprojecteerd op het scherm boven de deelnemers aan de feestdis. Maar net als bij Euripides moet hij zijn late overgave met de dood bekopen, en horen we dat ook hier Agave zijn hoofd gespietst naar de stad draagt.

Wat is de boodschap van dit alles? Dries Verhoeven beeldde om een voorbeeld te noemen een uit de hand lopende gedrogeerde orgie in al zijn ambivalentie toch echt trefzekerder uit in The NarcoSexuals. En is trouwens het leven der amoeben de ideale vorm van voortplanting?

De elektronische muziek van Ariah Lester, die ook Dionysos speelt, is in elk geval wel fraai. Hij heeft zowel in de laagte als in falsetregisters een mooie ijle stem. Iets tussen bijvoorbeeld de Britse electropop-musicus James Blake en Michel van der Aa. Een associatie waaraan de projecties van kosmische verschijnselen op de achtergrond bijdragen.

Anderen zingen ook verdienstelijk, al gaat meerstemming zingen wel goed fout in een Mozart-duet over verlangen. Misschien een kwestie van elkaar niet goed kunnen horen, maar we zijn in het Muziekgebouw en ook al is alles elektrisch versterkt ben je als zanger tegenwoordig zo afhankelijk van techniek dat er vals wordt gezongen als er even een monitorluidspreker niet goed staat afgesteld?

Misschien was het Muziekgebouw aan ’t IJ voor Metamorfose van een woonkamer en The Bacchae niet de ideale plek. Misschien zouden beide beter af zijn in een vlakkevloer-theater zoals Frascati. Maar in het Holland Festival van vorig jaar stonden The Whale en Kein Licht hier wel prachtig, voorstellingen met nog veel meer podiumtechniek, en twee van de mooiste voorstellingen van het jaar.

Elli Papakonstantinou: ‘Als regisseur volg ik de golven van tekst, livemuziek, videokunst en dans op zoek naar een nieuwe uitvoerende taal. Dit stuk ligt op het kruispunt van deze stromen: queer is een nieuwe esthetiek. Het is een popstuk met klassieke opera-uitbarstingen, een dansstuk met vastigheid in het hart een filmisch concert: het is een Griekse tragedie in de metaverse.’


Maar nee, net als bij Metamorfose van een woonkamer, waarover makers Toshiki Okada en Dai Fujikura in vergelijkbare termen spraken, moet ik concluderen dat goede bedoelingen niet genoeg zijn.

Jammer is dat dit mijn laatste voorstelling dit jaar in het Holland Festival was. Binnenkort hopelijk optimistische verslagen van het in National Arts Festival in Makhanda/Grahamstown, Zuid-Afrika

The Bacchae, gezien 11 juni 2023, door het ODC ensemble, Muziekgebouw aan ’t IJ, Amsterdam Concept en regie Elli Papakonstantinou  regie Elli Papakonstantinou  muziek Ariah Lester performers Vasilis Boutsikos Georgios Iatrou Hara Kotsali  Ariah Lester Lito Messini Aris Papadopoulos  technische leiding Lambros Pigounis

Foto’s: Alex Kat en Wikipedia.

Veni, vidi, vici: Plácido Domingo in Amsterdam

Veni vidi vici. Plácido Domingo could rightly have said these famous words after Thursday night, 13 June 2013. The sold-out Ziggo Dome (yes, you read it correctly, the huge hall was filled to capacity!) went wild as if it were a pop concert. Rightly so. Although the maestro is no longer the youngest, his voice does not want to know anything about getting older.

© Vera Klijn




The evening was full of surprises, which only added to the fun:

1. Despite the despairing reports in the newspapers, the hall was almost completely full.

2. There was no programme booklet. The names of the two guest sopranos were projected on the screen, and what were they singing?: the guessing contest was on

3. The Orkest der Lage Landen, an orchestra I had never heard of before, amazed me. Led by Walter Proost, they played the stars from the sky.

© Vera Klijn



Already with the very first song, the overture of Der fliegende Holländer, I was on the edge of my seat. The Nabucco overture was more than compelling and the lighter genre (Leichte Kavallerie by Franz von Suppé) also involved the audience. Proost turned and conducted the audience, who clapped along with the orchestra.

4. I was highly surprised at how many people had actually dressed up! Sure, the obligatory jeans were more than represented, but I also noticed ladies in evening wear. Like it or not: it’s always mood-enhancing.

5. The repertoire. No one took it too lightly. We went from Wagner to Verdi and via operetta and zarzuela we ended up with some musicals. And all at top level!

6. It was a night out in a temple to the lighter muse, so we got something of a show to go with it. Lights, more lights, and beams of light; a veritable lightshow.



©Vera Klijn


Is Domingo the world’s best tenor? For me, yes, especially when we’re talking about the last 30 years of the previous century and the first 10 of this one. Now that his high notes are failing, he has turned to baritone roles and he does so with his usual abandon and musicality.

© EPA




No, he is not a baritone, his timbre is still that of a tenor, but he manages to be more convincing in this repertoire. Perhaps we should just conclude that he is the most musical of all the tenors? A phenomenon born only once every hundred years?


His Siegmund still stands like a house and the Verdi duets ( La Traviata and Il Trovatore, no easy fare for a baritone) proved not only his musicality, but also the humane side of the man and the artist Domingo. Every time his partner was ‘speaking’, he took a step back and let her shine in the spotlight.

©Vera Klijn


After the break, it was time for some light(er) music. ‘Dein is mein ganzes herz’ was met with cheers from the audience right from the first bars and then the fun was unstoppable.


‘So muss allein ich bleiben’ from Die Fledermaus was just about the funniest I have ever heard. Up went the legs in a cheerful dance and the audience participated with gusto!


After the wonderfully beautiful ‘De España vengo’ (El niño Judío by Pablo Luna), sung by Angel Blue, and a duet from Luisa Fernanda, we arrived at ‘Amor, vida de mi vida’ (Maravilla by Moreno) via the delightful ‘Tarantula’ from La Tempranica. Here I had to shed a tear, but that didn’t last long, because then came the encores.

© Sander Boonstra



‘I could have danced all night’, ‘Besame mucho’ (hmm… I wouldn’t have anything against that), ‘Yes I can, no you can’t’ from Annie get your gun and, to conclude, the ‘If I loved you’ from Carousel, sung by all three soloists – I loved it.


The two young sopranos accompanying Domingo, Angel Blue and Micaëla Oeste, were a delight. My preference was for the very charismatic Blue. She managed to convince me not only in the lighter genre but also in ‘Dich, teure Halle’ from Tannhaüser.

Who is afraid of Ziggo Dome? I, at least, no longer am. The venue is indeed immense, but somehow it feels intimate and the acoustics are really very good. Of course the singers sang with a microphone – there is no other way – but strangely enough, it hardly bothered me at all. The sound came across very naturally

© Vera Klijn