Jessye Norman als Cassandre in Les Troyens

Tekst: Peter Franken

Morgen, 30 maart, is het anderhalf jaar geleden dat Jessye Norman overleed. Een mooie aanleiding om terug te kijken op twee van haar grootste rollen in de Met. Vandaag Cassandre, morgen volgt Sieglinde.

In 1983 debuteerde Norman in de Metropolitan Opera in de rol van Cassandre in Berlioz’ Les Troyens. Die voorstelling werd verfilmd en bij het zien ervan raak je gemakkelijk in de ban van deze ietwat hysterische zieneres die de verwoesting van Troje voorspelt maar door niemand geloofd wordt. Haar andere grote rollen in New York waren de titelrol in Strauss’ Ariadne auf Naxos en Sieglinde in Wagners Die Walküre.

Les Troyens had een schitterende cast waarvan behalve Norman ook Tatiana Troyanos als Dido en Placido Domingo als Énée deel uitmaakten. De eerste akte draait zoals verwacht helemaal om Norman die een werkelijk fenomenale vertolking geeft van de door haar vloek geteisterde Cassandre. Met name het grote duet met Chorèbe is adembenemend en vooral ook ontroerend door de subtiele begeleiding die Berlioz hiervoor heeft geschreven.

Ook in de volgende scènes zien we Cassandre als dominant personage terug, in steeds groter wordende vertwijfeling. Als Énée opkomt met de mededeling dat Lacoön is gedood door een zeeslang als kennelijke bestraffing voor het feit dat hij het door de Grieken als gift achtergelaten paard niet vertrouwt, geeft Cassandre het op, praat daarna alleen nog maar in zichzelf. Énée is ervan overtuigd dat Pallas Athena is beledigd omdat de Trojanen het Griekse afscheidsgeschenk niet willen accepteren. Hij dringt er op aan het paard snel de stad binnen te halen en dan breekt de hel los. Norman komt nog eens nadrukkelijk in beeld als ze de Trojaanse vrouwen voorhoudt dat zelfmoord beter is dan een leven als slavin van een van de Grieken. Ze geeft zelf het (goede) voorbeeld en de anderen volgen haar. Mooi in beeld gebracht is hier de aarzeling die sommige vrouwen laten zien.

Het optreden van Andromache, een zwijgende acteerrol, met haar zoontje vind ik ondanks Normans schitterende prestatie toch het meest ontroerende moment in de eerste akte. Hectors weduwe wordt gespeeld door Jane White die haar diepe rouw een koninklijke uitstraling weet te geven. Met de melancholieke klarinet erbij die haar tijdens de gehele scène begeleidt is het nauwelijks mogelijk hier je ogen droog te houden.

De muziek van Berlioz vertoont een aantal opvallende kenmerken. Solerende blazers markeren emotionele momenten, vaak is een harp te horen die een orkestpassage accentueert. Passages met tutti strijkers klinken opmerkelijk vol doordat Berlioz de houtblazers gelijk op met hen laat spelen. Het maakt zijn muziek uiterst herkenbaar maar natuurlijk ook wel een beetje voorspelbaar. Zo ook Les Troyens, het klinkt allemaal vertrouwd en bekend. Maar de opera is te lang om de aandacht volledig vast te houden. Het eerste deel, La prise de Troy, is compact en de handeling is vol dramatiek. Na anderhalf uur is Troje verwoest en Aeneas ontvlucht.

Jessye Norman als Cassandre


Het tweede deel, Les Troyens à Carthage, duurt twee en een half uur en dat is veel te lang voor een werk dat pas tegen het einde een dramatische wending krijgt. Monologen en duetten kabbelen eindeloos voort, balletten nemen veel tijd in beslag zonder iets aan de handeling toe te voegen. Zeelui zingen een lied vol heimwee, Iopas moet op commando van Dido ook nog een lied zingen, om haar op te vrolijken. Naar verluidt heeft Berlioz het originele werk al flink ingekort, hij had er zonder meer nog een uurtje extra uit kunnen halen.

De komst van Énée komt als geroepen voor Dido aangezien hij haar nog maar kort bestaande koninkrijkje, nauwelijks meer dan een nederzetting, redt uit de handen van de Nubische heerser Jarba. Dat is op zich natuurlijk al genoeg reden om hem op een voetstukje te plaatsen. Als Dido vervolgens hoort dat uitgerekend Andromache die als slavin door Phyrrus is meegevoerd naar Griekenland voor hem door de knieën is gegaan en met haar ontvoerder is getrouwd, begint Dido zich af te vragen of ze beslist trouw moet blijven aan haar overleden echtgenoot, zeker nu er zo’n geschikte opvolger aan haar hof verblijft en lijkt te treuzelen om verder te reizen. Dat verandert alles: Dido wil Énée koste wat het kost bij zich houden, de goden en geesten van dode Trojanen die Énée uit zijn slaap houden kunnen de boom in. Love trumps destiny vindt Dido.

Maar Énée vertrekt, hij volgt zijn bestemming die hem een grote strijd en een roemrijke dood voorspelt, na eerst natuurlijk een ‘nieuw Troje’ te hebben gesticht. Opmerkelijk genoeg verdwijnt hij direct achter de mythologische horizon. Verder dan een verhaal over zijn zoon die een nederzetting inItalië zou hebben gesticht, komen we niet. Over Énée heeft niemand het meer na zijn vetrek uit Carthago.

