La Passione gaat over de dunne scheidingslijn tussen het leven en de dood

La Passione

Ik weet niet of ik het zo fijn vind om de symfonie van Haydn tussen Luigi Nono en Gérard Grisey gepropt te zien. Afgezien van het feit dat ik er niets mee heb (goed, dat ligt dan aan mij): waarom? Voor mij is het een spelbreker en hoe goed het ook gespeeld wordt (heel erg goed) het haalt mij uit mijn concentratie en verstoort de verhoudingen. Wellicht is het vanwege zijn bijnaam, La Passione, waar de hele cd zijn titel aan dankt? Maar genoeg gezeurd want er valt natuurlijk voldoende te genieten.

Nono’s Djamila Boupacha is een eerbetoon aan de Algerijnse vrijheidsstrijdster die in 1961 werd gearresteerd, verkracht, gemarteld en ter dood veroordeeld. In 1962 werd zij vrijgelaten. Het vijf minuten durende hartekreet (met de nadruk op kreet) voor sopraansolo is gebaseerd op het gedicht ‘Esta Noche’ van Jesús Lopéz Pecheco en het wordt zeer ontroerend gezongen door Barbara Hannigan. Hartverscheurend en tegelijkertijd wiegend.

Dat wiegende, dat komt terug in Berceuse, het laatste deel van Griseys Quatre chants pour franchir (Vier liederen om over de drempel te stappen), liederencyclus voor sopraan en orkest die zich niet makkelijk prijsgeeft. Je moet er voor gaat zitten en het tot je laten komen. Dan kan je niet anders dan het adembenemend te vinden. En als je beseft dat het zijn laatste compositie was (Grisey heeft vlak na het voltooien van dit werk in 1998 een hersenbloeding gehad en overleden, hij was toen nog maar 52) dan krijgt dat ‘over de drempel te stappen’ iets lugubers mee. Zeker ook omdat het ‘over de drempel’ over de scheidingslijn tussen het leven en de dood gaat.

De compositie is zeer theatraal en eigenlijk zou je het live moeten meemaken. Gelukkig weten zowel Barbara Hannigan als het door haar gedirigeerde Ludwig Orchestra de sfeer perfect over te brengen. De orkestrale klanken met de vele diverse kleuren worden perfect gemengd met de vocale bijdrage van de zangeres.


 

La Passione
Luigi Nono: Djamila Boupacha
Franz Joseph Haydn: Symfonie nr. 49 in f (La Passione)
Gérard Grisey: Quatre chants pour franchir
Barbara Hannigan (sopraan en dirigent), Ludwig Orchestra
Alpha 586

Honeggers Koning David in het Duits: zaten we hier op te wachten?

Honegger David

Het belang van deze uitgave ontgaat mij volledig. Het is inderdaad zo dat Honegger zijn oratorium oorspronkelijk gecomponeerd had voor een klein ensemble van koperblazers, harmonium, percussie en celesta, maar al gauw bewerkte hij het voor een groot orkest. Waarom dan teruggaan naar de schetsen als de volledige uitwerking zo prachtig is?

Nog vreemder is de keuze voor het Duits. De verklaring die gegeven wordt: Le roi David werd al in 1923 in het Duits uitgevoerd. En dus? Zo’n verklaring “koop” ik niet. Bovendien bestaan er al genoeg opnamen in het Duits, dus zo’n rariteit is het niet.

Maar goed: dat alles zou ik met de mantel der liefde kunnen bedekken als de uitvoering briljant was. Maar dat is hij niet. De spreker (mij zeer irriterende Devid Striesow) is nadrukkelijk Duits, wat een ontzettende afbreuk doet aan de zeer Franse muziek.

Ook over de solisten ben ik niet echt te spreken. Verder dan ‘aardig’ kom ik niet. Erger eigenlijk: ik herken het prachtige oratorium amper meer, de hele sfeer is weg! Maar eerlijk is eerlijk: het jonge Junges Ensemble Berlin musiceert zeer gedreven en met veel elan.

