Drie ijzersterke muziektheater voorstellingen, zoals het moet

Tekst: Neil van der Linden

CLEOPATRA

CLEOPATRA 03 AYA en ZEP (foto Sjoerd Derine)

©  Sjoerd Derine

Zoals ik in een eerdere bespreking (23/10) aangaf was ik niet helemaal te spreken over de Nederlandse productie van David Bowies Lazarus, geregisseerd door Ivo van Hove. In de week ervoor zag ik drie muziektheaterproducties in een enigszins vergelijkbare pop- en elektronische categorie die elk op hun manier de vergelijking met Lazarus konden doorstaan.

Cleopatra 41 (Lex Vesseur)

© Lex Vesseur

Allereerst was dat Cleopatra van ZEP-theaterproducties en jeugdtheater-dansgroep AYA, een coproductie, naar Shakespeare’s Anthony and Cleopatra. Vaart, heldere dramaturgie, psychologisch goed uitgewerkte personages, en naast het feit dat alle rollen goed bezet waren, en helder gekarakteriseerd, waren er drie grote podiumpersoonlijkheid-ontdekkingen: Samir Hassan, een uitermate veelzijdige acteur in een aantal dubbelrollen, maar allereerst als een subtiele en slimme Octavianus, de rivaal die Antonius; Mehrnoush Rahmani (net als ik afgestudeerd arts); een geweldige gevoelige en doorleefde Cleopatra.

Cleopatra 29 (Lex Vesseur)

©  Lex Vesseur

En Sterre Konijn, die, vergeef me voor de woordspeling, de sterren van de hemel zong en speelde, virtuoos op gitaar en viool, en die, sorry dat ik het zeg, muzikaal in haar eentje tegen de hele cast van Lazarus op kon. Ok, het helpt ook als je er in de Krakeling, een veel kleiner theater dan DeLaMar, met je neus bovenop kunt zitten. Maar toch.

En dan was er ook de fantastische vertaling van Shakespeare’s tekst door rapper-dichter Gerrit-Jan Mulder, alias Brainpower, die voor theatergroep ZEP al eerder Hamlet en Othello vertaalde, en dat maakte deze voorstelling helemaal plus maal plus.

Cleopatra. Coproductie Danstheater AYA en ZEP Theaterproducties
Choreografie en regie: Wies Bloemen en Peter Pluymaekers
Oorspronkelijke tekst: William Shakespeare
Bewerking: Peter Pluymaekers
Cast en artistieke bijdrage: Anne-May de Lijser | Arend Brandligt | Isabelle Nelson | Mehrnoush Rahmani | Melisa Diktas | Michael de Haan | Samir Hassan
Vertaling in rijmvorm: Gertjan ‘Brainpower’ Mulder
Muziek concept en uitvoering Sterre Konijn

8: METAMORPHOSIS

8_MM_mail.2.4

Kort daarop volgde 8: METAMORPHOSIS van Nicole Beutler, een dansvoorstelling annex hedendaagse opera over het ‘omarmen van de aankomende veranderingen’. De productie was in première gegaan tijdens de Operadagen Rotterdam, en laaiend ontvangen. De fantastische slagwerker Frank Rosaly opent met zijn rug naar het publiek gezeten de voorstelling met een virtuoze lange drumsolo.
Vervolgens voegen zich zeven andere mannen bij hem op het toneel. Iedereen draagt modieuze strakke zakenman pakken, allemaal grijs, gelijkvormig, en toch ontstaan er, ook weer anders dan in Lazarus, personages met karakters, zelfs al hebben ze geen tekst. Zijn het industriële managers, advocaten, makelaars? Mensen die bij de wereld van geld en macht horen of willen horen. Ze zingen, dansen en acteren allemaal magistraal.

8_Metamorphosis_nbprojects_AnjaBeutler.de_1642b

© Bas de Brouwer

De muziek, van Nicole Beutlers huiscomponist Gary Shepard, en deels messcherp gezongen door de dansers, is een collage van de akkoordreeksen uit de Frostscene van Purcell’s King Arthur (de scene waarin een in het ijs gevangen geest beschrijft hoe hij langzaam verstijft en vastkleeft in de omgeving) en atmosferische elektronische klanken. Onder begeleiding van Purcell’s steeds dissonanter wordende harmonieën zien we de werelden van zekerheden verbeeld door de aankleding, inclusief de kleding van de mannen, steeds verder desintegreren.

 

Het op de ‘wiskundige overgangen in de zinsbegoochelende kunst van M.C. Escher’ geënte decor ontworpen door Minna Tiikkainen en Julian Maiwald, bestaande uit metalen buizen en oplichtende staven, lijkt eerst te staan als een huis, maar begint ook al snel schijnbaar steeds wanordelijker te bewegen.

