Gastcolumns

Massenets Cherubin is een amusant werkje

Tekst: Peter Franken

In de catalogus van het label Dynamic vond ik een opname uit 2006 van Massenets opera Cherubin. Het betreft een voorstelling uit Teatro Lirico Cagliari met Michelle Breedt in de titelrol. Het verhaal is flinterdun maar de muziek maakt veel goed, ik heb er met plezier naar gekeken.

poster van de première door Maurice Leloir

Cherubin kennen we als het knaapje Cherubino die in Le Nozze di Figaro als een volleerd 13 jarige achter elke vrouw aanholt waarvan hij de feromonen opsnuift. Bij Massenet zijn we aangeland op zijn zeventiende verjaardag en dat is einde 18e eeuw de leeftijd die definitief de jongens van de mannen scheidt. Kennelijk heeft hij flink geërfd in de tussentijd want deze jongeman heeft een kasteeltje met landerijen en daarnaast nog een aardig vermogen. Hij kan het zich permitteren zijn onderhorigen voor een jaar alle financiële verplichtingen kwijt te schelden om hen te laten delen in de feestvreugde.

De eerste akte speelt zich af op dit kasteeltje, de tweede in een hotel waar om onbekende redenen de uitgenodigde gasten verblijven, ook de hooggeplaatsten. Hoewel nu toch echt een volwassen man gedraagt Cherubin zich nauwelijks anders dan die hitsige puber uit Nozze.

Hij heeft zijn peetmoeder uitgenodigd, jawel, de gravin uit Nozze en haar immer achterdochtige echtgenoot is natuurlijk ook van de partij. Verder een barones die eveneens haar echtgenoot heeft meegesleept. Daarnaast is er nog een hertog die een oogje in het zeil houdt vanwege zijn pupil Nina die verliefd is op Cherubin. Als Cherubin opschept dat hij de favoriete van de koning, de danseres L’Ensoleillad die furore maakt aan het Teatro Real, heeft uitgenodigd om op zijn feest te komen dansen, lachen de drie heren hem in zijn gezicht uit.

Cherubin heeft een liefdesgedicht in een wilgenboom verstopt en fluistert zijn peetmoeder in waar ze dat kan vinden. De graaf vangt dit natuurlijk op en is haar voor. Hij zwaait met het gevonden papier en wil direct duelleren. Nina heeft dat gedicht echter al eerder van Cherubin gekregen en redt de gravin door het woordelijk te citeren. Daarmee is bewezen dat het voor haar was bedoeld. De gravin is opgelucht en beledigd tegelijk.

Nina bezingt haar emoties in een aandoenlijk mooie aria ‘Lorsque vous n’aurez rien à faire’ waarin duidelijk wordt dat Cherubin zich slechts een beetje met haar heeft verloofd omdat hij op dat moment niets te doen had.

In de tweede akte treedt er een nogal verwarrende complicatie op. Nu zijn er plots een paar heren aanwezig die Cherubin willen verwelkomen in hun regiment, zonder hem overigens serieus te nemen. Als L’Ensoleillad tegen alle verwachting in haar opwachting maakt, ze komt in een ‘zwaan’ het toneel oprijden, zien de barones en de gravin er een extra concurrente bijkomen.

Een van Cherubins nieuwe collega’s wil met hem duelleren omdat hij aan zijn maîtresse heeft gezeten. Cherubins leraar en de herbergier weten dat te sussen. Als na de nodige verwikkelingen waaronder natuurlijk een serenade van Cherubin gericht aan L’Ensoleillad zowel de baron als de graaf zich beledigd voelen omdat zij denken dat het voor hun echtgenotes was bedoeld en de hertog daarbij aansluit omdat hij zich namens de koning verantwoordelijk voelt voor diens favoriete, dreigen er drie duels de volgende ochtend.

In de derde akte zien we Cherubin zijn testament opmaken. Hij laat Nina zijn ring na omdat ze immers een beetje verloofd waren. L’Ensolleilad waarmee hij een liefdeservaring heeft gehad die nacht krijgt zijn geldelijke bezittingen. Zijn leraar het kasteeltje en de landerijen. De leraar probeert hem uit de put te helpen: hij heeft een eerste ervaring op het gebied van de liefde gehad en lijdt nu als een man, dus niet het vijf minuten verdriet van een rond vlinderende puber.

Uiteindelijk neemt niemand het erg serieus, iedereen gaat gewoon naar huis en Cherubin krijgt te maken met emotionele chantage van Nina die komt vertellen dat ze in een klooster gaat. Hij pakt de draad op van het begin: met haar zal hij trouwen. Maar de jarretel en het lint dat hij van de L’Ensolleilad  en de gravin als teken van liefde toegeworpen kreeg na zijn serenade wil hij houden. De leraar kijkt het aan en voorziet voor Nina hetzelfde lot als dat van Donna Elvira.

Paul Edwards was verantwoordelijk voor het decor en de kostuums en heeft er een feestelijk gebeuren van gemaakt, leuk om naar te kijken. Vooral de kostuums zijn nogal exuberant. Regisseur Paul Curran houdt de touwtjes strak in handen waardoor de chaos altijd georganiseerd blijft. Hij verzorgde ook de choreografie van de dansers en danseressen.

Patrizia Ciofi vertolkt de rol van L’Ensoleillad, goed maar niet bijzonder. Kan ook aan de partij liggen die Massenet voor die rol heeft geschreven. De mooiste muziek wordt gezongen door Carmela Remigio als de ongelukkige Nina. Erg melancholiek en dat werkt altijd goed bij Massenet.

Michelle Breedt is zeer overtuigend in de Hosenrolle van Cherubin, ze draagt de voorstelling zoals het een titelfiguur betaamt. De kleinere rollen zijn adequaat tot goed bezet.

Wie een indruk wil krijgen van deze opera moet natuurlijk bekend zijn met Massenets oeuvre. Mijn oordeel is dat het melodisch volledig aansluit bij de zes opera’s die ik van hem in het theater heb gezien. Meer specifiek: een hybride van Manon en Cendrillon.

Mede dankzij koor en orkest van Teatro Cagliari onder leiding van Emmanuel Villaume is de opname beslist de moeite waard.

Foto’s van de productie © Paul Edwards

De verbindende kracht van de muziek: Reisopera brengt Ariadne auf Naxos met topcast

Tekst: Peter Franken

De oorspronkelijke versie van deze opera ging op 25 oktober 1912 in première in Stuttgart. Hugo von Hofmannsthal had zich laten inspireren door Molières Le Bourgeois Gentilhomme uit 1670. Dat is een combinatie van een toneelstuk en een ballet, waarvoor de muziek werd gecomponeerd door Jean-Baptiste Lully. In het stuk wordt de spot gedreven met de rijke burger die het gedrag en de levenswijze van de adel probeert te imiteren.

Maria Juritza, de eerste Ariadne

Van Hofmannsthal kortte Molières stuk in tot het de lengte had die passend was voor een prelude bij een opera over ‘Ariadne auf Naxos’, de verlaten vrouw die ‘eine wüste Insel’ bewoont. In 1916 hebben Strauss en Von Hofmannsthal deze opzet overigens geheel laten varen en is er een gezongen proloog voor het toneelstuk in de plaats gekomen.

