Romeo and Juliet, painting by Frank Bernard Dicksee, 1884
Ongelukkige liefdes zijn door de eeuwen heen de grootste de inspiratiebron geweest van schrijvers, dichters, schilders en toondichters. Logisch, want wat kan ons meer ontroeren dan het treurige lot van twee mensen die uit liefde voor elkaar de dood boven het leven verkiezen? Romantiek ten top en een beetje mens houdt eenmaal van snotteren.
Shakespeares Romeo en Julia zijn wellicht het bekendste liefdespaar van ze allemaal. Toneelstukken, films, balletten zijn er op gebaseerd en/of door geïnspireerd. En opera’s, uiteraard. Iedereen kent Romeo et Juliette van Gounod. Berlioz komt ook het en der voorbij. Maar wist u dat ook Bellini daar een opera over schreef? Nee? En waarom niet? Omdat het bijna nooit meer uitgevoerd wordt? En dat terwijl zijn I Capuletti e i Montecchi adembenemend mooi is!
Mijn geliefde uitvoering is in 1968 live in de Milanese La Scala opgenomen, met een tenor (Giacomo Aragall op zijn bestl!) als Romeo en Renata Scotto als Giulietta. Tebaldo werd gezongen door (wat een weelde!) een jonge Luciano Pavarotti en Claudio Abbado dirigeert (Gala GL 100.517).
Aragall en Scotto in ‘Si, fuggire!… Vieni ah! vieni, e in me riposa’:
In 2009 kwam er een nieuwe opname op de markt met niemand minder dan Anna Netrebko en Elina Garanča in de hoofdrollen. Als Tebaldo hoort u, toen een nieuwe tenorale hoop, nu een naam van faam, Joseph Calleja (DG 4778031). Zonder meer de moeite waard.
In de Dynamic-box (CDS 552/1-25) met alle Bellini opera’s (mocht u hem nog niet bezitten – ga meteen er achteraan!) wordt Julia gezongen door Patricia Ciofi. Wat een zangeres! Niet alleen alle noten en kwinkslagen zijn er (en allemaal ‘a punto’), ook als stemactrice is zij bijzonder overtuigend. De opname is in 2005 gemaakt in Martina Franca.
Patrizia Ciofi in ‘Oh! quante volte’ uit de productie vana I Capuleti e i Montecchi in Barcelona 2016:
Emmanuel Chabriers L’Étoile is een heerlijke operette in de stijl van Offenbach, met aanstekelijke melodieën en een satirisch libretto. Zelfs de can-can ontbreekt niet. En toch…
Weinig mensen, inclusief grote operette liefhebbers kennen L’Étoile echt goed. Waarom? Aan de kwaliteit van het werk dat in 1877 in Offenbachs Théâtre des Bouffes Parisiens in première ging, ligt het niet. Daar is niets mis mee. Waar het wel mee te maken kan hebben, is het feit dat de enige complete opname van het werk van de markt gehaald is.
Eens leidde John Eliot Gardiner in Lyon een werkelijk fantastische uitvoering, met onder anderen Colette Alliot–Lugaz, François Le Roux en Gabriel Bacqier. De Franse tv filmde het en bracht het uit op dvd, en EMI maakte er een studio-opname van. Zowel de productie als de uitvoering werden de hemel in geprezen, maar… weg zijn ze! Het internet biedt wel enig soelaas, maar voor een gebruikt exemplaar vragen ze zowat een vermogen.
Blijft over een kleib fragment op YouTube
En op Spotify staat de volledige EMI-opname:
Op Youtube is een radio-opname van L’Étoile uit 1957 met Claudine Collart als Laoula vinden. Het geluid is prima en het orkest onder leiding van Désiré-Emile Inghelbrecht speelt zeer gedreven, maar mij is verteld dat de versie gecoupeerd is.
Verder zijn er ook fragmenten uit o.a. Berlijn (heerlijk! Waar blijft de dvd?), Frankfurt, Genève en Montpellier te vinden, beslist het bekijken waard!