Wilt u Le Roi David horen in een uitvoering die het werk alle recht doet, kies dan voor Ernest Ansermet (Decca) met Susanne Danco. Of voor Maurice Abravanel op Vanguard, met Madeleine Milhaud als de spreker en met de engelachtige sopraan Netania Devrath.

Een mooi portret van het Junges Ensemble Berlin:


Arthur Honegger
König David
Devid Striesow, Irm Hermann, Narine Yeghiyan, Rowan Hellier, Jan Remmers
Junges Ensemble Berlin; Chor Prometheus Ensemble Berlin olv Frank Markowitsch
Rondeau Productions  ROP 6088

Piotr Beczala en zijn nieuwe helden

Beczala Vincero

Luisterend naar deze cd moest ik ongewild denken aan de fabel van de La Fontaine, die over de mier en de krekel. De moraal: flierefluiten in de zomer is leuk maar als de winter komt heb je je spaarcenten nodig. Zo ongeveer.

Verander de ‘spaarcenten’ nu in stem en dan heb je het geheim van Piotr Beczala. Begonnen met de delicate Mozarts en de meest lyrische Verdi’s klom hij, via poëtische Rodolfo’s en Massenets des Grieux naar het repertoire wat zwaarder heet te zijn. Eerst een voorzichtige stap richting Lohengrin en Gustavo (Ballo in Maschera), maar toen ging het hek open en: et voilà! Hier staat een tenor aan een begin van de derde belangrijke fase in zijn professionele leven, die van het lyrico-spinto.

Na Mario (Tosca) en Maurizio (Adriana Lecouvreur) komen nu Radames en Calaf aan de beurt en dat is geen kattenpis. En weet u wat? Hij kan het! Hij benadert die rollen minder ‘heldisch’, iets wat eigenlijk helemaal niet hoeft. Luister naar zijn illustere voorgangers waar zijn stem – met de snik en de traan – het meeste op lijkt, Tauber en Kiepura. Hij benadert zijn helden emotioneel en schuwt het sentiment niet, want niet inhoudt dat hij schmiert.

Wat ik wel jammer vind is dat hij voor de bekendste aria’s uit het repertoire heeft gekozen. Maar van de andere kant: het gaf hem kans om te vergelijken en die vergelijking valt in zijn voordeel uit, zeker wat de hedendaagse tenoren betreft.

Radames staat er niet op, wel Calaf, wat de titel van de cd meteen verklaart. Zijn ‘Nessun dorma’ is voornamelijk teder en het Cor de la Generalitat Valenciana steunt hem er goed bij. Er is wel een minpuntje: ‘Aveto torto … Firenze è come un albero fiorito’ uit Puccini’s Gianni Schicchi. Die rol is Beczala al ontgroeid.


VINCERÒ
Puccini, Cilea, Mascagni, Giordano, Leoncavallo, Verdi
Piotr Beczala (tenor)
Evgenya Khomurtova (mezzosopraan)
Cor de la Generalitat Valenciana
Orquestra de la Comunitat Valenciana olv Marco Boemi
Pentatone PTC 5186 733

Piotr Beczala: thuis ben ik inmiddels overal

Zemlinsky versus Zemlinsky

Zemlinsky Malkki

Niet schrikken! Het is geen vreemde uitvoering van – of een variatie op – de vijfde symfonie van Beethoven maar het begin van de uit 1934 stammende Sinfonietta van Zemlinsky, een werk waarin je de componist amper kunt herkennen. Ergens las ik dat hij met dat werk zijn grootste critici wilde bewijzen dat hij het in het symfonische genre niet onderdoet voor de drie grote B’s: Beethoven, Brahms en Bruckner.

Totale onzin natuurlijk want zijn grootste aantrekkingskracht ligt in zijn eigen idioom: de broeierige, nauwelijks te betamen erotische spanning. En laat de Sinfonietta nou juist die wezenlijke elementen te ontberen. Ik heb het werk niet eerder gehoord en ik denk niet dat ik er vaker naar ga luisteren, wat niet aan de uitstekende uitvoering ligt: de Finse dirigente Susanna Mälkki heeft er duidelijk affiniteit mee.