Ariadne auf Naxos gaat over een feestje ten huize van ‘de rijkste man van Wenen’, waarvoor een stukje muziek is besteld om de gasten te vermaken tussen het diner en een afsluitende vuurwerkshow. Dat stukje muziek is een opera seria getiteld Ariadne auf Naxos en de componist in kwestie kan van het uit te keren honorarium wel weer een halfjaar rondkomen. Wat hij onvoldoende beseft, is dat hij samen met de geleverde muzieknoten zijn artistieke vrijheid heeft verkocht. Dat wordt pijnlijk duidelijk als blijkt dat hij het toneel moet delen met een ‘vaudeville troupe’, omdat het anders te saai wordt.

Voor een burger die het tot edelman heeft geschopt, is het van belang dat hij doet zoals zijn ‘collega’s’ doen. Afgezien daarvan zal hij sowieso weinig belangstelling hebben voor serieuze muziek, laat staan een opera met een klassiek thema. Zijn leermeester in adellijke gebruiken, die in De bourgeois als edelman te zien is, zal wel geadviseerd hebben om een variétégezelschap in te huren, opdat zijn meester en diens gasten zich niet al te zeer zullen vervelen.

In de proloog wordt duidelijk dat de Komponist, een onervaren talentvolle jongeman, een nogal treurig stuk heeft afgeleverd. Hij is in alle staten als duidelijk wordt dat er naast zijn opera Ariadne een dansmaskerade zal worden opgevoerd en gaat door het lint als vervolgens ook nog eens blijkt dat beide stukken gelijktijdig zullen plaatsvinden, zonder dat er meer tijd gaat verstrijken want om precies negen uur is er een vuurwerk besteld.

De centrale figuur in de vaudeville troupe is de zeer bewegelijke Zerbinetta die eigenlijk altijd zichzelf speelt. Zij schiet onmiddellijk in haar rol van blonde fee, strooit wat met feromonen en windt de Komponist geheel om haar vinger. Het klassieke beeld van de beauty en de nerd.

De Musiklehrer scheurt de helft van de bladzijden uit de operapartituur nadat de prima donna en de tenor die Ariadne respectievelijk Bacchus zullen vertolken hem hebben ingefluisterd hoe hij te werk moet gaan. Wat de Prima Donna zegt is tekenen voor de wijze waarop Strauss zijn tenoren pleegt te behandelen: ‘Haal die aria’s van Bacchus maar weg, het is toch geen doen om de tenor al die tijd zulke hoge noten te laten zingen.’

Als de opera echt begint neemt ook de strijd tussen de twee prima donna’s een aanvang. Ariadne is natuurlijk de echte, maar Strauss heeft haar een concurrente van formaat gegeven in de persoon van ‘streetsmart’ Zerbinetta. Ariadne die ligt te kwijnen op haar eiland, verlaten door Theseus, zingt de monoloog ‘Ein schönes war: hieß Theseus-Ariadne’ en vervolgens het topstuk ‘Es gibt ein Reich’. Daar kan Zerbinetta natuurlijk niet bij achterblijven. Haar coloratuuraria ‘Großmächtige Prinzessin’ is steevast een absolute showstopper.

Omdat Ariadne auf Naxos gaat over een voorstelling ten huize van een steenrijke man in Wenen is het feitelijk een opera tussen de schuifdeuren en zo brengt regisseur Sofia Jupither het ook, geheel conform het libretto met vrijwel alle daarin vermelde regie aanwijzingen. De rollen van Pruikenmaker en Lakei zijn samengevoegd maar dat heeft geen wezenlijke invloed. Ik realiseerde  het me pas na afloop.

Het toneelbeeld wordt gevormd door een grote hal met links en rechts deuren waarachter de kleedruimtes van de artiesten zich bevinden. Verder het voorgeschreven achterdoek met de afbeelding van ‘iets Grieks’, in dit geval een paar afgebrokkelde zuilen. De obligate rots staat tijdens de proloog nog op zijn kant. Aanvankelijk lopen de artiesten rond in vrijetijdskleding, tijdens de opera zijn ze gestoken in zeer goed op hun rol afgestemde kostuums.

Het georganiseerde pandemonium dat Strauss veel later nog eens zou herhalen in Die schweigsame Frau  zorgde voor hilarische momenten. Voortdurende onrust op het toneel, romantische melodieën, melancholieke klanken van de blazers (met name klarinet en hoorn), een tenor die is opgezadeld met een bijna onmogelijke partij en veel sopranen: het is Strauss ten voeten uit. Er zijn niet enkel drie hoofdrollen voor sopranen die elkaar proberen te overtreffen in schoonheid, maar ook nog eens drie bijrollen die voor verdere vrouwelijke omlijsting zorgen.

Dorottya Láng kon, gestoken in een grijs pak, goed doorgaan voor een knappe jongeman. Zo’n typecast komt goed te pas in de rol van de componist, die feitelijk een onervaren, licht beïnvloedbare nieuwkomer in de muziekwereld is. Haar optreden was vocaal van grote klasse en acterend in alle opzichten overtuigend. De eerste van de drie sopranen voldeed aan alle verwachtingen.

Juliana Zara zingt vooral rollen voor coloratuursopraan en als Zerbinetta liet ze blijken dit vak volledig te beheersen. En in dat geval is de showstopper ‘Großmächtige Prinzessin’ voor de betreffende zangeres bijna een heerlijk speelkwartier. Ik kijk er altijd naar uit en Fraulein Zara had het al snel helemaal gemaakt bij me.

Het viertal komedianten in Zerbinetta’s troupe maakte een goede indruk. Hetzelfde gold voor het optreden van de drie sopranen in een bijrol: Najade, Echo en Dryade.

De titelrol werd vertolkt door niemand minder dan Annemarie Kremer die hiermee kort na haar prachtige Héliane voor de Reisopera opnieuw een droombezetting mogelijk heeft gemaakt. Het gezelschap mag zich gelukkig prijzen met het contracteren van deze diva. Samen met Zara droeg ze de voorstelling met haar prachtige zang en gedoseerde acteren.

Daniel Frank maakte als Bacchus pas tegen het einde zijn opwachting. Zijn aria’s zijn zogenaamd geschrapt dus zingt hij na zijn entrée alleen nog een (lang) duet met Ariadne. Het is dat Strauss zijn tenor natuurlijk toch een volwaardige rol moest gunnen, anders zou hij deze scène wat mij betreft wel wat hebben kunnen inkorten. Komt ook door von Hofmannsthal: die is altijd nogal lang van stof.

Gelet op het niveau van de vier hoofdrollen zou deze cast allerminst misstaan in een groot huis als Deutsche Oper Berlin. En dat is een groot compliment aan de Reisopera.

