live voorstellingen

Geslaagde productie van La Donna del Lago in Luik

Door Peter Franken

La Donna del Lago Luik affiche

 

Op het toneel een vredig ouder echtpaar. Zij loopt weg om een bos bloemen te halen en plaatst deze zwijmelend in een vaas naast het portret van een jonge man. Dat valt verkeerd, de oude man smijt de bloemen weg en giet het water uit over de tafel met daarop het portret, als om deze plek van devotie te ontheiligen.

G. Merli - @ Opéra Royal de Wallonie-Liège

@ Opéra Royal de Wallonie-Liège

Regisseur Damiano Michieletto, in Amsterdam bekend van zijn Viaggio a Reims, geeft een eigen draai aan La Donna del Lago. In deze coproductie met het Rossini Festival in Pesaro stelt hij de vraag of Elena ooit de juiste beslissing heeft genomen toen ze vasthield aan haar keus voor Malcolm als echtgenoot. Immers zonder het te weten had ze de koning afgewezen. Hij was dan wel incognito aan haar verschenen als Uberto maar was wel degelijk in staat geweest haar innerlijke vrede te verstoren.

 

G. Merli - S. Jicia - M. Mironov - @ Opéra Royal de Wallonie-Liège

@ Opéra Royal de Wallonie-Liège

Niet dat Elena een carrière als koningin heeft gemist, hooguit als een van de vele maîtresses van koning James V en moeder van een van zijn bastaarden. Maar toch, het blijft aan haar knagen en echtgenoot Malcolm heeft het er moeilijk mee.

De twee oudere acteurs brengen Michieletto’s idee glashelder over maar was het nodig om ze bijna permanent op het toneel te houden? Van begin tot einde is met name de oudere Elena voortdurend bezig zichzelf in de handeling in te voegen, soms wat geforceerd en na verloop van tijd nogal voorspelbaar. Ze beleeft de fase in haar leven waarin ze de verkeerde afslag heeft genomen en gaat daar geheel in op. Zozeer dat ik wenste dat ze even ergens een kopje koffie zou gaan drinken.

Het toneelbeeld bevestigt het droeve lot van Elena en haar Malcolm. We zien de binnenplaats van een landhuis in vergaande staat van verval, die tevens dienstdoet als huiskamer en slaapkamer. Er staat een bed, een bank en een paar stoelen. De jonge Elena leeft hier met haar vader, de clanleider Douglas die tegen de koning rebelleert. Het verval is duidelijk symbolisch, Douglas is van het hof verstoten en de toekomstige Elena leeft voor haar gevoel in een bouwval terwijl ze zoveel beter had kunnen krijgen.

De handeling van de opera is eenvoudig: drie mannen strijden om Elena’s gunst. Ze heeft trouw beloofd aan Malcolm maar die is al langere tijd weg, ergens aan het rebelleren tegen de koning. Haar vader heeft haar beloofd aan Rodrigo, leidend krijgsman in de opstand. En plotseling staat een vriendelijke jonge man op de stoep die zich Uberto noemt.

 

S. Romanovsky - @ Opéra Royal de Wallonie-Liège

Sergey Romanovsky @ Opéra Royal de Wallonie-Liège

Voor Rossini een uitgelezen gelegenheid om een tenorenduel te schrijven waarin Rodrigo en Uberto elkaar naar het leven staan, overigens zonder echt te beseffen dat ze concurrenten in de liefde zijn.Voorspelbaar gaat het hierbij flink de hoogte in waarbij beide heren niet voor elkaar onderdoen. Sergey Romanovsky was goed op dreef als de alfa male Rodrigo, mooie vertolking met passend assertieve voordracht.

Zijn tegenstrever Uberto krijgt hem vocaal er niet onder maar buiten beeld kennelijk wel. In de apotheose waarin Uberto zich bekend maakt als James en iedereen vergiffenis schenkt, zien we Rodrigo niet meer terug.

 

M. Mironov - @ Opéra Royal de Wallonie-Liège

Maxim Mironov @ Opéra Royal de Wallonie-Liège

Maxim Mironov wist het publiek op zijn hand te krijgen met een uitstekende vertolking van Uberto alias James V. Hij wordt op slag verliefd op Elena die hij aanvankelijk aanziet voor een bosnimf. Het is een licht ontvlambaar type, die Uberto. Voor de bevrediging van zijn amoureuze gevoelens is hij bereid grote risico’s te nemen. Dat aspect van zijn personage wist Mironov goed tot uitdrukking te brengen. Zijn vertolking van Rossini’s vocale capriolen ontaardde nergens in een circusact maar bleef voortdurend geloofwaardig. Uiteraard met hoge goed getroffen noten.

 

S. Orfila - S. Jicia - @ Opéra Royal de Wallonie-Liège

Simón Orfila en Salome Jicia @ Opéra Royal de Wallonie-Liège

Vader Douglas kwam voor rekening van de bas Simón Orfila, geheel in de stijl van de oudere patriarch die geen tegenspraak duldt. Mooie bijrollen verder voor Julie Bailly als Albina Stefan Cifolelli als Serano en Bertram. Goede bijdrage van het koor van de Waalse Opera ingestudeerd door Pierre Iodice.

 

G. Merli - M. Pizzolato - @ Opéra Royal de Wallonie-Liège

Marianna Pizolato @ Opéra Royal de Wallonie-Liège

Malcolm is een Hosenrolle, en de broek was aangetrokken door de mezzo Marianna Pizzolato. Haar bijdrage bleek uiteindelijk de meest succesvolle van de voorstelling te zijn, veel bijval van het publiek en terecht. Malcolm is maar weinig op het toneel maar neemt dat geheel in bezit als hij verschijnt. Het is een zware rol, zang technisch maar ook in de zin dat Malcolm de zwaargewicht achter de schermen is. Hij bepaalt de afloop in emotioneel opzicht.

 

S. Jicia - @ Opéra Royal de Wallonie-Liège

Salome Jicia @ Opéra Royal de Wallonie-Liège

Salome Jicia, de feitelijke titelrolvertolkster, kon zich niet aan de schaduw van haar mezzo collega ontworstelen. Haar presentatie was wat vlak, niet erg sprankelend wat je toch van een Rossini sopraan verwacht. Nu zat het haar ook niet mee, aangezien Elena eigenlijk pas echt een vrij veld krijgt aan het einde en daarin wist ze zich goed te manifesteren. Elena is dan wel veel op het toneel, veelal is ze niet agerend maar reagerend en participeert ze in dialogen en duetten waarin de tegenspeler het voortouw neemt. In de laagte vond ik haar stem wat dof, in het middenregister wel mooi maar zodra er een hoogstandje moest worden verricht was ze nogal schreeuwerig. Eindoordeel: adequaat maar niet bijzonder.

Gesprek met Michelle Mariotti over de opera:

Michelle Mariotti gaf enthousiast leiding aan het orkest, goed tempo, veel zorg voor de balans tussen orkest en zangers. Verder mooie soli van de houtblazers en fraai ensemblespel van de strijkers in de snelle passages. Al met al een mooie Rossini middag daar in Luik.

La Donna del lago – Teaser:

Gioacchino Rossini
La Donna del lago
Salome Jicia, Marianna Pizzolato, Maxim Mironov, Sergey Romanovsky, Simón Orfila, Stefan Cifolelli, Julie Bailly
Acteurs: Giusi Merli en Alessandro Baldinotti
Orchestre et Choeurs Opéra Royal de Wallonie-Liège olv Michele Mariotti
Regie: Damiano Michieletto

Bezocht op 13 mei 2018

Sellars en Currentzis completeren Mozarts ‘Titus’

Door Peter Franken

Russell Thomas als Tito Vespasiano, Paula Murrihy als SestoCredits: Ruth Walz

Russell Thomas als Tito Vespasiano, Paula Murrihy als Sesto © Ruth Walz

Achter op het vrijwel lege toneel van de Nationale Opera is een groepje zelfmoordterroristen bezig een aanslag voor te bereiden. Men is in de weer met bomgordels en rugzakjes gevuld met explosieven. Uit de orkestbak klinkt licht unheimische muziek, die de beklemmende sfeer verhoogt als ware het een film van Hitchcock. We kijken naar Mozarts La Clemenza di Tito, of op z’n Duits ‘Titus’.

Adagio und Fuge KV 546:

 

Genoemde muziek is Mozarts Adagio und Fuge KV 546, geschreven in 1788, 3 jaar voor de compositie van Tito. Het is een idee van regisseur Peter Sellars, zo zegt hij zelf. Maar er is meer muziek toegevoegd aan de Clemenza di Tito die op 7 mei bij DNO in première ging. Dirigent Teodor Currentzis putte rijkelijk uit Mozarts Mis KV 427 waardoor alles bijeen zo’n drie kwartier muziek aan de opera werd toegevoegd, allemaal van Mozart natuurlijk.

Currentzis en Sellars gaan uit van de gedachte dat Tito niet de opera is die Mozart had willen schrijven of liever, had moeten schrijven. De argumenten zijn duidelijk: het was een opdrachtwerk ter gelegenheid van de kroning van Leopold tot koning van Bohemen, het moest een opera seria zijn – een genre dat Mozart was ontgroeid – en het was een haastklus die werd uitgevoerd toen Mozart al zo ziek was dat hij kon vermoeden het niet lang meer te zullen maken.

Daar kunnen wel een paar kanttekeningen bij worden geplaatst. Mozart en zijn librettist Caterino Mazzolà namen voldoende tijd om het oorspronkelijke libretto van Metastasio uit 1734 grondig te bewerken en er een boodschap in te leggen die het koninklijk gezelschap op zijn minst ervan zou moeten overtuigen dat er sinds de Franse Revolutie een andere wind door Europa woei en dat restauratie van de absolute monarchie een gepasseerd station was.