Tatiana Troyanos vind ik nogal vlak klinken gedurende de eerste twee uur van haar optreden. Vermoedelijk spaarde ze haar stem want in de laatste dramatische fase is ze nadrukkelijk een ander personage en ook een andere sopraan. Haar woede en vertwijfeling, haar zelfverkozen dood en vervloeking van Énée’s nageslacht doen je in een klap de voorafgaande twee uur vergeten.

Sterfscéne van Dido:

Placido Domingo is een uitstekende Énée maar feitelijk is dat een vrij saaie rol. Hij is verantwoordelijk voor die blunder met dat paard maar weet wel als enige zoon van Priamus de slachtpartij te ontkomen. Vervolgens zit hij in zo’n handenwringende situatie van ‘ga niet, ik moet’ en daarna verdwijnt hij in de vergetelheid.

Zoals te verwachten in een al wat oudere Met productie ziet alles er prachtig uit met overdadige kostuums en een mooi vormgegeven toneelbeeld. Maar uiteindelijk is de opname toch vooral de moeite waard vanwege het optreden van Jessye Norman.

Overigens pleegt Cassandra niet in alle mythen zelfmoord. In Agamemnon, het eerste deel van de Oresteia van Aeschylus, arriveert ze als Agamemnons slavin en bijslaap in Mycene waar ze door Aegisthus wordt vermoord. Klytämnestra neemt tegelijkertijd haar teruggekeerde echtgenoot voor haar rekening.

Uit de archieven: twee interviews met Tania Kross

2005

In Enschede regent het pijpenstelen. Ik kom te laat, want hoe kon ik het weten, dat de Schouwburg meer dan één artiesteningang heeft? Tania Kross staat al op mij te wachten, en het eerste wat me opvalt is hoe mooi ze is. In haar witte rok en korenblauwe T-shirt is ze net een zonnestraal in die grijze omgeving.

Als je maar geen kou vat!-  zeg ik, schuldbewust.

“Ik word nooit ziek, ik mag niet ziek worden” lacht ze, en lachen kan ze als geen ander: ongegeneerd hard en aanstekelijk. We gaan een rustige broodjeszaak in, het is er tenminste droog en behaaglijk. Tien jaar is ze pas in Nederland, en er is al zoveel in haar leven veranderd.

Zeventien was ze, en ze wilde zingen. Dacht ze aan een carrière van een operazangeres?

“Ik denk dat iedereen het wel hoopt van zichzelf. Maar het belangrijkste voor mij os om alles wat ik doe, zo goed mogelijk doen. Ik wil goed zingen, maar ik blijf gewoon lekker mijzelf. Het eerste jaar in Nederland was een opeenhoping van zoveel indrukken. Naar zangles gaan was toen even belangrijk als het uitzoeken waar de supermarkt is, want je weet niets, alles is even nieuw.”

“Mijn zanglerares vroeg me, of ik wist wat ik eigenlijk wilde. Zij was de eerste persoon die mij dat vroeg, en toen realiseerde ik me dat als ik iets heel erg graag wil, dat ik er dan hard voor werken. En vanaf die dag ben ik als een gek gaan werken”

In Nederland had ze veel kansen gekregen: Zaterdag Matinee, de Reisopera, binnenkort Lola in Cavaleria Rusticana bij DNO. Zelf blijft ze er kalm bij, want “Nederland is zo klein en dan val je toch snel op als je goed zingt”.

Haar ambities pasten altijd in een driejarenplan. Van: “over drie jaar wil ik het Deutekom concours doen. En toen ik het gedaan had, dacht ik: nu wil ik over drie jaar Cardiff doen.”

Cardiff … daar heeft ze altijd van gedroomd, vanaf het eerste jaar dat ze het op de TV zag. Heeft het meedoen aan het concours haar veranderd?

“Zeker. Daar sta je op het toneel voor mensen, die jou nog nooit hebben gezien, ze weten niet wie je bent, en dan moet je in één aria indruk maken. En dan word je je er bewuster van dat het niet uitmaakt of je een concours goed zingt, want je moet altijd en overal goed zingen”.

Een echt voorbeeld had ze niet. Als ze iets in het Frans moet zingen grijpt ze naar opnamen van Janet Baker, voor de grote Händel rollen kijkt ze eerst hoe Anne Sophie van Otter het doet, en voor Rossini luistert ze eerst naar Cecilia Bartoli. Allemaal hedendaagse zangeressen, want ja, ze werken met hedendaagse dirigenten en je kijkt niet om. Ze bewondert Giulietta Simionato, vindt het waanzinnig mooi wat ze deed, maar tegenwoordig moet het toch anders

Tania zwijgt even en dan zegt ze dat er toch nog één speciaal iemand is: Cathy Berberian.