Met al die voortreffelijke vocale bijdragen op het toneel klinkt die van het orkest Phion bijna als vanzelfsprekende muzikale ondersteuning. Dat doet de rol van de musici in de orkestbak echter geen recht. De partituur schwankt net als de handeling van de ene muzikale stijl naar de andere waarbij de nadrukkelijke inbreng van de piano vaak een signaalwerking vervult. Voor mijn geoefende oren, het was al de 15e Ariadne waar ik kennis mee maakte, klonk het als vanouds en dat is een groot compliment, zeker ook voor dirigent Jac van Steen die het pandemonium uitstekend bij elkaar wist te houden.

Repetitie beelden:


Foto’s: © Marco Borgreve

Atlantis and other utopia’s

Tekst: Neil van der Linden

Ruimte, muziek en beeld waren gelijkwaardige componenten in “Atlantis and Other Utopias”, een multidisciplinaire uitvoering gebaseerd op de schilderijenserie Atlantis en From the New World van Maryleen Schiltkamp met speciaal hiervoor gecomponeerde muziek van componist/pianist Marion von Tilzer.

Marion von Tilzer maakte in het voorjaar van 2023 op dezelfde plek, de Amsterdamse Posthoornkerk, indruk met Into Eternity, het aangrijpende eerbetoon aan de Tsjechische Vilma Grunwald (gebaseerd op de onthutsende afscheidsbrief die zij schreef aan haar echtgenoot, voordat ze samen met haar oudste zoon in Auschwitz zou worden getransporteerd naar de gaskamers).

Deze keer is de opzet abstract. Rond het publiek hangen schilderijen van Maryleen Schiltkamp, gebaseerd op thema’s uit de historische en mythologische Griekse antieke wereld. We zien het Parthenon, kariatiden en onderwaterlandschappen. De musici zijn opgesteld op het podium achter in de kerk. Daarachter worden op een groot scherm elementen uit de schilderijen van Maryleen Schiltkamp vertoond als onderdeel van videoprojecties gemaakt door Studio de Maan.

Ik schrijf groot scherm, maar het enorme projectiedoek valt in het niet vergeleken bij de hoogte van de Posthoornkerk, en dat is precies de bedoeling, want visuele aspecten en de muziek van de uitvoering gaan een voortdurende actieve uitwisseling aan met het interieur van Cuypers meesterwerk.

Op het programma staat drie nieuwe instrumentale stukken van Von Tilzer en enkele andere stukken, uitgevoerd door de componiste zelf op de piano samen met het Amstel Saxofoon Kwartet en percussionist Jacobus Thiele; Thiele had ook een belangrijk aandeel in Eternity.

Schreef Von Tilzer toen intiemer, met muziek die de solo-zang en solo-instrumenten ruimte moest geven, nu is de aanpak massaler. Er zijn elementen van repetitieve muziek, maar dan meer de kant uit van Julius Eastman.

Fraaie klankblokken vanuit het saxofoonkwartet wisselen af met harmonische clusters op de piano. In de prachtige nagalm van de kerk ontstonden fraaie, soms etherische, soms woest alle kanten opzwiepende wisselwerkingen met de ruimte. Vandaar mijn Eastman-associatie.

Ja, het was ook een tentoonstelling van de afzonderlijke schilderijen langs de zijwanderen rond het auditorium. Maar naarmate de muziek vorderde leken ook de schilderijen op te gaan in het fluïdum van klank en ruimte.

Er zijn plannen voor een CD met de muziek van dit project.

Programma:
1. Atlantica – Ian Wilson, saxofoonkwartet
2. Les courants polyphoniques d’après Klee – Hugues Dufourt, saxofoonkwartet
3. Nachtfalter – Marion von Tilzer, piano solo
4. Tante Lotte – Marion von Tilzer, duo piano + percussie
5. Atlantis and other Utopias’ – saxofoonkwartet, piano, percussie; wereldpremière

Uitvoerenden:
Marion von Tilzer – componiste/ pianiste: https://marionvontilzer.com
Amstel Quartet – saxofoon kwartet
Vitaly Vatulya (sopraansaxofoon), Olivier Sliepen (altsaxofoon)
Bas Apswoude (tenorsaxofoon), Harry Cherrin (baritonsaxofoon)
Jacobus Thiele – percussionist
Studio de Maan – videoprojectie

Video gebaseerd op “Atlantis and Other Utopias”:

Over de Atlantis serie van Maryleen Schiltkamp:

Stichting LiveART die dit project geïnitieerd georganiseerd en gefinancierd heeft:

https://live-art-foundation.com

Website van Maryleen Schiltkamp:

https://maryleenschiltkamp.com

Afbeeldingen: Erechtheion – Karyatiden, olieverf/doek, 2021, door Maryleen Schiltkamp bewerkt door Studio de Maan.

Uitvoeringsfoto’s © Arkady Mitnik.    

    

Over Into Eternity:

Marion von Tilzer: 

Hoe Eastman eerder werd uitgevoerd in Amsterdam:

De zachte toon van de violist en de schrijnende tekst van een gedicht

Tekst: Neil van der Linden

Voorafgaand aan de première van Confessions of the Mulberry Tree in het Concertgebouw van componist Ramin Amin Tafreshi betraden dirigent Gemma New en de componist samen het podium. Tafreshi gaf een toelichting bij de titel, ontleend aan een gedicht van de Iraanse dichter, filmmaker en activist Baktash Abtin (1974–2022), die als politieke gevangene overleed na medische verwaarlozing tijdens een COVID 19-infectie.

De toelichting door Ramin Amin Tafreshi op Facebook:

https://www.facebook.com/neil.vanderlinden/videos/604338148907778

Three years on, still no accountability for the death in custody of Baktash Abtin:

https://pen.org/press-release/three-years-on-still-no-accountability-for-the-death-in-custody-of-baktash-abtin/

Tafreshi’s premiere had dit weekend last van concurrentie van Joey Roukens’ nieuwe vioolconcert, dat, voor zover via de radio te beoordelen, ook wel wat klankkleuren aan Shostakovich eerste vioolconcert lijkt te hebben ontleend.

Tafreshi is een fantastisch orkestrator, als een waardig leerling van Willem Jeths. Hij gebruikt ongeveer het hele instrumentarium van het orkest van Shostakovich’ eerste vioolconcert. Maar hij gaat ook heel andere kanten uit. Na wat zachte openingstonen horen we al snel een schildering van dreiging en crisis, in breed geschilderde, woelige clusterpassages door het voltallig orkest, die daarna overgaan naar  steeds tonaler wordende  melodiefragmenten. Dit alles strak in de hand gehouden door dirigent Gemma New.

Het stuk eindigt in verstilling, in steeds ijlere strijkersklanken. Misschien parallel aan de levensloop van de dichter in zijn laatste jaren, van aanvankelijk energiek activisme tot eenzame dood.

Confessions of the Mulberry Tree loopt in zekere zin ook parallel met Shostakovich’ Eerste Vioolconcert uit 1947, dat net zo sereen eindigt. Dat was ook een door politiek omgeven werk, uit de tijd van de Zhdanov Doctrine, toen  componisten het gevaar liepen om beschuldigd te worden van ‘formalisme’, componeren ‘om de vorm’ en niet ten dienste van het communistische ideaal.

