cd/dvd recensies

Satie, Hannigan en de Leeuw

Socrate Satie

Dat Socrate, een ware meesterwerk binnen het genre van Eric Satie zo zelden uitgevoerd wordt, ligt volgens Reinbert de Leeuw aan de moeilijkheidsgraad van de muziek. Quasi de eenvoud zelve vereist het werk, zowel van de uitvoerende als van de luisteraar niet alleen de ultieme concentratie maar ook een emotionele afstand tot de materie.

Satie heeft zijn werk, naar Berlioz verwijzend, een ‘symfonisch drama’ genoemd, wat in geval van de eigenzinnige componist inhoudt dat het effect juist het tegenovergestelde is. Reinbert De Leeuw vindt Socrate een ‘blank’ werk, dat gezongen moet worden alsof je voorleest. Volkomen onzichtbaar en zonder emoties. Laat het maar aan Barbara Hannigan over!

Socrate

Naar het drama te luisteren voelt alsof je weer op de kleuterschool bent en de juf je met een ingehouden stem van een gebeurtenis verhaalt, om je vooral maar niet bang te maken. Ik vind het prachtig.

Ook de zeven liederen, met ‘Sylvie voorop, worden door Hannigan met ingehouden emoties vertolkt, waardoor ze aan expressiviteit winnen. Dat Hannigan en de Leeuw een match made in heaven zijn is evident: wat een eenheid!

Barbara Hannigan en Reinbert de Leeuw – Sylvie:

 

Maar wie het op zijn geweten heeft om een zo belangrijke uitgave zonder liedteksten op de markt te ‘dumpen’, verdient straf. Wat een minachting voor het publiek, wat een gotspe!

Eric Satie
Socrate
Barbara Hannigan (sopraan), Reinbert de Leeuw (piano)
Winter & Winter 910234-2

Barbara Hannigan : “In principe zing ik alles alsof het Mozart is”

BARBARA HANNIGAN betovert in liederen van HENRI DUTILLEUX.

‘Lessons in Love and Violence’ zit vol ingehouden spanning

Gevloerd door Lulu van Krzysztof Warlikowski in Brussel 2012

 

Mahler 3 door Jaap van Zweden: wat overblijft is een kater

mahler-3

Op het voorkantje staat, vermeld als eerst: Jaap van Zweden. Daaronder (met grotere letters, dat dan weer wel): Mahler 3. Alsof het Jaap van Zweden was, die een werk getiteld ‘Mahler 3’ heeft gecomponeerd. En zo klinkt de opname ook.

Daar is in principe niet zo veel op tegen. Een compositie leeft immers bij de gratie van zijn interpreet, ongeacht of je er wel of niet mee eens bent. Welnu: mijn Mahler 3 is het niet. Wat niet betekent dat u het met mij eens hoeft zijn!

Deel één hoort ‘kraftig’ en ‘entschieden’ te zijn, maar wat ik hoor is een brij van dikke klanken. Het kan ook de schuld van de (live) opname te zijn, maar ‘krachtig’ valt toch niet te camoufleren? Het orkest gromt als een naderend onweer in de zomer: loom en traag. En zwaar, heel erg zwaar. Daarbij zijn de trompetten alles behalve zuiver.

Het tweede deel klinkt al beter, al vind ik bepaalde accenten in 1, en zeker in 2, een beetje vreemd. Maar echt mis gaat het in 4, bij het ‘Zarathustra lied’. Kelley O’Connor’s mezzo kan mij niet echt bekoren en haar brede tremolo vind ik behoorlijk irritant. Wat overblijft is een kater. Jammer.


GUSTAV MAHLER
Symphonie No.3 in D minor
Woman of the Dallas Symphony Chorus (Joshua Haberman); Dallas Symphony Orchestra olv Jaap van Zweden
Kelley O’Connor (mezzosopraan)
DSOlive 007

Costantino Mastroprimiano speelt ALKAN


alkan

Wellicht ligt het aan het instrument (Pleyel uit 1865), maar hier kan ik echt niet warm voor lopen.

Charles-Valentin Alkan behoort tot mijn geliefde componisten, althans wat pianomuziek betreft. Mijn verzameling telt dan ook ettelijke cd’s met zijn weergaloze Etudes, Nocturnes en Impromptus. Onder andere.

