Redelijk geslaagde Mahagonny bij Opera Vlaanderen

Tekst: Peter Franken

De opera Mahagonny heeft als voorloper het Mahagonny Songspiel, een concertante eenakter die in 1927 in première ging. Hieruit zijn de twee Engelstalige nummers afkomstig die ook buiten het werk grote bekendheid hebben gekregen: de ‘Benares Song’ en vooral de ‘Alabama Song’. In 1930 ging de ‘grote’ opera in première, afgezien van die twee songs geheel in het Duits op teksten van Bertholt Brecht. Deze versie wordt ook gespeeld in de nieuwe productie van Ivo van Hove die ik afgelopen zondag in Antwerpen bezocht.

Van Hove is er goed in geslaagd het bij vlagen volstrekt absurde spektakel over het voetlicht te brengen. Een echt decor was daarvoor niet nodig, in plaats daarvan de nodige rekwisieten die het toneel op en af worden geschoven zoals een kaptafel voor de hoeren die zich omstandig omkleden: reiskostuum maakt plaats voor werkkleding. En in de vreetscène een tafel waaraan Jack zich aangespoord door Jim Mahoney en Bill letterlijk dood eet. Aardig detail ook het drietal grote ventilatoren die de dreigende hurricane verbeelden, een storm die overigens het stadje nooit echt bereikt. Maar het meest op de voorgrond treedt natuurlijk het grote videoscherm waarop live gefilmde beelden van de spelers te zien zijn. Welke regisseur kan tegenwoordig nog zonder dit attribuut? Het is het ultieme modeverschijnsel van de laatste jaren. Pech is dat de beelden nooit helemaal synchroon lopen met de handeling, toch wel een beetje treurig.

Met een veelheid aan koorleden en figuranten, waarvan met name de vrouwen nogal uitdagend gekleed, is het op het toneel een drukte van belang. Maar voor de pauze, het deel waarin de gebeurtenissen zich afspelen tot net voor die hurricane, wist het op mij geen indruk te maken. Vlak, gladjes, ongeïnspireerd, feitelijk exact als het leven in Mahagonny zelf. Niet voor niets constateert men dat het experiment is mislukt.

Dit effect wordt echter versterkt door de zang van vooral de vrouwen. Natuurlijk zal niet iedereen er zo over denken maar Mahagonny moet in mijn beleving recht doen aan zijn ontstaansgeschiedenis. Het is een Songspiel uit het interbellum met muziek die herkenbaar uit die periode stamt. Er een opera van maken met geschoolde stemmen doet hier al gauw afbreuk aan. Nadrukkelijk was dit het geval bij de ‘Alabama Song’ vrijwel direct aan het begin. Als een stel door de wol geverfde hoeren loopt te zeiken dat ze dringend een shot whisky nodig hebben om te overleven dan wil ik geen veredeld nonnenkoortje horen. Het wegpoetsen van het rauwe karakter van de personages en hun tekst is een enorm minpunt in mijn beleving.

Meer in het algemeen dient Jenny niet al te gepolijst overkomen en vooral niet zo willen zingen.Iedere liefhebber van Weil en Brecht kijkt immers uit naar de volgende tekst:
“Meine Herren, meine Mutter prägte auf mich einst ein schlimmes Wort: Ich würde enden im Schauhaus oder an einem noch schlimmern Ort. Ja, so ein Wort, das ist leicht gesagt, aber ich sage euch: Daraus wird nichts! Das könnt ihr nicht machen mit mir! Was aus mir noch wird, das werdet ihr schon sehen! Ein Mensch ist kein Tier! Denn wie man sich bettet, so liegt man, es deckt einen da keiner zu. Und wenn einer tritt, dann bin ich es, und wird einer getreten, dann bist’s du.

Sopraan Katharina Persicke had geen enkele moeite met dit lied maar zong het als een aria met zelfs een paar coloraturen. Dat ze tegelijkertijd acterend het luisterende manvolk probeerde te intimideren was vooral komisch. De zelfkant van het leven die uit de tekst spreekt ontbrak volledig waardoor het nummer bijna een overbodig intermezzo werd. Immers de punchline ‘und wird einer getreten, dan bist’s du‘ was als afsluiting van de eerste akte al door alle aanwezigen zeer luid en duidelijk het publiek ingeslingerd.

Na te zijn ontsnapt aan de hurricane begint het leven in Mahagonny opnieuw, en nu echt: de stad waar alles mag. En heel toepasselijk veert ook de voorstelling geheel en al op. In hoog tempo gaat alles en iedereen zijn ondergang tegemoet, zo lijkt het waarbij de laatste scène voor een onnodig en ook vrij onbestemd einde zorgt. Maar dat komt uit de koker van Brecht.

Leonardo Capalbo zette een aardige Jim neer, redelijk geacteerd en heel behoorlijk gezongen. Van zijn kameraden Bill, Jack en Joe wist alleen Thomas Oliemans als Sparbüchsenbill echt op de voorgrond te treden. Voorspelbaar wist Maria Riccarda Wesseling mooi gestalte te geven aan de weduwe Begbick. Behalve door haar zang viel ze als enige op door haar spreekstem. Dialogen met vaak absurde humor kwamen bij de anderen nauwelijks over het voetlicht. De andere rollen waren naar behoren bezet.

De eerder genoemde Katharina Persicke is een lichte sopraan zonder presence in de laagte en zingt nadrukkelijk met een klassieke ‘operatic voice‘. Dat doet ze uitstekend maar in dit stuk vind ik dat gewoon niet thuis horen.

Alejo Pérez had de muzikale leiding. Hij had het geheel goed onder controle, niet eenvoudig met bij wijlen een waar pandemonium op het toneel. Pérez liet zijn orkest redelijk vrij, de jazzy klanken kwamen daardoor goed tot hun recht. Mooi spel van vooral de blazers- en ritmesectie. Het koor, ingestudeerd door Jan Schweiger, mocht van Pérez onbekommerd fortissimo zingen, had wel iets minder gekund.

The making of:

Al met al een redelijk geslaagde Mahagonny waarbij overigens de vraag blijft waarom dit stuk voor de derde maal in 11 jaar wordt geprogrammeerd. Het feit dat een regisseur het graag wil mag toch geen prioriteit krijgen boven een afgewogen gevarieerde lange termijn programmering? Of is dat ook de nieuwe trend, net als een videoscherm met live beelden?

Foto’s: ©  Annemie Augustijns

Norma’s norm

Tekst: Neil van de Linden

Wat valt er te zeggen over een uitvoering van Norma? De dramaturgie is vrij statisch, en een groot deel van de handeling speelt zich af diep in een Gallisch woud bij maanlicht, dus in het theater kun je er zonder spectaculaire visuele ingrepen weinig anders van maken dan een mysteriespel, waarbinnen alleen de emoties van de personages voor beweging zorgen. Die worden evenwel vertolkt in lang uitgesponnen solo’s, met hoogstens hier en daar een duet en trio.

