cd/dvd recensies

De Amerikaanse opera’s deel 2: The Consul (Der Konsul) van Giancarlo Menotti

Tekst: Peter Franken

Gian Carlo Menotti’s vluchtelingendrama stond in het seizoen 2016/17 op het programma van het Theater Krefeld – Mönchen Gladbach. Hoewel geschreven eind jaren 1940 is het beklemmend actueel. De enscenering van Katja Bening is echter geheel conform Menotti’s eigen libretto en regie aanwijzingen, zonder een spoor van transpositie naar het heden. Deze integere benadering bleek zeer effectief.

Naar verluidt las Menotti in 1947 in de krant een berichtje over een Pools-joodse vrouw die op Ellis Island zelfmoord had gepleegd toen ze niet langer tegen de bureaucratische machine was opgewassen die haar de intocht in het beloofde land, de Verenigde Staten, versperde. Dit was aanleiding tot het schrijven van een libretto waarin ook eerdere persoonlijke ervaringen werden verwerkt. In een korte toelichting wordt gesteld: ‘De opera speelt ergens in Europa, maar de handeling is niet aan een bepaald land gebonden. Het is een aanklacht tegen tirannie, in elke vorm.’

Het verhaal draait om Magda Sorel, de vrouw van John Sorel die strijd voert tegen een repressief regiem. Als John moet vluchten naar het democratische buurland probeert zij via het consulaat van deze staat een visum te krijgen voor zichzelf en haar zoontje. Aangezien ze door de geheime politie in de gaten wordt gehouden en de benodigde papieren haar worden geweigerd, staat ze op het consulaat met lege handen. Haar openingszin luidt dan ook: ‘Is de consul te spreken?’

Tamelijk voorspelbaar lukt dat niet. De consul is druk bezet, is nooit te spreken. Een in het vak geharde secretaresse staat iedereen te woord en laat geen uitzonderingen toe. Papieren moeten worden ingevuld en als ergens niet aan de zeer precieze eisen wordt voldaan kan betrokkene gelijk weer de volgende dag terug komen.

Zo komt meneer Koffner al zo lang in het kantoor dat hij verzucht dat hij dat over een jaar nog steeds te horen zal krijgen. Diezelfde Koffner neemt een Italiaanse vrouw onder zijn hoede die de landstaal niet machtig is. Hij vertaalt voor haar en helpt bij het invullen van een formulier. Op voorhand nutteloos want eigen papieren heeft ze niet.

Verder is er een vrouw die haar dochter in het buitenland wil bezoeken. Haar kind is met een soldaat van het betreffende land meegegaan, is bevallen en vervolgens in de steek gelaten. Het gaat haar slecht en haar moeder moet dringend naar haar toe. Dat kan wel een half jaar duren, krijgt ze te horen. Moeilijk geval ook omdat ze drie jaar in een concentratiekamp heeft gezeten. Dat moet goed uitgezocht worden. Verder zijn er talloze gevallen die op de hare lijken: ‘Een naam is een nummer, een verhaal is een geval’. Waarop de wanhopige vrouw uitroept: ‘Moeten wij dan sterven omdat er teveel van ons zijn?’

Comic relief komt in de persoon van de illusionist Nika Magadoff die met allerlei trucs de secretaresse ervan probeert te overtuigen dat zijn status als artiest toch belangrijker is dan een paar papieren. Hij moet tot de conclusie komen dat ook een beroemdheid als hijzelf zijn eigen weg in het leven moet zien te vinden.

Ondertussen is Magda al een maand bezig door dagelijkse bezoeken voor elkaar te krijgen dat ze een onderhoud met de consul mag hebben. Als het voor de zoveelste keer wordt geweigerd gaat ze door het lint en houdt ze een tirade over de onmenselijkheid van het bureaucratische systeem dat papieren hoger aanslaat dan mensen:

To this we’ve come:
that man be born a stranger upon God’s earth,
that he be chosen without a chance for choice,
that he be hunted without the hope of refuge.’

Het is het dramatisch hoogtepunt van de opera.

To this we’ve come, gezongen door de eerste Magda Sorel, Patricia Neway:

Deze uitbarsting heeft tot gevolg dat de secretaresse besluit toch maar eens te kijken of de consul niet een momentje beschikbaar heeft. Hij heeft net een belangrijke gast op bezoek maar die staat op het punt te vertrekken. Als die gast de inspecteur van de geheime politie blijkt te zijn die Magda al geruime tijd onder druk zet, valt ze flauw. Daarna gaat het snel bergafwaarts tot Magda besluit zelfmoord te plegen. Inmiddels zijn haar moeder en zoontje overleden en is John gearresteerd. Als ze met haar hoofd in de oven zit, hallucineert ze en ziet alle spelers in het drama voorbijkomen. De doden wenken haar, kom naar ons toe.

Muzikaal leunt het werk sterk op Puccini en de filmmuziek van Korngold. Dramatische scènes doen sterk denken aan La fanciulla del West en de begeleidende muziek van de Italiaanse vrouw is puur Butterfly. Als Magda hallucineert over een toekomst zonder barrières klinkt er revolutionaire marsmuziek.

De voorstelling in Mönchchen Gladbach werd gezongen in het Duits, geheel conform de wens van Menotti om overal de landstaal te gebruiken. Het werk is dan ook al in ruim 20 talen vertaald. Het decor wisselde tussen het huis van de familie Sorel en het bureau van de consul. Wisselingen vonden plaats met gesloten doek waarbij soms verbindende muziek te horen was.

De hoofdrol was in handen van de Poolse sopraan Izabela Matula, een goede keuze. Ze excelleerde in de grote aria en voor het overige was haar spel zeer overtuigend. De rest van de cast was duidelijk van wat minder niveau maar voor een provinciaal theater alleszins toereikend.  De goed spelende Niederrheinische Sinfoniker stonden onder leiding van Diego Martín-Etxebarría.

