Castellucci’s Salome op dvd en Bluray uitgebracht

Tekst: Peter Franken

Salome Asmik cover

Romeo Castelluci’s productie van Salome was een opzienbarend succes tijdens de Salzburger Festspiele van 2018. Niet in de laatste plaats vanwege de fenomenale vertolking van de titelrol door Asmik Grigorian. De première werd live uitgezonden op tv en, aangevuld met materiaal dat werd opgenomen tijdens twee volgende voorstellingen, recent uitgebracht op dvd en Bluray. Afgelopen zomer werd de productie voor drie voorstellingen hernomen, wederom met groot succes, waarbij de bezoekers na afloop hun tevoren aangeschafte exemplaar door Frau Grigorian konden laten signeren.

Een productie van Romeo Castelluci is feitelijk een totaalkunstwerk. Hij voert de regie en ontwerpt de kostuums en het decor. Alleen voor de choreografie laat hij iemand anders toe in zijn wereld. Van Castellucci wordt wel gezegd dat hij niet zozeer personen regisseert als wel de totale ruimte ensceneert. Zijn Salome leent zich zodoende niet erg voor wijdlopige interpretaties, maar kan het beste gewoon ondergaan worden.

Het brede, ondiepe toneel van de Felsenreitschule wordt in zijn geheel benut. De bogen in de achterwand zijn dichtgemaakt, waardoor het publiek naar een gesloten, grijsgrauwe achterwand zit te kijken, wat bijdraagt aan een sfeer van beklemming. Het toneel is leeg, op een aantal goudkleurige objecten na, die soms wel, soms niet een rol in de handeling spelen.

De vloer is goud glimmend waardoor het licht zodanig reflecteert dat de spelers achter een doorzichtig gordijn lijken te staan. Dat is een klein nadeel van een opname in HD, het publiek in de zaal merkt daar niets van, zo weet ik uit eigen ervaring. Een grote opening in de vloer geeft toegang tot de cisterne waarin Jochanaan zich bevindt.

De kostuums zijn tamelijk eenvormig: mannen in donkere pakken met gedeeltelijk rood geschminkte gezichten. Het is moeilijk de verschillende personages te onderscheiden; allen zijn slechts bijfiguren in het drama dat zich voltrekt tussen de drie protagonisten. Ook Herodias, met groene schmink, wordt nadrukkelijk op de achtergrond gehouden.

Salome komt op in witte jurk met in haar hand een koninklijke witte mantel met een kroontje.  Een rode vlek suggereert dat ze menstrueert, waarmee wordt benadrukt dat ze weliswaar ongetrouwd is, maar de huwelijkse leeftijd ruimschoots heeft bereikt. Bovendien maakt dit haar extra onaanraakbaar voor de profeet; ze is in alle opzichten een onreine vrouw. Als Narroboth toegeeft en de profeet naar boven laat halen, blijft deze grotendeels in het duister gehuld. We zien slechts een zwarte schim. Salome spreekt hem toe, hij antwoordt en vervloekt haar.

Tot zover wordt het libretto vrij nauwkeurig gevolgd. Maar nadat Jochanaan zich weer in zijn kerker heeft teruggetrokken, neemt de handeling een opmerkelijke wending.Tijdens het overdonderende muzikaal tussenspel ligt Salome op haar rug en voert een complex, erotische getint ballet uit met haar benen. De choreografie van Cindy van Acker is subliem en de beheersing waarmee Grigorian dit ballet uitvoert is fenomenaal. De erotiek heeft uiteraard betrekking op de opwinding die de ontmoeting met de profeet heeft teweeggebracht. Hij heeft haar op grove wijze afgewezen en zelfs vervloekt, een geheel nieuwe ervaring voor dit luxe wezentje. Tegelijkertijd loopt er een paard rond in de cisterne, een verwijzing naar de fascinatie van jonge meisjes met grote dieren. Wel een beetje clichématig, maar heel effectief.

Sallome asmik-grigorian-r-castellucci-rezisuotoje-salomejoje-5b6078eedf35d

Salzburgerfestspiele © ruth waltz

Op het voordoek was bij aanvang te lezen: “Te Saxo Loquuator”, wat zoveel betekent als “wat de stenen je kunnen zeggen”. Castellucci gebruikt die verwijzing naar de veronderstelde kracht en macht van stenen om Salome’s dans een andere betekenis te geven. Ze wordt tijdens het begin hiervan aan het zicht onttrokken door een groep figuranten en blijkt dan plotseling vrijwel naakt in de foetushouding op een goudkleurig blok te liggen, waarop in grote letters SAXO staat.

Tijdens het muzikale intermezzo daalt langzaam een groot blok van boven neer en dreigt haar te verpletteren. In plaats daarvan wordt Salome echter door het neerkomende blok omhuld, aan het gezicht onttrokken. Ze is tot steen geworden, weliswaar een edelsteen, maar toch. De enormiteit van wat ze zich heeft voorgenomen, heeft haar op voorhand tot een ondode gemaakt.

Dramaturge Piesandra di Matteo geeft de volgende verklaring: „In ihrer Eigenschaft als Objekt verweigert sich die Figur“, so erlischt der Trieb, wodurch sich neues Potenzial erschließt.“ Hoe het ook zij, het boven genoemde ‘ballet’ eindigt duidelijk met de suggestie van een orgasme, dus ‘Trieb’ zal inmiddels minder een rol spelen. Van wraakseks met het hoofd is niet langer sprake, het gaat nu om de wraak van ‘a woman scorned’.

Opera singer Grigorian performs during a dress rehearsal of Richard Strauss' opera "Salome" in Salzburg

Salzburgergfestspiele © ruth waltz

Terwijl Herodes handenwringend probeert Salome op andere gedachten te brengen, baddert zij wat in een grote plas melk. Hij geeft toe, maar in plaats van het hoofd van Jochanaan ontvangt Salome niet geheel onverwacht eerst een paardenhoofd en pas later het lijf van de gedode profeet. Haar slotmonoloog richt Salome tot Jochanaans romp. Ze zet er ook nog even het paardenhoofd op. Ten slotte laat ze zich afzakken in een tweede cisterne en zien we nog slechts haar hoofd als Herodes het bevel geeft haar te doden.

Feitelijk is Salome een orgie van geluid en visuele ervaring, een overweldigend theaterstuk. En dat komt pas echt goed tot zijn recht als er een Salome op het toneel staat die alles en iedereen de baas is, ook het enorme orkest, hoe luid ze ook spelen. Dat maakt Asmik Grigorian tot de ideale Salome. Ze heeft een grote stem, waarmee ze op elk moment door het orkest heen weet te snijden, zonder dat het ook maar een moment geforceerd klinkt. Een Salome moet alles in huis hebben: een Isolde, maar ook een Chrysothemis en een Zdenka. Met haar heldere, wendbare stem kan Grigorian die verschillende types overtuigend ten gehore brengen. Wat haar echter tot een unieke vertolker van de beroemde titelfiguur maakt, is haar vermogen zingen en acteren tot een organisch geheel te maken.

John Daszak is vocaal een sterke Herodes, maar kan verder weinig indruk maken: alles draait hier om Salome. Zelfs Jochanaan blijft, ook letterlijk, in haar schaduw. Bas-bariton Gabor Bretz is vooral een sterk zingende schim. De enige keer dat hij goed in beeld komt, is als hij door een stel hulpkrachten met een tuinslang wordt schoongespoten.

De Wiener Philharmoniker, het huisorkest van de Salzburger Festspiele, zorgt onder leiding van Franz Welser-Möst voor een zeer geslaagde muzikale ondersteuning, hier en daar de hoofdrol opeisend tijdens de tussenspelen.

Deze opname door (C-major 801704) is een absolute aanrader voor liefhebbers van dit topwerk van Richard Strauss.