Shostakovich schreef het in 1947-48, maar het werd aanvankelijk verboden op grond van de Zhdanov doctrine, maar ook vanwege het gebruik van Joodse thema’s.  Het beleefde zijn première in 1955, na de dood van Stalin, in de ‘liberalere’ tijd van Khrushchev, met David Oistrakh en het Leningrad Philharmonisch onder Yevgeny Mravinsky.

Shostakovich’ eerste Vioolconcert No 1 met Oistrakh, Staatskapelle Berlin en Heinz Fricke, Berlijn 1967:

Shostakovich’ Tweede Vioolconcert uit 1967 is een beetje een replica van het eerste, met dien verstande dat het voordeel ervan is dat we wel een youtube video hebben met degenen die de première uitvoerden, Oistrakh, het Moskou Philharmonisch en Kondrashin. Dit werk kon wel in 1967 in première gaan.



Solist Daniel Lozakovich legt een prachtig warme toon aan de dag, die een klein beetje een zonnige gloed over het verder sombere karakter van het werk. Opvallend was hoe hij contrast daarmee in sommige ingehouden passages bijna achteloos, zelfs bijna onverschillig klonk, op een prachtige manier; de componist die misschien even moedeloos werd en zich bij de omstandigheden leek te willen neerleggen. In de cadens in het derde deel, die ingetogen begint maar geleidelijk aan steeds intenser wordt, haalt Lozakovich alles uit de kast om het inherente drama naar boven te halen.

Het Nederlands Philharmonisch Orkest speelt ook hier weer in topvorm. Zij het dat solist, dirigent en het orkest in de snelle passages in het Shostakovich hier en daar uit de pas lopen. In de grote Passacaglia van het derde deel haalt het alle orkestkleuren naar boven.

Als toegift speelde hij een bewerking voor soloviool van de romance uit Shostakovich’ soundtrack voor de film De Horzel (The Gadfly) uit 1955.
Ogenschijnlijk een Fritz Kreisler-achtige publieks-pleaser, wordt het stuk al snel tweestemmig en kon Lozakovich zijn kunnen via twee melodielijnen tegelijk vertonen.

Ook Beethovens zevende symfonie heeft politieke connotaties. Net als in zijn vijfde drukte hij in deze symfonie zijn afkeur uit over de expansiedrift van de aanvankelijk door hem verafgode Napoleon. Dirigent Gemma New maakt een compact geheel van het werk, energiek waar het energiek moet zijn, en gedragen in de treurmars in het tweede deel, het Alegretto.

De toelichting door Ramin Amin Tafreshi op Facebook:

https://www.facebook.com/neil.vanderlinden/videos/604338148907778

Three years on, still no accountability for the death in custody of Baktash Abtin

https://pen.org/press-release/three-years-on-still-no-accountability-for-the-death-in-custody-of-baktash-abtin/


Ik vind dit ook een mooi Shostakovichiaans vioolconcert, het concert van de Azerbaijaanse componist Kara Karayev (1918-1982), ook uit 1967. Let op de enorme cataclystische klap. Opname uit de Soviet-Unie met Gidon Kremer uit 1976”

Nederland Philharmonisch Orkest, Gemma New dirigent, Daniel Lozakovich viool
Het Concertgebouw, Amsterdam zaterdag 1 februari 2025

Ramin Amin Tafreshi (1992)— Confessions of the Mulberry Tree (opdrachtwerk)
Sjostakovitsj — Vioolconcert nr. 1
Beethoven — Symfonie nr. 7

Foto’s: © Simon van Boxtel

Niet helemaal: de meest overweldigende uitvoering van Brittens vioolconcert?

Tekst: Neil van der Linden

Ik ging naar dit concert allereerst vanwege het vioolconcert van Britten, en omdat ik benieuwd was naar de samenwerking specifiek in dit werk tussen Klaus Mäkelä en Janine Jansen, bij Concertgebouworkest. Het zou ook de eerste keer in al deze lange tijd worden dat ik Mäkelä bij het orkest zou mee maken.

Ik houd al van het concert sinds ik het hoorde in de uitvoering door Ida Haendel, een opname uit 1978. Het zit ten onrechte niet in de top tien van populairste concerten, of laten we zeggen dat het minstens in de top vijftien zou moeten staan. Te midden de concerten van Shostakovich en die van Prokofiev, waarmee Brittens concert idiomatisch sterke verwantschappen heeft (dat van Britten kwam tien jaar eerder dan Shostakovich’s eerste). Britten stond in contact met Shostakovich, en vooral diens eerste concert heeft wel wat overeenkomsten met dat van Britten, vooral in een zekere zwaarmoedigheid, en een aantal fraaie fortissimo orkestklappen. Maar in het rapsodische en zangerige van Brittens concert hoor je ook parallellen met Prokofiev. Allemaal vioolconcerten die ook in mijn favoriete top tien staan.

Ida Haendel in de vioolconcerten van Britten en Haendel uit 1978:

Dan zou je een wonder mogen verwachten. Wel, de verhoopte magie bleef lange tijd uit. Ja, er werd prachtig gemusiceerd en gesoleerd. Maar er ontbrak iets. De toppen en dalen waren allemaal wat vlak getrokken. Misschien loert het gevaar van oversentimentaliteit om de hoek, maar het concert dateert uit de niet erg aangename jaren 1938/39, geschreven door een componist die nog maar ongeveer 25 jaar was. Een zekere dosis Sturm und Drang mag er dus ook wel in zitten.

Intussen is het concert voor een 25-jarige bij vlagen ook wel ingetogen en lyrisch. Het is bij zo’n vlaag zo’n vijf minuten na het begin van het derde deel dat de elementen werkelijk bij elkaar kwamen, bij de overgang naar het rapsodische passage in het derde deel, Passacaglia; Andante Lento leek Jansen via haar solo het voortouw te nemen en kreeg het geheel echt inhoud. Dat het allemaal toch wat intenser zou worden had Janine Jansen overigens daarvoor al aangegeven in de schrijnende vioolgrepen uit de cadens van het tweede deel.

Dit was het donderdagavond concert, in een reeks van drie. Voorafgaand aan een tournee naar Spanje. Misschien had ik net een ‘tussenavond’ te pakken? En nogmaals, alle klank was prachtig. En wel goed dat men met dit vioolconcert op tournee gaat.

Voorafgaand aan Britten hadden de koperblazers en een bespeler van de grote trom de begrafenismars uit Purcells Funeral Music for Queen Mary gespeeld. Britten zelf gebruikte muziek van Purcell in zijn Young Person’s Guide to the Orchestra. Via de roffel op de trom ging Purcell naadloos over in de paukenpassage waarmee Brittens concert opent.

Na pauze volgde een bewerking van een stuk van nog een Britse componist, nog melancholischer, John Dowlands Lachrimae antiquae. Oorspronkelijk geschreven voor vijf viols, maar nu uitgevoerd door strijkkwintet op moderne instrumenten. Als nogmaals een ouverture voor muziek uit de Duitse cultuur, Schumann Tweede Symfonie. Ik vind dit al heel lang niet meer het interessantste repertoire om door een traditioneel symfonieorkest te laten spelen, al had men zijn best gedaan een beetje te experimenteren met negentiende-eeuwse orkestpraktijken door de de contrabassen achter de overige strijkers te plaatsen.

