The American soprano Jenufa Gleich has recorded a CD with arias and songs by Richard Wagner. And they are the ones closest to the bel canto profession in which she was trained. Accompanied by the BBC National Orchestra of Wales, conducted by Fabrice Bollon, she here presents her calling card; the result is a beautiful album.
Not entirely unexpectedly, she opens with a great aria from Wagner’s first opera, Die Feen. In many ways, this work is an embryonic Wagner, a recognisable prelude to his later work, much more than Das Liebesverbot and Rienzi. But the composer made the same high demands on his protagonists that would characterise his later works. The prima donna in Die Feen, the fairy queen Ada, needs to be a dramatic soprano of the calibre of a Brünnhilde.
This has not stopped Gleich from including the very long ‘Weh’mir, so nah’ die fürchterliche Stunde’ in her programme and the result is astonishing. I have not often had the opportunity to listen to this spectacular piece; twice in the theatre and only once on CD, but her apparent ease and certainty in the difficult passages with often very high altitude, suggest that this soprano certainly does not have to shy away from parts like Brünnhilde.
And later we hear her in this role again. But first she performs the aria of Elisabeth who, after years of waiting for her beloved Tannhäuser, finds out that he is not among the group of pilgrims returning from Rome. Hope has turned to despair, the will to live is fading away. She prays to the Holy Virgin to accept her into heaven as an angel so that she can pray for Tannhäuser’s salvation: ‘Allmächt’ge Jungfrau’. It sounds touchingly beautiful and in fact I think Gleich is here at her best, of course this aria is also relatively close to her bel canto craft.
Earlier, Elisabeth was still full of hope, when she entered the singing hall after so many years: ‘Dich teure Halle’. This is a favourite of many sopranos who cautiously venture into the Wagnerian repertoire without wanting to go further than the romantic operas. Excellently sung, but perhaps a slightly too obvious choice. I would have preferred an aria by Isabella from Das Liebesverbot.
Via ‘Traf ihr, das Schiff’ or Senta’s Ballade from Der fliegende Holländer we arrive at the big surprise I mentioned earlier: Brünnhildes’ ultimate attempt to (just a little longer) keep the testosterone-fuelled Siegfried off her back. She is overcome by melancholy and fear of the unknown: the definitive break with her existence as a divine being. In ‘Ewig war ich, ewig bin ich’, the part that many also know as the instrumental ‘Siegfried Idyl’, Gleich frees herself from any last shred of doubt that the listener might have regarding her possibilities as a Wagnerian soprano in the great opera houses. The very high notes form a stumbling block for many aspiring sopranos but she takes them with such an apparent ease that,especially through repeated listening, you will be able to experience the performance in peace and quiet without any undue stress.
Up to now, Gleich’s experience with Wagner is rather limited with, among others, a performance as Dritte Norn under Jaap van Zweden in Hong Kong, also on CD. But Gleich is authentic Wagnerian material’, someone to look out for in the near future.
Last on the programme are the Wesendonck Lieder. A very refined interpretation, but one can hardly distinguish oneself with them. But with those earlier pieces one certainly can! This album is very worthy of a heartfelt commendation.
Platée is een werk van Jean Philippe Rameau (1683-1764) dat in première ging in op 31 maart 1745 bij gelegenheid van het huwelijk van de Franse Dauphin, de oudste zoon van Lodewijk XV, en de Spaanse Infanta Maria Theresa. Het was Rameau’s negende opera. Het populaire Les Indes galantes wordt tot zijn balletten gerekend. Hoe het ook zij, in die tijd lag de nadruk nog erg op dans in gezongen theaterstukken en dat is in Platée al niet anders. Een klein half uur van het werk dat ruim twee uur duurt komt voor rekening van balletten, een nachtmerrie voor hedendaagse regisseurs.
Platée bestaat uit een proloog en drie aktes. In de proloog zien we de zwaar beschonken toneelspeler Thespis die door zijn vrienden wordt uitgedaagd een komedie te schrijven waarin de tekortkomingen van mensen en goden op de hak wordt genomen. De inspiratie voor dit stuk is de legende waarin Jupiter probeert zijn vrouw Juno van haar jaloezie te genezen. Daarna ontrolt het verhaal zich.
De entourage van de oppergod bedenkt een plan waarin Jupiter zogenaamd een nieuw huwelijk aangaat met de nimf Platée. Deze weinig aantrekkelijke dame bewoont een moeras en is overtuigd van haar eigen schoonheid en aantrekkingskracht, wie kan er niet van haar houden? Tot op heden is ze in deze dagdroom blijven hangen zonder dat er daadwerkelijk een minnaar op de stoep is komen staan. En dan krijgt ze bericht dat niemand minder dan Jupiter haar uitverkoren heeft om te trouwen.
Juno wordt op een dwaalspoor gezet, haar man is zogenaamd weer op vrijersvoeten in Athene. Zodoende kunnen Jupiter en zijn nieuwe liefde elkaar ongestoord ontmoeten.
Als het huwelijk bijna voltrokken is staat Juno op de stoep om haar plaats op te eisen. Maar als ze ziet met wat voor een type Jupiter zogenaamd ging trouwen barst ze uit in een schaterlach. Ze begrijpt dat het maar een farce was, bedoeld om haar duidelijk te maken dat het zo’n vaart niet loopt met Jupiters ontrouw. De echtelieden keren snel terug naar de Olympus en Platée duikt vernederd onder in haar moeras.
Het werk is feitelijk een hybride van een opera, ballet en revue waarin specifieke typetjes mogen opdraven. Robert Carsen heeft dat laatste duidelijk als uitgangspunt genomen in zijn productie voor Theater an der Wien. Een opname van een voorstelling zonder publiek uit 2020 is uitgebracht op dvd.
Carsen heeft zijn Platée gesitueerd in de wereld van de haute couture, met veel glitter en glamour, fraaie creaties en paparazzi. Jupiter wordt ten tonele gevoerd als Karl Lagerfeld en met enige fantasie kunnen in Juno zijn tegenhanger Coco Chanel herkennen.
Platée is een travestierol, een kolfje naar de hand van Marcel Beekman die hiervan zijn specialisme heeft gemaakt. Zijn typering doet denken aan een personage uit de Britse tv serie Little Britain maar heeft onvermijdelijk ook wel wat weg van Dame Edna. De belangrijkste vrouwelijke hoofdrol is weggelegd voor La Folie, vertolkt door de sopraan Jeanine De Bique die in verschillende creaties opkomt waaronder natuurlijk ook Lady Gaga, kan niet missen.