8_Metamorphosis_nbprojects_AnjaBeutler.de_1121b

© Bas de Brouwer

Ter completering van de desintegratie veranderen de figuren in faunen of in wat figuren lijken uit een schilderij van Arcimboldo, of Bosch’ Tuin der Lusten’. Die verstijven tot slot, zoals de figuur Daphne uit de Griekse mythologie, die in een boom veranderde, beschreven in Ovidius’s ‘Metamorfosen’, als troost voor wat haar was overkomen als gevolg van de handelingen van de goden, maar wat een nare troost was dat, dacht ik al als gymnasiast, als je voortaan alleen maar sterk maar catatonisch om je heen kan kijken.

8_Metamorphosis_nbprojects_AnjaBeutler.de_1132b

© Bas de Brouwer

Intussen kijken wij uit over een monumentaal landschap dat zich ontvouwt als de scheidingswand tussen zaal en toneel omhoog gaat (het publiek zit op het toneel), en we de eigenlijke theaterzaal zien, waar een eenzame boom staat, te midden van prachtig opgebouwde mist uit de rookmachine. In het slotbeeld wordt die boom verzwolgen door de nevel. Beeldt dit het leven dat van de aarde is verdwenen uit zijn we terug naar een levenloze oertijd? Of is dit een toekomstige eenwording met de natuur, zij het niet harmonieus, maar grauw en onheilspellend, als op een schilderij van Caspar David Friedrich?

8: Metamorphosis.
Concept, regie, choreografie Nicole Beutler samen met dansers en musici
Felix Schellekens, Dominic Kraemer, Arnout Lems, Sebastian Pickering Pedersen, Rob Polmann, Timo Tembuyser, Christian Guerematchi en Frank Rosaly – performers, medemakers
Muziek Henry Purcell en Gary Shepherd
Lichtontwerp en scenografie Minna Tiikkainen en Julian Maiwald
Premiere Operadagen Rotterdam

ILIAS

Ilias img27715_227

© Ben van Duin

En een dag later was er de Ilias van de jonge theaterclub Konvooi, vijf jonge acteurs, in de regie van Belle van Heerikhuizen. Het leek alsof een corps-dispuut de belegering van Troje na te doen door verschillende leden zichzelf te laten spelen. De verhoudingen tussen Agamemnon, Odysseus, Achilles en Patroklos worden een competitie-, en competentiestrijd om wie het in deze jongenswereld voor het zeggen heeft.

En zo zat die oorlog ook wel in elkaar, als we de Ilias lezen. Eerstgenoemde drie heren hebben het niet gemakkelijk met elkaar. Agamemnon nam aanvankelijk als vanzelfsprekend de leiding in een oorlog die maximaal een week leek te zullen gaan duren, zoals hij voorspelde, maar die nu al negen jaar voortsleept (vergelijk zoveel oorlogen, zoals de Amerikaanse inval in Irak, waarvan het vervolg nog steeds voortwoekert), en aan zijn gezag wordt steeds meer getornd door de anderen. Als reactie probeert zijn positie te handhaven door steeds willekeuriger disciplinemaatregelen op te leggen.

Ilias

© Ben van Duin

Morele regels die thuis golden – waaronder de regel dat je niet zomaar iemands echtgenote of geliefde afpikt, reden waarom de Grieken de oorlog tegen Troje begonnen – hebben in het leger geen gelding mee. Om zijn gezag te bewijzen en zijn medestrijders tot het uiterste te tarten eist Agamemnon Briseis op, slavin en minnares van Achilles, de beste Griekse strijder.

Dat morele regels die thuis gelden in oorlogsomstandigheden op zij worden gezet is een kwestie die nu net weer speelt bij ons in Nederland naar aanleiding van het aan het licht komen van de omstandigheden waaronder bij een bombardement door een Nederlandse F 16 van een IS wapendepot in Noord-Irak zeventig burgers om het leven kwamen. Doet trouwens het gebruik dat je gevangengenomen vrouwen uit het tegenkamp tot seksslavin maakt niet ook denken aan praktijken die heden ten dage nog bestaan, zoals bij IS?

Achilles mag in deze voorstelling, net als – zoals ik in de eerdere recensie schreef – David Bowie in Lazarus, vooral heteroseksueel zijn, Briseis wordt gespeeld door nog een mannelijke acteur, Jesse Mensah, die ook een verleidelijke Helena speelt.

De acteurs die de militairen spelen zijn allemaal wit, Jesse Mensah heeft een donkere huidskleur, en zijn weelderig krullende haren geven hem de ambiguïteit waar de makers van Lazarus – conform het werkelijke levenspatroon van David Bowie – een beetje bangig omheen leken te draaien, zoals ik in die eerdere recensie schreef. En heel aandoenlijk: als na de dood van Patroklos Achilles aangedaan terugkeert in de Griekse gelederen, begroeten de twee andere militairen hem met troostende, en ja lange kus.