“Zij was iemand, die van alles heeft geprobeerd met haar stem. Ontzettend veelzijdig, ze zong van alles, van Purcell tot The Beatles. Ik vind dat jonge zangers een scala moeten hebben aan mogelijkheden, je moet zoveel mogelijk eruit zien te halen. Een spinto sopraan ben ik niet, maar ik wil evenzogoed barok, als romantiek en moderne muziek zingen”

Haar eerste operaproductie was Cherubino in Le Nozze di Figaro. De eigenzinnige regisseur heeft een suïcidaal knaapje van hem gemaakt die door iedereen op de bühne wordt betast en zelfs verkracht werd door Figaro. Hoe ging ze er mee om?

“Je vindt een weg. Op een bepaald moment denk je: we doen het even, en …kom maar! Je doet gewoon je best”

Met veel plezier kijkt ze terug naar de rol van Sesto (Giulio Cesare) in de regie van Herbert Wernicke. “Dat was één en al feest!.

Zij is een mooie, zeer feminiene vrouw maar als een mezzo zingt ze veel ‘hosenrollen’. Moeilijk?

“Wel nee! Dan krijg ik een ‘boezempresser’ en word ik platgedrukt! In een mannenrol heb ik gewoon een mannelijke uitstraling. Als ik een broek aan heb en een andere pruik, dan ga ik zelfs anders lopen. En dan vind ik de vrouwen prachtig en kijk ik in hun decolleté. Ik weet natuurlijk wat mannen doen en ik doe ze na”.

Haar droomrol, die ze volgens haar driejarenplan wilt zingen?

“Rosina (Il barbiere di Sevilla), maar die heb ik al gedaan!” lacht ze.

En de volgende? Even is het stil.

“Ik wil het Frans romantisch repertoire doen. Dus de Carmen en de Charlotte (Werther). Ik heb al een paar Carmens gedaan, maar dit waren natuurlijk probeersels, ik wilde gewoon uitzoeken of Carmen iets voor mij was. En o ja, die is het wel!”.

Onlangs heeft Tania Kross een exclusief contract met Universal Music getekend. Op haar debuut-cd staan liederen van Zuid-Amerikaanse en Spaanse componisten. Wiens idee was het?

“Peter van der Heyden (Universal) heeft mijn agent benaderd, we hebben elkaar ontmoet, en toen kwam ik met een hele lijst van dingen, die ik mooi vind. Montsalvatge had ik al op mijn repertoire staan, en omdat ik van dat gebied kom besloten we dit als een rode draad te nemen.

“Het concept is dan: ik kom uit Curaçao en ik functioneer in de westerse klassieke muziek Prudencia, Clemencia en Oswin “Chin” Behilia zijn Antilliaanse componisten. ‘Suni’ is een heel erg bekend lied, het is een lied van mijn generatie”.

De cd eindigt met de liederen van Lecuona, waarom eigenlijk?

“Curaçao heeft altijd een speciale band met Cuba gehad. Heel veel Curaçaoënaars gingen, toen op het eiland geen werk was, naar Cuba om suikerriet te snijden en op plantages te werken. Daar is zoveel overeenkomst in de muziek, in de taal en manier van leven. Ik kon dus niet een cd met dit thema te maken zonder Cuba daarop te hebben, want het hoort daar gewoon bij”


2006

Sinds ons eerst interview ruim een jaar geleden is er veel gebeurd. Zo debuteerde zij bij DNO als Lola in Mascagni’s Cavalleria Rusticana en organiseerde haar eerste Festival, Krossin’ Gouda. Haar eerste cd leverde haar de Edison Klassiek Publieksprijs en vóór zij voor een week naar Curaçao vloog om een beetje uit te rusten dook zij de studio in om haar tweede cd,‘Arie Antiche’, op te nemen. Tijd dus voor een nieuw gesprek.

Zij logeert bij goede vrienden in hun monumentale grachtenpand, het is haar pied-à-terre geworden voor de keren dat zij in Nederland verblijft. Ik bel aan en daar staat ze dan, mooier dan ooit, in een prachtige jurk en op hooggehakte slippers. Zwierig en elegant leidt zij mij een pracht van een kamer binnen. Met een kan thee (zij is een beetje uitgedroogd, want de vlucht was lang en zij mocht niet eens een flesje water meenemen naar de cabine) nestelt zij zich op de bank.

Tania Kross, Marietta Petkova – Arie Antiche (2005, CD) - Discogs

“Waarom Arie Antiche? Mijn eerste cd was een soort introductie: dit is Tania, met een heel apart repertoire. Op mijn tweede cd wou ik heel duidelijk laten zien wat ik kan, wat is mijn stemgebruik, wat hebben al die jaren harde studie opgeleverd. Mijn vak is coloratuur-mezzo, maar de meeste mensen horen het niet genoeg. Eerst dachten wij aan de Spaanse barok, maar algauw verwisselden we het idee voor de Arie Antiche”.

De aria’s uit de verzameling Arie Antiche stammen uit de zeventiendeen achttiende eeuw, maar pas in de negentiende eeuw werden ze door Alessandro Parisotii samengebundeld. Een romantische kijk op de barok, is dat wat haar aantrekkelijk leek?

“Ja, want dit laat duidelijk de schoonheid van de stem horen. Door zijn arrangementen laat Parisotti zien wat zijn visie op die muziek was, dat pak ik op en daarop voortbordurend leg ik er mijn eigen visie op.”