De Italiaan Costantino Mastroprimiano kan heus piano spelen, er is ook niets mis met zijn techniek, maar… maar de ziel ontbreekt. En het allerergste is: alles wat hij doet klinkt zo ontzettend mechanisch! Soms moet ik dan aan een ingeblikt bandje denken dat door een ouderwetse draaiorgel wordt gespeeld. Af en toe wordt het pedaal ingedrukt  en om het effect maximaal te bereiken wordt het bandje hier en daar versneld afgedraaid.

Alkan was behalve componist ook een echte pianovirtuoos, ik kan mij dan ook niet voorstellen dat hij hiermee genoegen zou kunnen nemen.

Als tegengif grijp ik snel naar de opnamen die Marc-André Hamelin van Alkan heeft gemaakt en eindelijk krijg ik lucht. Ik overpeins dan de vermeende doodsoorzaak van de componist: volgens een legende werd hij bedolven door zijn eigen boekenkast. En heel erg boosaardig denk ik dat de boeken maar beter op die ondermaatse piano hadden moeten vallen.

Marc-André Hamelin:

Charles-Valentin Alkan
Solopianomuziek
Costantino Mastroprimiano
Brilliant Classics 94341 

PAUL BEN-HAIM

ben-haim

Langzaam, veel te langzaam en eigenlijk veel te laat, maar de muziekwereld wordt wakker. De een na de andere leemte wordt eindelijk opgevuld en de (bewust of onbewust) ‘vergeten’ componisten komen ook onze cd-spelers in.

  

Wie van u heeft ooit van Paul Ben-Haim gehoord? En als niet: waarom niet eigenlijk?
De in 1897 in München als Paul Frankenburger geboren en bijna 90 jaar later in Tel Aviv gestorven componist heeft een zeer spectaculair oeuvre nagelaten. Veel vocale werken, orkeststukken, kamermuziek…. Wat niet, eigenlijk?

De meeste van zijn composities zijn beïnvloed en geïnspireerd door Joodse, Israëlische en Arabische melodieën, je kan zijn muziek dan ook ‘nationalistisch’ noemen. En: nee, daar is niets mis mee, met dat woord.

Neem alleen de opening van zijn klarinetkwintet uit 1941! De dansante klarinetpartij herinnert in de verte aan de swingende klezmer, maar dan wel in een Brahmsiaans jasje.

Nog sterker komt het tot uiting in zij Two Landscapes voor altviool en piano, waarin hij de schoonheid van zijn nieuwe vaderland bezingt.

 

De aan Zino Francescati opgedragen Improvisation and Dance verraden invloeden uit het Jemenitische folklore en alleen zijn oudste werk op de cd, het pianokwartet uit 1920 heeft nog geen eigen gezicht.

De zeer aanstekelijk spelende leden van het Canadese ARC Ensemble zijn in het dagelijks leven allen werkzaam op het Glenn Gould Conservatorium. Een cd om te koesteren


PAUL BEN-HAIM
Clarinet Quintet, Two Lanscapes, Canzonetta, Improvisation and Dance,
Piano Quartet
ARC Ensemble
Chandos CHAN 10769

Meer ARC Ensemble:
SZYMON LAKS. Muziek uit een andere wereld
JERZY FITELBERG

2 x JULIUSZ ZARĘBSKI

JULIUSZ ZARĘBSKI 1

zarebski-martha

Ik heb nooit eerder van Juliusz Zarębski heb gehoord. De bijna tijdgenoot van Chopin werd één jaar na de dood van zijn beroemde landgenoot geboren en stierf (ook aan tbc) in 1885, maar 31 jaar oud. Hoe het komt dat hij zo totaal werd vergeten is mij een raadsel die, denk ik, voor altijd onopgelost zou blijven. Belangrijker is het dat hij nu terug is op de podia en in de schappen van de muziekwinkels.

Het is de geweldige Martha Argerich aan te prijzen dat zij zich met zo veel liefde over onbekende werken ontfermt, maar haar medespelers doen niet voor haar onder. Bartłomiej Nizioł beschikt over een romig en dromerig geluid en ook de cellist heb ik in mijn hart gesloten. Het verschil tussen de zeer verstilde Adagio en de Scherzo kan niet groter zijn: romantiek ten top.

In het tekstboekje wordt het kwintet met Schubert en Brahms vergeleken, maar ik hoor er meer flarden van Fauré in. Het is ook een beetje geparfumeerd wat eigenlijk zo vreemd niet is: Polen was toen zeer Frans georiënteerd. Het is een prachtige uitvoering van een prachtige muziek!