Concertante uitvoering, min of meer als oratorium, is dus prima, en gezien de theatrale opzet van de opera koos de Matinee ervoor om de vertolkers simpelweg op te laten komen zonder enige dramatische interactie uit te beelden, anders dan bij andere Matinee uitvoeringen geregeld het geval is.

Wie aan Norma denkt denkt aan Maria Callas. Terecht want als geen ander heeft zij een stempel op die rol gezet. Tussen 1950 en 1964 was ze de incarnatie van Norma. Elke vertolker van de titelrol wordt met haar vergeleken. Er is geen opera waarbij dat zo sterk geldt, en dat is niet helemaal eerlijk.

Hoe goed de andere hoofdrollen Adalgisa en Pollione ook bezet zijn, alle ogen, én vooroordelen, zullen bij een uitvoering van Norma gericht zijn op de vertolkster van de titelrol. Dat was in dit geval de in Rusland geboren Venera Gimadieva, die in de Deutsche Oper Berlin in La Sonnambula en I Capuletti e I Montecchi zong, In Teatro Real Madrid I Puritani en in Opernhaus Zürich Lucia di Lammermoor.

Welnu, haar timbre is prachtig. Veel dramatische inzet van de borststem, maar de rol gaat dan ook vaak heel laag. Vibrato onder controle. Verschijning imposant, al moest ze wat dit betreft ook opboksen tegen Nelly Miricioiù, de jarenlange verpersoonlijking van dit soort belcanto-sopraanrollen in de Matinee. Dramatisch gaf ze gestalte aan het conflict tussen plicht en passie, waarover het libretto handelt, de norm en afwijken van de norm. Wel had ik er last van dat ze geregeld intervallen smokkelde. Als ze een octaaf omhoog moest nam ze onderaan alvast een voorsprong door een kwarttoon omhoog te gaan en bovenaan een kwarttoon lager uit te komen.

Adalgisa, de mede-priesteres van Norma en onopzettelijke rivale in de liefde, is psychologisch bijna net zo sterk uitgewerkt als Norma, en vereist ook de nodige lyrische en dramatische kwaliteiten. Die had de Georgische sopraan Salome Jicia paraat.

De tenorrol van Pollione is ook een echte belcanto-rol, al gaven librettist Felice Romani en de componist zijn personage psychologisch nogal wat minder diepgang mee. Tenor Piero Pretti, kweet zich, met een ruime ervaring in het Italiaanse operavak, uitstekend in deze vocaaltechnisch veeleisend rol, en verdiende des te meer bewondering omdat zijn rol weinig ruimte laat voor empathie van de kant van de toeschouwer. Zelfs als Pollioni uiteindelijk besluit Norma op de brandstapel te volgen maakt dat hem der niet sympathieker op, want wat moet er van hun twee kinderen worden, zonder moeder én vader?

De bas Riccardo Fassi als de Gallische hogepriester Orovese werd door het orkest soms niet gegund om er goed bovenuit te komen, wat eraan kan liggen dat Bellini hem tijdens vrij luid bezette orkestpassages laat zingen. Maar hij heeft een fraai timbre, en gezien zijn uiterlijk zou hij het verdienen om nog eens in een opera met een amoureuzere rol terug te keren in plaats van de leider in een religie die van vrouwen kuisheidsgeloften afdwingt.

Voordeel van de concertante uitvoering is dat je het koor simpelweg kunt laten opstaan wanneer librettist en componist de respectievelijke priesteressen, priesters, Gallische soldaten en Gallische bevolking soms vrij plotseling uit het niets laten opdraven en er weer in laten verdwijnen. Dat deed het Groot Omroepkoor uitstekend en het versterkte de indruk van een fraai gezongen mysteriespel.

De nog relatief jonge dirigent Michele Mariotti heeft al een enorme staat van dienst, onder meer tien jaar muziekdirecteur van het Teatro Communale di Bologna en sinds kort muziekdirecteur van het Teatro dell’Opera in Rome. In de Matinee leidde hij eerder Rossini’s Semiramide. Dat was de opera die naar verluidt indertijd in 1824 de toen 23-jarige Bellini de weg wees als operacomponist. En nu was Mariotti’s uitvoering van Semiramide in 2020, een uitvoering die veel indruk maakte, dus de wegbereider voor deze Norma. En ja, Mariotti kan koor, orkest en solisten laten staan als een huis.

Extra interessant vond ik dat hij liet horen hoe Bellini niet alleen duidelijk een wegbereider was voor Verdi, die je er voortdurend al aan hoort komen, en ook invloeden op de grand-opera’s van Halevy en Meyerbeer die na Norma kwamen, maar ook op Wagner. Dat gebeurt al in de orkestrale voorspelen die zowel op de orkestrale voorspelen van La Traviata als Lohengrin leken te preluderen, en in de duetten en grotere ensembles. Het zou interessant zijn Mariottis aanpak van Wagners vroegere opera’s te horen.

Vincenzo Bellini 1801 – 1835
Norma, libretto Felice Romani
Radio Filharmonisch Orkest en Groot Omroepkoor, Michele Mariotti dirigent
Venera Gimadieva sopraan Norma
Salome Jicia sopraan Adalgisa
Piero Pretti tenor Pollione
Riccardo Fassi bas Oroveso
Maria Novella Malfatti sopraan Clotilde
Klaas-Jan de Groot, koordirigent en dirigent afzonderlijke banda-ensembles
Uitvoering NTR Zaterdag Matinee 10 september 2022

Foto’s Neil van der Linden en Simon van Boxtel

Een curiosum, een ‘authentieke uitvoering’, met Cecilia Bartoli, Sumi Jo, John Osborn en Michele Pertusi.

Tussen Gina Cigna en Renata Scotto, veertig jaar Norma in een mini-discografie

Venera Gimadieva steekt met kop en schouders boven haar leeftijd- en stemgenoten uit.

Queen Elisabeth, Leicester and Mary Stuart: history rewritten by Rossini

This opera is perhaps not one of Rossini’s most interesting works, but it is so very beautiful! The story? Leicester, Elisabetta’s lover, makes war in Scotland, secretly marries Matilde (a daughter of Mary Stuart) and takes her and her brother Enrico with him to England. He confides his secret to Norfolk, whom he considers his friend, but the latter betrays him. But it will all work out in the end, and – more importantly – it assures us of more than three hours of vocal pleasure.

It was the first of nine operas Rossini had written for the Teatro San Carlo in Naples. It was also his first opera for Isabella Colbran as well as his first opera in which all recitatives were accompanied by the strings.

For the recording by Opera Rara in 2002, a special edition was made from the manuscript. This was the first time that the work was recorded completely.

The scoring is phenomenal. Jennifer Larmore (Elisabetta) and Majella Cullagh (Matilde) are both irresistible. Bruce Ford is a beautiful, lyrical Leicester and Antonino Siragusa a truly sparkling Norfolk. Giuseppe Carella conducts the whole with great inspiration and verve.

And if the overture sounds familiar to you, then you are right: Rossini reused it for Il Barbiere di Sevilla (ORC22).


