François-Xavier Roth

Nieuwe uitgave Don Quixote door Harmonia Mundi

Tekst: Peter Franken

François-Xavier Roth dirigeert het Gürzenich Orchester Köln in twee werken van Richard Strauss die nadrukkelijk deel uitmaken van het erfgoed van dit orkest. Don Quixote beleefde hier in 1898 zijn Uraufführung, evenals een paar jaar eerder die van Till Eulenspiegels lustige Streiche. Roth sluit hiermee een trip down memory lane af. Eerder nam hij al de Derde en de Vijfde van Mahler op die onder leiding van de componist in 1902 respectievelijk 1904 hun premières beleefden bij dit orkest.

Beide stukken hebben de grillige avonturen van denkbeeldige helden als onderwerp, legendarische personages die in veel opzichten tot het genre van de schelmenroman gerekend kunnen worden.

Don Quixote is wel beschouwd een orkestsuite in 13 delen voor cello en altviool. Hiervoor zijn cellist Jean-Guihen Queyras en altvioliste Tabea Zimmermann aangetrokken. De cello vertegenwoordigt hierin bijna vanzelfsprekend de rol van de meester terwijl zijn knecht Sancho Panza tot leven wordt gebracht door de altviool, bijgestaan door een tuba en basklarinet om het onbeholpen karakter van deze sukkelige figuur te benadrukken.

Na de introductie passeren de belangrijkste episodes uit Cervantes’ roman de revue om te eindigen met de dood van de titelheld. Of was het misschien toch maar een kwade droom?

Till Eulenspiegel is een kort concertstuk zonder solist in de vorm van een rondo. Till wordt gekarakteriseerd door twee motieven. Het eerste bij wijze van introductie is een wat gehaast klinkende hoornsolo. Het tweede komt voor rekening van een ondeugend klinkende klarinet.

Ter aanvulling is nog de Romanze voor cello en orkest (TrV 118) uit 1883 toegevoegd waarmee de totale speelduur op 64 minuten wordt gebracht. Voor liefhebbers van Strauss een aanrader.

Richard Strauss: Don Quixote & Till Eulenspiegel
Tabea Zimmermann (viola), Jean-Guihen Queyras (cello),
Gürzenich-Orchester Köln olv François-Xavier Roth
Harmonia Mundi HMM902370

Le Timbre d’argent: de eerste opera van Saint-Saëns herontdekt

Tekst: Lennaert van Anken

 

 

Het is een enerverende tijd voor de verzadigde operaliefhebber. Ondanks dat het medium van de CD in populariteit aan het inboeten is, zijn er een aantal labels die zich hebben toegelegd op het uitbrengen van opera’s die minder bekend zijn bij het grote publiek. Naast de bekende voorbeelden van Opera Rara, Bon Giovanni, Dynamic en zelfs Naxos, specialiseert het label Palazzetto Bru Zane zich in de Franse opera. En dat doen ze met een enorme gedrevenheid. De eerste editie, toen reeds vormgegeven als boekje met hardcover, Amadis de Gaule (van JC Bach nota bene) is van 2012 en voor mij ligt alweer de 25ste titel in deze prachtige serie: Le timbre d’Argent van Camille Saint-Saëns.

De ontstaansgeschiedenis van Le Timbre d’Argent is turbulent te noemen. Het libretto – geschreven door het duo Jules Barbier en Michel Carré – ontsproot uit een toneelstuk dat ze reeds in 1852 hadden geschreven, volgend op hun Faust en Les Contes d’Hoffmann. Het libretto belandde na wat omzwervingen via o.a. Litolff en Halévy bij Camille Saint-Saëns, die zich als jonge succesvolle componist op het werk stortte in 1864.

De componist had echter geen geluk: door faillissementen, oorlogen en andersoortige belemmeringen werd het werk (dat inmiddels ook al een aantal keer gereviseerd was) pas in 1877 voor het eerst op de planken gebracht in het Théâtre de la Gaîté (hetzelfde jaar waarin zijn Samson et Dalila in première is gegaan). Saint-Saëns zou nog een aantal keer zijn tanden in het werk zetten voor latere uitvoeringen, waarvan de laatste in Brussel was in 1914. Daarna is het werk in de archieven terecht gekomen om in 2017 afgestoft en wel weer op de planken te staan in de Opéra Comique. De CD opname is volgend op deze uitvoeringen in de studio opgenomen.