In 1963 werd een enscenering van Der Konsul verfilmd voor televisie, een medium dat toen nog in zijn kinderschoenen stond. In 2010 is deze opname door Arthaus op dvd uitgebracht. De zwart wit beelden dragen sterk bij aan de beklemmende sfeer van de handeling en maken het tot een prachtig document uit de geschiedenis van verfilmde opera’s. Het werk is voor televisie geënsceneerd door Rudolph Carter.

Magda Sorel wordt schitterend vertolkt door Mekitta Muszely, je ontkomt er niet aan je geheel met haar problemen te vereenzelvigen. Eberhard Wächter neemt de rol van haar echtgenoot John Sorel voor zijn rekening. Gloria Lane is fenomenaal als de onbuigzame secretaresse die als een Cerberus iedereen bij haar chef vandaan houdt, ondoorgrondelijk vanachter haar zonnebril.  Willy Ferenz overtuigt als een ‘creepy’ agent van de veiligheidspolitie.  Franz-Bauer Theussl staat voor het Orkest van de Volksoper Wien.

 Holland Festival 1959 or La Divina in Amsterdam

1959 was a good Callas year. In January that year she first sang at Carnegie Hall, where she gave a concert performance of Il Pirata. It was a great triumph. This was followed by a few Medea’s(Cherubini) in London and a short tour in Spain and Germany.

And then the great moment arrived: her long-awaited performance in Amsterdam. Thousands of people gathered at Schiphol Airport to greet her.

Maria Callas arrives in the Netherlands in 1959. On the right: Peter Diamand, chairman of the Holland Festival.



The lights in the Hall were extinguished and all the spotlights were on her as she descended the Concertgebouw steps. Only the musicians of the Concertgebouw Orchestra had lights on their desks, which, according to witnesses, had wrapped the stage in a romantic atmosphere.



Callas was then technically at the height of her powers. She began with a tather cautiously sung ‘Tu che vedi il mio tormento’ from Spontini’s La vestale, but with ‘Surta è la notte’ from Verdi’s Ernani she already let go of all brakes.



The audience went wild with enthusiasm, which stimulated Callas to become even more intense and dramatic in her perfectly intoned reading of ‘Tu che le vanità ‘ (Don Carlo). She finished with the mad scene from Il Pirata, a true tour-de-force.

She gave every note a different colour, her pianissimo was breathtaking and the coloraturas optimal. A true Divina. If only I had been there then!



Spontini, Verdi, Bellini
Live in Amsterdam 1959
Maria Callas, Concertgebouw Orchestra conducted by Nicola Rescigno
EMI 5626832

George Benjamin, Barbara Hannigan and Written on Skin ten years after the premiere

Barbara Hannigan is the muse of many contemporary composers, including George Benjamin. He composed Written on Skin with her voice in mind. It was clear from the beginning she should sing Agnes. In July the 7th 2012 Hannigan sang the world premiere of Written on Skin.

George Benjamin © Matthew Loyd

During the preparations and in between the performances Hannigan kept me informed by an “e-mail diary.”

“George Benjamin and I met three years ago in his house.  I was supposed to show him the possibilities of my instrument. We played a little composer-singer game without words, “composing” together. It gave me the opportunity to show him how my voice moves most comfortably.” 

withe George Benjamin in Aix-en-Provence © Barbara Hannigan website

The first rehearsals took place in London, after which we moved to Aix-en-Provence, where the word premiere would be. The whole “making of” process was quite intense.  My role is very demanding. Looking at the score you might think: finally a composer who does not take advantage of Barbara Hannigan’s high notes, or make her into a stratospheric trapeze artist.  But the music still is extremely demanding.

The vocal lines lie very high and are long, spread out and loud. Rather difficult for the quick moving core of my voice. I had to approach the part very carefully. Particularly from the moment on when the tension in the opera slowly starts to increase, scene by scene, until the final climax, when I sing my big aria.

A few months before I received the score George changed a few notes for me – something he has sworn never to do for anybody! He rewrote several passages in my score by hand, which has helped me enormously.”

“I really think my role is phenomenally good. It feels like a fantastic preamble and the greatest preparation for Lulu, who I will sing in October for the first time. Agnes ends were Lulu begins. A sexually liberated woman with no problems with herself. A gift of a role!

One of the highlights for me was the “Sitzprobe” with the orchestra. It was the first time George heard his entire piece, with orchestra and singers. It was two weeks before opening night and we were all very nervous. But the entire cast stood behind him and his fabulous score. It was a very moving and emotional day.

All my colleagues (not only the singers, but the extras as well) were fantastic and we all got along marvelously. George had composed the music specifically for each one of us. A lot was demanded from us, not only vocally, but dramatically as well, but we all supported each other.”

Katie Mitchell © © 2015 Festival d’Aix-en-Provence

“I think the production is unequalled and I adore Katie Mitchell, the director. It was the first time I worked with her. She pays a lot of attention to details, providing a lot of background information to the artists on stage. The public never notices that, but it had a tremendous influence on our performance. Working with Katie was a sensation, and I hope one day she will direct me in Lulu. “

“I loved the sensual scenes which were combined with violent ones. We had a special “fight director”  who taught us to act as realistically as possible without hurting each other. I believe that was quite unique for an opera production. You also need a lot of trust in your colleagues.

I have to say: Agnes is a dream role, and I thought it was fantastic I got the chance to play her. All the reviews were full of praise, and the public was enthusiastic as well. It really was a dream.”

