Karl Weigl: de glinsterende Weense traditie

Weigl

Karl Ignaz Weigl werd in 1881in Wenen geboren in een geassimileerd Joods gezin. In 1938 vluchtte hij naar New York waar hij tien jaar later overleed. De componist én zijn muziek werden ‘even vergeten’, iets wat we echt niet alleen aan de nazi’s te danken hebben. In 1938 schreef Arnold Schönberg; ‘Ik heb Dr. Weigl altijd als één van de beste componisten van de oude school beschouwd; één van degenen die de glinsterende Weense traditie hebben voortgezet ‘. Beter zou niemand het kunnen formuleren.

De ‘glinsterende Weense tradities’ zijn Weigls voornaamste handelsmerk. Oneerbiedig gezegd kun je zijn muziek als een soort doorgeefluik beschouwen. Een soort corridor, die van een klassieke Beethoven via een zielknijpende Schubert en onderaards erotische Zemlinsky loopt om uiteindelijk in een rustig vaarwater van Weigl te belanden, en vandaar uit zijn weg naar onze harten te vinden.

Weigl foto

Karl Weigl © Wikipedia

Weigl is niet een componist van wie ik veel heb gehoord (nee, het ligt niet aan mij) en behalve zijn, overigens prachtige liederen en een paar van zijn kamermuziekcomposities kende ik hem niet zo goed. Deze cd is dus meer dan welkom, zeker ook omdat er zo waanzinnig goed wordt gemusiceerd.

Het meest ben ik gecharmeerd van de violist David Frühwirth. Zijn toon is zeer zoet, net zo zoet als de Weense Sachertarte. Het best hoor je het in het zeer Schubertiaans pianotrio, maar vergis je niet! Luister even naar het allegro molto, het derde deel van de tweede vioolsonate uit1937 en ontdek het complexe van het ‘Weens-geluid’.

En ik voel mij vrij om nog een citaat te gebruiken, nu van Pablo Casals: “Zijn muziek zal niet verloren gaan, na de storm komen we er weer op terug. Ooit komen we terug naar degenen die echte muziek hebben geschreven.” Het heeft even geduurd en we zijn er nog lang niet, maar het begin is al gemaakt.


KARL WEIGL
Violin Sonata No.2, Two pieces for violin, Two pieces for cello, Piano Trio
David Frühwirth (viool), Benedict Kloeckner (cello), Florian Krumpöck (piano)
Capriccio C5318

Girls of the Golden West is rauw realistisch

Tekst: Peter Franken

denationaleope-thwalz-526

Scène uit Girls of the Golden West. (© DNO / Martin Walz)

De Nederlandse première van Girls of the Golden West werd donderdagavond met veel gejuich ontvangen in Nationale Opera & Ballet. De nieuwe opera van Peter Sellars en John Adams ontdoet het leven in het Wilde Westen van elke romantiek.

Het idee voor een nieuwe opera over de goldrush in Californië, midden negentiende eeuw, komt van librettist en regisseur Peter Sellars. Hij kreeg een paar jaar geleden het verzoek om voor de Scala La fanciulla del West van Puccini te ensceneren. Sellars verdiepte zich in de stof, deed historisch onderzoek en bedankte vervolgens voor de klus. Het toneelstuk waarop Puccini’s werk was gebaseerd, gaf een veel te rooskleurig, bijna suikerzoet beeld van de werkelijkheid, zo vond Sellars. Dat was het beginpunt voor een nieuw traject met John Adams, wat leidde tot Girls of the Golden West.

de nederlandse opera NewsAdamsSellarssfo616

Adams and Sellars
© Terrence McCarthy/San Francisco Opera

Het libretto leunt sterk op een reeks brieven die een vrouw uit New England naar een vriendin stuurde tijdens haar verblijf in een goudzoekersdorp rond 1851. Wat haar ertoe heeft gebracht daar met haar man naartoe te gaan, blijft onduidelijk. Maar als volledige buitenstaander weet ze wel een mooi beeld te schetsen van de omgeving, het harde leven van de goudzoekers en de frictie tussen de verschillende etniciteiten die de kolonie bevolken. Dame Shirley, zoals ze zichzelf noemt, schrijft met afstandelijke betrokkenheid, waardoor haar brieven een redelijk objectief beeld geven van de situatie ter plaatse. En dat staat ver af van Puccini’s Fanciulla.

De handeling speelt zich af in het fictieve dorpje Downieville, niet te verwarren met het naburige Hangtown. We krijgen zo al direct een idee van het leven aldaar. Een tweetal goudzoekers, echte rednecks, bepalen het verloop van de handeling. Het zijn Joe Cannon en zijn maat Clarence. Joe is een beetje een ‘loose cannon’ en Clarence zijn ‘keeper’. Aanvankelijk past Joe wel in het romantische plaatje van de arme sloeber die zijn vriendin heeft achtergelaten om rijk genoeg te worden om met haar te kunnen trouwen. Maar ze heeft niet op hem gewacht en per brief krijgt hij te horen dat ze inmiddels een kind heeft bij een ander, een baby met rood haar. Hij zingt erover in de plaatselijke saloon met commentaar van een koor van collega-goudzoekers.

denationaleope-thwalz-525

Scène uit Girls of the Golden West. (© DNO / Martin Walz)

Het muzikale idioom van deze scène had wel wat weg van C.W. McCall’s hit ‘Convoy’ uit 1975. Zo schildert Adams in dit nieuwe werk een beeld van de Amerikaanse muziekgeschiedenis, waarin onder anderen Gershwin, Ellington, Glass en natuurlijk Adams zelf goed herkenbaar zijn. De muziek is vooral eenvoudig gehouden, zo stelt de componist, omdat het gaat om simpele verhalen en gedachten, net zoals bij zijn eerdere opera Nixon in China het geval was. De zanglijnen van de protagonisten zijn ook tamelijk rechttoe rechtaan – ‘Sprechgesang’ voor gevorderden – met als enige uitzondering het hoertje Ah Sing, dat als coloratuursopraan op lyrische wijze de stratosfeer mag betreden.

