Month: oktober 2017

FRANCESCO CAVALLI: ELIOGABALO

Dansers & Franco Fagioli (Eliogabalo)

Scène uit Eliogabalo © Ruth Walz/DNO

Marcus Aurelius Antoninus oftewel Elagabalus (of Heliogabalus) hoort niet in het rijtje van de bekendste Romeinse keizers. Hij regeerde maar vier jaar: in het jaar 222 werd hij vermoord waardoor er einde kwam aan zijn regeringsperiode. Of hij daadwerkelijk een perverse tiran was is niet helemaal zeker, maar zijn reputatie van een decadente despoot die het zowel met mannen als vrouwen deed en zelfs een kunstmatige vagina in zijn lichaam liet maken liegt er niet om.

Francesco Cavalli, een componist die nog steeds in de schaduw staat van grootheden zoals Monteverdi, vond in het gegeven dankbaar stof tot een opera waarin hij alle remmen kon loslaten. Daarbij profiteerde hij van het democratische en zeer tolerante karakter van Venetië, de stad waar veel meer mogelijk was dan elders. Deels omdat de opera er niet tot de hofcultuur behoorde en de vorsten ook karikaturaal voorgesteld mochten worden.

Toch: ook aan de Venetiaanse tolerantie bestond blijkbaar een grens en de voor 1668 geplande première van Eliogaballo werd afgeblazen. De in 1676 gestorven Cavalli heeft daarna nog een paar opera’s geschreven, maar de opvoering van Eliogaballo heeft hij nooit mee mogen maken. De première vond plaats pas in 1999 in Cavalli’s geboorteplaats Crema en in 2004 werd hij met wat meer succes opgevoerd in Brussel.

birthofopera_cavalli

Francesco Cavalli

Van de muziek sec moet de opera het niet hebben. Er gebeurt weinig, er zijn amper tempowisselingen en de overdaad aan vrijwel alleen hoge stemmen is ook niet bevorderlijk voor het drama. De toeschouwer moest voornamelijk onderhouden door de zangers en musici, en door wat er op de bühne gebeurde.

Het Capella Mediderranea onder leiding van Leonardo García Alarcón speelde zeer bekwam. Toch kon ik mij niet aan de indruk onttrekken dat een beetje meer vaart  de handeling wat spannender zou kunnen maken.

eliogabalo0085

Franco Fagioli  © Ruth Walz/DNO

Franco Fagioli die de hoofdrol van Eliogabalo vertolkte stelde mij niet teleur. Zijn stem is groot en zeer aangenaam van timbre, en ook als acteur kon hij mij volledig overtuigen. Zijn portrettering van de aan grootheidswaanzin lijdende afzichtelijke puber was zonder meer superbe.

Toch vond ik zijn prestatie in de schaduw vallen bij Edward Lyon (Alessandro). De Engelse tenor was voor mij de ster van de avond: hij was ook de enige die niet alleen scenisch maar ook met zijn stem wist te acteren. Als geen ander wist hij alle stemmingen in zijn zang laten doorklinken en zijn van edelmoedigheid getuigende optreden was een (toekomstige) keizer waardig.

 

eliogabalo0008

Nicole Cabell (Gemmira) en Ed Lyon (Alessandro) © Ruth Walz/DNO

Zijn geliefde Gemmira werd mooi gezongen door Nicole Cabell. Ik had mij wat meer drama in haar zang gewenst, maar of het in die rol zat?

eliogabalo0126

Kristina Mkhitaryan (Eritea) © Ruth Walz/DNO

Drama des te meer bij Kristina Mkhitaryan, die haar rol van Eritea van veel vuur heeft voorzien. De Russische sopraan was duidelijk goed op dreef en kon mij in al haar gemoedstoestanden – die van de verkrachte vrouw en van de liefhebbende verloofde  – volledig overtuigen.

eliogabalo0042

Valer Sabodus (Giuliano) en Kristina Mkhitaryan (Eritea) © Rurh Walz/DNO

Helaas ging de rol van haar geliefde Giuliano totaal de mist in door de zeer ondermaats zingende Valer Sabodus. Zij stem is zeer klein en kent weinig kleuren, maar ook als acteur kon hij mij nergens doen geloven dat hij de dappere commandant van de garde was.

Mariana Flores was ook niet de beste keus voor de rol van de piepjonge verliefde Atilia. Dat de stem niet groot is, is op zich geen ramp, maar wel dat zij vaak vals intoneerde. Scenisch was zij daarentegen goed op dreef. En aangezien in de zeventiende eeuw het acteren van de vertolker belangrijker werd gevonden dan zijn zangkwaliteiten …

 

eliogabalo0167

Emiliano Gonzalez Toro (Lenia), Nicole Cabll (Gelmira), Franco Fagioli (Eliogabalo), Mathew Newlin (Zotico). Op de grond Scott Conner als Nerbulone. © Ruth Walz/DNO

Scott Conner zong  Nerbulone en Tiferne, en in beide rollen was hij werkelijk voortreffelijk. De jonge Amerikaanse bas is wat mij betreft meer dan een enorme belofte, dus|: onthoud die naam, van hem gaan we zeer zeker veel meer horen.