“I had been in Aix-en-Provence before, in 2008, for the first version of Pascal Dusapin’s Passion. That performance was staged by Giuseppe Frigeni. In 2010 Sasha Waltz directed it. With her production we opened the season of the Théâtre des Champs Elysées.“

In 2008 we performed in the Théâtre du Jeu de Paume – small and very intimate.  Very beautiful too. Because of the dimensions it is rather limited in its possibilities, though. For Written on Skin we were programmed in the biggest theatre of the festival, the Grand Théâtre de Provence. Very unusual for a modern, ‘fresh from the pen’-opera. Opening night, as you know, was a huge success, and all the subsequent performances were sold out.

I love the city. Aix is fabulous and so easy-going. The city encourages you to relax, even while you are hard at work. The festival is truly special. No highbrow business like you see at some other festivals. There is a true mix of different styles and types of performances. Symphonic music as well as chamber music. 

They also have a fabulous young artists program, and I truly appreciate their efforts to get rid of the elitist stamp art has, particularly opera. Art truly can be real, and it can appeal to anyone.

I think Katie Mitchell and her team have tried with Written on skin to not only avoid stock opera gestures, but also to create something that actually did happen and that touches you. Something many of us have experienced personally, certainly women.”

Amerikaanse opera’s. Deel 1:  Street Scene van Kurt Weill

Tekst: Peter Franken

Nadat hij Duitsland was ontvlucht verbleef Weill enige jaren in Parijs. De monoloog Die sieben Todsünde stamt uit deze periode. In 1935 vertrok Weill naar New York waar hij een studie maakte van de Amerikaanse populaire- en theatermuziek. Hij streefde in navolging van Gershwin naar het scheppen van een nieuw genre, American Opera, dat zowel artistiek als commercieel succesvol zou zijn.

Weill is er met zijn muzikale versie van het toneelstuk Streetscene van Elmer Rice meer dan in welk ander werk uit die periode in geslaagd een brug te slaan tussen het in zijn ogen springlevende Broadway en The Met die hij zeer waardeerde maar vooral als muziekmuseum.

Street Scene opende in 1947 op Broadway en kreeg daar 147 uitvoeringen in ruim vier maanden tijd. Daarna is het werk er nooit meer hernomen maar dat zal vooral zijn oorzaak hebben in het sterk naturalistische karakter van de inhoud: een liefdesdrama eindigend in een dubbele moord was wellicht toch niet zo geschikt voor de entertainment industry. Als toneelstuk trok het een ander publiek en was dat aspect van minder belang. In de opera waar men gewend was aan moord en doodslag was Street Scene feitelijk meer op zijn plaats: American Verismo.

Street Scene speelt zich af in een tijdsbestek van ongeveer 24 uur tijdens de late jaren ’20, maar duidelijk voor de beurskrach. De plaats van handeling is de straat voor een tweetal voordeuren in een blok huurkazernes in New York, upper lower east side of zoiets. Het gebeuren draait om een paar families die achter die twee voordeuren wonen, (boven)buren die elkaar bij gebrek aan iets anders vooral goed in de gaten houden en graag becommentariëren. Alles wat men te zien krijgt speelt zich af op de stoep en de straat, binnen of verder weg krijgt men verteld. Omdat iedereen graag op de stoep zit of uit het raam hangt blijft dat laatste tamelijk beperkt.

Links woont onder meer het kleine gezin van de oudere Jood Abraham Kaplan die nadrukkelijk sympathiseert met het communisme en de Russische revolutie. Dat brengt hem in conflict met zijn buurman Frank Maurant, een toneelknecht die de wereld het liefst precies zo wil houden als hij is, zowel maatschappelijk als in de privéverhoudingen. Hij is duidelijk emotioneel geblokkeerd en niet in staat zelfs maar eens een beetje vriendelijk te doen naar zijn gezin. Zijn vrouw lijdt daar al sinds het begin van hun huwelijk onder en is daardoor een gemakkelijk doelwit voor de melkboer Steve Sankey. Uiteraard wordt daar door de andere buurvrouwen al flink over geroddeld.

Abrahams zoon Sam studeert rechten en is al jaren verliefd op zijn buurmeisje Rose Maurant die op een makelaarskantoor werkt. Hij wil met haar dit leven in een achterstandswijk ontvluchten, ver weg naar een land aan de andere kant van de regenboog.

Een productie van Francesca Zambello voor Houston Grand Opera is in 1995 op dvd uitgebracht. De opname is gemaakt in Duitsland maar de cast is overwegend Amerikaans. Weills muziek klinkt zeer gevarieerd, het begin lijkt een direct vervolg op Porgy and Bess maar gaandeweg gaan we richting Puccini. Dat is vooral duidelijk waar de familie Maurant de handeling bepaalt.

Als Mrs. Maurant door haar man wordt betrapt met de melkboer schiet hij hen beiden dood. Zowel muzikaal als inhoudelijk maakt dit die liefdestragedie tot een pendant van Il tabarro. Max krijgt de gelegenheid een zeer lyrische aria ten beste te geven maar als een ander buurmeisje laat thuiskomt met haar vriendje laat Weil onbekommerd Count Basie muziek horen en dansen die twee de jitterbug, overigens het enige dansnummer.

Na de dood van haar moeder vertrekt Rose. Ze heeft ervaren dat liefde en iemands ‘bezit’ zijn niet goed samen gaan. De kooi waarin ze haar moeder heeft zien wegkwijnen wil ze hoe dan ook ontlopen. Sam is heartbroken zoals het betaamt in een romantische verhaal met slechte afloop.

