Lieve mensen: deze cd is gewoon grandioos! Stiekem betrap ik mij op de gedachte dat het wellicht één van de mooiste pianorecitals van de laatste tijd is. Niet dat Sergei Bortkiewicz nu echt een onderkende genie is, maar sinds wanneer is genialiteit de voorwaarde voor de waardering en – belangrijker – voor het pure genot?
Ik kende de componist voornamelijk van zijn vocale werken en meen mij ooit een of ander pianowerkje van hem te hebben gehoord, zonder dat het een bijzondere indruk op mij heeft gemaakt. De reden dat ik zonder veel animo de cd in mijn speler heb gestopt en zie maar! Daar zat ik dan op mijn bank, met ingehouden adem schaamteloos te genieten.
Pavel Gintov speelt ‘Chaos’ uit de Esquisses de Crimée van Bortkiewicz:
Bortkiewicz werd in 1877 geboren in Charkov, een Oekraïense stad bekend door zijn vele opstanden, onder andere die van de kozakkenleider Chmielnicki. Sinds 1667 behoorde de stad, samen met het oostelijke deel van Oekraïne tot de tsaristische rijk en toen de bolsjewieken Charkov overnamen werd de Bortkiewicz-familie volledig beroofd.
Samen met zijn vrouw vluchtte de componist eerst naar de Krim en daarvandaan, samen met andere honderdvijftigduizend Russische vluchtelingen naar Constantinopel.
Geholpen door vrienden vervolgden de Bortkiewiczs hun weg naar Sofia en Belgraad om uiteindelijk Wenen te bereiken. In 1925 verwierven ze de Oostenrijkse nationaliteit. Na de tweede wereldoorlog werd de componist benoemd tot hoofd van het onderwijsprogramma aan het Weens conservatorium.
In 1952 werd Bortkiewicz kortstondig populair maar algauw werd hij gewoon vergeten. Zijn zeer toegankelijke pianostukken zijn sterk geïnspireerd door Chopin, Liszt en vroege Scriabin, maar ook Schumann is nergens ver weg. De Esquisses de Crimée op. 8 componeerde Bortkiewicz in 1908 als een ode aan de prachtige natuur van de schiereiland Krim waar hij toen verbleef.
De Oekraïense pianist Pavel Gintov speelt zeer beeldig, zijn aanslag is soepel en zijn interpretatie vurig.
SERGEI BORTKIEWICZ
Esquisses de Crimée op. 8 – Minuit op. 5 – Lyrica Nova op. 59 – Lamentation and Consolation op. 17 nr. 3 & 4 – Étude in gis, op. 15 nr. 6 – in e, op. 15 nr. 10 – in cis, op. 29 nr. 3 – in Es, op. 29 nr. 6 – Prélude in b, op. 40 nr. 2 – in Fis, op. 40 nr. 4 – in E, op. 40 nr. 7 – Consolation in Es, op. 17 nr. 8
Pavel Gintov (piano)
Piano Classics PCL0120 • 65′
John Potter kende ik voornamelijk als één van de leden van het vermaarde Hilliard Ensemble waar hij tussen1984 en 2001 deel van uitmaakte. Maar Potter is meer dan ‘alleen maar’ een zanger: hij is ook een gevierd academicus en een auteur van talrijke wetenschappelijke publicaties.
Als zanger was (en is) hij behalve in oude-muziekgroepen ook actief in de hedendaags repertoire en avant-garde-muziek. Vaak combineert hij stijlperiodes met en door elkaar: denk aan zijn werk voor de groep Red Byrd.
Potter is ook de drijvende kracht geweest achter deze cd die, geheel naar verwachting een eigen (en eigengereide) draai geeft aan voornamelijk Tomás Luis de Victoria en zijn Missa Surge Propera, en Josquin Desprez,
De titel Secret History verwijst naar Potters zoektocht naar “wat gebeurt met de muziek nadat hij is gecomponeerd”. Dus in plaats van een volledig koor laat hij de muziek klinken door één, hooguit twee stemmen, begeleid door drie vihuela’s en een viola de gamba.
Dat het resultaat op mijn zenuwen werkt ligt voornamelijk aan Potter. Vroeger vond ik zijn geluid onaards prachtig, de tijd heeft helaas zijn sporen achtergelaten.