Jammer genoeg is de uitvoering van de Sechs Maeterlinck Gesänge niet van hetzelfde niveau. Het ligt voornamelijk aan Petra Lang. Ik ben nooit een groot fan van haar geweest, maar nu klinkt zij, hoe zal ik het zeggen… alles behalve erotisch? Jammer.

Als een soort ‘toetje’ krijgen we het voorspel en de monoloog uit de derde acte van König Kandaules, een opera die Zemlinsky heeft nooit afgemaakt. De monoloog wordt zeer indrukwekkend gezongen door Siegfried Lorenz en het orkest onder leiding van de in 2014 gestorven Gerd Albrecht klinkt gewoon hemels. De opname dateert uit 1992.


Alexander Zemlinsky
Sinfonietta, op. 23, Six Maeterlinck-Songs Op. 13
Petra Lang (sopraan)
ORF Vienna Radio Symphony Orchestra olv Susanna Mälkki

Der König Kandaules (twee fragmenten)
Siegfried Lorenz (bariton),
ORF Vienna Radio Symphony Orchestra olv Gerd Albrecht
Capriccio C5377

EINE (AUTO)BIOGRAFISCHE TRAGÖDIE: ALEXANDER ZEMLINSKY. Deel 1: de man

EINE (AUTO)BIOGRAFISCHE TRAGÖDIE: ALEXANDER ZEMLINSKY. Deel 2: ‘Du bist mein Eigen’

EINE (AUTO)BIOGRAFISCHE TRAGÖDIE: ALEXANDER ZEMLINSKY. Deel 3: dromen en het geluk dat verborgen dient te worden

EINE (AUTO)BIOGRAFISCHE TRAGÖDIE : ALEXANDER ZEMLINSKY. Deel 4: ‘Warum hast du mir nicht gesagt..’

Ivanhoé van Rossini: een heerlijke pasticcio

Ivanhoe

In 1826 was pasticcio al over zijn hoogtepunt heen. Deze operavorm, zeer geliefd in de achttiende eeuw was eigenlijk niet meer dan een samenraapsel van verschillende aria’s, duetten en ensembles uit diverse opera’s; niet noodzakelijk beperkt tot één componist

Gioacchino Rossini behoorde tot de grote liefhebbers – en gebruikers – van dit genre. Niet zelden hergebruikte hij dezelfde (orkestrale)stukken en soms zelfs de complete aria’s in zijn ‘gewone’ opera’s. Deze bekwaamheid kwam hem goed van pas toen hij, eenmaal succesvol in Parijs in tijdnood kwam. Geholpen door Pacini, zijn Parijse uitgever ‘componeerde’ hij Ivanhoé een opera die samengesteld werd uit fragmenten uit zijn verschillende werken, waaronder Semiramide en La Cenerentola.

Het libretto was losjes gebaseerd op een in die tijd zeer succesvolle roman van Walter Scott. Dat het verhaal mager en in feite niet na te vertellen is, is eigenlijk onbelangrijk want de muziek doet wonderen. Het is ook een bijzonder aanstekelijk samenraapsel geworden, vol schitterende aria’s en duetten. De première op 15 september 1826 was zeer succesvol en het Parijse publiek stroomde toe.

Na jaren van in totale vergetelheid te zijn geraakt, werd Ivanhoe gepresenteerd tijdens het festival in Martina Franca, in juli 2001. Dat de uitvoering niet helemaal optimaal was doet er eigenlijk niet toe en ik ben Dynamic zeer erkentelijk voor de opname die ze er live van hebben gemaakt.


Gioacchino Rossini
Ivanhoé
Simon Edwards, Inga Balabanova, Soon-Won Kang, Filippo Morace
Orchestra Internazionale d’Italia olv Paolo Arrivabeni
Dynamic CDS 397/1-2

Ginevra di Scozia oftewel Ariodante van Giovanni Simone (Johann Simon) Mayr

https://basiaconfuoco.files.wordpress.com/2018/07/opera-rara-mayr-ginevra.jpg?w=620

Wij kunnen het ons niet meer voorstellen maar Giovanni Mayr behoorde ooit tot de meest succesvolle operacomponisten. Zijn Ginevra di Scozia ging in 1801 in Teatro Nuovo in Triest in première waar ze dertig jaar repertoire heeft gehouden, zelfs nadat Mayrs’ roem door de ‘nieuwkomers’ Rossini en Donizetti werd overschaduwd. Exact tweehonderd jaar later keerde Ginevra met veel succes terug naar Triest, alwaar zij live werd opgenomen.