Mocht u niet zo veel van Chabrier weten en is zijn muziek voor u nog een beetje een tabula rasa, dan kan ik u de cd met zijn orkestwerken aanraden. Onder leiding van Neeme Järvi heeft het Orchestre de la Suisse Romande in 2013 al zijn belangrijkste werken voor orkest opgenomen, inclusief zijn grootste hit España en drie fragmenten uit L’Etoile (Chandos CHSA 5122). Een echte aanrader:
For me, Andrea Chénier is one of the best and most beautiful operas ever. I think the music is nothing less than divine and the story is timeless. It remains current, perhaps now more than ever. The tyrant must be cast off his throne and the people must take control. Surely, we all agree on that?
If only it were that simple! Anyone who grew up in a post-revolutionary totalitarian regime knows how much horror it brings. One terror is replaced by another.
This, at least for me, is the main theme in Giordano’s biggest hit. I don’t think the real lead role is the actual poet, André Chénier (did you know that Giordano used Chénier’s poems in his arias?) nor his beloved Maddalena. It is the French Revolution, which, as Gérard (once Maddalena’s houseboy and now one of the revolutionary leaders) bitterly observes, devours its own children.
To my great surprise, I read that Domingo didn’t much like the part of Andrea Chénier. He loved the opera, but the role, one of the toughest in the ‘lirico-spinto’ repertoire, was not really interesting for him dramatically. For him, Chénier was ‘an idealist who always has his head in the clouds’. And yet it was one of the operas he loved to sing!
I myself think the role of the poet/revolutionary fits him like a glove. Passion for love and enormous involvement in everything that happens in the world were – and still are – his trademarks.
Domingo sings ‘One of all’azzurro spazio’:
He sang his first Cheniér in 1966 in New Orleans, as the last-minute replacement for Franco Corelli, but that was not his first performance of the opera. In the 1960/61 season he sang The Incredible and The Abbot, in Mexico.
My favourite CD recording was recorded in 1976 by RCA (GD 82046). The cast is delectable. Renata Scotto sings Maddalena, Sherrill Milnes is Gérard and in the small roles we hear, among others, Jean Kraft, Maria Ewing, Michel Sénéchal and Gwendolyn Killebrew. James Levine, who conducts the National Philharmonic Orchestra, understands exactly what the opera is about. Tear jerkingly beautiful.
Scotto sings ‘La Mamma morta’:
In 1981 the opera in Vienna was recorded for TV. That recording has since been released on DVD (DG 073 4070 7). Gabriela Beňačková, one of the most underrated singers in history, sings a Maddalena of flesh and blood. Horrifyingly beautiful and moving.
Piero Cappuccilli is a Gérard among thousands and the small roles are also filled by great singers: Madelon is sung by none other than Fedora Barbieri. Otto’s Schenk’s production is a feast for the eyes.
Tijdens het Sferisterio operafestival van 2004 in Macerata werd Zandonai’s meesterwerk Francesca da Rimini opgevoerd met Daniela Dessi in de titelrol. Een opname hiervan werd in 2009 door Arthaus op dvd uitgebracht. De beeldkwaliteit is duidelijk nog van voor het HR tijdperk maar het geluid compenseert dit afdoende.
De Sferisterio is een openluchttheater dat oorspronkelijk dienst deed als arena voor een traditioneel balspel. Het ruime speelveld wordt in deze productie slechts ten dele benut maar biedt de mogelijkheid veel personen tegelijkertijd ten tonele te voeren. De feitelijke handeling beperkt zich echter tot een klein opengewerkt paviljoen met een ‘gouden’ koepel en een paar trappen er naar toe. Het decor en de zeer weelderige kostumering suggereren eerder een koninklijk paleis dan het kasteel van een plaatselijke potentaat maar ze dragen bij aan het sfeervolle beeld van de enscenering van Massimo Gasparon, voordien de assistent van Pier Luigi Pizzi.
Het verhaal van Francesca da Polenta en Paolo Malatesta is gebaseerd op personages uit de 13e eeuw. Paolo, bijgenaamd Il bello, wordt naar Francesca gestuurd als huwelijksmakelaar voor zijn oudere broer, de weinig aantrekkelijke manke Giovanni. De twee worden op slag verliefd en beginnen een affaire. Ze worden echter ontmaskerd door Malatestino, de jongste broer van het stel en die zorgt ervoor dat Giovanni het koppel in flagrante weet te betrappen. Beiden worden samen aan het zwaard geregen en sterven in hun laatste omhelzing.