Showstopper

denationaleope-inwalz-012

Scène uit Girls of the Golden West. (© DNO / Martin Walz)

Behalve de zelfkant van het leven – kenmerkend voor een omgeving die bepaald wordt door zuipen, gokken, vechten en bezoek aan de bordeeletage van het centrale hotel, hier Empire genaamd – speelt in Sellars’ libretto racistisch geïnstigeerd geweld tegen niet-yankees een belangrijke rol. Er vallen de nodige doden en de viering van de Fourth of July is aanleiding voor wat in een Russisch-Joodse context gewoon een pogrom zou worden genoemd.

denationaleope-thwalz-506

Scène uit Girls of the Golden West. (© DNO / Martin Walz)

Dame Shirley treedt op in een scène uit Macbeth als onderdeel van het gecultiveerde vermaak, maar een deel van de goudzoekers gaat vervolgens als een stel hooligans door het lint. Het tekent de wankele vrede in het dorp, waarin eerzame burgers leven naast licht ontvlambare, gefrustreerde rednecks, die hun hoop op snel fortuin hebben zien verdampen en de verzachtende invloed van een vrouw missen. Bezoek aan een hoer biedt geen oplossing.

Omgekeerd probeert Ah Sing haar klant Joe te bewegen tot een huwelijk. Hij wijst haar af omdat ze hem dan te veel zou inkapselen, ontmannen. De rol werd uitnemend vertolkt door de Koreaanse sopraan Hye Jung Lee en haar ‘Ballad of Ah Sing’ was het vocale hoogtepunt van de avond, als showstopper te vergelijken met ‘I am the wife of Mao Tse-tung’ in Adams’ Nixon in China, een rol die ze ook al eens heeft gezongen.

Behalve Dame Shirley, Ah Sing en de twee genoemde goudzoekers draait het verhaal om kroegbaas Ramón, die een geheime relatie heeft met de aantrekkelijke barmeisje Josefa Segovia en de weggelopen slaaf – ‘passenger of the underground train’ – Ned Peters, een prachtige rol van bas-bariton Davóne Tines.

Peters trekt sterk de aandacht als gecultiveerde zwarte man, die de Fourth of July ziet als de dag bij uitstek waarop slavernij en ongelijkheid in al hun barbaarsheid tot uiting komen. Voor de handeling is zijn rol echter overbodig is. Peters zit in het verhaal omdat hij kennelijk past in Sellars’ politiek-maatschappelijke visie, niet omdat hij iets met de goldrush uitstaande heeft. Gelet op het feit dat het werk aan de lange kant is en door de aaneenschakeling van losse scènes weinig vaart heeft, zou deze zijsprong beter geschrapt kunnen worden.

Dat geldt ook voor de vele tekstuele herhalingen in gezongen dialogen en monologen. Drie of vier keer een regel herhalen past goed bij het minimalistische karakter van de muziek waar Adams groot mee is geworden, maar in een werk dat veel meer leunt op tekst dan muziek, is het minder gewenst.

 

Appleby excelleert

denationaleope-inwalz-067

Scène uit Girls of the Golden West. (© DNO / Martin Walz)

Ah Sing was uiteindelijk de enige waarmee ik enig ‘rapport’ kon ontwikkelen: een personage met duidelijk herkenbare emoties, dat tijdens de avond enige ontwikkeling vertoont. Joe Cannon vertoont dat weliswaar ook, maar die gaat neerwaarts. Hij eindigt als een spitsboef die aan zijn einde komt als hij barmeisje Josefa probeert te verkrachten. Zij steekt hem neer; een Mexicaanse vrouw vermoordt een blanke man. Een volksgericht van rednecks veroordeelt haar ter dood. Het is een historische gebeurtenis, die nadrukkelijk een plaats verdient in dit relaas. Mezzo J’Nai Bridges oogde en zong bijna als een voorname dame, niet echt een kroegwerker. Het maakte haar verscheiden des te pregnanter, maar over Josefa zelf komen we weinig aan de weet.

Tenor Paul Appleby excelleerde als de onfortuinlijke Joe Cannon, mooi bijgestaan door bas-bariton Ryan McKinny, geen onbekende in Amterdam (Amfortas). Sopraan Julia Bullock was nadrukkelijk aanwezig als verteller (briefteksten) en als Lady Macbeth. Samen met Joe vormde ze de spil van de avond; goed geacteerd en uitstekend gezongen. Bariton Elliot Madore gaf adequaat gestalte aan de bijrol van Ramón.

Het decor was tamelijk basaal. Het bestond uit zetstukken die door toneelknechten werden verplaatst. De kostumering maakte veel goed: mooie periodekostuums, in het bijzonder bij de vrouwen.

denationaleope-thwalz-532

Scène uit Girls of the Golden West. (© DNO / Martin Walz)

De mannen van het Koor van DNO, zoals altijd ingestudeerd door Ching-Lien Wu, produceerden een krachtig geluid. Bij wijlen waren ze dusdanig stereotiep macho in hun gedrag dat ik onwillekeurig aan de Village People moest denken.

Grant Gershon stond voor het prima spelende Rotterdam Philharmonisch Orkest. De aanwezige componist kon slechts tevreden zijn met hun prestatie. Een mooie voorstelling van een wat uitgelopen werk, dat zeker na de pauze de nodige deprimerende momenten kent. Wie een tweede Puccini verwacht, komt bedrogen uit. Hier geen romantiek, maar rauw realisme. De opera draagt duidelijk het stempel van Peter Sellars – het is zijn schepping. Adams komt op de tweede plaats.

Trailer van de productie:

Girls of the Golden West is tot en met 17 maart te zien. Zie voor meer informatie de website van De Nationale Opera.