Plaats van handeling in de eerste akte is een chic restaurant waar Platée als cliënte van een wellness salon wordt binnengebracht voor een manicure. Volledig overtuigd van haar eigen schoonheid valt ze iedereen lastig met haar avances. En in dat idee lijkt ze bevestigd te worden door Jupiter.
In de volgende aktes zien we een trap waarlangs Jupiter afdaalt en beneden een catwalk met tribunes aan weerszijden. Het is er voortdurend een drukte van belang. Met koor, dansers en figuranten is het zo nu en dan echt dringen geblazen.
Jupiter knijpt er even onopvallend tussenuit met een jonge meid voor een vluggertje in de bezemkast terwijl Platée zich volop loopt te verheugen in de belangstelling van de gasten. Ze voelt zich bewonderd en heeft geen vermoeden dat het slechts een spel is ten koste van haarzelf.
Beekman is helemaal in zijn element als de narcistische in een schijnwereld levende Platée die even de tijd van haar leven heeft. Hoeveel personen er ook op het toneel rond lopen, hij weet toch steeds alle aandacht op zich gericht te houden. Vooral door zijn spel, zijn zang is een ander verhaal aangezien hij niet zingt als een tenor maar als iemand die een vrouwenstem imiteert op een manier dat het nadrukkelijk klinkt als imitatie.
We moeten er lang op wachten maar als La Folie ten tonele verschijnt is er ook voor de reguliere operaliefhebber veel te genieten. Prachtig optreden van De Bique.
Het verhaal is klassiek maar de enscenering en dus ook de kostuums zijn eigentijds. Die lijn is doorgetrokken naar het ballet dat een schoolvoorbeeld is van moderne dans. De muziek is en blijft natuurlijk vroege barok en valt ruwweg uiteen in twee delen. Relatief onopvallende sterk herhalende begeleiding in de dialogen en zangstukken onderbroken door wervelende tussenspelen. Is men klaar met praten dan wordt er even gewerveld, tot vervelens toe mag ik wel zeggen.
Natuurlijk wordt het allemaal uitstekend gebracht door Les Arts Florissants onder leiding van William Christie, maar erg boeiend wordt het nooit. Gelukkig heeft Carsen alles uit de kast gehaald om er een leuk schouwspel van te maken en vooral dankzij Beekman is dat goed gelukt.
Foto’s Monika Rittershaus/Theater an der Wien Werner Kmetitsch
Deze opera van Benjamin Britten stamt uit 1954 en is gebaseerd op een novelle van Henry James uit 1898. De titel is ontleend aan de tekst waarmee James zijn ghost story inleidt en houdt op geen enkele wijze verband met het feitelijke verhaal. Het is opmerkelijk dat librettist Myfanwy Piper er niet een eigen titel voor heeft bedacht. Maar misschien was dat gewoon om mee te liften op de naamsbekendheid van James’ werk.
Ik zag de opera tweemaal in het theater, een uitstekende productie in De Munt (1998) en een eveneens geslaagde productie van de Reisopera (2002). Katie Mitchell regisseerde in 2005 een filmversie van het werk wat zeer veel mogelijkheden gaf om de geestverschijningen van de huisknecht Quint en de gouvernante Jessel in de handeling te betrekken.
Verder spelende kinderen op alle verdiepingen van het landhuis en in het omringende park, zeer sfeervol allemaal. Toch wist met name de voorstelling in De Munt me indertijd meer te boeien, onder meer vanwege het arrogante mannelijke gedrag van Miles als hij tijdelijk bewoond wordt door de geest van Quint.
De kinderen Miles en Flora zijn al vroeg wees geworden en het enig overgebleven familielid is hun oom. Die zal het huis wel hebben geërfd en daarmee de zorg voor de kinderen. Hij heeft het echter veel te druk daarvoor en neemt een nieuwe gouvernante aan die de nadrukkelijke boodschap meekrijgt dat ze de vrije hand heeft maar ook volledig verantwoordelijk is voor alles met betrekking tot de kinderen en het huis. Hij mag onder geen beding lastig worden gevallen.
Al gauw wordt duidelijk dat er iets niet klopt in dat huis. Bij zijn vertrek had de oom zijn huisknecht Quint de leiding gegeven en die had zich veel vrijheden veroorloofd met Miles en Miss Jessel. De gouvernante had zich zelf verdronken in een vijver en Quint was uitgegleden op het ijs en vermoedelijk op zijn achterhoofd gevallen. Daar was hij blijven liggen en pas de volgende ochtend dood aangetroffen. Dat is althans wat de nieuwe gouvernante uiteindelijk van de huishoudster Mrs Grose te horen krijgt.
We krijgen hier het fijne niet van mee maar het is niet onaannemelijk dat Miss Jessel zwanger was van Quint en dat ze hem tijdens een ruzie hierover had doodgeslagen. Gewoon onverwacht van achteren met een koekenpan, zoiets. En daarna zelfmoord gepleegd. Wat er tussen Quint en Miles is gepasseerd laat zich raden, misbruik in enigerlei vorm ligt voor de hand.
Sindsdien spoken die twee rond en proberen als verdoolde zielen hun leven te rekken door dat van de twee kinderen over te nemen. Mrs Grose heeft Flora daar al heel wat over horen uitkramen in haar dromen en als de nieuwe gouvernante vertelt een man te hebben gezien die door het raam naar binnen keek en hem daarbij tamelijk precies beschrijft, roept Mrs Grose iets in de trant van: kan die Quint ons nu niet eindelijk eens met rust laten. De twee schimmen hebben eigen zangpartijen en hebben ook een scène samen waarin ze elkaar verwijten maken.
Het einde van het verhaal is dat Mrs Grose met Flora vertrekt om haar in veiligheid te brengen voor Miss Jessel en de gouvernante Miles zover krijgt dat hij de geest toeroept: ‘Peter Quint, you devil!’ Helaas ligt hij daarna levenloos in haar armen. Opmerkelijk is de sensitiviteit van de gouvernante die de twee geesten ook daadwerkelijk lijkt te kunnen waarnemen. Niet echt natuurlijk maar ze bespeurt nadrukkelijk hun aanwezigheid en kan Quint zelfs heel precies beschrijven.
In het verhaal is de gouvernante een zeer jonge onervaren vrouw en de goed zingende Lisa Milne oogt duidelijk te volwassen voor deze rol, ook al was ze pas 34 tijdens de opname. Naast haar ziet de veel oudere Mrs Grose er onvoldoende uit als iemand die haar moeder had kunnen zijn. Die rol wordt goed ingevuld door Diana Montague. De twee kinderen Miles en Flora zijn prima gecast met de opvallend naturel acterende en goed zingende Nicholas Kirby Johnson en Caroline Wise. Het verdoemde koppel Quint en Jessel komt voor rekening van Mark Padmore en Catrin Wyn Davies.