Francesca wordt wel de Italiaanse Tristan genoemd. Ook hier de aantrekkelijke jonge man die een bruid moet werven voor een onaantrekkelijke partij. Giovanni in de rol van Marke en Malatestino als Melot. Saillant detail is echter dat in de literatuur geen nadrukkelijk moreel oordeel over die liefdesrelatie wordt geveld. Dit in tegenstelling tot die van Francesca en Paolo, met dank aan Dante en zijn Goddelijke Komedie.
Dante plaatst het tweetal in Canto 5 in de Tweede Kring van de hel, op zich ver verwijderd van Canto 34 in de Negende Kring waar Lucifer te vinden is, maar evengoed in de hel. Het is de straf voor diegenen die zich niet hebben kunnen beheersen en zich overgaven aan wellust. In een wervelende wind is het liefdespaar voor eeuwig aan elkaar gekoppeld, ze delen het verblijf in de hel. Daarmee vergeleken is het aardse huwelijk een korte flirt. Een plekje in het Purgatorio zou ons vandaag de dag wat meer geëigend hebben geleken.
Francesca heeft vele componisten geïnspireerd tot het schrijven van een opera. Als ik goed heb geteld was die van Zandonai nummer 26. Zijn librettist Tito Ricordi baseerde zich op een toneelstuk van Gabriele d’Annunzio waarbij zich vooral concentreerde op de liefdesaffaire van de protagonisten.
Bij Ricordi komt Paolo en een stuk slechter af dan Francesca. Eerst bedriegt hij haar om zijn oudere broer een dienst te bewijzen en vervolgens dringt hij zich zo aan haar op, zonder acht te slaan op smeekbeden haar met rust te laten, dat ze door de knieën gaat. Francesca valt weinig te verwijten, ze heeft zich tot het uiterste tegen zijn avances geweerd.
De opera ging in 1914 in première en heeft sindsdien een leven in de luwte geleid: nooit echt doorgedrongen tot het bekende repertoire maar evenmin vergeten. Incidenteel zijn er wel uitvoeringen van te zien zoals in 2011 in Parijs en in 2013 in New York met Eva-Maria Westbroek in de titelrol. Van de oorspronkelijke Met-productie uit 1984 is een dvd verschenen. De registratie uit Macerata is pas de tweede opname op dvd en als zodanig een echte aanwinst.
De cast is goed verzorgd, over de volle breedte. Van de hofdames en de intriganten tot de drie broers Malatesta en hun gemeenschappelijk liefdesobject Francesca, immers Malatestino is ook verliefd op haar. Giacinta Nicotra is mooi gecast als het jongere zusje Samaritana die bij Francesca op de kamer slaapt, het zijn duidelijk nog tieners die twee.
Malatestino heeft een betrekkelijk kleine rol maar de tenor Ludovit Ludha laat hem door zijn overtuigende vertolking veel groter lijken dan hij is. Zowel tegenover Francesca als Giovanni laat hij duidelijk blijken hen een slag voor te zijn en dus niets te vrezen heeft, hoe onaangenaam zijn gedrag ook mag wezen. Een echte kleine etterbak die Malatestino.
Bariton Alberto Mastromarino is een schitterende potentaat, een genoegen hem in die rol te zien. Zijn zang is dienovereenkomstig, overheersend en bedreigend zonder ook maar ergens zichzelf te overschreeuwen. Hij doodt zijn broer Paolo en krijgt vermoedelijk van Dante een plaatsje in de Zevende Kring (Phlegeton).
Het liefdespaar komt voor rekening van Fabio Armiliato en Daniela Dessi. Ik ben niet weg van Armiliato, ooit een paar keer live gehoord in Antwerpen in de jaren ’90, maar hij zat vast aan zijn echtgenote denk ik. Zijn Paolo is goed verzorgd maar het doet me niets wat hij zingt. Dessi geeft zich volledig in haar vertolking van de gedoemde Francesca. Ze kan de moeilijke partij goed aan en klinkt nergens geforceerd. Minder geslaagd is haar gelaatsuitdrukking, voortdurend met wijd opengesperde ogen en een vertrokken mond om vertwijfeling uit te drukken.