Verder was Mozart natuurlijk op de hoogte van zijn eigen werk en het zou hem hoegenaamd geen moeite hebben gekost om de uitbreidingen die met name Currentzis heeft ingevoegd voor eigen rekening te nemen. Of om desnoods Süssmayer dat even voor hem te laten doen.

 

clemenza1

© Ruth Waltz

Ziek of niet, ontgroeid aan het genre, beklemmende randvoorwaarden, dit alles heeft de compositie van een werk op ‘Mozart niveau’ niet in de weg gestaan. In de productie van Sellars en Currentzis zijn de aanpassingen dan ook niet bedoeld als verbetering of completering maar als middel om bepaalde emoties wat sterker uit te lichten. En dat is goed gelukt, hoewel het ook wel wat minder had gekund allemaal.

De recitatieven zijn teruggebracht tot een absoluut minimum maar dat is nog steeds voldoende om de voortgang van de handeling te kunnen volgen. Wel komt hierdoor minder uit de verf hoe Vitellia zo’n enorme invloed op Sesto kan uitoefenen, maar die liefdesgeschiedenis is sowieso sterk naar de achtergrond gedrongen.

Sellars stelt dat de recitatieven weinig meer doen dan Tito ophemelen en dat zal bedoeld zijn om koning Leopold onder de kin te kietelen, dus inmiddels achterhaald. Echter als Tito zijn eerste goede daad verricht – hij schenkt het geld bestemd voor een aan hem gewijde tempel aan de slachtoffers van de recente uitbarsting van de Vesuvius – voegt Currentzis het Benedictus & Hosanna uit Mozarts Mis in. Servilia, Annio en het koor zingen ‘Gezegend hij die komt in de naam des Heren. Hosanna in den hoge’. Dus de lovende recitatieven worden vervangen door een prachtig stuk muziek waarvan het effect is dat Tito niet alleen wordt geprezen maar ook nog eens vergoddelijkt.

 

Koor: musicAeterna Credits: Ruth Walz

musicAeterna  © Ruth Waltz

Hier heeft in mijn perceptie de keuze van het betreffende stuk meer te maken met de mogelijkheid om Currentzis’ koor op de voorgrond te laten treden dan met een kritische blik op de inhoud.

Iets dergelijks gebeurt als Servilia de keizer komt uitleggen dat ze liever niet zijn keizerin wil worden omdat ze al van Annio houdt. Hij maakt een ruim gebaar, geeft aan dat het fantastisch is dat tenminste iemand nog tegen hem durft te zeggen wat hij of zij denkt. En Servilia plus koor zingen vervolgens het Laudamus uit de Mis: ‘Wij prijzen U, wij zegenen U, wij aanbiddden U, wij verheerlijken U’. Zoiets vind ik over the top.

Sellars heeft duidelijk een punt bij de ‘matter of fact’ reactie waarmee in de opera de mislukte aanslag van Sesto op Tito wordt afgedaan. De keizer leeft nog, er is per ongeluk iemand anders neergestoken, niets aan de hand. Sellars benadrukt dat er wel degelijk een heleboel aan de hand is. Er is een poging gedaan Tito te vermoorden door het Capitool in brand te steken en in de bijkomende verwarring toe te slaan.

Florian Schüle, Ekaterina Scherbachenko als Vitellia.Credits: Ruth Walz

©  Ruth Waltz

Sellars legt hier het verband met een hedendaagse terreuraanslag. Daarbij komen veel mensen om en het publiek reageert daarop met een wake en de inrichting van tijdelijke herdenkingsplekken waar lichtjes branden. Reflectie, verslagenheid, boosheid, onbegrip, het leven staat even stil. Dit wordt prachtig in beeld gebracht door het koor bij aanvang van de tweede akte onder het zingen van het Kyrie uit de Mis met een sublieme solo van Annio: ‘Heer, ontferm U’.

Een terreurdaad is iets vreselijks, maar heeft altijd een oorzaak, een beginpunt. Sellars maakt duidelijk dat kennis van de tegenstander kan leiden tot begrip en uiteindelijk vergeving. Eigenlijk had hij het liefst een opera over Nelson Mandela willen maken die erin slaagde zijn voormalige doodsvijanden zover te krijgen dat ze toetraden tot zijn regering en met hem samenwerkten. Zijn Tito is net als Mandela geen watje maar een krachtig leider die boven zichzelf uit kan stijgen en zodoende in staat is af te zien van wraak op degenen die hem naar het leven stonden.

 

Paula Murrihy als Sesto, Russell Thomas als Tito VespasianoCredits: Ruth Walz

© Ruth Waltz

Als Tito moet inzien dat hij niet alleen door Sesto is bedrogen maar ook door zijn nieuwe aanstaande keizerin Vitellia, heeft hij er genoeg van en maakt hij een einde aan zijn leven. Sellars doet zijn reputatie eer aan door Tito na de mislukte aanslag als zwaargewonde patiënt in een ziekenhuisbed op te voeren, intensive care met een woud aan slangen en monitors. Of hij deze stijlfiguur heeft uitgevonden weet ik niet, maar in Amsterdam kwam hij er al mee in zijn Pelléas et Mélisande uit 1993.

Inmiddels is het al weer een cliché natuurlijk, net als een rolstoel, maar hier kwam het wel te pas. Tito rukt alle slangetjes en draden los en sterft. Vervolgens klinkt de Mauerische Trauermusik KV 477 op tekst uit de klaagliederen van Jeremia: ‘Hij heeft mij met bittere kruiden verzadigd’. Het was een aangrijpend slot van een muzikale topavond, maar door een paar onnodige toevoegingen iets te lang om voortdurend te blijven boeien.

Waar ik kritiek heb op een deel van Currentzis’ ingrepen in de partituur, ben ik zeer te spreken over zijn wijze van musiceren. Hij laat zijn orkest bijna ‘vrij’ spelen, niet alles strak op de tel, hier en daar bijna ingehouden swingend. Ja, dat krijg je met een dirigent die gek is op Pop en Rock. Zijn orkest MusicAeterna is een instrument dat door Currentzis bespeeld wordt als een verlengstuk van zijn eigen persoon. Hij is ermee vergroeid en het resultaat is verbluffend.

Ekaterina Scherbachenko als VitelliaCredits: Ruth Walz

© Ruth Waltz

Verder zijn Currentzis en Sellars erin geslaagd ook samen tot een eenheid te komen. Orkest en zangers acteren mee door goed gekozen tempowisselingen, inhouden, pauzeren, waardoor bepaalde sleutelscènes het karakter krijgen van muzikaal totaaltheater. Met name was dit het geval bij de twee aria’s met klarinet, feitelijk duetten voor zanger en klarinettist. Florian Schüle blonk uit in zijn solo op Basset Klarinet in de aria ‘Parto, ma tu ben mio’ waarin hij als een klimopplant om Sesto heen draaide. En hij deed dat nog eens dunnetjes over op Basset Hoorn in Vitellia’s aria ‘Non più di fiori’. Absolute perfectie en volledige benutten van alle mogelijkheden die deze samenspraak biedt.

Bij de première in 1791 speelde Anton Stadler deze partij al zal hij wel gewoon in de orkestbak hebben gezeten. Met name deze twee aria’s hebben ertoe bijgedragen dat Mozarts Tito na zijn aanvankelijk succes niet volledig in vergetelheid is geraakt. Voor Stadler componeerde Mozart hierna ook nog het Klarinetconcert, ook een topstuk uit zijn laatste levensjaar.

Het toneelbeeld was sober met een stel doorzichtige zuilen die af en toe uit de vloer omhoog kwamen. Dankzij de goede belichting door James F. Ingalls leek het meer dan het was. Hier werd de natuurlijke achtergrond van de Felsenreitschule in Salzburg wel een beetje gemist, de Bühne waarvoor George Tsypin zijn decor oorspronkelijk had ontworpen. De kleding ontworpen door Robby Duiveman was mooi in overeenstemming met de sfeer die Sellars probeerde te creëren.

Een hoofdrol was weggelegd voor het koor van musicAeterna, subliem gezongen met dank aan koordirigent Vitaly Polonsky. En dan de solisten. Een uitblinkende Sesto in de persoon van Paula Murrihy die royaal het niveau haalde dat ze eerder dit seizoen liet horen in de serie voorstellingen met het Orkest van de Achttiende eeuw. Servilia en Annio, normaal gesproken twee bijrollen, kwamen hier op de voorgrond door hun partijen in de toegevoegde Mis. Beide van uitstekend niveau, Janai Brugger als een aandoenlijke Servilia en Annio als vriendelijke man met een hemelse vrouwenstem.

laclemenzaditi-8_ruthwalz

Jeanine De Bique als Annio, Janai Brugger als Servilia, Paula Murrihy als Sesto ©: Ruth Walz

De Vitellia van Ekaterina Scherbachenko bleef hier weliswaar iets bij achter maar haar optreden was toch zonder meer bevredigend.

Russell Thomas in de titelrol zette een goede Tito neer maar leek vocaal wel wat problemen met zijn rol te hebben. Zeker in de eerste akte zong hij in de dialogen dicht tegen zijn falsetstem aan en in zijn aria’s leek hij wat te forceren. Niettemin een mooie Tito en, wat Sellars natuurlijk ook graag zag, een zwarte man in de rol van zijn para-Mandela.

Tenslotte een speciale vermelding voor Willard White in de kleine rol van Publio. Prachtig toch om deze mastodont daar te zien waar hij al meer dan een halve eeuw thuishoort in Amsterdam, op het toneel van de opera. Bravo.

Een wat lange avond met bij wijlen overweldigend mooie muziek, een bijna nieuwe Mozart opera, een goed doordacht concept wat nergens teveel op de voorgrond treedt. Het was een groot succes in Salzburg afgelopen zomer, het verdient dat ook in Amsterdam te worden.