Als basis voor het libretto diende een episode uit Orlando Furioso van Ariosto: Ariodante en Ginevra houden van elkaar en de jaloerse gemenerik Polinesso doet alles om ze uit elkaar te drijven. Drie cd’s lang zijn wij getuige van alle verwikkelingen, gelukkig loopt het allemaal goed af.

De bezetting is bijzonder sterk. Allereerst is er de titelrol van Elizabeth Vidal: een schitterende coloratuursopraan die met gemak en soepelheid al haar vereiste hoge E’s (en dat zijn er wat!) haalt en daarbij nog tot tranen toe weet te ontroeren. Luister maar naar ‘Di mia morte’ ( een driedelige aria begeleid door cello obligato) aan het eind van de eerste acte.

Met haar warme en beweeglijke alt zet Daniela Barcellona een ontroerende Ariodante neer en Antonino Siragusa trekt alle registers open in zijn rol van de schurk Polinesso. (ORC23)


Ariodante: een opera voor Händel haters?

Ariodante Illustration_of_Canto_5,_Orlando_Furioso,_by_Gustave_Dore

Dalinda disguised as Ginevra admits Polinesso to her bedroom, engraving by Gustave Doré

Volgens kenners is Ariodante dé Händel opera om mee te beginnen. De handeling is helder, makkelijk te volgen en zelfs (min of meer) logisch. Alle succesvolle ingrediënten: liefde, jaloezie, seks en verraad zijn volop aanwezig. Tel daarbij het happy end en je komt zowat bij een Hollywood-sprookje terecht.

De muziek is een verhaal apart: Händel-liefhebber krijgt genoeg stof om van te smullen en bij ‘Dopo notte’ gaat zijn hart sneller kloppen. En een Händel-hater moet toch wel even een traantje wegpinken bij ‘Scherza infida’.

Ann Murray

Ariodante dvd

Ik ken maar één opname op dvd (BluRay in mijn geval) en daar ben ik niet echt gelukkig mee. De productie van David Alden (English National Opera, 1996) werd zeer enthousiast ontvangen en nog steeds zijn de (voornamelijk Engelse) critici er dol op. Voor mij is de productie te Freudiaans en te weinig subtiel.

Christopher Robson is een horror als Polinesso. Nog afgezien van het idiote idee om de rol met een countertenor te bezetten – de partij is gecomponeerd voor een vrouwelijke alt – voldoet zijn stem niet. Meer wil ik er niet over kwijt..

Joan Rogers is een mooie Ginevra en Lesley Garrett een nog mooiere Dalinda, maar de rest van de rollen is niet echt adequaat bezet. Behalve Ariodante zelf, dan. Ann Murray stelt nooit teleur en dat doet zij hier ook niet.

Het English National Opera Orchestra onder leiding van Ivar Bolton klinkt gewoon saai. Voor wie dat op prijs stelt: er zijn Nederlandse ondertitels (Arthaus Music 108126)

Janet Baker

ariodante Baker

Luisteren naar Janet Baker is altijd een feest. Haar Ariodante klinkt ouderwets warm. Warmbloedig ook. Ook de sopranen Edith Mathis (Ginevra) en Norma Burrowes (Dalinda) zijn een echt plezier om naar te luisteren.

James Bouwman (alweer een countertenor!) als Polinesso is gewoon een vergissing, het zij hem vergeven. Maar de jonge Samuel Ramey is werkelijk fantastisch als de koning. Raymond Leppard dirigeert bedeesd en aangenaam. (Philips 4739552)


Anne Sofie von Otter

Ariodante Minkowski

Wat mij betreft de mooiste opname die er is, voornamelijk vanwege Marc Minkowski en zijn formidabel spelende Musiciens du Louvre. Luister maar naar de heerlijk dansante ouverture: hier wordt een mens (deze mens, althans) blij van.