Scott Conner in Parijs:

Mathew Newlin (Zotico) en Emiliano Gonzalez Toro (travestierol van Lenia) zorgden voor een zeer welkome komische noot en de leden van het koor  van De Nationale Opera (instudering Ching-Lien Wu) waren zoals altijd voortreffelijk.

Zeer te spreken was ik ook over de dansers en de choreografie van Maud Le Pladec. De hele enscenering trouwens kon mij zeer bekoren. De Franse regisseur Thomas Jolly liet voldoende zien om de zintuigen te prikkelen maar liet meer dan voldoende aan de verbeelding van de toeschouwer over, waarvoor dank.

eliogabalo0180

© Ruth Walz/DNO

De kostuums van Gareth Pugh waren oogverblindend en de belichting van Antoine Travert zeer spectaculair.

Trailer van de productie:

De voorstellingen zijn tot en met 26 oktober te zien in Nationale Opera & Ballet in Amsterdam. Zie voor meer informatie de website van De Nationale Opera.

Eliogabalo Screenshot_2017-10-13-11-57-33_1507892576850

Slotapplaus © Ron Jacobi

Francesco Cavalli
Eliogabalo

Franco Fagioli, Ed Lyon, Valer Sabadus, Nicole Cabell, Kristina Mkhitaryan, Matthew Newlin, Emiliano González Toro, Scott Conner, Mariana Flores
Regie: Thomas Jolly.
Koor van De Nationale Opera en Cappella Mediterranea olv Leonardo García Alarcón.

Bezocht op 12 oktober 2017

Tussen Gina Cigna en Renata Scotto, veertig jaar Norma in een mini-discografie

Norma Pasta

Norma wordt beschouwd als het toppunt van belcanto, maar tegelijkertijd  is dit een muzikaal drama van jewelste die de vroege werken van Verdi behoorlijk achter zich laat en een belofte van een ‘Tristan’ met zich meedraagt. En al is het een liefdesdrama  en sterven beide protagonisten aan het eind een soort ‘liebestod’, de liefde is niet de enige drijfveer van de heldin. Ze is ook een moeder, een priesteres, een patriot, een dochter en een vriendin, en om al die aspecten van menselijke gevoelens goed te kunnen uitdrukken moet je meer dan een ‘zangeres’ zijn.

Norma Giuditta_Pasta_as_Norma_1831

De rol van Norma werd gecreëerd door Giuditta Pasta, van huis uit een mezzo, die haar stem omhoog had gewerkt. Pasta was een buitengewoon intelligente zangeres met een grote toneelpersoonlijkheid en een groot stembereik maar haar techniek was niet optimaal, waardoor haar stem al heel erg vroeg in haar carrière achteruit ging. Paulette Viardot (een van de bekendste mezzo’s van haar tijd) zei ooit over Pasta: “ze lijkt op ‘Het laatste avondmaal’ van Leonardo da Vinci – een ruïne van een schilderij, maar het grootste schilderij in de wereld”.

Norma Giulia Grisi

Giulia Grisi als Norma

De eerste Adalgisa werd gezongen door Giulia Grisi, een sopraan, die ook de rollen van Elvira (I Puritani) en Giulia (I Capuletti  e Montecchi) creëerde, en die later zelf een Norma van formaat was geworden.

GINA CIGNA

Norma Cigna

In de eerste vijftig jaar van de twintigste eeuw werd Norma maar weinig opgevoerd. In de operageschiedenis wordt over maar twee memorabele uitvoeringen gesproken: in 1926 in de Metropolitan Opera (met Rosa Ponselle en Lauri-Volpi) en in 1936 in La Scala, met Gina Cigna

In 1937 werd de allereerste (vrijwel) complete opname van Norma gemaakt: met Gina Cigna, Ebe Stignani en Giovanni Brevario, gedirigeerd door Vittorio Gui (verschillende labels). Het klinkt nog steeds goed, al is de klank uiteraard niet optimaal.

In de operawereld heerst in het algemeen de mening dat de meeste (belcanto-)zangeressen vóór Callas licht waren, net als kanariepieten. Dat is niet waar. Luister alleen al naar de volle, donker getimbreerde stem van Cigna en naar haar gevoel voor drama.

Cigna benadert de rol vanuit de veristische traditie en zet zwaar in. Van coloraturen is helemaal geen sprake, maar haar techniek is fenomenaal en haar topnoten stevig en zuiver. Ze is echter geen echte actrice, waardoor haar interpretatie ver achter die van (onder andere) Callas staat.

Adalgisa wordt hier gezongen door jonge Ebe Stignani: een mooie, warme mezzo, hier veel overtuigender dan in al haar latere opnamen. Giovanni Breviario is een ondermaatse Pollione, maar orkestraal is deze opname, samen met die van Serafin (Rome 1955) en Muti (Turijn 1974), één van de drie mooiste Norma’s. Mede daardoor (en de bijzonder ontroerend gezongen ‘Deh! Non volerli vittime’) zeer de moeite van het beluisteren waard.

MARIA CALLAS

.

Met denkt Norma, men zegt Callas. Terecht, want als geen ander heeft La Divina een stempel op die rol gezet. Tussen 1950 en 1964 was ze ontegenzeggelijk de beste Norma. Misschien was ze wel de beste Norma ooit.