 

JULIUSZ ZARĘBSKI
Piano Quintet in G minor, Op.34
Martha Argerich (piano), Bartłomiej Nizioł (eerste viool), Agata Szymczewska (tweede viool), Lyda Chen (altviool), Alexander Neustroev (cello)
NIFC 002 • DVD – 43’

JULIUSZ ZARĘBSKI 2

zarebski-zelenski

Ik ben altijd gefascineerd geweest door de golfbewegingen, zowel op zee als op de “wal”. Hoe komt het dat een componist van wie bijna niemand heeft gehoord opeens “hot” wordt en niet alleen gespeeld maar ook opgenomen wordt? Hangt het in de lucht?

Nog maar één jaar geleden werd ik geconfronteerd met een weergaloze uitvoering van het bloedmooie pianokwintet van Juliusz Zarębski (zie boven), een componist die ik niet eens van naam kende. Daar werd ik zielsgelukkig van, van de muziek en van de uitvoering.

En nu, amper een jaar later komt er een tweede opname van het pianokwintet op de markt. Als ik de uitvoering met o.a. Argerich niet had gehoord dan was ik zonder meer enthousiast, maar nu heb ik mijn bedenkingen. Jonathan Plowright, bijgestaan door het Szymanowski Quartet benadert het werk nuchter – het is niet verkeerd, maar zo mist de muziek voor mij haar zeggingskracht. Ik mis het fluweel en de mystiek van de romantiek. Zeg maar gerust: hart en ziel.

Met het pianokwartet van Juliusz Żeleński heb ik niet zo veel. Ik vond het leuk om er kennis mee te maken want de muziek is zeer aangenaam, maar ik denk niet dat ik er vaak naar ga luisteren.

WŁADYSŁAW ŻELEŃSKI
Piano Quartet in C minor Op.61
JULIUSZ ZARĘBSKI
Piano Quintet in G minor Op.34
Jonathan Plowright piano, Szymanowski Quartet
Hyperion CDA 67905 • 72’

THE HUNGARIAN CONNECTION


brahms-ottensamer

Weinig kamermuziekwerken hebben zo’n immense impact op de gemoedstoestand van
de luisteraar als het klarinetkwintet van Brahms. Ten dele ligt het aan het instrument zelf maar zonder de geniale inval van de componist zou je alleen maar een klank overhouden.

Neem de begintune alleen maar: “ta ta ta ta, tatatataataaa …” en dan, na een minuutje of zo, trekt het zoet-melancholische geluid van de klarinet rechtstreeks je onbewuste in, totdat je je helemaal verloren waant en alleen maar luisteren kan.
Oneerbiedig zou je het werk een gigantische ‘oorwurm” kunnen noemen, maar dan wel een zeer welkome oorwurm: één die je het liefst niet meer uit je hoofd zou willen zetten

De uitvoering door Andreas Ottensamer met zijn kwartet vrienden is zonder meer prachtig, wat behalve aan de klarinettist ook aan de eerste violist ligt. Er wordt zeer kundig en virtuoos gespeeld en het plezier spat er vanaf.

De weinig bekende Két Tétel van Leó Weiner sluit naadloos bij de rest van de zeer folkloristisch Hongaars (wel met een klein Roemeens accent) aandoende werken op deze zeer aangenaam klinkende cd. Ideale muziek voor de zomermuziekfestivals, maar ook buitengewoon geschikt voor de zwoele zomernachten voor de achterblijvers in de stad.


 brahms-achterkant

Andreas Ottensamer (klarinet), Leonidas Kavakos & Christoph Konch (viool), Antoine Tamestit (altviool), Stephan Konch (cello), Ödön Rácz (contrabas), Oszkár Ökrös (cimbalon), Predrag Tomić (accordeon)

DG 4811409

Jevgeni Onegin door de ogen van Stefan Herheim

onegindvd

Jevgeni Onjegin is een ware ‘antiheld’. Sterker: hij is een nogal saaie en verveelde kwast. Door nalatenschap is hij een rijk man geworden en heeft toegang tot de high society, maar alles verveelt hem en eigenlijk weet hij zelf niet wat hij wil. Hij kleedt zich volgens de laatste mode, de vraag is alleen of hij het doet omdat hij van mooie kleren houdt, of omdat het nu eenmaal zo hoort.

Want hoe de dingen horen dat weet hij wel. Hij maakt ook amper een ontwikkeling door in de loop van de opera. Hij doodt zijn beste vriend en zelfs dat laat hem onberoerd. Pas aan het eind wordt hij ‘wakker’ en er komt iets van een gevoel bij hem binnen. Niet echt iemand aan wie je een opera kan ophangen, vandaar ook dat voor veel mensen de echte hoofdpersoon niet Onjegin maar Tatyana is.