En wat kunnen deze jongens ook zingen. Messcherpe akkoorden die aan de polyfonie van Mediterrane eilanden herinneren, in een taal die ik niet kon thuisbrengen, misschien Grieks, maar emotioneel en ontroerend gezongen, alsof de gevoelens die ze als militairen niet kunnen laten merken toch moeten worden geuit, en dan maar desnoods onverstaanbaar vanuit de ziel. Dat is iets dat ik in elk van deze drie voorstellingen ervoer, en dat ik in Lazarus miste.

Concept en regie: Belle van Heerikhuizen
Concept en spel: Jacob de Groot, Bart Sietsema, Jasper van Hofwegen, Jesse Mensah en Victor IJdens
Premiere Oerol Festival Terschelling in openlucht versie, tournee in zaalversie.

8: Metamorphosis speelt niet meer in Nederland. Wel is er deze maand een Nicole Beutler retrospectief in Amsterdam. http://www.nbprojects.nl/nl/activities/nicole_beutler_collection
Cleopatra en Ilias zijn nog te zien.

Alexander Zemlinsky. Part 4: ‘Warum hast du mir nicht gesagt…’

EINE FLORENTINISCHE TRAGÖDIE

zemlinsky FT Wacik klein

Bianca, the attractive wife of the merchant Simone is having an affair with the beautiful prince Guido Bardi. Simone catches them and challenges Guido to a duel with swords and eventually strangles him with his bare hands.  His wife looks at him admirably: “Why didn’t you tell me that you were so strong?” In turn, Simone becomes aware of the beauty of his wife: “Why didn’t you tell me that you were so beautiful…”

Zemlinsky Oscar_Wilde_portrait

Oscar Wilde

Eine Florentinische Tragödie  is based on the last play by Oscar Wilde. The beginning of the play is missing: the manuscript was stolen when Wilde went to prison. Zemlinsky solved the problem by composing a prologue to suggest the love scene between Bianca and Guido.

The opera, which premiered in 1917, provided a lot of gossip. “Eine autobiografische Tragödie” (An autobiographical Tragedy) was the headline of the Vienna Zeitung article by Edwin Baumgartner. Alma Mahler was not amused. She was certain that Zemlinsky had depicted her affair with Walter Groppius.

Mathilde Schönberg Zemlinsky with child

and with her husband

The Viennese public, on the other hand, thought it was about Schönberg and his wife Mathilde, Zemlinsky’s sister. Mathilde had left her husband for the young painter Richard Gerstl.

Zemlinsky Gerstl_-_Bildnis_Mathilde_Schönberg

Mathilde Schönberg with child. Painting by Gerstl

When she returned to her husband, Gerstl committed suicide, he was only 25 years old

Zemlinsky Gerstl

Richard Gerstl: ‘Selbstbildnis (“Akt in ganzer Figur’) from 1908. Courtesy Leopold Museum / Neue Galerie

All in the family in the best tradition, so to speak.

But what do you think: can you consider a fictional character in a work of art as the alter ego of its creator? Do you want to project a composer’s course of life onto the opera he has composed? How far do you involve life in art?

In a letter to Alma Mahler, Zemlinsky wrote that “a life had to be sacrificed in order to save the lives of two others.” But does this immediately make this the central theme of this opera, as many critics write? I don’t know.

One thing is certain: Eine Florentinische Tragödie can be listened to as an exciting, dark thriller, in which you do not sympathize with any of the characters.

Zemlinsky Tragedie Chailly

In 1997 Decca included the opera in their now expired series ‘Entartete Musik’. Riccardo Chailly conducted the Royal Concertgebouw Orchestra (Decca 4551122).

In the same year there was also a (live) recording of the Cologne Gürzenich-Orchester conducted by their then chief conductor James Conlon (once on EMI).

ZemllinskyConlonFRONT-1

Both recordings are good and I wouldn’t know which one to choose. Chailly’s orchestral sound is fuller and the strings sound more pleasant, but Conlon is undeniably more exciting, perhaps because it was recorded live.

The sound of the Cologne orchestra is more sensual, the sound of the RCO is darker. The singers are equally good in both recordings, although I find David Kuebler (Guido at Conlon) much more pleasant than the slightly shrill Heinz Kruse for Chailly.

Iris Vermillion for Chailly sounds nicer and warmer than Deborah Voigt for Conlon, but the latter has more sex appeal. In the role of Guido, Albert Dohmen (Chailly) is by far preferable to the not entirely idiomatic Donnie Ray Albert.

ZemlinskyCD Jurowski

In 2010 Eine Florentinische Tragödie was recorded by the London Philharmonic Orchestra under the very inspiring leadership of Vladimir Jurowsky (LPO-0078). Albert Dohmen is back: his Simone sounds even more impressive than on Decca.

Sergey Skorokhodov’s Guido is a wimp and no match for the macho Dohmen. A Don Ottavio who will take on Hunding, so to speak. Heike Wessels (Bianca) is a mistake.

On YouTube you can find many (fragments) of live performances of the opera, among others from Lyon:

Frühlingsbegräbnis, the cantata that brought Zemlinsky into contact with Alma Mahler.