Het artikel is al eerder verschenen op Place de l’Opera:
https://www.operamagazine.nl/headline/47327/girls-of-the-golden-west-is-rauw-realistisch/

Adams’ Nixon in China mooi uitgevoerd in Parijs

Marin Alsop dirigeert NIXON IN CHINA

 

 

Een paar woorden over Idomeneo van Mozart

Idomeneo terugkeer
Goden! Hebben ze het ooit met ons, mensen, goed bedoeld? We werden door hen uitgelokt en opgehitst om daarna gesard en gestraft te worden, zonder dat wij ons konden verweren. Want: hadden wij een vrije wil? Het goddelijke besluit stond vast en wij konden ons niet aan het voor ons voorbestemde lot onttrekken. Dat staat allemaal te lezen in het dikke boek dat ‘De mythologie’ heet en waaruit de grootste (toneel)schrijvers, dichters, schilders en componisten rijkelijk hebben geput.

Idomeneo godessen

El Juicio de Paris by Enrique Simonet, c. 1904.

Neem nou eens de Trojaanse oorlog. Het is allemaal met een appel en een ‘Miss Godin – wedstrijd’ begonnen en daar werden honderdduizenden humane wezens de dupe van. De jury werd met de belofte van de liefde van de mooiste vrouw ter wereld omgekocht, maar er werd verzuimd erbij te vertellen dat ze al getrouwd was en dat haar man haar wel eens zou kunnen opeisen. Als niet goedschiks dan kwaadschiks.

De oorlog duurde maar liefst tien jaar en aan het eind waren zowat alle helden dood of werden ze door de goden, die immers de hele toestand veroorzaakt hadden, vervloekt. En denk niet, dat je nu rustig op adem kan komen, want na de oorlog kregen we met de heuse post–Trojaanse oorlogstrauma’s (ik verzin het niet hoor!) te maken en de goden waren nog steeds aan het twisten.

Idomeneo, koning van Kreta, keert naar zijn land terug, maar soepel gaat het niet. Hij belandt in een enorme zeestorm en belooft Neptunus het eerste wezen dat hij bij zijn terugkomst tegenkomt aan hem op te offeren. Laat het nou zijn eigen zoon, Idamante zijn! Oei!

Er wordt naar uitwegen gezocht, maar goden zijn natuurlijk slimmer. En dan hebben we ook nog eens een driehoekverhouding: Elletra (ja, de dochter van Agememnon) is naar Kreta gevlucht en verliefd op Idamante geworden. Maar dat is Ilia, de buit gemaakte dochter van koning Priamus van Troje, ook. Afijn – het verhaal, mocht u hem niet helemaal kennen, kunt u gewoon nalezen, wij gaan ons nu met de verschillende uitvoeringen van de opera bezighouden.

Persoonlijk heb ik Idomeneo nooit de sterkste opera van Mozart gevonden en ik had er eigenlijk nooit zo veel mee. Maar nu, na herhaaldelijk luisteren en herluisteren, heb ik mijn mening moeten herzien. Want de muziek, die is toch echt geniaal!

Idomeneo Anton Raaff

Anton Raaff, de eerste vertolker van de rol van Idomeneo

CD’S

Sir Charles Mackerras

untitled

Om gelijk met de deur in huis te vallen – de in 2001 door Warner Classics (5099994823820) gemaakte opname onder leiding van Sir Charles Mackerras vind ik persoonlijk de beste. Het heeft wel één minpuntje (daarover later), maar dat kan ook aan mijn persoonlijke smaak liggen.

Om met de kleinere rollen te beginnen: Anthony Rolfe-Johnson (Arbace) heeft een stem van puur goud. Het is meer dan een genot om naar hem te luisteren en daar kan ik nooit genoeg van krijgen. Men kan zich alleen maar afvragen: waarom Arbace en geen Idomeneo zelf? Ja, ik weet dat hij de rol voor Gardiner heeft opgenomen, maar, so what?

Paul Charles Clarke is een fantastische Opperpriester, huiveringwekkend en toch menselijk tegelijk. La Voce wordt zeer indrukwekkend gezongen door de toen nog zeer jonge John Relya.

Barbara Frittoli is een prachtige Elettra. Gekweld, gekwetst en zinnend op wraak, maar uiteindelijk toch in haar rol berustend. Ik had graag wat meer drama gehoord, maar haar vertolking sluit mooi aan bij de visie van de dirigent.

De vertolking van Ilia door Lisa Milne is wellicht de mooiste die ik ooit gehoord heb. Wel lieftallig, maar nog meer liefhebbend en zeer zeker vastberaden. Haar sopraan is ‘vloeibaar’ – denk aan warme honing, maar dan wel met een pepertje. Daar past de warme, gekwelde mezzo van de betreurde Lorraine Hunt Lieberson als een handschoen bij. Samen klinken ze alsof ze inderdaad altijd een eenheid vormden.

En nu mijn minpuntje: de Idomeneo van Ian Bostridge. Nog niet zo ijdel, narcistisch en gemaniëreerd, wat zijn opnamen en optreden de laatste jaren zo ontzettend ontsierde, maar hij klinkt zo ontzettend gewoon! Geen getormenteerde koning, maar een buurman van ‘the next door’. Hij zingt zuiver, maar zijn coloraturen zijn pover – dat ook nog eens voor iemand die uit de barokke hoek komt!

De partituur is zowat helemaal compleet, zelfs het ballet aan het eind ontbreekt niet. Meestal wordt het weggelaten, en wat mij betreft absoluut terecht. Het is niet anders dan een anticlimax en ik heb het, na een keer beluisteren, ook nooit meer aangehoord. Er is een summier boekje bij met de tracklist, maar het doosje bevat ook een bonus-cd met synopsis en het complete libretto.


James Levine

Idomeneo Domingo
In 1996 heeft Deutsche Grammophon (4477372) de opera onder leiding van maestro James Levine opgenomen met zowat de grootste sterren van de Metropolitan Opera uit die tijd. Geen idee of het idiomatisch is, maar ik vind het HEERLIJK!

De gespierde directie van Levine haalt verborgen schatten naar boven en in geen andere uitvoering hoor je hoe vooruitstrevend de muziek is! De tempi zijn uiteraard fors, maar nergens gehaast en de meeste stemmen zijn overweldigend.