Gelukkig is de sopraan Anna Maria Friman wel heel erg mooi en de vihuela-bespelers meer dan bekwaam.
John Potter
Secret History – Sacred Music
Josquin/Victoria
John Potter, Anna Maria Friman (stemmen); Ariel Abramovich, Jacob Heringman, Lee Santana (vihuelas), Hille Perl (viola da gamba)
ECM New Series 2119 4811463
De liederen op deze cd zijn in chronologische volgorde opgenomen. Logisch, dat wel, maar ik weet niet of het zo’n goed idee was om met ‘Zueignung’ te beginnen.
Het prachtige lied wordt vaak aan het eind van een recital gezongen bij wijze van een bedankje aan het publiek. Het is natuurlijk geen must, maar als je het helemaal aan het begin van je recital zingt dan moet je verdomd sterk in je schoenen staan, want makkelijk is het allerminst.
Hier gaat Gijsbertsen dan ook meteen de mist in, want zijn mooie, slanke maar ook ‘blanke’ tenor mist de zelfverzekerdheid, waardoor het lied onvast klinkt. Zijn manier van zingen heeft iets ontroerends, maar bij Strauss verwacht ik meer volvette klanken die de grens van goede smaak soms weten te tarten.
Dat lukt Gijsbertsen niet. Iedere keer als er wat meer volume of een grotere emotie wordt gevraagd gaat hij pushen en dat vind ik niet mooi. Het is wellicht daarom dat liederen zoals ‘Allerseelen’ hem uitstekend liggen. Gijsbertsen zingt het zeer delicaat, met heel erg veel tederheid.
In dit kader bezien heeft de tenor in Jozef de Beenhouwer een ideale begeleider gevonden. Evenals de zanger houdt de pianist zich ingetogen en dienstbaar, wat in een buitengewoon fraaie interpretatie van ‘Morgen’ resulteert.
RICHARD STRAUSS
Ich trage meine Minne
Peter Gijsbertsen (tenor), Jozef de Beenhouwer (piano)
Phaedra PH 292035 • 65’
How many music lovers, even seasoned ones, have heard of Szymon Laks? Let alone of his music? Fate has been unkind to the Polish-French composer. Laks survived the hell of Auschwitz thanks to music: after he was taken captive, he was appointed conductor of the concentration camp’s orchestra.
Laks wrote a book about his time in the camp, after which he became known as the ‘kapellmeister of Auschwitz’. Extremely painful. Like his son André stated: it may be true his father survived the war thanks to music, it should never be forgotten he mainly lived for music as well.
Ruth Klüger, a famous author, Germanist and Holocaust survivor wrote about Auschwitz in her book ‘Still Alive: A Holocaust Girlhood Remembered’ : “The name itself has an aura, albeit a negative one, that came with the patina of time, and people who want to say something important about me announce that I have been in Auschwitz. But whatever you may think, I do not hail from Auschwitz, I come from Vienna.”
Szymon Laks did not hail from Auschwitz, he was born in 1901 in Warsaw. He left for Paris in 1926 to finish his musical studies there. He studied with Pierre Vidal and Henri Rabaud and soon became part of the “Paris School.” A group consisting mainly of young, Eastern European composers like Bohuslav Martinů and Marcel Mihalovici, with composers like Honegger, Milhaud and Poulenc as central figures.
This French school with its formal structures and neoclassical lines was a great influence on Laks, especially in his earlier works, but his oeuvre was also strongly rooted in the Polish tradition. Polish music, both classical and folk music was his biggest inspiration.
In May 1941 Laks was arrested and interned in the French camp Pithiviers as a foreign Jew. On July 16th 1942 he was deported from there to Auschwitz. In 1944 he was transferred to Dachau. After his liberation he returned to Paris.
Before the war Laks worked in cinemas as an accompanist of silent films, and also played the violin in cafés. After the war all he composed, with a few exceptions, was film music. In 1962 he started to compose again, but this period did not last very long.
In 1967 Laks stopped composing altogether. The Six-Day War played a role in that decision, as well as the huge antisemitic wave that followed it in Poland. He told his son that he felt composing music was no longer of any use at all. The events in the Middle-East and the antisemitic excesses in Poland meant to Laks that the existence of the Jewish people was under threat once again.
The exodus of the remaining Polish Jews in 1968 did not only embitter him, but also worsened his attacks of depression which had plagued him for a long time.