Ze heeft de rol meer dan 90 keer gezongen en twee keer in de studio opgenomen, beide keren onder Tulio Serafin. De eerste stamt uit 1954 (Warner Classics 0825646341115). Callas was toen vocaal absoluut op haar best, toch kan die opname me matig boeien. De begeleiding van Serafin vind ik ronduit saai, Filippeschi is, ondanks zijn mooie stem, geen Pollione van gewicht, en Stignani klinkt gewoon (te) oud. Ook op het acteren van Callas heb ik her en der opmerkingen. Haar ‘Casta Diva’ lijkt veel meer op een liefdesaria dan op een ode aan de maangodin, wat het eigenlijk is. Maar haar zingen is fenomenaal mooi, met prachtige hoogte en goede trillers.


.

In de herfst van 1960 stond Callas erop om de opera nogmaals op te nemen. Men beweert dat ze hiermee haar comeback had willen maken (vanwege allerlei schandalen had Callas negen maanden niet gezongen). Mogelijk, maar het is ook zeer voor de hand liggend dat haar inzichten omtrent de rol zodanig veranderd waren, dat ze het nogmaals wilde vastleggen.

Gelukkig maar, want haar tweede ‘officiële’ Norma (Warner Classics 0825646340842) is in alle opzichten superieur aan de eerste. Franco Corelli is wellicht de beste Pollione ooit: een echte krijgsheer met een zeer masculiene stem. Zeker van zichzelf en zijn uitstraling, kordaat, macho, maar ook liefhebbend en zeer, zeer sensueel en sexy. Geen wonder dus, dat een jonge priesteres voor hem kan vallen. En geen wonder dat een vrouw als Norma – sterk, mooi en machtig –  van hem blijft houden, ondanks zijn verraad.

Adalgisa wordt gezongen door een jonge Christa Ludwig. Niet echt Italiaans, ook (voor mij) iets te donker van timbre, maar met zoveel inlevingsvermogen, dat het er eigenlijk weinig toe doet.

Callas zelf is over haar vocale hoogtepunt heen en her en der laat ze een pijnlijke noot horen, maar als actrice is ze absoluut ongeëvenaard. Ook hier wil ze af en toe chargeren (de scène met haar kinderen bij voorbeeld), maar haar intense betrokkenheid, haar volledige begrip en overgave – het is uniek. Ook Serafin is duidelijk veel meer geïnspireerd, al heb ik af en toe moeite met zijn tempi.


Norma Callas ROme

Behalve deze twee studio-opnamen bestaan er ook een half dozijn radio- en piratenregistraties van Callas’ live-optredens. Uit Londen, Milaan en Rome. Bij één ervan wil ik even stilstaan, want voor mij is dit de beste Norma. Het is een registratie van een voorstelling op 29 juni 1955 in Rome (o.a. Opera d’Oro 7003)

Callas, fantastisch bij stem, mist geen (top)noot, geen triller en geen nuance. Het gaat van pianissimo tot forte en terug, van donker naar open, van glissando naar portamento, en alles met stijlgevoel en tekstbegrip. Dit is dramatische belcanto pur sang, dit moet Bellini voor ogen hebben gestaan.

Mario del Monaco zingt een droom van een Pollione. Soms een tikje te luid, maar het mag, hij is immers een krijger. In ‘Qual cor tradisti, qual cor perdisti’ wordt hij hoorbaar ontroerd en opnieuw verliefd. Hun stemmen smelten in het ultieme liefdesduet, dat alleen de dood tot gevolg kan hebben.

Maria Callas en Mario del Monaco in ‘Qual cor tradisti’:

Ook Serafin dirigeert met gevoel voor zowel drama als lyriek en als Stignani me nog steeds niet overtuigt, dan is het alleen omdat ik in die rol een sopraan wil horen.

JOAN SUTHERLAND

 Norma Sutherland

Ook Joan Sutherland heeft Norma twee keer (officieel) opgenomen. Haar eerste opname uit 1965 (Decca 4704132) was een ware sensatie. Het was de allereerste opname van de complete muziek van Bellini, zonder ook maar de minste coupures. Bovendien was het de allereerste opname in de originele toonsoort (Bellini componeerde zijn opera in G, maar voor de première veranderde hij het in F).

Sutherland gold in die tijd als de belcanto-specialiste bij uitstek. Haar stem kende geen grenzen en leek van elastiek. Hoog, hoger, hoogst, en met coloraturen die bijna onmenselijk perfect klinken.

Adalgisa werd gezongen door Marilyn Horne, Sutherland’s alter ego in het mezzovak. Het resultaat is duizelingwekkend, maar ik mis drama, des te meer daar John Alexander (Pollione) een mooie maar nietszeggende stem heeft.

Op het orkestspel valt evenwel niets op te merken en als u van zuiver zingen, hoge noten en coloraturen houdt, dan is deze opname de beste keus.


Norma Sutherland Pavarotti

Twintig jaar later heeft Sutherland de rol opnieuw opgenomen, ditmaal met Montserrat Caballé (Adalgisa) en Luciano Pavarotti (Pollione). Laat ik het maar een vergissing noemen, al is Adalgisa van Caballé op zijn minst interessant. Jammer dat men er niet eerder aan had gedacht.