Zemlinsky cantate fruhling

This cantata is (was?) available on CD, performed very well by the Gürzenich-Orchester in Cologne, conducted by James Conlon, with the soprano Deborah Voigt and the baritone Donnie Ray Albert as soloists.  I love this work, it reminds me a little of Brahms’s Ein Deutsches requiem. The cantata was once coupled with several other unknown works by Zemlinsky, who all had their record premieres here: “Cymbeline”-Suite, after lyrics of Shakespeare and Ein Tanzpoem. Unfortunately…. Even YouTube has removed this recording, so second hand (or asking a friend who owns it for a copy) remains the only option.

Strangely enough Frühlingsbegräbnis by Conlon is on Spotify, but in combination with Psalms and Hochzeitgesang in a totally different performance:

On Spotify you can also listen to the recording under Antony Beaumont. The performance is less beautiful than that of Conlon but certainly not bad:

Cymbeline by Conlon can be found on You Tube:

James Conlon about Zemlinsky (and Ullmann):

“The music of Alexander Zemlinsky and Viktor Ullmann remained hidden for decades by the aftermath of the destruction caused by the Nazi regime […] Full recognition of their works and talent is still lacking, more than 70 years after their death […] Their lives and personal histories were tragic, but their music transcends it all. It is up to us to appreciate their story in its full historical and artistic context.”

Literature consulted:
Antony Beaumont: Zemlinsky
Michael Haas: Forbidden Music. The Jewish Composers banned by the Nazis

ALEXANDER ZEMLINSKY. Part 1: The Man

Alexander Zemlinsky. Part 2: ‘Du bist mein Eigen.’

Alexander Zemlinsky. Part 3: dreams and the happiness that needs to be hidden

John Wilson puts Korngold’s symphony in the spotlight

Korngold Wilson

For five years, from 1947 to 1952, Korngold worked on what he thought would be his greatest work, his symphony ‘Dedicated to the memory of Franklin Delano Roosevelt’. He offered the work to Bruno Walter, perhaps in the hope that he would conduct it. Walter was honoured and called the composition “the best modern symphony I know,” but he never conducted it. Why not? We’ll most likely never find out.

The premiere in 1954 was a failure and it was not until 1972 that the work was given a proper performance by the Munich Philharmonic Orchestra conducted by Rudolf Kempe. We had to live with that recording until 1997, when André Previn gave the composition a new boost – for which I am still very grateful. Or rather was, as the new recording John Wilson made with his newly founded Sinfonia of London makes me forget all the other recordings (there’s also Marc Albrecht with whom I’m not so happy).

I don’t know why, but Wilson shows a strong affinity for Korngold’s idiom. He raises the tension so cruelly you think you’re in the middle of a Hitchcock movie. Cinematic, expressive, but also a little melodramatic, as it should be. But he does not forget the Korngoldian ‘sweet tones’. The result is breathtaking.

Theme and Variations and Straussiana are not really works to write home about, but when they are performed like this… What an accomplishment!


ERICH WOLFGANG KORNGOLD
Symphony in F-sharp, Op.40; Theme and Variations, Op.42; Straussiana
Sinfonia of London under John Wilson
Chandos CHSA 5220

In Dutch:
John Wilson zet de symfonie van Korngold in de spotlights

Translated with www.DeepL.com/Translator

Over drie vrij nieuwe ‘Ringen’ en een Walküre uit de archieven

Ring wiki

Scene 1 of Das Rheingold from the first Bayreuth Festival production of the Bühnenfestspiel in 1876

Toen het Wagner-jaar in 2014 voorbij was schreef ik:
“Het Wagner-jaar is voorbij, de Ring ligt veilig opgeborgen in de Rijn en hopelijk wordt hij nu beter bewaakt. Het Walhalla bleek niets anders dan de zoveelste utopie en alle goden bleken gewone mensen te zijn, en zijn inmiddels allemaal dood. Samen met de helden met wie we eigenlijk medelijden moeten hebben. Eén ding hebben we geleerd: de strijd om macht, geld en wereldheerschappij gaat gewoon door.”

DE RING

Vroeger, heel erg vroeger, maar toch nog niet zo lang geleden waren de opvoeringen (en zeker de opnamen!) van een complete Ring eigenlijk alleen maar aan ‘Goden’ voorbestemd. Je deed het niet als je een niet meer dan een voortreffelijk orkest in huis had, geen beschikking had over een topdirigent, om van zangers maar te zwijgen.