Szymon Laks was an assimilated Jew who always felt more Polish than Jewish. For this reason his pre-war works were not influenced by Jewish traditions, something which changed shortly after the war. In 1947 Laks composed his song cycle ‘Huit chants populaires juifs’ followed soon afterwards by stage music for ‘Dem sjmiets techter’ by Peretz Hirschbein.
ARC ENSEMBLE
The Canadian ARC Ensemble has been working on a series “Music in Exile” for several years now. After the first two volumes with music by Paul Ben-Haim and Jerzy Fitelberg (the latter was nominated for a Grammy) they have now dedicated volume three to the music of Szymon Laks.
This CD is worth buying for the Fourth String Quartet from 1962 alone. This rhythmical work shows strong jazz influences in a classicist form. Diverse styles are affectionately combined without actually merging. Almost like passersby in a park, greeting each other warmly, exchanging a few words, and then continuing their way. Fascinating.
How different from his “Polish” Third String Quartet from 1945 which the Canadian Ensemble recorded in the version for Piano Quintet from 1967! The Quintet has a less serious tone, parts of it are nothing more than pure entertainment. Polish folk melodies are combined with dancing passages, with every now and then time standing still, allowing you to wipe away a tear.
‘Passacaille’ from 1945 is in fact a vocalise, originally composed for voice (or cello) accompanied by piano. Here the piece is performed by a clarinet, a choice I am not entirely happy with because a clarinet simply sounds less warm than a human voice. Simon Wynberg, the artistic director of the ARC Ensemble, sees the work as Laks’s reaction on his concentration camp experiences, expressing them in his music. Can this be true? I would like to believe it.
Passacaille, in the version for cello and piano:
Almost all pieces get their CD premiere here, but other factors make this CD a real must have as well. The quality of this long neglected music is high, of course, as are the excellent performances by the musicians. Consider buying this CD as a late reparation to the composer, who was definitely more than “kapellmeister of Auschwitz.”
ARC Ensemble records works by Laks:
LEO SMIT ENSEMBLE
In case you want to hear more by Szymon Laks: several years ago the Leo Smit Ensemble recorded a CD with works by Laks (Future Classics 111), which includes the “Huit chants populaires juifs.” The Passacaille is included as well, in the version for flute and piano, masterly performed by Eleonore Pamijer and Marcel Worms.
SZYMANOWSKI QUARTET
Much recommended as well is the recent recording by the Polish Szymanowski Quartet (Avi 8553158). In addition to the Third String Quartet on Polish themes by Laks from 1945 it includes the String Quartet by Ravel and the Nocturne & Tarantella op. 28 from 1915 by Karol Szymanowski. It is fascinating to compare their performance of the “Polish Quartet” with the adaptation for Piano Quintet by the ARC Ensemble.
A few years ago Apple Republic Films started a series of documentaries on Polish-Jewish composers: the Masters Revival Series. In 2012 they made a film on Szymon Laks in collaboration with the composer’s son:
In deel twee (de eerste is helaas aan mijn aandacht ontsnapt, maar heb de cd inmiddels besteld) van wat een overzicht van een eeuw ‘Liedkunst 1810–1910’ moet worden verdeeld naar decades, komen liederen aan bod die gecomponeerd zijn tussen 1820 en 1830. Daar men er zowat de beste liedzangers voor heeft geëngageerd die we tegenwoordig rijk zijn maakt het project tot één van de beste uitgaven op dat gebied, zeker van de laatste decennia.
Het programma is zeer gevarieerd en kent noch grenzen noch (sub)genres, en de emoties wisselen elkaar in rap tempo af. Oostenrijk, Rusland, Frankrijk, Duitsland en Italië staan broederlijk naast elkaar, een soort EU avant la lettre waarin elk land zijn individuele karaktereigenschappen behoudt.
Maar zelfs binnen een genre van één componist is er ruimte gereserveerd voor emotiewisselingen. Zo wordt Schuberts ‘Auf der Brücke’ naar de tekst van de ijlende Schulze – hier zeer intens vertolkt door Christopher Maltman – opgevolgd door diens ‘Im Frühling’, die door dat prachtige ‘zoetje’ dat de stem van John Mark Ainsley eigen is, de heftige emoties neutraliseert.