MONTSERRAT CABALLÉ

Norma Caballe Domingo

Caballé is een soort kruising tussen Callas en Sutherland: prachtige topnoten, onwaarschijnlijk mooie legatobogen, perfecte trillers, en bovendien een pianissimo waarin geen van haar collega’s haar kon evenaren. Ze was een veel betere actrice dan Sutherland, bovendien had ze een geweldige uitstraling en een charisma van jewelste. Ze ging nooit tot het uiterste, zoals Callas of (later) Scotto, maar haar uitvoeringen waren altijd zeer overtuigend.

In 1973 nam ze de rol op voor RCA en het resultaat was zeer behoorlijk (GD 86502). Haar Pollione, een zeer jonge Plácido Domingo, was vocaal kristalhelder en klinkend als een klok. Het ontbrak hem echter aan overwicht, waardoor hij veel te jong voor die rol klonk.

Fiorenza Cossotto in haar rol van Adalgisa leek meer op Azucena dan op een jong meisje, maar op haar zingen an sich valt helemaal niets aan te merken. Jammer genoeg klinkt het orkest ongeïnspireerd en haastig, wat beslist de dirigent, Carlo Felice Cillario, moet worden aangerekend.


Norma Caballe Vickers

In 1974 zong zij Norma in het Romeinse amfitheater in Orange (Provence). Het was een zeer winderige avond, en alles woei en bewoog: haar haren, sluiers en jurken. Een fantastische gewaarwording, die een extra dimensie aan de toch al geweldige uitvoering toevoegt. Het werd gefilmd door de Franse televisie (wat een geluk!), en is inmiddels op de DVD verschenen (VAIV 4229).

Caballé zingt ‘Casta Diva’:

Caballé was prachtig bij stem, zeer lyrisch in ‘Casta Diva’, dramatisch in ‘Dormono etrambi’ en ontroerend in ‘Deh! Non volerli vittime’. Samen met Josephine Veasey zong ze wellicht de meest overtuigende ‘Mira , o Norma’ – althans, in een complete opname van de opera. Als twee feministes avant la lettre zweren ze de mannen af en van rivalen transformeren ze in hartsvriendinnen.

John Vickers (Pollione) was nooit mijn ‘cup of tea’, maar Veasey is een fantastische (ook optisch) Adalgisa en Patané dirigeert bezield. Van alle opnamen op dvd (en het zijn er niet veel) is deze beslist de beste.

RENATA SCOTTO

Norma XScotto Muti

Scotto zong haar eerste Norma in 1974, in Turijn. Bij mijn weten bestaat er geen opname van, althans niet van de complete opera.

‘Casta Diva’ uit Turijn:

Wel werd door een piraat de voorstelling uit 1978 in Florence vastgelegd (Legato LCD 203-2). Het had de meest ideale Norma kunnen worden, maar helaas werd de voorstelling ontsierd door een niet meer dan adequate Ermanne Mauro als Pollione.

Margherita Rinaldi (eindelijk weer eens een sopraan) klinkt jong als Adalgisa en Scotto is, volgens vele critici, de eerste Norma na Callas die schijnt te weten waar het over gaat. Orkestraal behoort deze opname tot mijn top drie, maar het geluid is jammer genoeg niet echt geweldig.

Scotto in ‘Dormono entrambi’ in 1978:

norma-scotto-troyanos-james-levine-3-lp-cbs

In 1980 nam Scotto de opera in de studio op (Sony SM2K 35902), onder leiding van James Levine. Op haar vertolking valt weinig op te merken al is het ‘staal’ in haar stem soms bijzonder pijnlijk. Ook de Adalgisa (onwaarschijnlijk mooie Tatiana Troyanos) is absolute top. Maar Giuseppe Giacomini (Pollione) stelt niet veel voor en Levine dirigeert veel te zwaar en overdramatisch.


Peter Gijsbertsen zingt liederen van RICHARD STRAUSS

Strauss Gijsbertsen

De liederen op deze cd zijn in chronologische volgorde opgenomen. Logisch, dat wel, maar ik weet niet of het zo’n goed idee was om met ‘Zueignung’ te beginnen.

Het prachtige lied wordt vaak aan het eind van een recital gezongen bij wijze van een bedankje aan het publiek. Het is natuurlijk geen must, maar als je het helemaal aan het begin van je recital zingt dan moet je verdomd sterk in je schoenen staan, want makkelijk is het allerminst.

Hier gaat Gijsbertsen dan ook meteen de mist in, want zijn mooie, slanke maar ook ‘blanke’ tenor mist de zelfverzekerdheid, waardoor het lied onvast klinkt. Zijn manier van zingen heeft iets ontroerends, maar bij Strauss verwacht ik meer volvette klanken die de grens van goede smaak soms weten te tarten.

Dat lukt Gijsbertsen niet. Iedere keer als er wat meer volume of een grotere emotie wordt gevraagd gaat hij pushen en dat vind ik niet mooi. Het is wellicht daarom dat liederen zoals ‘Allerseelen’ hem uitstekend liggen. Gijsbertsen zingt het zeer delicaat, met heel erg veel tederheid.