De muzikale leiding is in handen van Maurizio Barbacini. Hij dirigeert een goed spelend Orchestra Filarmonica Marchigiana.
Er zijn van die pianisten die weinig optreden en zelden cd’s opnemen. Als het dan een keer gebeurt, spring je een gat in de lucht. Zo vergaat het mij iedere keer bij Naum Grubert. Hij treedt mij veel te weinig op en ik zou willen dat hij zoveel cd’s opgenomen had als Daniel Barenboim. Het mooie is wel dat iedere cd door zijn zeldzaamheidswaarde een schot in de roos is, zo ook zijn tweede opname met Beethoven-sonates op het label Navis. Ik ben producent Daan van Aalst dan ook zeer dankbaar dat hij de Letse pianist wederom wist over te halen om een cd op te nemen.
Mijn kennismaking met deze artiest dateert van lang geleden: ooit had ik een studentenbaantje als rondvaartgids in Amsterdam en ik raakte in gesprek met een collega, een conservatoriumstudente piano die van Grubert les kreeg. Ze vertelde hoe bijzonder hij was en kort daarna maakte ik kennis met zijn spel toen hij bij het Rotterdams Philharmonisch Orkest onder Gergiev als solist optrad in het derde pianoconcert van Rachmaninov.
Ik zat op een van de eerste rijen en had een goed zicht op de piano. Grubert leek aanvankelijk wat schuw, maar bleek over een enorme passie te beschikken en gaf een fenomenale uitvoering van dit bekende pianoconcert. Toen hij het jaar daarna een minstens zo indrukwekkende interpretatie gaf van Schuberts laatste pianosonate, was ik definitief om. Ook alweer geruime tijd geleden speelde hij in Den Haag op Eerste Kerstdag een recital, waar ik met een vriendin naartoe ging. Zij was eigenlijk ziek, maar ging toch mee en werd zo door zijn spel gegrepen dat ze in ieder geval tijdens het concert vergat dat ze ziek was.
En nu is er dus een opname verschenen met drie pianosonates van Beethoven, uit zijn vroege, midden- en late periode. Het aantal uitvoeringen hiervan is niet meer te tellen en je vraagt je af of iemand daar nog iets aan toe kan voegen. Die vraag is in dit geval alleen maar met een volmondig “ja” te beantwoorden.
Het is minder makkelijk om aan te geven waarom deze cd zo’n indruk maakt. Grubert is een pianist die zich dienend opstelt en nooit de muziek ter meerdere eer en glorie van zichzelf gebruikt. Zijn tempi zijn ideaal, zijn toucher is buitengewoon mooi, de dynamiek is indrukwekkend, maar wat vooral indruk maakt is de diepzinnigheid van dit spel. Er spreekt een hele bijzondere gevoeligheid en oprechtheid uit, die ervoor zorgen dat geen enkele noot zonder de juiste intentie klinkt.
Diepzinnige momenten zijn er genoeg in deze drie sonates: in nr 7, opus 10 nr 3, is dat het langzame deel, het largo e mesto, dat al vooruitwijst naar zijn late sonates, evenals in de Appassionata. De voorlaatste, nr 31 is in zijn geheel een van de mooiste en ontroerendste sonates die Beethoven geschreven heeft. Je blijft je erover verbazen dat de componist deze muziek geschreven heeft toen hij volledig doof was, terwijl hij spiritueel toch zo ver kon reiken. Aangrijpend zijn de zingende lijnen in het eerste en derde deel en indrukwekkend is het slot van de fuga. De piano is uitstekend opgenomen.
Met zijn spel evenaart Grubert collega’s als Arrau, Richter en Gilels die voor mij als de top in Beethoven gelden. Zo moet je Beethoven spelen! Wat zou ik graag willen dat hij alle sonates opnam, daar zou ik meer naar uitkijken dan naar de vierde of vijfde integrale van Barenboim die DGG onlangs uitgegeven heeft!