Tegenwoordig bestaat er geen operahuis, hoe klein en onbetekenend ook, die de hele rataplan niet op de rol zet. Moet kunnen? Van mij mag het, maar moet het dan ook meteen opgenomen worden? Van Bayreuth snap ik het nog enigszins – het is toch het Heilige Mekka en DE TEMPEL der Wagnerianen, waar maar weinig uitverkorenen naar toe mogen. Ligt het niveau daar dan zo hoog? Muzikaal wellicht, maar niet heus, en wat de producties betreft is het meestal ‘regietheater’ op zijn best. Of op zijn slechts.
Om de Maestro zelf te citeren: ”Gar nichts liegt mir daran ob man meine Werke gibt: mir liegt einzig daran dass man sie so gibt, wie ich’s mir gedacht habe; wer das nicht will und kann, der soll’s bleiben lassen!“

Als u een doorgewinterde Wagner liefhebber bent dan heeft u ongetwijfeld alle belangrijke (en minder belangrijke) Ring – uitgaven thuis. Bent u een beginner, dan heeft men u al lang geleden ingefluisterd zonder welke opname u absoluut niet kunt leven, dus ik neem aan dat al de Solti’s, Karajan’s, Haitink’s, Böhms en Boulez’ – ik noem maar een paar – geen geheimen meer voor u hebben. Toch?

BARCELONA 2003

Ring Barcelona

Met veel spanning wachtte ik de nieuwe Ring uit Barcelona af. De productie van Harry Kupfer (oorspronkelijk voor de Deutsche Oper in Berlijn) werd alom bejubeld, en na de release van Das Rheingold merkte één van de recensenten op, dat dit wellicht de ultieme Ring op dvd zou kunnen worden.

Niet dus. Veel, heel veel uren heb ik voor de tv doorgebracht, en zeker niet met evenveel plezier.

Wat me voornamelijk tegenviel waren de beide helden: Siegmund en Siegfried. Richard Berkeley-Steele (Siegmund) viel aanvankelijk wel mee: soepel, lyrisch en met veel schwung werkte hij zich door de ‘Winterstürme’ heen. Maar toen was de koek op, en zijn stem begaf het. Jammer, des te meer, daar hij optisch een hele mooie Siegmund neerzette en qua spel zeker wist te overtuigen, iets wat niet gezegd kan worden van John Treleaven (Siegfried).

Dat hij er niet als een 18-jarige held eruitziet, dat kan niemand hem aanrekenen, al had de kostuumafdeling er werkelijk zijn best voor gedaan. Zonder problemen accepteer ik dat zijn stem veel aan zijn vroegere glans heeft verloren, ook  de moeite die hij heeft met de hoge noten neem ik voor lief: het zijn er ook zoveel, en zo hoog, en ze moeten zo luid …..

Maar het pushen, de wapper, de vele valse noten, en  – voornamelijk – de dodelijke saaiheid, nee, dat kan ik het hem niet vergeven. Bovendien: Siegfried mag dan onnozel zijn, dom is hij zeer zeker niet, en toch trekt Treleavan gekke bekken als was hij zijn verstand totaal bijster, en, houterig als hij is, doet hij ook aan overacting, niet leuk. Als overmaat van ramp brult hij zich door “Brünhilde, heilige Braut” heen, en zodoende verpest hij voor mij één van de mooiste melodieën ooit door Wagner geschreven. Hoe kon Brünhilde daar ooit verliefd op worden?

Deborah Polaski is een goede Brünhilde. Ik ben nooit zo dol op haar geweest, vond haar stem meestal iets te hard en te vlak, maar zij is een goede vakvrouw, gepokt en gemazeld in het fach. Bij haar stoort het niet, dat haar stem niet altijd doet wat er in de partituur staat (20 jaar Brünhilde zingen eist zijn tol), want er staat heel wat tegenover. Haar intensiteit, haar grote inlevingsvermogen, haar grote bühnepresence en overtuigingskracht maken van haar een Brünhilde om te koesteren.

De rest van de cast is goed tot zeer goed, met de ongekend grandioze Graham Clark (Loge en Mime) voorop. Alleen al voor zijn optreden is deze Ring het bekijken meer dan waard. Hetzelfde kan worden gezegd van Günther van Kannen (Alberich) en de overweldigende Hagen van Matti Salminen, die de bühne beheerst vanaf zijn eerste opkomst.

Falk Strückman’s Wotan begint nogal onevenwichtig, maar gaandeweg de cyclus wordt zijn zingen steeds beter. Op zijn acteren valt weinig aan te merken, en ook als Günther weet hij het onderste uit de kan te halen.

Linda Watson is een prachtig zingende Sieglinde, maar de camera is voor haar ongenadig: de vele close-ups maken van haar een matrone. De schuldige hiervoor is beslist de televisieregisseur, die maar over twee handelingen schijnt te beschikken: inzoomen en uitzoomen. Niet bepaald boeiend of innoverend, bovendien doet het een inbreuk op het verloop van de actie en ontneemt veel belangrijke details aan het oog – vaak kan je alleen maar gissen, wat er gebeurt.