De door Maltman gezongen ‘Erlköning’ en de daarop volgende ‘Herr Oluf’ van Carl Loewe zouden een schoolvoorbeeld moeten zijn van hoe de liederen gezongen moeten worden. Ook Sarah Connolly’s interpretatie van de drie ‘Ellens gesangen’ behoort tot de beste ooit.
Malcolm Martineau aan wie we ongetwijfeld het project te danken hebben behoort al jaren tot de beste zangerspianisten in de wereld. Moeiteloos weet hij de verschillende emoties over te brengen en het is ook zonder twijfel zijn verdienste dat de uitgave van de eerste tot de laatste noot extreem boeit.
De liederen zijn zeer zorgvuldig opgenomen, met een afgewogen balans tussen de zangers en de pianist. Ook de presentatie laat niets te wensen over. Alle teksten zijn (in twee talen) afgedrukt en de introductie door professor Susan Youens is zeer interessant om te lezen. Top!
DECADES
A Century of Song, volume 2, 1820 – 1830
Liederen van Bellini, Glinka, Loewe, Mendelssohn, Niedermayer, Schubert, Schumann
John Mark Ainsley (tenor), Sarah Connolly (mezzosopraan), Luis Gomes (tenor), Anush Hovhannisyan (sopraan), Robin Tritschler (tenor), Christopher Maltman (bariton); Malcolm Martineau (piano)
Vivat 114 • 79’
Hoeveel zelfs doorgewinterde muziekliefhebbers hebben ooit van Szymon Laks gehoord? Laat staan van zijn muziek? Het lot is voor de Pools-Franse componist ongenadig geweest. Dankzij de muziek heeft Laks de hel van Auschwitz overleefd, na zijn gevangenneming werd hij als dirigent van het kamporkest ingesteld.
Daar heeft hij een boek over geschreven, waarna hij bekend is geworden als de ‘Kapelmeester van Auschwitz’. Buitengewoon pijnlijk. Zoals zijn zoon André het formuleerde: het is dan wel waar dat zijn vader een deel van zijn leven door de muziek heeft overleefd, maar hij leefde ook en misschien voornamelijk voor de muziek.
Ruth Klüger, een beroemde schrijfster, Germaniste én Holocaust-overlevende in haar boek ‘Verder leven: een jeugd’: “Het woord Auschwitz heeft tegenwoordig een krachtige lading, zij het een negatieve, die in hoge mate bepaalt hoe je denkt over een persoon die er gezeten heeft… Maar zo simpel is dat niet, want wat jullie ook denken mogen, ik kom niet uit Auschwitz, ik kom uit Wenen”.
Szymon Laks kwam niet uit Auschwitz, hij werd in 1901 in Warschau geboren. In 1926 vertrok hij naar Parijs om daar zijn muziekstudie af te ronden. Hij studeerde bij Pierre Vidal en Henri Rabaud en al gauw maakte hij deel uit van de zogenaamde ‘Parijse School’. Een groepering die voornamelijk uit jonge Oost-Europese componisten – denk aan Bohuslav Martinů en Marcel Mihalovici – bestond en waar de componisten zoals Honegger, Milhaud en Poulenc het voor het zeggen hadden.
Deze Franse School met zijn formele structuren en neoklassieke lijnen heeft Laks, zeker in zijn vroege werken beïnvloed, maar zijn oeuvre was voornamelijk sterk geworteld in de Poolse traditie. Poolse muziek, zowel de klassieke als de volksmuziek was voor hem de grootste inspiratiebron.
In mei 1941 werd Laks opgepakt en als buitenlandse Jood geïnterneerd in Pithiviers. Van daaruit werd hij op 16 juli 1942 naar Auschwitz gedeporteerd. In 1944 werd hij overgeplaatst naar Dachau en na zijn bevrijding keerde hij terug naar Parijs.
Vóór de oorlog werkte Laks in de bioscopen als begeleider van stomme films, hij speelde ook viool in cafés. Na de oorlog schreef hij, op enkele stukken na eigenlijk alleen maar filmmuziek. In 1962 pakte hij het componeren weer op, maar lang heeft het niet geduurd.