Trailer van de productie:

Wolfgang Amadeus Mozart
La Clemenza di Tito
Russell Thomas, Ekaterina Scherbachenko, Janai Brugger, Paula Murrihy, Jeanine De Bique, Sir Willard White e.a.
Orkest en koor musicAeterna olv Teodor Currentzis
Regie: Peter Sellars

Bezocht op 7 mei 2018 in het Muziektheater in Amsterdam

 

Jan Klaassen was trompetter: DE CORNET van Sjaron Minailo

Der Cornet

© Bas Czerwinski

De Cornet, één van de openingsproducties van Operadagen Rotterdam in 2010, was een indringende voorstelling op locatie, die je gewoonweg niet onberoerd kon laten. De cast was voortreffelijk, het regieconcept zowat volmaakt.

Als u in de jaren zeventig jong was in Nederland dan kent u ongetwijfeld ‘Jan Klaassen was trompetter’, een door Rob de Nijs gezongen hit van Boudewijn de Groot en Lennaert Nijgh. Het was een luchtig gehouden en toch een bittere aanklacht tegen de oorlog en een zinloze dood.

Het liedje was de inspiratiebron voor de jonge Israëlische theatermaker, Sjaron Minailo, om een voorstelling op locatie te maken: De Cornet. Samen met Willem Bruls (dramaturgie), Winfried Maczewski (muzikaal concept en muzikale leiding) en de componist Thomas Myrmel, die voor live electronics zorgde, creëerde hij een zowat volmaakte voorstelling, die je niet onberoerd kon laten.

Der Cornet Sjaron

Sjaron Minailo ©Eliza Menses

De naam De Cornet was ontleend aan de bloedmooie liederencyclus van de Zwitsers-Nederlanse componist Frank Martin, maar er klonken ook liederen van Britten, Berg, Weill, Eisler, Martinu en de mij onbekende Tsjechische componist Andrew Svoboda.

Het was een perfect gesmeed geheel, waar geen begin en geen eind aan was, want bij de aanvang van de voorstelling was Jan al dood, al leeft hij voort in de gedachten van de personen die hem liefhadden.

Denk overigens niet dat het allemaal ellende en treurnis is! De regisseur heeft, net als in het bewuste liedje, ook voor de nodige komische noten gezorgd. Commedia dell’arte was nooit ver weg.

Maar het hoofdthema was bloedserieus. Laten we ons naar het slagveld opsturen door onze vaders? Wie bepaalt dat er oorlog gevoerd moet worden en waarom? Waarom offeren vaders hun zonen?

De locatie was inderdaad bijzonder: we gingen varen. Er waren ruim 300 bezoekers op het schip en men werd verspreid tussen boven- en benedendeks. Bovendeks was het leuk, er klonken leuke liedjes en er werd tango gedanst bij de ondergaande zon. Benedendeks was het een en al ellende – we bevonden ons in het gevang. En zo voelde het ook.

Op de weg terug moesten wij van plaats veranderen, maar eerst was er een tussenstop: op het slagveld. De avond was kil en de zon ging bloedrood onder en wij werden geconfronteerd met het meest zinloze wat er bestaat: een vader offert zijn zoon op.

De elektronica versterkte het gevoel van de totale radeloosheid, en er was geen ontkomen aan: net als (de dode) Jan werden wij gevangenen van een plek waar we misschien niet bij wilden zijn en waar we niet zomaar weg konden.

De zangers waren uiteraard versterkt, het kon ook niet anders. Zingen met microfoon vereist natuurlijk een totaal andere techniek en toch wisten ze er allemaal raad mee. Wat een enorm vakmanschap!

Goed waren ze stuk voor stuk. Een klein beetje moeite had ik met de Belgische countertenor Gunther Vandeven, zijn stem klonk een beetje kaal en ik had de indruk dat hij intonatiemoeilijkheden had, maar misschien was het gewoon premièrekoorts?

Der Cornet Ann

An de Ridder © Bas Czerwinski

An de Ridder was een uitdagende, sexy Katrijn, die na het vertrek van Jan haar brood gaat verdienen met zingen in nachtlokalen en cabarets. Met een beetje hese stem maar niet zonder de broodnodige melancholieke ondertoon, bracht ze de Franse chansons van Weill sprankelend tot leven. Fantastisch!

Der Cornet Rotterdam

De mezzosopraan Ellen van Beek was zeer ontroerend als de door pijn en verdriet verscheurde moeder van Jan. Hoe ze de liederen van Frank Martin vertolkte, nou… Daar in stak zij de beste vertolkster van het cyclus, Marjana Lipovšek naar de kroon!

Marjana Lipovsek zingt Martins Die Weise von Liebe und Tod des Cornets Christoph Rilke  (Der Cornet):

In Britten’s ‘Canticle II Abraham en Isaac’  bezorgde André Post mij niet alleen kippenvel, maar ook een enorme brok in mijn keel. De strenge vader die zijn zoon offert, voor wat? Voor God? Voor een idee? En het allerergste was: God kwam er niet tussen, dus de zoon ging echt dood. Pijnlijk. En mooi.

Der Cornet Andere Post

© Bas Czerwinski

De jonge Canadese bariton Karel Ludvik was voortreffelijk in zijn rol van Martin, de gevangengenomen vriend van Jan. Zijn stem was warm en lyrisch en ook als acteur was hij volkomen overtuigend.

Der Cornet Klaas

© Bas Czerwinsky

Ook de twee jonge acteurs, Manuel Broekman als Mustafa Duyguly, die samen of om de beurt de rol van Jan speelden mogen niet onvermeld blijven. In het concept van Minailo was Jan namelijk voortdurend aanwezig. En het klopte.

Al met al een belevenis. Ik vraag mij af of er ooit een opname van is gemaakt…
Zou wel niet ..

De Cornet
An de Ridder, Ellen van Beek, Gunther Vandeven, André Post en Karel Ludvik
De Bezetting Speelt en Coolsingers onder leiding van Winfried Maczewski.
Regie: Sjaron Minailo

Bezocht op 28 mei 2010

Der tigernde Holländer am Opernhaus Zürich

Text: Mordechai Aranowicz

DER FLIEGENDE HOLLÄNDER

Mit gemischten Gefühlen verliess man den fliegenden Holländer am Opernhaus Zürich. Die Inszenierung des Intendanten Andreas Homoki und der Ausstattung von Wolfgang Gussmann aus dem Dezember 2012 war dabei eine grosse Enttäuschung. Es handelt sich um ein völlig austauschbares beliebiges Arrangement, das fast den ganzen Abend über mit Wagners selbst verfasstem Libretto frontal kollidiert, Libretto und Partitur einerseits und die Inszenierung andererseits waren völlig zweierlei Sachen, die kaum etwas miteinander zu tun haben.

DER FLIEGENDE HOLLÄNDER

Statt der geforderten Schauplätze befinden wir uns in einem Seemanns-Kontor zu Beginn des 20. Jahrhunderts in dem es eben spukt. Dass im Libretto von Schiffen, Stürmen, Häfen, Spinnrädern die Rede ist schien dem Regisseur völlig egal, auch wer die Oper nicht kennt, dürfte beim Mitlesen der Übertitel das flaue Gefühl im Magen bekommen haben, dass hier inszenatorisch etwas völlig schiefläuft.

DER FLIEGENDE HOLLÄNDER

Die unfreiwillige Komik mit einem afrikanischen Krieger in der Spukszene während des Fests der Matrosen im dritten Aufzug, war trauriger Höhepunkt, dieser völlig verfehlten Regie-Arbeit! Das war umso bedauerlicher, da mit Bryn Terfel einer der gefragtesten Holländer-Interpreten unserer Zeit zur Verfügung stand. Sein herber, robuster Bariton sprach am besagten Abend in allen Lagen bestens an, fand im Verlauf des Abends zu Leidenschaft und Ausdruck.

DER FLIEGENDE HOLLÄNDER

Camilla Nylund war dabei eine ebenbürtige Partnerin, der man ihr leichtes Tremolo in der berühmten Ballade leicht nachsehen konnte, ihr wunderbarer dramatischer Sopran verlieh der Senta zahlreiche Farben und blühte im zentralen Duett des zweiten Aktes wunderbar in der Höhe auf.

DER FLIEGENDE HOLLÄNDER

Steven Humes war ein Stimmlich etwas zu leichtgewichtiger Daland, man vermisste das Volumen und die Tiefe, die diese Rolle braucht. Marco Jentsch gab einen geschmeidig Stimmigen Erik, während die respaktable Leistung von Omer Kabiljak als Steuermann durch die Abstrusitäten der Regie völlig zunichtegemacht wurde.

DER FLIEGENDE HOLLÄNDER

Der von Janko Kastelic präparierte Chor brachte sich klangstark mit ein, war jedoch optisch einfach grausam und unpassend kostümiert und musste sich wie bei so vielen Regiearbeiten von Andreas Homoki ohne Grund hyperaktiv betätigen ohne, dass dafür ein Grund erkennbar war.

Das Orchester und Markus Poschner spielte von der Ouvertüre an einen Wagner, der an Spannung und Farbreichtum kaum zu überbieten war. Viel Jubel am Ende dieses pausenlos gespielten Nachmittags für Sänger, Chor und Orchester, lange Gesichter auf der Treppe wegen einer weiteren ernüchternden und ärgerlichen Inszenierung.

Foto T+T Fotografie: Toni Suter + Tanja Dorendorf

Am 28.03.2018 im Opernhaus Zürich besucht

Reisopera brengt uitstekende Holländer

Door Peter Franken

Reisopera 7477 foto Nienke Elenbaas

© Nienke Elenbas

 

De Nederlandse Reisopera waagt zich sinds de herstart als een kleinschalig productiebedrijf voor de tweede keer aan een opera van Richard Wagner. Na de succesvolle productie van Tristan und Isolde, die overigens in 2020 hernomen zal worden, is nu Der fliegende Holländer aan de beurt. Afgelopen zaterdag was de première in Enschede, het werd een groot succes.