Purcell Mars (uit Music for the Funeral of Queen Mary II in c, Z 860)
Britten Vioolconcert in d, op. 15
Dowland Lachrimae antiquae
Schumann Symfonie nr. 2 in C, op. 61

Janine Jansen viool
Concertgebouworkest olv Klaus Mäkelä 

Gezien 23 januari, Concertgebouw, Amsterdam

Foto’s: © Tedje Schreurs

Janine Jansen met Brittens vioolconcert in 2009:

Janine Jansen en Klaus Mäkelä met de concerten van Sibelius en Beethoven:

Rebels with a cause: the friendship of Britten and Shostakovich:

https://www.theguardian.com/music/2019/sep/11/britten-shostokovich-festival-orchestra-jan-latham-koenig

En de mens schiep God. Maar zag dat het misschien niet zo goed was.


Tekst: Neil van der Linden

In Rudi Stephans opera Die ersten Menschen zien we hoe de mens, om precies te zijn Abel, zoon van Adam en Eva, God uitvond. Religieuze thema’s waren er al te over in de opera, maar dit was nog nooit vertoond. Het operapubliek had Richard Strauss’ Salome uit 1905 al geaccepteerd, en zelfs omarmd, maar Rudi Stephans opera uit 1914 (première 1920) ging vele stappen verder.  

Of die immorele strekking de belangrijkste reden is waarom de opera lange tijd werd vergeten weten we niet. De componist was in 1915 op 28-jarige leeftijd tijdens de eerste dag van zijn militaire op het slagveld van de Eerste Wereldoorlog omgekomen.

Tijdens zijn korte leven had hij een klein, verfijnd oeuvre achtergelaten. Prachtige muziek, maar moeilijk te definiëren. Tussen post-romantisch en modernistisch in. Hij was geen iconoclast als Schönberg, maar ook minder ‘conservatief’ en ‘welluidend’ dan bijvoorbeeld Korngold. Korngolds Die Tote Stadt, ook première 1920, was een enorm succes in de Duitstalige operawereld.

Eigenlijk heeft Stephans idioom wel wat weg van dat van Franz Schreker. Diens Die Gezeichneten, première 1918, was wél succesvol. Strikt genomen een niet minder immorele of amorele opera dan Die ersten Menschen, maar dan zonder de ‘Godsvraag’. Misschien hielp het ook niet dat Stephans eerdere, ook prachtige orkestwerken flegmatische titels kregen als Opus 1 für Orchester, Musik für sieben Saiteninstrumente, Musik für Orchester, Musik für Geige und Orchester.

De opera, naar een libretto van Otto Borngräber, gaat over Adahm, Chawa, Kajin en Chabel, de Hebreeuwse namen voor Adam, Eva, Kain en Abel. Het is dus een familiedrama. Maar dan wel heel Freudiaans; de theorieën van de psychoanalyse waren net in zwang gekomen. Adahm is bezig met zijn werk (in de voorstelling zit hij een groot deel van de tijd achter een laptop), en heeft geen tijd voor dan wel geen zin in Chawa’s behoefte aan huiselijkheid en haar seksuele verlangens.

Kajin, de oudste zoon, wordt afgewezen door vooral zijn vader maar ook door zijn moeder. Hij trekt eropuit, de wilde wereld in, op zoek naar ‘Das Wilde Weib’; dat er strikt volgens de Bijbel maar vier mensen waren op de wereld – Die ersten Menschen – doet er even niet toe. Maar hij komt erachter dat zijn moeder eigenlijk de ideale vrouw is. Hij keert terug, maar als zij hem negeert, randt hij haar min of meer aan. Maar ze geeft toe, omdat ze in een fantasie denkt dat het Adahm is. Als ze bij zinnen komt, schudt ze hem van zich af. Chawa valt dan weer wel op haar andere zoon Chabel, de Benjamin van de hele familie. Vervolgens ontpopt Chabel zich tot profeet, en vindt God uit; de mens schept God naar zijn evenbeeld, aldus de tekst. Chawa en Adahm bekeren zich onmiddellijk enthousiast tot de nieuwe leer.

De handeling speelt zich op en rond een enorme witte tafel af. In de openingsscène is het een eettafel bezaait met vruchten. Later wordt een offertafel, de plek waar de protagonisten seks hebben, een schuilplaats voor Kajin, het kruisbeeld en volgens mij zelfs de wereld. Hierover verderop meer.

De rolbezetting is dezelfde als bij de première van de voorstelling drie jaar geleden, en die was en is ijzersterk. Sopraan Annette Dasch is een fenomenale Chawa en trekt daarbij wel alle registers open, zowel vocaal- als acteer-technisch

Als je Chawa’s karaktertekening in het libretto als misogyn wil zien, dan verandert Bieito daar weinig aan. Ze moet de hele tijd verleidelijk zijn, ze loopt heupwiegend rond, komt met de ene na de andere sensuele jurk opkomen, enz. Maar dat doet Dasch overtuigend.

Adahm (bas-bariton Kyle Ketelsen) zet fraai een wijfelaar neer, die een al wat bezadigder levenshouding heeft. Zijn respectievelijke “Chabel, mein Sohn” en “Kajin, mein Sohn” laat hij net zo gebiedend klinken als Alberichs “Hagen, mein Sohn” in Wagners Götterdämmerung moet zijn, en ik denk dat Stephan in deze korte frasen Wagner muzikaal letterlijk citeert.

De eveneens fraai zingende bariton Leigh Melrose (Kajin) drukt zowel de wanhoop als het machismo uit die in de rol zitten. Zijn personage wekt ook empathie, ondanks de broedermoord. Nou ja, die moest gebeuren. En bovendien is Chabel eigenlijk een ontzettende druiloor, een grote baby, uit een horrorfilm. John Osborn zet hem geweldig neer. De rol schrijft hele passages in falsetregisters voor. Die geven Chabel iets onaards, maar in deze enscenering maakt John Osborn er een bijna-gek van, een Parsifaleske reine Tor, een associatie die past bij de Parsifaliaanse muziek die Stephan hem meegeeft als hij zijn visioenen profeteert.

Chabel brengt een lam mee naar huis, het Lam Gods. Maar het is een onooglijke vuilwit-pluchen speelgoedbeest. Als een verwend kind snijdt Chabel het beest aan stukken. “Het offer” noemt Chabel het. Het eerste offer, volgens het libretto, het tweede offer wordt Chabel even later zelf, wanneer hij, Bijbel-conform, door Kajin wordt vermoord. De Jezus-analogie ligt er duimendik bovenop, en Bieito buit die gretig uit. Chabels ‘kindsheid’ belet Bieito overigens niet om voorafgaand aan de broedermoord een prachtig in scène gezette seksscène te hebben, met Chawa, maar intussen ook met Kajin, en met alle twee tegelijk.