In 1967 zette Laks een punt achter zijn componistenleven. Daar is de Zesdaagse Oorlog van invloed op geweest, alsook de daarop volgende grote antisemitische golf in Polen. Hij vertrouwde zijn zoon toe dat muziek componeren in zijn ogen totaal geen zin meer had. De gebeurtenissen in het Midden Oosten en de antisemitische hetze in Polen betekenden voor Laks dat het bestaan van het Joodse volk opnieuw bedreigd werd. De exodus van de laatste Poolse Joden in 1968 heeft hem niet alleen verbitterd maar ook zijn depressie-aanvallen, waar hij al een tijd aan leed, verergerd.
Szymon Laks was een geassimileerde Jood die zich meer Pool dan Jood voelde. Zijn werken van vóór de oorlog werden dan ook niet beïnvloed door de Joodse traditie, iets wat kort na de oorlog veranderde. In 1947 componeerde Laks zijn liederencyclus ‘Huit Chants Populaires Juifs’ en kort erna schreef hij toneelmuziek bij “Dem sjmiets techter’ van Peretz Hirschbein.
ARC ENSEMBLE
Het Canadese ARC Ensemble is al een paar jaar bezig met de serie ‘Music in Exile’. Na de eerste twee delen met de muziek van Paul Ben -Haim en Jerzy Fitelberg (de laatste werd genomineerd voor de Grammy-award), hebben ze nu hun deel drie aan de muziek van Szymon Laks gewijd.
Alleen al voor het vierde strijkkwartet uit 1962 is deze cd het aanschaffen meer dan waard. Het ritmische werk verraadt sterke, in een classicistische vorm gegoten jazz- invloeden. Diverse stijlen staan hier broederlijk naast elkaar zonder dat ze met elkaar mengen. Denk aan passanten in een park die elkaar hartelijk groeten, een paar woorden met elkaar wisselen en dan weer hun eigen weg vervolgen. Fascinerend.
Hoe anders dan zijn ‘Poolse’ derde strijkkwartet uit 1945, die het Canadese Ensemble in de versie uit 1967 voor pianokwintet heeft opgenomen! Het kwintet is minder serieus van toon, het is bij vlagen zelfs niet meer dan puur entertainment. Poolse volksdeuntjes gaan hier hand in hand met dansante passages, alleen blijft de tijd af en toe even stilstaan en je zo de kans te geven om een traantje weg te pinken.
‘Passacaille’ uit 1945 is eigenlijk een vocalise, oorspronkelijk gecomponeerd voor zang (of cello) met pianobegeleiding. Het stuk wordt hier uitgevoerd door een klarinet, een keuze die ik als minder gelukkig bestempel, een klarinet klinkt immers minder warm dan een menselijke stem. Simon Wynberg, de artistieke directeur van het ARC Ensemble beschouwt het werk als Laks’ reactie op zijn kampervaringen, alsof hij zijn ervaring hier in de muziek wilde vatten. Of het inderdaad zo is? Ik wil het graag geloven.
Passacaille, hier in de versie voor cello en piano:
Bijna alle werken beleven hier hun cd-première maar dat deze opname echt een must have is ligt aan meer factoren. Dat de kwaliteit van de zo lang zo verwaarloosde muziek hoog is staat buiten kijf, alsook de uitstekende prestaties van de musici. Beschouw het kopen van deze cd als een verlate genoegdoening voor de componist die meer was dan een ‘kapelmeester van Auschwitz’.
ARC Ensemble neemt werken van Laks op:
LEO SMIT ENSEMBLE
Mocht u wat meer van Szymon Laks willen horen: het Leo Smit Ensemble heeft al een paar jaar geleden een cd met werken van Laks opgenomen (Future Classics 111), waaronder ook de Huits Chantsa Populaires Juifs. Ook de Passacaille staat er op, hier in de versie voor fluit en piano, meesterlijk gespeeld door Eleonore Pameijer en Marcel Worms
SZYMANOWSKI QUARTET
Zeer aanbevolen is ook de recente opname van het Poolse Szymanowski Quartet (Avi 8553158). Behalve het derde strijkkwartet op de Poolse thema’s van Laks uit 1945, staat er ook het strijkkwartet van Ravel en het Nocturne & Tarantella op.28 uit 1915 van Karol Szymanowski op. Het is fascinerend om hun vertolking van het ‘Poolse kwartet’ met de bewerking voor het pianokwinten door het ARC Ensemble te vergelijken.