Warlikowski brengt mooie Wozzeck bij DNO

Tekst Peter Franken

Het libretto van Bergs opera is gebaseerd op het onvoltooide toneelstuk Woyzeck van Georg Büchner (1813-1837), die zich op zijn beurt liet inspireren door een historische gebeurtenis. In 1824 werd de soldaat Johann Christian Woyzeck schuldig bevonden aan de moord op zijn vriendin Johanna Christiane Woost en ter dood veroordeeld. Op de markt van Leipzig werd het vonnis voltrokken.

Over de veroordeling was nogal wat te doen geweest. De rechtbank zag het als een eenvoudige moord, zonder mitsen of maren, maar onder het publiek waren er die zich afvroegen of deze crime passionel niet was begaan door iemand met grote psychische problemen. Tegenwoordig zouden we waarschijnlijk van een TBS-geval hebben gesproken.

In Bergs opera is Wozzeck een individu zonder een verleden van enige betekenis en al helemaal zonder toekomst. Na zijn moord uit jaloezie loopt hij het water in en verdrinkt.

Alban and Helene Berg na de première in Berlijn

Wozzeck werd in 1924 voltooid en ging op 14 december 1925 in première in de Staatsoper Unter den Linden in Berlijn. Ondanks de atonale, voor velen minder toegankelijke muziek en het rauwe thema werd het werk positief ontvangen en heeft sindsdien altijd repertoire gehouden. Opvallend detail is de première in 1942 in de opera van Rome, dit tot ongenoegen van Goebbels die er nadrukkelijk protest tegen aantekende, zonder succes.

In 2017 was bij DNO een nieuwe productie van dit werk te zien in de regie van Krzysztof Warlikowski. Willy Decker en Peter Konwitschny gingen hem voor. Waar bij Decker het accent lag op vereenzaming en Konwitschny zich concentreerde op de irrelevantie van rijk of arm voor Wozzecks psychische problemen – het regende letterlijk bankbiljetten tijdens de voorstelling – legt Warlikowski de nadruk op het lot van het zoontje van Wozzeck en Mari

Het kind is voortdurend aanwezig bij de vernederingen die Wozzeck ondergaat en wordt als het ware ten tonele gevoerd als getuige van zijn vaders leven in de korte periode die voorafgaat aan het moment dat hij wees wordt. Hoe is Wozzeck de man geworden die hij is en wat moet er straks van dat joch terechtkomen? Het eerste laat Warlikowski voor wat het is, het tweede fascineert hem.

Hier wordt een gebeurtenis uit het leven van Berg naar de oppervlakte gebracht. Als jongen van 15 maakte hij een ouder dienstmeisje in het ouderlijk huis, Marie Scheuchl, zwanger. Zijn dochter Albine werd geboren op 4 december 1902. Kort daarvoor was Albans vader overleden. Deze gebeurtenissen grepen hem zo aan dat hij in het najaar van 1903 een zelfmoordpoging deed.

Warlikowski ziet duidelijk een poging van Berg om zijn schuldcomplex ten aanzien van zijn dochter, een ‘halve wees’, te verwerken door in zijn opera’s vergelijkbare situaties te tonen. Kind Wozzeck eindigt als wees, Lulu begint ermee. Hoe het ook zij, het houdt Berg duidelijk bezig en dat is nauwelijks verwonderlijk.

Kind Wozzeck krijgt in deze productie een kleine spreekrol, heel mooi gedaan door de jonge Jacob Jutte. Het wringt wat met het libretto – Wozzeck en Marie kennen elkaar nog geen drie jaar – maar heeft duidelijk toegevoegde waarde. Dat kan ik niet zeggen van de ballroomdansende kinderen aan het begin en in het derde bedrijf. En evenmin van het complete kinderkoor dat plotseling ten tonele verschijnt tegen het einde. Om te tonen dat kind Wozzeck geïsoleerd is, hoeft er geen complete dansschool aan de handeling toegevoegd te worden, hoe goed de kinderen ook spelen. En het gegeven dat schoolkinderen mochten toekijken bij de executie van de historische Woyzeck – op zich een apocrief verhaal, dunkt me – is een flinterdun excuus om een groep kinderen te gaan laten kijken naar het lijk van Marie.

Voor mij hadden deze ‘extra’s’ een averechts effect. Het leidde af van de tragedie die zich voltrok tussen Wozzeck en Marie, waardoor van enige betrokkenheid, bij mij althans, vrijwel geen sprake meer was. Bij Wozzeck verwacht je een mentale dreun. Als die uitblijft, is er iets mis. Ik hoop maar dat het andere toeschouwers niet zo is vergaan.

Afgezien van een overdaad aan kinderen volgt de enscenering vrij getrouw het libretto. Het toneelbeeld met decors en kostuums van Małgorzata Szczęśniak is sober, met slechts een paar rekwisieten, zoals een anatomische pop en een groot aquarium. Als het nieuws van Maries dood bekend wordt, gooit haar zoontje één voor één de organen van het model in het aquarium.

Orkestraal was de premièrevoorstelling absoluut top. Groot compliment voor het Nederlands Philharmonisch Orkest en dirigent Marc Albrecht. De twee hoofdpersonen Wozzeck en Marie waren zeer overtuigend in hun spel. Christopher Maltman deed mij in zijn uitmonstering denken aan één van de hoofdrolspelers uit Little Britain (‘computer says no’) en dat versterkte het effect van een persoon die vervreemd raakt van zijn omgeving. Mooi gezongen, goed geacteerd.

Eva-Maria Westbroek was een plaatje van een Marie. Heel ontroerend zoals ze reageerde toen duidelijk werd dat ze Wozzeck dreigde te verliezen en troost zocht in de Bijbel. Het stond in duidelijk contrast met de vrouw die ze daarvoor speelde: iemand die liever de aanval zocht dan zich te verdedigen. Een complete vertolking van haar personage.

Eva-Maria Westbroek als Marie:

Marcel Beekman deed als Hauptmann zijn reputatie van karaktertenor alle eer aan. En hij kwam zowaar ook nog eens kort op het toneel geschminkt als Der Narr.

Frank van Aken vond ik onopvallend als Tambourmajor, niet de rol waarin ik hem graag had gezien.

Operamastodont Willard White liet als Doktor horen nog steeds goed mee te kunnen komen in karakterrollen. Zo mooi om deze oudgediende weer eens op het toneel te zien.

Ursula Hesse von den Steinen was een mooie kijvende Margret (‘Loeder’), wel erg chique gekleed overigens. Dat was trouwens bij Marie ook het geval. En Wozzeck liep een groot deel van de tijd rond in een wit smokingjasje. Of was dat toch een kappersjas?

Een prachtige voorstelling, met als kanttekening het gebrek aan meerwaarde van de ‘extra’s’. Deze productie kan mij die van Willy Decker niet doen vergeten, maar dat is voor een groot deel van het huidige publiek van geen enkel belang, het werd bediend met een uitstekende mogelijkheid om dit twintigste-eeuwse operamonument te leren kennen.