Trailer van de productie:

Asmik Grigorian, John Daszak, Anna Maria Chiuri, Gábor Bretz, Julian Prégardien
Wiener Philharmoniker olv Franz Welser-Möst
Regie: Romeo Castelluci

Verismo at the Amstel: we missed Sicily but we had voices!

pagliacci-dena-us5mb_5794

Brandon Jovanovich (Canio) (© The National Opera / photo BAUS

Let’s clear up a misunderstanding: Cavalleria Rusticana by Mascagni and Pagliacci by Leoncavallo have almost always and almost everywhere been billed as a diptych but they are certainly not that. It was just a convenient solution: two short operas that matched each other in terms of musical language and emotions could easily be programmed on one evening. The fact that the composers were more or less the same age and that their operas were created at the same time was also a bonus. But to say that they belong together and that they should always stay together? No.

Also the order: first Cavalleria and then Pagliacci is not really fixed. That too, after more than a hundred years just became tradition. A tradition that no longer has been strictly followed for years. So there is nothing revolutionary about changing the order. Personally, I’ve seen several performances that started with the ‘Prologo.’ Something that seems quite logical to me.

Robert Carsen is one of the greatest opera directors in the world. His theatre-in-theatre vision is still valuable, after all he became famous for it, but with this staging he went back, as it were, to his early years in Antwerp. Everything that worked as an eye-opener at the time now looks quite old-fashioned and second hand. How many times before have we seen rows of empty chairs? Sigh.

pagliacci-dena-usdsc_5720

© De Nationale Opera / photo BAUS

And yet… He is and remains perfect at Personenregie. His mise en scène, although sometimes I don’t care for it it, is certainly of the highest level. Above all, his staging of Pagliacci is nothing less than phenomenal. The fact that the stage is almost bare doesn’t matter, because that magnifies the emotions of the characters, also because Carsen allows the singers to play out the ‘veristic’ aspects which really works very well. So good, in fact, that at the intermission I left the auditorium with a tearful face.

Compared to the first half, Cavalleria Rusticana was a cold shower. Here, all emotions were degraded to below zero, as people were only rehearsing for the performance of – how do you guess? – Cavalleria Rusticana. Interesting, though, but haven’t we seen that a thousand times before? Think of Carsens Don Giovanni for La Scala. Or his Hoffmann for Paris. So second-hand.

The story itself was mutilated so terribly that at a certain moment I lost my mind and thought that Santuzza’s aria was cut in half. It wasn’t, but it reflects the confusion. I’m not going to complain about it anymore, but forget about Sicily, forget about Easter Sunday. ‘A te la mala Pascua’, for me the key to the opera, was translated as ‘I wish you a miserable day.’  It felt just as strange as Puccini would be played by a small baroque ensemble with Emma Kirkby as Tosca. Every period has its own rules and verismo is about raw reality.

Pagl Lorenzo

Lorenzo Viotti © Ron Jacobi

With this ‘diptych’ Lorenzo Viotti, our new chief conductor, made his debut with the National Opera almost two years earlier than scheduled. It was more than exciting: for us, for the orchestra but most of all for Viotti himself. I have to say that the acquaintance made me quite happy. Not that everything went so fantastically and flawlessly, that wasn’t possible either.  Imagine standing in his shoes!

I think Viotti has more affinity with Pagliacci than with Cavalleria and that was audible. His Pagliacci was extremely exciting. He did not shy away from big outbreaks but also took the time for moments of reflection. All these emotions were audible in the orchestra pit, which reinforced the sensation.

For ‘Cavalleria’ the music was on a low heat and the famous Intermezzo was played so faintly that nobody applauded, despite the small break, meant for the applause that did not come. But perhaps it also had to do with the concept of Carsen? Hard to say.

Anyway, enough complaining, because the most important thing in the opera is the singing, which was simply terrific! What we got was no less than the ‘sternstunde’ you’ve been experiencing so rarely these days. And to think that the most protagonists made their debut in their roles!

First and foremost: kudos to the chorus of the National Opera. They carried the opera on their shoulders (sometimes literally). They played, they acted, they walked in and out of the auditorium, and in Pagliacci they even became the spectators: as it should be. And ‘in between’ they sang, and how! I really do take my hat off to that.

PAGLIACCI

pagliacci-dena-us5mb_5783

Brandon Jovanovich (Canio) (© De Nationale Opera / photo BAUS)

Brandon Jovanovich made his double debut: it was his first Canio and it was the first time he sang with the DNO. Why did we have to wait so long to hear this great American tenor in real life? His portrayal of the clown who does not want to be a clown was of the highest level. And, let me tell you: I cried at his ‘ Vesti la giubba. ‘ I really cried. And that’s what the opera is about, isn’t it? Thanks Brandon!

pagliacci-dena-usdsc_5909

© De Nationale Opera / photo BAUS

His Nedda was sung by a now major star on the opera firmament: Ailyn Pérez. What can I say? That her fame is not undeserved and that it has not come out of the blue? Her quicksilver coloraturas were a delight to the ear and her performance worthy of a movie star.

pagliacci-dena-us_23m6365

© De Nationale Opera / photo BAUS

Mattia Olivieri was a beautiful, sensual Silvio. With his creamy baritone he managed to convey his feelings for Nedda. Although I personally think it was more lust than anything else (don’t tell! #metoo listens in!).

pagliacci-dena-us_csl4380

(© De Nationale Opera / photo BAUS)(© De Nationale Opera / photo BAUS)

I was very pleased to be introduced to the young tenor Marco Ciaponi (Beppe). His role was small, but I heard great potential!

And then we arrive at Tonio/Taddeo/prologo: Roman Burdenko. I am not often lost for words, but this time I was really speechless after the performance of this baritone. It was even more impressive because after intermission he continued as Alfio, in:

CAVALLERIA RUSTICANA

cavalleriarust-us5mb_6005

Roman Burdenko (© De Nationale Opera / photo BAUS)

And if you list all the roles he sang in one evening without a break, you can’t help but bow your head in admiration.

cavalleriarust-us5mb_5976

Brian Jagde (Turiddu) and Anita Rachvelishvili (Santuzza) (© De Nationale Opera / photo BAUS

I had heard Brian Jagde (his name is pronounced the German way) twice before. Once live, in Verdi’s Requiem. The second time was on the DVD recording of Das Wunder der Heliane by Korngold, where he performed about the best Stranger in history. I was more than anxiously awaiting his debut as Turiddu. Not in vain. Jagde was the Turiddu of many girl’s dreams: attractive, seductive, macho, but with a small heart. Wonderful.

cavalleriarust-us_dsc5551

Rihab Chaieb (Lola) and Brian Jagde (Turiddu) © De Nationale Opera / photo BAUS

Rihab Chaieb was a Lola as we remember from old Italian films. Her dress, her hairstyle, her presence resembled none other than Gina Lollobrigida. Very sensual and provocative, as it should be. We’ll hear more of her.

cavalleriarust-us_csl4547

(© De Nationale Opera / photo BAUS

Elena Zilio (mama Lucia) sang incredibly well, but her character didn’t really come into its own. Actually she was totally left to her own devices by Carsen and that’s a pity.

But the real star of the evening was the Georgian mezzo-soprano Anita Rachvelishvili. My God, how wonderful she was! I would have liked to hear her in a different, more realistic staging of the opera. One, where she can let go of all her emotions – and she has them all ready – without the armour of ‘the rehearsal’.

All in all: don’t miss it. Even if it is only because of the singers!

Trailer of the production:

Final applause (© Ron Jacobi)

Ruggero Leoncavallo: Pagliacci
Pietro Mascagni: Cavalleria rusticana
Brandon Jovanovich, Ailyn Pérez, Roman Burdenko, Mattia Olivieri, Anita Rachvelishvili, Brian Jagde, Elena Zilio, Rihab Chaieb
Netherlands Philharmonic Orchestra and Choir of the National Opera (rehearsal Ching-Lien Wu) conducted by Lorenzo Viotti.
Directed by Robert Carsen

Seen on 5 September 2019

In Dutch:
Verisme aan de Amstel mist Sicilië, maar de zangers maken alles meer dan goed

About Cavalleria Rusticana:
Is verismo dead? Part 1: Cavalleria Rusticana

Translated with http://www.DeepL.com/Translator

Verisme aan de Amstel mist Sicilië, maar de zangers maken alles meer dan goed

pagliacci-dena-us5mb_5794

Brandon Jovanovich (Canio) (© De Nationale Opera / foto BAUS

Even een misverstand uit de wereld helpen: Cavalleria Rusticana van Mascagni en Pagliacci van Leoncavallo worden dan al meer dan honderd jaar bijna altijd en bijna overal als een bij elkaar horende tweeluik gespeeld maar een tweeluik zijn ze allerminst. Het kwam gewoon goed uit: twee korte opera’s die qua muzikale taal en emoties niet voor elkaar deden konden makkelijk op één avond worden geprogrammeerd. Dat de componisten zowat elkaars leeftijdsgenoten waren en dat hun opera’s in min of meer in dezelfde tijd zijn ontstaan was gewoon meegenomen. Maar om te zeggen dat ze bij elkaar horen en dat ze altijd bij elkaar moeten blijven? Nee.