Le Timbre d’Argent (de zilveren bel) verschaft de schilder Conrad een stortvloed aan goud door het laten klinken van de bel, in ruil waarvoor er iemand in zijn nabijheid abrupt sterven zal. Omdat hij arm is en desondanks indruk wil maken op een onbereikbare vrouw (Circé ook wel Fiammetta, een dansrol) kiest hij op instigatie van Spiridion (Mefisto-achtig personage) ervoor om de bel te laten klinken, zodat hij met het goud/geld indruk kan maken op haar. Het eerste slachtoffer blijkt de vader van zijn verloofde Hélène te zijn.

Uiteraard raakt het geld op, dus een nieuwe slag op de bel is onvermijdelijk. Het tweede slachtoffer blijkt Conrad’s beste vriend te zijn, Bénédict, net getrouwd met Rosa, de zus van Hélène. Bij een derde keer weet hij zich te vermannen en besluit hij alles op te biechten aan zijn aanstaande. Prompt wordt hij wakker. Alles bleek een droom te zijn. Hij vraagt Hélène ten huwelijk en berust zich in zijn lot met weinig geldelijke middelen.

Het overdadige libretto kent wat zijpaden. Vooral het karakter van Spiridion, die ook wedijverde met Conrad om de gunsten van de danseres, komt continu ten tonele. Deels als Mefisto, deels als rivaal van Conrad. In de proloog en de epiloog is dokter die de zorg heeft over Conrad.

Het libretto doet sterk denken aan het meesterwerk van Offenbach: Het hoofdpersonage is een kunstenaar die een onbereikbare vrouw najaagt en daarvoor bereid is alle mogelijke offers te doen. Het feit dat deze rol (Fiammetta) een dansrol is, draagt bij aan dat onbereikbare, wat ik het wel een vondst vind van de componist, maar voor de cd is dat uiteraard wat merkwaardig. Ook het personage van Spiridion is heel duidelijk sterk verwant met de schurken uit ‘Hoffmann’.

Dat ‘Hoffmann’ repertoire heeft gehouden en de opera van Saint-Saëns niet komt mijns inziens door het zwakkere libretto, maar ook de ervarenheid van Offenbach speelt een rol: Hoffmann was Offenbachs zwanenzang, terwijl Le Timbre D’Argent Saint-Saëns´ eerste opera was, geschreven in zijn dertigste levensjaar.

Dat het zijn opera-compositiedebuut was kun je ook wel horen. In lijn met het libretto is de muziek nog wat onsamenhangend. Maar de opera kent prachtige momenten. De lange ouverture, die luistert als een onbekend werk van Berlioz, biedt al een keur aan melodieën, is sprankelend en opverend. Verder kent het werk prachtige lyrische aria’s, buffo aria’s, mooie duetten, zelfs een ‘duet’ tussen Conrad en de danseres en prachtige koren. Van de ene mooie passage belanden we in de volgende.

Gelijk aan eerdere producties maakt Bru Zane gebruik van een aantal zangers die we vaker tegenkomen in hun serie. De hoofdrol wordt gezongen door de tenor Edgaras Montvidas. Zijn dramatische rondborstige stem is wat grofmazig, maar hij is beter op dreef dan op eerdere edities. De sopraan Hélène Guilmette (die de rol met haar eigen naam vertolkt) klinkt niet heel erg egaal en heeft wat moeite in de hoogte, maar zet uiteindelijk wel een prima vertolking neer.

De bariton Tassis Christoyannis (Spiridion) is uitstekend op dreef. Hij geeft meer kleur dan de andere twee hoofdrol protagonisten. Met soepel stemgebruik hoor je overduidelijk dat hij zeer veel plezier heeft in het zingen van deze veelzijdige rol.

In de bijrol van Bénédict soleert de tenor Yu Shao met verve. Met een soepele en stralende hoogte brengt hij zijn openingsaria die naar meer verlangt. Jodie Devos zingt de rol van zijn gemalin, Rosa. Ze heeft een prachtige lyrische sopraan, maar helaas is de rol van Rosa wel heel erg klein, zodat we daar niet veel van kunnen genieten.

Het geheel wordt uitstekend, met hart en ziel, begeleid door François-Xavier Roth. Zijn orkest, Les Siècles, speelt prachtig.