Apple Republic Films is een paar jaar geleden begonnen met een serie documentaires over Pools-Joodse componisten: de Masters Revival Series. In 2012 maakten ze samen met de zoon van de componist een film over Szymon Laks:
In 1999 werd Véronique Gens door de Franse ‘Victoires de la Musique’ uitgeroepen tot zangeres van het jaar, maar haar carrière begon dertien jaar eerder, toen zij werd voorgesteld aan William Christie. Haar stem was nog niet geschoold en dat was precies waar hij naar op zoek was. In 1986 debuteerde zij als lid van zijn beroemde barokensemble Les Arts Florissants. Zeer snel groeide zij uit tot de zangeres van de barokmuziek en werkte met de grootste namen uit het circuit: Marc Minkowski, Philippe Herreweghe, René Jacobs, Christophe Rousset en Jean-Claude Malgoire.
Gens zingt ´Ogni vento´ uit Agrippina van Hàndel, olv Malgoire:
Het was Malgoire die haar haar eerste Mozart rollen: Cherubino (Le Nozze di Figaro) en Vitellia (La Clemenza di Tito) liet zingen, maar als iemand haar twintig jaar geleden had voorspeld dat zij ooit Contessa uit Le Nozze of Elvira (Don Giovanni) zou zingen, dan had ze het stellig niet geloofd.
Véronique Gens als Donna Elvira in Barcelona:
Zingen wilde zij altijd al, maar haar familie van vrijwel alleen maar artsen en farmaceuten vond het maar niks. Geen vast inkomen, geen pensioen … Dus ging zij Engels studeren in haar geboorteplaats Orléans, en daarna op de Sorbonne.
Inmiddels heeft zij honderden – waarvan vele bekroonde – opnamen gemaakt en haar repertoire breidt zich steeds uit: na Mozart kwam Berlioz – zo zong zij de rol van Marie in L’enfance du Christ, en voor haar opname van Les Nuit d’été werd zij uitverkoren als de ´Editor’s Choice´ van het Engelse Gramophone. Ook haar cd getiteld Nuit d’étoile met liederen van Fauré, Poulenc en Debussy werd overal zeer enthousiast ontvangen.
Voor Virgin was zij in 2006 op een ontdekkingsreis door de veelal onbekende schatten van de Franse barok gegaan en het resultaat mag er wezen.
Begeleid door het Ensemble Les Talens Lyriques onder leiding van Christophe Rousset nam zij aria’s op van de opera’s van Lully, Campra, Rameau, Leclair, de Mondonville, Royer en Gluck Die zogenaamde “tragédie-lyriques” waren geïnspireerd door de grote klassieke toneelstukken, waarin het tragische element als het belangrijkste gold. Ook bevatten ze lange dramatische scènes, die de toenmalige diva’s de mogelijkheid gaven om het hele scala aan emoties te kunnen tonen.
Véronique Gens past dit allemaal als een handschoen. Zij neemt ons op een ontdekkingreis mee, waarin heel wat vergeten pareltjes voor een enorm plezier zorgen. Maar hoe prachtig ze ook allemaal niet zijn, het absolute hoogtepunt bereikt ze in ‘Dieux puissants que j’atteste…’, Clytamnestra’s schrijnende hartenkreet om haar dochter, uit Iphigénie en Aulide van Gluck.
Daar stijgt zij met de snelheid van een achtbaan tot enorme hoogtes in, en laat de luisteraar naar adem happend en met hartkloppingen achter. Brava.
TRAGÉDIENNES
Aria’s uit vroege Franse opera’s van Lully, Campra, Rameau, Mondonville, Leclair, Royer, Gluck
Les talens lyriques o.l.v. Christophe Rousset
Virgin 346.762-2 • 70’
NÉÈRE
Voor haar album Néère, genoemd naar de titel van het openingslied van Reynaldo Hahn, heeft Véronique Gens een meer dan schitterende selectie gemaakt uit de mooiste liederen van Reynaldo Hahn, Henri Duparc en Ernest Chausson.
Vrolijk kan je ze niet noemen: allemaal ademen ze een zeer weemoedige en melancholische sfeer uit en zijn – hoe kan dat anders als de Fransen het over hun ‘amour’ hebben? – één en al ‘tristesse’.
De prachtige mélodies passen Gens’ donker getinte en licht gevoileerde stem met sensuele ondertonen als een fluwelen handschoen.
