cd/dvd recensies

John Wilson puts Korngold’s symphony in the spotlight

Korngold Wilson

For five years, from 1947 to 1952, Korngold worked on what he thought would be his greatest work, his symphony ‘Dedicated to the memory of Franklin Delano Roosevelt’. He offered the work to Bruno Walter, perhaps in the hope that he would conduct it. Walter was honoured and called the composition “the best modern symphony I know,” but he never conducted it. Why not? We’ll most likely never find out.

The premiere in 1954 was a failure and it was not until 1972 that the work was given a proper performance by the Munich Philharmonic Orchestra conducted by Rudolf Kempe. We had to live with that recording until 1997, when André Previn gave the composition a new boost – for which I am still very grateful. Or rather was, as the new recording John Wilson made with his newly founded Sinfonia of London makes me forget all the other recordings (there’s also Marc Albrecht with whom I’m not so happy).

I don’t know why, but Wilson shows a strong affinity for Korngold’s idiom. He raises the tension so cruelly you think you’re in the middle of a Hitchcock movie. Cinematic, expressive, but also a little melodramatic, as it should be. But he does not forget the Korngoldian ‘sweet tones’. The result is breathtaking.

Theme and Variations and Straussiana are not really works to write home about, but when they are performed like this… What an accomplishment!


ERICH WOLFGANG KORNGOLD
Symphony in F-sharp, Op.40; Theme and Variations, Op.42; Straussiana
Sinfonia of London under John Wilson
Chandos CHSA 5220

In Dutch:
John Wilson zet de symfonie van Korngold in de spotlights

Translated with www.DeepL.com/Translator

Advertenties

Over drie vrij nieuwe ‘Ringen’ en een Walküre uit de archieven

Ring wiki

Scene 1 of Das Rheingold from the first Bayreuth Festival production of the Bühnenfestspiel in 1876

Toen het Wagner-jaar in 2014 voorbij was schreef ik:
“Het Wagner-jaar is voorbij, de Ring ligt veilig opgeborgen in de Rijn en hopelijk wordt hij nu beter bewaakt. Het Walhalla bleek niets anders dan de zoveelste utopie en alle goden bleken gewone mensen te zijn, en zijn inmiddels allemaal dood. Samen met de helden met wie we eigenlijk medelijden moeten hebben. Eén ding hebben we geleerd: de strijd om macht, geld en wereldheerschappij gaat gewoon door.”

DE RING

Vroeger, heel erg vroeger, maar toch nog niet zo lang geleden waren de opvoeringen (en zeker de opnamen!) van een complete Ring eigenlijk alleen maar aan ‘Goden’ voorbestemd. Je deed het niet als je een niet meer dan een voortreffelijk orkest in huis had, geen beschikking had over een topdirigent, om van zangers maar te zwijgen.

Tegenwoordig bestaat er geen operahuis, hoe klein en onbetekenend ook, die de hele rataplan niet op de rol zet. Moet kunnen? Van mij mag het, maar moet het dan ook meteen opgenomen worden? Van Bayreuth snap ik het nog enigszins – het is toch het Heilige Mekka en DE TEMPEL der Wagnerianen, waar maar weinig uitverkorenen naar toe mogen. Ligt het niveau daar dan zo hoog? Muzikaal wellicht, maar niet heus, en wat de producties betreft is het meestal ‘regietheater’ op zijn best. Of op zijn slechts.
Om de Maestro zelf te citeren: ”Gar nichts liegt mir daran ob man meine Werke gibt: mir liegt einzig daran dass man sie so gibt, wie ich’s mir gedacht habe; wer das nicht will und kann, der soll’s bleiben lassen!“

Als u een doorgewinterde Wagner liefhebber bent dan heeft u ongetwijfeld alle belangrijke (en minder belangrijke) Ring – uitgaven thuis. Bent u een beginner, dan heeft men u al lang geleden ingefluisterd zonder welke opname u absoluut niet kunt leven, dus ik neem aan dat al de Solti’s, Karajan’s, Haitink’s, Böhms en Boulez’ – ik noem maar een paar – geen geheimen meer voor u hebben. Toch?