Trailer van de productie:

Foto’s van de productie: © Ruth Walz

Discografie: Wozzeck van Alban Berg: discografie.

Almost all about Les Dialogues des Carmélites: part 4

There are those operas that you just can’t spoil and Les Dialogues des Carmélites is one of them. For Poulenc, melody is the centre of the universe. His music is so poignantly beautiful and his composition so expressive that you don’t really need a director.

The opera’s themes are sacrifice, martyrdom, revolutions and ideologies, but those are just the side lines, because the main theme is an all-devouring fear that makes it impossible to live or die: “Fear is a terrible disease. I was born of fear, in fear I live and in fear I shall die. Everyone despises fear, so I am condemned to be despised.


Paris, 2013



You just never know with Olivier Py, though I have to say that, apart from the awful Romeo et Juliette in Amsterdam, most of his productions are usually excellent. So too his Dialogues des Carmélites, recorded in Paris in 2013.

Patricia Petibon is a singer with a tendency to exaggerate, but here she is perfectly matched as Blanche. Watching her, I involuntarily get visions of Edith Piaf. Which of course suits the role very well: a small, skinny, frightened bird.

Her timbre is close to that of Denise Duval, but she lacks her carrying power and – mainly – her lyricism. Still, there is no denying that the role of Blanche is more or less tailor-made for her.

Sophie Koch is a strange choice for Marie. She looks far too young and lacks the confident superiority and power of persuasion so characteristic of the role. And the contrast with Lidoine (a wonderful Veronique Gens) is not great enough. Rosalind Plowright is an excellent Croissy and Sandrine Piau a delightful Constance.

Py uses the orchestral interludes to showcase religious scenes, including the evocation of the Last Supper and the Crucifixion. Sometimes a little “too much”, but the last scene, with the dark starry sky, brings a lump to my throat (Erato 0825646219537).

Here is the trailer:





Film adaptation


Did you know that the story of Dialogues des Carmélites was filmed in 1960? In the film you can see, among others, Jeanne Moreau as Mère Marie and Pascale Audret as Blanche.
Below is the last scene:

DNO opent seizoen met reprise van Carsens Carmen

Tekst: Peter Franken

Het lijkt eindeloos lang geleden, die Carmen productie uit 2009 die zaterdag opnieuw in première ging. Maar de reprise was al eerder gepland tot Covid alles in de war schopte. Of deze oude productie het wachten waard was, hangt af van de gekozen invalshoek. Meer dan een qualified success werd het in elk geval niet.

Zoals vrijwel elke regisseur heeft ook Carsen zijn gimmicks. In zijn beginjaren waren dat stoelen op het toneel, veel stoelen. In een of andere vorm is dat altijd blijven terugkomen. Verder een massale vrijpartij waarbij het koor zich het liefst geheel ontkleedt zodra ‘love is in the air’, denk aan de tweede akte van zijn Bohème in Antwerpen. Natuurlijk gebeurt dat ook in Carmen, nu met kleren aan, de tijden zijn veranderd.

Later is er iets nieuws bijgekomen: koorleden en figuranten die zich omkleden op het toneel. In zijn Carmen uit 2009 is dat het geval met de mannen die aanvankelijk in burger zijn maar zich haastig moeten veranderen in militairen, in hedendaagse outfit overigens. In zijn Cav Pal uit 2019 werd hier zo ongeveer de hele voorstelling aan opgehangen, compleet met make up tafels op het toneel. En ook het slot van zijn Idomeneo uit 2019 laat zo’n verkleedpartij zien. Hier gaan we van uniformen naar burgerkledij. Kortom, Carsen heeft er een nieuwe gimmick bij.

Als sinds zijn Turandot in Antwerpen zo’n 30 jaar geleden is duidelijk dat Carsen heel goed in staat is een koor te regisseren, later uitgebreid tot grote mensenmassa’s. Dat laat hij nadrukkelijk zien in deze Carmen waarin het koor is uitgebreid met vele figuranten. Er staan bij herhaling enorme groepen op het toneel, ook in scènes die daartoe geen enkele aanleiding bieden.

Een treffend voorbeeld is het begin van de tweede akte als de taverne van Llilas Pastia wordt overspoeld met een mensenmenigte en Carmens ‘Les tringles des sistres tintaient’ dat zij zingt met incidentele ondersteuning van Frasquita en Mercédès uitloopt op een spektakelstuk met het gehele koor. Hoezo taverne? Ander punt is dat die tent vergeven is van de animeermeisjes, uitdagend gekleed en direct in voor handel met de bezoekers. Het oogt nog net niet als een bordeel.

In de laatste akte hoort de toeschouwer wat zich op de tribune van de arena afspeelt. Carsen heeft dat zichtbaar gemaakt door een halfronde tribune op het toneel na te bouwen die geheel bezet wordt door koorleden en ‘participanten’. Het is een leuk gezicht en heeft zeker toegevoegde waarde. De ontmoeting van Carmen en José vindt nu plaats IN de arena en na afloop wordt ze net als een gedode stier door het personeel opgetild en weggedragen. Haar laten wegslepen door een paard zou ook te levensecht zijn geweest natuurlijk.

Waar ik moeite mee heb is dat die tribune er al van meet af aan staat. De eerste drie aktes zit je tegen een oplopende stoelenwand aan te kijken. Koor en solisten lopen op en af, iets dat het kinderkoor nog het meest natuurlijk afgaat, niet verrassend. En Carsen doet zijn reputatie eer aan door elke keer weer een zwerm deelnemers op en af te laten gaan, doet denken aan spreeuwen op een zomeravond.

De intimiteit van de handeling binnen de publieke ruimte komt hierdoor ernstig in het gedrang. Interactie wordt geforceerd. Carmen loopt zomaar ineens de tribune op om de vrijwel onzichtbare Don José een roos toe te werpen. De van haar kant wat sarcastische woordenwisseling blijft volledig op de achtergrond. ‘Ik ben met mijn insigne bezig’, zegt hij als excuus dat hij niet heeft opgelet. ‘Ton épinglette? Vraiment’. Met dat ‘is het heus’ zet ze hem weg als een kleine jongen en nu moet hij maar zien dat hij zijn mannelijkheid weer terugwint. Eigenlijk is het pleit hier volledig beslecht maar daar heb ik in deze regie niets van meegekregen.

Die tribune is niet meer dan een gimmick die al heel gauw verveelt en gewoon begint te irriteren. De enige keer dat er inventief gebruik van wordt gemaakt is het creëren van een donker berglandschap waarin een grote groep  van linksboven naar rechtsonder met kisten lopen te sjouwen, wapensmokkel.

Nogal verrassend is de manier waarop de drie zigeunerinnen vervolgens op pad worden gestuurd om zich over de douaniers te ontfermen. Na die seksuele toespelingen in de taverne draait Carsen het helemaal om. De drie dames worden gestoken in mantelpak met hoed en stola. Ze hebben veel bagage bij zich en daar is de douane wel eventjes mee bezig.