Trailer:
Niets anders dan lof ook voor de pianiste. Susan Manoff speelt meer dan subliem en in haar begeleiding klinkt zij als Gens’ tweelingzus: de perfectie waarmee zij de kleuren die de stem van de zangeres rijk is (en dat zijn er veel!) naar de toetsen weet te transponeren is werkelijk onvoorstelbaar.
Zeldzaam mooi.
NÉÈRE
Liederen van Reynaldo Hahn, Henri Duparc en Ernest Chausson
Susan Manoff (piano)
Alpha 215 • 66 ’
VISIONS
Om deze cd kan niemand heen. Palazetto Bru Zane had al lang een faam moeten krijgen die alle landen en grenzen overstijgt want bijzonderder krijgt u het niet. Kijk alleen maar naar hun programmering en al hun uitgaven!
Niet alleen is hun repertoire extreem zeldzaam en buitengewoon fascinerend, hun uitgaven zijn tot in de puntjes verzorgd. Iets wat niet alleen maar een pluim maar ook de hoogste prijzen verdient.
Ook hun nieuwste project, Visions overstijgt alle verwachtingen en wensen. Althans die van mij. De cd zit barstensvol onbekende aria’s uit onbekende opera’s en oratoria van de grotendeels minder bekende en/of vergeten componisten. Alle hier verzamelde stukken hebben als motto ‘religieuze visioenen’ en ademen een sfeer die aan heiligdom en martelaarschap grenst maar dan wel geserveerd met een extreem groot gebaar dat alleen opera kan bieden.
Trailer van de opname:
Véronique Gens zingt de aria’s met veel élan en een enorme inleving. Haar voordracht is dramatisch, soms zelfs een tikkeltje té. Dat de aria’s om een gezonde dosis hysterie vragen is nogal wiedes, maar met een beetje meer devotie en piëteit was het resultaat nog beter, nog indrukwekkender geworden.
Het heeft geen zin om te speculeren wat een zangeres zoals Montserrat Caballé van al dat materiaal had kunnen doen: ten eerste heeft zij het (op La Vierge van Massenet na) bij mijn weten nooit gezongen en ten tweede bestaan zangeressen van haar kaliber echt niet meer.
Montserrat Caballé zing ‘Rêve infini, divine extase’ uit La Vierge van Massenet:
In dit kader bezien voldoet Véronique Gens meer dan uitstekend. Dat niet alleen vanwege haar voorbeeldige dictie en verstaanbaarheid, maar ook omdat haar stem zich tot een echte ‘Falcon sopraan’ heeft ontwikkeld en een niveau had bereikt dat zich voor dit repertoire meer dan uitstekend leent.
Voor Palazetto Bru Zane heeft met Gens al een paar vergeten opera’s van o.a. David en Godard opgenomen, het wachten is nu op meer. En meer….
VISIONS
Aria’s uit de opera’s van: Alfred Bruneau, César Franck, Louis Niedermeyer, Benjamin Godard, Félicien David, Henry Février, Camille Saint-Saëns, Jules Massent, Frometal Halévy, Georges Bizet
Münchner Rundfunkorchester olv Hervé Niquet
Alpha 279 • 56 ’
Dat ik de cd zo waanzinnig mooi vind ligt voornamelijk aan de pianist. Maciej Pikulski, al sinds jaar en dag een vaste partner van veel vooraanstaande liedzangers toont zich hier een echte redder in nood.
Want, hoe graag ik ook zou willen, voor Thomas Hampson kan ik maar niet warm worden. Zijn stem is dunner geworden waardoor zijn vroeger o zo charmante warmte aan gloed heeft ingeboet, bovendien is zijn intonatie niet altijd zuiver.
Gelukkig zijn de liederen, ‘melodies’ zoals ze in het Frans heten, meestal eenvoudig in hun harmonische structuur. Hun oorsprong ligt in de – in de negentiende eeuw zo populaire – salons, waar de operacomponisten graag geziene gasten waren en waar ze hun componeerkunst aan de welgestelde gasten toetsten.
Desalniettemin: Hampsons voordracht en betrokkenheid zijn nog altijd voorbeeldig. In ‘Danse Macabre’ pakt hij lekker uit en ook de andere twee liederen van Saint-Saëns klinken bij hem ouderwets goed. Maar ook hier is het de pianist die mij het meest weet te imponeren.