Op haar nieuwe cd wordt Tania op de piano begeleid door Marietta Petkova. Zij kenden elkaar eerder niet, hoe is die samenwerking verlopen?

“Marietta is een concertpianiste, het was een gok: het kon totaal floppen, maar goddank klikte het geweldig. Ik genoot zeer van hoe zij met de muziek bezig was, ik vond haar aanpak zo verfrissend. Zelf ben ik vrij dominant bij wat ik muzikaal wil doen: als Tania rechts wil dan gaan wij met zijn allen …. Maar met haar had ik meteen het gevoel van: kijk wat wij samen kunnen doen, het was een ‘samendans’. Zij is heel perfectionistisch in wat zij wil, en dat stimuleert en het is fijn om  samen te werken met mensen die beter zijn want die trekken je naar boven”.

Gaat zij nu wat meer oude muziek zingen?

“Nee. Ik vind het prachtig, en het is ook gezond voor de stem, maar ik wil zoveel mogelijk mezelf blijven, en me nergens op vastpinnen”

 

We want the light

Het valt niet mee om een vijf uur durende, belangrijke documentaire, in woorden samen te vatten. Dan maar heel erg kort.

Door middel van interviews, muziekfragmenten en archieffilms schetst Christopher Nupen een beeld van de rol die Joden op Duitse cultuur: kunst, literatuur en muziek hebben gehad. Hun, onder andere door Lessing geïnspireerde drang tot assimilatie moest eindigen in een tragedie, want “die symbiose had alleen in onze hoofden plaats gehad, niet in de hoofden van de Duitsers”.

Ook wordt de rol, die Wagner speelde in de totstandkoming van de Holocaust onder de loep genomen. “Hem treft de grootste schuld” zegt Norman Lebrecht, maar de burgemeester van Rishon L’tzion (daar, in oktober 2000 de eerste uitvoering van muziek van Wagner door een Israëlische orkest plaats gehad) ontkent het: “we laten ons die muziek niet ontnemen, die heeft er niets mee te maken”.

De overlevenden vertellen over de grote betekenis die muziek in hun leven had gespeeld: “als je kon spelen dan voelde je je gelukkig en gezond, de muziek heeft ons kracht gegeven” zegt de toen 98-jarige Alice Summer.

Titel van de film van Christopher Nupen, We want the light is ontleend aan een gedicht, in Theresienstadt geschreven door een 12-jarig meisje, Eva Pickova.

We want the light, film van Christopher Nupen
Vladimir Ashkenazy, Daniel Barenboim, Evgeni Kissin, Zubin Mehta, Itzhak Perlman, Pinchas Zukerman, Alice Summer e.a.
Opus Arte OA CN0909 D (3 dvd’s)

Sly van Wolf-Ferrari: zakdoekjes binnen hand bereik

Deze afbeelding heeft een leeg alt-atribuut; de bestandsnaam is sly.jpg

De opera’s van Ermanno Wolf-Ferrari (1876-1948) worden nog maar zelden gespeeld. Naar de oorzaak ervan hoeven wij niet eens te gissen. Dat het niet aan de kwaliteit ligt bewijst de, in 2001 op Koch Schwann uitgekomen opname van Sly ovvero La leggenda del dormiente risvegliato (Sly of de legende van de ontwaakte slaper).

Het tragikomische verhaal vertelt van een arme dichter die, stomdronken naar het paleis van Conte di Westmoreland graaf wordt gebracht om daar voor gek te worden gehouden. Hij wordt verkleed in dure kleren en zodra hij bijkomt wordt hij wijsgemaakt dat hij de graaf is en dat hij net hersteld is van een langdurige ziekte. Conte’s minnares Dolly doet zich voor als zijn echtgenote maar wordt gaandeweg daadwerkelijk verliefd op hem.

“No, io non sono un buffone” (Nee, ik ben geen nar) zingt hij aan het eind en snijdt zijn polsen door met een gebroken fles. Zijn geliefde Dolly komt, net als Charlotte in Werther, te laat. De muziek houdt het midden tussen opera buffa, surrealisme en voornamelijk verisme, al moet men ook de wagneriaanse invloeden niet vergeten.

Er bestond al een opname van de opera in het Duits (Accanta) met Deborah Polaski en naar het Italiaanse origineel werd met spanning uitgekeken. Deze registratie is live opgenomen in Barcelona. De hoofdrol wordt gezongen door José Carreras, die hiermee zijn dertigste jubileum vierde. Hij zingt een zeer ontroerende Sly. Zijn stem klinkt zeer breekbaar en zijn vertolking laat je in tranen achter.

Sherill Milnes bewijst nog eens zijn reputatie als de vertolker van schurkenrollen, doch de erepalm gaat naar de Zaïrese sopraan Isabelle Kabatu. Haar stem doet een beetje aan die van Leontyne Price denken: fluweelzacht en lichtelijk omfloerst.

Wolf-Ferrari

Sly
José Carreras, Isabelle Kabatu, Sherill Milnes
Koor en orkest van het Gran Teatre del Liceu olv David Giménes
Koch Schwann 3-6449-2

Quartets of Pavel Haas by the Kocian Quartet: a must

Haas Kocian

Of all Leoš Janáček’s pupils, Pavel Haas (Brno 1899 – Auschwitz 1944) managed best to combine his teacher’s influence with his very own musical language.