In dit kader bezien heeft de tenor in Jozef de Beenhouwer een ideale begeleider gevonden. Evenals de zanger houdt de pianist zich ingetogen en dienstbaar, wat in een buitengewoon fraaie interpretatie van ‘Morgen’ resulteert.


RICHARD STRAUSS
Ich trage meine Minne
Peter Gijsbertsen (tenor), Jozef de Beenhouwer (piano)
Phaedra PH 292035 • 65’

La Traviata. Een (zeer) korte en beknopte discografie

Traviata

Het is wellicht de meest gespeelde en opgenomen opera, maar echt goede uitvoeringen zijn schaars.

Traviata Sarah-Bernhardt-Camille-Postcard

Sarah Bernhardt als Marguerite Gautier in La Dame aux Camélias

Grotendeels ligt het aan de eisen die Verdi aan de sopraan stelt. In de eerste akte moet ze over soepele coloraturen met erbij behorende hoge noten beschikken, in akte twee moet haar stem voornamelijk lyrisch klinken, met perfecte overgangen. Het is de akte waarin ze van een ietwat ingeslapen, maar zielsgelukkige en liefhebbende vrouw tot een echte opofferingsgezinde heldin transformeert. De akte waarin ze ons moet overtuigen dat er voor haar geen andere uitweg bestaat dan voor het slachtofferrol te kiezen. De derde akte is een ware beproeving, want hier moet ze al haar (voor zover zij erover beschikt)  dramatische kwaliteiten als een tragédienne van het kaliber Sarah Bernhardt laten zien. Hoeveel sopranen kunnen hier aan voldoen?

MARIA CALLAS

Traviata Callas

Maria Callas als Violetta Valéry

Callas? Natuurlijk zong ze de rol meer dan voortreffelijk; het kon ook niet anders, want alles wat ze aanraakte veranderde in goud. En toch …. La Traviata was niet echt haar ‘ding’. Violetta was een courtisane – één van de hoogste klasse, dat wel, maar La Divina had niets met de promiscue vrouwen, ze pasten niet in haar ideale wereldbeeld. Violetta’s opofferingsgezindheid maakte haar in ieder geval sympathieker dan zo’n Tosca of Carmen (aan beide heeft Callas een gruwelijke hekel gehad), vandaar ook dat zowel de tweede als de derde acte haar beter afgaan dan de eerste. Maar ze blijft er koninklijk bij, veel te koninklijk voor mij, want de “echte “ Violetta was meer een meisje dan een vrouw. Een meisje dat al een lange tijd ziek is (haar ziekte begint nog vóór de opera), waardoor haar sterfscène niet uit de lucht valt. Dat ze sterven gaat weten wij al vanaf het begin, al blijven we, tegen beter weten in, hopen op een wonder.

Laatste scene uit Lissabon 1953:

ILEANA COTRUBAS

Traviata Cotrubas

Eigenlijk zijn er maar twee zangeressen die me van het begin tot het eind overtuigen, althans op cd’s: Ileana Cotrubas en Renata Scotto.

Cotrubas had het geluk om de opera onder Carlos Kleiber op te nemen, orkestraal wellicht de mooiste Traviata ooit (DG 415132). Vanaf het begin is zij voelbaar zwak en ziek, haar overgave aan liefde is totaal, en haar ontgoocheling dodelijk.

Alfredo is, sinds zijn roldebuut op 20-jarige leeftijd in Mexico, altijd Domingo’s paradepaardje geweest. Zijn fluweelachtige, warme tenor leek geschapen om de rollen van goedbedoelende minnaars te zingen. Sherrill Milnes zingt een strenge, autoritaire vader Germont, met wie je niet in discussie gaat, maar die zich in de laatste scènes ook van zijn menselijke kanten laat zien.


RENATA SCOTTO

Traviata Scotto cd

Renata Scotto heeft (of moet ik zeggen: had?) iets wat weinig andere zangeressen bezaten: een perfecte techniek die haar in staat stelde om met coloraturen te strooien alsof het niets was. Haar hoge noten klonken weliswaar een beetje staalachtig maar waren ontegenzeggelijk loepzuiver. Zij bezat de gave om met haar stem (en niet alleen maar met haar stem!) te acteren, en door haar perfecte articulatie kon je niet alleen letterlijk volgen wat ze zingt, maar het ook begrijpen.

Haar wellicht mooiste (er bestaan meerdere opnames met haar) Violetta nam ze in 1963 op (DG 4350562), onder de zeer spannende leiding van Antonino Votto. Alfredo wordt er gezongen door de zoetgevooisde Gianni Raimondi, en Ettore Bastianini is een warme, inderdaad vaderlijke, Giorgio Germont.


Traviata Scotto dvd

En denk maar niet dat de voorstellingen vroeger, toen alles nog volgens het boekje gebeurde, statisch en saai waren! In 1973 was La Scala op tournee in Japan, en daar, in Tokyo, werd een legendarische voorstelling van La Traviata opgenomen (VAI 4434).