Ewa Podles is de beste Polinesso ooit, daar komt niemand in de buurt. Ook Richard Croft (Lurcanio) heeft eigenlijk geen concurrent: zijn zeer aangename, lyrische tenor klinkt verliefd en om verliefd op te worden.

Hieronder Von Otter en Minkowski over ‘Scherza infida’ en het door Minkowski gekozen tempo:

Anne Sophie von Otter is een ontroerende Ariodante (haar ‘Scherza infida’!). Haar stem mengt ook erg mooi met Lynne Dawsons Ginevra (Archiv 457 271-2)


Joyce DiDonato

5099907084423_clamshell_Layout 1

Alan Curtis dirigeert veel behoedzamer dan Minkowski. Minder dansant ook en minder transparant. En de blazers klinken soms een beetje vals.

Joyce DiDonato (Ariodante) en Anne Sophie von Otter zijn aan elkaar gewaagd. De eerste klinkt wat feller en standvastiger, ook in haar grief, terwijl de tweede de droefheid zelve is. De eerste is een in zijn eer gekrenkte held, de tweede een brok verdriet. Maar in ‘Dopo notte’ is DiDonato echt niet te verslaan. Bovendien vind ik haar voordracht mooier en accurater.

Marie Nicole Lemieux is een fantastische Polinesso en Karina Gauvin een zeer vrouwelijke Ginevra (Warner Classics 50999 07084423).


Carlo di Borgogna van Pacini: een ‘belcanto opname van het millennium’?

Carlo di Borgogna

Vierenzeventig opera’s heeft hij geschreven, maar voor een doorsnee operaliefhebber is hij niet meer dan een naam. Een enkele verzamelaar van Leyla Gencer kende zijn Sappho, een doorgewinterde belcanto bewonderaar heeft Margherita, Regina d’Inghilterra op zijn plank staan. Maar van Carlo di Borgogna heeft bijna niemand gehoord.

Geen wonder. De première in 1835 was een fiasco en de opera werd nooit meer uitgevoerd. Sterker: ook de partituur werd niet eerder uitgegeven. Is het terecht? Laat ik maar eerlijk zijn: een hoogvlieger is het niet.

De opbouw is heel traditioneel: cavattina, cabaletta, stretta en van enige psychologische ontwikkeling van de personages is absoluut geen sprake. Wat dat betreft blijft Paccini ver achter bij zijn tijdgenoten Donizetti en – voornamelijk – Bellini.

Maar de muziek is machtig mooi en er valt wanzinnig veel te genieten. Het is tenslotte niet voor niets dat Pacini ‘Il maestro di cabaletta’ werd genoemd!

Jennifer Larmore en Elizabeth Futral zingen het duet ‘Qual d’un angelo nel core, espulsa schernita’:

De uitvoering is van een onvoorstelbaar hoog niveau. Alle zangers, met Bruce Ford, Jennifer Larmore en Elizabeth Futral voorop beschikken over een formidabele techniek en een ongekende souplesse en David Parry dirigeert met verve en overgave.

Toen de opname in 2001 op de markt werd gebracht werd er in de connaisseurkringen gesproken over een ‘belcanto opname van het millennium’ en daar zat iets in (ORC21)


La Straniera: de hemelse cantilenen van Bellini

Straniera

Toegegeven, het libretto is zo warrig dat zelfs de hoofdpersonen waarschijnlijk niet weten wie ze zijn, wat ze aan het doen zijn, met wie, en waarom. Maar de muziek! Als er engelen bestonden dan zouden ze Bellini’s cantilenen uit La Straniera tot vervelens toe (kan men daar verveeld van raken?) herhalen.

Dat geldt nog meer omdat er in de opera, op één of drie keer na, niet echt aria’s voorkomen, niet in de ouderwetse manier althans. Het is meer een ‘conversatiestuk’ met veel dialogen en zeer theatrale, lange scènes, die elkaar toch in een rap tempo opvolgen.