Maar ook de volgorde: eerst Cavalleria en dan Pagliacci staat niet echt vast. Ook dat is er zo stilletjes aan in geslopen en na die meer dan honderd jaar gewoon traditie geworden. Een traditie die al jaren eigenlijk niet meer strikt wordt gevolgd. Er is dus niets revolutionairs aan om de volgorde om te gooien. Zelf heb ik al een paar voorstellingen gezien die met de ‘Prologo’ beginnen. Wat mij eigenlijk best logisch lijkt.

Robert Carsen behoort tot de grootste operaregisseurs ter wereld. Zijn theater-in-het-theater visie mag er nog wezen, daar is hij tenslotte beroemd om geworden, maar met deze enscenering ging hij als het ware terug naar af, naar zijn beginjaren in Antwerpen. Alles wat toen als eye-opener werkte doet nu behoorlijk ouderwets en tweedehands aan. Hoe vaak hebben we al niet de rijen lege stoelen mogen aanschouwen? Zucht.

pagliacci-dena-usdsc_5720

© De Nationale Opera / foto BAUS

Maar, maar …. Hij is en blijft een fantastische personenregisseur. En zijn mise-en-scène, al vind ik er soms niets aan is zeer zeker van het hoogste niveau. En het allerbelangrijkste: zijn enscenering van Pagliacci is niet minder dan fenomenaal. Dat de bühne vrijwel kaal is doet er niet toe want daardoor worden de emoties van de personages uitvergroot, ook omdat Carsen ze toestaat om op zijn ‘veristisch’ uit te pakken en dat werkt. Zo goed zelfs dat ik de pauze met betraand gezicht ben in gegaan .

Des te groter werd de ‘koude douche’ die hij als Cavalleria Rusticana heeft gepresenteerd. Hier werden alle emoties tot onder nul gedegradeerd, men was immers alleen maar met de repetities voor de voorstelling van – hoe raad je het al? – Cavalleria Rusticana bezig. Interessant, dat wel, maar: hebben we het al niet duizend keer gezien? Denk aan Carsens Don Giovanni in La Scala. Of zijn Hoffmann in Parijs. Tweedehandsje dus.

 Het verhaal zelf werd daardoor zo verschrikkelijk verminkt dat ik op bepaald moment de kluts kwijtraakte en dacht dat Santuzza’s aria in tweeën werd geknipt. Dat was niet zo, maar dat geeft de verwarring weer. Ik ga er verder niet meer over zeuren, maar: vergeet Sicilië, vergeet de Paaszondag. ‘A te la mala Pascua’, voor mij dé spil waar de opera om draait werd vertaald met ‘ik wens je een ellendige dag’. Het voelde net zo vreemd aan als Puccini gespeeld zou worden door een klein barokensemble met Emma Kirkby als Tosca. Elke periode heeft zijn regels en bij het verisme gaat het om de rauwe realiteit.

Pagl Lorenzo

Lorenzo Viotti © Ron Jacobi

Met de ‘tweeluik’ maakte Lorenzo Viotti, onze nieuwe chefdirigent zijn bijna twee jaar vervroegde debuut bij De Nationale Opera. Het was meer dan spannend: voor ons, voor het orkest maar het meest voor Viotti zelf. Ik moet eerlijk zeggen dat de kennismaking mij behoorlijk blij maakte. Niet, dat alles zo fantastisch en vlekkeloos is gegaan, dat kon ook niet. Ga maar in zijn schoenen staan!

Ik denk dat Viotti meer affiniteit heeft met Pagliaccio dan met Cavalleria en dat was hoorbaar. Zijn Paljas was buitengewoon spannend waarbij hij geen heftige uithalen schuwde en ook de tijd nam voor momenten van bezinning. Al die emoties waren in de orkestbak hoorbaar, wat de ontroering nog versterkte

Bij ‘Cavalleria’ stond de muziek op een zwak pitje en de beroemde Intermezzo werd zo flauw gespeeld dat er zelfs geen opendoekje volgde, ondanks de kleine pauze, bedoeld voor het applaus dat dus niet kwam. Maar wellicht had het ook met het concept van Carsen te maken? Moeilijk te zeggen.

Maar goed, genoeg geklaagd, want dat, wat bij de opera het belangrijkste is, de zang, dat was gewoon formidabel! Wat we kregen was niet minder dan het “sternstunde’ wat je de laatste tijd echt zelden meemaakt. En dan te bedenken dat de protagonisten hun debuut in hun rollen maakten!

Allereest: kudo’s aan het koor van de Nationale Opera. Zij hebben de opera op hun schouders (soms letterlijk) gedragen. Zij speelden, zij acteerden, zij liepen de zaal in en uit, en bij de Pagliacci werden ze zelfs de toeschouwers: zoals het hoort. En ‘tussendoor’ zongen zij, en hoe! Daar neem ik werkelijk mijn petje voor af.

PAGLIACCI

pagliacci-dena-us5mb_5783

Brandon Jovanovich (Canio) (© De Nationale Opera / foto BAUS)

Brandon Jovanovich makte zijn dubbele debuut: het was zijn eerste Canio en het was de eerste keer dat hij bij DNO mocht zingen. Waarom moesten we zo lang wachten om die geweldige Amerikaanse tenor in het echt te mogen horen? Zijn portrettering van de paljas die geen paljas wil zijn was van het hoogste niveau. En, zal ik u wat verklappen? Ik moest om zijn ‘Vesti la giubba’ huilen. Echt huilen. En daar gaat de opera toch over? Bedankt Brandon!

pagliacci-dena-usdsc_5909

© De Nationale Opera / foto BAUS

Zijn Nedda werd gezongen door een inmiddels grote ster aan het operafirmament: Ailyn Pérez. Wat zal ik zeggen? Dat haar roem niet onverdiend is en niet uit de hemel is komen vallen? Haar kwikzilveren coloraturen waren een streling voor het oor en haar optreden filmster waardig

pagliacci-dena-us_23m6365

© De Nationale Opera / foto BAUS

Mattia Olivieri was een mooie, sensuele Silvio. Met zijn smeuïge bariton wist hij zij gevoelns voor Nedda over te brengen. Ale denk ik zelf dat het meer lust dan iets anders was (niet doorvertellen! #metoo luistert mee!)

pagliacci-dena-us_csl4380

(© De Nationale Opera / foto BAUS)(© De Nationale Opera / foto BAUS)

Buitengewoon prettig vond ik de kennismaking met de jonge tenor Marco Ciaponi  (Beppe). Zijn rol was dan klein, maar ik hoorde een groot potentieel!