Van de ruim 20 Carsen producties die ik heb gezien is dit een van de minsten. Het is aan de solisten, koor en orkest om dat goed te maken. Dat lukte dirigent Jordan de Souza met het Nederlands Philharmonisch Orkest uiteindelijk het beste. Ik was zeer te spreken over hetgeen er uit de orkestbak kwam. Een minimum aan bombast ook al ontkom je daar bij sommige meezingers nooit helemaal aan natuurlijk. Ook al doordat het koor dan uit volle borst stond te zingen. Maar verder veel intieme momenten met subtiel spel, fijnzinnig zoals je van de Souza mag verwachten gelet op zijn reputatie. Het koor, ingestudeerd door Lionel Sow vond ik vooral erg enthousiast, evenals het kinderkoor overigens.

Bas bariton Lukasz Golinski was een fraaie Escamillo, overtuigend in zijn rol van de torero die niemand hoeft te overtuigen van zijn mannelijke superioriteit. Zijn beroep staat voor machismo. Toch waagt hij zich niet in zijn eentje in de bergen, op zoek naar Carmen. Net als in de arena waagt hij zijn leven nooit zonder zijn cuadrilla, ook hier zijn ze erbij, alle vijf. In de laatste akte zien we ze fraai uitgedost met hun collega’s van de twee andere torero’s. Drie banderilleros en twee picadores. 

Georgiy Derbas-Richter (Moralès) en Frederik Bergman (Zuniga) gaven in de eerste twee aktes gestalte aan de officieren die direct gecharmeerd zijn van Michaëla respectievelijk Carmen maar bij die dames niet erg ver komen. De twee kleinere vrouwenrollen van Frasquita en Mercédès kwamen voor rekening van respectievelijk Inna Demenkova en Polly Leech. Met verve gezongen en geacteerd. Adriana Gonzalez klonk als Michaëla stralend bij haar entrée maar moest tin de derde akte behoorlijk forceren. Redelijk gezongen maar niet bijzonder

Dat brengt me bij de twee hoofdrollen, het tragisch duo Carmen en Dos José. Stanislas de Barbeyrac als Don José leverde een behoorlijke prestatie maar wisselde intieme lyrische passages af met nogal schreeuwerige momenten. Meer dan een voldoende zat er niet.

De Carmen van N’jai Bridges is wat problematisch al is me niet echt duidelijk of dat aan de regie lag. Ze zet aanvankelijk een vrouw neer die vooral heel sterk is en de hele wereld denkt aan te kunnen. Bij de inzet van ‘L’amour est un oiseau rebelle’ schrok ik van de wijze waarop ze haar stem zo laag en donker mogelijk leek te maken. Het klonk ‘kelig’ en beslist niet uitdagend of verleidelijk.

Als ze haar visitekaartje heeft afgegeven – met mij valt niet te spotten, ik ben alle mannen de baas en de vrouwen ook natuurlijk – klinkt ze minder gemaakt maar we moeten wachten tot haar monologue intérieur ‘En vain pour éviter’ waarin ze bezingt dat de kaarten elke keer weer het zelfde zeggen: ’toujours: la mort’. Nu hoeft ze voor niemand de schijn op te houden en klink ze natuurlijk en aantrekkelijk. Toch is het opvallend dat de casting van deze prachtige gekleurde vrouw, geen zigeunerin maar gewoon anderszins exotisch, zo weinig oplevert in termen van verleidelijke femme fatale.

In tegenstelling tot de tekst lijkt ook Don José voor haar niet meer dan een man voor een half jaartje te zijn. En door haar als chic geklede dame te tonen in de laatste akte, de nieuwe vlam van de bemiddelde Escamillo, komt ze over als een golddigger. Nee, dit is niet mijn favoriete Carsen.

Trailer van de productie

Alle voorstellingen zijn uitverkocht, voor de prachtige opera Königskinder zijn nog voldoende kaarten beschikbaar.

Foto’s: © Bart Grietens

De geschiedenis van George Maduro en Madurodam als stadsopera

Tekst: Neil van der Linden

George Maduro (1916-1945) werd geboren op Curaçao. In 1934 ging hij rechten studeren in Leiden. Toen de oorlog begon ging hij de militaire dienst in. Tijdens de Duitse inval in Nederland 1940 was hij in Den Haag gelegerd. Onder zijn leiding heroverde een bataljon Nederlanders de door de Duitsers bezette villa Dorrepaal bij Leidschendam en werden Duitse parachutisten krijgsgevangen gemaakt.

Toen Nederland capituleerde, werd Maduro krijgsgevangene en gevangengezet in het Oranjehotel in Scheveningen. Na een half jaar kwam hij vrij. Inmiddels hadden de Duitsers de Jodenster ingevoerd. George, Joods, weigerde die te dragen, en dook onder bij jonkvrouw Christine Wttewaall van Stoetwegen – de latere ‘freule’ van de CHU in de Tweede Kamer. (Voor haar voormalige huis aan de Frederik Hendriklaan in Den Haag, ligt nu ter ere van hem een Stolperstein.)

Hij organiseerde terug smokkelroutes voor geallieerde piloten via Spanje naar Engeland. In 1943 wilde hij zich samen met Christines broer Oncko Wttewaall van Stoetwegen bij het verzet in Engeland aansluiten en probeerde via dezelfde route te reizen waarlangs hij zoveel anderen had geholpen te ontsnappen. Maar door verraad viel hij onderweg in België in handen van de Duitsers. Hij werd, als militair, geïnterneerd in Saarbrücken. Tijdens een geallieerd bombardement werd de gevangenis waar hij zat geraakt, waardoor hij en verschillende medegevangenen konden ontsnappen. Maar in plaats daarvan hielp Maduro eerst om andere medegevangenen onder het puin vandaan te redden, waarbij hij weer werd opgepakt. Ruim een jaar later, in november 1944, volgde deportatie naar Dachau. Daar overleed hij op 9 februari 1945, op 28-jarige leeftijd, aan vlektyfus, drie maanden voor de capitulatie

De levensloop van George vormt de helft van de ‘stadopera’ Maduro, die deze week in première ging in Amare in Den Haag. De opera toont ook Georges ouders, eerst op Curaçao en later in New York, waar zij op zeker moment heen waren gevlucht. Als Nederlandse kolonie zou Curaçao waarschijnlijk ook niet meer veilig zijn voor Joden.

De opera toont ook Georges verhouding met zijn ook in Leiden studerende Curaçaose jeugdliefde Hedda de Haseth Möller. Maar terwijl George in het Oranjehotel zit, en volgens eigen zeggen Hedda niet zeker weet of George ooit nog vrij komt, verlooft ze zich met een andere jeugdvriend. Overigens maakt de opera duidelijk dat hun liefde vanwege de verschillende achtergronden toch al niet rekenen op goedkeuring van beider families: Hedda’s familie was conservatief-protestant, en daar waren Georges ouders op hun beurt niet gelukkig mee.