Behalve die primaire verhaallijn is er natuurlijk ook het gewone dagelijks leven in de straat. De gemoedelijke Italiaan Fiorentino komt thuis met zes ijsje die hij uitdeelt. Daarna zingen ze een icecream sextet. En de familie Hildebrand komt opgetogen terug van een diploma-uitreiking van de School of Arts. De oudste dochter is met vlag en wimpel geslaagd en dat leidt tot een klein straatfeestje van alle aanwezigen. Helaas kan de alleenstaande moeder Hildebrand de huur al een tijdje niet betalen en de volgende ochtend worden ze op straat gezet. Terwijl de politie de dubbele moord in het gebouw onderzoekt worden er meubels op de stoep gezet alsof er niets aan de hand is.

Het eenvoudige leven van een groepje eenvoudige mensen met al hun verlangens en frustraties wordt heel fraai geportretteerd. Natuurlijk gebeurt er wel erg veel in dat etmaal maar dat doet niets af aan het levensechte karakter. Een zeer geslaagd werk deze Street Scene, en een eyeopener voor iedereen die Weill alleen maar kent van zijn carrière in Duitsland.

Ashley Putnam geeft een fraaie vertolking van de diep ongelukkige maar in vergelijking met haar roddelende buren zeer waardige Mrs. Maurant. Marc Embree zit de rol van de in zijn frustraties verstikte Frank Maurant als gegoten. Teri Hansen is als Rose de spreekwoordelijke ingénue, mooie vertolking. Haar pendant is Sam Kaplan, prima zang van Kip Wilborn. Goed spel in de overige rollen. De Staatsphilharmonie Rheinland Pfalz staat onder leiding van James Holmes.

Overigens is het met die American Opera uiteindelijk nooit echt iets geworden. Het uitventen van zo’n label louter en alleen omdat een bepaald werk door de Houston Grand Opera of vooral de San Francisco Opera wordt geprogrammeerd dient slechts de schone schijn. Niet dat dit erg is, er zijn voldoende volwaardige werken gecreëerd door Amerikaanse componisten die de status ‘opera’ in de klassieke betekenis volledig waardig zijn. Denk aan A streetcar named Desire, The consul, Vanessa, A quiet place, Moby Dick en Marnie. En Broadway is nog steeds gewoon een musical fabriek.

Hele  opera is hier te zien:

https://www.operaonvideo.com/street-scene-ludwigshafen-1995-putnam-embree-hansen/

De Neus door Kameropera Moskou

Tekst: Peter Franken

Dit is de eerste opera van Dmitri Sjostakovitsj uit 1927-1928, gebaseerd op het gelijknamige verhaal van Nikolaj Gogol. De première vond plaats te Leningrad, Maly Theater, 18 januari 1930; het libretto is van Jevgeni Zamjatin, Georgi Jonin, Aleksandr Prejs en de componist zelf. Hoewel deze opera een unieke plaats inneemt in de geschiedenis van de opera, is het werk weinig bekend en het wordt zelden uitgevoerd.

Het verhaal van De Neus is volstrekt ongerijmd. De ambtenaar achtste klasse Kovaljov (‘college-assessor’) mist op zekere morgen zijn neus. Hij vermoedt dat die er af gesneden door de kapper Ivan Jakovlevitsj. Kovaljov gaat op zoek naar zijn neus en bemerkt dat die inmiddels een zelfstandig leven leidt. Het is een personage geworden dat maatschappelijk vele trappen hoger staat dan Kovaljov zelf, de Neus is staatsraad geworden en weigert hem te woord te staan.

Sjostakovitsj verwerkte het verhaal van Gogol (1809-1852) vrijwel letterlijk. Het tsaristische Rusland lag nog vers in het geheugen. De toenmalige toeschouwers konden dus hun hart ophalen aan de satire.  Dat het (muziek)theater in dat opzicht ook interessant kon zijn, kwam in Rusland vooral na 1918 tot uitdrukking toen de kunsten zich in allerlei experimenten rijkelijk ontplooiden, parallel aan wat in het westen Dada werd genoemd, alles werd op zijn kop gezet.

Al jaren voor de wereldpremière in 1930 zocht Sjostakovitsj een onderwerp op een eigentijds thema in een vorm die heel anders zou zijn dan de 19e eeuwse opera en operette tot dan te bieden hadden. Dat er nogal wat kritiek loskwam na de première in Leningrad, is niet onbegrijpelijk, want het stuk is nog steeds onbegrijpelijk in zijn vertelling en wonderbaarlijk in zijn muzikale onderlagen. Wanneer je leest dat in de jaren twintig het muziektheater in Leningrad vooral draaide op operettes van Offenbach en Léhar, dan was De Neus wel een heel erg grote sprong voorwaarts. Er kwamen destijds overigens ook positieve reacties los.

De Neus is na de eerste serie uitvoeringen van 1930 in de doofpot van het steeds repressiever wordend Stalinistische cultuurbeleid verdwenen, tot regisseur Boris Pokrovski het werk er in 1972 weer uit opdiepte. Sindsdien is het werk ook in het Westen verscheidene malen geënsceneerd. Pokrovski heeft het met zijn eigen gezelschap, de Kameropera van Moskou, talloze malen opgevoerd.

Ik heb deze productie in 1994 gezien in Rotterdam toen het gezelschap op tournee was in Nederland. De Pokrovski-enscenering bood een traditionele aanblik (voor zover dat kan bij een opera waarin een neus los rondloopt), dat wil zeggen, de handeling is zichtbaar gesitueerd in het Rusland van Gogols tijd.

Van een voorstelling die in 1979 in het huistheater van het gezelschap is gemaakt werd in 2010 een opname op dvd uitgebracht. Omdat het theater veel te klein is voor een volwaardige operavoorstelling met groot orkest, is gebruik gemaakt van een geluidsband die in 1975 in een grotere zaal werd gemaakt met exact dezelfde bezetting en op cd is uitgebracht, samen met de onvoltooide opera The gamblers.  De synchroniteit op de dvd is bij vlagen ver te zoeken maar dat went snel.