De regie (Küpfer) en de enscenering (Schavernoch) vind ik voornamelijk inconsequent. Das Rheingold begint inderdaad prachtig. De bühne wordt beheerst door een enorme es, en de actie wordt zowel horizontaal als verticaal gespeeld, waardoor als het ware lagen ontstaan, en de tegenstellingen tussen de werelden: Nibelungen onder en Valhalla boven de oppervlakte van de Rijn worden benadrukt. Door het gebruik van de spiegelende vloeren wordt er een suggestie van water gecreëerd, waar de Rijnmeiden daadwerkelijk in lijken te zwemmen. Küpfer schijnt de aanwijzingen van Wagner op de voet te volgen en de kostuums zijn ouderwets in de goede zin van het woord.

 De Walküre is al iets abstracter, maar nog steeds herkenbaar. Jammer alleen van de overheersende donkerblauwe tinten, waardoor het beeld veel te donker is, en waardoor je soms bijna niets kan zien. Bijzonder sterk is de dood van Siegmund: Küpfer laat hem door Hunding (goede Eric Halfvarson) in de armen van Wotan dodelijk verwonden, een variatie op Piëta.

Was De Walküre al een kleine teleurstelling ten opzichte van de proloog, met Siegfried belanden we in een triest dieptepunt. Het begin is nog aardig, al schijnt de actie zich af te spelen in iets wat op een immense fabriek lijkt, waar desnoods duizenden Nothungs kunnen worden gesmeed. Helaas, met de komst van Siegfried kan je de hoop maar beter opgeven, vanaf hier wordt het slechts belachelijk en saai, met een absoluut dieptepunt aan het eind.

Met De Götterdämmerung betreden wij (letterlijk en figuurlijk) een totaal andere wereld. Bij de opkomst van Günther veer ik even op: een dun snorretje, zwart, sluik vallend haar met een duidelijke scheiding opzij, zou het …? Ach nee, het is Clark Gable uit Gone with the wind, ik herken hem aan zijn kamerjas en de manier waarop hij de sigaret opsteekt. Ook de outfit van Gutrune (ontroerend goede Elisabete Matos) had ik al eerder gezien, zij lijkt sprekend (nou ja, bij het uitzoomen dan) op Vivian Leigh, maar dan uit Streetcar named desire. In die wereld is Hagen de regisseur, hij is het, die het verdere verloop van de actie bepaalt. Door de microfoon roept hij Siegfried de set op, en het draaien kan beginnen. Het koor en de figuranten stellen de fans voor, en aan hun kleding te zien, zijn we in de jaren dertig van de vorige eeuw belandt.

De overgang van de mythologische wereld naar de realiteit (?) van de film is te groot en te onbegrijpelijk, maar misschien was dat allemaal maar een film? Ik geef het op, per slot van rekening kun je met een goede wil alles verklaren. Verslagen laat ik het allemaal over me heen komen en vraag me niet eens af, waarom Alberich aan het eind toch de ring krijgt, hem omdoet en triomfantelijk omhooghoudt, tot hij vanzelf aan diggelen valt. Dit alles nauwkeurig gadegeslagen door een innig verstrengeld paar: een meisje en een jongen, de (nieuwe) tweeling wellicht? L’histoire se répète, zal ik maar zeggen

Het orkest van Gran Teatre del Liceu onder leiding van Bertrand de Billy speelt goed, maar niet meer dan dat. Jammer. (Opus Arte OA 0911 D)

Die Walküre

KOPENHAGEN 2006

Ring Box-Copenhagen-Ring

In 2006 werd de hele Ring uitgevoerd in de opera van Kopenhagen en de alom geroemde productie werd door Decca (0743264) op dvd’s opgenomen. De regie lag in handen van Kasper Holten.

Holten presenteerde de cyclus als de geschiedenis van een (gegoede?) familie door de jaren heen, iets wat toen betrekkelijk innovatief was. Op zich niet zo gek, want met al die buitenechtelijke escapades van pater familias moesten er genoeg broers, zussen en aanverwanten rondlopen.

Wat Holten eigenlijk nog meer ambieerde, was de cyclus als een verknoopte geschiedenis van de twintigste eeuw te laten zien – iets wat hem maar ten dele is gelukt.

In Das Rheingold kijkt Brünnhilde, gezeten in een soort bibliotheek van haar vader, terug naar hoe het allemaal is begonnen en hoe het zo ver heeft kunnen komen. En dan dalen wij naar beneden. Nee, niet naar de rivier, want die valt nergens te bekennen, maar naar een soort bar, volgestouwd met flessen wodka en ‘bewoond’ door drie ‘grisettes’, alles in de sfeer van de jaren twintig van de vorige eeuw.

Alberich is een mismaakte griezel en het goud, in de gedaante van een naakte jonge man, zwemt rond in een aquarium. De jonge man – sorry: het goud – wordt gedood, zijn hart wordt uit zijn borst gerukt en daar wordt dus de Ring van gemaakt.

Met de vluchtende Siegmund belanden wij in een Amerikaanse suburb in de jaren vijftig. Nou was de mode in die tijd niet al te charmant, maar moest de arme Sieglinde zo verschrikkelijk toegetakeld worden? Haar gifgroene oogschaduw doet pijn aan de ogen en de close-ups zijn voor beide zangers ongenadig.