BARCELONA 2003

Ring Barcelona

Met veel spanning wachtte ik de nieuwe Ring uit Barcelona af. De productie van Harry Kupfer (oorspronkelijk voor de Deutsche Oper in Berlijn) werd alom bejubeld, en na de release van Das Rheingold merkte één van de recensenten op, dat dit wellicht de ultieme Ring op dvd zou kunnen worden.

Niet dus. Veel, heel veel uren heb ik voor de tv doorgebracht, en zeker niet met evenveel plezier.

Wat me voornamelijk tegenviel waren de beide helden: Siegmund en Siegfried. Richard Berkeley-Steele (Siegmund) viel aanvankelijk wel mee: soepel, lyrisch en met veel schwung werkte hij zich door de ‘Winterstürme’ heen. Maar toen was de koek op, en zijn stem begaf het. Jammer, des te meer, daar hij optisch een hele mooie Siegmund neerzette en qua spel zeker wist te overtuigen, iets wat niet gezegd kan worden van John Treleaven (Siegfried).

Dat hij er niet als een 18-jarige held eruitziet, dat kan niemand hem aanrekenen, al had de kostuumafdeling er werkelijk zijn best voor gedaan. Zonder problemen accepteer ik dat zijn stem veel aan zijn vroegere glans heeft verloren, ook  de moeite die hij heeft met de hoge noten neem ik voor lief: het zijn er ook zoveel, en zo hoog, en ze moeten zo luid …..

Maar het pushen, de wapper, de vele valse noten, en  – voornamelijk – de dodelijke saaiheid, nee, dat kan ik het hem niet vergeven. Bovendien: Siegfried mag dan onnozel zijn, dom is hij zeer zeker niet, en toch trekt Treleavan gekke bekken als was hij zijn verstand totaal bijster, en, houterig als hij is, doet hij ook aan overacting, niet leuk. Als overmaat van ramp brult hij zich door “Brünhilde, heilige Braut” heen, en zodoende verpest hij voor mij één van de mooiste melodieën ooit door Wagner geschreven. Hoe kon Brünhilde daar ooit verliefd op worden?

Deborah Polaski is een goede Brünhilde. Ik ben nooit zo dol op haar geweest, vond haar stem meestal iets te hard en te vlak, maar zij is een goede vakvrouw, gepokt en gemazeld in het fach. Bij haar stoort het niet, dat haar stem niet altijd doet wat er in de partituur staat (20 jaar Brünhilde zingen eist zijn tol), want er staat heel wat tegenover. Haar intensiteit, haar grote inlevingsvermogen, haar grote bühnepresence en overtuigingskracht maken van haar een Brünhilde om te koesteren.

De rest van de cast is goed tot zeer goed, met de ongekend grandioze Graham Clark (Loge en Mime) voorop. Alleen al voor zijn optreden is deze Ring het bekijken meer dan waard. Hetzelfde kan worden gezegd van Günther van Kannen (Alberich) en de overweldigende Hagen van Matti Salminen, die de bühne beheerst vanaf zijn eerste opkomst.

Falk Strückman’s Wotan begint nogal onevenwichtig, maar gaandeweg de cyclus wordt zijn zingen steeds beter. Op zijn acteren valt weinig aan te merken, en ook als Günther weet hij het onderste uit de kan te halen.

Linda Watson is een prachtig zingende Sieglinde, maar de camera is voor haar ongenadig: de vele close-ups maken van haar een matrone. De schuldige hiervoor is beslist de televisieregisseur, die maar over twee handelingen schijnt te beschikken: inzoomen en uitzoomen. Niet bepaald boeiend of innoverend, bovendien doet het een inbreuk op het verloop van de actie en ontneemt veel belangrijke details aan het oog – vaak kan je alleen maar gissen, wat er gebeurt.