Bellini componeerde La Straniera in 1829, drie jaar voor Norma en La Sonnambula, en je hoort er al de kleine voorbodes in van zijn bekendste muziek (‘Casta Diva!’). Wonderlijk genoeg hoor ik ook flarden uit La Traviata tussendoor…

Alle rollen zijn voortreffelijk bezet. Darío Schmunck is met zijn aangenaam klinkende tenor bijzonder geschikt voor een romantische lover en de lyrische bariton Mark Stone (onthoud die naam!) is een warmbloedige Valdeburgo.

Patrizia Ciofi:

De virtuoze mezzo Enkelejda Shkosa zingt een ontroerende Isoletta en over Patrizia Ciofi volstaat één woord: fenomenaal. Er is geen enkele zangeres die de rol van Aleida tegenwoordig beter, en met meer betrokkenheid, zou kunnen zingen (ORC 38)


Simone de Bonefont: ooit van gehoord?

Tekst: Neil van der Linden

Bonefont cover

Simone de Bonefont, nooit van gehoord. Paul van Nevel van het Huelgas Ensemble had ook nooit van hem gehoord, tot hij in een bibliotheek in Wenen in een koorboek een Missa pro Mortuis ontdekte, een Requiem-mis uit 1556. Dat is ook ongeveer het enige dat over Bonefont bekend is, behalve dat hij kanunnik was in Clermont-Ferrand, en dat er nog drie korte liederen van hem zijn overgeleverd.

Bonafonte

Uit het feit dat het commercieel uitgegeven koorboek rijkelijk geïllustreerd was kunnen we afleiden dat dit werk hogelijk werd gewaardeerd, en de maker ook. Van Nevel acht het gezien de kwaliteit vrijwel onmogelijk dat dit de enige werken van de componist zijn. De Bonefont is vermoedelijk rond 1500 geboren en is daarmee een generatiegenoot van de vierde Vlaamse school met grootheden als Gombert, De Rore, Willaert en Clemens non Papa en de Spanjaard Cristóbal de Morales. Een gouden tijd van de Renaissance. De muziek is dan echt helemaal losgekomen van een zekere laat-Middeleeuwse cerebraliteit, componisten experimenteren er lustig op los en de maniërismen die de Barok steeds meer zou opleggen hebben hun intree nog niet gedaan.

Dit requiem heeft de vloeiende motoriek van bijvoorbeeld het Requiem van De Richafort uit ongeveer dezelfde tijd, waaraan Van Nevel en het Huelgas eerder al een magnifieke CD wijdden. Het succes van De Richaforts Requiem door het Huelgas Ensemble, tot dan toe een onbekend werk, leidden binnen de kortste keren tot meer opnamen en maakten van een obscure componist een ster, die nu zelfs door de King’s Singers wordt gezongen.

Soms sluit De Bonefont af met een grillige akkoord-sequens vol onverwachte modulaties en dissonanten die bijna pijn aan de oren doen. Kan dat een restant van laat-Middeleeuwse polyfonie zijn? De Bonefont zat daar in de Auvergne een beetje geïsoleerd, terwijl de rauwere vormen van polyfonie zoals die heden ten dage nog Corsica en Sardinië leeft toen op veel meer plaatsen werd gepraktiseerd. Of was het juist een uiting van avant-gardistische experimenteerlust?

Bonnefond_Huelgas-Ensemble-PVDS-c-Alidoor-Dellafaille

Requiem-Simon-de-Bonnefond_Huelgas-Ensemble-PVDS- ©Alidoor-Dellafaille

Het Huelgas Ensemble lost het vocaal allemaal overtuigend op. Een van hun handelsmerken is stemkleuring. Door veel ruimte te geven aan individuele stemkarakteristieken is het mogelijk complexe polyfone weefsels helder uit te diepen, maar worden diepe onderliggende lagen grondig geëxploreerd. Desnoods past Van Nevel het tempo aan om een tekstuele of melodische frase extra duidelijk te laten uitkomen. En dat allemaal live, deze CD is live opgenomen.