Muzikaal heeft de opera de vorm van een openingsthema gevolgd door 15 variaties met titels als The window, The Lake, Colloquy and Soliloquy. Eenvoudig te begrijpen teksten worden afgewisseld met zeer cryptische, met name gezongen door Miles. Het klinkt sfeervol maar is bij wijlen toch wel een beetje minimalistisch, met name als er langere tijd sprake is van stil spel.
In de tijd van James moet men er bij het knapperend haardvuur wel een paar gevoelige zielen mee hebben kunnen ontregelen maar ruim een eeuw later is er van die spanning weinig meer over. Vooral voor liefhebbers van Brittens muziek.
Het City of London Sinfonia staat onder leiding van Richard Hickox.
Deze productie stond al ruimschoots aangekondigd voor de corona pandemie toesloeg en de nodige contracten zullen dan ook wel getekend zijn geweest. Niet onverwacht dus dat dit grote romantische werk van Gounod de eerste opera is waar het gezelschap zich aan heeft gewaagd. Bijna liep het nog mis maar op de dag van de première werd duidelijk dat de voorstellingenreeks groen licht kreeg. Zodoende viel er dinsdagavond een voorstelling in de Rotterdamse Schouwburg te beleven. Mijn laatste operavoorstelling dateerde van 21 maanden geleden en ik had dus alle reden hier naar uit te kijken. Muzikaal werd ik geheel en al op mijn wenken bediend, de enscenering bleef echter achter bij mijn verwachtingen.
Gounod laat de avond beginnen met het koor dat vooraf een korte toelichting geeft op hetgeen ons te wachten staat: ‘Vérone vit jadis deux familles rivales’. Feitelijk is dit een gezongen ouverture. Die is echter verplaatst naar de vierde akte en fungeert daar al tussentijdse evaluatie. Zodoende vallen we met de deur in huis, het feest ter gelegenheid van Juliettes verjaardag. Roméo is daar met een paar vrienden aanwezig als partycrashers. Hij voelt zich ongemakkelijk, heeft een slecht voorgevoel, maar Mercutio steekt daar de draak mee: ‘Mab, reine des mensonges’. En uiteraard komen die twee elkaar dan tegen en gaat de opera verder als Roméo et Juliette.
‘Ah! Quelle est belle’ zingt het koor, een zeer beweeglijke zangers groep die uitstekend wordt geregisseerd, als Juliette haar opwachting maakt. De jeugdig ogende sopraan Anna Emelianova neemt de draad over en introduceert zichzelf. Haar volgende solostuk is ‘Je veux vivre dans ce rêve’ waarin ze aangeeft nog niet aan een huwelijk toe te zijn, ook al is ze nu al vijftien. Emelianova laat hiermee direct blijken wat we van haar mogen verwachten: schitterende zang met kristalheldere stem gebracht. Toch een puntje van kritiek: ze heeft een grote stem en zou er goed aan doen hier en daar het volume iets te verminderen. In het vervolg is daar overigens niets meer van te merken, vooral ook doordat de rest van de avond bijna een doorlopend liefdesduet is waarin de intimiteit als vanzelf de toon zet.
Tenor Peter Gijsbertsen kon als Roméo goed meekomen met zijn Juliette. Zijn zang was uitstekend verzorgd al genereert een lichte resonans in zijn stem zo nu en dan een wat larmoyante bijklank. Zijn vriend Mercutio werd vertolkt door bariton Edwin Fardini, vooral mooi op dreef in zijn lied over koningin Mab die je in je dromen zo in de war kan brengen.
Een opvallende rol was weggelegd voor Stéphano, de page van Roméo, een leuk geacteerd optreden van Maria Warenberg die plotseling ook heel mooi blijkt te kunnen zingen. Met haar lied ‘Que fais tu, blanche trourterelle?’ waarin het hof van de Capulets heel pesterig wordt vergeleken met een gierennest waarin een tortelduifje gevangen zit, zorgt ze onbedoeld voor de fatale wending in het verloop. Even later zijn er twee doden te betreuren en hebben beide families weer een nieuw streepje op de vergeldingsbalk kunnen zetten.
Niemand weet natuurlijk hoe het zo gekomen is tussen die Capulets en Montaigues. En in de productie van Julien Chavaz blijft dat ook zeer ongewis. We zien gewoon een stel jongelui op het toneel die toevallig mot met elkaar lijken te hebben. Gewoon een nogal mak stelletje zonder een spoor van macho uitstraling.
Dat wordt overigens versterkt door de kostumering die geheel in lijn is met de decors. Een reeks afhangende stoffen bogen suggereert een toneel met diepte, zoiets als je bijvoorbeeld in Vincenza kunt zien om even dichtbij Verona te blijven. Die zijn uitgevoerd in pasteltinten, oplopend van rose via lila naar lichtpaars, weke kleuren derhalve.
De kostumering is weinig flatteus en ook nog eens in kleuren die een hybride vormen van jaren zeventig en DDR fletsheid. Dat koor komt er wel mee weg maar met name Roméo staat er op het punt van charismatische uitstraling helemaal alleen voor. Ook Juliette wordt niet echt geholpen door haar kostuum, die had ik toch wel een leuk jurkje gegund. Als contrast met Gounods muziek was een wat minder week makend toneelbeeld beslist welkom geweest.
Gelukkig ziet het er in de laatste akte wat grimmiger uit met een tweetal vitrines die rechtop staande doodskisten voorstellen. Juliette staat in de ene als Roméo verschijnt. Nadat hij zichzelf heeft vergiftigd en zij zichzelf heeft neergestoken, zien we het gedoemde koppel naast elkaar staan. Het is een sterk beeld dat goed in lijn is met de onderliggende bijdrage van het orkest. Dat is overigens de philharmonie zuidnederland dat een uitstekende avond beleefde. Veel lof voor dit orkest en zijn dirigent Philipp Pointner.
Muzikaal een zeer geslaagde avond met bij wijlen sterke personenregie, met name van het koor.
Benjamin Britten was een overtuigd pacifist en zijn voorlaatste opera Owen Wingrave uit 1970 is een indrukwekkend pleidooi voor deze levenskeuze. Het werk werd indertijd uitgebracht als televisiefilm en die opzet werd in 2001 herhaald in een film met Gerald Finley in de titelrol, op dvd verschenen bij Arthaus (100373).