Het ligt dan ook aan Pikulski dat ik bij het beluisteren van de prachtige ‘Les roses de l’amour’ van Albéric Magnard aan het dagdromen sla en het zijn ook de laatste door hem aangeslagen paar noten, die nog lang in mijn hoofd blijven naspelen.
SERENADE
Liederen van Gounod, Bizet, Meyerbeer, Chabrier, Chausson, Massenet, Saint-Saëns en Magnard
Thomas Hampson (bariton), Maciej Pikulski (piano)
Pentatone PTC 5186681 • 57’
En alweer duikt er een onbekende naam uit de archieven. Ik weet niet hoeveel mensen ooit de naam van Dirk Fock hebben gehoord, voor mij is hij een grote onbekende.
De Nederlandse dirigent en componist Dirk Fock werd in 1886 geboren in Nederlands-Indië. Zijn vader was een advocaat en provinciebestuurder, een carrière als musicus lag niet voor de hand.
Fock studeerde in Berlijn bij onder anderen Artur Nikitsch. In 1917 verving hij Mengelberg bij het Concertgebouworkest, het orkest dat hij nog vele malen zal dirigeren. Zijn werkterrein breidde zich tot aan de Verenigde Staten waar hij vanaf 1939 permanent ging wonen. Om begrijpelijke redenen veranderde hij daar zijn naam in Foch.
Als componist was Fock grotendeels een autodidact. Zijn nagelaten oeuvre is niet echt groot, maar zeker bijzonder te noemen. Hij heeft werken voor piano en viool gecomponeerd, maar met zijn vele liederen, een opera en een mirakelspel op zijn naam verraadt hij een bijzondere fascinatie en liefde voor de menselijke stem.
Zefir Records heeft nu een hele cd met zijn composities laten opnemen. Alle drie de liederencycli vind ik mooi en zeer aangenaam om naar te luisteren, verrassend zijn ze ook. Zowel Irene Maessen die de Sieben Lieder en Trois Chants voor haar rekening neemt als Mattijs van de Woerd kunnen mij er ook in bekoren. Zeker de bariton, die de Songs of Glory bovendien fascinerend weet te acteren.
Maurice Lammerts van Bueren
Java Sketches, Focks laatste werk waarin hij de geluiden uit zijn jeugd in Nederlands-Indië heeft verwerkt vind ik van een uitzonderlijke schoonheid. Ze worden ook zeer inspirerend en sprankelend gespeeld door Maurice Lammerts van Bueren. Als u het mij vraagt: een absolute must.
Dirk Fock
Songs and Sketches
Irene Maessen (sopraan), Mattijs van der Woerd (bariton)
Maurice Lammerts van Bueren (piano)
Zefir Records ZEF 9651
Deze cd met orkestliederen van Mahler vind ik één van de mooiste Mahler-uitgaven van de laatste tijd en dat zijn er heel wat! Ik was er een klein beetje bang voor, want de opname van Das Lied von der Erde door dezelfde krachten vond ik ronduit teleurstellend.
Alice Coote vond ik voornamelijk kwetsbaar en over de interpretatie van Marc Albrecht schreef ik dat de dirigent moest leren wat het verschil is tussen Strauss en Mahler.
En, waarachtig: het lijkt alsof Albrecht mijn woorden ter harte heeft genomen, want zijn (en, uiteraard van het goddelijk spelende Nederlands Filharmonisch Orkest) vertolking van de liederen is buitengewoon overtuigend en kan, wat mij betreft op een lijstje met de beste interpretaties van de liederen bijgeschreven worden.
Alice Coote klinkt nog steeds kwetsbaar, maar die kwetsbaarheid is nu haar beste wapen geworden, zij is zo ontzettend betrokken dat het pijn doet. Alsof zij je haar beleveniswereld in meesleurt, de afgrond in.
Niet dat het allemaal perfect is wat zij doet. In ‘Um Mitternacht’ gaat zij even de mist in, maar dat geeft allemaal niet. Over ‘Ich bin der Welt abhanden gekommen’ zei Mahler ooit: ‘Dit ben ik ten voeten uit.’ Hier hoor je het.
Gustav Mahler
Song Cycles
Kindertotenlieder; Lieder eines fahrenden Gesellen; Rückert-Lieder
Alice Coote (mezzosopraan), Netherlands Philharmonic Orchestra olv Marc Albrecht
PentaTone PTC 5186 576