Uiteindelijk vinden Chawa en Adahm elkaar weer, en we zien hen tegenover een ‘sterrennacht’ (lampjes boven het orkest) zingen dat de toekomst er toch hoopvol uit ziet en dat ze ervoor gaan zorgen dat er nog een zoon zal komen. (Dat zou volgens de Bijbel dan Seth moeten worden, de ‘vergeten’ derde zoon van Adam en Eva.)

Kleuren en uitlichting, ook van alle bloemen en vruchten die door het decor slingeren, doen denken aan Caravaggio. Chawa zingt dat ze van bloemen houdt terwijl Adahm stelt dat voor hem de vruchten het belangrijkst zijn; Chawa smijt daarop lustig kilo’s meloenen, sinaasappels en ananassen kapot.

Ook de mystiek-erotische tekst roept associaties met Caravaggio op.  Bijvoorbeeld zijn in zijn Conversione di San Paolo zien we Saulus c.q. Paulus, als hij op weg naar Damascus, verblind door Goddelijk licht, zo te zien een bijna orgastische ervaring beleeft.

Het orkest zit net als drie jaar geleden weer op het podium. Dat was toen vanwege Corona. Zo kon je met minder musici toch een mooie orkestklank krijgen. De opstelling van toen is gehandhaafd, maar nu was het mogelijk met voltallig orkest te werken. Het Rotterdams Philharmonisch Orkest klinkt op deze manier spectaculair. Dirigent Kwamé Ryan weet intussen ondanks het veel grotere orkest een fraai klinkende balans met de zangers te bereiken.

Het orkest heeft trouwens een rol in het decor. Als de protagonisten het aan het begin en aan het eind over de sterren hebben lichten de lampen boven het orkest zachtjes op. Tussen orkest en speelvloer hangt het grootste deel van de tijd een gaasdoek, maar als de personages ergens tijdens de tekst vertellen dat ze de waarheid zien of zoiets dan gaat het gaasdoek omhoog; om even later als hun blik blijkbaar weer vertroebelt omlaag te gaan.

Als Kajin uiteindelijk als een verschrompeld hoopje ellende onder de tafel ligt, lijkt hij even op Judas. Heb ik nou ergens ooit gelezen dat Judas misschien een broer van Jezus was? Maar helemaal tegen het eind spreidt hij zijn armen uit langs het tafelblad. Een verwijzing naar Jezus zelf? En dan moet ik ook even denken aan Atlas uit de Griekse mythologie, die de wereld op zijn schouders draagt.

Bieito zou toen eigenlijk Berlioz’ La Damnation de Faust regisseren. Om Corona-redenen moest die plaats maken voor een werk met veel minder personages. Ik hoop dat we die Damnation nog tegoed hebben.

Rudi Stephan (1887 – 1915) Die ersten Menschen (1914, première 1920)
Libretto  Otto Borngräber
Regie  Calixto Bieito
Adahm Kyle Ketelsen
Chawa Annette Dasch
Kajin  Leigh Melrose
Chabel John Osborn

Decor Rebecca Ringst
Rotterdams Philharmonisch Orkest
Muzikale leiding Kwamé Ryan

Foto’s © Bart Grietens

Trailers van de productie van drie jaar geleden:

Op CD via Spotify :

.

Over Seth, Adam en Eva’s derde zoon:

https://en.wikipedia.org/wiki/Seth

Over Die Gezeichneten van Schreker:

https://basiaconfuoco.com/2017/01/21/die-gezeichneten-discografie/



Lieneke Effern:  Mijn mooiste vijf voorstellingen van 2024

2024 was een jaar vol schitterende momenten, maar er zijn vijf voorstellingen die extra indruk hebben gemaakt.

1. Fanny and Alexander – De Munt, Brussel


In december bezocht ik de opera Fanny and Alexander in de prachtige Muntschouwburg in Brussel. Deze productie bracht alle kunstvormen samen: zang, toneelspel, muziek en een adembenemend toneelbeeld. Ik was heel blij dat Thomas Hampson de rol van de bisschop vertolkte in een over de hele linie geweldige cast. Dit was opera in zijn meest meeslepende vorm, een ware triomf van het muziektheater.

2. Verklärte Nacht – Schönberg – Concertgebouw


Arnold Schönbergs Verklärte Nacht is een meesterwerk op zich, maar het Concertgebouworkest bracht het naar een nieuwe hoogte onder de bezielende leiding van Klaus Mäkelä. In de zaal hing een betoverende sfeer: elke noot leek geladen met emotie, en het orkest transporteerde het publiek naar een andere wereld. Toen de laatste klanken vervaagden, bleef de zaal in een diepe stilte gehuld. Een onvergetelijke avond

https://www.concertgebouw.nl/concerten/5216512-klaus-makela-dirigeert-mahler-bij-het-concertgebouworkest

3. Rusalka – Staatsoper Berlin


In de Staatsoper Berlin beleefde ik een prachtige uitvoering van Dvořáks Rusalka. Christiane Karg blonk uit in de titelrol. Haar zang was niet alleen technisch perfect, maar vooral doorleefd en ontroerend. Elk gebaar, elke noot vertelde het tragische verhaal van de waternimf die verlangt naar de liefde van een mens. Haar fenomenale acteerprestatie maakte de ervaring extra intens. De rest van de bezetting was ook van zeer hoog niveau.

4. Billy Budd – Wiener Staatsoper


Benjamin Brittens Billy Budd zag ik in de Wiener Staatsoper. Gregory Kunde schitterde als Captain Vere, een rol die hij onvergetelijk maakte met zijn subtiele tekstbeleving en vocale kracht. De opera is een verhaal over loyaliteit en morele dilemma’s, en deze productie wist die thema’s uitstekend over te brengen. Een opera die nog lang nadreunt.

5. Alma Quartet met Santa Vizine en Klaus Mäkelä – Kamermuziekprogramma


Het Alma Quartet, samen met altvioliste Santa Vizine en cellist Klaus Mäkelä, bracht een indrukwekkend kamermuziekprogramma ten gehore. Op het programma stonden Korngolds Sextet in D en Schuberts Strijkkwintet in C, D956. De musici wisten de essentie van deze werken perfect te vangen, wat zorgde voor een avond vol muzikaal vakmanschap en intensiteit.

Foto’s “Behind the scenes” © Lieneke Effern



Ademloos luisteren en kijken naar stomme film Prinz Achmed

Tekst: Neil van der Linden

Steven Kamperman is één van de avontuurlijkste musici van Nederland. Eerder besprak ik zijn samenwerking met het ensemble Wishful Singing en Modar Salama voor een vertoning van Fritz Langs ‘stomme’ film Der müde Tod. Nu heeft hij muziek gemaakt voor de vroegste volledig bewaard gebleven ‘avondvullende’ animatiefilm, Die Abenteuer des Prinzen Achmed  van Lotte Reiniger (1899-1981), uit 1926, met een ensemble bestaande uit hemzelf  op altklarinet melodica drums, Hamid Reza Behzadian op Indiase gitaar, ‘lapsteel’ en mondharmonica, Esat Ekincioğlu op contrabas en Eric Vloeimans, trompet.  