Met de antiheld Siegfried (volgens Holten kunnen we niet anders dan hem sympathiek vinden en medelijden met hem te hebben – de arme jongen wordt tenslotte door alles en iedereen gemanipuleerd) bereiken wij het jaar 1968, de tijd van ‘Aquarius’, flower power en ‘make love not war’.

De rest laat ik aan uw voorstellingsvermogen over. Of aan uw koopkracht, want ondanks al mijn bezwaren vind ik de productie zeker het bekijken waard. Wat ik ook van al die concepten (en de kostuums!) denk: Holten is een voortreffelijke personenregisseur en weet wat hij wil. De spanning is soms om te snijden en je kan niet anders dan blijven kijken.

Bovendien wordt er goed gezongen en (met het oog voor de camera, dus vaak op de millimeter, dat dan wel) geacteerd, voornamelijk door Stephen Milling (Hunding). Stig Andersen is een prima Siegmund en Siegfried, Iréne Theorin een uitstekende Brünnhilde en James Johnson een overtuigende Wotan/Der Wanderer.

 

BUENOS AIRES 2013

Ring Buenos Aires

Het idee om de Ring te ontdoen van alle ‘ballast’ (het zijn mijn woorden niet!) en terug te brengen tot de essentie is niet nieuw. De opera van Buenos Aires heeft de moed getoond om het plan daadwerkelijk te realiseren en Cor Garben bewerkte de tetralogie tot een zeven uur durend geheel.

Ik ga u niet met de ontstaansgeschiedenis en alle affaires en schandalen waarmee de productie te maken kreeg (nog maar zes weken vóór de première was er geen concept, geen regisseur en geen dirigent!) vermoeien; het staat ook allemaal op de bijgeleverde, zeer spannende en buitengewoon interessante film van Christoph von Bock. Maar eind goed al goed: de Ring ging in mei 2013 in première en werd door C Major (713104) uitgebracht.

Over het concept (regie: Valentina Carrasco) wil ik kort zijn: wij zijn in het Argentinië van de jaren zeventig, de Rijnmeiden zijn eigenlijk Rijnmoeders en het goud, dat wordt gestolen, is een kind. De cast is goed. Wel heb ik een beetje moeite met Leonid Zakhozaev (Siegfried).

DIE WALKÜRE

Ring Walkure Sony

Een jaar of tien geleden is Sony begonnen met het openbaren van de Met-archieven. Daar zat ook een Die Walküre tussen, opgenomen op 24 februari 1968. Je moet wel even aan het doffe geluid wennen, maar als je het eenmaal in je oren hebt ….. Mijn God, wat is de uitvoering prachtig!

De op elkaar verliefde tweeling wordt vertolkt door een zeer ontroerende (tranen!) Leonie Rysanek en een lyrischer dan ooit klinkende Jon Vickers. Tel Wotan van Thomas Stewart en – ja, hoe kan het anders? – dé Brünhilde van Birgit Nilsson daarbij en dan weet je dat het feest mag beginnen.

Maar wij zijn er nog niet, want ook Fricka doet mee en het moet gezegd: zij is de ster van de opera. Haar naam? Christa Ludwig. O ja: Hunding wordt gezongen door Karl Ridderbusch. De dirigent is mij alleen van naam (waarom eigenlijk?) bekende Berislav Klobucar. (Sony 853082)


 

Schubert en Brahms door Gerald Finley: daar red je het niet met een zakje Kleenex mee

Schubert Finley

Deze cd zou een grote kans maken om op de top van Hart & Ziel-lijst van Radio vier te eindigen. Zoveel treurigheid, zoveel leed … Daar red je het niet met een simpel zakje Kleenex mee. Ben ik cynisch? Ja.

Ik ben een enorme bewonderaar van Gerald Finley. Sterker: hij behoort tot mijn absolute ‘to die for’ zangers. En, eerlijk is eerlijk, deze cd is zonder meer prachtig. Alleen: wie zat er echt op te wachten? Al een paar jaar geleden schreef ik dat er een, al was het maar tijdelijk, verbod zou moeten komen op het opnemen van bepaalde muziekstukken. Om te beginnen met de drie liedcycli van Schubert. Wij verzuipen in de hoeveelheid uitvoeringen en het einde is nog steeds niet in zicht.

Nu is Finley niet zomaar een zanger, hij is een van de meest charismatische baritons van onze tijd en zijn stem is gewoon goddelijk. Wat is er dan misgegaan? Niets eigenlijk, behalve dat het zo overbodig is. Mooi? Ja. Ontroerend? Voor wie daar gevoelig voor is, ja. Iets aan toevoegend? Nee. Gekunsteld? Ja.

In Brahms kan hij mij iets meer overtuigen. Daar is hij meer een zanger die niets wil verduidelijken maar gewoon zingt. Daarin wordt hij uitstekend geholpen door Julius Drake.