En dan komen we bij Tonio/Taddeo/prologo: Roman Burdenko. Niet vaak raak ik uit mij vocabulaire, maar nu was ik echt sprakeloos door de prestaties van de bariton. Ook, omdat hij na de pauze gewoon doorging als Alfio, in:

CAVALLERIA RUSTICANA

cavalleriarust-us5mb_6005

Roman Burdenko (© De Nationale Opera / foto BAUS)

En als je al die rollen die hij in één avond zowat zonder pauze zong opsomt, dan kun je niet anders dan je hoofd buigen in de bewondering.

cavalleriarust-us5mb_5976

Brian Jagde (Turiddu) en Anita Rachvelishvili (Santuzza) (© De Nationale Opera / foto BAUS

Brian Jagde (zijn naam spreek je op zijn Duits uit!) heb ik daarvoor twee keer gehoord. Een keer live, in het Requiem van Verdi. De tweede keer was op de dvd opname van Das Wunder der Heliane van Korngold, waar hij zowat de allerbeste Vreemdeling uit de geschiedenis heeft vertolkt. Zijn debuut als Turiddu zat ik dus meer dan gespannen af te wachten. Niet te vergeefs. Jagde was de Turiddu van veel meisjesdromen: aantrekkelijk, aanlokkelijk, macho, maar met een klein hartje. Schitterend.

cavalleriarust-us_dsc5551

Rihab Chaieb (Lola) en Brian Jagde (Turiddu)  © De Nationale Opera / foto BAUS

Rihab Chaieb was een Lola zoals we ze nog kennen uit de oude Italiaanse films. Haar jurk, haar kapsel, haar presence leek op niemand anders dan Gina Lollobrigida. Zeer sensueel en uitdagend, zoals het hoort. Daar zullen we nog meer van horen.

cavalleriarust-us_csl4547

(© De Nationale Opera / foto BAUS

Elena Zilio (mama Lucia) zong waanzinnig goed, maar haar personage kwam niet goed uit de verf. Eigenlijk werd zij door Carsen totaal aan haar lot overgelaten en dat is jammer.

Maar de echte ster van de avond was de Georgische mezzosopraan Anita Rachvelishvili (Santuzza), mijn God, wat was zij geweldig! Ik had haar graag in een andere, meer realistische enscenering van de opera willen horen. Een, waar zij al haar emoties – en die heeft zij allemaal paraat – los kan laten gaan, zonder het harnas van ‘de repetitie’.

Al met al: mis het niet. Al is het alleen vanwege de zangers!

Trailer van de productie:

Slotapplaus © Ron Jacobi:

Ruggero Leoncavallo: Pagliacci
Pietro Mascagni: Cavalleria rusticana
Brandon Jovanovich, Ailyn Pérez, Roman Burdenko, Mattia Olivieri, Anita Rachvelishvili, Brian Jagde, Elena Zilio, Rihab Chaieb
Nederlands Philharmonisch Orkest en Koor van De Nationale Opera (instudering Ching-Lien Wu) olv Lorenzo Viotti.
Regie: Robert Carsen

Bezocht op 5 september 2019

Mini discografie van Pagliacci van Leoncavallo: snikken? Niet snikken?

Is verismo dead? Part 1: Cavalleria Rusticana

Mini discografie van Pagliacci van Leoncavallo: snikken? Niet snikken?

Paljas

©Bibliotheque de l’Opera Garnier

Pagliacci van Ruggiero Leoncavallo wordt vrijwel altijd aan Cavalleria Rusticana van Mascagni vastgekoppeld en dat al meer dan honderd jaar lang. Niet dat het ooit de bedoeling was, maar logisch is het wel. Beide (korte) opera’s werden geschreven door twee zeer begaafde jonge componisten die aan het begin van hun carrière stonden. Beide werken ontstonden – onafhankelijk van elkaar – in dezelfde tijd en beiden spelen zich af in de verzengende hitte van Calabrië (Pagliacci) en Sicilië (Cavalleria) waar liefde onvoorwaardelijk is en waar op overspel de doodstraf staat.

Ook in de studio’s werden de opera’s vaak samen opgenomen en als duo-verpakking gepresenteerd, veelal met dezelfde zangers wat niet altijd goed uitpakte.

CD’s

RENATO CELLINI

Paljas cellini

Op de uit 1953 stammende opname onder leiding van Renato Cellini (Warner Classics 5856502) zingt Jussi Björling een memorabele Canio en is Victoria de los Angeles een mooie, al niet helemaal adequate Nedda. Wat de opname echt bijzonder maakt is de bijdrage van beide baritons: Lenard Warren (Tonio) en Robert Merrill (Silvio), dat krijg je niet meer voor elkaar. Luister alleen maar naar Warrens ‘Si pui…’  Mijn God. Hier kan ik alleen maar bij janken…


TULIO  SERAFIN

Paljs Callas

In 1955 nam Maria Callas de rollen van Santuzza en Nedda op. Zoals altijd is ze onweerstaanbaar al vind ik haar Santuzza iets beter geslaagd dan Nedda. Met de laatste heeft ze hoorbaar minder affiniteit wat niet alleen aan de coloraturen ligt. Maar goed, zij had het niet zo op met overspelige vrouwen. Als haar Canio (en Turiddu) horen we Giuseppe di Stefano. Mooi gezongen dat wel, maar voor mij veel te licht en met te weinig profilering. Tito Gobbi (Tonio) daarentegen is niet minder dan geniaal. legendarisch. Tulio Serafin maakt een echte drama van, zijn directie is spannender dan spannend (Warner Classics 2564634091


RICCARDO MUTI
Paljas Muti

In de opname van Riccardo Muti uit 1987 (EMI 7636502) is José Carreras de ster die beide opera’s verbindt. Voor beide rollen vind ik hem te licht, maar zijn interpretatie van voornamelijk Canio is doordacht en geloofwaardig. Montserrat Caballé is een aardige Santuzza, en Renata Scotto een dito Nedda al kan ik geen van beiden echt overtuigend vinden. Kari Nurmela (Tonio) en Matteo Manuguerra (Alfio) zijn ronduit saai, maar Thomas Allen is een Silvio uit duizenden. Riccardo Muti dirigeert afstandelijk en onderkoeld.


RICCARDO CHAILLY

Paljas Chaiky

Vergeet ook de opname niet die Riccardo Chailly (Decca 4670862) maakte tijdens het Kerstmatinee in het Concertgebouw 1999. José Cura was toen nog veelbelovend en op zijn Canio is weinig aan te merken. Ook de rest van de cast (Barbara Frittoli als Nedda, Carlos Álvarez als Tonio en voornamelijk Simon Keenlyside als Silvio) was bijzonder sterk.


DVD

Paljas Madrid
Van Giancarlo del Monaco verwacht je niet direct innovatie, modernisering of concepten, maar met de in februari/maart 2007 in Madrid verfilmde enscenering van ’Cav/Pag’ slaagt hij erin om iedereen te verrassen. Niet dat het zo gewaagd is: Pagliacci is tamelijk traditioneel, al had hij de actie verplaatst naar de jaren vijftig/zestig. De levensgrote posters uit ‘La Dolce Vita’ en de grote bedrijvigheid roepen de sfeer van een filmset op, dat is ook del Monaco’s bedoeling, het is zijn hommage aan Fellini.

Echt vernieuwend is de presentatie van beide eenakters: del Monaco beschouwt ze als een verstrengelde Siamese tweeling, voor altijd met elkaar verenigd. De voorstelling begint aldus met de proloog uit Pagliacci, volgens del Monaco hét manifest van het verisme, die daarna naadloos overgaat in Cavalleria Rusticana. Ook de laatste en de eerste scène van beide opera’s lopen in elkaar over: tussen de menigte, uitgelopen om komedianten te begroeten wordt het lichaam van Turiddu gedragen. De zwart/witte Cavalleria staat wel in groot contrast met de kleurrijke en sensuele ‘Pagliacci’. De uitvoering is aardig, maar niet meer dan dat.

Violeta Urmana, Vincenzo La Scola, Marco de Felice, Vladimir Galouzine, Maria Bayo, Carlo Guelfi; Madrid Symphony Orchestra &  Chorus olvJesús López Cobos (Opus Arte OA 0983 D)

FILM

Paljas corelli

Canio was niet de geliefde rol van Franco Corelli. In 1954 zong hij hem voor het eerst, in de studio van de Italiaanse televisie. De uitvoering werd er toen op een band opgenomen en is een tijd geleden op DVD uitgekomen (Hardy Classics HCD 4016). Hij heeft zijn uiterlijk wat tegen (te knap, te jong), maar daar tegenover staat een interpretatie die alleen een hart van steen onberoerd zal laten. Mafalda Micheluzzi is, ook optisch, een zeer goede Nedda en met Tito Gobbi haalt men niet alleen een zanger en acteur, maar ook een duivelskunstenaar met duizenden gezichten in huis.