De andere delen van Maduro gaan over wat er na Georges dood gebeurde: na de oorlog gaan zijn ouders in Nederland naar hem op zoek. Pas heel langzaam wordt zijn levensloop hun duidelijk en intussen hebben ze contact met Bep Boon-van der Starp. Zij zoekt op dat moment een inkomstenbron om een sanatorium voor jonge tuberculosepatiënten te steunen.

Bij het echtpaar Maduro ziet ze, in elk geval volgens het libretto, een door George als kind gemaakt miniatuurmodel van zijn Curaçaose ouderlijk huis, en krijgt dan het idee voor een miniatuurstad. Daar kunnen dan toegangsprijzen worden geheven waarmee het sanatorium kan worden gefinancierd. Als intussen steeds duidelijker wordt wat met George is gebeurd, belooft ze zijn ouders dat het project ook een monument wordt voor George. Ze benadert grote bedrijven, maar komt eerst niet veel verder. Het echtpaar Maduro is bereid het startkapitaal beschikbaar te stellen, waarna Bep Boon-van der Starp besluit de miniatuurstad Madurodam te noemen. In de slotscène van de opera zijn we de feestelijke opening van Madurodam in 1952 door de 14-jarige Kroonprinses Beatrix.

Het libretto van Pieter van de Waterbeemd leidt langs veel verschillende locaties: Curacao, de veldslag om de villa waar het bataljon van George de Duitsers verjoeg, Georges studentenkamer waar hij met Hedda is, de verschillende gevangenissen, New York als Georges ouders daar zijn, Georges ouders die na de oorlog aankomen in Nederland, Bep op bezoek in de directiekamers van grote bedrijven, de bouwlocatie waar Madurodam is gepland en uiteindelijk de feestelijke opening, met Prinses Beatrix die een lint doorknipt.

Dat allemaal uit te beelden is voor regie en decorontwerp een flinke puzzel, en die is met eenvoudige middelen geslaagd. We krijgen alleen Dachau niet op het toneel te zien. Ik kan mij voorstellen dat dat uit piëteit is; een poging het vrijwel onvoorstelbare te verbeelden zou vermoedelijk niet passend zijn geweest.

Voor componist Bob Zimmerman was de opgave om muziek te maken voor deels professionele solisten en een koor van 120 liefhebbende amateurs, waarvan een deel wel ervaren was. Hij koos er gelukkig voor om het uiterste van het koor en solisten te vergen. In plaats van het zo gemakkelijk mogelijk te maken, koos hij voor geregeld complexe zangpartijen. Misschien kwamen juist doordat daardoor dat de zangers hun uiterste best moesten doen de voortdurend fraai verglijdende complexe harmonieën des te prangender naar voren. Daarbij vanuit de orkestbak ondersteund door musici van het Residentieorkest.

In het klankidioom is veel van de stijl te horen die bekend zijn uit Zimmermans filmmuziek, uit speelfilms als De Avonden en Tirza, in de soms Verdiaanse liefdesduetten, trio’s, kwartetten en sommige grote ensemblepassages met koor; maar ook uit natuurdocumentaires als De Nieuwe Wildernis, muziek die je als droogkomisch becommentariërend zou kunnen noemen. De passages met solisten en koor uit de scène over Georges dood in Dachau hadden de lading van het slot van Suor Angelica en Dialogues des Carmélites.

Misschien is een bezwaar dat het personage van Bep Boon-van der Starp er wat bekaaid vanaf komt. Ja, we zien dat ze een doorzetster was, speciaal als vrouw, onder het motto ‘Waar een wil is is een Bep’. Maar dat is wat kort door de bocht in vergelijking met wat ze historisch werkelijk heeft betekend, terwijl ze anders dan het lijkt tot de Haagse elite behoorde.

Ze was in de jaren twintig activist in de Liberale Unie, de latere Vrijheidsbond. In 1929 werd ze lid van de Radioraad, die een omroepwet moest voorbereiden. Aan haar mederaadslid Van Royen schreef ze dat ze vaak voor zichzelf al haar moed en wilskracht had moest verzamelen om in de raad voor haar liberale opvattingen uit te komen – ‘diep beseffend’ dat ‘een vrouw in de contramine’ op weinig sympathie bij haar mannelijke collega’s kon rekenen. In 1938 werd ze voor haar werk in dit orgaan koninklijk onderscheiden. En haar echtgenoot Gerard was Tweede Kamerlid.

Gealarmeerd door de Duitse Jodenvervolging richtte ze een  Haagse afdeling op van het ‘Comité voor Joodsche Vluchtelingen’, dat uitreisvisa en verblijfsvergunningen voor Duitse en Oostenrijkse Joden regelde. Tussen 1938 en mei 1940 haalde dit comité 1600 Joodse kinderen uit Oostenrijk naar Den Haag. Zelf stelden de Boons hun Scheveningse woning open voor gevluchte Joodse intellectuelen. Haar echtgenoot sprak zich intussen sterk uit tegen de NSB.

In reactie op een uitspraak van dirigent Mengelberg uit 1937 dat men in Duitsland geen principiële bezwaren zou hebben tegen de muziek van Mahler, zamelde hij 20.000 gulden in waarmee het Concertgebouworkest in Berlijn onder Mengelbergs leiding een concert met muziek van Mahler en Mendelssohn zou kunnen geven; Mengelberg noch Concertgebouworkest ging hierop in. Ook publiceerde hij in 1939 de brochure ‘Vaderland en volk. Het anti-semitisme een geestelijke kanker. De NSB een gevaar voor Nederland.

In mei 1940 vluchtte het echtpaar naar Engeland. Toen de Nazi’s hen op 17 mei in Scheveningen kwamen arresteren, vonden ze een leeg huis. Hun dochter, die in Leiden studeerde, bleef achter en werd actief in het studentenverzet. Tijdens een verblijf in de VS raakte het echtpaar bevriend met de ouders van George Maduro. Terug in Nederland stond Bep aan de wieg van een ziekenhuis in Laren voor studenten met tuberculose, die daar hun studie zouden kunnen voortzetten. Én ze stond dus aan de wieg van Madurodam, waarvoor de ouders van George Maduro startkapitaal verschaften. Bij de entree van Madurodam staat een schaalmodel van het geboortehuis van George met daarbij een gedenkteken.

In de opvoering werd het personage dus nogal versimpeld. Maar doorgewinterde musical-ster Doris Baaten maakte er wel een kordate Bep van.

Muzikaal en theatraal overtuigde ook bas-bariton Alexander de Jong als George Maduro en konden hij alsmede Frank Dolphin Wong en Herma van Piekeren als George’s ouders de nodige ontroering teweegbrengen.

Na dit alles volgde een slotscène op vergeleken met de rest van de partituur opvallend recht-toe-recht-aan dijenkletser-muziek; misschien moet een stadsopera zo onbekommerd mogelijk eindigen, maar ik kan mij ook voorstellen dat het contrast bedoeld was om aan te geven dat dit zeker niet een eind-goed-al-goed verhaal was.