 

Reisopera 5547 Hans van den Bogaard

© Hans van den Boogard

De Reisopera moet het doen met beperkte middelen maar slaagt er steeds weer in dat prima te maskeren. Een goede vormgever kan hier natuurlijke wonderen doen en dat is Gary McCann wel toevertrouwd. Evenals bij de fenomenale productie van Ariadne auf Naxos uit 2016 wist McCann met een aansprekend decor en fraaie kostuums een zeer aantrekkelijk toneelbeeld te creëren. Een grote stellage met meerdere niveaus weet zonder moeite de suggestie van een zeilschip op te wekken. Een open ruimte met een groot raam op het achtertoneel doet dienst als atelier en huiskamer van Daland. Net als in die Ariadne zorgen ook hier goed gekozen filmbeelden van Silbersalz Film voor een levende achtergrond. Woeste golven waar de Holländer over zijn ruige tochten verhaalt. Een kalme zee als men met windstilte kampt. En mooi gefilmd ochtendgloren als Senta door het grote raam naar buiten staart in afwachting van haar vader en misschien ook wel die ene man, je weet wel. En dat terwijl Erik ondertussen zijn uiterste best doet om haar uit deze obsessieve dagdroom te wekken.

 

Reisopera 7298 foto Nienke Elenbaas.jpg

Aile Assonyi (Senta) © Nienke Elenbaas

Regisseur Paul Carr ziet Senta als een verwend meisje dat weinig meer te doen heeft dan dagdromen. Ze is in de ban geraakt van het schilderij van de Holländer, misschien is ze zelfs wel verliefd geworden op deze legendarische figuur. Ja, dat kan zomaar gebeuren. Hoeveel jongens zijn er niet verliefd geworden op prinses Leia? Zo dus. En zoals dat gaat bij een onbereikbare liefde spelen al gauw fantasieën een rol waarin het liefdesobject wordt gered uit een benauwde situatie, bijvoorbeeld bewusteloos geraakt in een brandend pand. In geval van Senta is dat zich voor hem opofferen zodat hij eindelijk zal kunnen sterven. Zodra haar vader haar aan deze schimmige verschijning die al honderden jaren op zee rondzwalkt heeft beloofd, aarzelt ze geen moment. Dit is haar kans op de vervulling van haar dagdromen, haar gefantaseerde liefdesmoment. En vader blijft die man maar aanprijzen totdat hij eindelijk tot de conclusie komt dat die twee hem niet meer nodig hebben: ‘Sollt ich hier lästig sein?’. What was your first clue Daland?

 

Reisopera 0060 Hans van den Bogaard

Darren Jeffery (Holländer) en Yorck Felix Speer (Daland) © Hans van den Boogaard

Mijn allereerste kennismaking met het romantische ‘Mögst du mein Kind?’ was een uitvoering door Kurt Moll. Ik ben er zeer aan gehecht geraakt en voor mij is deze scène een ijkpunt in elke uitvoering. Als dat er goed uitkomt, volgt de rest vanzelf. Onzin natuurlijk maar zo heeft elke operaliefhebber zijn eigenaardigheden. Yorck Felix Speer zong de tekst voorbeeldig en acteerde met veel humor. Hij was blij met de vangst van die rijke schoonzoon en vierde al vast een feestje. Ook in de eerdere ontmoeting met de Holländer stond Speer zijn mannetje, mooie invulling van deze rol.

 

Reisopera 5574 Hans van den Bogaard

Samuel Sakker (Erik) en Aile Assonyi (Senta) © Hans van de Boogaard

De rol van Erik was in handen van Samuel Sakker. Hij heeft twee grote scènes maar speelt feitelijk een bijrol. Sakker is geen echte Wagner tenor maar goed beschouwd vraagt dit vroege werk daar ook niet om. Ik kon er goed mee leven met wat hij wist te brengen op de premièreavond.

Dat was minder het geval met de bijdrage van Thorsten Büttner als Steuermann. Zijn monoloog ‘Mit Gewitter und Sturm aus fernem Meer – mein Mädel, bin dir nah!‘ werd met overdreven lange uithalen gezongen en ‘bij het streepje’ overdreven lang onderbroken. Daarbij liet de regie hem telkens een slokje uit een heupfles drinken, wat op zich een goede verklaring was voor het feit dat hij zijn wacht vervolgens versliep, maar muzikaal de zaak teveel stilzette. De man heeft een mooi timbre maar zijn grote bijdrage wekte bij mij eerder irritatie dan bijval.

Carr heeft in zijn productie alleen de Holländer een historisch kostuum gegeven, compleet met chimney hat. De overige spelers zijn uitgedost conform een algemene stijl medio 20e eeuw. In plaats van een spinnerij is gekozen voor een bruidsjurken atelier waarbij de modinettes wat draaiende passen maken met hun paspoppen als het spinlied wordt gezongen. Senta loopt rond in een bruidsjurk zodra haar langverwachte bruiloft aanstaande is. Een zestal dansers is vrijwel permanent op het toneel aanwezig als kennelijke uitbeelding van Senta’s gedachten en gevoelens. Hun bewegingen waren mij soms iets te slangenachtig of gewoon overdreven maar in het totaalbeeld hadden ze als groep een toegevoegde waarde. Sterke vondst was het inzetten van dit zestal als pseudogeraamtes die de crew van de Holländer moesten uitbeelden.

 

Reisopera 5587 Hans van den Bogaard

Darren Jeffery (Holländer) en Aile Assonyi (Senta) © Hans van den Boogaard

Darren Jeffery wist te overtuigen als de gekwelde titelheld. Zijn grote monoloog ‘Die Frist ist um’ klonk welluidend al had hij wat moeite met de klederdiepe noten. Gaandeweg ontwikkelde Jeffery zich tot een voortreffelijke Holländer die vooral tegen het einde grote indruk wist te maken toen hij zich aan Senta bekendmaakte. Verneem van mij aan welk een gruwelijk lot je bent ontsnapt. Zij wil daar niet van weten, heeft zich aan hem gecommitteerd en is vastbesloten zijn reddende engel te zijn. Groots tegenspel van Aile Asszonyi in de rol van Senta. Dat ik op weg naar Enschede de opname onder Sinopoli in de auto had beluisterd zal wel een rol hebben gespeeld, neemt niet weg dat ik bij deze Senta associaties kreeg van de vertolking van Cheryl Studer.

 

Reisopera 8098 foto Nienke Elenbaas

Aile Assonyi (Senta) © Nienke Elenbas

Asszonyi gaf een prima vertolking van ‘de ballade’ en wierp zich geheel in overeenstemming met de monomane fascinatie van haar personage in het navolgende gebeuren. Hoewel hier en daar wat schril op spannende momenten wist ze de moeilijkste passages tot een goed einde te brengen en haar slotuitroep was zonder meer hartverscheurend. Deze Senta springt niet in zee om zich bij de Holländer te voegen maar doorsteekt zich met een dolk. De achter haar staande Holländer omarmt haar en sterft met haar. Dit verstilde slotbeeld wist mij voor het eerst te ontroeren, in al die vele Holländers die ik tot nu toe in het theater heb gezien. Prachtig gedaan.

Wie verder nog? Ceri Williams was een aardige Mary en de leden van Consensus Vocalis brachten een voortreffelijk koor op het toneel. In wisselende samenstelling: zeelui en modinettes apart en met aanstekelijk enthousiasme de hele boel bij elkaar in het topstuk ‘Steuermann, laß die wacht’.

Het Noord Nederlands Orkest onder leiding van Benjamin Levy verdient een bijzondere vermelding. Levy hield deze uitstekend spelende musici goed in toom waardoor er echt sprake was van een ‘pit band’ en niet een symfonie orkest dat was aangetrokken om een opera te begeleiden. Steeds zorgvuldig de zangers ondersteunend, nooit op de voorgrond treden en slechts uitpakkend als het gebeuren op het toneel daar nadrukkelijk om vroeg. Was het maar altijd zo.

De Reisopera haalt met deze productie opnieuw het niveau van het topstuk Ariadne auf Naxos en is het levende bewijs voor het feit dat je ook met beperkte middelen een heel mooie Wagneravond kunt verzorgen. Ik hoop op volle zalen in het land, deze Holländer verdient het.

 

Paul Carr over de essentie van Der fliegende Holländer:

Bezocht op 20 april 2018 in het Wilminktheater in Enschede
Voor de speeldata zie hier.

Zie ook: DER FLIEGENDE HOLLÄNDER op twee cd’s en twee dvd’s

Controversiële en tegelijk intrigerende Don Carlos van Konwitschny

Carlos549883afcf961

© Annemie Augustijns

De Vlaamse Opera heeft met de Don Carlos van Peter Konwitschny in februari 2010 een zeer controversiële en tegelijk intrigerende productie in huis gehaald. Veel mensen liepen al in de pauze weg, ik vond het _toen_  iets hebben…..

Van geen enkele opera van Verdi bestaan zoveel versies als van Don Carlos. In Antwerpen heeft men op verzoek van de regisseur besloten om de Franse oerversie uit 1867 op te voeren. Daar ben ik heel erg blij om, want voor mij is de oerversie de meest logische die er bestaat. Zonder de eerste akte lijkt het alsof de latere handelingen van de hoofdpersonen uit de lucht komen vallen. Nu je weet wat er vooraf ging, begrijp je ook hun motivatie beter.

Ook muzikaal is het onontbeerlijk. Zonder de voorkennis van het bloedmooie liefdesduet snap je niet waar het steeds herhaalde thema vandaan komt en waar je aan moet denken als het alweer voorbijkomt. Denk aan Wagner!

De menselijke stem is het teerste instrument dat er bestaat. Je kan er nog zo goed voor zorgen, niet alles heb je in eigen hand. De winter weet niet van ophouden en de kou (plus de sneeuw en de regen) is niet het gezondste voor een mens, laat staan voor een zanger.