Paljas film

Het verhaal van Pagliacci waarin de realiteit en het theater elkaar beïnvloedden en door elkaar heen liepen, was blijkbaar sterk genoeg om interessant te zijn voor de filmindustrie. Leoncavallo schreef zelf zijn libretto, dat, volgens zijn eigen zeggen geïnspireerd was op een echte gebeurtenis waarvan hij getuige was toen hij nog een kind was,

In 1942 werd het verhaal verfilmd (regie Giuseppe Fatigati) als een deel van een ander verhaal: Canio wordt uit de gevangenis ontslagen, gaat op zoek naar zijn dochter en vertelt zijn levensgeschiedenis aan een jonge componist, die dan ook prompt een opera van maakt.

De ‘echte’ Canio wordt gespeeld door Paul Hörbiger en zijn opera alter ego door Beniamino Gigli. Alida Valli, toen een Italiaanse sekssymbool is Nedda. Het is een jaar of twintig geleden op dvd uitgebracht (BCS D0513), in zwart wit en met Engelse ondertitels, maar een beetje kennis van het Italiaans kan geen kwaad – de ondertitels zijn niet altijd goed zichtbaar.

VARIA

Paljas milne

Jaren geleden, toen klassieke muziek nog geen taboe was op de televisie en de programma’s over de operazangers even geliefd waren als die over de popsterren, heeft een Duitse TV-team een portret van de Amerikaanse bariton Sherrill Milnes gemaakt. Het geheel werd door Burt Lancaster bij elkaar gepraat en er deden ook een paar collega zangers mee: Plácido Domingo, Mirella Freni, Peter Schreier en Julia Miguenes. Het begon heel erg symbolisch met de proloog uit Pagliacci, en eindigde met Credo uit Otello, twee van de beste rollen uit de carrière van deze geweldige zanger-acteur (VAI 4355)

Palas vesti

Van ‘Vesti la giubba’, de tenoraria aller tijden zijn de uitvoeringen niet te tellen. Alleraardigst is een cd van Bongiovanni (GB 1071-20) waarop 23 tenoren uit de schellaktijd hun visie daar op laten schijnen. De allereerste opname dateert uit 1907 (Antonio Paoli, de allereerste Canio, plus Enrico Caruso), de laatste is uit 1944 (Jussi Björling). Er wordt in verschillende talen gezongen en het is meer dan leuk om te horen wie wel en wie niet snikt. Nu: Paoli doet het wel!

Paljas boek

Een jaar of 25 geleden heeft de Duitse rechter en een groot operakenner Dieter Zöchling een boek geschreven over fictieve processen van de moordenaars op de operabühne. Alle belangrijke karakters uit de desbetreffende opera’s komen voor de getuigenbank, wat voor extra achtergrondverhalen zorgt, waanzinnig leuk. Canio werd voor twintig jaar gevangenis veroordeeld.

Dieter Zöchling; Freispruch für Tosca – Jago soll hängen. Fiktive Prozesse.
ISBN 3784421288

Discografie van Cavalleria Rusticana:
Is verismo dead? Part 1: Cavalleria Rusticana

Duvel of Prosecco? Graindelavoix zingt Gesualdo in Utrecht

Tekst: Neil van der Linden

grende

Graindelavoix © Koen Broos

Ik weet nog dat ik overrompeld werd door de eerste CD van dit ensemble, Caput, uit 2006, met de Missa Caput van Ockeghem in een huiveringwekkende uitvoering, dat was toen de Fame CD-winkel nog in de Kalverstraat zat. Hier leken karakters uit een Brueghel-dorpsleven aan het zingen te zijn geslagen. Oud-Vlaamse boerenzang van ver voor de Beeldenstorm, huiveringwekkend geloei in een middeleeuwse Belgische basiliek. Maar als je goed luisterde hoorde je toch een feilloze techniek. Ook, dan waren het waarschijnlijk de beste en meest toegewijde zangers van een rijke Vlaamse stad die zo hadden geklonken, de meesterzangers van Mechelen, zoiets. Lange slepende uithalen en intonaties bewust niet precies op de toon ge-’pitcht’, met een korrel, (‘grain’), graantje, op de stembanden, korrelig.

Waar de meeste ensembles wel twee missen van Ockeghem en nog wat motetten op een CD stopten, volstond Graindelavoix met een enkele, helemaal uitgesponnen mis, met nog een handvol motetten en stukken Gregoriaans. Maar het paste allemaal wonderwel. En natuurlijk wisten deze ‘boerenzangers’ heel goed wat ze deden en wat ze wilden bereiken.

fomu19_Graindelavoix 1 (c) Marieke Wijntjes

©Marieke Wijntjes

Het concert duurde van acht tot bijna twaalf, twee voor twaalf om precies te zijn. Dat is niet kort, zij het dat er twee pauzes waren ingelast, ook om de zangers even op adem te laten komen. Gelukkig waren het korte pauzes, want al snel konden wij, het hele publiek, en, zo leek het, ook de zangers, er niet genoeg van krijgen.

Het vanuit Antwerpen begonnen ensemble exploreert onder leiding van oprichter, dirigent, musicoloog en antropoloog Björn Schmelzer al enige tijd repertoire van de vijftiende en zestiende eeuw. Het bouwt, zo klinkt het, voort op de benadering waar de Franse musicoloog Marcel Pérès en zijn gezelschap Organum ooit mee begonnen.

Het idee is dat je muziek waarvan we soms alleen wat gothische noten en wat beschrijvingen hebt, maar waarvan je weet dat die enorme impact heeft gehad, misschien goed kunt benaderen door eerst als het ware nog verder terug te gaan in de tijd, en dan vooruit te kijken. Dus je probeert te bedenken hoe de muziek klonk die ervoor kwam en ervan uit te gaan dat de componisten en uitvoerenden daarmee vertrouwd waren, in plaats van uit te gaan van het ons bekende dat erna kwam.

En die tijden ervoor, de ‘donkere’ Middeleeuwen en nog daarvoor, waren natuurlijk opwindende tijd. In Europa de opkomst en definitieve bevestiging van het Christendom, en aan de zuidkant van de Middellandse Zee, waar het Christendom vandaan kwam, vervolgens de opkomst van de Islam. En daar loopt dan steeds ook het Jodendom doorheen, dat in Islamitisch Spanje en vervolgens het Ottomaanse rijk tot bloei kwam, nadat het eerst door de Romeinen leek weggevaagd. Marcel Pérès en zijn Organum gingen terug tot de muziek zoals die in de vijfde-eeuwse kerk van Rome zou hebben kunnen klinken.

We weten dat de kerkvader St Augustinus, zelf een Berber, afkomstig uit wat nu Algerije is, elementen uit de toenmalige Noord-Afrikaanse muziek in de kerk van Rome introduceerde, omdat hij de bestaande Roomse praktijk zo saai vond. Pérès castte Byzantijnse en Libanese zangers in zijn ensemble. In plaats van zuiver meteen op de toon te zingen, zoals latere klassieke principes voorschrijven, behoort tot de versiertechniek dat je dan juist via een glissando of eigenlijk portamento omhoog of omlaag naar de toon toe zingt, zoals heden ten dage nog steeds de regel is in veel Arabische muziek, onder meer in de Libanese en Syrische kerkmuziek. Er was genoeg reden om van daaruit naar laat-Middeleeuwse en Renaissance-muziek te extrapoleren.

Organum kwam tot Josquin Desprez en Pierre de la Rue. Graindelavoix is nu tot Gesualdo gegaan. En ook Björn Schmelzer haalde Mediterraanse en Zuid-Europese specialisten in huis. Countertenor Razek-François Bitar komt uit Aleppo, en de Roemeens bas-bariton Adrian Sirbu is specialist in de Byzantijnse muziek. Laatstgenoemde nam een deel van de Gregoriaanse tussenzangen voor zijn rekening, en paste daarbij juist die prachtige Byzantijnse intonaties toe.