Het verhaal van de opera in combinatie met de muziek zouden geschikt kunnen zijn voor een verfilming. Dat zou ook de mogelijkheid bieden om Bep Boon wat gedetailleerder te karakteriseren, en de rol van de broer van Hedda verder te belichten, die aanvankelijk zijn zuster bij George probeert weg te houden vanwege de opvattingen van de familie, maar later Hedda juist maant om met George naar Amerika te vertrekken, en Hedda’s opportunisme verder uit te lichten. Zo’n opzet biedt dan ook de mogelijkheid aandacht te besteden aan de koloniale verhoudingen op Curaçao, waar de Maduro-familie kennelijk tot de elite behoorde, maar waar Joodse families blijkbaar toch als buitenstaanders werden behandeld

Making of: Maduro afl. #1 regisseur Jeroen Lopes Cardozo:

Making of: Maduro afl. #2 met Doris Baaten en Alexander de Jong:


Maduro, een stadsopera.
Libretto: Pieter van de Waterbeemd 
Muziek: Bob Zimmerman 
Regie: Jeroen Lopes Cardozo
Dirigent: Rick Schoonbeek
Musici: Residentie Orkest
Koor: 120 zangers 

Solisten
George Maduro: Alexander de Jong
Bep Boon-van der Starp (stichteres van Madurodam): Doris Baaten
Hedda de Haseth Möller (geliefde van George): Marlies Ruigrok
Jossy Maduro (vader George): Frank Dolphin Wong
Beca Maduro (Moeder George): Herma van Piekeren

Gezien Amare, Den Haag, 1 september 2022.

Scènefotos: de Schaapjesfabriek.

Overig materiaal: Arolson. Madurodam en ander archiefmateriaal.

Almost all about Les Dialogues des Carmélites: part 3

There are those operas that you just can’t spoil and Les Dialogues des Carmélites is one of them. For Poulenc, melody is the centre of the universe. His music is so poignantly beautiful and his composition so expressive that you don’t really need a director.

The opera’s themes are sacrifice, martyrdom, revolutions and ideologies, but those are just the side lines, because the main theme is an all-devouring fear that makes it impossible to live or die: “Fear is a terrible disease. I was born of fear, in fear I live and in fear I shall die. Everyone despises fear, so I am condemned to be despised.

Hamburg, 2008



The opera came to Hamburg in 2008, it was directed by Nikolaus Lehnhoff. His Blanche, Alexia Voulgaridou, is very much like Liu: sweet, scared but steadfast and very impressive.

Kathryn Harries as Madame de Croissy is even more impressive than Anja Silja. She acts not only with her whole body but also with her perfectly used voice. Her fear is physically palpable and her death scene cannot leave anyone unmoved.

Unfortunately, Gabrielle Schnaut’s Mère Marie is not of the same calibre. With the remnants of the once so imposing voice, she only causes irritation: not one note is pure and her terrible wobble feels like torture to your ears. How different then is warm and sweet Madame Lidoine, here sung incredibly lovely by Anne Schwanewilms!

The staging is very simple and there are hardly any sets, which is not at all disturbing. And the final scene is almost better than Carsen. (Arthouse Musik 101494)


https://my.mail.ru/video/embed/9182112244547191280



Munich, 2010



Munich would not be Munich without its ‘high-profile’ new productions that will cause scandals over and over again. Dmitri Tcherniakov’s Dialogues des Carmélites from 2010 was therefore not well received by everyone. I myself find the production very exciting, although his vision sometimes goes a little too far for me.

First of all: forget about the nuns, there are none. There is a community of women, locked up in a glass house. They have left the outside world, but that world can still see them and interfere with them. Claustrophobic.

Blanche, phenomenally sung and acted by Susan Gritton, clearly has mental problems. Her heroic act at the end stems from the same emotions as her fear. Two extremes of the same problem.

The contrast between a resolute, here caricatured a bit as a butch kapo, Mère Marie (a fantastic Susanne Resmark) and the sweet, clearly striving for a different course, Madame Lidoine (Soile Isokoski at her best) could not be greater.

And oh yes: also forget about the guillotine, because it’s not there either. Tcherniakov also changed the ending.

By the way: the chance that the DVD is still for sale is small. The Poulenc heirs thought that Tcherniakov had allowed himself too much freedom and they went to court (BelAir BAC061).


Below the trailer:





Almost all about Les Dialogues des Carmélites. Part one

Almost all about Les Dialogues des Carmélites: part 2

Almost all about Les Dialogues des Carmélites: part 4

Krzysztof Warlikowski in De Munt: Lulu

Tekst: Peter Franken

In 2012 stond er een nieuwe productie van Lulu op het programma in De Munt, regie Krzysztof Walikowski en decors en kostuums van Małgorzata Szczęśniak, het koppel dat hier eerder veel succes had geoogst met Cherubini’s Médée. Het was een groot succes, vooral door het fenomenale optreden van Barbara Hannigan in de titelrol. Van de voorstelling is een opname op dvd uitgebracht.

Het begint zoals gebruikelijk met een introductie door de Tierbändiger alleen laat deze er een monoloog in slecht verstaanbaar Engels aan vooraf gaan waarin wordt gesproken over Lilith. Lulu vertoont veel gelijkenissen met dit mythische personage dat wordt beschouwd als de eerste vrouw van Adam, die werd verstoten wegens gebrek aan volgzaamheid en uit wraak in de gedaante van een slang Adam en zijn nieuwe vrouw Eva verleidde tot het eten van ‘de boom der kennis’.

Dietrich Henschel (Dr.Schön) en Barbara Hannigan (Lulu)

Dr. Schön heeft Lulu als meisje van twaalf letterlijk van de straat geplukt en haar tot zijn minnares gemaakt. Daarmee heeft hij haar voor een akelig lot als prostituee of nog erger behoed, maar tegelijkertijd Lulu haar jeugd ontnomen. Gevolg is dat ze zich bijna letterlijk aan hem heeft gehecht; weg van Schön is voor Lulu een situatie waarin ze niet compleet is. Haar missie is om met hem trouwen, maar zijn missie is om haar bij een geschikte man onder te brengen zodat hij van haar af kan raken. Beiden beseffen dat dit niet gaat lukken. Vandaar Lulu’s uitspraak als haar tweede echtgenoot, de portretschilder, zelfmoord heeft gepleegd: ‘Sie heiraten mich ja doch.’

Het toneelbeeld wordt bepaald door een grote ruimte met links een enorme trap waarlangs bezoekers hun opwachting maken. Rechts is een cabine met glazen wanden waarin de schilder aan het werk is. Al portretteert hij Lulu hier door haar te filmen. In de derde akte doet de ruimte dienst als vitrine voor jonge meisjes die op hun bestemming wachten in de vrouwenhandel, echo’s van Lulu’s beginjaren als kind hoertje.