De wijze van acteren is een hybride van Dada, operette en commedia dell’arte. Het oogt allemaal prettig chaotisch en dat effect wordt volledig ondersteund door de meelopende geluidsband.

Feitelijk beslaat het relevante deel – Kovaljov is zijn neus kwijt, ontmoet die Neus in een kerk, krijgt zijn neus weer terug – minder dan de helft van de opera. Voor het overige zijn het korte op zichzelf staande scènes waarin een heel scala aan opgewonden tijdgenoten zich met deze nieuwe roddel inlaten. Het is een gedrang van jewelste op het toneel.

In een proloog wordt getoond dat de bakker de verloren neus in een van zijn broden aantreft. De barbier krijgt de schuld van alles maar ontkent. Kovaljov probeert een advertentie te zetten in een krant waarin de neus bij de verloren voorwerpen wordt geplaatst maar die wordt geweigerd. Er zijn grenzen waar de krant binnen dient te blijven, ook waar het ‘fake news’ betreft. De politie is wel bereid naar de Neus uit te kijken en het gerucht van een als Neus rondwandelende staatraad gaat als een lopend vuurtje door de stad. Als de Neus wordt waargenomen in een park wordt hij ‘geprügelt’ waardoor er weer gewoon een losse neus te voorschijn komt. Na wat vijven en zessen komt alles weer goed met Kovaljev en zijn neus en in een epiloog bespreken een paar mensen de absurditeit van het gebeuren, met dien verstande dat men stelt dat dergelijke vreemde zaken wel degelijk elders schijnen voor te komen. Maar niet bij ons in Rusland natuurlijk.

Eduard Akimov geeft een fraaie vertolking van de ongelukkige Platon Kuzmich Kovaljov. De Neus komt voor rekening van Alexander Lomonosov. Gennady Rozhdestvensky heeft de muzikale leiding.

Van een voorstelling die in 1979 in het huistheater van het gezelschap is gemaakt werd in 2010 een opname op dvd uitgebracht. Omdat het theater veel te klein is voor een volwaardige operavoorstelling met groot orkest, is gebruik gemaakt van een geluidsband die in 1975 in een grotere zaal werd gemaakt met exact dezelfde bezetting en op cd is uitgebracht, samen met de onvoltooide opera The gamblers.  De synchroniteit op de dvd is bij vlagen ver te zoeken maar dat went snel.

De hele opera op youtube:


Zie ook : De Neus: bittere satire van het allerhoogste niveau

Umberto Giordano and his Fedora

How many opera lovers know Umberto Giordano and his operas? Many know Andrea Chénier (for me one of the best and most beautiful operas ever), but that’s it. Unless you are a fan of verism, in which case there is a good chance that you have heard of Fedora. And if you do go to opera houses in countries other than the Netherlands, you may even have seen the opera. Otherwise, you are left with nothing but the CD and DVD recordings.

Admittedly, Fedora does not reach the level of Andrea Chénier, which is mainly due to the libretto. The first act has a hard time getting started and the third is a bit drab. But the music! It is so incredibly beautiful!



The play on which Arturo Colautti’s libretto is based comes from the pen of Victorien Sardou and, just like Tosca, it was written for the greatest tragédienne of the time, Sarah Bernardt. The opera therefore offers an amazing opportunity for the best singing actresses. Magda Olivero, for instance, is without doubt one of the greatest performers of the role.

Below Magda Olivero, Doro Antonioli and Aldo Protti in the third act of Fedora, recorded in the Concertgebouw in Amsterdam 1967:


And with Mario del Monaco in Monte Carlo 1969:



No wonder then that in 1970, when there was serious talk of a comeback for Maria Callas, she was proposed to sing Fedora with Domingo as Loris. Unfortunately, nothing came of it: Callas did want to return, but only as a Norma or a Violetta.



When she was sixty, Mirella Freni included Fedora in her repertoire and she gave a series of performances in Italy and Spain, finally coming to the Met in 1996. It became an enormous success. No wonder, because La Freni’s voice was extraordinary. I have never before seen her act with such intensity; it is a performance of the highest level.


Domingo also portrays a perfect Loris: tormented and oh so charming!



Ainhoa Arteta is truly delightful as the flirtatious, spirited Olga; her performance provides the necessary comic note. As the Polish pianist, Boleslao Lazinski, the real piano virtuoso appears: Jean-Yves Thibaudet. Not only can he play the piano very well, but throughout his performance he convinces as a real primadonna, it is very entertaining to watch.

The staging is conventional, with lavish, larger-than-life sets and real snow behind the stage-sized windows. It is just beautiful (DG 0732329).

In 2008, DG (4778367) recorded the opera on CD. Alberto Veronesi is a fine, lyrical conductor. He is less dramatic than his colleagues, so that the opera loses something of its ‘verism’.



Domingo is now an aging Loris, but he still sings with passion and in the third act he is simply irresistible. Angela Gheorghiu is a fine, slightly understated, Fedora and Nino Machaidze is a truly fantastic Olga.

Il Corsaro is een onderschatte opera

Tekst: Peter Franken

In de reeks Tutto Verdi is een opname uitgebracht van een voorstelling door Teatro Regio di Parma van Verdi’s zeer weinig gespeelde opera Il corsaro. Het is een productie van Lamberto Puggelli die werd gespeeld in het kleine intieme Verdi theater van Busseto.