De rol van Arbace is merkwaardig genoeg bezet door een bariton. Nou lijkt het timbre van Thomas Hampson inderdaad meer op dat van een tenor en is hij in de hoogte mooier dan in de laagte, maar Mozart vroeg nadrukkelijk om een (lichte!) tenor. Maar storend is het niet, integendeel. Zeker ook omdat Hampson zoveel invulling in zijn rol van de vertrouweling van de koning weet te leggen.

Frank Loppardo is geen match voor Clarke bij Mackerras, maar hij houdt zich goed staande in de kleine, maar zeer zware partij van de Opperpriester. Bryn Terfel is meer dan een luxe bezetting van La Voce, van zijn geluid ga je vanzelf trillen van angst.

Carol Vaness (Elettra) klinkt verrassend lyrisch. Gelukkig pakt ze bij ‘Oh smania! O furie!’ lekker uit, precies zoals we van haar gewend zijn. Heerlijk! Ja, zij is een Elettra naar mijn hart!

Heidi Grant Murphy (Ilia) valt in het grote stemmenfestijn een beetje uit de toon. Haar poezelig timbre doet mij veel aan Kathleen Battle denken, niet echt mijn ‘kopje thee’.

Cecilia Bartoli is een zeer virtuoze Idamante, zeer overtuigend ook, al klinkt zij soms een beetje te vrouwelijk. Plácido Domingo’s Idomeneo is tot slot precies wat wij van hem verwachten: met zijn prachtige, warme tenor, zijn koninklijke voordracht en zijn betrokkenheid maakt hij van Idomeneo een zeer emotionele en voornamelijk zeer humane koning.


DVD’S

Pier Luigi Pizzi

Idomeneo Dynamic Pizzi

Uit Teatro San Carlo in Napels komt de productie van Pier Luigi Pizzi, opgenomen in 2004 (Dynamic 33463). De regie is typisch Pizzi – heb je er één gezien, dan heb je ze allemaal gezien. Zeer realistisch, maar met een twist en veel mannelijk (half)bloot. Veel ballet ook en de kleuren zijn voornamelijk zwart en wit en een beetje rood. Alleen Elettra brengt er een extra kleur bij. Haar paarse outfit moet – neem ik aan – voor de furie staan. Het decor doet zeer bordkartonachtig aan en er wordt veel liggend op de grond gezongen (je zou maar ergens op een schellinkje zitten!).

Om eerlijk te zijn: zo langzamerhand heb ik er genoeg van, van bloot en luiers, in de loop der jaren heb ik er meer dan genoeg gezien. Maar één ding moet ik Pizzi wel toegeven: zijn producties zijn altijd spannend en zijn personenregie heel erg bekwaam. Het doet ook zeer Grieks aan.

Jörg Schneider (Arbace) is aan de zeer lichte kant. Zijn stem is zonder meer mooi, maar ik mis de expressie. De Opperpriester (Dario Magnabosco) komt niet over, jammer, en over La Voce doe ik er het zwijgen toe: hij is amper te horen. Wellicht had hij versterkt moeten worden?

Iano Tamar is een voortreffelijke Elettra. Zij imponeert niet alleen met haar verschijning en haar acteren, maar ook met haar zang. Zo hoor ik het graag.

Meer moeite had ik met Ilia van Angeles Blancas Gulin. Mooie vrouw, goede actrice, maar zo ontzettend op Callas gefocust. En ik vond haar zingen soms echt hinderlijk tegen de toon aan.

Sonia Ganassi is wellicht de beste Idamante ooit. Niet alleen zingt zij mooier dan mooi, ook haar coloraturen zijn perfect en haar timbre warm. Alleen al voor haar is de dvd meer dan de moeite waard.

Kurt Streit behoorde ooit tot mijn geliefde tenoren. Hij is ook hier heel erg goed op dreef. Luister naar zijn zonder meer indrukwekkende ‘Fuor der mar’, al klinkt hij niet helemaal zuiver:

Dieter Dorn

Idomeneo Munchen Medici arts

Maar goed, vergeleken met de productie van Dieter Dorn, in juni 2008 opgenomen in München (Medici Arts 2072448) kan Pizzi voor de beste regisseur ter wereld doorgaan. Het begint met meppen, bloed en geweld. Waar slaat dit nou op? De oorlog is toch al lang geleden afgelopen? Maar misschien kijken we terug? Of zijn dat de nachtmerries van Idomeneo?

Geen idee ook waar en wanneer het zich afspeelt: het kan Kreta zijn, maar we kunnen ook in Afrika zijn beland. Kan ook München in juni 2008 zijn. De personages lijken het meest op een mengeling van hippies en Hells Angels in Afrikaanse klederdracht, maar misschien zijn dat gewoon Marsmannetjes? Ach. Waarom ook niet. Zucht.

De choreografie is verontrustend, op zich niets op tegen. De storm wordt mooi uitgebeeld – helaas slaan de beelden nergens op. Geen idee ook waarom bij de eerste aria van Elettra de figuranten met bloed besmeurd moeten zijn. Verder wordt er continu door de zaal gerend – fijn voor de mensen die boven en/of opzij zitten. Wedden dat ze helemaal niets zagen?

Rainer Trost is qua stem een zowat perfecte Arbace, maar wil je van zijn zang genieten, dan moet je je ogen dichtdoen en zo houden. Wat de regisseur voor hem bedacht heeft…

Juliane Banse is een mooie Ilia. Haar stem is klein en beperkt, maar heel erg mooi van timbre. Bovendien is zij meer dan een overtuigende actrice.

Annette Dasch (Elettra) is een jonge aantrekkelijke zangeres, die als een komeet omhoog schoot en binnen een korte tijd enorme carrière heeft gemaakt. U moet mij niet vragen waarom. Ik vind haar maar gewoontjes. O ja, zij is goed, zeker, maar zo goed? In de opname klonk zij afstandelijk en niet eens helemaal zuiver.

Voor Idamante heeft men verrassend genoeg voor een tenor gekozen. Niets op tegen, zeker als de tenor in kwestie Pavol Breslik heet en over een heerlijk lyrisch timbre beschikt. Maar je moet je oren op een ander geluid voorbereiden.