De regie (Küpfer) en de enscenering (Schavernoch) vind ik voornamelijk inconsequent. Das Rheingold begint inderdaad prachtig. De bühne wordt beheerst door een enorme es, en de actie wordt zowel horizontaal als verticaal gespeeld, waardoor als het ware lagen ontstaan, en de tegenstellingen tussen de werelden: Nibelungen onder en Valhalla boven de oppervlakte van de Rijn worden benadrukt. Door het gebruik van de spiegelende vloeren wordt er een suggestie van water gecreëerd, waar de Rijnmeiden daadwerkelijk in lijken te zwemmen. Küpfer schijnt de aanwijzingen van Wagner op de voet te volgen en de kostuums zijn ouderwets in de goede zin van het woord.

 De Walküre is al iets abstracter, maar nog steeds herkenbaar. Jammer alleen van de overheersende donkerblauwe tinten, waardoor het beeld veel te donker is, en waardoor je soms bijna niets kan zien. Bijzonder sterk is de dood van Siegmund: Küpfer laat hem door Hunding (goede Eric Halfvarson) in de armen van Wotan dodelijk verwonden, een variatie op Piëta.

Was De Walküre al een kleine teleurstelling ten opzichte van de proloog, met Siegfried belanden we in een triest dieptepunt. Het begin is nog aardig, al schijnt de actie zich af te spelen in iets wat op een immense fabriek lijkt, waar desnoods duizenden Nothungs kunnen worden gesmeed. Helaas, met de komst van Siegfried kan je de hoop maar beter opgeven, vanaf hier wordt het slechts belachelijk en saai, met een absoluut dieptepunt aan het eind.

Met De Götterdämmerung betreden wij (letterlijk en figuurlijk) een totaal andere wereld. Bij de opkomst van Günther veer ik even op: een dun snorretje, zwart, sluik vallend haar met een duidelijke scheiding opzij, zou het …? Ach nee, het is Clark Gable uit Gone with the wind, ik herken hem aan zijn kamerjas en de manier waarop hij de sigaret opsteekt. Ook de outfit van Gutrune (ontroerend goede Elisabete Matos) had ik al eerder gezien, zij lijkt sprekend (nou ja, bij het uitzoomen dan) op Vivian Leigh, maar dan uit Streetcar named desire. In die wereld is Hagen de regisseur, hij is het, die het verdere verloop van de actie bepaalt. Door de microfoon roept hij Siegfried de set op, en het draaien kan beginnen. Het koor en de figuranten stellen de fans voor, en aan hun kleding te zien, zijn we in de jaren dertig van de vorige eeuw belandt.

De overgang van de mythologische wereld naar de realiteit (?) van de film is te groot en te onbegrijpelijk, maar misschien was dat allemaal maar een film? Ik geef het op, per slot van rekening kun je met een goede wil alles verklaren. Verslagen laat ik het allemaal over me heen komen en vraag me niet eens af, waarom Alberich aan het eind toch de ring krijgt, hem omdoet en triomfantelijk omhooghoudt, tot hij vanzelf aan diggelen valt. Dit alles nauwkeurig gadegeslagen door een innig verstrengeld paar: een meisje en een jongen, de (nieuwe) tweeling wellicht? L’histoire se répète, zal ik maar zeggen

Het orkest van Gran Teatre del Liceu onder leiding van Bertrand de Billy speelt goed, maar niet meer dan dat. Jammer. (Opus Arte OA 0911 D)

Die Walküre

KOPENHAGEN 2006

Ring Box-Copenhagen-Ring

In 2006 werd de hele Ring uitgevoerd in de opera van Kopenhagen en de alom geroemde productie werd door Decca (0743264) op dvd’s opgenomen. De regie lag in handen van Kasper Holten.

Holten presenteerde de cyclus als de geschiedenis van een (gegoede?) familie door de jaren heen, iets wat toen betrekkelijk innovatief was. Op zich niet zo gek, want met al die buitenechtelijke escapades van pater familias moesten er genoeg broers, zussen en aanverwanten rondlopen.

Wat Holten eigenlijk nog meer ambieerde, was de cyclus als een verknoopte geschiedenis van de twintigste eeuw te laten zien – iets wat hem maar ten dele is gelukt.