Hieronder een promo:

FRANZ SCHUBERT: SCHWANENGESANG
JOHANNES BRAHMS: VIER ERNSTE GESENGE
Gerald Finley (bariton), Julius Drake (piano)
Hyperion CDA 68288

The man who loved women

donnePuccini

Puccini dandy

His looks were very important to him. He was always elegantly dressed and loved beautiful hats, a grand seigneur all the way. Thanks to Giuseppe Adami we know how he looked on the day of the Premio del Commercio: he wore an elegant, dark grey waistcoat, a bowler hat and a tie in the same colour with a big pearl on it.

Puccini door Adami

He was an avid smoker and “with a cigarette between his lips, his dented hat at an angle, with something masculine and affectionate in his intelligent face and in his vigorous posture” (Adami), he certainly looked handsome and attractive.

puccini-de Dion-Bouton

That was the intention. He loved cars and driving, and he bought his first one as early as 1901: a De Dion Bouton. One of his car rides was almost fatal: after an accident he passed out and broke his leg. It didn’t stop him from buying newer and newer models, even more beautiful and faster.

Puccini jacht

Hunting was his greatest hobby. Not that he was very good at it – it seems that he often missed and thus spoiled the fun for the others. Then why did he do it? “For him, hunting was more of a display of virility, and as he grew older, the need to prove his masculinity grew stronger and stronger” (van Leeuwen). His masculinity… yes, he loved women.

Puccini Elvira

Puccini and Elvira Bonturi

Only in 1904 he married the woman with whom he had lived for many years and with whom he had a son. There was no longer any question of love, but it was the decent thing to do. His wife, Evira Bonturi, was very jealous and not without reason. Apart from many short adventures and affairs he had a long relationship with a mysterious woman from Turin, a relationship that was so serious, that he was already considering divorce.

PUccini Corinna

Maria Anna Coriasco, the mysterious ‘La Torinese’. Picture on the tombstome

Why and how he ended the affair is not known. Another known scandal involved a maid who was unjustly accused by the lady of the house of having a relationship with her employer and then committed suicide.

PUccini Doria Manfredi

Doria Manfredi

His works are very erotic and his heroines get to sing the most beautiful music. He once said: “Il giorno in cui non sarò più innamorato fatemi il funerale” (On the day when I am no longer in love, bury me).

Tu, che di gel sei cinta’ from Turandot is the last aria he composed. The lyrics are also his own:

He died while working on what should have been the most beautiful and greatest love duet in his oeuvre. And until the last moment he was occupied with his looks: Puccini, the man who loved women.

Below the finale of Turandot, in the ‘original version’ of Franco Alfano who completed the opera after Puccini’s death:

Translated with http://www.DeepL.com/Translator

In Dutch:

https://basiaconfuoco.com/2018/10/30/de-man-die-van-vrouwen-hield/

 

John Wilson zet de symfonie van Korngold in de spotlights

Korngold Wilson

Vijf jaar, van 1947 tot 1952, heeft Korngold er aan gewerkt, aan wat hij dacht dat het zijn grootste werk zou worden, zijn symfonie ‘Dedicated tot he memory of Franklin Delano Roosevelt’. Het werk heeft hij aan Bruno Walter opgedragen, wellicht in de hoop dat hij het zou gaan dirigeren. Walter was vereerd en noemde de compositie “de beste moderne symfonie die ik ken”, maar het dirigeren deed hij niet. Waarom? Daar komen we waarschijnlijk nooit meer achter.

De première in 1954 was een mislukking en het duurde tot 1972 eer het werk een fatsoenlijke uitvoering kreeg door het Philharmonisch orkest van München onder leiding van Rudolf Kempe. En daar moesten we het mee doen tot 1997, toen André Previn de compositie wat meer schwung bezorgde en waar ik nog steeds heel erg gelukkig mee ben. Was, eigenlijk, want de nieuwe opname die John Wilson met zijn pas opgerichte Sinfonia of London doet mij al die andere opnamen (er is ook nog Marc Albrecht waar ik niet zo gelukkig mee ben) eenvoudigweg vergeten.

Ik weet niet waar het aan ligt maar Wilson schijnt Korngolds idioom bijna congeniaal aan te voelen. Hij laat de spanning zo gemeen opvoeren dat je denkt midden in een ‘Hitchcock film’ te zijn beland. Filmisch, expressief, maar ook een beetje melodramatisch, zoals het hoort. Daarbij vergeet hij de Korngoldiaanse ‘zoete tonen’ niet. Het resultaat is adembenemend.

Theme and Variations en Straussiana zijn niet echt werken om over naar huis te schrijven, maar als het zo uitgevoerd wordt… Wat een aanwinst!


ERICH WOLFGANG KORNGOLD
Symphony in F-sharp, Op.40; Theme and Variations, Op.42; Straussiana
Sinfonia of London olv John Wilson
Chandos CHSA 5220