Il corsaro ontstond in dezelfde tijd als I masnadieri en het thema van een edelman die door het noodlot ertoe gebracht is een outlaw te worden zien we in beide werken. In Il corsaro gaat het om een piraat, in I masnadieri om een struikrover. Vergelijk ik beide werken met Ia battaglia di Legnano, eveneens vrijwel vergeten, dan gaat van dit drietal mijn voorkeur nadrukkelijk uit naar Il corsaro. Het verhaal is compact, de handeling beperkt en de opera zit vooral bomvol prachtige melodieën. Het werk staat garant voor een fijne ongecompliceerde Verdi avond.

De handeling draait om Corrado, piratenkapitein tegen wil en dank die het opneemt tegen de Pasha van Coron wiens wateren hij onveilig maakt voor de koopvaardij. In de eerste akte zien we hem roerend afscheid nemen van zijn geliefde Medora. Ze voorvoelt een slechte afloop en hoewel hij haar probeert op te beuren staan haar grote ‘romanza’ en hun duet bol van melancholie.

Romanza van Medora, hier gezongen door Katia Ricciarelli in 1976:

En door Daniela Dessì in 1980:

De piraten slagen erin het paleis van Pasha Seid binnen te dringen en staan op het punt de strijd in hun voordeel te beslechten. Helaas is er brand uitgebroken en de haremvrouwen roepen om hulp. De galante piraat aarzelt geen moment en redt de dames uit hun benarde situatie. Logisch natuurlijk: ‘was wohl dem Manne mächtiger dünk’ als Weibes Wonne und Wert?’ Maar daarmee geeft hij het initiatief uit handen, de piraten worden alsnog verslagen en Corrado gevangen genomen.

Gulnara, de favoriete haremdame van Seid, is echter dermate van Corrado onder de indruk geraakt, die man weet tenminste zijn prioriteiten te stellen, dat ze voor hem pleit bij Seid. Laat hem in leven, als gijzelaar is hij vast wel veel waard. Seid heeft haar door, ze moest niets van hem hebben en nu is ze helemaal weg van zijn grote vijand. Sterven zullen ze, allebei.

Gulnara koopt met haar juwelen het personeel om en wil Corrado bevrijden. Ze geeft hem een dolk om Seid in zijn slaap te doden, morgen doet hij immers hetzelfde met ons. De galante piraat vindt dat niet eervol en na lang heen en weer gepraat doet ze het maar zelf.

Intussen heeft Medora vergif ingenomen, haar Corrado is niet teruggekeerd van zijn overval op Seid en ze heeft de moed opgegeven. Als hij vervolgens toch ineens voor haar neus staat met Gulnara in zijn kielzog, is ze blij, verdrietig en argwanend. Met de verzekering dat Gulnara door haar geliefde is afgewezen sterft ze in vrede. In wanhoop stort hij zich vervolgens in zee.

Het kleine toneel in Busseto biedt geen plaats aan een groot decor maar met touwen, een mast en een zeil heeft decorbouwer Marco Capuana dat aardig weten op te lossen. Een ander ‘schip’ dubbelt als paleis met haremdames en locatie voor het grote gevecht, en vervolgens de plek waar Seid en zijn gevolg zich hebben teruggetrokken nu zijn onderkomen aan wal is afgebrand. Het oogt zeer geloofwaardig allemaal, eenvoud kan heel effectief zijn. De kostumering van Vera Marzot is goed gekozen, beetje clichématig waar het de Turken en hun vrouwen betreft maar over het geheel genomen prima gelukt.

Seid wordt gezongen door niemand minder dan bariton Luca Salsi, ook bekend door prachtige vertolkingen van zijn paraderol Simon Boccanegra. Hij steek hier in grote vorm en krijgt het publiek op de banken.

Ditmaal moet hij de piratenrol aan de tenor laten, een uitstekend optreden van Bruno Ribeiro. Onduidelijk is wat hem ertoe heeft gebracht om zeerover te worden, in elk geval draagt hij een groot leed met zich mee. Dat moet ook wel, anders had hij er na het overlijden van Medora niet zo gemakkelijk een einde aan gemaakt. Dit was een tegenslag te veel, daar hielp geen smoorverliefde Gulnara aan.

Coloratuursopraan Irina Lungu heeft opvallend genoeg net iets teveel moeite met haar coloraturen, alle noten zijn er maar het klinkt hier daar een tikje geforceerd en een beetje schel. Wat dat betreft was ze in Faust voor ROH in 2019 beter in vorm. Niettemin een mooi optreden.

Dat geldt ook de Gulnara van Silvia Dalla Benetta die vooral in haar grote scène met Corrado haar klasse toont. Wil hij Seid niet doden, hij de piraat, schrikt hij daar voor terug en moeten ze dan maar allebei sterven? Nee, dan doet ze het zelf wel. Haar zang weerspiegelt de enormiteit van het conflict en de afloop, indrukwekkend.

Koor en orkest van Teatro di Regio Parma staan onder leiding van Carlo Montanaro. Ze completeren het geheel, samen met de solisten maken ze er een mooie voorstellingen van, tevens een pleidooi voor een ten onrechte verwaarloosd werk. Laten we wel zijn, eigenlijk hebben alle opera’s van Verdi zozeer hun merites dat ze zonder uitzondering een plaats op het operapodium waard zijn.

De hele opera:

Jerry Hadley als Tom Rakewell in Salzburg

A wounded bird cannot sing

Tekst: Peter Franken

In 1996 ging een nieuwe productie van The Rake’s Progress tijdens de Salzburger Festspiele in de regie van Peter Mussbach. Sterk beeldbepalend waren echter de decors en kostuum van Jörg Immendorff, een (neo)expressionistische schilder en beeldhouwer die in Duitsland sinds de jaren ’60 voor veel ophef had weten te zorgen. Net als Karel Appels Zauberflöte is deze productie er vooral een van een beeldend kunstenaar. Een opname van de voorstelling is uitgebracht door Arthaus.