In Das Rheingold kijkt Brünnhilde, gezeten in een soort bibliotheek van haar vader, terug naar hoe het allemaal is begonnen en hoe het zo ver heeft kunnen komen. En dan dalen wij naar beneden. Nee, niet naar de rivier, want die valt nergens te bekennen, maar naar een soort bar, volgestouwd met flessen wodka en ‘bewoond’ door drie ‘grisettes’, alles in de sfeer van de jaren twintig van de vorige eeuw.

Alberich is een mismaakte griezel en het goud, in de gedaante van een naakte jonge man, zwemt rond in een aquarium. De jonge man – sorry: het goud – wordt gedood, zijn hart wordt uit zijn borst gerukt en daar wordt dus de Ring van gemaakt.

Met de vluchtende Siegmund belanden wij in een Amerikaanse suburb in de jaren vijftig. Nou was de mode in die tijd niet al te charmant, maar moest de arme Sieglinde zo verschrikkelijk toegetakeld worden? Haar gifgroene oogschaduw doet pijn aan de ogen en de close-ups zijn voor beide zangers ongenadig.

Met de antiheld Siegfried (volgens Holten kunnen we niet anders dan hem sympathiek vinden en medelijden met hem te hebben – de arme jongen wordt tenslotte door alles en iedereen gemanipuleerd) bereiken wij het jaar 1968, de tijd van ‘Aquarius’, flower power en ‘make love not war’.

De rest laat ik aan uw voorstellingsvermogen over. Of aan uw koopkracht, want ondanks al mijn bezwaren vind ik de productie zeker het bekijken waard. Wat ik ook van al die concepten (en de kostuums!) denk: Holten is een voortreffelijke personenregisseur en weet wat hij wil. De spanning is soms om te snijden en je kan niet anders dan blijven kijken.

Bovendien wordt er goed gezongen en (met het oog voor de camera, dus vaak op de millimeter, dat dan wel) geacteerd, voornamelijk door Stephen Milling (Hunding). Stig Andersen is een prima Siegmund en Siegfried, Iréne Theorin een uitstekende Brünnhilde en James Johnson een overtuigende Wotan/Der Wanderer.

 

BUENOS AIRES 2013

Ring Buenos Aires

Het idee om de Ring te ontdoen van alle ‘ballast’ (het zijn mijn woorden niet!) en terug te brengen tot de essentie is niet nieuw. De opera van Buenos Aires heeft de moed getoond om het plan daadwerkelijk te realiseren en Cor Garben bewerkte de tetralogie tot een zeven uur durend geheel.

Ik ga u niet met de ontstaansgeschiedenis en alle affaires en schandalen waarmee de productie te maken kreeg (nog maar zes weken vóór de première was er geen concept, geen regisseur en geen dirigent!) vermoeien; het staat ook allemaal op de bijgeleverde, zeer spannende en buitengewoon interessante film van Christoph von Bock. Maar eind goed al goed: de Ring ging in mei 2013 in première en werd door C Major (713104) uitgebracht.

Over het concept (regie: Valentina Carrasco) wil ik kort zijn: wij zijn in het Argentinië van de jaren zeventig, de Rijnmeiden zijn eigenlijk Rijnmoeders en het goud, dat wordt gestolen, is een kind. De cast is goed. Wel heb ik een beetje moeite met Leonid Zakhozaev (Siegfried).

DIE WALKÜRE

Ring Walkure Sony

Een jaar of tien geleden is Sony begonnen met het openbaren van de Met-archieven. Daar zat ook een Die Walküre tussen, opgenomen op 24 februari 1968. Je moet wel even aan het doffe geluid wennen, maar als je het eenmaal in je oren hebt ….. Mijn God, wat is de uitvoering prachtig!

De op elkaar verliefde tweeling wordt vertolkt door een zeer ontroerende (tranen!) Leonie Rysanek en een lyrischer dan ooit klinkende Jon Vickers. Tel Wotan van Thomas Stewart en – ja, hoe kan het anders? – dé Brünhilde van Birgit Nilsson daarbij en dan weet je dat het feest mag beginnen.