Lulu’s droom om ooit een gevierd balletdanseres te worden maakt Warlikowski aanschouwelijk door Hannigan een groot deel van de tijd in balletschoenen te laten lopen waarbij ze regelmatig op de spitzen loopt te trippelen. Echt erop dansen kan ze niet maar gelukkig heeft ze Rosalba Torres Guerrero als dubbel voor een ingevoegde dansscène aan het einde van de eerste akte. Diezelfde danseres is nadien op de achtergrond actief om een indruk van de Lulu uit de eerste akte te wekken.

Wat Hannigan wel goed kan is werken met haar benen, haar hele lenige slanke lijf wordt als het ware teruggebracht tot die twee verleidingsobjecten. Het lijkt wel alsof ze gewoon automatisch op seksueel uitdagende wijze loopt, zit, hangt of staat, het gaat vanzelf en dat ze ook nog eens schaars gekleed is zet het effect extra aan. Als ze Dr. Schön het briefje aan zijn verloofde dicteert zien we hem een sms tikken met zijn hoofd in een intieme pose tussen haar dijen geklemd. Hier biedt de tekst overigens wel degelijk aanleiding toe. Zo vergelijkt Alwa later haar benen met een stuk muziek waarbij de bekroning het ‘andante van de wellust’ wordt genoemd. En daar verbergt hij lange tijd zijn gezicht in terwijl haar mimiek niets aan de verbeelding overlaat. Seks speelt een enorme rol in Lulu’s leven maar dit is de enige scène waarin dat nadrukkelijk wordt getoond.

Maar haar zeer fysieke wijze van acteren is slechts deel van het succes. Hannigan beheert haar partij tot in de puntjes en zingt, gilt, roept en schreeuwt al naar gelang de situatie daarom vraagt op een zodanige wijze dat je al gauw niet meer het idee hebt naar een theaterproductie te kijken, fenomenaal.  De overige spelers komen niet in de buurt van haar prestatieniveau.

Dietrich Henschel is een redelijke dr. Schön maar oogt veel te jong voor zijn rol. De Alwa van Charles Workman is heel behoorlijk maar het is moeilijk voorstelbaar dat die twee vader en zoon zijn.

Pavlo Hunka ziet er als Schigolch wel aardig uit als oudere man, doet het redelijk. Tom Randle is qua zang een prima Maler maar stelt acterend wat teleur. Ivan Ludlow geeft gestalte aan de Tierbändiger en de Athlet, zonder meer uitstekend. Frances Bourne treedt op in drie rollen met als voornaamste de Gymnasiast die door Schigolch en de Athlet wordt meegetroond op de wekelijkse ‘Beursmiddag’ voor een ontmoeting met Lulu, waar al velen hun seksuele initiatie hebben mogen beleven. Ze is gekleed en geschminkt als punkmeisje en wordt ook neergezet als vrouw. De seks gaat niet door en haar grootste zorg is nu dat ze van school gestuurd zal worden. Met de moord op Schön wordt dat uiteindelijk nog erger, een tuchtschool is haar lot.

Natascha Petrinsky is een opvallende Gräfin Geschwitz, de verliefde lesbienne die uiteindelijk door Lulu naar Londen wordt meegesleept. Schigolch ziet er niets in: die vrouw is niet geschikt om aan de liefde te verdienen, ze leeft in de liefde. Petrinsky brengt waardigheid en rust in het voortdurende pandemonium om haar heen, ze oogt voornaam en aandoenlijk mooi in haar berusting.

Ik herinner me mijn eerste Lulu in Keulen lang geleden met de ‘Vriendenbus’. In combinatie met de lange reisdag bleek dit een theaterervaring die me uitgeput in de bus naar huis van alle emoties liet bijkomen. Autorijden had er niet ingezeten. Een dergelijke ervaring zal Hannigans Lulu ook vele toeschouwers in de zaal hebben bezorgd, een emotionele rollercoaster die geen mens onberoerd kan laten. In 2021 werd de voorstelling hernomen, opnieuw met Hannigan, en ze stond er alweer. Wat een prachtvrouw.

Paul Daniël heeft de muzikale leiding.

Trailer van de productie:



Gevloerd door Lulu van Krzysztof Warlikowski in Brussel 2012


LULU: discogr
afie

Almost all about Les Dialogues des Carmélites: part 2

There are those operas that you just can’t spoil and Les Dialogues des Carmélites is one of them. For Poulenc, melody is the centre of the universe. His music is so poignantly beautiful and his composition so expressive that you don’t really need a director.

The opera’s themes are sacrifice, martyrdom, revolutions and ideologies, but those are just the side lines, because the main theme is an all-devouring fear that makes it impossible to live or die: “Fear is a terrible disease. I was born of fear, in fear I live and in fear I shall die. Everyone despises fear, so I am condemned to be despised.

Vienna, 2008 and 2011



In 2011, Oehms released a ‘Zusamennschnitt’ of performances of Dialogues des Carmélites, recorded live at the Theater an der Wien in January 2008 and April 2011.

Sally Matthews is a very moving Blanche, girlish but with just enough personality to give her character a bit more body. Occasionally whiny too – Blanche to the full.

Deborah Polaski is irresistible as Madame de Croissy and Michelle Breedt is a more than impressive Mère Marie. Just because of her fantastic achievement it is regrettable that this performance (the wonderful Carsen production!) was not released on DVD!

The ORF Orchestra under Bertrand de Billy plays the stars from the sky. Firm, where necessary, and whisper-soft when needed. (Oehms OC 931)




Milan, 2004


Speaking of Robert Carsen: for me, his production of Dialogues des Carmélites is one of the absolute highlights in the history of De Nationale Opera in Amsterdam.
In February 2004, the production was filmed at La Scala but I am not entirely happy with it. My disappointment mainly relates to Dagmar Schellenberger’s performance as the lead role.

Admittedly, it is not easy to emulate the unforgettable Susan Chilcott (she died in 2003 of breast cancer, only 40 years old), and Schellenberger indeed cannot not do it. In the beginning  her strong tremolo and her not always pure notes are irritating.. But as the opera progresses, she gains a great deal of credibility, and through her brilliant acting and complete abandonment, she makes the development of her character very tangible. And almost as a matter of course, her singing also becomes more beautiful and softer.

The role of Madame de Croissy is played by one of the best singing actresses of our time, Anja Silja. Her performance is truly breathtaking, and even though her voice is not that steady anymore – it suits the character of an old and mortally ill prioress very well. Her death struggle makes for unprecedentedly thrilling theatre, and it is a great credit to Carsen (and the rest of the cast) that the scenes that follow do not make us lose interest.


Muti conducts with verve and knows exactly how to strike the right tone. He really succeeds in translating the spectre of the revolution and its excesses into sound. He is at his very best, however, in the lyrical, contemplative scenes, and  in his hands the chilling ending reaches a truly blood-curdling climax. Make sure you have a big bag of Kleenex within reach, because you really won’t keep it dry (Arthaus 107315).


Below is the trailer:






Part one
Almost all about Les Dialogues des Carmélites. Part one