De hoofdrollen werden vertolkt door de toen nog ‘volslanke’ Renata Scotto en de 27-jarige (!) José Carreras. DVD vermeldt geen naam van de regisseur, wellicht was er ook geen, en de zangers (en de dirigent) hebben het allemaal zelf gedaan? Hoe dan ook, het resultaat is werkelijk prachtig, ontroerend en to the point. Ik ga er verder niets meer over vertellen, want deze opname is een absolute must voor iedere operaliefhebber.

Finale van de opera:

TERESA STRATAS

Traviata Stratas Domingo

Tot slot: wellicht zijn de puristen het niet mee eens, maar de in 1983 gerealiseerde verfilming van de opera door Franco Zefirelli, met Teresa Stratas en Plácido Domingo in de hoofdrollen (DG 073 4364), hoort in ieders verzameling thuis. Toegegeven – Zefirelli permitteert zich coupures en kort scènes in, maar zijn sfeertekening en milieuportrettering zijn onnavolgbaar, en de spanning is om te snijden. Wat ook op het conto van de voortreffelijke zangers/acteurs toegeschreven moet worden

PATRICIA CIOFI 2004

Traviata Ciofi

De productie uit Venetië in november 2004 in de regie van Robert Carsen werd gemaakt voor de heropening van de acht jaar eerder totaal afgebrande La Fenice. Er werd gekozen voor de eerste versie van de opera, uit 1853. Goed bedacht, daar de (toen mislukte) première van wat Verdi’s meest geliefde opera ooit zal worden, juist daar had plaatsgevonden. De grootste verschillen met de ons bekende, één jaar latere versie zitten in het duet tussen Violetta en vader Germont, en de twee laatste nummers van de derde akte.

Als geen andere opera kán Traviata geactualiseerd worden. Het was overigens Verdi’s wens om haar in hedendaagse kostuums op te voeren. In de regie van Carsen draait alles om geld, en de dollars vallen ook als bladeren van de bomen. Hij verplaatst de tijd van handeling naar de jaren tachtig van de vorige eeuw, de tijd van opkomende megasterren, supermodels, gigaparty’s, maar ook junks, kraakpanden en aids. Zoals altijd bij hem, is alles zeer logisch en consequent doorgevoerd..

Een absoluut hoogtepunt is het beginscène van de laatste acte, waarin de inmiddels totaal (ook letterlijk!) aan de grond geraakte Violetta een video van haar verleden bekijkt. Een video die op bepaald moment stopt en alleen maar “sneeuw” vertoont. De scène grijpt je naar je keel en laat je nooit meer los. Het toppunt van de goede moderne regie.

Violetta wordt zeer aangrijpend vertolkt door de zowel vocaal als scenisch imponerende Patricia Ciofi. Als Alfredo komt de Italiaans-Duitse tenor Roberto Sacca zeer overtuigend over en Dmitri Hvorostovsky is een voortreffelijke vader Germont (Arthaus Musik107227 )

Laatste zeven minuten van de productie:

EVA MEI 2005

Traviata Nei Beczala

In 2005 werd tijdens de Zürcher Festspiele een Traviata in de regie van Jürgen Flimm opgenomen (Arthaus Musik 101247). De prachtige decors van de hand van Erich Wonder zijn spaarzaam, maar er is wel een bed. Waren bij Carsen alle personages voor een deel zelf debet aan het drama, bij Flimm is het duidelijk pappa Germont wiens schuld het allemaal is.

Eva Mei is vocaal bijna net zo goed als Ciofi en Piotr Beczała is een pracht van een Alfredo. Met zijn lyrische tenor die het midden houdt tussen Gedda en Wunderlich klinkt hij veel mooier dan Sacca. Samen met Eva Mei vormen zij een wat romantischer paar dan Sacca en Ciofi, maar die zijn dan weer veel en veel dramatischer. Thomas Hampson zet een zeer onsympathieke papa Germont neer, maar dat was natuurlijk de bedoeling. Zeer spannend.

Eva Mei en Piotr Beczała:

ANGELA GHEORGHIU

Traviata Gheorghiu

Violetta is altijd het paradepaardje van Gheorghiu geweest. Vanaf haar debuut in het Londense ROH in 1994 tot niet zo lang geleden liep de rol als een rode draad door al haar optredens heen.

Maar kleine meisjes worden groot en het zingen van zwaardere rollen is niet zo bevorderlijk  voor de coloraturen. In 2007 had haar inmiddels een beetje scherpe sopraan veel donkere ondertonen gekregen, wat op zich helemaal niet verkeerd is, en zeker op zijn plaats is in de derde acte.

Gheorghiu is altijd al een zeer overtuigende actrice geweest, en hier, onder de behoedende (en behoudende) oog van de regisseur Liliana Cavani, doet zij wat de componist van haar verlangt en sterft een mooie en dramatische dood.

Ramón Vargas was Alfredo toen al een beetje ontgroeid, maar Roberto Frontali zingt een zeer fraaie Giorgio Germont.

Lorin Maazel is niet de meest sprankelende dirigent die we kennen, maar de productie uit La Scala is ware een lust voor het oog. (Arthaus Musik 101343).