Maar wij zijn er nog niet, want ook Fricka doet mee en het moet gezegd: zij is de ster van de opera. Haar naam? Christa Ludwig. O ja: Hunding wordt gezongen door Karl Ridderbusch. De dirigent is mij alleen van naam (waarom eigenlijk?) bekende Berislav Klobucar. (Sony 853082)


 

Schubert en Brahms door Gerald Finley: daar red je het niet met een zakje Kleenex mee

Schubert Finley

Deze cd zou een grote kans maken om op de top van Hart & Ziel-lijst van Radio vier te eindigen. Zoveel treurigheid, zoveel leed … Daar red je het niet met een simpel zakje Kleenex mee. Ben ik cynisch? Ja.

Ik ben een enorme bewonderaar van Gerald Finley. Sterker: hij behoort tot mijn absolute ‘to die for’ zangers. En, eerlijk is eerlijk, deze cd is zonder meer prachtig. Alleen: wie zat er echt op te wachten? Al een paar jaar geleden schreef ik dat er een, al was het maar tijdelijk, verbod zou moeten komen op het opnemen van bepaalde muziekstukken. Om te beginnen met de drie liedcycli van Schubert. Wij verzuipen in de hoeveelheid uitvoeringen en het einde is nog steeds niet in zicht.

Nu is Finley niet zomaar een zanger, hij is een van de meest charismatische baritons van onze tijd en zijn stem is gewoon goddelijk. Wat is er dan misgegaan? Niets eigenlijk, behalve dat het zo overbodig is. Mooi? Ja. Ontroerend? Voor wie daar gevoelig voor is, ja. Iets aan toevoegend? Nee. Gekunsteld? Ja.

In Brahms kan hij mij iets meer overtuigen. Daar is hij meer een zanger die niets wil verduidelijken maar gewoon zingt. Daarin wordt hij uitstekend geholpen door Julius Drake.

Hieronder een promo:

FRANZ SCHUBERT: SCHWANENGESANG
JOHANNES BRAHMS: VIER ERNSTE GESENGE
Gerald Finley (bariton), Julius Drake (piano)
Hyperion CDA 68288

John Wilson zet de symfonie van Korngold in de spotlights

Korngold Wilson

Vijf jaar, van 1947 tot 1952, heeft Korngold er aan gewerkt, aan wat hij dacht dat het zijn grootste werk zou worden, zijn symfonie ‘Dedicated tot he memory of Franklin Delano Roosevelt’. Het werk heeft hij aan Bruno Walter opgedragen, wellicht in de hoop dat hij het zou gaan dirigeren. Walter was vereerd en noemde de compositie “de beste moderne symfonie die ik ken”, maar het dirigeren deed hij niet. Waarom? Daar komen we waarschijnlijk nooit meer achter.

De première in 1954 was een mislukking en het duurde tot 1972 eer het werk een fatsoenlijke uitvoering kreeg door het Philharmonisch orkest van München onder leiding van Rudolf Kempe. En daar moesten we het mee doen tot 1997, toen André Previn de compositie wat meer schwung bezorgde en waar ik nog steeds heel erg gelukkig mee ben. Was, eigenlijk, want de nieuwe opname die John Wilson met zijn pas opgerichte Sinfonia of London doet mij al die andere opnamen (er is ook nog Marc Albrecht waar ik niet zo gelukkig mee ben) eenvoudigweg vergeten.

Ik weet niet waar het aan ligt maar Wilson schijnt Korngolds idioom bijna congeniaal aan te voelen. Hij laat de spanning zo gemeen opvoeren dat je denkt midden in een ‘Hitchcock film’ te zijn beland. Filmisch, expressief, maar ook een beetje melodramatisch, zoals het hoort. Daarbij vergeet hij de Korngoldiaanse ‘zoete tonen’ niet. Het resultaat is adembenemend.

Theme and Variations en Straussiana zijn niet echt werken om over naar huis te schrijven, maar als het zo uitgevoerd wordt… Wat een aanwinst!