Wellicht. Maar één ding weet ik zeker: de opera gaat niet over de geschiedenis van Rusland. Net zo min trouwens als de roman in verzen van Poesjkin, waar het libretto, geschreven door de componist zelf, zeer losjes op is gebaseerd.

Er zijn veel prachtige voorstellingen van de opera gemaakt: denk aan Carsen, Tsjernjakov of Deborah Warren, om maar een paar te noemen. Daar hoort Herheims visie volgens mij niet bij. Bij de première vijf jaar geleden was het DNO-publiek buitengewoon enthousiast en de meeste recensenten spraken er met lof over.

Zelf vond het een misselijkmakend samenraapsel van van alles: bruine beren, astronauten, geestelijken, KGB, circus, Syberië, tsaren en de nieuwe rijken (lees: de Russische maffia). Maar het allerergste wat Herheim deed was het om zeep helpen van één van de ontroerendste tenoraria’s uit de operageschiedenis. Terwijl de arme Lenski (prima Andrej Dunaev) afscheid neemt van zijn liefde en zijn leven, wordt het beeld verstoord door de weggevoerde gevangenen.

Om één van mijn Engelse collega’s te citeren: “If a director wants an opera of Pushkin’s Onegin he should write a new libretto and commission appropriate new music. Otherwise, he deserves a visit from Tchaikovsky’s vengeful ghost….”

Bo Skovhus, ooit één van mijn lievelingszangers, voor wiens Onjegin ik ooit naar Parijs ben afgereisd, was de rol inmiddels ontgroeid. Maar het is nog steeds heel erg fijn om naar hem te kijken en te luisteren.

Krassimira Stoyanova daarentegen vind ik nog steeds één van de ontroerendste Tatyana’s uit de geschiedenis en Mikhail Petrenko zet een zeer imponerende Gremin neer, al oogt hij te jong voor zijn rol.

Het KCO onder Mariss Jansons klinkt werkelijk fantastisch: Jansons dirigeert volovergave, met brede gebaren, maar ook zeer lyrisch.

Trailer van de productie:

 

Pjotr Iljitsj Tsjaikovski
Jevgeni Onjegin
Bo Skovhus, Krassimira Stoyanova, Andrej Dunaev,
Mikhail Petrenko e.a.
Royal Concertgebouw Orchestra Amsterdam olv Mariss Jansons
regie: Stefan Herheim
Opus Arte OA 1067 D

Eigenzinnige Brahms en Beethoven door Lukas Geniušas

genius

Hoe zou het toch komen dat de eerste pianosonate van Brahms zo weinig opgenomen is? Toegegeven: naast zijn derde klinkt de eerste als – letterlijk –  een harde noot, die zich niet makkelijk laat kraken. Mij heeft het zeker behoorlijk wat tijd gekost voordat de compositie tot mij doordrong, maar toen het eenmaal zo ver was bleef ik er naar luisteren. Fascinerend.

De interpretatie van Lukas Geniušas viel mij aanvankelijk tegen, maar na een paar keer aandachtig luisteren moest ik mij gewonnen geven. De Andante (nach einem altdeutschen Minneliede) klinkt onder zijn handen inderdaad beminnelijk, maar dan wel met enige afstand. Een veilig rustpunt tussen flitsende Allegro en een gehaaste Scherzo.

Geniušas is geen makkelijke interpreter. Het is niet easy going en zeer zeker niet vanzelfsprekend wat hij ons voorschotelt, daar heeft hij diep over nagedacht. Zoals het een echte leerling van Vera Gornostaeva, de befaamde lerares die ook Pogorelič onder haar studenten mocht rekenen, betaamt legt hij zijn eigen stempel op de door hem gespeelde werken.

Zo ook op de Hammerklavier Sonate, waarbij hij de tempo in Allegro letterlijk opvat. Eigenzinnig en dwingend. Geen cd om op de achtergrond te draaien, wat eigenlijk de beste aanbeveling is.



Johannes Brahms
Piano Sonata No.1 Op.1

Ludwig van Beethoven
Piano Sonata No.29 (Hammerklavier Sonata)
Lukas Geniušas
Piano Classics PCL0075 

Seong-Jin Cho: terechte winnaar van het Chopin Concours

chopin-seong

Mensen houden van competities. Maar ook de platenmaatschappijen. Op die manier krijgen ze hun publiekstrekker in spe op een presenteerblad opgediend, want aan een echt ouderwetse talentscouting wordt er nog amper gedaan.