NATALIE DESSAY 2011

TraviataDessayDVD

Ik ben een groot bewonderaar van Natalie Dessay. Zij is een voortreffelijke zangeres en actrice en weet zowat alles, inclusief het telefoonboek, aannemelijk te maken. Maar zelfs voor haar is er een grens en die houdt wat mij betreft bij Violetta op. Voor de eerste acte zijn haar coloraturen niet meer toereikend en voor de rest moet zij het van haar (toegegeven: grandioos!) toneelspel hebben.

Charles Castronovo zingt mooi, maar moet het voornamelijk van zijn (ja, zeer fraaie, dat geef ik ook toe) uiterlijk hebben. Ludovic Tézier oogt te jong voor de rol van pappa Germont.

Steeds vaker verlang ik naar de tijden van Sutherlands, Caballé’s en Pavarotti’s. Toen kon je het beeld (mocht er een beeld bij zijn) uitzetten en gewoon genieten, tegenwoordig moet je steeds vaker het geluid uitzetten om van mooie mensen te genieten. Kan ik net zo goed naar een soapserie kijken.

Niet aan mij besteed, maar wellicht denkt u er anders over (Virgin Classics 7307989)

BEVERLY SILLS

Traviata Made in America

Een p.s.: mis de prachtige hommage aan Beverly Sills, Made in America (DG 0734299) niet,  met een keur aan schitterende archiefbeelden, waaronder ook  haar La Traviata met Ettore Bastianini.

MUSIC OF ANOTHER WORLD: SZYMON LAKS

 

Laks archief André Laks

Szymon Laks © Archiv André Laks

 

How many music lovers, even seasoned ones, have heard of Szymon Laks? Let alone of his music? Fate has been unkind to the Polish-French composer. Laks survived the hell of Auschwitz thanks to music: after he was taken captive, he was appointed conductor of the concentration camp’s orchestra.

Laks book

Laks wrote a book about his time in the camp, after which he became known as the ‘kapellmeister of Auschwitz’. Extremely painful. Like his son André stated: it may be true his father survived the war thanks to music, it should never be forgotten he mainly lived for music as well.

Laks Klüger

Ruth Klüger © Kerrin Piche Serna, University Communications

Ruth Klüger, a famous author, Germanist and Holocaust survivor wrote about Auschwitz in her book ‘Still Alive: A Holocaust Girlhood Remembered’ : “The name itself has an aura, albeit a negative one, that came with the patina of time, and people who want to say something important about me announce that I have been in Auschwitz. But whatever you may think, I do not hail from Auschwitz, I come from Vienna.”

Laks Polska Orkiestra Radiowa

© Polska Orkiestra Radiowa

Szymon Laks did not hail from Auschwitz, he was born in 1901 in Warsaw. He left for Paris in 1926 to finish his musical studies there. He studied with Pierre Vidal and Henri Rabaud and soon became part of the “Paris School.” A group consisting mainly of young, Eastern European composers like Bohuslav Martinů and Marcel Mihalovici,  with composers like Honegger, Milhaud and Poulenc as central figures.

This French school with its formal structures and neoclassical lines was a great influence on Laks, especially in his earlier works, but his oeuvre was also strongly rooted in the Polish tradition. Polish music, both classical and folk music was his biggest inspiration.

Laks deportatie

 

In May 1941 Laks was arrested and interned in the French camp Pithiviers as a foreign Jew. On July 16th 1942 he was deported from there to Auschwitz. In 1944 he was transferred to Dachau. After his liberation he returned to Paris.

Laks document

Before the war Laks worked in cinemas as an accompanist of silent films, and also played the violin in cafés. After the war all he composed, with a few exceptions, was film music.  In 1962 he started to compose again, but this period did not last very long.

Laks with son

Szymon Laks with his son André © Archiv André Laks

 

In 1967 Laks stopped composing altogether. The Six-Day War played a role in that decision, as well as the huge antisemitic wave that followed it in Poland. He told his son that he felt composing music was no longer of any use at all. The events in the Middle-East and the antisemitic excesses in Poland meant to Laks that the existence of the Jewish people was under threat once again.

The exodus of the remaining Polish Jews in  1968 did not only embitter him, but also worsened his attacks of depression which had plagued him for a long time.

Szymon Laks was an assimilated Jew who always felt more Polish than Jewish. For this reason his pre-war works were not influenced by Jewish traditions, something which changed shortly after the war.  In 1947 Laks composed his song cycle ‘Huit chants populaires juifs’ followed soon afterwards by stage music for ‘Dem sjmiets techter’ by Peretz Hirschbein.

 

ARC ENSEMBLE

Laks

The Canadian ARC Ensemble has been working on a series “Music in Exile”  for several years now. After the first two volumes with music by Paul Ben-Haim and Jerzy Fitelberg (the latter was nominated for a Grammy) they have now dedicated volume three to the music of Szymon Laks.

This CD is worth buying for the Fourth String Quartet from 1962 alone. This rhythmical work shows strong jazz influences in a classicist form. Diverse styles are affectionately combined without actually merging. Almost like passersby in a park,  greeting each other warmly, exchanging a few words, and then continuing their way. Fascinating.