John Mark Ainsley is Idomeneo. Van hem kon ik mijn ogen niet afhouden. Wat een acteur! En wat een stem! Daar ga je vanzelf de belachelijke regie prompt vergeten. Alleen al vanwege zijn optreden zou ik de dvd niet willen missen, dat moet je minstens een keer gezien en gehoord hebben.

Hieronder trailer van de productie:

Als bonus heb ik voor u Sena Jurinac als Ilia in ‘Zeffiretti lusinghieri’. Zo mooi hoor je het tegenwoordig nog zelden!

Adams’ Nixon in China mooi uitgevoerd in Parijs

Tekst: Peter Franken

Nixon news

In februari 1972 bracht de Amerikaanse president Richard Nixon een staatsbezoek aan China. Vijftien jaar later maakten John Adams en Peter Sellars daar een opera van. De wereldpremière van Nixon in China vond plaats in Houston, oktober 1987, als opdrachtwerk van vier operahuizen waaronder ook DNO.

Hieronder een fragment uit de derde acte uit Houston:

De Europese première in het Muziektheater liet dan ook niet lang op zich wachten: juni 1988. De eerste intendant van DNO in de nieuwe behuizing, Jan van Vlijmen, was toen alweer vertrokken. Dat neemt niet weg dat Nixon op diens artistieke conto moet worden geschreven. Bij zijn aantreden had van Vlijmen gezegd: ‘Ik wil 25 nieuwe producties in vijf jaar maken, want je kunt niet met het verleden dat nieuwe Muziektheater binnen’. Het was hem niet vergund dat te realiseren maar dit nieuwe opdrachtwerk zat al hoog en breed in de pijpleiding toen hij het veld moest ruimen.

Aanvankelijk was er wereldwijd wel belangstelling voor Nixon, na 1990 echter niet meer. Na langere tijd was er een bescheiden revival, in gang gezet door een nieuwe productie van ENO in 2000, maar veel meer dan een enkele productie hier en daar zat er niet in. In 2011 beleefde het werk eindelijk zijn première in de MET. Op 11 februari 2017 werd een concertante uitvoering gegeven door het Nationaal Jeugd Orkest in de NTR ZaterdagMatinee.

In een artikel over Philip Glass’ Einstein on the beach beschreef Franz Straatman de oorsprong en verdere ontwikkeling van minimal music en stelde vervolgens: ‘de navolgende generatie Amerikaanse componisten met John Adams als meest spraakmakend, benutten de minimale techniek in maximale zin, getuige Adams’ orkestwerken en zijn opera’s Nixon in China en Doctor Atomic’. Echter Nixon is niet te vergelijken met Einstein maar eerder met later werk van Glass zoals Waiting for the barbarians, in 2006 in het Muziektheater te zien in een productie uit Erfurt.

Nixon in Châtelet

Nixon02

©Marie-Noëlle Robert

Het Théâtre du Châtelet is het muziektheater van de stad Parijs. Het heeft geen vaste bespelers maar werkt geheel op basis van gastprogrammering en ad hoc producties. Zo nu en dan leidt dat tot een spraakmakende opera op het affiche. Denk aan Les Troyens en Medée, beiden o.l.v Gardiner en met Antonacci in een hoofdrol, en Die Feen, de allereerste opera van Richard Wagner. In 2012  was daar ineens een nieuwe Nixon in China in een gloednieuwe eigen productie. Ik bezocht de première op 10 april.

nixon-in-china-chatelet-00

© Marie-Noëlle Robert

De opera begint met de aankomst van Nixon op het vliegveld van Beijing. Hij komt de vliegtuigtrap af en zwaait naar zijn gastheren. Daarna volgt een scène waarin hij wordt ontvangen door Mao. Dit deel is een conversatiestuk: Mao spreekt in propagandistische beelden, Nixon en Kissinger begrijpen hem nauwelijks en praten maar wat terug. Drie secretaresses schrijven alles nauwgezet op. Het geheel is wat statisch en doet de toeschouwer verlangen naar een werk als Capriccio. Ook daarin wordt aanhoudend gepraat maar het is wel een stuk levendiger.

Nixon in China16

© Marie-Noëlle Robert

Tijdens de scène in de Grote Hal van het Volk brengen Chou En-lai en Nixon wederzijdse toasts uit. Prominent in beeld is een woud aan televisieschermen waarop zowel de actuele gebeurtenis als archiefbeelden van het leven in de jaren ’70 in de VS en China te zien zijn. Impliciet worden de verschillen in politiek klimaat en levensstandaard beklemtoond.

Nixon09

©Marie-Noëlle Robert

De volgende dag bezoekt Pat Nixon een fabriek waar glazen olifanten worden gemaakt, een varkensboerderij, het Zomerpaleis en zo meer. Als ze een olifantje als aandenken meekrijgt vertelt ze opgetogen dat de olifant het symbool is van de Republikeinen, haar politieke partij.

Pat Nixon (June Anderson) bezoekt een olifanten farm ‘This is prophetic!’

Die avond staat een voorstelling met muziek en dans op het programma, getiteld ‘De rode vrouwenbrigade’, geheel in de stijl die gangbaar was tijdens de Culturele Revolutie.

Nixon07

©Marie-Noëlle Robert

Hierin wordt een actrice zozeer belaagd door een slechterik dat Pat vergeet waar ze is en het toneel opgaat om in te grijpen. Daarna zingt Madame Mao het bekende ‘I am the wife of Mao Tse-tung’.

Hieronder Sumi Jo zingt ‘I am the wife of Mao Tse-tung’ voorafgegaan door balletscène:

De laatste scène laat de verschillende koppels aan het woord, in toenemende mate in privé conversatie. De sfeer wordt intiem, de echtparen dansen wat met elkaar of om elkaar heen. Kissinger en Chou En-lai lopen er wat verloren bij. Aan het slot zingt Chou ‘I am old and I cannot sleep’.