Die Abenteuer des Prinzen Achmed, gebaseerd op een drietal episodes uit de Verhalen van Duizend-En-Één-Nacht, was indertijd meteen al een hoogtepunt uit de filmgeschiedenis, mede door Lotte Reinigers spectaculaire gebruik van techniek. Elk frame werd minutieus gefilmd en er waren 24 frames per seconde nodig, en dat bij een film die zeventig minuten duurt. Voor elke frame werden silhoutfiguren uit karton en lood geknipt en vervolgens gefotografeerd tegen felle achtergronden. Opmerkelijk was ook dat, in de tijd waarin films nog zwartwit waren, de oorspronkelijke versie werkte met verschillend gekleurse achtergronden.

Reiniger experimenteerde ook met de eerste multiplane camera, waarmee je verschillende figuren onafhankelijk van elkaar kunt laten verschuiven – een techniek die vervolgens decennia lang in de animatiefilm zou worden gebruikt. Sterren werden gemaakt door een stuk karton met kleine gaatjes voor een sterke lampen te houden, golvende zeeën door stukken door stukken doorzichtig papier over elkaar heen te leggen en met zilverpapier erbij kreeg je maanverlicht water.

Die Abenteuer des Prinzen Achmed was overigens ook de  eerste  publieksfilm die openlijk homoseksuele geliefden portretteerde, namelijk de Keizer van China en ‘Des Kaisers Liebling’, Ping Pong geheten. Reiniger zei hierover: “Ik kende veel homoseksuele mannen en vrouwen uit de film- en theaterwereld in Berlijn, en zag hoe zij leden onder stigmatisering. […] Ik vermoed dat toen de keizer Ping Pong kuste, dat de eerste gelukkige kus tussen twee mannen in de bioscoop moet zijn geweest, en ik wilde dat het heel kalm zou gebeuren, midden in Prince Achmed, zodat kinderen — sommigen die homoseksueel zouden zijn en anderen die dat niet zouden zijn — het als een natuurlijk verschijnsel konden zien, en niet geschokt of beschaamd zouden zijn.”

NB, deze homoseksuele amoureuze avonturen zijn gewoon ontleend aan de originele Verhalen van Duizend-En-Één-Nacht.

Enfin, door naar de muziek. Steven Kamperman, zelf op zijn vertrouwde altklarinet en daarnaast op melodica en drums, verzamelde een drietal geweldige musici om zich heen. Esat Ekincioglu op contrabas, Hamidreza Behzadian op Indiase gitaar, ‘lapsteel’ (een liggend op de knieën bespeelde variant van de ‘steel guitar’ bekend uit de Country & Western muziek) en ook op mondharmonica, en voor een deel van de tour ook trompettist Eric Vloeimans.

De voorstelling begint met een ouverture – net als in een opera, zo vertelt Kamperman aan het begin . Na een paar noten op de bas heft Hamidreza Behzadian op vol volume een hemels zangerige, maar soms ook bijna persiflerend lamento solo aan op zijn lapsteel. Het idioom doet aan Indiase muziek denken, een assocatie die verderop in de voorstelling een paar keer terugkeert als hij op de – ook op de knieën liggende – Indiase gitaar speelt. Steven Kamperman vult aan met toonreekse op de altklarinet, waarna Eric Vloeimans invalt met fraaie trompet licks. Dan begint de film. Kamperman speelt ook op drums, én op melodica, en dat soms als Behzadian de mondharmonica bespeelt, wat een verrassende combinatie oplevert. Het verhaal speelt zich af in magische landschappen en wonderpaleizen, en natuurlijk zijn er boze tovenaars, goede geesten en stormen op zee te over, allemaal materiaal dat virtuoos wordt verklankt.

Als de protagonisten aankomen bij de keizer van China mag Eric Vloeimans op een gong slaan. Ja, het is ook heerlijk spelen met stereotypen, maar dat doen én de oorspronkelijke Verhalen van Duizend-En-Één-Nacht zelf ook.

Het af en toe zelfs spookachtige geluid van Hamidreza Behzadians lapsteel en Indiase gitaar is een vondst. Esat Ekincioglu speelde niet alleen fraaie jazz-motieven op de bas maar ontlokte er ook klop- en slag-geluiden aan, mondharmonica en melodica klonken soms samen als een oprukkende Janitsaren-colonne en Eric Vloeimans liet het geluid van zijn trompet geregeld door allerlei klankomvormers als phasers en echo-pedalen gaan waardoor het klankdecor kosmische dimensies kreeg.

Ik denk dat kinderen deze voorstelling geweldig vinden.  Maar blijkbaar geldt dat ook voor jongeren, de groep die niet meer onder kinderen valt, vanaf 13, 14 jaar. De generatie die vergroeid is met smartphones. Maar op de rij voor mij zat zo’n groep jongeren die, zo constateerde ik, net als ikzelf, ademloos naar de film keken en naar de muziek luisterden.

.

Link naar de film (met andere muziek) :

Over Der müde Tod met muziek van Steven Kamperman:

Link naar Steven Kampermans website met meer speeldata Prinz Achmed:

https://www.stevenkamperman.nl/



Karina Canellakis. De klank was prachtig, de muziekkeuze ook

Tekst: Neil van der Linden




De klank was prachtig, de muziekkeuze ook. Maar Patricia Kopatchinskaja was er niet. En in de Debussy stukken ontbrak er telkens iets.

Het Concertgebouw lijkt gemaakt voor Debussy. Nog altijd behoren de Debussy-registraties van het KCO onder Haitink tot de beste. Wat de opnametechniek betreft hoefde je bij wijze van spreken alleen maar twee microfoons neer te zetten en de akoestiek deed de rest. Haitinks vermogen om emoties te beheersen en ze op bepaalde momenten toch gedoseerd de ruimte te geven, als ook zijn precisie bij het lezen van partituur pasten ideaal bij deze muziek.

Helaas ontbrak er deze middag om aan de twee gespeelde Debussy-stukken de essenties te ontlokken. In de Prélude à l’après-midi d’un faune ontbrak het aan zwoelheid, voelde je niet het mengsel van lui neer willen liggen en geil rondspringen van de faun waarover het stuk gaat. En La Mer was niet zozeer de Golf van Biskaje, waarin een wind, en vaak een storm het water opjaagt, maar meer een kanaal; op het Noordzeekanaal kan het ook spoken, maar La Mer speelt zich eigenlijk af op oceanische verten, of op zijn minst een wijde baai, waarboven zon en wolken elkaar afwisselen.

Overigens mogen vooral wat betreft Prelude de fluitisten van het Radio Filharmonisch Orkest worden genoemd. In het tweede deel van de solo waarmee het stuk opent hoorde ik de eerste fluitiste (Ingrid Geerlings?) af en toe een soort overblaaseffect gebruiken dat ik nog niet eerder zo duidelijk had gehoord en dat erg fraai werkte. Het stuk heeft ook passages waarin de tweede fluitist (Maike Grobbenhaar?) eerst -fraai – inzet, en wanneer vervolgens de eerste en derde fluitist volgend ontstond even de zevende Debussy-hemel.