Kan dat allemaal met Gesualdo? Welnu, ervan afgezien dat je door die extrapolatiemethode misschien tot dit resultaat komt, en dat het resultaat hoe dan ook fascinerend klonk, kun je redeneren dat Napels lange tijd Spaans is geweest, en dat Napels’ muziek dus zeer zeker ook laat-Moorse invloeden heeft ondervonden. Terwijl Napels, een smeltkroes van de wijde omgeving, ook niet ver van Sicilië ligt, dat enige tijd Arabisch is geweest, en ja, het Arabische rijk heeft zich zelfs enige tijd tot de Zuidpunt van het Italiaanse vasteland uitgestrekt.

fomu19_Graindelavoix 2 (c) Marieke Wijntjes

©Marieke Wijntjes

Als ik wat ik deze avond hoorde vergelijk met wat ik op Spotify vind van gerenommeerde ensembles als de Tallis Scholars, het Hilliard Ensemble of Les Arts Florissants, vind ik de aanpak van Graindelavoix echt opwindender en inventiever. Grappig, maar misschien niet verbazingwekkend is dan dus dat een in Vlaanderen gelokaliseerd ensemble de meeste emotie brengt in deze muziek. In de twee pauzes zag ik om deze reden misschien dan ook meer mensen met een stevig bokaal Duvel of Affligem Blond rondlopen dan met prosecco, al dan niet spumante.

IMG_8448

© Neil van der Linden

Zoals ensembleleider en dirigent Björn Schmelzer in de toelichting opmerkt, het is toch al zo moeilijk het persoonlijk leven van Gesualdo te scheiden van de muziek. Iedereen, nou ja bijna iedereen, kent hem van de dubbele moord die hij pleegde, op zijn eerste echtgenote, die tevens zijn eerstelijns nicht was, en haar minnaar, ook hoge adel. De Gesualdo’s waren rijk en aangetrouwd aan een paus, dus er zal wel flink wat klassenjustitie zijn bedreven om hem dit te vergeven.

Gesualdo

Gesualdo bent the rules of harmony in extreme ways.
Illustration by Pierre Mornet

Er zijn hypotheses dat hij het zichzelf nooit heeft vergeven. Hij trouwde nog een keer, nu met Leonora de Este van de hertogenfamilie van Ferrara, maar hij leed steeds meer aan depressies.  Vandaar, zegt men, dat Gesualdo in het verhaal van de lijdensweek, vol verraad (Judas), verloochening (Petrus) en onverschilligheid (de discipelen die in slaap vielen terwijl Christus even de Hof van Ghetsemaneh in ging om in zijn laatste uren te bidden), mogelijkerwijs de ultieme weergave van zijn eigen levenservaringen aantrof.

Wel, dankzij zijn geprivilegieerde positie kon hij ook componeren. En hij kon het zich permitteren de werken in topuitvoeringen te laten uitvoeren. Naar het schijnt meestal voor zichzelf, maar wel met de beste beschikbare musici. Geld speelde geen rol. Toch is het de vraag of hij ooit een droomuitvoering als deze heeft gehoord.

In de langgerekte maar relatief smalle ruimte van de Utrechtse Janskerk wist het ensemble een indringende intimiteit te scheppen, door zich heen en weer door het langwerpige middenschip en koor van de basiliek te verplaatsen, zodat iedereen vroeg of laat het ensemble van vlakbij te horen kreeg, en op andere momenten verder af, waarbij je naast de klanken ook ruimte en tijd onderging. Gesualdo’s grillige telkens wisselende harmonieën, hoewel duizelingwekkend complex, werkten op zeker moment uniformerend, wat een trance teweegbracht.

De Tenebrae Responsoria, gepubliceerd in 1611, zijn zogenaamde Responsoria, wisselzangen, voor de Lijdensweek, met name Witte Donderdag, Goede Vrijdag en Stille Zaterdag. Stylistisch zijn het madrigalen conform het populaire zanggenre uit die tijd, maar dan wel op religieuze en niet op wereldlijke teksten, waarvan Gesualdo ook reeksen componeerde. Hij gebruikte scherpe dissonanten, met name in de passage die te maken hebben met het lijden van Christus, de discipelen die hem waren vergeten en in slaap vielen en Petrus die hem verried.

Na een turbulente avond en nacht van al deze chromatische contrasten die soms niet eens tot een oplossing komen, werd de uitvoering besloten met Gesualdo’s zetting van het Miserere, Psalm 51 (psalm 50 in de Rooms-Katholieke Vulgaat), met zijn afwisselende eenstemmige en zwaar chromatische maar wel meer homofone akkoordstructuren in de meerstemmige passages. Je moet van slechte huize komen om de intensiteit van deze te bederven. Maar misschien heeft deze psalm in moderne tijden nooit zo emotioneel geklonken als aan het eind van deze marathon.

Graindelavoix zingt Gesualdo in Chapelle Corneille Rouen, februari 2018:

Of Gesualdo veel invloed heeft gehad in zijn tijd? Zijn muziek werd spoedig vergeten. Zijn levensverhaal bleef bekend, maar pas gedurende de afgelopen eeuw werd zijn muziek echt ontdekt. Zijn harmonische experimenten maakten Gesualdo tot een darling van modernistische componisten, van Stravinsky tot Nono en Rihm, en onze eigen Van Vlijmen en Boehmer. Graindelavoix (dat gelukkig tot nu toe nooit vreselijke dingen doet als ook Pärt uitvoeren) liet ons Gesualdo als een toenmalig uniek, vooruit- maar ook terug-blikkend kind van zijn tijd zien.

Ondanks dat Utrecht een verkeersluw centrum heeft, zoals dat heet, dankzij verkeersluw beleid, drong geregeld toch een rotherrie van buiten veroorzaakt door een beklagenswaardige sterveling in diens ongetempereerde automobiel, en de Janskerk ligt pal naast de straat. In feite lieten de contrasten met deze aardse euvelen het devote en etherische van de muziek des te meer tot uiting komen.

Graindelavoix, Gesualdo’s Lamentaties
Anne-Kathryn Olsen, Carine Tinney, Razek-François Bitar, Albert Riera, Andrés Miravete, Marius Peterson, Adrian Sîrbu, Arnout Malfliet, Björn Schmelzer

Gehoord op 30 augustus 2019, Janskerk, Utrecht.

Daniel Harding dirigeert de tweede akte van Tristan en Isolde: grote namen en weinig emotie

https://www.concertgebouw.nl/media/cache/cdp_header__landscape/media/productionimage/image/fritz-luckhardt-richard-en-cosima-wagner-9-mei-1872-wenen-1280x608.jpg

Wie het onnozele plan heeft bedacht om de zangers in de uitvoering van de tweede akte van Wagners Tristan und Isolde achter het orkest op te stellen die verdient gewoon straf. Vanaf mijn eersterangs plaats kon ik niet alleen bijna niets zien maar ook weinig horen. Althans de zangers niet. Alles verdween in het orkest. Of moet ik zeggen: in het koper, want daar stonden ze opgesteld, linksachter, achter de koperblazers.

Wagner Tristan-und-Isolde-01

Tristan und Isolde, Neuschwanstein, Schlafgemach des Königs, Gemälde von August Spieß, 1881

Het beroemde liefdesduet (‘Liebesnacht’) vormt het emotionele hart van de opera. De dodelijk verliefde mensen, ziek van verlangen vallen elkaar eindelijk in de armen. Wat volgt is je reinste erotiek, extase, pornografie bijna. Een nacht dat abrupt wordt onderbroken door de waarschuwingskreet van Brangäne: koning Marke en zijn mannen komen er aan. De verliefden zijn verraden door Melot, Tristans beste vriend en vertrouweling. Dat verraad: dat staat ook genoteerd in de noten, dat is het geniale van de muziek van Wagner.

Maar die noten, die moeten gezongen worden, zo heeft Wagner het bepaald, anders had hij er geen opera maar een symfonie van gemaakt. En dat is nou waar het aan de concertante uitvoering van 31 augustus 2019 aan ontbrak. Aan goede zang. Wellicht doe ik de zangers een groot onrecht aan, maar echt kapot van wat ik hoorde was ik niet.

Hoe kan dat nou? Dat waren nu juist de namen die u allemaal naar het Concertgebouw lieten snellen, want zijn Stuart Skelton (Tristan) en Christine Goerke (Isolde) niet zowat de grootste namen in de Wagner-fach? Worden hun optredens niet overal bejubeld? Worden hun grote stemmen niet bewonderd?