Beethoven: sonates op 10/3, 57 en 110 door Naum Grubert, Navis NC20010
“1 meter 34 groot, korte armen, zeven vingers – vier rechts, drie links -, groot vrij goed gevormd hoofd, bruine ogen, prominente lippen. Beroep: zanger”. Zover Thomas Quasthoff over Thomas Quasthoff. Nee, gevoel voor humor kan je hem niet ontzeggen. Ook het vermogen om te relativeren, of een buitengewone intelligentie en een enorme muzikaliteit. Maar het allerbelangrijkste is zijn stem: donker, warm en fluwelig, waarmee hij met gemak de allergrootste zalen ter wereld kan vullen.
Nooit vergeet ik de eerste keer dat ik hem live hoorde, een jaar of 24 geleden. Ik kende zijn cd met liederen van Loewe dat net uit was (EMI, thans niet meer in de handel) en waar ik meer dan kapot van was. Ik wist, dat hij een softenonkind was en toch schrok ik toen hij waggelend het podium betrad. Hij klom op een stoeltje en toen gebeurde het. Zodra hij begon te zingen vergat ik alles en kon de hele wereld mij gestolen worden. Zijn stem was zeer groot, te groot voor de Kleine Zaal, en van een ongekende schoonheid. Ik wentelde mij in zijn geluid. Het voelde als een warm bad: vertrouwd en lekker.
Als toegift zong hij een aria uit….(?) en dat deed mij pijn. Want; welke rollen zou hij kunnen zingen, vooropgesteld dat hij überhaupt een operabühne zou kunnen betreden? Rigoletto was uiteraard te wrang. En ik mijmerde over een operazanger die ons ontnomen werd voordat hij überhaupt begon
Maar wat heb ik me toen vergist! Quasthoff bewees eens te meer dat zijn doorzettingsvermogen en zijn wilskracht groter dan groot zijn, en is inderdaad opera gaan zingen. In het theater. Ik denk nog steeds aan zijn Amfortas in de Wiener Staatsoper.
Maar hij bleef voornamelijk liederen zingen. In 2005 had hij zijn interpretatie van de DieSchöne Müllerin vastgelegd, een cyclus die hij al sinds het begin van zijn carrière op het repertoire had staan. Best jammer dat hij het niet eerder had opgenomen, het zou fascinerend kunnen zijn om te vergelijken in hoeverre zijn visie op Schuberts verklanking van Müllers gedichten is veranderd.
In 2005 was Quasthoff geen naïeve jongeling meer. Hij was toen al veertig en had en grote zangcarrière en daarmee gepaarde successen achter de rug. Zou hij nu anders kijken tegen de eerste verliefdheid? Jaloezie? Liefdesverdriet? Daar komen we niet achter.
In en interview met Thomas Voigt zei hij dat hij veel meer wilde dan alleen maar een mooi geluid maken. Hij wilde alle kleuren gebruiken die zijn stem ter beschikking had om de inhoud van gezongen teksten te kunnen duiden. Want: hoe kan je recht doen aan een tekst dat over helse jaloezie gaat als je alleen maar mooi zingt?
En opnieuw vraag ik me af of zijn zingen vroeger meer ingetogen was? Hoe hij ‘Der Müller und der Bach’ destijds had gezongen? Verstilder wellicht? Zo jammer dat ik het niet kan vergelijken met de, met zijn volle stem gezongen versie van nu.
Ik zet die cd nogmaals op en luister naar het verhaal dat hij mij wil vertellen. In zijn interpretatie bestaat de cyclus uit minidrama’s, in een keurslijf van een liedcyclus gegoten. Geen kamermuziek meer, maar een opera. Weliswaar één in een miniatuurformaat, maar toch. Een jongeling is een volwassen man geworden. En die zelfmoord aan het eind, ach, misschien komt hij tot bezinning en doet hij het niet? Als je ouder wordt weet je dat alles ooit overgaat. Ook het allergrootste liefdesverdriet.
Nikolai Medtner. Voor veel muziekliefhebbers niet meer dan een naam in de muziekgeschiedenisboeken. Op de pianisten wellicht na, want Medtner kunnen ze niet negeren. Alleen al omdat hij zulke mooie stukken voor het instrument heeft geschreven, die je meteen aan Rachmaninoff doen denken en die willen ze graag op hun repertoire zetten. En daar is dus de hond begraven. Want Rachmaninoff, daar kan toch niemand aan tippen?