Carlos549883ae5a09f

© Annemie Augustijns

Voorafgaand aan de voorstelling kwam Aviel Cahn (de baas van de Vlaamse Opera) met de mededeling dat Eboli, die ziek was geworden bij de première, inmiddels ook Elisabeth had aangestoken, maar dat de dames hun best zouden doen om er toch wat van te maken

Nu weet ik niet hoe ze klinken als ze niet verkouden zijn, maar zaterdag waren ze allebei uiterst prettig om naar te luisteren. De Italiaanse Susanna Branchini (Elisabeth) beschikt over een fluwelen timbre met een zeer makkelijke hoogte en een aangeboren gevoel voor drama. Af en toe deed zij mij aan Mirella Freni denken, maar dan met iets meer body in haar stem.

Marianna Tarasova beschikt over een onmiskenbaar Russisch timbre, met veel borsttonen, maar het was nergens storend, integendeel. De zeer temperamentvolle zangeres zette een zeer betoverende Eboli neer.

De enige die ziek leek te zijn, was Jean-Pierre Furlan (Carlos). De toch al niet zo charismatische zanger begon niet al te best. Zijn zeer onstabiele stem was aan de dunne kant.

En ja hoor, halverwege de tweede akte ging het doek naar beneden en daar was Aviel Cahn weer. De tenor was ziek geworden, de dokter was al bij hem en voorzag hem van allerlei medicatie. Hij zou zijn best doen om de voorstelling te voltooien.

En dat deed hij. Heel erg dapper haalde hij het einde, waarna hij – erg ontroerend – te kennen gaf dat hij er ook niets aan kon doen en vervolgens een warm applaus in ontvangst mocht nemen.

Carlos 549883af1dd31

© Annemie Augustijns

Posa (Dario Solari) was hier een soort alter ego van Schiller, een vondst waar ik niet echt gelukkig mee was, want het maakte van hem niet alleen maar een deelnemer, maar ook een toeschouwer. Of een regisseur, die de boel even naar zijn zin zet.

Solari is een forse, mooie man. Zijn stem is een beetje wollig en hij moest er even inkomen, maar daarna ging het van mooi naar mooier. Met zijn grote volume en een warme geluid wist hij alle versieringen soepel te nemen. Bijzonder ontroerend was hij in zijn confrontatie met de koning en zijn sterfscène bezorgde hem terecht een open doekje.

CarlosHuijpen

©Annemie Augustijns

Francesco Ellero d’Artegna was een goede maar een beetje kleurloze Filips en Jaco Huijpen zong een huiveringwekkende Groot-Inquisiteur.

De Antwerpse enscenering van de hand van Peter Konwitschny (ja, dezelfde die in Amsterdam Salome heeft verprutst) was niet nieuw. Het was eerder al te zien in Wenen en Barcelona. De Weense voorstelling, met Ramón Vargas, Bo Skovhus, Iano Tamar, Alastair Miles en Nadja Michael (toen nog een mezzo) is ooit op dvd uitgekomen,

Konwitschny’s regie vond ik zonder meer goed en – voornamelijk – goed uitgewerkt. Aan het einde van de romantisch neergezette eerste akte (inclusief de sterrenhemel), kwam een witte kale muur naar beneden, waarin de personages tot het einde opgesloten zouden zitten, als in een doos.

Carlos549883b434b67

© Annemie Augustijns

Er waren deuren, maar die waren allemaal te klein, waardoor iedereen, inclusief Philippe en Le Grand Inquisiteur, moesten buigen om er in of uit te gaan. Mooie vondst. Het geeft aan dat een ieder eigenlijk een gevangene is, en dat zelfs de grootste heerser ergens voor moet buigen. Voor God? In de visie van Konwitschny lijkt het er sterk op, zeker met de prominente positie die hij aan Karel V (hier niet gestorven maar zich verbergend in een klooster) in zijn productie geeft.

Carlos549883ac80c8e

© Annemie Augustijns

In plaats van het ballet kregen wij een soort pantomime, getiteld ‘Eboli’s droom’. Daarin blikt zij vooruit naar de truttigheid van de jaren vijftig en de ultieme droom van de meeste meisjes: trouwen, gezinnetje, (schijn)gezelligheid. Triest, heel erg triest.

Carlos549883b3961d6

© Annemie Augustijns

Op een vernuftige manier betrok Konwitschny ook het publiek bij het drama, waardoor je, willens en wetens, deel moest nemen aan de actie. Zonder dat je het goed in de gaten had, klapte je voor een dictator, waardoor je zelf medeverantwoordelijk werd voor tal van gruwelen. Manipulatie? Jazeker, maar het werkte wel….

Er waren ook veel minpunten: er werd, wat mij betreft veel te veel op de grond gevallen en gerollebold – af en toe zie je gewoon niets. Ook het te pas en te onpas herhalen van een Piëta –beeld werd op een bepaalde moment gewoon dodelijk saai.

De productie staat ook op You Tube. Hieronder deel 4: hoe de publiek meegesleurd wordt in het spektakel:

Bezocht op 20 februari 2010

 

Elektra aan de Amstel: afscheid van de productie van Willy Decker

Marc Albrecht (conductor), Willy Decker (director), Wolfgang Gussmann (sets/costumes), Hans Toelstede (lighting design), Klaus Bertisch (dramaturge)

© Hans van den Bogaard

Sommige dingen vervelen nooit. Het doet er niet toe hoe vaak je ze hebt gezien, gehoord of gelezen: goed is goed. Neem Willy Deckers Elektra bij De Nationale Opera. De productie stond in oktober 2011 voor de vierde (en laatste) keer op het toneel. Mooier en beter dan ooit tevoren.

Een goed geschreven boek dat ook nog eens ergens over gaat, wordt een klassieker. Zodoende lezen we nog steeds Tsjechov, Proust, Homerus en Oscar Wilde, om er een paar te noemen. Denkt u dat er na twintig jaar, laat staan na honderd, iemand nog weet wie Kluun of Heleen van Rooyen waren?

De opera’s van Mozart, Puccini, Wagner of Strauss hebben een eeuwigheidswaarde, maar denkt u dat alle producties die ooit van hun werken werden gemaakt ook de eeuwigheid mee in kunnen gaan?

De meeste niet, nee en alle conceptualisten en hun aanhang ten spijt – sommige van hun ‘scheppingen’ zijn al verouderd op het moment dat ze in première gaan. Dat heb je als je te veel wilt actualiseren en op het dagnieuws in wil te spelen.

Gelukkig waren er – en zijn er nog steeds – regisseurs die werkelijk dat beetje ‘extra’ aan een opera kunnen toevoegen. Zij weten er hun stempel op te drukken zonder het werk te willen veranderen en blijven trouw aan het libretto en zeer zeker aan de muziek. Ongeacht of ze traditioneel of modern te werk gaan.

Elektra Willy Decker

Willy Decker © GPD/Phil Nijhuis

Willy Decker is zo’n regisseur. Natuurlijk, niet alles van hem is geniaal (ook Mozart heeft niet alleen maar meesterwerken gecomponeerd), maar hij werkt nooit tegen de muziek in en in alles wat hij doet, blijft hij logisch en consequent.

Zijn Elektra ging bij De Nationale Opera voor het eerst in 1996 in première en is sindsdien nog twee keer herhaald, in 2000 en 2006. In het kader van het ‘Oresteia – jaar’ werd de productie in 2011 voor de vierde (maar wel de allerlaatste!) keer teruggehaald.

Ook voor mij was het de vierde keer dat ik de productie in Amsterdam zag. Ik heb het altijd fantastisch gevonden. Het orkest was soms beter, soms minder, ook de solisten hadden niet altijd hetzelfde hoge niveau, maar het was altijd zeer spannend en het liet je nooit onberoerd achter.

Maar nu, alsof het inderdaad een ware zwanenzang betrof, heeft iedereen zichzelf overtroffen. Zo goed en zo mooi heb ik het nog nooit eerder gehoord. Voor het eerst in mijn leven (en ik heb Elektra, één van mijn meest geliefde opera’s, heel wat keren meegemaakt) hoorde ik er dingen in die ik nooit eerder heb gehoord.

Weemoedige Weense walsjes bijvoorbeeld. Momenten van stilte en bezinning. Ongekende lyriek. En dat alles met zo ontzettend veel liefde en betrokkenheid gespeeld! Voor het eerst in mijn leven hoorde ik een orkest dat niet zichzelf, maar de zangers de hoofdrol gunde en ze zo veel mogelijk ondersteunde. Dankzij onze nieuwe chef-dirigent, Marc Albrecht. Bravo, maestro!

Marc Albrecht over Elektra:

Orkestleden met wie ik na afloop van de voorstelling heb gesproken, hebben allemaal mijn indruk bevestigd. Zo lyrisch, zo ingetogen hebben ze de partituur inderdaad nog nooit eerder gespeeld. En Albrecht kunnen ze inmiddels op handen dragen.

Marc Albrecht (conductor), Willy Decker (director), Wolfgang Gussmann (sets/costumes), Hans Toelstede (lighting design), Klaus Bertisch (dramaturge)

Evelyn Herlitius (Elektra) ©Hans van den Bogaard

Evelyn Herlitius is geen onbekende in Amsterdam. In 2008 zong zij hier een zeer indrukwekkende Farberin in ‘Die Frau ohne Schatten’ – overigens ook onder de baton van Marc Albrecht, die hiermee zijn visitekaartje bij DNO afgaf.

Haar eerste Elektra zong zij in januari 2010 in Brussel (met Eva-Maria Westbroek als Chrysothemis) en de rol behoort inmiddels tot haar paradepaardjes. Waar ze de kracht vandaan haalt om de hele avond op bühne te staan en onafgebroken de meest heftige muziek te zingen, zonder zichtbare vermoeidheid en zonder dat haar stem het zelfs even opgeeft – het is mij een raadsel.

Haar Elektra was verrassend lyrisch, maar dan wel met een windkracht 10! Zij overschreeuwde zich nergens en toch kwam ze mooi boven het orkest uit! Haar prachtige topnoten waren zuiver en gewoon mooi. Men zei dat zij op de generale nog beter op dreef was, iets, wat ik mij eigenlijk niet eens kan voorstellen!