De uitvoering

Nixon in China19

June Anderson als Pat Nixon © Marie-Noëlle Robert

De door mij bezochte voorstelling was een groot succes. Er werd uitstekend gezongen en gemusiceerd. Franco Pomponi wist te overtuigen als Nixon, dit ondanks de geringe fysieke gelijkenis met de echte Nixon. Dat was anders bij June Anderson, volledig opgemaakt als First Lady Pat en in deze rol geheel in haar element. Ook bij Alfred Kim (Mao), Kyung Chun Kim (Chou) en Peter Sidhom (Kissinger) was sprake van goede typecasting.

Nixon Sumi

© Marie-Noëlle Robert

De meeste aandacht ging echter uit naar Sumi Jo die de rol van Madame Mao vertolkte. Ze bracht haar coloratuuraria met daarin een hoge D met verve en zag er verder net zo angstaanjagend uit als het echte kopstuk van wat indertijd ‘De bende van Vier’ werd genoemd. Die laatste constatering brengt mij bij de volgende beschouwing.

Actualiteit in operalibretti

Hedendaagse gebeurtenissen moeten een flinke langdurende impact hebben om interessant te blijven voor latere generaties operabezoekers. Nixon in China is voor ouderen wel aardig maar voor de generatie vanaf geboortejaar 1970 nauwelijks interessant. Nixons bezoek aan China zorgde in 1972 voor een politieke aardverschuiving binnen de koude oorlog arena maar de impact daarvan is inmiddels sneeuw van eergisteren. En wie weet er nu nog iets van ‘De bende van Vier’? Hooguit wordt die aanduiding nog wel eens in overdrachtelijke zin gebruikt zoals ook ‘De drie musketiers’ maar over de oorsprong en achtergrond tast men al gauw in het duister.

Iets dergelijks zien we bij de volgende Adams-Sellars productie The death of Klinghofer. De meeste operabezoekers zullen nog maar een vaag idee hebben waar dat eigenlijk over gaat. Wat dat betreft is het Manhattan Project in Doctor Atomic een veel betere keuze. De impact van de ontwikkeling van de atoombom is enorm en van blijvende aard. Het heeft de wereld definitief veranderd. Daardoor is dit onderwerp ook voor latere generaties direct aansprekend. De tijd zal het moeten leren maar persoonlijk verwacht ik dat deze opera meer kans heeft repertoire te houden dan Nixon en Klinghofer.

Teaser van Doctor Atomic door De Nationale Opera in Amsterdam:

Marin Alsop dirigeert NIXON IN CHINA

 

Legendarische Attila uit Wenen

AttilaEr zijn van die voorstellingen waar alles perfect op elkaar afgestemd is en waarbij je het gevoel krijgt dat het niet beter kan. Er wordt nog lang over nagepraat en ze verworden tot een legende.

Zo’n voorstelling was Verdi’s Attila in de Weense Staatsoper op 21 december 1980.Het was Giuseppe Sinopoli’s debuut in het huis, zijn naam was nog vrijwel onbekend, maar de aanvankelijke terughoudendheid bij het publiek veranderde in een uitzinnig enthousiasme al bij de eerste maten. Zo warmbloedig, vurig en teder tegelijk heeft men de – toch niet sterkste – score van Verdi niet eerder gehoord.

Nicolai Ghiaurov was een grootse Attila. Met zijn sonore bas gaf hij zijn personage niet alleen de allure van een veldheer maar ook de zachtheid van een liefhebbend man.

In haar rol als Odabella bewees Mara Zampieri dat ze niet alleen een fantastische zangeres is met een stralende hoogte en een dramatisch attaque, maar ook een actrice van formaat

De stretta ‘E gettata la mia sorte’ in de tweede acte verlangt van de bariton de hoge bes. Piero Cappuccilli haalde die met gemak en souplesse, en werd door het uitzinnige publiek gedwongen tot bisseren, iets wat je maar zelden meemaakt in de opera. Een zeldzame ervaring.


Giuseppe Verdi
Attila
Nicolai Ghiaurov, Piero Cappuccilli, Mara Zampieri, Piero Visconti
Chor und Orchester der Wiener Staatsoper olv Giuseppe Sinopoli
Orfeo C 601 0321

Musings on Tosca

Tosca partituurI am a great Puccini admirer. His music goes straight to my heart to never leave it again. I love all his operas and all his heroines are equally dear to me. I love Angelica and Cio-Cio-San very much and after they die I keep crying for hours. But none of them compare to Tosca. The story is so incredibly complex and so ingeniously constructed that I – even if I can really dream the opera! – discover something new in it everytime I listen to it.

Have you noticed that Puccini has no (big) roles for  mezzos? For the sake of convenience, I do not count Edgar. After all, that was not yet a ‘real Puccini’. I think the reason is his women are anything but one-dimensional. They are strong and vulnerable at the same time, neither good nor bad. Cio-Cio-San was a geisha, Suor Angelica had an illegitimate child, Mimi had loose relationships. And yet we love them, all of them, even the fickle Manon Lescaut and their death makes us grab our handkerchiefs.

The ‘Puccini baritones’ are friendliness itself: the sweet and helpful Marcello, the compassionate consul Sharpless. Even the sheriff Jack Rance plays fair and after a lost game of poker he lets his rival go.

Tosca 1907

There is one exception: Baron Scarpia. From the beginning he dominates the stage in the literal and figurative sense. He is the one who has worked out the whole scenario and worked it out down to the smallest details. He is the hunter, who will not shy away from any means to catch his prey. He is the devil, afraid of nothing and no one; and in order to get what he wants he is prepared to cheat. But beware: he is totally repulsive, but also an attractive, charming, erudite and intelligent man and therefore an extremely dangerous opponent.

Tosca Giraldoni+as+Scarpia

First Scarpia: Eugenio Giraldoni

 

Floria Tosca is a celebrated singer, a diva. Beautiful, seductive, feminine and famous; coveted by many men. She is in a relationship with a young painter, Mario Cavaradossi.

Tosca hericlee-darclee-din-arhiva-teatrului-solis

The first Tosca: Hariclée Darclée

Their relationship is passionate, but do they really love each other? Tosca is at the height of her career, so not so young anymore. She has already had many lovers and realizes that Mario might be the last one. That makes her extremely jealous.