Wingrave is de enig overgebleven mannelijke erfgenaam van een ‘soldatengeslacht’ dat zich erop beroept al voor god en vaderland te hebben gestreden sinds de middeleeuwen. Owens vader is gesneuveld bij El Alamein, de verloofde van zijn tante en de vader van zijn eigen verloofde Kate zijn eveneens omgekomen in een van de vele oorlogen die Engeland heeft gevoerd in alle uithoeken van de wereld. Zowel de mannen als hun vrouwen zien dit als een keuze: sneuvelen voor het god gegeven recht om over de wereld te heersen is een plicht en een eer.
Owen is in 1958 op de militaire academie beland en begint te twijfelen aan zijn lotsbestemming. Opgeleid worden om leiding te geven aan destructieve activiteiten vervult hem steeds meer met weerzin. Als zijn vriend Lechmere het hele oorlogsgebeuren loopt op te hemelen waarin de vijand moet worden verpletterd, herinnert hij hem eraan dat wijzelf ook de vijand zijn.
Als Owen zijn besluit kenbaar maakt bij Spencer Coyle, de hoofddocent van het officiersklasje waarin hij sinds een paar maanden het vak leert, stuit dat op onbegrip en verontwaardiging. Maar die storm zinkt in het niet vergeleken met de orkaan die hem te wachten staat in het voorvaderlijk landhuis Paramore waar hij wordt ontboden door zijn tante, een ijzer vretende furie. Daar wonen ook moeder en dochter Julian, een oorlogsweduwe die haar kind in relatieve armoede heeft grootgebracht en nu al haar hoop heeft gevestigd op het voorgenomen huwelijk van dochter Kate met haar jeugdvriendje Owen om eindelijk uit de geldzorgen te raken.
Het hele huis hangt vol portretten van strijdende en gesneuvelde voorouders waaronder degene die zijn zoon, een kind nog, heeft doodgeslagen toen hij had gezien dat die weigerde te vechten met een speelkameraadje. De man was op onverklaarbare wijze zelf ook overleden, was dood aangetroffen in het kamertje waar hij zijn kind had bestraft. Sindsdien is die kamer niet pluis, het spookt er, de geesten van die twee waren er rond.
Owens grootvader gaat door het lint als hij hoort wat zijn kleinzoon zich in zijn hoofd heeft gehaald maar vooral dat hij de eer van dit grote soldatengeslacht bij de vuilnisbak wil zetten. Gevolg is dat Owen wordt onterfd en Kate zich ter plekke in de armen van Lechmere stort, niet rijk maar wel een echte man die haar een eerbaar bestaan als officiersvrouw kan bieden.
Uiteraard is dat emotionele chantage maar Owen geeft geen krimp. Als ze hem later uitmaakt voor lafaard omdat hij niet in de ‘spookkamer’ durft te slapen, geeft hij toe. Hij heeft zijn pleit immers beslecht en impliciet ook afgerekend met de loodzware druk van zijn voorgeslacht. Kate doet de deur achter hem op slot maar als ze spijt krijgt en die na een tijdje weer opent blijkt Owen te zijn gestorven. De strijd die je als pacifist voert tegen het militaristische gewoonte-gelijk is nooit gestreden en kan niet door een enkel individu gewonnen worden.
De film is opgenomen op verschillende locaties. We zien het officiersklasje, een paar oorlogsmonumenten in Londen en het landhuis Paramore van binnen en buiten. De zangers zijn vooral acteurs, meestentijds horen we hen wel maar zien we hen niet zingen. Elke interne monoloog komt zodoende zeer natuurlijk over. Het huis vol met portretten, waaronder ook die van de kolonel en zijn zoontje, dragen bij aan verstikkende sfeer waarin Owen zijn strijd moet voeren.
Finley geeft een uitstekende vertolking van de titelheld en Josephine Barstow leeft zich geweldig uit in de rol van de in haar eigen gelijk vastgeroeste tante. Bij Kate en haar moeder kan je nog in aanmerking nemen dat ze een financieel voordelig huwelijk aan zich zien ontglippen maar tante heeft alleen maar oog voor de militaire eer. Een Wingrave dient te sneuvelen en in het gunstigste geval overleeft hij een leven vol gevaar. In dat opzicht is ze bijna nog strijdbaarder dan haar vader, Sir Philip Wingrave, tamelijk voorspelbaar vertolkt door Martyn Hill. Die heeft nog prachtige herinneringen aan de Eerste Wereldoorlog, zo blijkt als hij vol enthousiasme spreekt over de keer dat hij in 1915 zijn troepen aanvoerde in een grote aanval. Hij heeft het in elk geval overleefd, de meeste anderen niet.
Toevallig had ik recent de mooi ingehouden film ‘1917’ gezien over een incident dat weergaloos wordt verfilm in een doorlopend shot en waarin de waanzin van de loopgravenoorlog zonder enig commentaar in beeld wordt gebracht. Zodoende kon ik om die karikaturale oude Wingrave eigenlijk alleen maar glimlachen, typisch een voorbeeld van ‘the monocled idiot’ waarvan er in de Vlaamse modder zoveel rondstruinden.
Coyle, vertolkt door Peter Savidge, keurt Owens keuze af maar kan nog wel waardering opbrengen voor zijn strijdbaarheid. Zijn vrouw vindt het allemaal heel vreselijk en zou willen dat ze nooit naar Paramore waren gekomen om te assisteren bij het klein krijgen van die weerbarstige Owen. Anne Dawson ziet al haar mans pupillen als ware het (tijdelijk) haar zonen maar moet er stiekem niet aan denken dat een echte zoon naar het slagveld gestuurd zou worden.
Charlotte Hellekant laat als Kate haar verloofde en jeugdvriendje Owen vallen als een baksteen als morele pressie niet helpt. Haar opportunistische toenadering tot de gretige Lechmere is schrijnend om te zien. Owen weet zich nu alleen, letterlijk weggezet als afvallige door zijn tante. Alles is hij kwijt en in een futiele poging tot rehabilitatie laat hij het leven. Een pacifist is geen lafaard, zo stelt hij. Maar de pressie kan hen wel teveel worden.
Dit is een prachtige opera met een indrukwekkende inhoud. De verfilming geeft een extra dimensie aan het geheel waardoor je er volledig door gegrepen wordt.
Kent Nagano geeft leiding aan het Deutsches Symphonie-Orchester Berlin.
In 1920 stuurde Hugo von Hofmannsthal een uitgewerkt scenario naar de componist met de titel ‘Danae oder die Vernunftheirat’. Ondanks dat Strauss zich hierover zeer lovend uitliet, bleef Danae lange tijd liggen.