Marc Albrecht (conductor), Willy Decker (director), Wolfgang Gussmann (sets/costumes), Hans Toelstede (lighting design), Klaus Bertisch (dramaturge)

Gerd Grochowski (Orestes), Michaela Schuster (Klytämnestra), Evelyn Herlitius (Elektra) © Hans van den Bogaard

Ook Gerd Grochowski (Orestes) hebben wij in Amsterdam al eerder gehoord: als een zowat volmaakte Kurwenal in Tristan und Isolde, maar ook in Elektra vijf jaar geleden. Zoals altijd wist hij met zijn diepe klaroengeluid te imponeren, om van zijn présence niet te spreken!

Zijn Orest was veel meer dan een ‘wraakinstrument’ in de handen van zijn zus, hij was verbeten en vastberaden en ook zonder haar had hij zijn ‘plicht” vervuld. Aan het eind werd hij, gestoken in de bebloede jas van zijn vader, getooid met de glinsterende kroon van zijn moeder.

Nu zijn zus ook dood is (anders dan bij Strauss/von Hoffmanstal danst zij zichzelf niet dood, maar pleegt zelfmoord door tegen het mes van Orestes te lopen – goed bedacht en zeer logisch), gaat hij regeren en ik denk niet dat het een prettige periode gaat worden. Nee, geen held om compassie mee te hebben.

Marc Albrecht (conductor), Willy Decker (director), Wolfgang Gussmann (sets/costumes), Hans Toelstede (lighting design), Klaus Bertisch (dramaturge)

Camilla Nylund (Chrysothemis), Evelyn Herlitzius (Elektra) © Hans van den Bogaard

Het was de eerste keer dat Camilla Nylund de rol van Chrysothemis zong en zij deed het voorbeeldig. Menig sopraan verkijkt zich op die rol, die veel zwaarder is dan men denkt. Met haar Marylin Monroe outfit en haar eeuwige tasje was zij echt meelijwekkend. Maar was zij werkelijk zo onschuldig zoals wij dachten? Stof tot nadenken.

Marc Albrecht (conductor), Willy Decker (director), Wolfgang Gussmann (sets/costumes), Hans Toelstede (lighting design), Klaus Bertisch (dramaturge)

Evelyn Herlitzius (Elektra), Camilla Nylund (Chrysothemis) © Hans van den Bogaard

Men vond haar stem aan de koude en afstandelijke kant, maar dat vond ik bij de rol, zoals Decker haar ziet, juist voortreffelijk passen. Ik denk, dat ze er nog in gaat groeien, maar al bij de première vond ik haar prestatie werkelijk bijzonder.

Marc Albrecht (conductor), Willy Decker (director), Wolfgang Gussmann (sets/costumes), Hans Toelstede (lighting design), Klaus Bertisch (dramaturge)

Michaela Schuster (Klytämnestra) © Hans van den Bogaard

In de rol van Klytämnestra was nou eens niet een uitgezongen zangeres te horen. Michaela Schuster had niet alleen alle noten paraat – zij wist ze ook als een kameleon naar haar hand te zetten en schakelde tussen het zingen en het sprechgesang alsof het niets was. Fenomenaal. Ook als actrice wist zij mij voor 100 procent te overtuigen. Haar vertolking was ontroerend in haar wanhoop en wellicht de meest meelijwekkende van allemaal.

Hubert Delamboye was een bijzonder goede Aegisth en wist in zijn korte scène een heel drama te stoppen, dat zelfs in een film niet zou misstaan.

Deze keer was Decker er zelf niet bij. De productie werd heringestudeerd door Wim Trompert, tussen 1992 en 2004 voornamelijk werkzaam als assistent-regisseur bij DNO, maar inmiddels zelf een regisseur van naam.

Trailer van de productie:

Richard Strauss
Elektra
Evelyn Herlituis, Michaela Schuster, Camilla Nylund, Hubert Delamboye, Gerd Grochowski, Tijl Faveyts e.a.
Het Nederlands Philharmonisch Orkest olv Marc Albrecht
Regie: Willy Decker

Bezocht op 5 oktober 2011

DAS FLOSS DER MEDUSA

2_henzefloss hans_werner_1965

Hans Werner Henze in 1968 © NDR / Susanne Schapowalow

Soms vallen de dingen gewoon mee. Of tegen. Hangt van de kant af waar je het uit bekijkt. Zo bang als de dood was ik voor de productie van Romeo Castelucci van Henze’s Das Floss der Medusa. Ik heb al eerder het een en ander van hem gezien en dat alles stemde mij niet vrolijk. Zijn uitspraken over de ‘actualisering’ en het naar ‘het heden halen’ van het verhaal; maar – bovenal – de vergelijking die hij trok tussen het negentiende-eeuwse drenkelingendrama met de (het kon niet uitblijven) vluchtelingenproblematiek deden mij het ergste vrezen.

Achteraf kon ik opgelucht ademhalen: het viel mij allemaal mee. In geen velden of wegen was er een vluchteling te bekennen en dat waar ik het meest bang voor was, het beeld van het aangespoelde jongetje in zijn rode T-shirt was ons, aan de goden lof bespaard gebleven.

floss schilderij

Théodore Géricault: Het vlot van Medusa,1819, Louvre

Castelucci, de door mij gevreesde enfant terrible bleek bij nader inzien een min of meer aaibare kunst te hebben geleverd waar de angel uit was getrokken. Dat was dus wat mij tegenviel. Wie het schilderij van Théodore Géricault ooit in het echt heeft gezien, heeft er op zijn minst een paar slapeloze nachten van hebben gehad want het gruwelijke lot van de opvarenden van het fregat Méduse is nooit beter zichtbaar gemaakt.

Niet zichtbaarder dan, maar wel hoorbaarder want het was Hans Werner Henze in 1968 gelukt om een oratorium over het onderwerp te componeren waar je daadwerkelijk angstvisioenen van kreeg. Dat kreeg hij voor elkaar door behalve een drietal solisten een werkelijk immens koor en orkest (alles bij elkaar meer dan 250 man!) in te zetten en ze de meest onzingbare muziek te laten uitvoeren.

Een kort radio-interview met Hans Werner Henze, gemaakt vlak voor de uitzending:

https://www.ndr.de/kultur/radio/Hans-Werner-Henze-ueber-den-Stoff-Das-Floss-der-Medusa,hanswernerhenze100.html

 

Dat het hem toen om Ché Guevarra ging voor wie het werk als Requiem bedoeld was zij hem vergeven. Het waren de jaren zestig, toen de ‘linker kant van de maatschappij’ nogal verblind op de werkelijkheid reageerde. Tegenwoordig kun je het stuk op alle onrecht van de wereld toepassen. Ook voor het gebrek aan zorg voor de zwakkeren in onze eigen maatschappij, om maar iets te noemen. Gebruik je hersenen, zou ik zeggen!

 

_floss_d_medusa_1968

De repetitie van het oratorium in het Ernst-Merck-Halle. © NDR / Hans-Ernst Müller

Even kort waar het verhaal over gaat:  in 1816 voer het fregat Méduse op een zandbank 60 mijl uit de westkust van Afrika. Aan boord was er een vlot waar 147 opvarenden opklommen die niet in de sloepen pasten of er niet op werden toegelaten. Van 5 tot 17 juli dobberde het vlot rond en toen het werd gevonden waren er nog maar twaalf mensen in leven. De anderen waren overboord geduwd, verhongerd of opgegeten.

Van dat alles kregen we (hier weer de opluchting) niets de zien. Wat we te zien kregen was een videoprojectie van de zee. Van links naar rechts en van boven naar beneden keken we ruim een uur lang tegen de ingeblikte beelden van blauwgroene, voortkabbelende zeemassa waar ik persoonlijk rustig van werd.

 

Op film: Mamadou Ndiayeop het toneel: Lenneke Ruiten (La MOrt)

Mamadou Ndiaye. Met op de voorgrond Lenneke Ruiten © DNO 2018/Monika Rittershaus

Er was ook een donkere man die onophoudelijk door het beeld zwom. Ik neem aan dat hij als symbool diende voor de vluchtelingen (dus toch een beetje). Maar hij was ook Jean-Charles, de mulat van het schilderij. Hij had ook een rode vlag bij zich: de vlag waarmee hij de aandacht van het naderende schip wist te trekken. Maar ook het symbool van jaren zestig dwaalidealisme van Henze. Denk ik.

 

floss_der_medusa_228

©  DNO 2018/Monika Rittershaus

Het koor was in – en achter – de zee opgesteld en grotendeels onzichtbaar. Er werd de suggestie gewekt van de dobberende mensen, je zag koppetjes op- en afspringen en je zag af en toe iemand er in verdwijnen. Aan het eind kregen we alleen handen te zien en voor het eerst die avond werd ik oprecht ontroerd.

Wat het werk van Henze normaliter zo ontzettend indrukwekkend maakt is – onder anderen – de positionering van het koor. Eerst zie je ze aan de ene kant van het podium staan maar zodra één iemand het leven laat, verplaatst die zich naar de andere kant, daar waar de Dood het voor het zeggen heeft. Dat alles heb ik gemist.

 

floss_der_medusa_173

©  DNO 2018/Monika Rittershaus

De Dood kwam hier in de gedaante van een New York Times-reporter, zij droeg een gele regenjas en witte laarzen. Het stoorde niet. Niet dat ik het echt snapte, maar ach… Wat wél belangrijk was, was dat de rol zo onwaarschijnlijk goed werd gezongen! Petje af voor Lenneke Ruiten! Hoe zij die hondsmoeilijke octaafsprongen en die onmenselijke hoogte de baas was… wow! BRAVA!