Haas stil filmStill from the film ‘Der Fuehrer schenkt den Juden eine Stadt’. The man on the right is Pavel Haas, who is actually listening to his Study for Strings performed by the Ghetto Orchestra © United States Holocaust Museum
© United States Holocaust Memorial Museum, courtesy of Ivan Vojtech Fric

Haas was a big jazz fan and he also composed a lot of theatre and film music. The latter partly under the influence of his brother, a well-known film actor. His greatest love, however, was Moravian folk music.

The second string quartet, nicknamed ‘From the Monkey Mountains’, is an open declaration of love to Moravia. The music is programmatic, meaning that without using words, something (in this case the beauty of nature) is described in a narrative way.

Parts one and three are extremely melodious and agonizingly beautiful. In the second and fourth movements, a certain dissonance can be detected and they strongly remind me of Janáček’s Second String Quartet, composed three years later.

Haas originally composed the fourth movement for a jazz band, but the reviews of the premiere made him decide to change it. On these recordings, two percussionists were added to the string quartet. A masterstroke.

The third string quartet, already composed in 1938, was performed for the first time in January 1946, two years after the composer’s death.

Here is the string quartet in the version of the Pavel Haas Quartet:

The performance by the Kocian Quartet is very expressive, sparkling, and where necessary, wistful. This recording is almost twenty years old, but still unsurpassed. Not that they have much competition…….If only I could convince all chamber music lovers that they should buy this wonderful CD!

Haas stolperstein in Brno

                                                                                   Stolperstein for Pavel Haas in Brno

Pavel Haas
String quartets nrs. 1-3 (complete)
Kocian Quartet
Praga PRD 250 118

Mariusz Kwiecień and his Slavic heroes.

kwiecienheroescd

The young Polish baritone Mariusz Kwiecień (Difficult to pronounce? I am going to help you! It is, in Dutch: Marjush Kfjetsjenj) is hot, really hot. The ‘Barihunks’ site was created especially for him. Still ….. no matter how much I admired the young Pole’s acting skills and charisma – the voice usually left me cold. But little boys grow up and the truth must now be told: I was mistaken.

When I saw his Onjegin directed by Dmitri Tcherniakov (Bel Air BAC046), I was already won over, but now, with his first (sic!) solo CD, I can only deeply bow my head in admiration. First of all, it is the choice of repertoire. Along with his greatest starring roles: Yevgeny Onegin and Krol Roger by Szymanowski, he sings mainly unknown treasures from the Slavonic operas.

As an opera lover, you may know the baritone aria from Sadko by Rimsky-Korsakov and perhaps ‘Oh Mariya, Mariya’ from Tchaikovsky’s Mazeppa. But have you ever heard of Smetana’s Čertova stěna? Or Verbuum Nobile by Stanislaw Moniuszko? That is what I mean!

Apart from the choice of repertoire, we are dealing with a voice and – it must be said – his voice sounds like a bell! Beautiful, warm and very attractive. The Polish Radio Orchestra, conducted by Łukasz Borowicz, also sounds excellent.



Mariusz Kwiecień
Slavic Heroes
Arias by Tchaikovsky, Moniuszko, Szymanowski, Rachmaninov, Dvorak, Smetana and others.
Polish Radio Symphony Orchestra conducted by Łukasz Borowicz
Harmondia Mundi HMW906101

Bruid staat nog steeds te koop

Tekst: Peter Franken

Alles en iedereen stond vorig jaar klaar voor de première van Bruid te koop, de Nederlandse bewerking van Smetana’s Die verkaufte Braut waarmee de Reisopera vervolgens op tournee zou gaan. De lockdown die met onmiddellijke ingang van kracht werd, gooide roet in het eten. Maar gelukkig kon alles opgeschoven worden naar het najaar, op 3 oktober zou de voorstelling alsnog in première gaan. Daarna werd het stil rondom deze veelbelovende productie maar inmiddels staat er een nieuwe datum online. Op 2 april 2022 hoopt de Reisopera in het Wilminktheater de bruid alsnog verkocht te krijgen.

Intussen heb ik me vermaakt met een heel oude productie van Smetana’s bekendste opera met de Tsjechische sopraan Lucia Popp in de titelrol. Het betreft een productie van Otto Schenk voor de Wiener Staatsoper uit 1982. Met Siegfried Jerusalem als Hans, Heinz Zednik als zijn broer Wenzel en Karl Ridderbusch als Kezal de huwelijksmakelaar staat er zowaar bijna een complete Bayreuth bezetting op het toneel.

De enscenering is rechttoe rechtaan zoals we van Schenk gewend zijn. Het eenheidsdecor toont een dorpspleintje met een waterput, een paar muurtjes en een trapje naar een hoger gelegen deel. Verder wat seringen om de lente te suggereren. De kostuums doen nogal folkloristisch aan dus zullen wel in overeenstemming zijn met het Boheemse platteland.