How different from his “Polish” Third String Quartet from 1945 which the Canadian Ensemble recorded in the version for Piano Quintet from 1967! The Quintet has a less serious tone, parts of it are nothing more than pure entertainment. Polish folk melodies are combined with dancing passages, with every now and then time standing still, allowing you to wipe away a tear.

‘Passacaille’ from 1945 is in fact a vocalise, originally composed for voice (or cello) accompanied by piano. Here the piece is performed by a clarinet, a choice I am not entirely happy with because a clarinet simply sounds less warm than a human voice.  Simon Wynberg, the artistic director of the ARC Ensemble, sees the work as Laks’s reaction on his concentration camp experiences, expressing them in his music. Can this be true? I would like to believe it.

Passacaille, in the version for cello and piano:

Almost all pieces get their CD premiere here, but other factors make this CD a real must have as well. The quality of this long neglected music is high, of course, as are the excellent performances by the musicians. Consider buying this CD as a late reparation to the composer, who was definitely more than “kapellmeister of Auschwitz.”

ARC Ensemble records works by Laks:

LEO SMIT ENSEMBLE

Laks Pameijer

In case you want to hear more by Szymon Laks: several years ago the Leo Smit Ensemble recorded a CD with works by Laks (Future Classics 111), which includes the “Huit chants populaires juifs.” The Passacaille is included as well, in the version for flute and piano, masterly performed by Eleonore Pamijer and Marcel Worms.

 


 

 

SZYMANOWSKI QUARTET

Laks Szymanowski

Much recommended as well is the recent recording by the Polish Szymanowski Quartet (Avi 8553158). In addition to the Third String Quartet on Polish themes by Laks from 1945 it includes the String Quartet by Ravel and the Nocturne & Tarantella op. 28 from 1915 by Karol Szymanowski. It is fascinating to compare their performance of the “Polish Quartet” with the adaptation for Piano Quintet by the ARC Ensemble.

 

A few years ago Apple Republic Films started a series of documentaries on Polish-Jewish composers: the Masters Revival Series. In 2012 they made a film on Szymon Laks in collaboration with the composer’s son:

English Translation Remko Jas

Dutch original:  SZYMON LAKS. Muziek uit een andere wereld

MIECZYSŁAW WEINBERG: ‘THE PASSENGER’. English traslation

Entartete Musik, Teresienstadt and Channel Classics

Voice in the Wilderness: music as salvation

BETWEEN TWO WORLDS

DECADES: A CENTURY OF SONGS, vol.2

 

Decades

In deel twee (de eerste is helaas aan mijn aandacht ontsnapt, maar heb de cd inmiddels besteld) van wat een overzicht van een eeuw ‘Liedkunst 1810–1910’ moet worden verdeeld naar decades, komen liederen aan bod die gecomponeerd zijn tussen 1820 en 1830. Daar men er zowat de beste liedzangers voor heeft geëngageerd die we tegenwoordig rijk zijn maakt het project tot één van de beste uitgaven op dat gebied, zeker van de laatste decennia.

Het programma is zeer gevarieerd en kent noch grenzen noch (sub)genres, en de emoties wisselen elkaar in rap tempo af. Oostenrijk, Rusland, Frankrijk, Duitsland en Italië staan broederlijk naast elkaar, een soort EU avant la lettre waarin elk land zijn individuele karaktereigenschappen behoudt.

Maar zelfs binnen een genre van één componist is er ruimte gereserveerd voor emotiewisselingen. Zo wordt Schuberts ‘Auf der Brücke’ naar de tekst van de ijlende Schulze – hier zeer intens vertolkt door Christopher Maltman – opgevolgd door diens ‘Im Frühling’, die door dat prachtige ‘zoetje’ dat de stem van John Mark Ainsley eigen is, de heftige emoties neutraliseert.

De door Maltman gezongen ‘Erlköning’ en de daarop volgende ‘Herr Oluf’ van Carl Loewe zouden een schoolvoorbeeld moeten zijn van hoe de liederen gezongen moeten worden. Ook Sarah Connolly’s interpretatie van de drie ‘Ellens gesangen’ behoort tot de beste ooit.

Decades Martineau

Malcolm Martineau (© Twitter)

Malcolm Martineau aan wie we ongetwijfeld het project te danken hebben behoort al jaren tot de beste zangerspianisten in de wereld. Moeiteloos weet hij de verschillende emoties over te brengen en het is ook zonder twijfel zijn verdienste dat de uitgave van de eerste tot de laatste noot extreem boeit.

De liederen zijn zeer zorgvuldig opgenomen, met een afgewogen balans tussen de zangers en de pianist. Ook de presentatie laat niets te wensen over. Alle teksten zijn (in twee talen) afgedrukt en de introductie door professor Susan Youens is zeer interessant om te lezen. Top!


DECADES
A Century of Song, volume 2, 1820 – 1830
Liederen van Bellini, Glinka, Loewe, Mendelssohn, Niedermayer, Schubert, Schumann
John Mark Ainsley (tenor), Sarah Connolly (mezzosopraan), Luis Gomes (tenor), Anush Hovhannisyan (sopraan), Robin Tritschler (tenor), Christopher Maltman (bariton); Malcolm Martineau (piano)
Vivat 114 • 79’