 

floss_der_medusa_065

Mamadou Ndiaye,  Bo Skovhus, Lenneke Ruiten. Op de voorgrond: Dale Duesing. ©  DNO 2018/Monika Rittershaus

Ook Bo Skovhus (Jean-Charles) gaf de – voor mij – onuitvoerbare muziek de best mogelijke stem. Hij fluisterde, hij riep, hij smeekte en hij zong… dat laatste zowat perfect. Iemand die zo veel verschillende gevoelens weet over te brengen verdient een enorm applaus. En dat applaus, die kreeg hij ook.

 

Dale Duesing (Charon)

Dale Duesing ©  DNO 2018/Monika Rittershaus

Dale Duesing was een fantastische Charon (spreekrol), de veerman die de overledenen naar het dodenrijk brengt. Met een absoluut perfecte dictie wist hij alle gebeurtenissen stem te geven: zo duidelijk en zo verstaanbaar dat ik de boventiteling niet nodig had. Bij zijn laatste woorden: ‘Der Mulatte Jean Charles, der – den Blick auf das rettende Schiff gerichtet – den roten Fetzen geschwenkt hatte, lag in Agonie, als man ihn barg, und ist nicht mehr erwacht. Die Überlebenden aber kehrten in die Welt zurück: belehrt von Wirklichkeit, fiebernd, sie umzustürzen.” kreeg ik eindelijk de kippenvel waar ik de hele avond op heb gewacht. Waarvoor dank.

Ik ben geen fan van Ingo Metzmacher, maar in dit repertoire is hij waarachtig één van de besten. Met veel zeer voelbare liefde en een strakke hand leidde hij het Nederlands Philharmonisch Orkest langs alle valkuilen heen. Het meest ben ik hem er dankbaar voor dat hij het goddelijk spelend orkest dienstbaar heeft gemaakt aan de echte ‘hoofdpersoon’ van het oratorium: het koor.

Ik zeg: het koor, maar het waren er drie. Koor van De Nationale Opera, Capella Amsterdam en Nieuw Amsterdams Kinder- en Jeugdkoor (Nieuw Vocaal Amsterdam). Drie koren, samen meer dan honderd mannen, vrouwen en kinderen, allemaal zingend op het allerhoogste niveau en samen een onwezenlijk geluid voortbrengend: dat van mensen in nood. Hoe de drie dirigenten: Ching-Lien Wu, Daniel Reuss en Eline Welle het voor elkaar hebben gekregen?

Ze zongen zonder partituur, zonder tekst, zonder steun van een autocue of andere hulpmiddelen. Die hondsmoeilijke muziek met die onuitspreekbare teksten .. dat alles deden ze alsof ze nooit iets anders hebben gedaan.
Chapeau! Vanwege de muziek en vanwege alle uitvoerenden: GAAN!

Trailer van de productie:

 

Zie voor meer informatie de website van De Nationale Opera.

 

Hans Werner Henze
Das Floss der Medusa
Dale Duesing, Bo Skovhus, Lenneke Ruiten
Koor van De Nationale Opera, Cappella Amsterdam, Nieuw Amsterdams Kinderkoor
Nederlands Philharmonisch Orkest olv Ingo Metzmacher.
Regie: Romeo Castellucci.

Bezocht op 13 maart 2018

Meer Henze:
HANS WERNER HENZE: esthetisch -theatrale wereldverbeteraar in drie opera’s en een biografie

HANS WERNER HENZE en zijn L’UPUPA

AUBER: De Zwarte Domino verbleekt bij La Muette de Portici

Door Peter Franken

 

Auber©Philharmonie-de-Paris-JM-Angles-

Daniel-François-Esprit Auber par Auguste Lemoine © Philharmonie de Paris, J.-M. Anglès

 

Op 27 februari van dit jaar bezocht ik in Luik Le domino noir van Daniel Auber. Die man was een veelschrijver, in zijn meest productieve periode schreef hij 40 opera’s in evenzo vele jaren. Dat is bij Le domino noir wel een beetje te merken aan de kwaliteit, erg eenvoudig, muziek afgestemd op ‘grappige’ dialogen die eindeloos lijken. Veel spreekrollen, weinig zang voor de bijfiguren. Als het stuk in een Nederlandse vertaling zou gaan, moeten we denken aan iemand als Joop Doderer in de bijrol van lord Elfort.

1._le_domino_noir_officielles_logo_c_lorraine_wauters_-_opera_royal_de_wallonie-25 (2)

Anne-Catherine Gillet als Angèle © Lorraine Wauters

Eigenlijk krijgt alleen de hoofdrol Angèle (uitstekend vertolkt door Anne-Catherine Gillet) iets fraais toebedeeld. Haar grote aria ‘La belle Inès fait florès’ draagt bij wijze van spreken de hele avond.

Wie de voorstellingen in Luik heeft gemist, kan toch nog zijn hart ophalen aan de complete opname van de opera met Sumi Jo in de hoofdrol:


LA MUETTE DE PORTICI

 

2011-2012 Opera Comique"LA MUETTE DE PORTICI" de D-F-E Auber
dir mus: Patrick Davin mes: Emma Dante

Elena Borgogni als Fenella © Elisabeth Carecchio

Anders is het gesteld met La muette de Portici, ook wel bekend als Masaniello. Dit is de grand opéra waar Auber zijn vroege faam aan ontleende. Over de gehele linie vind ik dit werk beslist beter dan Le domino noir. Daar doen die meer dan duizend voorstellingen in de 19e eeuw niets aan af. Ik zag La muette op 9 april 2012 in de Opéra Comique in Parijs. Het betrof een coproductie met De Munt maar van een uitvoering in Brussel is het nooit gekomen.

Dat de Opéra Comique, gevestigd in de Salle Favart, met La Muette kwam, lijkt op het eerste gezicht wat vreemd. De Comique brengt tegenwoordig echter Franse opera’s van elk genre dus waarom niet eens een grand opéra?

Omdat zoiets niet kon met het kleine Orchestre de Pasdeloupe, het huisorkest, werd gebruik gemaakt van het feit dat in De Munt twee voorstellingen liepen met gastensembles, waardoor koor en orkest geleend konden worden. Het trok veel belangstelling, opera minnend Parijs liep er voor uit zodat ik slechts met moeite een kaartje kon bemachtigen.

 De opera

Het verhaal speelt zich af in het Koninkrijk Napels dat onder Spaans bestuur staat. Centraal staat een opstand van een groep vissers uit het dorpje Portici die onder aanvoering staan van Masaniello. Zijn ‘stomme’ zuster Fenella is eerder verleid door Alphonse, de zoon van de Spaanse onderkoning. Hij heeft haar in de steek gelaten maar zij duikt uitgerekend weer voor hem op als hij net in het huwelijk is getreden met de Spaanse prinses Elvira. Dat geeft genoeg materiaal voor een spannend verhaal.

De vissers komen in opstand en dreigen Alphonse en Elvira te doden. Deze vluchten in vermomming en willen zich verschuilen in een hut…. die toevallig net die van Masaniello is. Op aandringen van Fenella (‘love trumps hate’) helpt hij hen ontsnappen. Dat verraad aan de opstand kost hem het leven, hij wordt vergiftigd door zijn vriend en medestander Pietro. De opstand mislukt en Fenella pleegt uiteindelijk zelfmoord .

Zeer bekend is het duet ‘Amour sacré de la patrie’ dat Masaniello en Pietro zingen in de tweede akte, waarin zij elkaar als het ware aanvuren om in opstand te komen tegen de Spaanse overheersers:

Mieux vaut mourir que rester misérable!
Pour un esclave est-il quelque danger?
Tombe le joug qui nous accable.
Et sous nos coups périsse l’étranger!
Amour sacré de la patrie,
Rends-nous l’audace et la fierté;
A mon pays je dois la vie;
Il me devra sa liberté.

Alfredo Kraus & Jean-Philippe Lafont in ‘Amour sacré de la patrie’:

Zoals bekend wordt dit duet in verband gebracht met het uitbreken van de opstand in Brussel die leidde tot de afscheiding van zuidelijk Nederland en de stichting van België. De huidige politieke verhoudingen in dat land, waarvan beide helften zich geknecht voelen door de ander, waren mede aanleiding voor De Munt om La Muette eerst in Parijs te spelen en pas een paar jaar later in Brussel. Zoals Peter de Caluwe het formuleerde: ‘Tegen die tijd zal België toch wel weer een regering hebben’. Dat is echter niet genoeg gebleken, het zal er nu wel niet meer van komen.

 

2011-2012 Opera Comique"LA MUETTE DE PORTICI" de D-F-E Auber
dir mus: Patrick Davin mes: Emma Dante

Église Gutiérrez (Elvira) en Maxim Mironov (Alphonse)  ©  Elisabeth Carecchio

De productie

Regisseur Emma Dante had ervoor gekozen om dansende acteurs in te zetten in plaats van balletdansers en dat met inbegrip van Fenella. Het effect was matig, rondhupsende soldaten en vissers en een niet zingende titelheldin die evenmin danstechnische hoogstandjes ten beste kon geven. Wat overbleef was een actrice die het publiek moest doen vergeten dat in haar plaats ook een sopraan had kunnen staan. Immers, een van de verhalen rond het ontstaan van dit werk luidt dat men geen geschikte zangeres voor de rol kon vinden, iemand die voldoende tegenwicht kon bieden tegen de beoogde Elvira, zodat maar besloten werd om La fille de Portici te veranderen in La muette de Portici.

Fenella heeft van Alphonse een rode sjaal gekregen die ze als attribuut gebruikt. Gaandeweg wordt die sjaal steeds groter tot het uiteindelijk een lap stof is waar ze min of meer in verstrikt raakt. Elena Borgogni speelde Fenella als een slangenmens, een furie met een overdaad aan ‘expressie’ en veel armgezwaai. Ze gooide zich geheel en al in haar rol maar het beperkte bewegingsrepertoire maakte dat haar ‘over the top act’ na verloop van tijd toch wat begon te vervelen.