Het verhaal is eenvoudig. Marie is verliefd op een jongeman die zomaar is aan komen lopen in het dorp, niemand kent hem. Haar vader heeft graag dat ze trouwt met de zoon van de rijke boer Micha en die wens is wederzijds. Maar de zoon is kwestie is een beetje dom of op zijn minst erg naïef en hij stottert waardoor hij erg verlegen is en zich liever niet vertoont voordat het huwelijk is geregeld.

Marie’s lover Hans is in werkelijkheid Micha’s oudste zoon die met onmin het ouderlijk huis heeft verlaten en dood wordt gewaand. Hij verkoopt Marie voor 300 gulden mits de huwelijksmakelaar in het contract de eis opneemt dat Marie uitsluitend met Micha’s zoon mag trouwen. Dankzij die voorwaarde kan hij na de nodige verwikkelingen zijn bruid opeisen. Vader Micha stemt er morrend in toe, kennelijk is er behoorlijk veel oud zeer tussen die twee.

De opera heeft een zeer sprankelend begin, de ouverture is een kunststukje en het orkest van de Staatsoper krijgt er mede dankzij dirigent Adam Fischer het publiek bijna mee op de banken. Het applaus duurt zo lang dat Fischer het orkest tweemaal moet laten opstaan, de stemming zit er al gelijk goed in.

De tekst is vaak nogal herhalend en goed beschouwd gebeurt er nogal weinig. Schenk doet zijn best dat met bijkomend toneel wat te verlevendigen maar wat mij betreft zitten er toch behoorlijk veel bijna dode momenten in de handeling. Na dat wervelende begin valt dat natuurlijk extra op. Uiteraard zingen Marie en Hans het mooie duet ‘Mit der Mutter sank ins Grabe’ maar het blijft toch een beetje statisch allemaal.

Gelukkig is er Karl Ridderbusch als huwelijksmakelaar die de rol zingt en acteert als een bas buffo. Daarbij zwaait hij geregeld met een paraplu voor bijkomend komisch effect. Goed beschouwd draagt zijn optreden de voorstelling tot de komst van Heinz Zednik als een werkelijk voortreffelijke Wenzel. Ik kende hem eigenlijk alleen als Loge en vooral Mime en zijn vertolking van Micha’s jongste zoon doet daar in de verte wel een beetje aan denken.

De manier waarop Marie deze verlegen Wenzel op het verkeerde been weet te zetten is kostelijk: ‘Ich weiß Euch einen lieben Schatz’. Daarna zijn we weer terug bij Hans en Kezal die zeer lang de tijd nemen om tot een bindende afspraak te komen. Als de dorpelingen te horen krijgen dat Hans zijn bruid heeft verkocht wordt hij van alle kanten belaagd, zozeer dat hij wegvlucht.

De handeling zakt nu wat in maar alles komt plotseling volop tot leven als het circus Springer verschijnt. Directeur Erich Kunz maakt van zijn toespraak tot het publiek een echte ‘Frosch act’ waarin de indruk wordt gewekt dat hij daadwerkelijk in de Staatsoper is. ‘Als u hier gisteren was gekomen had u mij niet gezien maar ‘Tristan en zijn solde’ of zoiets, maakt niet uit toch? Vervolgens wordt de intendant op de hak genomen en zo verder. Het circus geeft een paar voorproefjes van zijn vrij beperkte kunnen en het publiek komt al helemaal in de stemming voor de komende voorstelling.

De man in het berenpak is dronken maar de danseres Esmeralda weet Wenzel zover te krijgen dat hij die rol op zich neemt. Ze hoeft hem slechts haar eeuwige liefde als beloning in het vooruitzicht te stellen, een kleinigheid die haar gemakkelijk afgaat. In dat kostuum jaagt hij iedereen schrik aan totdat hij zijn hoofd toont: ‘Ich bin kein Bär, ich bin der Wenzel’. Zijn moeder boos en Marie’s keuze, welke van de twee zonen van Micha zal zij tot man nemen, wordt door zijn onbeholpen naïviteit wel erg eenvoudig gemaakt.

Jerusalem zingt een prima Hans maar zijn acteren vind ik nogal eendimensionaal. Hij komt niet veel verder dan smoelen trekken. Lucia Popp’s acteren is ook nogal voorspelbaar maar  veert helemaal op in het duet ‘Mein lieber Schatz, nun aufgepaßt’. Maar ja, ze dan is dan ook erg kwaad op dat moment.

Popp’s zang is om door een ringetje te halen, prachtige sopraan. Jammer voor haar dat er in het Duits wordt gezongen. Haar grote aria ‘Endlich allein!…Wie fremd und tot’ is natuurlijk haar topstuk en in samenspel met Fischer maakt ze er iets heel moois van. Popp zingt het als een monologue intérieur en dat impliceert dat ze zich niet merkbaar moet laten leiden door het orkest, ze is immers helemaal met zichzelf bezig? De vele tempowisselingen die Popp zich veroorlooft worden door Fischer werkelijk fantastisch opgevangen, daar moeten ze flink op gerepeteerd hebben.

Het is een gouwe ouwe deze opname maar zeker de moeite van het (opnieuw) bekijken waard. En nu maar rustig wachten tot 2 april 2022.