Joseph Gregor
Na de dood van Von Hofmannsthal in 1929 moest Strauss op zoek naar een andere librettist. Op aangeven van Stefan Zweig kwam hij terecht bij Joseph Gregor. Die kon echter niet in de schaduw staan van Von Hofmannsthal en Strauss was dan ook allerminst tevreden over de samenwerking. De nieuwe librettist bewerkte het scenario van Danae ingrijpend, waarna Strauss in 1937 met componeren begon. Op 28 juni 1940 werd de compositorische arbeid aan Danae beëindigd. Vervolgens bleef het werk liggen, naar verluidt omdat Strauss het pas geruime tijd na het einde van de oorlog opgevoerd wilde hebben.
De opera is een heitere Mythologie en combineert twee thema’s: het Midasverhaal en de Danae-mythe, waarin Jupiter, altijd op vrijersvoeten, Danae bezoekt in de vorm van een gouden regen en haar bezwangert, waarna Perseus geboren wordt. Goud is in deze synthese van mythen het leidmotief. De muziek laat zich beluisteren als een ware anthologie van straussiaanse thema’s, voor ingewijden een feest van herkenning. Het is zeker niet één van de meest toegankelijke werken, maar dat geldt bijvoorbeeld evenzo voor Die Frau ohne Schatten.
Jupiter is in de operaversie van de mythe al wel aan Danae verschenen, maar heeft haar nog niet zwanger gemaakt. Om zijn jaloerse vrouw Juno te slim af te zijn, stuurt hij Midas op Danae af om in zijn plaats met haar te huwen. Later zullen beide heren dan van plaats wisselen. Dat wil zeggen: Midas gaat weer naar huis en Jupiter blijft bij Danae.
Midas staat bij Jupiter in het krijt vanwege de hem verschafte gave om zaken in goud te kunnen laten veranderen. Om die reden is Midas voor de vader van Danae, de berooide koning Pollux, een ideale huwelijkskandidaat. Hij heeft zelfs vier neven, collega-koningen, naar Midas gestuurd met een portret van Danae om hem over te halen naar haar hand te dingen. In dat opzicht lijkt het verhaal een beetje op dat van Arabella.
Uiteindelijk verraadt Midas alles, niet in staat om zich beheersen omdat hij zelf voor Danae is gevallen. Uit wraak verandert Jupiter Midas’ gave zodanig dat nu álles wat hij aanraakt in goud verandert, dus ook Danae. Maar na enig soulsearching verzacht Jupiter zijn wraak door Danae weer tot leven te wekken en weg te laten gaan met Midas, die hij heeft terug veranderd in een berooide ezeldrijver.
Jupiter probeert Danae daarna nog een keer voor zich te winnen, maar haar liefde voor Midas is sterker dan haar liefde voor rijkdom. Een romantisch slot derhalve.
De opkomst van de vier neven met hun echtgenotes zorgt in de eerste akte voor de nodige opwinding. De vier koninginnen Semele, Europa, Alkmene en Leda vormen een hilarisch stel. Alle vier hebben ze een liefdesaffaire met Jupiter gehad en ze doorzien hem dan ook onmiddellijk en maken tijdens het verdere verloop van de handeling voortdurend gebruik van zijn nabijheid om te proberen hem tot een nieuw avontuurtje te verleiden. Zelfs in de derde akte laten ze hem niet met rust, reizen hem na als hij op zoek gaat naar Danae.
Danae heeft een prachtige lange solo, waarin ze haar goudenregendroom bezingt voor haar dienares Xanthe. Bij vlagen is deze scène een soort Zdenka-Arabella-duet van twee gelijkwaardige sopranen.
De rol van Midas is geschreven voor tenor en klinkt een stuk minder onvriendelijk voor de zanger dan veel andere muziek die Strauss voor dit stemtype heeft geschreven. In de dialoog met zijn tegenstrever Jupiter kan hij zich goed weren, maar de eer gaat toch naar de bariton, net als zo vaak bij Verdi het geval is..
In 2011 was ik bij de première van een nieuwe productie van dit werk in de DOB. Deze kwam voor rekening van toenmalig intendant Kirsten Harms die zoals te verwachten Manuela Uhl in de titelrol had gecast. Een opname van de voorstelling is door
Opvallend detail in het toneelbeeld is de vleugel die omgekeerd aan het plafond hangt. Die is opgehesen tijdens het pandemonium waarin de schuldeisers alles proberen mee te nemen dat enige waarde lijkt te hebben. Die vleugel toont de volledige ontreddering van het hof van Pollux. Harms volgt het libretto vrij nauwgezet, er is in elk geval veel goud te zien, met name in de gewaden van Danae en Midas.
Verder is de kostumering vooral eigentijds waarbij de vier koninginnen getoond worden als barbiepoppen in witte cocktailjurken en met hoog opgestoken platinablonde haren. De avonturen die zij elk met Jupiter hebben beleefd liggen al enige tijd achter hen maar zijn nog springlevend in hun herinnering. Hoe geweldig was het niet toen hij hen bezocht in de gedaante van een wolk (Semele), een stier (Europa), een zwaan (Leda) of gewoon als hun echtgenoot.
Dat laatste was het geval bij de zwangere Alkmene die door Jupiter opnieuw bezwangerd werd zodat ze gelijktijdig twee zonen baarde met verschillende vaders. Stuk voor stuk zijn dit verhalen die in de mythologie geheel op zichzelf staan en gecombineerd met de mythes van Midas en Danae lopen er dus in totaal zes door elkaar. In comic book termen zou je kunnen spreken van de ultieme cross over.
Manuela Uhl is een prachtige Danae, een wendbare sopraan met een fraai timbre en een plaatje om naar te kijken. Matthias Klink weet de rol van Midas een grote emotionele lading te geven gepaard aan sterke zang. Mark Delavan overtuigt als manipulerende oppergod die echter niet goed opgewassen is tegen het opdringerige gedrag van zijn vier exen en duidelijk de hulp van Merkur, mooie kleine rol van Thomas Blondelle, nodig heeft om de schade van zijn optreden te beperken.
Andrew Litton heeft de muzikale leiding. Deze opera is niet vaak ergens te zien en alleen al daarom voorziet deze opname voor Straussianen in een behoefte.
Met een lange vertraging is er door Naxos in 2021 een opname van Mathis der Maler in Wenen op BluRay uitgebracht en de productie van Keith Warner uit 2012 is het wachten meer dan waard geweest. Warner omschrijft zichzelf als een ‘dyed in the wool’ atheist en beziet de religieuze component van de opera vooral door een antropologische bril. Als zaken zoals devotie rond de gekruisigde christus en heiligenverering voor zoveel mensen een belangrijke rol in hun leven spelen, dan is het zaak daar serieus naar te kijken. Ik kan het daar alleen maar van harte mee eens zijn, past volledig in mijn eigen beleving van dat merkwaardige verschijnsel religie.