Medtner wel. Zijn stukken zijn niet minder virtuoos. En vergeet zijn onvervalste sentiment die ik zelf liever nostalgie noem. Al noemde Medtner zichzelf een ‘malle sentimentalist’. Maar hij had veel meer in zijn mars. Denk alleen aan zijn liederen, hij heeft er maar liefst 107 gecomponeerd! Honderd en zeven! Waarom horen we ze niet? En waarom niet? Omdat we eenkennig zijn?
Gelukkig bestaan er nog artiesten die verder (willen) gaan dan de gebruikelijke Schuberts, Straussen en Schumanns. Daar is Ekaterina Levental is er één van. Prachtige zangeres, harpiste, actrice en performer die verder gaat. Niet dat zij het geijkte repertoire schuwt, maar zij laat haar vleugels uitslaan en kijkt voorbij de horizon. Samen met de pianist Frank Peters ontfermde zij zich over de liederen van Medtner: het is de bedoeling dat ze al zijn liederen op de cd gaan zetten. Hulde!
De eerste, getiteld Incantation, is net verschenen. De liederen, naar de teksten van Lermontov, Poesjkin, Tjoettsjev en Fet zijn gecomponeerd in het eerste decennium van de vorige eeuw en, hoe kan het anders, ze gaan over de liefde. De onbeantwoorde liefde, de liefde die voorbij is, de pijn die de liefde kan doen.. Noem mij maar een jerk, maar daar kan ik dus echt om janken. Niet alleen om die prachtige liederen maar voornamelijk om die tijd die voorbij is. Al zijn er sprankjes aan de horizon dat het weer wel mag. Het sentiment. Het gevoel.
Maar vergis je niet: Medtner zingen is niet makkelijk! Dat komt door de complexiteit van de muziek. Pianopartij is nadrukkelijk aanwezig en dat terwijl zanglijnen voornamelijk lyrisch en ingetogen zijn en dat is wat de muziek van Medtner aantrekkelijk én uitdagend maakt. Beide artiesten kweten zich voortreffelijk van hun taak.
Met spanning wacht ik het vervolg af. En zo lang het duurt blijft deze cd in mijn cd-speler.
And now I would like to tell you about George London. Born as George Burnstein into a family of Russian Jewish immigrants in Montreal, Canada in May 1920, he grew up in Los Angeles and began his career in the 1940s in the Bel-Canto Trio. The other two were soprano Frances Yeend and … Mario Lanza!
with Mario Lanza
London was the very first American to sing Boris Godunov (in Russian!) at the Bolshoi in Moscow and was considered one of the best Wotans/Wanderers of his era. His Scarpia was also already legendary during his lifetime.
Here is a wonderful recording from a 1962 concert of George London (in perfect Russian!) as Boris,
In addition to his Boris Godunov and Scarpia, London was mainly renowned for his Don Giovanni. Everyone agreed about his Don Juan that if you ooze that much sex appeal, it can be demonic. Definitely something to think about! As far as I know, there is no complete film of the opera with him in it. All the more reason to recommend to all of you the portrait of the singer that came out a couple of years ago at Arthaus Musik (101473). The title of the documentary says it all, Between Gods and Demons.
About a decade ago, the budget label Walhall re-issued two historic recordings of Tannhäuser on CDs, one a Berlin performance in 1949 conducted by Leopold Ludwig (WLCD 0145) with Ludwig Suthaus (Tannhäuser), Martha Musial (Elisabeth) and a very young Fischer-Dieskau (Wolfram), and the other a performance at the Met (WLCD 0095) conducted by Rudolf Kempe in 1955. Except for the not very idiomatic Astrid Varnay as Elisabeth, it featured a magnificent array of the greatest singers of the day, Blanche Thebom, George London, Jerome Hines and Ramon Vinay. Here is George London singing ‘O du mein holder Abendstern’:
But he was also a real entertainer who took popular music seriously, to him they were all ‘artificial art songs’. On the CD On Broadway (Decca 4808163) he gives us a lesson on how to sing the songs of musical composers Rogers, Kern and Loewe.