Nu heb je concoursen en concoursen, maar als het om het pianistendom gaat dan telt het Internationale Fryderyk Chopin Competition als één van de meest prestigieuze ter wereld. Geen wonder dus dat de eerste prijswinnaar ook met een dikke platencontract met een gerenommeerde firma naar huis gaat.

De, tijdens het concours nog maar 21-jarige Seong-Jin Cho was al een tijd geheimtip bij de insiders: zo speelde hij al met het Amati Ensemble in Maastricht lang voordat zijn naam op ieders lip kwam. Toch was zijn overwinning voor velen een grote verrassing.

Zuid Koreanen beschikken doorgaans over een vrijwel volmaakte techniek, maar vaak wordt ze een zeker automatisme en weinig gevoel voor nuancen verweten.
Zo niet deze jonge man. Zijn interpretatie van de werken van hét nationaal Pools symbool zijn goed doordacht en zeer … Pools.

Ik kan mij dan ook niet aan de indruk onttrekken dat hij de grootste Poolse pianisten goed bestudeerd had. Wat absoluut niet inhoudt dat hij ze kopieert, integendeel! Het duidelijkst hoor je het in de Polonaise As-dur, de ‘Heroïsche’, die onder zijn handen veel minder heroïsch klinkt dan ik gewend ben, lichter.
Persoonlijk had ik er liever nog wat meer accenten in willen horen, maar zo kan dat ook.

Seong-Jin Cho speelt Polonaise As-dur:

 

Ook de ‘Marche Funèbre’ klinkt bij hem minder statig dan gewoonlijk, zo gespeeld had het ook één van de Préludes kunnen zijn. Cho speelt ze zeer elegant, met een lichte touch, al wil hij in No.20 nog af en toe flink op de pedaal trappen. Iets waar hij zich voor revancheert met een verstilde aanloop tot No.21. Wanneer hij bij de laatste, in d-mineur belandt, weet je precies waarom hij niet anders kon dan winnen. Poëzie ten top, zoals de geborduurde bloemen van Mimi.

De cd is live tijdens het Concours in Warschau opgenomen.

Frédéric Chopin
Seong-Jin Cho
Préludes op.28; Nocturne in C minor op.48/1; Piano Sonata No.2 in B flat minor op.35; Polonaise in A flat major op.53
DG 4795332

Leonidas Kavakos en Enrico Pace zorgen voor intieme virtuositeit

kavakos

Leonidas Kavakos en Enrico Pace samen: dat belooft vuurwerk. En vuurwerk is het, maar anders dan een mens zou verwachten.

Virtuositeit ontbreekt uiteraard niet, hoe kan dat anders als er Paganini, Wieniawski en Sarasate op het programma staan? Dat Kavakos een duivelskunstenaar is moge blijken uit o.a. de variaties op Nel cor piú non mi sento voor vioolsolo van Paganini. Zet het op en ik wil wedden dat het u gaat duizelen. Zou Paganini zelf het ooit  briljanter kunnen vertolken?

Toch: zelfs bij stukken die hun bekendheid voornamelijk vanwege de virtuositeit en moeilijkheidsgraad genieten staan bij beide vertolkers intimiteit en het plezier van samenspel voorop.

Heel duidelijk hoor je het in het smeuïg en met een gezonde dosis schmalz gespeelde  Capriccio-valse van Wieniawski. Of het juist nuchter en toch zeer lyrisch gebrachte Gypsy Andante van von Dohnányi. Hoor hoe de viool daar af en toe uit wil vliegen en hoe hij zich – krampachtig soms – probeert in te houden om binnen de grenzen van het sentiment te blijven. En hoe de piano hem uit alle macht hierbij probeert te helpen. Indrukwekkend.

In de ‘Ochs-walsjes’ uit Der Rosenkavalie’ van Strauss (arrangement van Váša Přihoda) laten de heren zich helemaal gaan, waardoor zij een gelukzalige glimlach op mijn gezicht weten te toveren. In mijn fantasie zie ik al de dikke baron op de dansvloer!

Chanson russe van Stravinsky, doorgaans goed voor een eervolle vermelding in de hitlijsten klinkt bij de heren, gespeend van valse sentimenten, maar niet minder ontroerend.

Hun indrukwekkende recital besluiten Kavakos en Pace met op zijn Weens gearticuleerd gespeelde Humoresque van Dvorak. Anders dan ik gewend ben, prachtig aansluitend bij de rest van het programma.

Kavakos
Leonidas Kavakos (viool), Enrico Pace (piano)
Decca 4789377