De complete opera is ook op YouTube te vinden:

Liszt door Grosvenor: fabelachtig en virtuoos

Op zijn nieuwste, zevende opname al voor Decca heeft Benjamin Grosvenor zich over Liszt ontfermd. Dat hij niet over een nacht ijs gegaan vertelde hij openhartig in het interview dat hij gaf aan het New York Times. “I almost feel like you should know the notable recordings of a work like this” zei hij, waarbij hij doelde op de pianosonate. Zo bestudeerde hij zowat alle mogelijke uitvoeringen van het werk: Lupu, Cherkassky, Horowitz, noem maar op.

Of het ook van invloed is geweest op zijn eigen interpretatie? Ongetwijfeld. Wij, mensen, wij worden beïnvloed zelfs als we het niet merken. En toch is zijn lezing van de sonate volkomen eigen. Virtuoos, voornamelijk. Zo virtuoos dat ik in ademnood kwam door het luisteren alleen. Zijn techniek is fabelachtig. Wat ik nog meer bewonder is zijn, hoe moet ik het zeggen, acteervermogen? Acteren op de piano en spanning opbouwen met toetsen alleen tot je beschikking?

Van de andere stukken op de cd ben ik ietsjes minder gecharmeerd. Voornamelijk de drie Petrarca Sonetten uit het tweede boek van ‘Années de Pèlerinage’, die heb ik mooier en lyrischer gehoord: Arrau, Lazar Berman… Maar nog steeds niemand zich kan meten met de interpretatie van Michael Rudy. Volgens mij dan.


FRANZ  LISZT
Pianosonate in b klein, Berceuse, Années de Pèlerinage (Italie), Réminiscences de Norma, Ave Maria
Benjamin Grosvenor (piano)
Decca 4851450

String quartets by Weinberg played by the Arcadia Quartet: perfection at hand

He composed seventeen of them. Seventeen string quartets that just about mark his entire musical life. Mieczyslaw Weinberg, the composer who is finally being rescued from oblivion, albeit (too) late. And posthumously.

The best known of all his quartets is, I think, number eight. This does not surprise me because it is not only insanely emotional, but at the same time also restrained. It begins with an Adagio that you cannot escape. Very beautiful but also quite painful. The following Alegretto does not offer any solace either: it should be cheerful but it is not. Part three, Doppo piú lento is nothing but distressing. This music will not make you happy, but it gets under your skin and then never lets go. Weinberg composed it in 1959 and dedicated it to the Borodin Quartet.

Number two is an early piece; he wrote it in 1939, when he was still a conservatory student in Warsaw and he dedicated it to his mother and sister (neither of whom survived the war). He revised it in 1987. I would love to be able to compare both versions… maybe one day I will?

The Arcadia Quartet and Chandos have now embarked on a new project: they are going to record all of Weinberg’s string quartets, commendable. It is not the first time that all of Weinberg’s string quartets have been recorded though; the Danel Quartet preceded them. Something that escaped the press.

I myself don’t know this earlier recording, but I think it cannot possibly be better than this version. Because it is just perfect. The members of the string quartet, unknown to me until now, play lively and their commitment is palpable. Simply put: they play the stars from the sky.

Arcadia Quartet about Weinberg: “his music is like a glow of light surrounded by the darkness of the unknown […]. With every recording and every live performance of his music, we want to shed some light on this wide-ranging, profound phenomenon, which has been overlooked for so long, and we hope that in time Mieczyslaw Weinberg will take his rightful place in the history of music”.

I can only say ‘Amen’ to that and I just can’t wait for the sequel. Bravo Arcadians! And chapeau again to Chandos!



Mieczyslaw Weinberg
String quartets 2, 5 and 8
Arcadia Quartet
Chandos Chan 20158

Das Liebesverbot van Opera Zuid tot nader order uitgesteld

Tekst: Peter Franken

Dit seizoen stond Wagners tweede opera Das Liebesverbot op het programma van Opera Zuid. Zoals zoveel producties moest ook deze worden geschrapt. Wout Koeken vond het niet verantwoord aan de voorbereidingen te beginnen zolang de theaterdirecteuren nog geen voorstellingen konden boeken. Gelukkig hebben Wagnerliefhebbers en zij die domweg nieuwsgierig zijn naar dit jeugdwerk van Der Meister een alternatief. Kasper Holten regisseerde de opera namelijk voor Teatro Real.

Van de voorstelling in Madrid is een opname op BluRay uitgebracht en die geeft een uitstekende indruk van deze minst Wagneriaanse van alle Wagners. Aanleiding voor de coproductie met de Royal Opera en het Teatro Colon was het 400e sterfjaar van Shakespeare. Het accent ligt zodoende op diens Measure for measure en minder op een streven om Wagners tweede opera wat meer bekendheid te geven. Een echt serieuze poging in die richting is het dan ook niet geworden.

Wagner componeerde Das Liebesverbot toen hij begin 20 was. Het werk ging in 1836 in première in Maagdenburg onder leiding van de jonge componist zelf. Het werd een compleet fiasco en een tweede voorstelling is er tijdens Wagners leven nooit meer van gekomen. De complete titel van dit jeugdwerk luidt: Das Liebesverbot oder die Novize von Palermo. Het libretto is een bewerking door de componist van Leer om leer.