Het idee om de Japanse in het VK woonachtige Dai Fujikura om een dubbelconcert voor viool, fluit en orkest te vragen kwam van de violiste Patricia Kopatchinskaja. Helaas had Kopatchinskaja al haar optredens voor tot over een maand afgezegd.

Akiko Suwanai was muzikaal-technisch een uitstekende vervanger in dit in postmodern-harmonisch-atmosferische stijl geschreven stuk. Fluitiste Claire Chase neemt in felblauwe gebreide trui en grijze broek de honneurs wat betreft springerige bewegingen van Kopatchinskaja waar.

Toch zou het interessant zijn geweest twee solisten als de faunen in Debussy’s openingsstuk te hebben zien rondspringen. En misschien ook: als Kopatchinskaja er was geweest om in wat ruigere tonen de uitdagingen van Claire Chase van repliek te dienen. Al rondspringend haalde Chase soms behoorlijk ruige klanken uit haar fluit of basfluit. Hier was dirigent Canellakis in elk geval goed op dreef

Dat gold ook voor Olivier Messiaens Les offrandes oubliées. Dit werk uit 1930, zijn eerste grote symfonisch werk, ken ik nauwelijks. Canellakis benutte ten volle de verschillen tussen het serene eerste deel La Croix, en het kolkende tweede deel, Le Péché, om vervolgens het nog serenere en dubbel zo lange derde en laatste deel L’Eucharistie optimaal te laten contrasteren.

Volgens de programmatoelichting is het werk beïnvloed door Debussy en in het wildere middendeel door Stravinsky. Ik zou ook de orkestwerken Debussy’s compaan Charles Koechlin kunnen noemen, maar ik hoorde er ook invloeden uit de Duitstalige muzikale invloedssferen in, van Parsifal tot en met zelfs Schönbergs Begleitmusik zu einer Lichtspielscene (dat uit hetzelfde jaar als Les offrandes oubliées stamt).

De eerste en derde akte van Parsifal zijn ook eucharistievieringen, en trouwens de tweede akte gaat net als Le Péché over De Zonde. Naast, zoals het programmaboek vermeldt, inderdaad invloeden van Stravinsky’s Sacre, hoorde ik in de fraai door Canellakis aangezette orkestrale ff erupties, ook flarden van de orkestrale uitbarstingen uit Schönbergs Gurrelieder opklinken.

Claude Debussy Prélude à l’après-midi d’un faune
Dai Fujikura Dubbelconcert voor fluit, viool en orkest (wereldpremière)
Olivier Messiaen Les offrandes oubliées
Claude Debussy La mer

Radio Filharmonisch Orkest olv Karina Canellakis
Claire Chase fluit
Akiko Suwanai viool

NTR ZaterdagMatinee | NPO Klassiek 11 januari, Concertgebouw, Amsterdam

Foto’s: © Neil van der Linden

De uitzending is nog terug te beluisteren:

https://www.npoklassiek.nl/uitzendingen/ntr-zaterdagmatinee/9bb98d1e-ece0-4ef2-8bd2-0e0780782d07/2025-01-11-ntr-zaterdagmatinee

TOP-6 VAN 2024 VAN PETER FRANKEN

Kosky maakt een spannend avond van Il trittico

Hoewel Puccini’s drieluik Il trittico bestaat uit volledig op zichzelf staande eenakters doen veel regisseurs een poging er een verbindend element aan toe te voegen. Dood als rode draad ligt voor de hand maar ook verlangen speelt in alle drie een grote rol. Barrie Kosky heeft daar in zijn productie voor DNO nadrukkelijk van afgezien en vat de drie korte opera’s op als afzonderlijke gerechten in een drie gangen menu. Niettemin wordt, met kleine variaties, steeds hetzelfde decor gebruikt: twee hoge wanden die onder een hoek toneelbreed staan opgesteld.

Geslaagde Rossini double bill van Opera Zuid

Voor de pauze La scala di seta en erna Il Signor Bruschino, allebei opera’s uit Rossini’s vroege periode maar toch ook betrekkelijk kort voor zijn eerste grote succes Un Italiana in Algeri.

Beide stukken hebben een geijkte handeling: geheime liefdesrelaties, opdringerige voogden die een meisje willen uithuwelijken, persoonsverwisselingen en veel verstopwerk. Een klucht als het Franse toneelstuk Boeing Boeing komt aardig in de buurt. Muzikaal wordt het door Rossini in een fris jasje gezet, leuk om naar te luisteren zonder ook maar een moment te beklijven. Aansprekende solostukken ontbreken, die kwamen pas later in zijn carrière.

Prachtige Favorite uit Teatro Donizetti

Uit Teatro Donizetti in Bergamo komt een nieuwe opname die daar in 2022 is gemaakt. De Bluray verscheen in 2023 op het label Dynamic, zo langzamerhand de plek waar je als operaliefhebber het eerste gaat zoeken naar iets bijzonders.

Donizetti’s opera La favorite, geschreven voor Parijs in 1840, past goed in het genre ‘Grand Opéra’ dat toen de maat aller dingen was. Het werk bestaat weliswaar uit vier aktes in plaats van de gebruikelijke vijf, maar de thematiek past volledig binnen de traditie.

Cilea’s ‘Gloria’ op Bluray: een wereldpremière

Francesco Cilea (1866-1950) schreef vijf opera’s waarvan alleen de laatste drie enige bekendheid genieten. ‘L ’Arlesiana’ ging in 1897 in première en onderging daarna twee revisies, de laatste in 1937. Daarna volgde Cilea’s succesnummer ‘Adriana Lecouvreur’ (1902) en zijn laatste opera werd ‘Gloria’. De première was in 1907 en in 1932 publiceerde de componist een herziene versie waarvan in 2024 een opname op Bluray is verschenen. Het betreft een voorstelling uit 2023 in het Teatro Lirico di Cagliari. Het is opvallend hoeveel bijzondere opnames er de voorbije jaren in dat provinciale theater zijn gemaakt. Het is zo ongeveer de hofleverancier voor het label Dynamic.

Respighi’s Maria Egiziaca is een juweeltje

Na het succes van zijn grote opera La Campana Sommersa (1927) schreef Respighi een

theaterwerk met een wat onbestemde vorm. Maria Egiziaca heeft als ondertitel ‘Mysterie in drie aktes’ en houdt het midden tussen een oratorium en een opera. Aangezien de inhoud voldoende aanknopingspunten biedt voor een scenische uitvoering kreeg het werk na de première in concertvorm (New York 16 maart 1932) als snel een geënsceneerde première in Teatro Goldoni te Venetië, op 10 augustus 1932. Het werk stond op het programma van het Internationale Festival van Moderne Muziek. In maart 2024 ging Maria Egiziaca in het Teatro Malibran in Venetië als onderdeel van de programmering van Teatro Fenice. Het betreft een productie van Pier Luigi Pizzi die op 94-jarige leeftijd nog weer eens liet blijken waar hij zijn grote reputatie in de operawereld aan te danken heeft. De opname van de voorstelling op 10 maart 2024 is door Dynamic uitgebracht op dvd, een scenische wereldpremière op video.