Matthias Grünewald zelfportret
Het personage Mathis uit de titel is losjes gebaseerd op de schilder Matthias Grünewald, die vooral bekend is geworden van zijn altaarstuk voor het klooster van Isenheim. Dit drieluik toont de ‘verzoeking van de heilige Antonius’. Vermoedelijk heeft Grünewald hieraan gewerkt in de ongeveer vijf jaar die direct aan het begin van de door Luther geïnitieerde Reformatie (1517) voorafgingen. Grünewald was in dienst van de aartsbisschop van Mainz en werd naar verluidt door hem ontslagen wegens reformatorische sympathieën.
This Artwork is published by bgs artMedia, a leading marketplace for fine art reproductions and unique wall art.
Tegen de achtergrond van de worsteling van de lutheranen om hun nog wankele beweging te versterken ten koste van de Rooms-Katholieke Kerk en de boerenopstanden die zich als een olievlek over de Duitse vorstendommen verspreidden, speelt zich de artistieke crisis af waarmee de titelfiguur te kampen heeft. Kan Mathis als kunstenaar simpelweg volstaan met zijn roeping volgen, in zijn geval schilderen, of heeft hij hogere verplichtingen aan de maatschappij? Hierin spiegelt zich Hindemiths eigen dilemma: wat kan ik als componist anno 1938 doen in het aanschijn van een wereld vol geweld en onrecht?
Het Isenheim altaar is een fenomeen in de kerkelijke kunstgeschiedenis, thans te bewonderen in Colmar na net zo vaak van land te zijn gewisseld als de stad zelf. Wat permanent getoond wordt is het primaire beeld, een afbeelding van christus aan het kruis geflankeerd door de heiligen Sebastiaan en Antonius. Door achtereenvolgens tweemaal panelen open te klappen worden het secundaire en tertiaire beeld zichtbaar. Die christus aan het kruis is door Warner als het ware uit het tafereel gehaald en als pars pro toto in de vorm van een gigantisch beeld op het toneel geplaatst. Het doet denken aan die enorme reclining Buddha’s die je in Myanmar aantreft.
Het beeld beheerst het volledige toneel maar doordat dit kan draaien kijken we soms tegen de achterkant aan waardoor het gedeeltelijk uit het zicht verdwijnt. Ook selectieve belichting bewijst in dit opzicht goede diensten in sommige scènes.
Mathis’ atelier oogt als een puinhoop waarin zich in de schaduw van het grote beeld de eerste scène afspeelt: Mathis biedt de opstandelingenleider Schwalb hulp om te ontsnappen aan zijn achtervolgers. Het hof van kardinaal Albrecht zit aan de ander kant van het draaitoneel en oogt heel wat beter. Mooie scène tussen Roomsen en Lutheranen met als apotheose de boekverbranding waarvan de Lutheranen zeggen dat het slechts papier is dat wordt vernietigd, de ideeën leven voort.
Mathis sluit zich aan bij de opstandige boeren maar is daar zoals verwacht niet op zijn plaats. Het blinde geweld vervult hem met afschuw. In een andere verhaallijn proberen de Lutheranen Albrecht aan Ursula te koppelen, de dochter van de rijke Lutherse burger Riedinger. Dat lukt niet, hij blijft trouw aan ‘zijn’ kerk maar trekt zich terug in een leven als kluizenaar.
Mathis vraagt zich af wat er geworden is van de schilder die het altaarstuk van Isenheim heeft gemaakt. In een visioen ondergaat hij verschillende verzoekingen, alsof hij de plaats heeft ingenomen van de heilige Antonius uit zijn eigen altaarstuk. Nadat hij op die wijze is geconfronteerd met weelde, roem, kennis en sensuele genoegens, verschijnt Albrecht, die hem zegt: ‘Ga heen en schilder.’ Eenmaal ontwaakt staat Albrecht in werkelijkheid bij hem en biedt Mathis verblijf in zijn woning aan. Deze weigert dit. Hij voorvoelt zijn naderende einde, neemt symbolisch afscheid van alle wereldlijke geneugten en vertrekt om zijn laatste dagen in eenzaamheid door te kunnen brengen.
Ursula gaat na de afwijzing door Albrecht op zoek naar haar oude liefde Mathis en komt in zijn visioen terug als bedelaar, hoer en martelaar. Dat maakt Ursula tot een belangrijke rol en de door mij zeer bewonderde Manuela Uhl stelt niet teleur met een ronduit schitterende vertolking van dit beproefde personage. Uhl heeft een prachtige heldere stem met een mooi herkenbaar timbre, zoiets als Cheryl Studer vroeger. Alleen al haar aanwezigheid is voldoende reden deze opname te bekijken.
Wolfgang Koch is een uitstekende Mathis maar ik vind zijn voorkomen te weinig artistiek, nauwelijks te onderscheiden van de leider van de opstandige boeren Schwalb, gezongen door de tenor Raymond Very.
Tenor Kurt Streit neemt kardinaal Albrecht voor zijn rekening. Hij heeft niet echt de uitstraling van een kerkvorst en het lamenteren over geldgebrek, vooral nu die lastige Luther het verkopen van aflaten aan de kaak heeft gesteld, bevestigt dit beeld. Streit zingt op zich goed maar mist allure, klinkt teveel als een straatvechter.
In historisch opzicht is kardinaal Albrecht von Brandenburg het meest interessante personage. Op jeugdige leeftijd wist hij voor veel geld en dankzij enorme politiek patronage het ambt van aartsbisschop van Mainz te verwerven. Om hem tegemoet te komen kreeg hij van de paus wel ruime rechten tot het verkopen van aflaten maar niettemin zat hij van meet af aan diep in de schulden. De gedachte hem voor het Lutheranisme te strikken, een geloofsrichting waar hij zeker niet afwijzend tegenover stond, door hem te laten trouwen met een rijke burger komt dus niet uit de lucht vallen. Het zou maar zo kunnen dat men dit inderdaad heeft geprobeerd.
Het is een prachtige voorstelling, deze Mathis uit Wenen, echt een aanwinst. Over de gehele linie vocaal van hoog niveau, solisten, het Slovaaks Philharmonisch koor en de Wiener Symphoniker. En prachtig om te zien.
De muzikale leiding is in handen van Bertrand de Billy.