Wagner 20190831_213641

© Ron Jacobi

Ik moet eerlijk bekennen dat wat ik gisteren hoorde was van het niveau okay, meer niet. Goed, ze kwamen boven het orkest uit, maar zelfs dat vaak niet. Maar nogmaals: lag het niet aan de idiote opstelling? Ik wou dat ik er een antwoord op kon geven. Wat ik het meest miste was precies dat waar de tweede akte van Tristan und Isolde over gaat: erotiek. Seks. En orgasme, een uur langdurende orgasme waar geen eind aan zal komen mits….

Claudia Mahnke (Brangäne) heb ik amper kunnen horen, maar Matthias Goerne zong een zeer fatsoenlijke koning Marke. In dit gezelschap van grote internationale namen viel mij de bijdrage van Mark Omvlee (Melot) zeer positief op. In zijn interpretatie hoorde ik de jaloezie en de afgunst, petje af dus.

Van die twee woorden die het aanstormende talent, de jonge Duitse bariton Stefan Astakhov (Kurwenal) te zingen had kan ik natuurlijk niets vinden. Ik kan alleen maar hopen dat men hem volgende keer wat meer laat zingen.

Wagner daniel-harding-pilot-768x432

Ergens las ik dat de dirigent Daniel Harding zijn vliegbrevet heeft gehaald, zijn Parijse orkest vaarwel heeft gezegd, alle optredens heeft geannuleerd en van plan is om minstens een jaar te gaan vliegen. Hij is aangenomen als piloot voor de Air France. Geen slecht idee. Zijn Tristan und Isolde in het Concertgebouw voelde alsof het gemaakt werd voor en vanuit de pilootcabine: groots maar vluchtig en zonder aandacht voor de details. Zo jammer.

Slotapplaus (© Ron Jacobi):

Richard Wagner – Tweede akte (uit ‘Tristan und Isolde’, WWV 90)
Christe Goerke, Stuart Skelton, Matthias Goerne, Clauda Mahnke, Mark Omvlee, Stefan Astakhov
Koninklijk Concertgebouworkest olv Daniel Harding

Gehoord in het Concertgebouw in Amsterdam op 31 augustus 2019

Diego Ortiz: Vesper in Surround Sound.

Tekst: Neil van der Linden

Ortiz

Diego Ortiz (Toledo 1510-Napels 1570) is zo’n componist die je in allerlei combinaties met anderen tegenkomt in thematische CDs van Jordi Savall, maar die niet altijd opvalt tussen de vele muzikale pracht en praal die de Spaanse laat-Renaissance heeft opgeleverd. Wat ook niet helpt is dat we van ’s mans leven vrijwel niets weten, terwijl Ortiz in zijn tijd wel flink aan de weg timmerde.

Ortiz’ naam duikt op in Napels, toen dat aan Spanje was gelieerd, dus in feite ‘onze’ Karel V en daarna de door ‘ons’ vermaledijde Philips II. Sterker nog, hij werkte voor de onderkoningen van Napels, waaronder Fernando Álvarez de Toledo, ofwel de derde hertog van Alba, ofwel de IJzeren Hertog, degene die later in opdracht van Philips II in de Nederlanden huishield, Alva; mooi is dat.

Ortiz schreef een standaard-handboek voor versieringstechnieken op strijkinstrumenten en een groot aantal geestelijke werken voor vocaal ensemble. De Belgische pianist Geert Callaert, eminent uitvoerder van complexe eigentijdse muziek, liet mij weten dat Ortiz ‘heel interessant contrapunt [schreef], ik heb het wel gegeven als oefening aan mijn studenten compositie om boven een ground een melodie te ontwikkelen vanuit motorische variatie en uitbreiding, heel interessant’. Tijdloze kundigheid.

https://i.ytimg.com/vi/j9DQ6eg3BvQ/maxresdefault.jpg

Er is één portret van Ortiz, wat er ook op wijst dat hij belangrijk moet zijn geweest, en misschien is hij geportretteerd als viola da gamba-speler op een schilderij van Veronese, De Bruiloft te Kana.

Ortiz el pais

© El Païs

Indachtig de praktijk die toen in de mode was om muziek uit te voeren met de musici verdeeld over de ruimte van een kerk, programmeerde het Festival Oude Muziek onder de noemer Vesper in Surround Sound een collage van Ortiz’ polyfone motetten in Muziekcentrum Vredenburg, gebruikmakend van de mogelijkheden van de grote zaal. Muziek die oorspronkelijk geschreven is voor kerkakoestiek komt soms wat ielig over in moderne concertzalen, maar nu droeg de architectuur van Muziekcentrum met zijn ‘surround’-opstelling van het publiek juist wonderwel bij aan de ruimtelijke ervaring. En het ensemble kon de drogere akoestiek van een concertzaal, waarin eventuele foutieve intonaties en inzetten worden blootgelegd die in de galm van een kerk gemakkelijk te camoufleren zijn, riant aan.

In steeds wisselende opstelling stonden vocalisten en instrumentalisten verspreid over het centrale podium, de gaanderijen en de balkons, en het was een komen en gaan van musici die over de trappen van de zaal van de ene naar de andere uitvoeringsplaats liepen. Soms leken ze te zoeken naar het juiste trapje, maar dat was misschien maar schijn, of in elk geval kwam alles altijd weer op zijn pootjes terecht, en het zien van die musici die zich door het halfdonker een weg moesten banen naar de volgende piste droeg bij aan het gevoel voor discrepantie tussen ons aardse gedoe en de hemelse zaken die zich in de muziek willen openbaren.

Ortiz el

Een paar hoge vrouwenstemmen, een uitgebreid mannenzangensemble, en een reeks van koperblazers, viola da gambas, een gigantische contrabas, een schalmei die geregeld een solo-rol nam, en een organist die geregeld heen en weer moest rennen tussen een portatief-orgel op het podium en het vaste orgel van Vredenburg, dat ook werd gebruikt, en dat zich op de eerste verdieping bevindt, het was een drukte van belang.

Ortiz zal in zijn theorieboeken vermoedelijk hebben geschreven welke instrumenten in zijn omgeving gebruikelijk waren, en schilderijen uit die tijd laten incidenteel zien hoe muziek werd uitgevoerd, toch zijn zulke uitvoeringen speculatief. Maar dat maar dat maakt het ook mogelijk je fantasie te gebruiken, en dat deed artist in residence Marco Mencoboni, een enthousiaste en flamboyante ambassadeur voor met name onbekende muziek uit Italië.

Ortiz Marco Mencoboni_Cantar Lontano 28 aug 2 (c) Marieke Wijntjes

Marco Mencoboni © Festival Oude Muziek Utrecht

Geestelijke muziek uit die tijd was bedoeld om vooral de rijken en de machthebbers bij de religieuze les te houden maar ook om te behagen, en Mencoboni weet beide aspecten goed te vertalen voor een hedendaags publiek. Men moet bedenken dat mensen uit vergelijkbare maatschappelijk lagen als waar de meesten van ons vandaan komen in die tijd nooit in de gelegenheid zullen zijn geweest zoiets te horen. Ik meen dat Monteverdi’s Vespers uit 1610 bijvoorbeeld misschien waren gebruikt om een van het Protestantisme afvallende Zweedse prinses te imponeren en daarnaast hebben vermoedelijk alleen nog wat andere bevoorrechten het werk toen gehoord. Dat zal ook wel hebben gegolden voor de muziek die werd gecomponeerd door de hof componist van de onderkoning van Napels, Diego Ortiz.

Over Monteverdi gesproken (vaak als de eerste barokcomponist beschouwd), in Ortiz hoort men de barokmuziek er al aankomen, hoewel hij er zo gemiddeld nog ruim een halve eeuw vandaan zit. Misschien is dit ook wat Mencoboni ons wil laten horen, door de mogelijkheden tot uitbundigheid en muzikale variatie tot het uiterste op te rekken. In elk geval was cantar lontano, het ‘verre zingen’, waarbij zangers in groepen stonden opgesteld in de kerk, dat door Monteverdi in diens Vespers uit 1610 tot het uiterste zou worden benut, in het Italië ten tijde van Cortiz al gewoon. Er zal misschien een verband zijn met de techniek van de cori spezzati die al eerder in Venetië was ontwikkeld door een daar werkzame Nederlander, Adriaan Willaert, toen hij in de San Marco koren verspreid opstelde; ik ben niet musicoloog genoeg om daarover meer met zekerheid te zeggen.