Tosca DeMarchiTosca

For Cavaradossi, a relationship with a famous diva is something to be proud of. He is, which doesn’t stop him from looking at other ladies and admiring their beauty. He flirts a bit with the revolution, trying to make himself important by offering a hiding place to a real revolutionary. What an easy prey for our hunter!

Tosca_Te_Deum_Act_1-1

The Te Deum scene which concludes act 1; Scarpia stands at left. Photograph of a pre-1914 production at the old Metropolitan Opera House

Scarpia is responsible for the detection of republicans. Angelotti, ex consul of the Roman Republic nevertheless manages to escape and all traces lead to a church, where our painter is at work. However, neither Angelotti nor Cavaradossi is present: an empty bread bin and doors which are open. Scarpia gratefully uses Tosca’s jealousy in the (justified) assumption that she could lead him to Angelotti’s hiding place. Moreover, he has been following the diva for some time now: he would love to spend a night with her. He has Cavaradossi tortured and in the meantime he is busy seducing Tosca.

Scotti_as_Scarpia_Kobbe

Antonio Scotti as Scarpia

The exchange he offers her (Mario’s life for sexual favors) doesn’t surprise us. We have experienced this before in opera. But the finale, it’s so different! Most sopranos in the same situation commit suicide (Gioconda, Leonora ‘Trovatore’), or give in (Maddalena). Not our diva! She fights, prays, begs and behaves like a locked up tiger, to finally kill Scarpia with his own bread knife. What does she think she can achieve with this? The murder of the important man is soon discovered and then neither she nor her boyfriend (whom she still thinks she can set free) is safe anymore. Even a not very intelligent diva can think of that. What drives her? Well: Tosca is afraid of her own emotions!

Tosca_Act_2_Victrola_Book_of_Opera

Tosca reverently lays a crucifix on Scarpia’s body. Photograph of a pre-1914 production at the old Metropolitan Opera House, New York

Remember how attractive Scarpia is? Even Tosca is not insensitive to him and that frightens her to a great extent. To escape Scarpia’s erotic appeal, she must kill him. Only then can she be truly free. She rushes to the Castle of the Holy Angel where her lover is imprisoned, tells him what she had done and that they are free. There remains one little thing: a ‘mock execution’.

Puccini_-_Tosca_-_The_execution_of_Cavaradossi_-_The_Victrola_book_of_the_opera

Unfortunately, Scarpia had never intended to pay Tosca for the night and Mario is actually killed. Only then does Tosca realize that Scarpia had surpassed herself in acting. And she can’t forgive him: “O Scarpia, avanti a Dio! (“O Scarpia, to God!”) are her last words.

110924-diapo315

There are thousands of ‘Toscas’ on the market. I will certainly not discuss them, too much, too many really good ones. Go and listen to Rosa Ponselle, Rosa Raisa, Mafalda Favero, Maria Caniglia, Magda Olivero, Renata Tebaldi, Maria Callas, Zinka Milanov, Eleanor Steber, Leyla Gencer, Leontyne Price, Montserrat Cabbalè, Renata Scotto, Raina Kabaivanska, Régine Crespin … They are all excellent, each in their own way, as it should be with a real diva. But – for me – no one beats Sara Scuderi:

In Dutch:
Mijmeringen over Tosca

Translated with http://www.DeepL.com/Translator

HIS SONG WILL NOT BE SILENCED *

kol-david

Gerrit van Honthorst (1590-1656), King David Playing the Harp (1611), Centraal Museum, Utrecht, Holland

A question of conscience: is there such a thing as Jewish music? If so, what is it? Is it klezmer?  The Chassidic Nigunim? The Spanish romanceros, the Yiddish songs, the synagogal chants, the psalms? And: can classical music be Jewish? Is it up to the composer? Is the music Jewish if the composer is Jewish? Or is it due to the themes used by him/her? A small quest.

Music played an important role in the lives of the ancient Hebrews. Just like most peoples of the East they were very musical and music, dance and singing were of great importance to them: both in daily life and in the synagogal services. They also played different instruments: for example, one of the women of Solomon brought more than a thousand different musical instruments from Egypt.

After the destruction of The Temple all instruments disappeared from the synagogues- except for the sjofar – and only in the 19th century did they return there. Unfortunately there is little written music from before the year 1700. However, in 1917 the oldest known music manuscript to date was found – it dates from around

KOL NIDRE

ZIJN LIED ZAL NIET VERSTOMMEN *

The best-known prayer from the Jewish liturgy is undoubtedly Kol Nidre: a request for forgiveness and for the annulment of all vows made to God and to oneself during the past year. The prayer was said to have originated before the destruction of the Temple, but there are also legends that put the origin of the prayer in the hands of the Marranos (Spanish Jews, who converted to the Catholic faith under the pressure of the Inquisition, but remained Jewish at heart).

It is certain that Rabbi Jehuda Gaon already introduced Col Nidre in his synagogue in Sura in 720. It is also a fact that the melody, as we know it, has some affinity with a well-known Catalan song. Over the years it has been arranged by several cantors, the most famous version dates from 1871 and was made by Abraham Baer.

The melody became a source of inspiration for many composers: the best known of them is the work for cello and orchestra by Max Bruch.

The motifs of Kol Nidre can also be found in Paul Dessau’s symphony and in the fifth movement of the String Quartet Op. 131 by Ludwig van Beethoven. And then we should not forget Arnold Schönberg’s “Kol Nidre” for speaking voice, choir and orchestra. He composed it in 1939, commissioned by one of the Jewish organizations.

http://www.schoenberg.at/index.php/de/joomla-license-sp-1943310035/kol-nidre-op-39-193

INFLUENCES

Jewish folk music cannot be grouped together under one denominator and has many traditions: after their dispersion Jews ended up in different parts of Europe, Asia and Africa. The greatest development of their own culture manifested itself strangely enough in places where Jews had the least freedom. Jewish folk music was actually music from the ghetto. Where Jews lived in reasonable freedom, their own “self” faded away.