Das Liebesverbot doet denken aan het werk van Lortzing en von Flotow, maar dan met uitgesproken belcanto invloeden. Net als Martha is het een Spieloper zonder gesproken teksten. In zijn productie voor Teatro Real heeft regisseur Kasper Holten echter gekozen voor een andere insteek. Hij brengt het werk als een Gilbert and Sullivan operetta, met veel zwaar aangezette ‘humor’ en overdreven maniertjes.

Wagner verplaatste de handeling van Wenen naar Palermo maar volgt verder de grote lijn van Shakespeare’s stuk vrij getrouw. De Duitse stadhouder Friedrich, die bij afwezigheid van de Siciliaanse vorst tijdelijk het gezag uitoefent, wil de losbandigheid van zijn onderdanen aan banden leggen. Daarbij concentreert hij zich op seksuele ‘onregelmatigheden’ al dan niet het gevolg van alcoholgebruik. Door het aanstaande carnaval te verbieden hoopt hij aldus twee vliegen in één klap te slaan. In zijn ijver om het burgerlijk fatsoen in ere te herstellen gaat hij echter zo ver dat alle seksuele contacten buiten het huwelijk worden verboden met de ultieme sanctie: de doodstraf. De politie krijgt opdracht om maar direct de gehele rosse buurt van Palermo te ontruimen. Deze inbreuk op het vrije handelsverkeer valt niet in goede aarde en de bevolking protesteert dan ook luid.

Luzio ziet zijn vriend Claudio weggevoerd worden door de politie. Die gaat naar het gevang omdat hij een kind heeft verwekt bij een vrouw met wie hij niet is getrouwd. Overigens niet geheel zijn schuld aangezien haar ouders hebben geweigerd in te stemmen met een huwelijk. Hij vraagt Luzio om zijn zuster Isabella, als novice tot een klooster toegetreden, op de hoogte te brengen en te vragen of deze voor hem wil pleiten bij Friedrich. In het klooster praat Isabella met een andere novice, Mariana. Deze vertrouwt haar toe dat ze daar terecht is gekomen nadat haar minnaar en aanstaand echtgenoot, een hooggeplaatste figuur, haar heeft laten zitten. Uiteraard is dat niemand minder dan Friedrich zelf. Isabella is diep verontwaardigd, zowel over het gedrag van Friedrich als over het lot van haar broer, en onderneemt een reddingspoging. Daarbij maakt ze zoveel indruk op Friedrich dat deze voor haar charmes bezwijkt en belooft Claudio van de galg te redden. Ten prooi aan hormonale opwinding eist hij echter als tegenprestatie dat Isabella zich aan hem geeft, al is het maar voor een uurtje.

Wat volgt is een serie klassieke verwikkelingen met geheime rendez vous’, gemaskerde personen, verwisselingen en uiteindelijk een apotheose in de vorm van de terugkeer van de heersende vorst. En dat alles op muziek die hoegenaamd niet aan de latere Wagner doet denken. Luisterend krijg je bepaald niet het gevoel dat hier de toekomstige smid van de Ring aan het werk is.

Het decor van Steffen Aarfing is inventief en maakt snelle wisselingen mogelijk waarbij een rosse buurt in een oogwenk verandert in een klooster, rechtszaal of gevangenis. Hij was ook verantwoordelijk voor de kostumering en daar gaat het een beetje mis: carnaval speelt weliswaar een grote rol in het verhaal maar dat zou geen reden moeten zijn bijna de gehele cast er voortdurend bij te laten lopen alsof men naar een gekostumeerd bal gaat. Het acteren is al steeds ‘over the top’ en de kostumering versterkt die indruk waardoor het geheel dreigt af te glijden naar ‘leuk doen’.

De Duitse Wagnersopraan Manuela Uhl neemt de titelrol (Isabella, die Novize) voor haar rekening. Wat Holten haar aan gebaren heeft meegegeven is een tikje kinderachtig maar gelukkig weet ze de partij uitstekend te zingen.

Ook de twee overige vrouwenrollen zijn met María Miró (Mariana) en María Hinojosa (Dorella) goed bezet. Hinojosa excelleert in de scène waarin ze als animeermeisje Dorella de politiechef Brighella om haar vinger weet te winden. Een opmaat voor Isabella die dit vervolgens nog eens dunnetjes overdoet met Friedrich.

Cristopher Maltman speelt een aardige Friedrich maar zijn zang valt wat tegen. Alle mannen hebben overigens meer dan verwacht moeite met hun partij. Geforceerde uithalen zijn niet van de lucht, zowel bij Maltman als bij Ilker Argayürek (Claudio) en Peter Lodahl (Luzio). Een uitzondering is Ante Jerkunica die zonder hoorbare moeite gestalte geeft aan zijn bufforol van Brighella.

Koor en orkest van Teatro Real staan onder leiding van Ivor Bolton. Het orkest klink redelijk, het koor is goed. Al met al een aardig curiosum deze opname, maar nu vooral aanbevolen als pleister op de wonde van diegenen die hebben uitgekeken naar een nieuwe productie van Opera Zuid.

Trailer van de productie:

Alle foto’s (c) Teatro Real / Javier del Real