Alles is exuberant vormgegeven maar oogt als knutselwerk van een amateurvereniging. Zo komt Shadow aanrijden in een kleurrijk vliegtuigje van hout en papier. Ook andere decorstukken zien er uit alsof ze maar een paar uur dienst hoeven doen en in een bepaalde scène gaat er eentje volgens plan aan barrels.

Immendorff had een fascinatie met apen, beeldde zichzelf eens af als aap met een penseel in zijn hand. In Bremen staat zijn beeldengroep Affentheater, uiteraard een brons bestaande uit enkele apen.  Op het toneel zien we dit terug in de figuratie, als aap geklede personen hobbelen om Tom en Nick heen en helpen zo nu en dan een handje bij het verplaatsen van een decorstuk. In de Bedlam scène is het gehele Madmen koor in apenkostuum.

Het koor speelt een belangrijke rol in de handeling. In het bordeel van Mother Goose vertolkt het de Roaring Boys en Whores en de zangers komen terug als het publiek tijdens de veilingscène. Steeds zijn ze einheitlich gekostumeerd, geen spoor van individualisme.

Comic relief is er onder meer als Nick de machine demonstreert waarmee zogenaamd een steen in een brood wordt veranderd. Het brood vliegt eruit en wordt door dirigent Cambreling opgevangen en teruggegooid. En als veilingmeester Sellem met zijn hamer aangeeft dat een item is verkocht, slaat hij het betreffend stuk ermee in puin.

Naarmate de opera vordert komt Tom, gekleed in spijkerbroek en mouwloos shirt, steeds meer onder verf te zitten. Verder oogt hij in vergelijking met de anderen tamelijk normaal, hun uitmonstering grenst aan het groteske. Anne is de enige uitzondering, naturel in een gewone jurk. Het levert een fascinerend beeld op in vergelijking waarmee Appels toneelwerk nogal bezadigd overkomt. En dat zegt wel iets.

Mussbachs personenregie is zonder meer geweldig en dat maakt het geheel tot een topproductie. En dankzij solisten, koor en orkest wordt het uiteindelijk een fenomenale voorstelling.

Stravinsky’s muziek mag dan wel naar eigen zeggen vooral door Mozart zijn geïnspireerd, ik hoor er veel meer in. Meestentijds klink het als een musical uit de ontstaansperiode van het werk maar ook flarden die aan Sjostakovitsj en Poulenc doen denken passeren de revue. Maar de klavecimbel tijdens de recitatieven brengt je dan weer terug naar vroeger.

Jerry Hadley zie ik als een zanger die excelleerde in een bijzonder Zwischenfach: musical-opera tenor. En dat maakt hem tot een perfecte keuze voor de rol van Tom Rakewell. Zingend maar ook uiterst gemakkelijk acterend waan je hem bezig in een of ander theater op Broadway. Op afstand de beste Rake die ik live en via dvd heb beleefd. Het is goed dat eens te benadrukken gelet op het trieste einde van zijn carrière en leven na de bergen kritiek die hij te verwerken kreeg.

Dawn Upshaw heeft als Anne feitelijk de enige echte operarol en deze sympathieke sopraan weet daar goed raad mee. Uitstekende zang en een mooie typecast. Monte Pederson is vooral acterend zeer sterk als Nick Shadow en Jane Henschel doet als Baba the Turk wat er van haar verwacht mag worden.

Het koor is van de Staatsoper Wien en het orkest de Camerata Academica. Sylvain Cambreling heeft de muzikale leiding.

Begin van de opera:

Jerry Hadley zingt Tom Rakewell’s aria “Here I stand” :

Jerry Hadley over The Rake’s Progress in 1994

 Alzira: de meest onderschatte opera van Verdi?

Tekst: Peter Franken

Verdi’s achtste opera ging in première in 1845, een paar maanden na Giovanna d’Arco. Het was zijn vijfde opera in iets meer dan twee jaar en wordt veelal genoemd als kenmerkend voor Verdi’s jaren als ‘galeislaaf’. Allerwegen wordt het genoemd als verplicht werkstuk, gewoon om aan een wurgcontract te voldoen. De componist duidde het zelf als zijn minst geslaagde opera. Objectief beluisteren kan echter tot een milder oordeel leiden, al is het duidelijk een stap terug na bijvoorbeeld I due Foscari dat in alle opzichten op een veel hoger plan staat. Het predicaat ‘minst geslaagd’ zou Alzira mijn inziens in elk geval moeten delen met La battaglia di Legnano. Die andere buitenbeen Il Corsaro vind ik duidelijk beter dan deze twee.

Alzira wordt vrijwel nooit ergens opgevoerd, al helemaal niet in geënsceneerde vorm. Voor de reeks Tutto Verdi moest men dan ook zijn toevlucht nemen tot een concert om de verzameling compleet te krijgen. Het betreft een semi-geënsceneerde uitvoering tijdens het SüdtirolAlto Adige Festival in 2012 onder leiding van Gustav Kuhn.

Eugenia Tadolini, de eerste Alzira
© Josef Kriehuber

De zangers acteren basaal en zijn gekleed in concertkostumering. Decors en rekwisieten ontbreken maar, en dat is het belangrijkste, ook de lessenaars. Dichter bij een volwaardige productie is men niet kunnen geraken.

Het verhaal is een klassiek operadrama over een sopraan die haar geliefde moet verraden om zijn leven te redden. En zoals gebruikelijk is de prijs die ze moet betalen een huwelijk met de bariton, uiteraard de vijand van haar tenor.


Gevangneming van Atahualpa, op 16 november 1532 (John Everett Millais , 1845)

Het verhaal speelt zich af ten tijde van de Conquista van het Incarijk en Alzira is de geliefde van de lokale vorst Zamoro. Die is in handen gevallen van conquistador Gusman maar heeft weten te ontsnappen na ernstig te zijn gemarteld. Hij wordt door vriend en vijand dood gewaand maar verschijnt net op tijd om Gusmans vader van executie door een van zijn medestanders te redden.