ERICH WOLFGANG KORNGOLD
Symphony in F-sharp, Op.40; Theme and Variations, Op.42; Straussiana
Sinfonia of London olv John Wilson
Chandos CHSA 5220

Weergaloze liederen van Reynaldo Hahn weergaloos uitgevoerd door Tassis Christoyannis en Jeff Cohen

Hahn alle liederen

Hij wordt dan wel als dé vertegenwoordiger van La Belle Epoque beschouwd, maar er zijn maar bar weinig mensen die zijn naam, laat staan zijn werken kennen. Hij is de geschiedenis ingegaan als de minnaar van Marcel Proust, maar Reynaldo Hahn – want over hem hebben we het – was zo veel meer!

De in Caracas (Venezuela) geboren Hahn, zoon van een Duits-Joodse vader en een Venezolaanse van Spaans-Baskische afkomst, was behalve pianist en componist ook een zeer gewaardeerde dirigent, vermaard voornamelijk vanwege zijn Mozart vertolkingen. Hij was ook muziekrecensent voor Le Figaro, schreef boeken over muziek en in 1945 werd hij directeur van de Parijse Opéra.

Hij was maar vier jaar oud toen hij – alleen! – in Parijs arriveerde. Dat, omdat zijn vader die toen de van president Antonio Guzmán Blanco politiek bedreigd werd. Op zijn elfde begon hij met zijn studie aan het Parijse conservatorium waar hij de leerling werd van Jules Massenet.

Hahn

Reynaldo Hahn

Hahns carrière speelde zich voornamelijk in de Parijse aristocratische salons waar hij vermaard – en aanbeden – werd niet alleen als de componist, maar ook als uitvoerder van zijn eigen liederen.

Marcel Proust over Hahn: “his head a little thrown back, his mouth mournful and slightly indignant, from where flowed, rhythmically, the most beautiful, the saddesr and warmest voice that never existed.”

Jean Cocteau: “he sang with a cigarette positioned in the corner of his mouth, delivering his delightful voice from the other part, the eyes painting towards the sky”.

Hahn componeerde meer dan 100 liederen die nog maar zelden worden uitgevoerd. Waarom? Vraag het niet aan mij want ik vind ze allemaal prachtig. Allemaal. Wat wij nu, dankzij het label Palazzetto Bru Zane kunnen ervaren: het merendeel van de opgenomen liederen zijn wereldpremières. Luister alleen maar naar de cyclus Chansons grises gecomponeerd naar de gedichten van Paul Verlaine! Wat een aanwinst!

Hahn Tassis Christoyannis

Tassis Christoyannis

Aanvankelijk was ik bang dat het eentonig kon worden, vier cd’s en maar één stem, maar ik werd prettig verrast. De Griekse bariton Tassis Christoyannis heeft precies het timbre om de liederen recht te doen: licht, elegant en sensueel wat mij af en toe aan Gerard Souzay liet denken. Zijn interpretatie is gewoon weergaloos en in ieder lied weet hij een andere, juiste toon aan te slaan. Mijn God wat is het mooi! Voor mij nu al cd van het jaar!

Elders las ik dat we binnenkort veel meer Hahn kunnen verwachten. Zij opera’s L’Ile du Reve en La Carmelite staan op de lijst van Palazzetto Bru Zane om live opgenomen te worden. Voor het zo ver is: vergeet u zijn Ciboulette niet?


Reynaldo Hahn
Complete songs
Tassis Christoyannis (bariton), Jeff Cohen (piano)
Palazetto Bru Zane BZ 2002 (4 cd’s)

.

 

The Song of Terezin & Requiem Ebraico

waxman zeissl

In the nineties of the last century the (once very renowned) classical music label Decca started an unsurpassed series ‘Entartete Musik’. Under the supervision of producer Michael Haas, works were recorded by composers who were persecuted by the Nazis, many of whom were murdered in concentration camps and then ignored and even forgotten for decades.

The series didn’t last long. Sales figures were disappointing, Haas was fired, and most of those CDs are now out of print.

waxmann zeisl waxman-resize-800x955

Franz Waxman

Every true fan of film classics knows the music of Franz Waxman. His compositions for Rebecca, Sunset Boulevard and A Place in the Sun, among others, have earned him numerous Oscar nominations and twice he was actually awarded the statuette.

waxman zeisl humoresque

For Humoresque by Jean Negulesco, starring Joan Crawford and John Garfield, he composed an outright hit: ‘Carmen Fantasie’ (played in the film by Isaac Stern), a virtuoso piece for violin and orchestra that is ubiquitous in concert halls and on recordings.