Op 18 oktober kwam plotseling het bericht dat Edita Gruberova was overleden. De meeste operaliefhebbers zullen wel een bepaalde herinnering hebben aan deze fantastische belcanto sopraan en ik vorm daarop geen uitzondering.
Tegen het einde van de vorige eeuw voegde Gruberova de rol van Elisabeth I toe aan haar repertoire, aanvankelijk in concertante uitvoeringen maar in december 2000 vond in Staatsoper Wien de première plaats van een nieuwe productie van Roberto Devereux in de regie van Silviu Purcarete met de stersopraan als Elisabetta. Ik had een kaartje voor een voorstelling in de eerste week van 2001 maar moest de reis annuleren wegens ziekte. Zodoende duurde het tot najaar 2006 voor ik Gruberova alsnog in Wenen kon meemaken, de enige keer dat mij dat vergund is gebleven. Het was een gedenkwaardige avond, mede door mooi weerwerk van Joseph Calleja in de titelrol.
Inmiddels had ook München dit werk geprogrammeerd, een productie van Christof Loy en ook daar was Gruberova natuurlijk van de partij. Van een voorstelling in 2005 is een opname gemaakt die door DG is uitgebracht op dvd zodat deze glansrol uit het latere gedeelte van de carrière van de belcantoster voor het nageslacht bewaard is gebleven.
Gruberova liep toen al tegen de zestig wat haar als vanzelf een mooie typecast maakte voor de Engelse vorstin op leeftijd die in Roberto Devereux centraal staat. Het libretto maakt losjes gebruik van de historische gebeurtenissen rond het einde van de zestiende eeuw, toen Devereux, Earl of Essex, een staatsgreep ondernam nadat hij bij Elisabeth in ongenade was gevallen. Aangezien Essex een van haar jonge favorieten was geweest, ontstond ruimte voor een liefdesgeschiedenis.
De inmiddels al bijna zeventig jaar oude Elisabeth wordt in de opera neergezet als een jaloerse verliefde vrouw die onbeantwoorde liefde verwart met landverraad. Doordat Roberto niet zwicht voor haar emotionele chantage tekent hij zijn eigen doodvonnis.
De historische Elisabeth was naar verluidt een wispelturige vrouw die permanent jongleerde met de mannen om haar heen om zodoende de touwtjes in handen te houden. Ook stond ze bekend om een bijna pathologische jaloezie jegens iedereen die ze als rivale beschouwde. Met die gedachte in het achterhoofd is het gedrag van de vorstin in deze opera beter te duiden.
Loy brengt het werk als kameropera in een moderne setting. Vrouwen in mantelpak, mannen in office suits, exemplaren van tabloid The Sun met paginagroot ‘The seducer returns’. Alleen in de laatste scène verschijnt Elisabeth in een lange zwarte jurk, alsof ze al in rouw is. Hoewel Roberto zeer veel jonger is dan zijzelf, in werkelijkheid scheelden die twee meer dan 30 jaar, gedraagt Elisabeth zich als een vrouw die na jaren haar minnaar weer terug ziet.
Het komt wat ongeloofwaardig over maar wellicht had de Earl of Essex haar ook wel een beetje in de waan gelaten dat de liefde wederzijds was om zodoende in de gunst te blijven. Inmiddels is deze jongeman ziek van het feit dat zijn geliefde Sara in zijn afwezigheid is uitgehuwelijkt aan de hertog van Nottingham, nota bene zijn vriend, maar onwetend van de reeds bestaande liefde tussen Roberto en Sara die in alles de tegenpool van Elisabeth is, een jonge vrouw in de kracht van haar leven.
Gruberova maakt er een adembenemend optreden van waarbij ook de uitstapjes naar de vocale stratosfeer met volledige beheersing worden volbracht. Naar verluidt was dit in die jaren haar lievelingsrol en ze legt er heel haar ziel en zaligheid in.
Wat meewerkt is het realistische karakter van het verhaal, geen waanzinscène, tijdelijk geheugenverlies, spoken en geesten maar gewoon een eenzame verliefde vrouw die in haar leven nooit een gelijkwaardige liefdesrelatie heeft gekend. Tot op het laatst leef je met haar mee, met name in de derde akte als ze haar koninklijke waardigheid heeft afgelegd en zich realiseert dat ze haar geliefde daadwerkelijk de dood in heeft gejaagd.
Roberto Aronica overtuigt als de eigenzinnige Essex die erop rekent dat Elisabetta hem ook deze keer wel in bescherming zal nemen tegenover het parlement. Dat zijn vroegere geliefde Sara zo onhandig is hem een shawl te geven die door haar echtgenoot kan worden herkend moeten we haar maar niet aanrekenen. Dat hijzelf zo kortzichtig is om haar die levensreddende ring te geven getuigt van weinig inzicht in zijn wankele positie. Als hij beseft dat zijn poging alsnog gratie te krijgen is mislukt gaat hij op meeslepende wijze van hoop over in berusting en trekt daarbij alle registers open. Heel romantisch wordt benadrukt dat hij niet zozeer de dood vreest – die heeft hij al zo vaak in de ogen gezien – maar dat de mogelijkheid om Sara’s reputatie te redden hem ontnomen wordt.
Het tweede koppel komt voor rekening van Jeanne Piland als Sara en Albert Schagidulin als haar echtgenoot de Duke of Nottingham. Elisabetta heeft Sara tegen haar zin aan hem uitgehuwelijkt en ze heeft zich in haar lot geschikt. Maar Roberto’s terugkeer aan het hof haalt alles overhoop met alle gevolgen van dien. Hun enorme ruzie in de derde akte geeft hen de gelegenheid tijdelijk alle aandacht op zich te vestigen. Beiden halen royaal het niveau van de twee hoofdrolspelers, mooi gecast.
Behalve deze paraderol wil ik als Strauss liefhebber natuurlijk Gruberova’s Zerbinetta niet ongenoemd laten. Ik koester de opname uit 1988 van Ariadne auf Naxos onder Kurt Masur al meer dan 30 jaar, natuurlijk ook vanwege Jessye Norman als Ariadne. Het is een vertolking van dit vaudeville type waar ik niet snel op uitgeluisterd raak.
François-Xavier Roth dirigeert het Gürzenich Orchester Köln in twee werken van Richard Strauss die nadrukkelijk deel uitmaken van het erfgoed van dit orkest. Don Quixote beleefde hier in 1898 zijn Uraufführung, evenals een paar jaar eerder die van Till Eulenspiegels lustige Streiche. Roth sluit hiermee een trip down memory lane af. Eerder nam hij al de Derde en de Vijfde van Mahler op die onder leiding van de componist in 1902 respectievelijk 1904 hun premières beleefden bij dit orkest.