Below London sings Rogers and Hammerstein’s If I Loved You:
“This West Indian tragedy has remained the sole dramatic work of a heroic world in pre-Columbian times that, after a flourishing heyday, was abruptly terminated by foreign violence” (Egon Wellesz in 1925).
Die Opferung des Gefangenen is moeilijk in een la te stoppen: het is zowel een opera als een ballet en tegelijk ook geen opera noch ballet. Een hybride, maar een buitengewoon interessante hybride. Wellesz was altijd geïnteresseerd in het ontwikkelen van zijn eigen stijl waardoor vrijwel al zijn composities een andere ‘taal’ spreken. Zijn opleiding genoot hij bij Schönberg die hem, behalve de twaalftoonstechniek ook een grote dosis expressionisme had bijgebracht.
Die Opferung des Gefangenen heeft als bijtitel ‘Ein Kultisches Drama für Tanz, Sologesang und Chor’ en is gecomponeerd op een libretto van Eduard Stücken naar het Mayaanse spel ‘Rabinal Achi’ over een conflict tussen de Quiché en de Rabinal Indianenstammen aan het begin van de vijftiende eeuw. De première vond plaats op 2 april 1926 in Keulen, onder leiding van Eugen Szenkar.
Egon Wellesz door Oscar Kokoschka
Na de Anschluss in 1938 vluchtte Wellesz (Joods en schrijver van ‘Entartete Musik’) naar Oxford waar hij in 1974 overleed. Tegenwoordig horen we zijn muziek nog maar zelden.
De opname die Capriccio nu op cd heeft (her?)uitgebracht stamt uit 1995 en is zonder meer goed waarvoor mijn grote dank. Maar wat zou ik graag dit werk live willen meemaken, want op cd mis je de helft, het ballet.
Egon Wellesz: Die Opferung des Gefangenen Wolfgang Koch (Feldherr), Robert Brooks (Schildträger des Prinzen), Ivan Urbas (Der Älteste des Rates)
Wiener Konzertchor, ORF Vienna Radio Symphony Orchestra olv Friedrich Cerha
Capriccio C5423
In 1998 was Roberta Alexander vijftien jaar exclusief verbonden aan het Nederlandse label Et’cetera en dat moest uitbundig gevierd worden. Daar hoorde, uiteraard, ook een mooi cadeau ebij. Een cadeau voor Roberta, maar ook (of voornamelijk) voor ons, de muziekliefhebbers en haar grote fans.
Het idee achter de cd kwam van Alexander zelf. Zij verzamelde liederen die haar moeder, ook Roberta Alexander en zelf een gevierde zangeres op haar recitals placht te zingen. De dochter stond voor een onmogelijke taak: welke liederen wel en welke niet? Nee, niet makkelijk.
De meeste liederen behoren tot het ‘lichtere genre’: encores, spirituals en arrangementen van folksongs en de meeste componisten, op een enkele na, waren toen vrijwel onbekend. De grootste verrassing voor mij was Richard Hageman. Een Leeuwarder van geboorte, die in Amerika een groot succes boekte als componist (zijn opera Caponsacchi werd in 1937 in de Metropolitan Opera in New York uitgevoerd), dirigent en begeleider. De door hem gecomponeerde ‘Do not go, my love’ op gedicht van Rabindrath Tagore behoort tot de allermooiste liederen op deze cd en dat terwijl ze allemaal prachtig zijn!
Eigenlijk hoor je deze cd in je eentje (of alleen met je geliefde) te beluisteren, met een kaars aan, een glas rode wijn in de hand en de ogen dicht. Roberta Alexander creëert een zeer intieme sfeer, zij zingt met ingehouden emoties. Ontroerend.
Brian Masuda, haar partner op de piano, doet er aan mee waardoor de luisteraar gewoon betoverd wordt. Deze cd gaat mee naar een onbewoond eiland.
Roberta Alexanedr zingt Barber, kive opname uit 1993
Omdat het een jubileum was, heeft Et’cetera nog een cadeautje eraan toegevoegd: een cd met de hoogtepunten van de samenwerking tussen de zangeres en haar label: Roberta Alexander … a retrospective. Ik hoop echt dat deze cd nog in de handel is!