In the countries around the Mediterranean Sea lived the so-called Sephardim (from Sfarad, Hebrew for Spain). They sang their novelceros in Ladino, a kind of corrupted Spanish. After their expulsion from Spain and later Portugal, they were influenced by the music of their new host country.

Below: ‘Por Que Llorax Blanca Nina’, a Sephardic song from Sarajevo.

In countries such as Poland and Russia, Jews lived in a constant fear of persecution that often degenerated into pogroms. Chassidism emerged as a kind of “counter-reaction”, a movement based on mysticism, spiritualism and magical doctrines. It proclaimed the joy of life, a kind of bliss, which could be achieved through music, dance and singing. Only in this way could direct contact with God be achieved. Hasidic music was strongly influenced by Polish, Russian and Ukrainian folklore. With later also the music of vaudevilles and the waltzes of Strauss. However, the character of the works remained Jewish.

Bratslav nigun – Jewish tune of Bratslav (by Vinnytsia), Ukraine:

In turn, the Chassidic melodies have had an enormous influence on classical composers: just think of Baal Shem by Ernest Bloch or Trois chansons hebraïques by Ravel.

Below: Isaac Stern plays ‘Baal Shem’ by Bloch:

JOSEPH ACHRON

ZIJN LIED ZAL NIET VERSTOMMEN *

Courtesy of the Department of Music, Jewish National & University Library, Jerusalem, Achron Collection.

Arnold Schoenberg firmly believed that Joseph Achron was the most underrated composer of his generation. Schoenberg praised his originality and claimed Achron’s music was destined for eternity. Yet, despite his enthusiastic praise, Joseph Achron never became a household name. Violin buffs no doubt know his Hebrew Melody, a much loved encore of many violinists, starting with Heifetz.

Hebrew Melody is inspired by a theme Achron heard as a young boy in a synagogue in Warsaw. It is one of his earliest compositions,  dating from 1911, and his first ‘Jewish’ work.  In the year he composed it Achron joined the Society for Jewish Folk Music. His career as a composer properly started in the twenties of the last century.  In Saint Petersburg, Achron joined the composers of the New Jewish School. Several years later he moved to Berlin, where he got acquainted with the works of the French impressionists, and the Second Viennese School.

In 1924 he made a trip of several months to Palestine. He not only performed there, but also collected a huge variety of folk music. The notes he took during this trip were later used for several of his compositions. In his Violin Concerto No. 1,  Op. 60 (1925) several Yemenite themes can be heard. In the 1930s he fled, like Schoenberg, Korngold and many other Jewish composers from Europe, to Hollywood, where he died in 1943.

Jossif Hassid plays Jewish Melody by Achron:

OWN JEWISH SOUND

As early as the end of the nineteenth century a ‘Jewish national school of music’ was established in Petersburg (and later in Moscow). The composers united in it tried to compose music that would be faithful to their Jewish roots. Their music was anchored in the Jewish traditions of a mainly Hasidic nigun (melody).

The movement was not limited to Russia, think of the Swiss Ernest Bloch and the Italian Mario Castelnuovo-Tedesco who, in search of their roots, developed a completely individual, ‘Jewish style of composing’.

joods-cast

Mario Castelnuovo-Tedesco

Synagogal songs were a source of inspiration for Sacred Service by Bloch, Sacred Service for the Sabbath Eve by Castelnuovo-Tedesco, Service Sacré pour le samedi matin by Darius Milhaud and The Song of Songs by Lucas Foss.

joods-milhaud

Darius Milhaud

Below Darius Milhaud: Service Sacré pour le Samedi Matin:


Castelnuovo-Tedesco also used the old Hebrew poetry of the poet Moses-Ibn-Ezra, which he used for his song cycle The Divan of Moses Ibn Ezra:


In the USA it was (among others) Leonard Bernstein, who very deliberately used Jewish themes in his music (Third symphony, Dybbuk Suite, A Jewish Legacy).

Less well known are Paul Schoenfield and his beautiful viola concerto King David Dancing Before the Ark:

And Marvin David Levy who used Sephardic motifs in his cantata Canto de los Marranos:

The Argentinean Osvaldo Golijov (1960, La Plata) combines Jewish liturgical music and klezmer with the tangos of Astor Piazzolla in his compositions, both classical and film music. He often works with the clarinettist David Krakauer and for the Kronos Quartet he has composed a very intriguing work The Dreams and Prayers of Isaac the Blind:


DMITRI SHOSTAKOVICH

shosty

Soviet composer Dmitri Shostakovich’s once brilliant career took a dive after the official party paper criticized one of his operas in 1936. Shostakovich responded with his powerful Fifth Symphony.

The reason why the non-Jewish Shostakovich used Jewish elements in his music is not entirely clear, but at least it produced beautiful music. He wrote his piano trio op.67 as early as 1944. At the first performance, the last movement, the ‘Jewish part’, had to be repeated. It was also the last time it was played during Stalinism:

In 1948 he composed a song cycle for soprano, mezzo-soprano and tenor From Jewish Folk Poetry – recorded many times and (rightly!) very popular.

Old Melodia recording of the cycle:

In 1962 he composed the 13th symphony Babi Yar, after a poem by Yevgeny Yevchenko. Babi Yar is the name of a ravine in Kiev, where in 1941 more than 100,000 Jews were murdered by the Nazis.


In 1990, the Milken Archive of American Jewish Music Foundation was established to record all the treasures of Jewish music composed in the course of American history. The archive now consists of more than 700 recorded musical works, divided into 20 themes.

The CDs are distributed worldwide by the budget label Naxos. No one interested in the (history of) Jewish music should ignore them.

* This sentence is mentioned on the memorial stone, placed at the Muiderberg cemetery, in memory of the conductor Sam Englander, murdered by the Nazis, and his Amsterdam Jewish Choir of the Great Synagogue.

Translated with http://www.DeepL.com/Translator

in German: SEIN LIED WIRD NICHT VERSTUMMEN *|

in Dutch: ZIJN LIED ZAL NIET VERSTOMMEN *