However, few people know that he has also composed ‘serious’ music. It is simply ignored.

waxman zeisl zeisl

Eric Zeisl

Zeisl’s name is almost completely forgotten nowadays. Harmonia Mundi once recorded some of his chamber music works, but these recordings too have since disappeared from the catalogue. Both composers were contemporaries with a similar fate, who ended up in Hollywood on the run from the Nazis. If their respective fates are similar, their music in no way is.

The song cycle Das Lied von Terezín consists of eight poems, written by Czech children between the ages of 12 and 16 during their stay in the Theresienstadt concentration camp.

Deeply affected by the fate of these children, Waxman composed a very moving piece of music in 1965 that, in terms of its power of expression, can be compared to Schoenberg’s A Survivor from Warsaw. The majority is written in the twelve-tone technique, but there is also a clear influence of Zemlinsky (‘Der Garten’) and in ‘Dachbodenkoncert in einer alten Schule’ a motive from Beethoven’s Mondscheinsonate is quoted. The whole is performed very movingly by the two choirs and the mezzo-soprano Della Jones.

Eric Zeisl’s Requiem Ebraico is based on Psalm 92 and is dedicated to the composer’s father and ‘all the victims of the Jewish tragedy in Europe’. Zeisl’s music is very melodic and strongly influenced by Jewish and Hebrew themes. It is unbelievable that it is not performed more frequently!


Franz Waxman: The Song of Terezín
Eric Zeisl: Requiem Ebraico
Deborah Riedel, Della Jones, Michael Kraus
Rundfunk-kinderchor Berlin, Rundfunkchor Berlin, Rundfunk-Sinfonieorchester Berlin conducted by Lawrence Foster (Decca 4602112)

“Ich möcht so gern nach Haus!”: Anne Sofie von Otter sings songs by ‘Theresienstadt composers.’

Entartete Musik, Teresienstadt and Channel Classics

Translated with http://www.Deep

James Rutherfords Schwanengesang is gewoon niet goed

Schubert Rutgherford

Soms denk ik dat er een, al was het maar tijdelijk, verbod zou moeten komen op het opnemen van bepaalde muziekstukken. Om te beginnen met de drie liedcycli van Schubert. Wij verzuipen in de hoeveelheid – veelal fantastische, dat dan weer wel – uitvoeringen en het einde is nog steeds niet in zicht.

Ik snap best wel dat een elk zichzelf respecterende zanger zijn stempel op de liederen wil drukken, maar wie nú nog de Schwanengesang meent te moeten opnemen, moet verrekt veel te vertellen hebben.

Bariton James Rutherford heeft veel te vertellen. Alleen: wat hij ons wil vertellen, klopt voor geen meter. De Brit beschikt over een grote, dramatische stem, die hem bijzonder geschikt maakt voor Wagner-rollen. Maar daarin schuilt direct een gevaar als je de intimiteit van Schuberts laatste opus gaat opzoeken.

Rutherford en zijn begeleider Eugene Asti hebben vijftien jaar lang aan deze liederen gewerkt en ze in verschillende volgordes uitgevoerd (er moest uitgeprobeerd worden). Voor hun definitieve (?) versie hebben ze ‘Herbst’ aan het Rellstab-gedeelte toegevoegd. En omdat Rutherfords stem zo laag en zwaar is, zijn de liederen een terts naar beneden getransponeerd..

Het resultaat vind ik zeer onbevredigend: onbeholpen en amateuristisch. Ik heb de cd een paar keer de kans gegeven, maar merkte dat mijn afkeer alsmaar groeide. Sorry.


Franz Schubert
Schwanengesang D.957, Die Forelle, Auf der Bruck, Gruppe aus Tartarus, An die Musik
James Rutherford (bariton), Eugene Asti (piano)
BIS 2180

Florian Boesch en Schwanengesang: een match made in heaven