Beide stukken hebben de grillige avonturen van denkbeeldige helden als onderwerp, legendarische personages die in veel opzichten tot het genre van de schelmenroman gerekend kunnen worden.
Don Quixote is wel beschouwd een orkestsuite in 13 delen voor cello en altviool. Hiervoor zijn cellist Jean-Guihen Queyras en altvioliste Tabea Zimmermann aangetrokken. De cello vertegenwoordigt hierin bijna vanzelfsprekend de rol van de meester terwijl zijn knecht Sancho Panza tot leven wordt gebracht door de altviool, bijgestaan door een tuba en basklarinet om het onbeholpen karakter van deze sukkelige figuur te benadrukken.
Na de introductie passeren de belangrijkste episodes uit Cervantes’ roman de revue om te eindigen met de dood van de titelheld. Of was het misschien toch maar een kwade droom?
Till Eulenspiegel is een kort concertstuk zonder solist in de vorm van een rondo. Till wordt gekarakteriseerd door twee motieven. Het eerste bij wijze van introductie is een wat gehaast klinkende hoornsolo. Het tweede komt voor rekening van een ondeugend klinkende klarinet.
Ter aanvulling is nog de Romanze voor cello en orkest (TrV 118) uit 1883 toegevoegd waarmee de totale speelduur op 64 minuten wordt gebracht. Voor liefhebbers van Strauss een aanrader.
Richard Strauss: Don Quixote & Till Eulenspiegel Tabea Zimmermann (viola), Jean-Guihen Queyras (cello), Gürzenich-Orchester Köln olv François-Xavier Roth Harmonia Mundi HMM902370
Het Orkest van de Achttiende Eeuw is momenteel op tournee met een pastiche van twee Mozart opera’s: de korte eenakter Der Schauspieldirektor en Die Zauberflöte. Aangezien het plannen van een volledige Toverfluit in deze tijd teveel risico inhield, heeft men zich beperkt tot de meest aansprekende aria’s uit Mozarts zwanenzang, aangevuld met het vaudeville niemendalletje over een theaterdirecteur die audities laat doen voor zijn gezelschap. Die opzet is tevens als aanleiding gebruikt om een reeks zangers die andere aria’s te laten zingen.
Roberta Alexander treedt op als Schauspieldirektorin en laat een reeks kandidaten opdraven om hun kunnen te tonen. Het geheel wordt aan elkaar gepraat om er een beetje eenheid in te krijgen. Ik woonde de voorstelling in De Doelen bij en was voorin de zaal gaan zitten. Naar verluidt was de verstaanbaarheid van de gesproken teksten, ondanks de versterking, nogal matig in andere theaters. Zelf heb ik zodoende in elk geval alles kunnen volgen en het moet me van het hart dat die anderen weinig hebben gemist. Het gesproken deel is van een niveau dat niet uitstijgt boven dat van een zelfgeschreven middelbare school voorstelling uit de jaren zestig, ik spreek uit ervaring. Maar lichaamstaal en stil spel van de zangers maakt zoveel goed dat je die teksten prima kan missen.
Jeroen de Vaal is als eerste aan de beurt en zingt Tamino’s aria ‘Dies Bildnis’. Of hij misschien ook iets in het Italiaans kan zingen? Zeker, dat kan hij en dan volgt de concertaria ‘Con osequio, con rispetto’. Jeroen is nerveus en heeft zijn vriendin meegebracht, die overigens nog nerveuzer lijkt dan hijzelf. Ze blijkt zelf ook aardig te kunnen zingen, wat een geluk. Ilse Eerens vertolkt vervolgens Pamina’s ‘Ach ich fühl’s’ en natuurlijk in het Italiaans ‘Chi sa, chi sa, qual sia’. Beide Italiaanse aria’s geven een mooi contrast met die gedragen Zauberflöte topstukken.
Zo gaat het spel verder. Henk Neven komt met ‘Der Vogelfänger bin ich ja’ en wordt in de wacht gezet, eerst Monostatos. Zodra Jan-Willem Schaafsma de gewraakte passage begint te zingen over de ‘zwarte man’ die in een ‘blanke omgeving’ niet aan de vrouw kan komen, natuurlijk ook nog eens omdat hij onderaan de sociale ladder staat in Sarastro’s paradijselijke maatschappij, tikt Alexander af. Schaafsma heeft echter een alternatieve tekst in het Nederlands achter de hand waarin het de buffo is die die nooit aan zijn trekken komt. Gelukkig heeft hij het off stage beter getroffen.
Berend Eijkhout komt op om te auditeren voor Sarastro maar in die vrouwonvriendelijke babbelaar heeft Alexander geen belangstelling. In plaats daarvan klinkt ‘Per questa bella mano’, een curieuze aria waarin de bas wordt begeleid door een contrabas, voorbeeldig gespeeld door Margaret Urquhart. Dat valt in de smaak en als dank mag Berend ook nog een meezinger ‘Ich möchte wohl der Kaiser sein’ ten gehore brengen, beetje alla turca waar alle zangers zich uiteindelijk in mengen en ook het orkest zich van zijn jolige kant laat zien.
Neven wurmt zich er tussen met ‘Ein Mädchen oder Weibchen’ en mag daarna nog samen met Eerens het duet ‘Bei Männern’ ten gehore brengen, waarbij de Vaal duidelijk jaloers is (stil spel!). Tenslotte komt Anne Sophie Petit met opgestoken zeil haar woede uiten omdat die hele Zauberflöte plotseling gecanceld blijkt te zijn, ja corona hè. ‘Der Holle Rache’ is hier wel op zijn plaats natuurlijk.
Na de pauze volgt de Duitse dans nr. 6, voluit alla turca ditmaal. En Katharine Dain die te laat is gekomen voor de audities zingt moederziel alleen dan maar de wonderschone aria ‘L’amero’ uit Il re pastore. Na weer wat amateurtoneel volgt tenslotte de complete Schauspieldirektor waarin Dain en Petit elkaar vocaal naar het leven staan. In ‘Ich bin die erste Sangerin’ probeert Jan-Willem Schaafsma de kijvende sopranen uit elkaar te houden. Dat lukt hem zowaar zonder gekrabd te worden.
Muzikaal is de pastiche een zeer geslaagde voorstelling. Je moet er vooral naar toe omdat er uitstekend wordt gezongen over de gehele linie. Door zangers er uit te lichten zou ik anderen te kort doen. Het orkest onder leiding van Kenneth Montgomery speelt als vanouds en gaat goed mee in de kleine muzikale grapjes die er zo nu en dan worden gemaakt. Al met al een vermakelijke avond.