De teksten uit het Latijn – fragmenten uit de Bijbel en lofzangen op de Maagd Maria – werden vertaald in het Nederlands en Engels geprojecteerd op de wanden van de zaal. Af en toe realiseer je je wat een rimram die teksten soms zijn; dat mensen daar eeuwenlang intrapten, denk je dan. Het was misschien niet voor niets dat de Katholieke kerk eeuwenlang verbood die teksten te vertalen. Dat de Engelse en Nederlandse vertalingen uiteenlopen geeft ook aan hoe multi-interpretabel die religieuze teksten zijn. Eén van de fragmenten gaat trouwens over hoe Hij, God, de Israëlieten het land van andere volkeren gaf. Het staat er. In die tijden waren massale volksverhuizingen normaal.

De uitvoering besloot met een vijfstemmig Salve Regina, alleen door een relatief klein mannengezelschap gezongen, op het midden van het hoofdpodium. Je zou misschien net zoals in het gedeelte voor de pauze een uitbundige finale hebben verwacht, met alle zangers en instrumentalisten in alle hoeken en gaten van de zaal. Maar naarmate Salve Regina stuk zich verder ontspon in een sfeer van intimiteit en ingetogenheid, beloofde het steeds meer het passende, devote einde te worden, en dat werd het.

IMG_8439

IMG_8442

© Neil van der Linden

Marco Mencoboni aan het woord:

Uitgevoerd door Cantar Lontano o.l.v. Marco Mencoboni

Bezocht op 28 augustus 2019 in TivoliVredenburg, Utrecht

Der Protagonist van Kurt Weill: je moet er even voor gaan zitten

protagonist

Een kunstenaar is een egoïst par excellence: hij leeft voornamelijk voor zijn kunst en daar moet alles en iedereen voor wijken. Soms gaat hij er zo intensief op in dat hij het (wel of niet verzonnen) verhaal met het echte leven verwart. Zo verre zelf dat je je als acteur in je rol van de bedrogen echtgenoot daadwerkelijk de overspelige vrouw vermoordt.

Het gegeven kennen wij al uit o.a. de Pagliacci van Leoncavallo, en het is ook het hoofdthema van Der Protagonist van Kurt Weill. Niet dat je die twee opera’s met elkaar kunt vergelijken (en dat bedoel ik niet alleen muzikaal) want ging het in de Leoncavallo’s hit om het drama pur sang, het libretto van Der Protagonist zit vol met dubbele bodems en morele vraagstukken.

Georg Kaiser, een in die tijd vermaard schrijver, cabaretier en satiricus bewerkte hiervoor zijn eigen toneelstuk en voor de muziek tekende de toen nog totaal onbekende Kurt Weill. De première in 1926 was een groot succes en maakte van de componist een beroemde man.

Er zijn van die opera’s die je eigenlijk zou moeten zien, en daar is Der Protagonist er één van: het is namelijk bijzonder moeilijk het theater in het theater in de muziek zelf te ontwarren. Toch, degene die de moeite neemt zich erin te verdiepen wordt dubbel en dwars beloond want zelden vormen muziek en tekst zo’n hechte eenheid. De zangers en de dirigent zijn voortreffelijk.


Kurt Weill
Der Protagonist
Robert Wörle, Amanda Halgrimson, Alexander Marco-Burmester, Corby Welch e.a.
Deutsches Symphonie-Orchester Berlin o.l.v. John Mauceri.
Capriccio 60086

Nicky Spence herbeleeft Janáčeks Het dagboek van degene die verdween

Janacek diary

Al een tijd ben ik in de ban van de Engelse tenor Nicky Spence. Sinds ik hem als Števa (Jenůfa van Janáček) in Brussel heb gezien, staat hij op mijn ‘to watch’ lijst. Zijn affiniteit met de Tsjechische taal en, nog meer met de muzikale taal van Janáček was toen al meer dan evident. Ik heb mij niet vergist. Nu ik naar zijn interpretatie van Zápisnik zmizelého (Het dagboek van degene die verdween) luister, wellicht de meest persoonlijke compositie van Janáček kan ik niet anders dan zeggen: zie je wel?

Spence’s stem is eigenlijk niet te beschrijven. Lyrisch, zeker, maar ook zeer krachtig. Fluweelzacht, zeker, maar ook zo vurig als een uitbarstende vulkaan. Ik kan mij waarlijk geen betere uitvoering bedenken, en ik ken er een paar. Het is alsof hij het persoonlijke verhaal van de componist herbeleeft.

Waar gaat de liedcyclus over? Liefde, uiteraard! Een boerenzoon wordt verliefd op een zigeunermeisje en samen met haar gaat hij er vandoor, alles achter zich latend. De gedichten van Josef Kalda inspireerden de toen 65-jarige Janáček om de cyclus op muziek te zetten en zo zijn hopeloze liefde voor de achtendertig jaar jongere Kamila Stösslová in het notenschrift te verklaren.

Dat het zo was weten we van Janáček zelf.  In de brieven die hij aan Stösslová verstuurde schreef hij: “En het zwarte zigeunermeisje in mijn ‘Dagboek van degene die verdween’ – dat was jij. Daarom heb ik er zoveel emoties en vuur in het werk verstopt. […] Aldoor heb ik aan je gedacht! Jij was mijn Žofka”.

Václava Housková’s mezzo is zonder meer mooi, al had ik zelf wat meer erotiek, meer verleiding in willen horen. Maar in Řikadla (slaapliedjes) en zeker in de Moravische volksliederen laat zij van zich horen. Tel de schitterende begeleiding van Julius Drake op de piano en de klarinettiste Victoria Samek er bij op: ik ben er heel erg blij mee.

Leoš Janáček
The diary of one who disappeared; Řikadla; Moravian folk poetry in songs
Nicky Spence (tenor), Václava Housková (mezzo), VOICE,
Victoria Samek (clarinet), Julius Drake (piano
Hyperion CDA 68282

La Divina in Amsterdam

Callas in Amsterdam

1959 was een goed Callas jaar. In januari dat jaar gaf ze haar eerste concert in Carnegie Hall, waar ze in concertante gezongen Il Pirata triomfeerde. Er volgden een paar ‘Medea’s’ (Cherubini) in Londen en een kort tournee door Spanje en Duitsland.

En toen was het zover: haar lang verwacht optreden in Amsterdam. Duizenden mensen verzamelden zich op Schiphol om haar te begroeten.

Callas ariveert

Maria Callas arriveert in Nederland in 1959. Rechts: Peter Diamand, voorzitter van het Holland Festival.

Callas Amsterdam

De lichten in de zaal waren gedoofd en alle schijnwerpers waren op haar gericht toen ze het Concertgebouwtrap afdaalde. Alleen de musici van het Concertgebouworkest hadden lichtjes op hun lessenaars aan, wat volgens de getuigen, het podium in een romantische sfeer had gehuld.

Callas was toen zang technisch op het hoogtepunt van haar kunnen. Ze begon met voorzichtig gezongen ‘Tu che vedi il mio tormento’ uit La vestale van Spontini, maar al bij ‘Surta è la notte’ uit Ernani van Verdi liet ze alle remmen los.

Het publiek werd uitzinnig van enthousiasme, wat Callas stimuleerde om nog intenser, en nog dramatischer te worden in haar perfect geïntoneerde lezing van ‘Tu che le vanità’ (Don Carlo). Ze besloot met de waanzinscène uit La Pirata, een waarlijk tour-de-force.

Een iedere noot voorzag ze van een andere kleur, haar pianissimo was adembenemend en de coloraturen optimaal. Een echte La Divina. Was ik maar toen erbij!


Spontini, Verdi, Bellini
Live in Amsterdam 1959
Maria Callas, Concertgebouworkest olv Nicola Rescigno
EMI 5626832