De CD combineert De Bonefonts dodenmis met vier motetten uit dezelfde tijd op een andere veel gebruikte tekst over dood en sterfelijkheid, Media Vita in Morte Sumus. “Midden in het leven zijn wij door de dood omvangen’, aldus de oeroude antifoon, die ooit zo populair was dat het concilie van Keulen van 1316 het verbood: het lied zou magisch geladen zijn waardoor men er anderen mee kon vervloeken. Het lied bleef echter populair: zelfs de vermaledijde ketter Luther maakte een bewerking in het Duits.” (ik citeer hier muziekweb.nl)

Ja, het was een tijd van pestepidemieën, van sociale revoluties en godsdienstoorlogen. De versie van de Brugse componist Arnold von Bruck gebruikt die vertaling door Luther, ‘Mytten wir ym leben synd’. De andere drie versies zijn in het Latijn en van keurig katholiek gebleven Vlaamse grootheden, Jacobus de Kerle, Orlandus Lassus en Nicolas Gombert. De laatste twee kent iedereen natuurlijk.

Bonafonte HUELGAS-ENSEMBLE-8

Het Huelgas Ensemble © Huelgas Ensemble

Het Huelgas Ensemble had Gomberts motet al eens opgenomen en er is ook een mooi dramatische uitvoering van het Hilliard Ensemble. “Bij dit alles denk je onwillekeurig aan Gomberts eigen Media Vita-ervaring: volgens de arts Jerome Cardan werd Gombert naar de galeien verbannen omdat hij zich aan het hof van Karel V aan een knaap had vergrepen (Gombert was belast met het rekruteren van de indertijd alom gezochte Vlaamse koorknapen voor de hofkapel in Madrid van Karel V – NvdL). De componist kreeg echter gratie nadat hij de keizer wist te ontroeren met twee zogenaamde ‘zwanenzangen’. (Misschien onder meer dit In Media Vita? – NvdL)” Aldus muziekweb.nl.

Cappella Amsterdam heeft net ook Lassus’ versie op CD uitgebracht, schoolser vind ik; de stemkleuringstechniek van het Huelgas Ensemble maakt muziek telkens toch wel heel direct invoelbaar.

De Kerle uit Ieper is minder bekend. Maar naar verluidt heeft hij meer nog dan Palestrina de polyfone kerkmuziek gered door een motet te componeren voor de hereniging van de Christelijke Kerk het succesvolle verloop van het Concilie van Trente, terwijl Palestrina met de eer is gaan strijken (en het aldus ook tot protagonist van een laat-romantische opera heeft gebracht, Pfitzners Palestrina, die dus eigenlijk De Kerle had moeten heten).

Aan hem had het Huelgas Ensemble al eerder een CD gewijd, ook met dit adembenemende In Media Vita (en het intrigerende Cantio octo vocum de sacro foedere contra Turcas, ‘Achtstemmig zang over een heilig bondgenootschap tegen de Turken’, een tijd waarin hemel en aarde dicht bij elkaar kwamen).

Bonefort Bosch

Detail uit het rechter paneel, Op Weg naar de Hemel, uit Visioenen van het Hiernamaals – Jeroen Bosch

De voorkant van de CD is mooi geïllustreerd met een detail uit de Opstijging ten Hemel, met een naakte figuur die begeleid door een engel door een tunnel van licht beweegt, een andere mensfiguur in het gezelschap van een duivel die het misschien probeert, en aan het eind van de tunnel bijna verzwolgen door het licht nog twee figuren, uit Visioenen van het Hiernamaals van Jeroen Bosch.


Simone de Bonefont (ca. 1500): Missa pro mortuis cum quinque vocibus
Arnold von Bruck (1500-1554), Jacobus de Kerle (1531-1591), Orlandus Lassus (1532-1594), Nicolas Gombert (1495-1560).
Huelgas Ensemble onder leiding van Pal van Nevel.
Cypres Records-CYP168

https://klara.be/music-matters-op-30-april-met-paul-van-nevel

https://www.crescendo-magazine.be/paul-van-nevel-nous-fait-decouvrir-simone-de-bonefont/