De enscenering was eenvoudig: vrijstaande deuren die door figuranten heen en weer werden bewogen om de indeling van de ruimte te wijzigen, kroonluchters, vrouwen in hoepelrokken, poppen met opengewerkte hoepelrokken. De mannen (vissers, soldaten) speelden voortdurend met banieren (wit en rood), op een erg vrouwelijke wijze en qua uitvoering tamelijk basaal.

Al met al vond ik het werk tamelijk knullig gemoderniseerd en helaas geen bevestiging van de gedachte dat met dit genre iets moois verloren is gegaan. De befaamde revolutiearia viel me ook nog al tegen, weinig opzwepend. Als hierdoor een opstand is uitgebroken dan moet de tijd er wel heel erg rijp voor zijn geweest.

 

2011-2012 Opera Comique"LA MUETTE DE PORTICI" de D-F-E Auber
dir mus: Patrick Davin mes: Emma Dante

Mechanische poppen met hoepelrokken © Elisabeth Carecchio

De uitvoering

Église Gutiérrez (Elvira) was verkouden. Ze had weinig volume, zong heel zachtjes en voorzichtig maar haalde wel alle noten. Gelukkig heeft de Salle Favart een betrekkelijk klein auditorium waardoor haar rol toch redelijk uit de verf kwam.

De Amerikaanse tenor Michael Spyres overtuigde als Masaniello. Bijgaande link geeft hiervan een uitstekende indruk.

Michael Spyres zingt Massaniello’s ‘Spectacle affreux’ en ‘Ferme les yeux … Du pauvre seul ami fidèle’:

Laurent Alvaro (Pietro) heeft een krachtige bariton die bijna te groot is voor deze zaal. Gelukkig speelde hij de ‘slechterik’ in het stuk waardoor het gebulder eigenlijk wel goed uitkwam. De wat zachter zingende Maxim Mironov overtuigde als Alphonse.

Patrick Davin dirigeerde koor en orkest van De Munt op adequate wijze.

La Muette di Portici in Dessau:   LA MUETTE DE PORTICI

 

HANS HEILING als mijnbouwopera in Essen

Door Peter Franken

Hans Heiling

Scènefoto uit Hans Heiling © Thilo Beu.

Het sluiten van de laatste kolenmijn in het Ruhrgebied eind van dit jaar leidt aldaar tot ‘Bergwerk’ nostalgie. De Aalto Opera speelt hier op in met Hans Heiling, een zelden gespeeld werk van een bijna vergeten componist, Heinrich Marschner. De titelheld in Hans Heiling keert na een mislukt avontuur in de bovenwereld terug naar het ondergrondse rijk van de Aardgeesten, waardoor elk contact tussen beide werelden wordt verbroken. Evenzo wordt in het Ruhrgebied de enig nog resterende verbinding met een onderaardse wereld afgesneden.

Heiling Marschner

Marschner was een belangrijke Duitse componist ten tijde van de romantiek. Van de talrijke opera’s die hij schreef hadden er drie veel succes: Der Vampyr (1828), Der Templer und die Jüdin (1829) en Hans Heiling (1833). Zijn werk wordt – vooral bij gebrek aan andere voorbeelden – in brede kring gezien als schakel tussen de opera’s van Weber en Wagner.

 

Heiling kin Rotterdam

Hans Heiling is de zoon van de koningin van de Aardgeesten, te vergelijken met Wagners Nibelungen, en een aardse man. Hij is dus half mens, zijn verlangen naar de ‘bovenwereld’ is genetisch bepaald. Een affaire met het eenvoudige dorpsmeisje Anna loopt echter slecht af. Hoewel zij heeft beloofd met hem te zullen trouwen, vlucht ze in de armen van dorpsjongen Konrad wanneer ze door krijgt wie en wat Heiling eigenlijk is: geen geleerde rijke man, maar iemand uit de ondergrondse wereld, een Aardgeest. Die informatie heeft Anna overigens van Heilings moeder die haar voor de ernstige gevolgen waarschuwt als ze Hans niet los laat – ‘Hör auf mein Wort’. Moeder wil haar zoon gewoon weer terug waar hij hoort, zonder daarbij acht te slaan op diens wensen. Hoewel Heiling bij zijn vertrek al zijn schepen achter zich heeft verbrand wordt hij toch weer in genade aangenomen door zijn onderdanen. Hij wil wraak nemen op de mensen die hem bedrogen hebben, maar zijn dominante moeder weet hem hiervan te weerhouden – ‘Der Liebe Lust und Leid’. Daarmee is de orde hersteld: mensen en Aardgeesten leiden weer een geheel gescheiden bestaan.

Regisseur Andreas Baesler heeft het rijk van de Aardgeesten getekend naar het imperium van de familie Krupp. Alfred neemt de plaats in van Hans, zijn overheersende moeder Bertha speelt de rol van de koningin. Mijnwerkers in originele werkpakken vertegenwoordigen de Aardgeesten die hun heersers (werkgevers) rijkdommen moeten bezorgen. Tijdens de proloog zien we Alfred in een eikenhouten decor dat zo lijkt weggehaald uit Villa Hügel, het paleisachtige onderkomen van de familie Krupp. Zijn moeder is gekleed als Bertha zoals afgebeeld op het reusachtige familieportret dat in Villa Hügel hangt.

Marschner heeft de ouverture tot dit werk geplaatst na de prelude. Dit acht minuten durende orkestrale intermezzo werd verlevendigd door de vertoning van een film met originele beelden van de regionale ‘kolengeschiedenis’. Voor het Essener publiek pure nostalgie, voor buitenlui een fascinerend schouwspel. In de eerste akte treffen we Hans in een moderne jaren zestig bungalow, voorzien van open haard en een uitgebreide platenverzameling. Hier ontvangt Hans zijn verloofde Anna en haar moeder. Ook nu weer een parallel met Alfred die tegen de zin van zijn ouders een kantoormeisje trouwde en uiteindelijk Villa Hügel ontvluchtte door in een apart huis op het landgoed te gaan wonen. En net als de Koningin bij Hans wist ook Alfreds moeder het huwelijk van haar zoon te ruïneren.

Het over Hans Heiling heen gelegde Krupp familiedrama is nogal dwingend vorm gegeven maar toch ook weer niet zo dat het stoort. Voor het publiek is het een kwestie van hoe meer details men herkent, des te boeiender het wordt. Wat natuurlijk helpt is dat de gemeenschap als geheel in de kolenmetafoor wordt betrokken, inclusief werkkleding die aan haken omhoog wordt gehesen, een kantoortje waar men zijn loon afhaalt en een Bergwerkorkest dat tijdens de bruiloft van Anna en Konrad op de bühne speelt.

Hans Heiling

© Thilo Beu.

Muzikaal viel er veel te genieten tijdens de première op 24 februari. De Essener Philharmoniker onder leiding van Frank Beermann speelde als eigenlijk altijd, onberispelijk en vol overgave. Wat een geweldig orkest is dit toch, het beste van de gehele regio. Ook het koor wist te overtuigen, prima ingestudeerd door Jens Bingert.

Bij de zangers viel oudgediende Jeffrey Dowd weer eens te beleven, dit keer als Konrad. Verdienstelijk al merk je dat de jaren gaan tellen, zeker in de hogere passages. Maar wat heeft die man de afgelopen 20 jaar wel allemaal niet moeten zingen daar.

Rebecca Teem als Bertha Krupp ofwel de Koningin van de Aardgeesten vertolkte haar rol adequaat maar niet erg meeslepend. Een kouwe kikker en misschien was dat ook wel de bedoeling. Bettina Ranch nam de rol van Anna’s moeder Gertrude voor haar rekening, daar viel niet veel eer aan te behalen.

 

Hans Heiling

© Thilo Beu.

Heel anders was dit met de twee hoofdrollen. Jessica Muirhead is de nieuwe stersopraan van het gezelschap en die reputatie deed ze in haar vertolking van Anna alle eer aan. Wat een schitterende zangeres, puntgaaf optreden. Overigens had haar kleding iets minder lomp gemogen. Standsverschil hoeft nu ook weer niet overdreven te worden.

 

Hans Heiling

© Thilo Beu.

De titelrol was in handen van bariton Heiko Trinsinger. Ook over hem niets dan goeds, hij wist zijn personage volledig tot leven te wekken, van eenzame directeur via verliefde buitenstaander – ‘An jenem Tag’ – tot gedesillusioneerde op wraak beluste man. Aardig om te vermelden dat hij kort geleden ook de titelrol in Der Vampyr speelde voor de Komische Oper Berlin.

Hans Heiling is geen bekend werk. Muzikaal sluit het goed aan bij Weber en de jonge Wagner. Diens eerste opera Die Feen stamt zelf uit hetzelfde jaar als Heiling. Het werk geeft een goede indruk van wat er zoal nog meer werd gecomponeerd eerste helft 19e eeuw in Duitsland, behalve Der Freischütz en Euryante. Het verdient beslist aanbeveling om er voor naar Essen af te reizen. Er volgens nog voorstellingen tot eind juni.

Om een indruk te krijgen een paar muzikale voorbeelden uit de opera. Het betreft een productie van Theater an der Wien uit 2015.

‚An jenem Tag‘: Michael Nagy (Hans Heiling), Katerina Tretyakova (Anna), Stephanie Houtzeel (Gertrude):

‚Hör auf mein Wort‘: Angela Denoke (Die Königin), Katerina Tretyakova (Anna):

Slotscène ‚Der Liebe Lust und Leid‘:  Michael Nagy (Hans Heiling), Angela Denoke (Die Königin), Katerina Tretyakova (Anna), Peter Sonn (Konrad):

Heinrich Marschner
Hans Heiling
Heiko Trinsinger, Rebecca Teem, Jessica Muirhead, Jeffrey Dowd e.a.
Essener Philharmoniker en koor van het Aalto-Musiktheater olv Frank Beermann.
Regie: Andreas Baesler

Bezocht op 24 februari 2018

Het begon met Paganini… Dynamic viert zijn veertigste verjaardag

DER TEMPLER UND DIE JÜDIN