Als Zamoro zijn Alzira komt bevrijden uit Gusmans paleisje wil die hem ter dood brengen. Zijn vader probeert hem hiervan te weerhouden, Zamoro had immers ook zijn leven gespaard. Maar Gusman is onverbiddelijk en schendt daarmee een eerder gesloten wapenstilstand tussen beide volken. Als er bericht komt van een naderend Inca leger laat hij Zamoro alsnog gaan om de zaak te sussen.

Dat is uitstel van executie, de Inca’s worden verslagen en als Zamoro ten tweede male het paleis binnendringt steekt hij Gusman direct neer. Genoeg gepraat, die Spanjaarden zijn niet te vertrouwen. Gusman schenkt hem stervend vergeving en wordt daar door de aanwezigen om geprezen, de christelijke moraal heeft gezegevierd. Dat Gusman zich uit jaloezie schandelijk heeft misdragen en zijn rivaal wilde doden om persoonlijke redenen, wordt gemakshalve onder tafel geveegd.

Gusmans vader Alvaro wordt adequaat vertolkt door de bas Francesco Facini. Gusman komt voor rekening van bariton Thomas Gazhelli die er zijn ziel en zaligheid inlegt. Mooi gezongen en overtuigend geacteerd, ook op een kaal toneel een geloofwaardige opera-schurk. Tenor Ferdinand von Bothmer is de beste man van het veld met zijn prachtige vertolking van Zamoro die door roeien en ruiten gaat om zijn geliefde Alzira te redden.

In die rol zien en horen we de Japanse sopraan Junko Saito. Ze is een mooie vrouw en dat bepaalt voor een belangrijk deel het succes van haar optreden. Je wordt door haar verschijning een beetje afgeleid van wat zwakkere momenten in haar zang. Saito heeft een fraaie stem maar heeft die niet altijd volledig onder controle. Zeker in haar grote aria aan het begin zitten er flinke uithalen in die vermoedelijk bedoeld zijn als coloraturen maar het effect hebben van onnodig gewapper. Maar over het geheel genomen komt ze tot een redelijk goede weergave van Alzira’s partij en weet ze haar personage zeer geloofwaardig neer te zetten.

Het Orchestra Haydn di Bolzano e Trento staat onder leiding van Gustav Kuhn.

De complete opname staat op You Tube:

Virginia Zeani (Alzira) en Cornell MacNeil (Gusmano) in de opname uit Rome in 1967:

Folklore als inspiratiebron

Onvoorstelbaar eigenlijk hoe veel geweldige musici ons klein landje telt! Pianisten, violisten, cellisten, zangers, harpisten…. Noem maar op. En dan heb ik het niet eens over de kamermuziekensembles. Alma Quartet, The Hague String Trio … allemaal wereldtop. Daar hoort ook het Delta Piano Trio bij.

De pianiste Vera Kooper, de violist Gerard Sponk en de celliste Irene Enzlin hebben elkaar in 2013 in Salzburg ontmoet, waar ze alle drie toen studeerden. Het klikte. Ze zaten op één lijn en dat niet alleen muzikaal, maar ook buiten de concertpodia en concertzalen. Vrienden voor het leven?

Origin is al de derde cd die ze samen hebben opgenomen, de eerste twee heb ik gemist, maar deze staat al een paar weken in mijn speler. Nou ja, op Spotify dan, want zo makkelijk. De titel slaat op de afkomst van de muziek waar de componisten uit putten: de onvervalste folklore als leidraad

In geval van Dvořák is het – min of meer  – voor de hand liggend: Dvořák ontwikkelde zijn eigen muzikale taal door de liefde voor de volksmuziek waar hij dan rijkelijk uit putte. Zijn ‘Dumky trio’ (even een digressie: ‘dumky’ is een meervoud van het woord ‘dumka’, wat dan ook een verkleinwoord is van ‘duma’, een droefgeestige Slavische volksballade) is het enige werk op de cd dat enige bekendheid kent. Of kende, want zo vaak wordt het tegenwoordig ook niet meer uitgevoerd

Pijnlijker wordt het als het over de twee overige componisten en hun op deze cd opgenomen werken gaat. Een beetje muziekliefhebber kent de naam van Frank Martin wel, maar wie wist dat hij ook een  Trio sur des mélodies populaires irlandaises heeft gecomponeerd? Wat had een in Nederland wonende Zwitser met Ierland? Ach… doet het er eigenlijk toe?


En dan komen we bij Tigran Mansurian, wellicht één van de belangrijkste Armeense componisten. Maar ook in zijn geval is het een beetje ingewikkeld. Hij werd in 1939 geboren in Beiroet, Libanon. Zijn familie verhuisde in 1947 naar Armenië. Zijn opleiding genoot hij in Jerevan. Zijn Vijf Bagatellen zijn al eerder opgenomen geweest en wat mij betreft nog niet vaak genoeg.

Delta Piano Trio: “Drie componisten, drie verschillende culturen en drie verschillende tijdperken, maar met één overeenkomst: een zoektocht naar de muzikale oorsprong”.

Is er iets wat ik er nog aan kan toevoegen? Ja. Niet alleen de muziek, ook de uitvoering is op het hoogste niveau. Laat dit pareltje u niet zomaar voorbij gaan


Frank Martin: Trio sur des mélodies populaires irlandaises
Tigran Manserian: Vijf Bagatellen voor pianotrio
Antonín Dvořák: Pianotrio nr. 4 in e, op. op (Dumky)
Delta Piano Trio
Challenge Classics CC72901